Karl Marx
Het Kapitaal, boek 3


Woord vooraf

Eindelijk ben ik er in geslaagd, dit derde boek van Marx’ hoofdwerk, de afsluiting van het theoretische deel, aan het publiek te overhandigen. Bij de uitgave van het tweede boek, in 1885, dacht ik, dat het derde slechts technische problemen zou opleveren, uiteraard met uitzondering van enkele zeer belangrijke afdelingen. Dit was inderdaad het geval; maar ik had toen geen vermoeden van de moeilijkheden, die net die belangrijkste afdelingen van het geheel, mij zouden geven, noch van de andere hindernissen, die het afwerken van het boek zozeer zouden vertragen.

Eerst en vooral had ik last van een aanhoudende zwakte van de ogen, die mijn arbeidstijd voor geschriften jarenlang tot een minimum beperkte en mij ook nu nog slechts bij uitzondering in staat stelt, bij kunstlicht de veer ter hand te nemen. Daarbovenop kwamen andere taken die ik onmogelijk kon weigeren: nieuwe oplagen en vertalingen van eerder werk van Marx en mij, kortom revisies, inleidingen, aanvullingen, die vaak onmogelijk waren zonder nieuwe studies, enz. Vooral de Engelse uitgave van het eerste boek, voor welke tekst ik in laatste instantie verantwoordelijk ben en die mij dus veel tijd heeft gekost. Wie de kolossale groei van de internationale socialistische literatuur gedurende de laatste tien jaar, met name het aantal vertalingen van eerder werk van Marx en mij, enigszins heeft gevolgd, zal mij gelijk geven, wanneer ik mij gelukkig prijs dat het aantal talen waarbij ik de vertaler van nut kon zijn en dus onmogelijk een revisie van zijn werk kon weigeren, zeer beperkt is. Maar de groei van de literatuur was slechts het gevolg van de overeenkomstige groei van de Internationale Arbeidersbeweging zelf. En deze legde mij nieuwe verplichtingen op. Vanaf de eerste dag van onze publieke activiteit was een groot deel van het bemiddelingswerk tussen de nationale bewegingen van socialisten en arbeiders in de verschillende landen op de schouders van Marx en mij gevallen; dit werk nam toe naarmate de gehele beweging sterker werd. Terwijl Marx echter tot aan zijn dood ook hierin de grootste last op zich had genomen, viel van toen af het almaar toenemende werk alleen op mijn schouders. Ondertussen is het rechtstreekse onderlinge contact tussen de afzonderlijke nationale arbeiderspartijen de regel geworden en zal dat gelukkig steeds meer worden; desondanks wordt nog vaak een beroep gedaan op mijn hulp, veel meer dan mij in het belang van mijn theoretische arbeid lief is. Maar voor iemand als ik, die vijftig jaar in deze beweging actief is geweest, is het hieruit voortvloeiende werk een onafwijsbare, ogenblikkelijk te vervullen plicht. Net als in de zestiende eeuw, bestaan er in onze bewogen tijd op het gebied van het publieke belang enkel nog zuivere theoretici aan de kant van de reactie, en net daarom zijn deze heren niet eens werkelijke theoretici, maar simpele apologeten van deze reactie.

Het feit dat ik in London woon, brengt nu met zich mee, dat mijn contacten met de partijen in de winter meestal per brief, maar in de zomer grotendeels persoonlijk plaatsvinden. En daardoor – maar ook vanwege de noodzaak, de ontwikkeling van de beweging in een voortdurend toenemend aantal landen en een nog sterker toenemend aantal persorganen te volgen – was het voor mij enkel mogelijk om werk dat geen onderbreking duldt, in de winter, in het bijzonder in de eerste drie maanden van het jaar klaar te krijgen. Wanneer men de zeventig voorbij is, dan werken volgens Meynert de associatievezels van de hersenen met een bepaalde fatale bedachtzaamheid en overwint men onderbrekingen in moeilijk theoretische werk niet meer zo makkelijk en snel als vroeger. Daardoor moest het werk van één winter, voor zover het niet volledig voltooid was, de volgende winter grotendeels weer van voor af aan opnieuw begonnen worden, en dit gebeurde namelijk met de moeilijkste, vijfde, afdeling.

Zoals de lezer zal kunnen opmaken uit de volgende vermeldingen, was het redactiewerk wezenlijk verschillend van dat bij het tweede boek. Voor het derde was slechts één eerste zeer onvolledig ontwerp voorhanden. In de regel was het begin van iedere afzonderlijke afdeling tamelijk zorgvuldig uitgewerkt, ook meestal stilistisch afgerond. Maar hoe verder men kwam, des te schetsmatiger en onvollediger het manuscript werd, des te meer uitweidingen ze bevatte over bijkomstige punten die in het verdere verloop van het onderzoek opdoken en die nog op hun definitieve plaatsen moesten worden gezet, des te langer en ingewikkelder de zinnen werden, waarin de in statu nascendi neergeschreven gedachten werden uitgedrukt. Op meerdere plaatsen verraden het handschrift en de voorstelling al te duidelijk het uitbreken en de geleidelijke toename van de, door overwerk veroorzaakte, ziekteaanvallen, die de arbeid van de auteur in eerste instantie steeds zwaarder en tenslotte een tijdlang totaal onmogelijk maakten. En geen wonder. Tussen 1863 en 1867 heeft Marx niet enkel de beide laatste boeken van Het Kapitaal ontworpen en het eerste boek persklaar gemaakt, maar ook nog het gigantische werk verzet dat gepaard ging met de oprichting en de opbouw van de Internationale Arbeidersassociatie. Maar reeds in 1864 en 1865 doken al ernstige indicaties op van gezondheidsklachten, waardoor Marx niet meer zelf de laatste hand heeft kunnen leggen aan het 2e en 3e boek.

Mijn werk begon met het dicteren van het hele manuscript, vanuit het zelfs voor mij vaak moeizaam te ontcijferen origineel naar een leesbare kopie, wat al een aanzienlijke tijd in beslag nam. Pas dan kon de echte redactie beginnen. Ik heb dit beperkt tot het meest noodzakelijke, overal waar de duidelijkheid het toeliet, heb ik het karakter van het eerste ontwerp zo veel mogelijk behouden en heb ik afzonderlijke herhalingen niet geschrapt, op plaatsen waar ze, zoals gebruikelijk bij Marx, het onderwerp telkens vanuit een ander standpunt bekeken of toch op zijn minst anders formuleerden. Daar, waar mijn veranderingen of toevoegingen niet enkel van redactionele aard zijn, of waar ik het door Marx aangeleverde feitenmateriaal moest verwerken tot eigen conclusies, die zo veel mogelijk in de geest van Marx bleven, staat de hele aanhaling tussen rechte haken (in voorliggend boek tussen accolades) en aangeduid met mijn initialen. In de voetnoten ontbreken soms de rechte haken, maar als mijn initialen eronder staan, ben ik verantwoordelijk voor de hele noot.

Zoals vanzelfsprekend in een eerste ontwerp, staan in het manuscript talrijke verwijzingen voor later te ontwikkelen punten, zonder dat deze beloften steeds werden nagekomen. Ik heb ze laten staan, omdat ze verwijzen naar de intentie van de schrijver tot een latere uitwerking.

En nu naar de details.

Voor de eerste afdeling was het hoofdmanuscript slechts met grote beperkingen bruikbaar. Zo werd bij het begin meteen al de hele mathematische berekening van de verhoudingen tussen de meerwaardevoet en de winstvoet (wat ons derde hoofdstuk vormt) erbij betrokken, terwijl het onderwerp dat in ons 1e hoofdstuk wordt uitgewerkt pas later en occasioneel behandeld wordt. Hier waren twee prille uitwerkingen dienstig, elk 8 foliozijden; maar ook die waren helemaal niet samenhangend uitgewerkt. Daaruit werd het huidige 1e hoofdstuk samengesteld. Hoofdstuk 2 werd samengesteld uit het hoofdmanuscript. Voor het 3e hoofdstuk waren er een hele reeks onvolledige mathematische bewerkingen voorhanden, maar ook een compleet, bijna volledig schrift uit de jaren zeventig, dat de verhouding van de meerwaardevoet tot de winstvoet beschrijft in de vorm van vergelijkingen. Mijn vriend Samuel Moore, die ook het grootste deel van de Engelse vertaling van het eerste boek heeft afgeleverd, nam de taak op zich om dit schrift voor mij te bewerken, aangezien hij daar als oud-Cambridge wiskundige veel beter toe in staat was. Aan de hand van zijn samenvatting heb ik dan het 3e hoofdstuk samengesteld, waarbij ik occasioneel gebruik maakte van het hoofdmanuscript. Van hoofdstuk 4 bestond enkel de titel. Maar aangezien het hier behandelde punt: de invloed van de omzet op de winstvoet, van cruciaal belang is, heb ik het zelf uitgewerkt, waardoor het hele hoofdstuk in de tekst ook tussen haken werd geplaatst. Hierbij werd duidelijk dat de formule uit het 3e hoofdstuk over de winstvoet moest worden veranderd om algemeen geldend te zijn. Vanaf het vijfde hoofdstuk is het hoofdmanuscript de enige bron voor de rest van de afdeling, hoewel ook hier zeer veel aanpassingen en aanvullingen noodzakelijk waren.

Voor de volgende drie afdelingen kon ik mij, afgezien van een stilistische redactie, vrijwel geheel aan het originele manuscript houden. Enkele passages, meestal betreffende de invloed van de omzet, moesten in overeenstemming gebracht worden met het door mij ingevoegde en uitgewerkte vierde hoofdstuk; ook dit werd tussen haken geplaatst en met mijn initialen aangeduid.

Het grootste probleem vormde afdeling V, dat het meest ingewikkelde onderwerp van het hele boek behandelt. En net hier werd Marx tijdens de uitwerking geveld door één van de genoemde zware ziekteaanvallen. Hier bestond dus geen afgewerkt ontwerp, zelfs geen schema, waarvan de grote contouren moesten worden ingevuld, maar enkel een aanzet tot uitwerking, die meer dan eens ontaarde in een wanordelijke hoop notities, bemerkingen, materiaal en uittreksels. Eerst probeerde ik deze afdeling, zoals het mij enigszins gelukt was bij de eerste, te vervolledigen door de leemtes en de slechts aangestipte onderwerpen aan te vullen, zodat het op zijn minst ongeveer alles bevatte, wat de schrijver bedoeld had. Ik heb dit minstens drie keer geprobeerd, maar faalde telkens weer en de tijd die hierdoor is verloren gegaan is één van de hoofdoorzaken van de vertraging. Uiteindelijk zag ik in dat het op die manier niet zou lukken. Ik had de gehele massale literatuur op dit gebied moeten doornemen om uiteindelijk iets tot stand te brengen, dat niet langer een boek van Marx was. Er restte mij niets anders dan de zaak in zekere zin te forceren, mij zo veel mogelijk te beperken tot het ordenen van datgene wat voorhanden was en enkel de meest noodzakelijke aanvullingen te maken. En zo was ik in het voorjaar van 1893 klaar met het meeste werk voor deze afdeling.

Van de afzonderlijke hoofdstukken waren de hoofdstukken 21-24 op de belangrijkste punten uitgewerkt. Voor de hoofdstukken 25 en 26 moest ik de referenties ordenen en materiaal tussenvoegen dat zich op andere plaatsen bevond. Hoofdstuk 27 en 29 konden bijna geheel van het manuscript worden overgenomen, terwijl hoofdstuk 28 hier en daar anders ingedeeld moest worden. Maar het echte probleem begon bij hoofdstuk 30. Vanaf hier kwam het erop aan om niet alleen het referentiemateriaal te ordenen, maar ook de gedachtegang te volgen, die op eender welk moment werd onderbroken door tussenvoegsels, uitweidingen enz. en vervolgens op een andere plaats, vaak heel terloops, verder ging. Zo kwam hoofdstuk 30 tot stand door het aanpassen en verwijderen van stukken die op andere plaatsen konden worden gebruikt. Hoofdstuk 31 was opnieuw meer samenhangend uitgewerkt. Maar dan volgt in het manuscript een groot stuk, getiteld: “De verwarring”, dat louter bestaat uit uittreksels uit de parlementsrapporten over de crises van 1848 en 1857, waarin de getuigenissen van drieëntwintig zakenlieden en economen, met name over geld en kapitaal, goudafvloeiing, over-speculatie etc. zijn samengesteld met hier en daar humoristische opmerkingen. Hierin zijn zowat alle gangbare standpunten over de verhouding van geld en kapitaal uit die tijd vertegenwoordigd, hetzij door de vragen, hetzij door de antwoorden en het was de hier opduikende “verwarring” over datgene, dat op de geldmarkt geld of kapitaal is, dat Marx kritisch en satirisch wilde behandelen. Na vele pogingen had ik mezelf ervan overtuigd, dat het onmogelijk was om dit hoofdstuk af te werken; het materiaal, in het bijzonder datgene wat door Marx werd becommentarieerd, is slechts gebruikt, daar waar het bij de tekst aansloot.

Vervolgens komt in een behoorlijke volgorde datgene wat ik in hoofdstuk 32 heb ondergebracht, echter direct gevolgd door een nieuwe reeks uittreksels uit de parlementsrapporten over alle mogelijke onderwerpen, die in dit deel werden aangestipt, vermengd met langere of kortere opmerkingen van de schrijver. Tegen het einde spitsen de uittreksels en commentaren zich meer en meer toe op de beweging van de geldmetalen en wisselkoersen en eindigen weer met allerhande toevoegingen. Het “voor-kapitalistische” (hoofdstuk 36) was daarentegen volledig uitgewerkt.

Uit al dit materiaal, vanaf “De verwarring”, en voor zover het niet reeds op eerdere plaatsen werd ondergebracht, heb ik de hoofdstukken 33-35 samengesteld. Dit kon uiteraard niet zonder grote tussenvoegingen van mijn kant, om de samenhang van de tekst te bewaren. In zoverre deze tussenvoegingen niet louter van formele aard waren, werden ze uitdrukkelijk aangeduid als zijnde van mij. Op deze manier is het me uiteindelijk gelukt om alle uitspraken van de schrijver, die op de één of andere manier bij het onderwerp horen in de tekst onder te brengen; van de uittreksels werd niets weggelaten behalve een deel hetzij het slechts een eerder aangehaald punt herhaalde, hetzij omdat het punten aanhaalde, waar het manuscript niet nader op ingegaan is.

De afdeling over grondrente was veel vollediger uitgewerkt, maar geenszins geordend, wat reeds duidelijk blijkt uit het feit dat Marx het in hoofdstuk 43 (in het manuscript het laatste stuk van de afdeling over rente) nodig acht om het plan voor de hele afdeling in het kort te recapituleren. Dit was voor de uitgave des te meer gewenst aangezien het manuscript begint met hoofdstuk 37, gevolgd door de hoofdstukken 45-47 en pas daarna de hoofdstukken 38-44. Het meeste werk werd veroorzaakt door de tabellen bij de differentiaalrente II en de ontdekking dat het derde geval van die rentesoort in hoofdstuk 43 helemaal niet onderzocht was.

Voor deze afdeling over de grondrente had Marx in de jaren zeventig geheel nieuwe speciale studies gedaan. Hij had de Russische statistieken bestudeerd, die na de “hervorming” van 1861 in Rusland onvermijdbaar waren geworden, alsook andere publicaties over grondeigendom, die hem door Russische vrienden in bewonderenswaardige volledigheid ter beschikking waren gesteld. Hij had er uittreksels van gemaakt en was van plan om ze bij de herziening van deze afdeling te gebruiken. Door de verscheidenheid aan vormen van zowel het grondbezit als de uitbuiting van landbouwers, zou Rusland in de afdeling over grondrente, dezelfde rol spelen als Engeland dat doet in boek 1 bij de industriële loonarbeid. Helaas is hij er niet in geslaagd om dit plan uit te voeren.

Tenslotte was de zevende afdeling al helemaal uitgeschreven, maar slechts als een eerste ontwerp, waarvan de eindeloos verstrengelde volzinnen eerst moesten worden ontleed, vooraleer er gedrukt kon worden. Van het laatste hoofdstuk bestond enkel het begin. Hier zouden de drie grote revenuvormen worden geïntroduceerd: grondrente, winst, arbeidsloon overeenkomstig de drie grote klassen van de ontwikkelde kapitalistische maatschappij – grondeigenaars, kapitalisten en loonarbeiders – en de klassenstrijd, die noodzakelijk voortvloeit uit het bestaan van die klassen, als feitelijk noodzakelijk gevolg van de kapitalistische periode. Marx had de gewoonte om dergelijke eindconclusies voor te behouden voor de eindredactie, net voor de druk, wanneer de meest recente historische gebeurtenissen met nooit aflatende regelmaat hem de actuele bewijzen van zijn theoretische ontwikkelingen leverden.

Net als in het 2e boek zijn er beduidend minder citaten en referenties dan in het eerste boek. Citaten uit boek 1 verwijzen naar de paginanummers van de 2e en 3e oplage. Waar in het manuscript werd verwezen naar theoretische uitspraken van vroegere economen, werd meestal enkel de naam aangeduid, terwijl de exacte plaats bij de eindredactie zou worden bijgevoegd. Dit heb ik uiteraard zo moeten laten. Er waren slechts vier parlementsrapporten, maar deze zijn dan ook veelvuldig gebruikt. Het zijn de volgende:

1. Reports from Committees (het Lagerhuis), Vol.VIII, Commercial Distress, Vol.II, Part. 1, 1847/48, Minutes of Evidence.) Geciteerd als: Commercial Distress, 1847/48.

2. Secret Committee of the House of Lords on Commercial Distress 1847, Report printed 1848, Evidence printed 1857 (omdat in 1848 voor te compromitterend aangezien). – Geciteerd als: C.D., 1848-1857.

3. Report: Bank Acts, 1857. – Dito, 1858. Berichten van het Lagerhuis comité over de werking van de bankwetten van 1844 en 1845, met getuigenissen. – Geciteerd als: B.A. (af en toe als B.C.), 1857, resp. 1858.

Met het vierde boek – de geschiedenis van de meerwaardetheorie – zal ik beginnen, zodra het mij mogelijk wordt.


In het woord vooraf bij het tweede boek van Het Kapitaal moest ik afrekenen met de heren die toen hard schreeuwden, omdat ze “in Rodbertus de geheime bron en een belangrijke voorganger van Marx” hadden gezien. Ik bood hen de kans om aan te tonen, “wat de rodbertusiaanse economie kon bewijzen”; ik daagde hen uit om aan te tonen, “op welke manier ze tot een zelfde gemiddelde winstvoet konden en moesten komen, niet alleen zonder het overtreden van de waardewet, maar net op basis van die wet”. Diezelfde heren die toen op subjectieve of objectieve, maar doorgaans allesbehalve wetenschappelijk basis, de goede Rodbertus ophemelden als een grote economische ster, zijn zonder uitzondering het antwoord schuldig gebleven. Daarentegen hebben andere lieden het de moeite waard gevonden, zich met het probleem bezig te houden.

In zijn kritiek op het 2e boek (Conrads Jahrbücher, XI, 5, 1885, pp. 452-465) stelde Prof. W. Lexis de vraag opnieuw, hoewel ook hij geen directe oplossing vond. Hij zegt:

“De oplossing van elke tegenstrijdigheid” (tussen de ricardiaans-marxistische waardewet en de gelijke gemiddelde winstvoet) “is onmogelijk, indien de verschillende warensoorten afzonderlijk beschouwd worden, indien hun waarde gelijk moet zijn aan hun ruilwaarde en indien die ruilwaarde gelijk of proportioneel moet zijn aan hun prijzen.”

Die oplossing is volgens hem enkel mogelijk, indien men

“voor de afzonderlijke warensoorten het meten van de waarden volgens de arbeid opgeeft en de warenproductie enkel ziet in haar geheel en in haar verdeling onder de gehele klasse van kapitalisten en arbeiders ... Van het totale product krijgt de arbeidersklasse slechts een bepaald deel ... het andere deel, dat toekomt aan de kapitalisten is in de zin van Marx het meerproduct, bijgevolg ook... de meerwaarde. De leden van de kapitalistenklasse verdelen nu deze volledige meerwaarde onder elkaar, niet naarmate het aantal arbeiders die zij tewerkstellen, maar in verhouding tot de kapitaalgrootte die elk van hen ter beschikking heeft gesteld, waarbij ook onroerend goed als kapitaalwaarde in rekening werd genomen.”

De marxistische ideale waarden, bepaald door de hoeveelheid arbeid in de waren, stemmen niet overeen met de prijzen, maar kunnen

“worden beschouwd als uitgangspunt van een verschuiving, die leidt tot de werkelijke prijzen. Die laatste worden veroorzaakt door het feit dat even grote kapitalen even grote winsten verwachten.”

Daardoor zal de ene kapitalist voor zijn waren een hogere prijs krijgen dan de ideale waarde, terwijl de andere een lagere prijs zal krijgen.

“Maar aangezien de verliezen en de winsten aan meerwaarde, elkaar wederzijds opheffen binnen de kapitalistenklasse, is de totale grootte aan meerwaarde hetzelfde, als wanneer alle prijzen proportioneel waren aan de ideale waarden van de waren.”

Men ziet dat de vraag hier niet opgelost is, maar dat ze, zij het op een lakse en oppervlakkige manier, toch in het algemeen juist geformuleerd werd. En dit is in feite meer, dan we mogen verwachten van iemand die zich, zoals deze schrijver, met een zekere trots voorstelt als “vulgair-econoom”; het is echt verrassend, wanneer men het vergelijkt met de prestaties van andere vulgair-economen die we later zullen behandelen. De vulgair-economie van deze schrijver is echter van een geheel eigen soort. Hij zegt dat de kapitaalswinst weliswaar op Marx’ manier kan worden afgeleid, maar niets verplicht tot deze opvatting. Integendeel. De vulgair-economie heeft op zijn minst een meer aannemelijke verklaringswijze:

“De kapitalistische verkopers, de grondstoffenproducenten, de fabrikanten, de groothandelaars en de kleinhandelaars maken met hun bedrijven winst, doordat zij allen duurder verkopen dan zij kopen, doordat zij dus de kostprijs van hun waren met een zeker percentage verhogen. Enkel de arbeider is niet in staat een dergelijke waardeverhoging door te drukken, hij is door zijn ongunstige positie tegenover de kapitalisten gedwongen zijn arbeid te verkopen tegen de prijs die ze hem zelf kost, namelijk de prijs voor het noodzakelijke levensonderhoud ... zo behouden deze prijsverhogingen hun volle betekenis tegenover de kopende loonarbeiders en veroorzaken de overdracht van een deel van de waarde van het totale product naar de kapitalistenklasse.”

Nu is er geen groot denkwerk nodig om in te zien, dat deze “vulgair-economische” verklaring van de kapitaalwinst praktisch op hetzelfde resultaat uitkomt als de meerwaardetheorie van Marx; dat de arbeiders zich volgens Lexis’ opvatting in precies dezelfde “ongunstige situatie” bevinden als bij Marx; dat ze net zozeer bedrogen worden, doordat elke niet-arbeider boven de prijs kan verkopen, maar de arbeider niet; en dat op grond van deze theorie een minstens zo plausibel vulgair-socialisme kan worden opgebouwd, als hier in Engeland op basis van de gebruikswaarde- en grensnuttheorie van Jevons-Menger. Ja, ik vermoed zelfs, dat indien de heer Georg Bernhard Shaw op de hoogte was geweest van deze winsttheorie, hij in staat zou zijn geweest om met beide handen de kans te grijpen, om Jevons en Karl Menger de rug toe te keren en vervolgens een nieuwe fabiaanse kerk voor de toekomst op te richten.

Maar in werkelijkheid is deze theorie slechts een parafrase voor de theorie van Marx. Waarmee worden dan alle prijsverhogingen bestreden? Met het “totale product” van de arbeiders. En wel doordat de waar “arbeid”, of, zoals Marx het noemt, arbeidskracht, onder haar prijs moet worden verkocht. Want aangezien het een gemeenschappelijke eigenschap van alle waren is, duurder verkocht te worden dan de productiekosten, terwijl enkel de arbeid hierop een uitzondering vormt omdat ze steeds slechts tegen de productiekosten wordt verkocht, dan wordt ze net onder de prijs verkocht, wat de regel is in deze vulgair-economische wereld. De extra winst die daardoor naar de kapitalisten, resp. de kapitalistenklasse gaat, bestaat, en kan in laatste instantie slechts ontstaan, doordat de arbeider, na de reproductie van de vervangmiddelen voor de prijs van zijn arbeid, nog meer product moet produceren, waarvoor hij niet betaald wordt – meerproduct, product van onbetaalde arbeid, meerwaarde. Lexis is een uiterst voorzichtig man in zijn woordkeuzes. Hij zegt nergens vlakaf dat bovenstaande opvatting de zijne is; maar indien ze dat is, dan is het zonneklaar dat wij hier niet te maken hebben met een gewone vulgair-econoom – van wie hij zelf zegt dat elk van hen in de ogen van Marx “in het beste geval slechts een hopeloze sufferd is” – maar met een als vulgair-econoom vermomde marxist. Of deze vermomming bewust of onbewust is, is een psychologische vraag die ons hier niet interesseert. Wie dat wil uitzoeken, kan misschien ook onderzoeken hoe Lexis, die zonder twijfel een heel verstandig man was er ooit is toe gekomen om zelfs dergelijke larie als het bimetallisme te verdedigen.

De eerste die de vraag echt heeft proberen te beantwoordden, was Dr. Conrad Schmidt in zijn Die Durchschnittsprofitrate auf Grundlage des Marx’schen Werthgesetzes, Dietz, Stuttgart 1889. Schmidt probeerde de details van de marktprijsvorming in overeenstemming te brengen met zowel de waardewet als de gemiddelde winstvoet. De industriële kapitalist krijgt voor zijn product enerzijds de vervanging van zijn voorgeschoten kapitaal en anderzijds een meerproduct, waarvoor hij niet betaald heeft. Maar om dit meerproduct te verkrijgen, moet hij zijn kapitaal voorschieten in de productie; d.w.z. hij moet een bepaalde hoeveelheid gematerialiseerde arbeid gebruiken om zich dit meerproduct toe te eigenen. Voor de kapitalist is dit door hem voorgeschoten kapitaal dus de hoeveelheid gematerialiseerde arbeid, die maatschappelijk nodig is, om dit meerproduct te kunnen verkrijgen. Voor elke andere industriële kapitalist geldt hetzelfde. Nu, aangezien de producten volgens de waardewet onderling worden geruild in verhouding tot de arbeid, die maatschappelijk noodzakelijk is voor hun productie, en aangezien de noodzakelijke arbeid voor de vervaardiging van het meerproduct voor de kapitalisten de verbruikte arbeid is, die in zijn kapitaal geaccumuleerd werd, volgt daaruit dat de meerproducten worden geruild volgens de verhouding van de kapitalen die voor hun productie vereist zijn en niet volgens de arbeid die er werkelijk in belichaamd is. Het aandeel van elke kapitaaleenheid is dus gelijk aan de som van alle geproduceerde meerwaarden, gedeeld door de som van de gebruikte kapitalen. Bijgevolg scheppen gelijke kapitalen in gelijke perioden gelijke winsten, en dit wordt verwezenlijkt doordat de zo berekende kostprijs van het meerproduct, d.w.z. de gemiddelde winst, wordt bijgeteld bij de kostprijs van het betaalde product en verkocht wordt tegen deze verhoogde prijzen van beide, betaalde en onbetaalde producten. De gemiddelde winstvoet wordt tot stand gebracht, ondanks het feit dat, zoals Schmidt meent, de gemiddelde prijs van de afzonderlijke waren bepaald worden door de waardewet.

De constructie is zeer ingenieus, ze is volledig geënt op het model van Hegel, maar ze heeft met het model van Hegel vooral gemeen dat ze niet juist is. Meerproduct of betaald product maakt geen verschil: indien de waardewet ook direct zou gelden voor de gemiddelde prijzen, dan moeten beiden verkocht worden tegen prijzen die overeenstemmen met de maatschappelijke noodzakelijke arbeid die voor hun totstandkoming vereist is en daarin verbruikt werd. De waardewet richt zich van meet af aan tegen het inzicht dat overgewaaid is uit de kapitalistische voorstellingswijze, als zou de geaccumuleerde verbruikte arbeid, waaruit het kapitaal bestaat, niet enkel een bepaalde hoeveelheid geproduceerde waarde zijn, maar, omdat het een factor van productie en winstvorming is, ook waardevormend zijn, dus een bron zijn van meer waarde zijn dan het zelf heeft; men stelt vast dat deze eigenschap enkel aan levende arbeid toekomt. Het is bekend dat de kapitalisten een winst verwachten die in verhouding staat tot de grootte van hun kapitalen, dat ze hun kapitaalvoorschot dus beschouwen als een soort kostprijs van hun winst. Maar wanneer Schmidt deze voorstelling gebruikt, om de volgens de gemiddelde winstvoet berekende prijs in overeenstemming te brengen met de waardewet, heft hij die waardewet zelf op, doordat hij er een totaal tegenstrijdige voorstelling van deze wet als medebepalende factor aan toevoegt.

Ofwel is de geaccumuleerde arbeid waardevormend net zoals de levende. Dan geldt de waardewet niet.

Ofwel is ze niet waardevormend. Dan is de bewijsvoering van Schmidt in tegenspraak met de waardewet.

Schmidt kwam op dit zijspoor toen hij de oplossing al zeer nabij was, omdat hij ervan overtuigd was een wiskundige formule te vinden, die de overeenkomst van de gemiddelde prijzen van elke afzonderlijke waar met de waardewet zou aantonen. Maar terwijl hij hier, dicht bij het doel, een verkeerde weg volgde, bewijst de rest van de brochure met welk inzicht hij verdere conclusies heeft getrokken uit de beide eerste boeken van Het Kapitaal. Hem komt de eer toe zelfstandig de juiste verklaring te hebben gevonden voor de tot dan toe tot onverklaarbaar dalende tendens van de winstvoet, die Marx heeft gegeven in de derde afdeling van het derde boek; alsook het afleiden van de handelswinst uit de industriële meerwaarde en een hele reeks bemerkingen over rente en grondrente, waarbij hij vooroploopt op zaken, die Marx in de vierde en vijfde afdeling van het derde boek heeft uitgewerkt.

In een later werk (Neue Zeit, 1892/93, nr. 3 en 4) probeert Schmidt op een andere manier een oplossing te vinden. Die komt erop neer dat de gemiddelde winstvoet tot stand gebracht wordt door de concurrentie, doordat ze kapitaal verplaatst uit bedrijfstakken met minder winst naar andere, waar meer winst wordt gemaakt. Dat de concurrentie de grote gelijkmaker van de winsten is, is niet nieuw. Maar nu probeert Schmidt te bewijzen dat deze nivellering van de winsten gelijk staat aan het reduceren van de verkoopprijzen van te veel geproduceerde waren, tot de waardemaat, die de maatschappij daarvoor volgens de waardewet kan betalen. Waarom ook dit niet tot de oplossing kan leiden, blijkt voldoende uit de Marx’ uiteenzettingen in het boek zelf.

Volgens Schmidt ging P. Fireman in op het probleem (Conrads Jahrbücher, Dritte Folge, III, S. 793). Ik ga niet in op zijn opmerkingen betreffende andere aspecten van Marx. Ze berusten op het misverstand dat Marx zaken definieert, terwijl hij ze slechts uitwerkt en dat men bij Marx überhaupt geen harde en duidelijke, eeuwig geldige definities moet gaan zoeken. Het is toch vanzelfsprekend dat daar, waar de feiten en hun wederzijdse betrekkingen niet als vast, maar als veranderlijk worden opgevat, ook de denkbeelden, de begrippen, eveneens aan verandering en omvorming zijn onderworpen; dat men ze niet inkapselt in starre definities, maar ontwikkelt in hun historisch resp. logisch proces. Dan zal het wel duidelijk zijn, waarom Marx bij het begin van het eerste boek uitgaat van de eenvoudige warenproductie als historische vooronderstelling om dan vanuit deze basis aan te belanden bij het kapitaal – waarom hij daar uitgaat van de eenvoudige waar en niet van een abstracte en historische secundaire vorm, een reeds kapitalistisch gemodificeerde waar; wat Fireman echter helemaal niet kan inzien. Deze en andere bijzaken, die kunnen leiden tot vele bedenkingen, laten we liever links liggen om meteen over te gaan tot de kern van de zaak. Terwijl de theorie de schrijver leert dat de meerwaarde, bij een gegeven meerwaardevoet, proportioneel is aan het aantal ingezette arbeidskrachten, leert de ervaring hem dat de winst, bij een gegeven gemiddelde winstvoet, proportioneel is aan de grootte van het totale ingezette kapitaal. Fireman verklaart dit doordat de winst slechts een conventionele verschijning is (wat bij hem wil zeggen dat ze hoort bij een bepaalde maatschappelijke formatie, waarmee ze staat of valt); haar bestaan is simpelweg gebonden aan het kapitaal; en zodra het kapitaal sterk genoeg is om een winst te garanderen, wordt ze door de concurrentie gedwongen, die zelfde winstvoet te garanderen voor elk ander kapitaal. Zonder gelijke vaste winstvoet is überhaupt geen kapitalistische productie mogelijk; wordt deze productievorm verondersteld, dan kan de omvang van de winst voor iedere afzonderlijke kapitalist, bij gegeven winstvoet, slechts afhangen van de grootte van zijn kapitaal. Anderzijds bestaat de winst uit meerwaarde, onbetaalde arbeid. En hoe gebeurt de gedaanteverwisseling van de meerwaarde, die hand in hand gaat met de uitbuiting van de arbeid, in winst, waarvan de grootte afhankelijk is van de daarvoor benodigde kapitalen?

“Eenvoudig doordat in alle bedrijfstakken, waar de verhouding tussen ... constant en variabel kapitaal het grootste is, de waren boven hun waarde worden verkocht, dat betekent echter ook, dat in die bedrijfstakken, waar de verhouding constant kapitaal : variabel kapitaal = c : v het kleinste is, de waren onder hun waarde worden verkocht, en dat enkel daar waar de verhouding c : v een bepaalde gemiddelde grootte voorstelt, de waren tegen hun werkelijke waarde worden verkocht ... Is dit afwijken van afzonderlijke prijzen met hun respectievelijke waarden een weerlegging van het waardenprincipe? Geenszins. Want indien de prijzen van enkele waren evenveel boven hun waarde stijgen, als de prijzen van andere waren onder hun waarde dalen, dan blijft de totale som van de prijzen gelijk aan de totale som van de waarde ... ‘in laatste instantie’ verdwijnt de incongruentie.”

Deze incongruentie is een “storing”; “in de exacte wetenschappen echter pleegt men een berekende verstoring nooit als een weerlegging van een wet te beschouwen”.

Indien men dit vergelijkt met de overeenkomstige passages in hoofdstuk 9, zal men zien dat Fireman hier de vinger op de pols legde. Het onverdiende koele onthaal dat zijn belangrijke artikel gekregen heeft, bewijst echter hoeveel tussenstappen er zelfs na deze ontdekking nog nodig waren, om Fireman in staat te stellen de hele voor de hand liggende oplossing van het probleem uit te werken. Hoewel velen in het probleem geïnteresseerd waren, vreesden zij allen nog steeds om hun vingers te branden. En dit wordt niet alleen verklaard door de onvolledige vorm waarin Fireman zijn ontdekking heeft achtergelaten, maar ook door de onloochenbare gebrekkigheid van zowel zijn opvatting van Marx’ analyse, alsook de kritiek die hij erop leverde.

Als de gelegenheid zich voordoet, om zich in een moeilijke zaak belachelijk te maken, dan faalt de heer Professor Julius Wolf in Zürich nooit. Het hele probleem, zo vertelt hij ons (Conrads Jahrbücher, Dritte Folge, II, S. 352 e.v.), wordt opgelost door de relatieve meerwaarde. De productie van de relatieve meerwaarde berust op de vermeerdering van het constant kapitaal tegenover het variabel.

“Een plus aan constant kapitaal vooronderstelt een plus aan productieve kracht van de arbeiders. Maar aangezien die plus aan productieve kracht (door het goedkoper maken van levensmiddelen) een plus aan meerwaarde veroorzaakt, is een onmiddellijk verband tussen de toenemende meerwaarde en het toenemende aandeel constant kapitaal in het totale kapitaal tot stand gebracht. Meer constant kapitaal duidt op meer productieve arbeidskracht. Bij gelijkblijvend variabel kapitaal en toenemend constant kapitaal moet de meerwaarde dus stijgen in overeenstemming met Marx. Dat was de vraag.”

Maar op honderden plaatsen in het eerste boek beweert Marx net het tegendeel; de bewering, dat volgens Marx bij verminderend variabel kapitaal de relatieve meerwaarde stijgt naarmate het constant kapitaal stijgt, is echter van een verbazingwekkend niveau, die elke parlementaire uitdrukking tart; de heer Julius Wolf bewijst echter in elke regel, dat hij relatief noch absoluut, niet het minste heeft begrepen van absolute noch relatieve meerwaarde; hij zegt namelijk zelf:

“men lijkt zich hier op het eerste gezicht werkelijk in een nest van ongerijmdheden te bevinden”,

wat trouwens de enige waarheid in zijn hele artikel is. Maar wat doet het er allemaal toe? De heer Julius Wolf is zo trots op zijn geniale ontdekking, dat hij niet kan nalaten om Marx daarvoor postuum te loven en hem zijn eigen ondoorgrondelijke onzin aan te prijzen als het

“nieuwe bewijs van de scherpe en weidse blik, waarmee zijn” (Marx’) “kritische systeem van de kapitalistische economie werd verdergezet”!

Maar het wordt nog beter: de heer Wolf zegt:

“Ricardo heeft eveneens beweerd: gelijk kapitaalverbruik, gelijke meerwaarde (winst), zoals: gelijk arbeidsverbruik, gelijke meerwaarde (overeenkomstig de hoeveelheid). En de vraag was toen: hoe strookt het ene met het andere. Maar Marx heeft de vraag in deze vorm toen niet erkent. Hij heeft (in het derde boek) zonder twijfel aangetoond, dat de tweede bewering niet onvoorwaardelijk voortvloeit uit de waardewet, dat ze zijn waardewet zelfs tegenspreekt en dus ... onmiddellijk te verwerpen is.”

En nu onderzoekt hij, wie van ons beiden zich vergist heeft, Marx of ik. Dat hij zelf een dwaalspoor bewandelt, daar denkt hij natuurlijk niet aan.

Ik zou mijn lezers beledigen en het komische van de situatie totaal miskennen, als ik nog een woord zou verliezen aan deze prachtige passus. Ik voeg er enkel nog aan toe: met dezelfde dapperheid, waarmee hij toen reeds kon zeggen, wat “Marx in het derde boek ongetwijfeld heeft bewezen”, maakt hij nu van de gelegenheid gebruik om onder vermeende professoren de roddel te verspreiden dat het bovengenoemde schrift van Conrad Schmidt “rechtstreeks door Engels geïnspireerd zou zijn”. Herr Julius Wolf! In de wereld waarin u leeft, is het misschien gebruikelijk dat de man die anderen publiekelijk een vraag stelt, zijn privévrienden in stilte de oplossing aanreikt. Dat u daartoe in staat bent, wil ik best geloven. Dit woord vooraf bewijst echter, dat de wereld, waar ik in vertoef, zich niet met dergelijke spelletjes inlaat.

Marx was nog maar net gestorven, of daar publiceerde de heer Achille Loria snel een artikel over hem in Nuova Antologia (april 1883). Eerst en vooral een biografie vol van foute gegevens, en verder een kritiek op de openbare, politieke en literaire praktijk. De marxistische materialistische opvatting van de geschiedenis wordt hier vervalst en verdraaid met een zekerheid die een hoger doel verraad. En dit doel is bereikt: in 1886 publiceerde diezelfde heer Loria een boek La teoria economica della constituzione politica, waarin hij de marxistische geschiedenistheorie die hij in 1883 zo volkomen en opzettelijk verkeerd had weergegeven als zijn eigen uitvinding aan de verbaasde tijdgenoten verkondigde. De theorie van Marx wordt hier echter afgedaan als kleinburgerlijk; de historische bewijzen en voorbeelden stonden ook vol kemels, die men zelfs niet zou aanvaarden van een derdejaarsleerling; maar wat maakt het allemaal uit? Het feit dat politieke toestanden en gebeurtenissen altijd en overal kunnen worden verklaard door hun overeenkomstige economische situatie, werd, zoals hier bewezen, geenszins ontdekt door Marx in 1845, maar door de heer Loria in 1886. Tenminste, dat heeft hij zijn landgenoten, en sinds zijn boek in het Frans is verschenen, ook enkele Fransen fortuinlijk op de mouw gespeld en hij kan nu als auteur van een nieuwe ophefmakende geschiedenistheorie parmantig rondlopen in Italië, tot de socialisten daar, de tijd vinden om de illustere [doorluchtige] Loria zijn gestolen pauwenveren uit te trekken.

Maar dit is pas een klein voorbeeld van de heer Loria’s stijl. Hij verzekert ons dat alle theorieën van Marx berusten op een bewust sofisme (un consaputo sofisma); dat Marx niet terugschrikt voor een paralogisme, ook wanneer hij ze als zodanig erkende (sapendoli tali) enz. En nadat hij met een hele reeks van dergelijke gemene grappen zijn lezers het nodige heeft bijgebracht, opdat ze Marx voor een streber à la Loria aanzien, die zijn effectjes met dezelfde kleine vuile humbug middeltjes in scène zet als onze Paduaanse professor, kan hij een belangrijk geheim verraden en daarmee brengt hij ons terug tot de winstvoet.

De heer Loria zegt: volgens Marx zou de geproduceerde hoeveelheid meerwaarde (die de heer Loria hier gelijkstelt aan de winst) in een kapitalistisch industrieel bedrijf bepaald worden volgens het daarin aangewende variabel kapitaal, aangezien het constant kapitaal geen winst schept. Dat spreekt echter de werkelijkheid tegen. Want in de praktijk wordt de winst niet bepaald volgens het variabel, maar volgens het totale kapitaal. En Marx ziet dit zelf in (boek 1, hoofdstuk 11) en geeft toe, dat de feiten zijn theorie ogenschijnlijk tegenspreken. Hoe lost hij de tegenstelling op? Hij verwijst de lezer naar een nog niet verschenen volgend boek. Over dit boek had Loria zijn lezers reeds eerder gezegd dat hij niet geloofde dat Marx er ook maar een ogenblik aan had gedacht om het te schrijven, en nu roept hij triomferend uit:

“Niet ten onrechte heb ik dus beweerd dat dit tweede boek, waar Marx zijn tegenstanders steeds mee bedreigt – zonder dat het ooit verschijnt – voor Marx slechts een goedkoop excuus was voor zaken waarvoor hem wetenschappelijke argumenten ontbraken (un ingegnoso spediente ideato dal Marx a sostituzione degli argomenti scientifici).”

En wie nu niet overtuigd is, dat Marx op hetzelfde niveau staat als de wetenschappelijke zwendelaars zoals l’illustre Loria, daaraan is hop en mout verspild.

Zoveel hebben we dus geleerd: volgens de heer Loria is de meerwaardetheorie van Marx absoluut onverenigbaar met de algemene gelijke winstvoet. Toen kwam het tweede boek uit met daarin mijn openlijk gestelde vraag over exact dit punt. [zie boek 2, ‘Voorwoord bij de eerste uitgave’ (laatste paragraaf)] Indien de heer Loria één van onze domme Duitsers was geweest, dan zou hij enigszins in verlegenheid gebracht zijn. Maar hij is een vrijmoedige zuiderling, hij komt uit een heet klimaat, waar, zoals hij kan getuigen, de brutaliteit met name een natuurlijke voorwaarde is. De vraag betreffende de winstvoet werd openlijk gesteld. De heer Loria heeft ze openlijk onoplosbaar verklaard. Net daarom zal hij nu zichzelf overtreffen, door ze openlijk op te lossen.

Dit wonder geschiedt in Conrads Jahrbüchern, N.F., Bd. XX, S. 272 ev., in een artikel over Conrad Schmidts hierboven vermeldde werk. Nadat hij van Schmidt heeft geleerd, hoe de commerciële winst tot stand komt, is plots alles duidelijk voor hem.

“Aangezien de waardebepaling door de arbeidstijd een groter voordeel biedt aan de kapitalisten, die een groter deel van hun kapitaal in lonen investeren, kan het onproductieve” (lees commerciële) “kapitaal van deze bevoorrechte kapitalisten een hogere rente” (lees winst) “afdwingen en de gelijkheid tussen de afzonderlijke industriële kapitalisten teweegbrengen ... Bv., indien de industriële kapitalisten A, B, C, elk 100 werkdagen, respectievelijk 0, 100, 200 constant kapitaal verbruiken in de productie en het arbeidsloon voor 100 werkdagen bestaat uit 50 werkdagen, dan krijgt elke kapitalist een meerwaarde van 50 werkdagen en is de winstvoet 100 % voor de eerste, 33,3 % voor de tweede en 20 % voor de derde kapitalist. Wanneer echter een vierde kapitalist D een onproductief kapitaal van 300 accumuleert, dat van A en B een rente” (winst) “opeist die gelijk is aan de waarde van 40 resp. 20 werkdagen, dan zal de winstvoet van de kapitalisten A en B dalen tot 20 %, net als die van C en D zal met een kapitaal van 300 een winst genereren van 60, d.w.z. een winstvoet van 20 %, net als de overige kapitalisten.”

Zo eenvoudig, in een handomdraai, lost de illustere Loria die kwestie op, die hij nog geen tien jaar geleden onoplosbaar had verklaard. Helaas heeft hij ons niet het geheim verraden, waar het “onproductieve kapitaal” de macht vandaan haalt om de extra winst van de industriëlen die de gemiddelde winstvoet overschrijdt niet alleen af te zwakken, maar ook in eigen zak te steken, zoals de grondeigenaars de extra winst van de pachters als grondrente op zak steken. In feite zouden de kooplieden volgens hem een bijdrage vorderen van de industriëlen, die gelijkaardig is aan de grondrente, en daardoor de gemiddelde winstvoet tot stand brengen. Het handelskapitaal is inderdaad een zeer wezenlijke factor in het tot stand komen van de algemene winstvoet, dat weet zowat iedereen. Maar enkel een literair avonturier, die in de grond van zijn hart lak heeft aan de hele economie, kan zich de stelling veroorloven dat het de toverkracht heeft om alles boven de gemiddelde winstvoet, en nog voordat dit geschapen is, als extra meerwaarde naar zich toe te zuigen en voor zichzelf in grondrente te veranderen, en bovendien, zonder dat het daartoe één of andere grondeigendom nodig heeft. Niet minder verbazend is de stelling, dat het handelskapitaal in staat is de industriëlen te ontdekken, wiens meerwaarde exact overeenkomt met de gemiddelde winstvoet, en het als een eer beschouwt om voor deze benadeelden van de waardewet van Marx, het leed te verzachten, door hun producten gratis te verkopen, zelfs zonder enige commissie. Wat voor een goochelaar moet je niet zijn, om zich in te beelden, dat Marx dergelijke jammerlijke kunstgrepen nodig had!

Maar onze illustere Loria straalt pas in zijn volle glorie, wanneer wij hem vergelijken met zijn noordelijke concurrenten, bv. met de heer Julius Wolf, die toch ook niet van gisteren is. Wat een keffertje lijkt hij, zelfs met zijn dik boek over Sozialismus und kapitalistische Gesellschaftsordnung, naast deze Italiaan! Hoe onbeholpen, ik ben haast geneigd te zeggen, hoe bescheiden, staat hij daar naast de edele driestheid van de maestro, die het als vanzelfsprekend beschouwd, dat Marx niet meer en niet minder dan wie dan ook van alle anderen, een even bewuste sofist, paralogist, snoever en schreeuwer was dan de heer Loria zelf – dat Marx iedere keer, wanneer hij vastzit, het publiek wijsmaakt dat de eindconclusie van zijn theorie volgt in een volgend boek, dat hij, zoals hij zelf zeer goed weet, niet kan of wil leveren! Onbegrensde vrijpostigheid, gepaard met aalglad glippen door de onmogelijkste situaties, heroïsche verachting jegens ontvangen schoppen, graaiende toe-eigening van prestaties van anderen, schreeuwerige reclame, organisatie van de roem door lobby’s – wie doet dit hem na?

Italië is het land van het classicisme. Sinds de grote tijd, toen bij hen het morgenrood van de moderne wereld oprees, bracht het grote karakters voort in een ongeëvenaarde klassieke volmaaktheid, van Dante tot Garibaldi. Maar ook de tijd van de vernedering en vreemde heerschappij liet klassieke karaktermaskers achter, waaronder twee bijzonder uitgesproken typen: Sganarell en Dulcamara, De klassieke eenheid van beiden zien we belichaamd in onze illustere Loria.

Tot slot moet ik mijn lezers meenemen over de oceaan. In New York heeft de heer Dr. med. George C. Stiebeling ook een oplossing voor het probleem gevonden, en wel een uiterst eenvoudige. Zo eenvoudig, dat niemand ze wou aanvaarden, hier noch daar; waarover hij in grote toorn ontstak en deze oneerlijke behandeling aanklaagde met een eindeloze reeks brochures en krantenartikelen aan beide zijden van het grote water. In de Neue Zeit zei men hem wel dat zijn hele oplossing op een rekenfout berust, maar dat kon hem niet deren; Marx had ook rekenfouten gemaakt en was toch in veel zaken juist. Laten we de oplossing van Stiebeling bekijken.

“Ik veronderstel twee fabrieken, die met een gelijk kapitaal een zelfde tijd werken, maar met een verschillende verhouding van het constant en variabel kapitaal. Het totale kapitaal (c + v) noem ik y, en het verschil tussen het constant en het variabel kapitaal noem ik x. In fabriek I is y = c + v, in fabriek II is y = (c – x) + (v + x). De meerwaardevoet is dus in fabriek I = m/v en in fabriek II = m/(v + x). Winst (w) noem ik de totale meerwaarde (m), waarmee het totale kapitaal y of c + v in de gegeven tijd werd vermeerderd, dus w = m. Bijgevolg is de winstvoet in fabriek I = w/y of m/(c + v), en in fabriek II eveneens w/y of m/((c – x) + (v + x)), d.w.z. eveneens m/(c + v). Het ... probleem lost dus zichzelf op doordat een gewijzigde meerwaardevoet op basis van de waardewet toch een zelfde gemiddelde winstvoet oplevert, hoewel een zelfde kapitaal in een zelfde tijdspanne, maar met verschillende hoeveelheden levende arbeid gebruikt worden.” (G.C. Stiebeling, Das Werthgesetz und die Profitrate, New York, John Heinrich.)

Hoe mooi en verhelderend de bovenstaande berekening ook is, we zijn toch verplicht een vraag te stellen aan de heer Dr. Stiebeling: hoe weet hij dat de som van de meerwaarde, die fabriek I produceert, tot op een haar gelijk is aan de som van de in fabriek II geproduceerde meerwaarde? Van c, v, y en x, dus van alle overige factoren van de berekening zegt hij ons uitdrukkelijk, dat ze voor beide fabrieken een gelijke grootte hebben, maar over m geen woord. Maar dit volgt geenszins uit het feit dat hij beide hoeveelheden meerwaarde die hier voorkomen algebraïsch benoemt met m. Aangezien de heer Stiebeling ook de winst w zonder verdere uitleg gelijk stelt met de meerwaarde, is het eerder dat wat net bewezen moet worden. Nu zijn slechts twee gevallen mogelijk: ofwel zijn de beide m’s gelijk, produceert elke fabriek evenveel meerwaarde, dus bij een zelfde totaal kapitaal ook even veel winst, en dan heeft de heer Stiebeling a priori al voorondersteld, wat hij wil bewijzen. Ofwel produceert de ene fabriek een grotere som meerwaarde dan de andere, en dan vervalt zijn hele berekening.

De heer Stiebeling heeft moeite noch kosten gespaard, om op basis van die rekenfout een hele hoop berekeningen te maken en aan het publiek te tonen. Ik kan hem de geruststellende verzekering geven, dat ze bijna allemaal even onjuist zijn en dat ze daar, waar dit bij hoge uitzondering niet het geval is, geheel wat anders bewijzen, dan hij wil bewijzen. Zo bewijst hij door het vergelijken van de Amerikaanse census berichten van 1870 en 1880 de effectieve daling van de winstvoet, maar verklaart hij deze totaal verkeerd en denkt hij dat de theorie van Marx, met een zich steeds gelijk blijvende, stabiele winstvoet, door de praktijk moet worden verbeterd. Nu volgt echter uit de derde afdeling van het voorliggende derde boek, dat deze “vaststaande winstvoet” van Marx een zuiver hersenspinsel is, en dat de tendens van de dalende winstvoet op oorzaken berust, die diametraal tegenovergesteld zijn aan de gegevens van Dr. Stiebeling. De heer Dr. Stiebeling bedoelt het vast heel goed, maar wanneer men zich met wetenschappelijke vragen wil bezighouden, moet men eerst en vooral leren om de geschriften, die men wil gebruiken, te lezen zoals de schrijver ze heeft geschreven, en er vooral geen dingen in lezen die er niet instaan.

Resultaat van het hele onderzoek: ook wat betreft deze kwestie is het weer enkel de marxistische school die iets gepresteerd heeft. Indien Fireman en Conrad Schmidt dit derde boek lezen, kunnen ze beiden tevreden zijn met hun eigen werk, elk met zijn deel.

London, 4 oktober 1894
F. Engels