John Reed

Sovjet-Rusland van thans [1]


Geschreven: juli 1920
Bron: De Nieuwe Tijd, 26e jaargang, 1921 - Via: kb.nl
Vertaling: De Nieuwe Tijd
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Creative Commons LicenseCreative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?

Laatst bijgewerkt:


Verwant:
Van Moskou naar Tiflis
Voor kwaliteit voor cultuur!
Documenten van de Linkse Oppositie
I

Juli 1920

Het is nu een heerlijke tijd in Sovjet-Rusland. De ene heldere zonnige dag volgt op de andere. De aarde is getooid met honderden soorten wilde bloemen. Waar je ook met de trein komt, schijnt iedere handbreed van dit rijke land beplant te zijn. Als men van het bankroete, door speculanten beheerste Estland – waar de velden braak liggen en de fabriekschoorstenen rookloos staan, waar in lompen gehulde mensen bedelend langs de trein lopen – de grens in de richting van Sovjet-Rusland passeert, schijnt men een rijk en goedgeordend land binnen te komen. Overal waar groene stompen groeien, blaast een houtstokende fabriek rookwolken uit; maar van groter betekenis is het uiterlijk van de mensen, niemand zit goed in de kleren, maar ook niemand is in lompen gekleed, niemand is overvoed, maar er is ook niemand die er uitziet of hij gebrek lijdt. En de kinderen! Dit is een land voor kinderen, in de eerste plaats. In iedere stad, in ieder dorp hebben de kinderen hun eigen openbare eetzalen, waar het eten beter is en waar er meer van is dan voor de volwassenen. Alleen het Rode Leger wordt evengoed gevoed. De kinderen betalen niets voor het eten; zij worden gratis op kosten van de gemeente gekleed; voor hun zijn de scholen, de kinderkolonies – de landhuizen der grondbezitters, die over heel Rusland waren verspreid; voor hun zijn de theaters en de concerten – de reusachtige, schitterende staatstheaters zijn stampvol met kinderen, van het orkest tot de galerij. Te hunner ere is Tsarskoye Selo – het dorp van de Tsaar, het dorp van paleizen – herdoopt in Dietskoye Selo, het dorp der kinderen; een goeie honderdduizend brengen er, elkaar afwisselend, de zomer door. De straten zijn vol met vrolijke kinderen.

Nu nemen de fabrieksarbeiders er hun twee weken vakantie met behoud van loon, groepen arbeiders maken uitstapjes van stad tot stad en verbroederen met hun kameraden. In het kantoor van Melnichansky, de secretaris van de Moskouse vakverenigingen, zag ik een delegatie van Petrograd-arbeiders, die met vakantie waren en een regeling kwamen treffen om het Kremlin te bezoeken. Op de eilanden aan de mond van de Neva, waar de miljonairs en de adel hun zomervilla’s hadden – zo iets als Petrograd Newport – waren zestien huizen, als paleizen, vol met schilderijen, gobelins, beeldhouwwerken, verder een clubhuis-casino, een schouwburg, een boothuis, dit alles geopend tot vakantieverblijf voor de werkers uit de stad. Zij eten er op wit damast en met zilveren eetserviezen. De tuinen zijn er vol bloemen.

In Moskou zijn de openbare parken door schitterende bloemen opgevrolijkt. In Petrograd spelen ’s middags in alle parken orkesten. Duizenden mensen in bonte zomerkledij, maar niet in lompen, drentelen heen en weer, of drinken een glas thee of koffie, (vijf roebel een glas, minder dan bij ons een penny) en, als het er bij hun aanzit, kopen ze klontjes suiker van stiekeme speculanten voor honderdvijftig roebel per klontje. In Petrograd is het schoon; de straten worden zorgvuldig geveegd; de Nevski, d.w.z. de Prospect van 25 Oktober, wordt opnieuw geplaveid, iets wat na 1915 nog niet gedaan is. De meisjes, die in het leger dienst doen, dragen bloemen in de geweren. Men kan een klein rivierbootje nemen aan de John MacLean kade – vroeger Engelse kade – of aan de Jean Jaurés kade, die vroeger Franse kade heette – en dan de Neva opvaren naar Smolny, voorbij de pas vergulde torenspits boven de graven van de tsaren in de Peter- en Paulsvesting, waar nu de grote rode vlag wappert. In Moskou wordt de laatste hand gelegd aan de herstelling van de muren en torens van het Kremlin; de grootte tsarenadelaars, die er bovenop staan, hebben een laagje verguld gekregen; binnenin herinnert geen enkel teken aan de schade die door het bombardement in de revolutiedagen is toegebracht. De Universiteit van Moskou, die na 1912 in haveloosheid is toegenomen, is opnieuw gepleisterd en wordt nu wit geverfd. De zomertuinen en de openluchttheaters zijn geopend en stampvol, hoewel de meesten van hun particuliere ondernemingen zijn en schandelijke entreeprijzen vragen. We hoorden Schaliapine de vorige week in “Faust”, dat gegeven werd in de Hermitage in Moskou.

De blokkade verslapt eindelijk. Lange treinen gevuld met landbouwwerktuigen en machines komen druppelsgewijs van Reval aan. En iedere trein van iedere grens, waar het maar mogelijk is om Rusland binnen te komen, brengt gasten en vreemdelingen aan. Vertegenwoordigingen van arbeiders en socialisten, communisten die voor eigen rekening komen uit heel Europa, syndicalisten, anarchisten, krantenmensen en lieden van allerlei slag; maar het belangrijkst van allen waren de afgevaardigden naar het Tweede Congres van de Derde Internationale, dat tegen het einde van juli bij elkaar komt. In Rusland verzamelen zich nu de revolutionaire leiders van de hele wereld. Reeds zijn er delegaties van Amerika, Frankrijk, Duitsland, Engeland, Mexico, Australië, Argentinië, Perzië, India, Afghanistan, China, Korea, Japan, Zuid-Afrika, Turkije, Armenië, Holland. De Britse Labor delegatie is vertrokken, de Italiaanse vertegenwoordiging is aangekomen. Er worden revues van het Rode Leger gehouden, parades gemaakt door de cadetten van de officierenscholen in hun vlugge uniformen van blauw en rood, hun kaki kepies getooid met zilver – de Petrogader officiersschool voor de cavalerie, waarvan allen op vospaarden gezeten, voorop gegaan door hun zilveren cavalerieorkest. Rode anjelieren worden geschonken aan de afgevaardigden, als zij de treinen verlaten, en aan de juichende en zingende drommen volk met hun fiere rode vanen. De “Internationale”, het lied van de Russische Sovjetrepubliek, wordt onophoudelijk gespeeld, terwijl iedereen gaat staan en mee zingt en de Rode Leger soldaten het saluut brengen.

In Moscou en Petrogad zijn speciale hotels voor de vreemde gasten opengesteld.

Dit betekent niet dat alles goed is in Rusland, dat het volk geen honger lijdt, dat er geen ellende is en geen ziekte en geen wanhoop, geen eindeloze worsteling. De verschrikkingen van de winter gingen alle verbeelding te boven. Niemand zal ooit weten wat Rusland doorgemaakt heeft. Het transport was meestal gestremd en het aantal buiten dienst gestelde locomotieven overtrof hoe langer hoe meer dat der herstelde. Er was en is graan genoeg in de provinciale magazijnen om het hele land wel voor twee jaar te voeden, maar het kan niet vervoerd worden. Weken achtereen was Petrogad zonder brood. Zo met brandstof, zo met grondstoffen. Het leger van Denikin hield de kolenmijnen van de Don en de oliebronnen van Grosny en Bakoe bezet.

De Wolga was natuurlijk bevroren en buitengewoon zware sneeuwvallen – zeven voet hoog in één storm – blokkeerden de spoorwegen. De voorraad hout – de enige bruikbare brandstof – ontbrak reeds vroeg in de winter, de oorzaken hiervoor waren verscheiden; de voornaamste was wel dat men door desorganisatie of sabotage de gevelde boomstammen in het voorjaar niet de rivier had laten afdrijven, maar aan de oevers opgestapeld had totdat het water te laag was.

In de grootte steden als Moskou en Petrogad was de uitwerking verschrikkelijk. In sommige huizen was gedurende de gehele winter geen verwarming. De mensen vroren dood in hun kamer. Het elektrisch licht brandde met tussenpozen – gedurende verscheidene weken was in Moskou nergens een straatlantaarn ontstoken – en de trams reden zachtjes voorbij – in Moskou gaven ze het helemaal op. Tschitscherins handen waren bevroren toen hij in het Commissariaat van Buitenlandse Zaken zat en Krassin werkte in een kamer met een gebroken ruit, terwijl hij zich ingepakt had in een pelsjas met zijn handschoenen aan.

Er gebeurden afgrijselijke dingen. Treinen vol mensen, die in afgelegen provincies reden, konden tussen de stations niet meer verder en de passagiers verhongerden en vroren dood.

Aan het Westfront, achter het Rode Leger, dat voor het offensief van de Letse Witte troepen terugtrok moest ik aan een kruisspoor overstappen. Natuurlijk kwam de trein die ik nodig had, helemaal niet, maar na een nacht en een dag gewacht te hebben klom ik in de goederenwagen van een lege militaire trein die naar het oosten ging, samen met twee soldaten, een spoorwegarbeider die naar huis ging, die als enige bagage een grootte gebroken klok bij zich had, en verder een oude boerenvrouw, die een kooi droeg met een dode papagaai erin.

We maakten een vuurtje op de bodem van de wagen en op de rook na, hadden we het vrij geriefelijk, totdat de bodem van de wagen doorgebrand was. Maar intussen moest ik aan die kruising de hele dag en de hele nacht wachten. Het was slechts een vervallen station, met een groot dorp – geen stad – op ongeveer vijf mijlen afstand. Het was verschrikkelijk koud – de ontzaggelijke koude die door een hoge oostenwind over de Russische vlakte gedreven werd – de koude die Napoleons grote armee aan stukken scheurde.

Nu kunnen de Russen meer kou verdragen dan iemand anders ter wereld. Maar de gehele dag door kwamen boerensleden uit het westen aangegleden, die iets droegen, wat ik eerst voor houtstompen hield, maar wat de stijve lichamen van Rode Soldaten bleken te zijn, die bevroren waren toen zij te vermoeid waren om nog verder te trekken.

De ruiten in de stationswachtkamer waren gebroken. De waterbuizen waren gesprongen en de vloer was bedekt met ijs. Hierop en op tafels, banken, overal, lagen soldaten, ontelbare grijze hopen, die raasden en ijlden van tyfus.

De andere wachtkamer verkeerde in dezelfde toestand, maar in een hoek stond een met rode vlaggen en revolutionaire aanplakbiljetten kleurig getooide stellage, met een mat brandende kerosinelamp op een tafel, waarvoor een jonge man in uniform stond, die een toespraak hield tot een sombere hoop soldaten die de ruimte vulden en hun doffe gebaarde gezichten met een uitdrukking van gespannen aandacht tot hem ophieven. Hij maakte propaganda voor de Communistische Partij, de soldaten aansporende zich bij haar aan te sluiten en om de partijpers te steunen.

“Lang moeten we reeds lijden”, zei hij. “En het wordt misschien nog erger, tot onze Europese kameraden ons te hulp komen. En de Europese Revolutie betekent nog meer offers van onze kant, want wij, die zelf niet genoeg te eten hebben, moeten onze broeders van voedsel voorzien, die even weinig als wij zullen hebben. Maar door die ellende moeten we heen, kameraden, al moeten we er allen voor sterven, opdat de wereld van onze kinderen, een gelukkige, vrije wereld zal zijn.”

En daarop juichten zij, deze halfbevroren geraamten, en zwaaiden met hun mutsen, terwijl hun doffe ogen opflikkerden.

In januari ging ik naar Serpukov, het centrum van een uitgebreide textielindustrie, waarover ik later nog zal spreken. Serpukov is een zwoegende provinciestad, met vervaarlijke textielfabrieken en van het land gescheiden door een rand van dorpen; er helemaal omheen staan andere fabrieken tot op dertig werst afstand. De toestand van de vijfentwintig of dertigduizend textielarbeiders in en rondom Serpukov was ongelooflijk. De tyfus woedde; in de Kontchinfabriek stierf één arbeider per dag. Teneinde de speculatie door de boeren tegen te gaan en om de voedseldistributie te centraliseren en gelijk te maken, was er in de zomer een besluit uitgevaardigd, waarbij aan de stadsbevolking verboden was op eigen houtje hamstertochten op het platteland te ondernemen, daar de regering op zich nam een zeker rantsoen aan de arbeiders te verstrekken. Maar, behalve voor de kinderen, zieken en Sovjetarbeiders, was de regering niet in staat om gedurende zes maanden dit district van brood te voorzien. Weliswaar had de locale sovjet in de herfst aan iedere fabriek machtiging verleend om een afvaardiging naar de dorpen te sturen om voedsel te halen, maar dit was allang niet meer te krijgen. De enige weg, die voor de arbeiders nog open stond om iets te eten te krijgen was om ’s nachts langs de soldaten van wacht naar de dorpen te gaan om een kansje te wagen wat te hamsteren.

De arbeiders zakten van zwakheid in elkaar als zij aan de machines stonden.

Daar ik de eerste buitenlandse communist was; die Serpukov bezocht, schreef het plaatselijk partijbestuur een vergadering uit van de afgevaardigden der fabriekscomités van de hele streek en nodigde mij uit om te spreken.

De vergadering had plaats in een grootte witte zaal, vroeger de Club van de Adel en nu het hoofdkwartier van de Sovjet. Een walmende olielamp stond op het spreekgestoelte en wierp een zwak schemerig licht op de gezichten en de haveloze kleding van de aanwezigen. Sommigen van hun waren van fabrieken gekomen op twintig werst afstand te voet door de hoogliggende sneeuw en met een stukje brood op zak. Hun voeten waren met lappen omwonden. Later, na afloop van de vergadering gingen ze weer naar huis terug zoals zij gekomen waren, de hele nacht lopende in de felste koude. Er waren maar heel weinig leden van de Communistische Partij bij. Zij begroetten mij door op te staan en de Internationale te zingen – dit lied is in Rusland geen lege plichtpleging geworden – ieder woord had voor hun betekenis. En toen ik hun namens de Amerikaanse revolutionairen begroet had, sprong een magere jonge man overeind en riep hartstochtelijk:

“Namens de arbeiders van Serpukov moet gij aan onze broeders in Amerika zeggen, dat gedurende drie jaren de Russische werkers bloeden en sterven voor de Revolutie en niet voor onze Revolutie, maar voor de Wereldrevolutie. Zeg aan onze Amerikaanse kameraden, dat wij dag en nacht ons oor te luisteren leggen naar het geluid van hun te hulp komende voetstappen. Maar zeg ze erbij, dat hoe lang hun hulp ook wegblijft, wij zullen standhouden. Nooit zullen de Russische arbeiders hun Revolutie prijsgeven. We willen sterven voor het socialisme, dat wij misschien nooit zullen beleven.”

Tyfus, afwisselend koorts en griep woedden onder de arbeiders; huidziekten onder de boerenbevolking, die geen zout kon krijgen, verwoestten hele dorpen. Het gestel der mensen konden na een halve verhongering gedurende langer dan twee jaar, geen weerstand meer bieden. De bewuste politiek van de geallieerden om Ruslands medicijnentoevoer af te snijden, deed ongetelde duizenden sterven. Niettegenstaande dat richtte het volkscommissariaat voor openbare gezondheid een ontzaglijke sanitaire dienst in; er werd een net van geneeskundige afdelingen onder controle van de plaatselijke sovjets over heel Rusland gespreid, in plaatsen waar vroeger nooit dokters – zelfs geen zemstvo dokters – geweest waren. Ieder stadsgebied kon op ten minste één nieuw hospitaal bogen, meerdere op twee of drie. De dokters werden en zijn in deze dienst gemobiliseerd, wat natuurlijk vrijwillig is.

Honderden en duizenden helgekleurde platen werden overal aangeplakt om het volk aanschouwelijk voor te stellen hoe ziekten te voorkomen zijn en ze aansporende hun huizen, hun dorpen en zichzelf zindelijk te maken. Een grote Al-Russische moederschapstentoonstelling was in Moskou geopend om aan de vrouwen duidelijk te maken hoe zij haar kindje moesten verzorgen vóór en na de geboorte. Deze reizende tentoonstelling werd door heel Rusland gehouden, tot in de meest afgelegen dorpen.

In iedere grootte en kleine stad zijn kosteloze moedertehuizen voor werkende vrouwen, waar zij haar acht weken vóór en na de bevalling doorbrengen, met behoud van volledig loon en waar ze geleerd wordt hoe haar kinderen te verzorgen.

Ook zijn er in iedere stad, behalve de vrije apotheken, die ongeveer tien maal talrijker zijn dan onder de tsaar, speciale consultatiebureaus voor vrouwen die een kindje zogen. Alles wordt hier voor de kinderen gedaan. In half verhongerd Duitsland worden de kinderen met Engelse ziekte geboren en groeien mismaakt op; in half verhongerd Rusland echter zijn de kinderen koningen.

II

Zwaarder nog dan de zorg voor de samenstelling, organiseren, discipline, bewapening, voeding en het vervoer van het Rode Leger weegt de reusachtige taak om het op te voeden, zoals nog nooit een leger opgevoed is.

Daartoe dienen de scholen voor Rode Officieren, honderden scholen, waar een opleidingscursus van zes maanden voor soldaten en een van een jaar voor burgers, verscheidene duizenden flinke jonge “aanvoerders” aflevert; er is slechts één officiersrang in het Rode Leger, nl. die van aanvoerder, zowel voor een compagnie als voor een legercorps.

Het merendeel van deze cadetten bestaat uit arbeiders, die door hun organisaties, en uit jonge boeren, die door hun dorpen gekozen zijn.

Natuurlijk zijn vele technische instructeurs van deze scholen oude technische officieren, beroepsmilitaristen. Bij de oefeningen voor gegradueerden aan de academie van de generale staf – alle gegradueerden van officiersscholen zijn leden van de generale staf – vond een incident plaats, dat op geen enkele militaire school ter wereld zou kunnen gebeuren. Een van deze oude leermeesters hield een rede over de “kunst van oorlogvoeren”, waarbij hij het militarisme verheerlijkte op de wijze van Treitsche.

Podvoisky, vertegenwoordiger van de Communistische Partij en van het Commissariaat van Oorlog, vloog onmiddellijk op. “Studenten kameraden!” riep hij, “ik kom op tegen de geest van de gehouden rede. Het is inderdaad nodig om de kunst van oorlogvoeren te leren, maar alleen opdat de oorlog voor goed verdwijnt. Het Rode Leger is een leger van de vrede. Ons insigne, onze rode ster met sikkel en hamer, duidt aan wat wij willen – opbouwen en niet vernietigen. Wij vormen geen beroepssoldaten, wij hebben ze in ons Rode Leger niet nodig. Zodra wij de contrarevolutie vernietigd hebben, zodra de internationale revolutie voor goed het imperialisme bezworen zal hebben, zullen wij onze geweren en zwaarden wegwerpen, zullen de grenzen uitgewist worden en zullen wij de kunst van oorlog voeren vergeten.”

Verreweg het belangrijkste deel van het Rode Leger is de afdeling voor politieke ontwikkeling. Deze is samengesteld uit communisten en staat onder leiding van de Communistische Partij. De Commissarissen van Politieke Zaken behoren alle tot de Polit-Otdiel, zoals deze genoemd wordt. Iedere eenheid heeft haar communistische commissaris, die dagelijks aan de commissaris van de boven hem staande eenheid, moet rapporteren over het moreel der soldaten, de verhoudingen tussen het leger en de burgerlijke bevolking, het communistische propagandawerk bij de troep, eventuele ontevredenheid onder de soldaten, de oorzaken ervan vermelden, enz. In iedere eenheid vormen de communisten een afzonderlijke groep, in de compagnie, het regiment of de brigade ; zij leiden het gevecht, versterken het moreel der soldaten door propaganda en voorbeeld, en voeden de soldaten politiek op. Behalve dit werk leidt de Polit-Otdiel eveneens het onderwijs in lezen en schrijven, zorgt voor elementaire technische ontwikkeling en het aanleren van beroepen; dit werk wordt tot in de voorste loopgraven verricht. De acteurs en actrices van de grote schouwburg, het kunsttheater worden naar het front gedirigeerd om voor de soldaten de meesterwerken van het Russisch dramatisch toneel te spelen. De schilderijen der grote musea worden naar het front gezonden en kunsttentoonstellingen en lezingen worden in de soldatenclubs gehouden. Massa’s lectuur worden aan de soldaten verschaft. Hun worden spelen geleerd, zoals rugby. De soldaten scheppen hun eigen drama en maken hun eigen spelen en voeren ze zelf op, hoofdzakelijk over de Revolutie, die op weg is een nationaal epos te worden en als een reusachtig eeuwigdurend schouwspel over alle dorpen van Rusland vertoond wordt.

De resultaten zijn merkwaardig. Het gros van het leger bestaat natuurlijk uit meer of minder onwetende boeren. De boer komt gewoonlijk tegen zijn zin in het leger – tenzij hij in een gedeelte van het land woont, dat door de Witten bezet is geweest, of dicht genoeg bij het front woont om te horen hoe zij huis houden; in dit geval komt hij vrijwillig op. Zo’n onwillige, onwetende boerenkerel, die niet kan lezen of schrijven, die niet weet waarom er oorlog is komt dan bij de troep. Zes maanden later kan hij gewoonlijk lezen en schrijven en weet hij iets van het Russische drama, van letterkunde en kunst, begrijpt de oorzaak van de oorlog en vecht als een furie voor de verdediging van het “socialistische vaderland,” trekt zingende onder de rode vaandels veroverde steden binnen; kortom, hij is een klassenbewust revolutionair geworden. Meer dan 40 % van het Rode leger kan lezen en schrijven en van de Rode Vloot kan iedereen het.

Behalve de gewone militaire conscriptie, rekruteert de Communistische Partij ook haar eigen leden, die door hun leeftijd of om andere redenen van de algemene detachering vrijgesteld zijn. Deze communisten worden daar samengetrokken waar de Polit-Otdiel dit nodig oordeelt – in eenheden waar de gevechtsmoraal zwak is, waar een groot percentage van ongeletterden is, waar arbeiders en boeren bedorven zijn door anarchisme en mensjewieken. De vakverenigingen mobiliseren eveneens hun eigen leden en ook de coöperaties. Maar waarom is er conscriptie? Rusland is geen industrieel land, het is een land van boeren. Daarom moet de grootte meerderheid der soldaten uit boeren bestaan. Maar het zijn de industrie arbeiders die de revolutie gemaakt hebben, haar leiden en richting geven. De boer, die in vergelijking met de arbeider uit de stad oneindig veel achterlijker is, volgde de laatste tot hij land gekregen had. In het algemeen wilde de boer zijn eigen land bezitten en een vrije markt voor zijn producten hebben – dit is zijn psychologie als kleinburger. In de regel begrijpt hij het communisme niet, noch het einddoel van de revolutie. De dorpen zijn ver verwijderd van het brandende leven der grootte steden en de boer, die in de regel niet in staat is om te lezen of te schrijven en die ver van het front leeft, weet gewoonlijk heel weinig van de oorzaken van de oorlog.

Indien het wegens de aanhoudende aanvallen op Sovjet-Rusland en wegens de vreselijke toestand van het economische leven niet noodzakelijk was om alle hulpbronnen van de bewuste industriearbeiders uit te putten, zou het mogelijk zijn om deze zaken voor de boeren te behandelen en te verklaren; reeds wordt er geweldig veel aan voorlichting gedaan, maar het is nog niet genoeg. Tegelijkertijd moet de boer tot vechten klaargemaakt worden, opdat de Revolutie en zijn eigen geluk niet verloren mogen gaan.

Overigens begrijpt de boer echter genoeg om zich niet tegen de mobilisatie te verzetten. Men kan een absoluut onwillige bevolking niet bij het leger inlijven, vooral niet direct nadat die zelfde bevolking de hele regeringsmacht omvergeworpen heeft. Het plan heeft zich verder zonder stoornis ontwikkeld en de boer in het Rode Leger zal als revolutionair en propagandist naar zijn dorp terugkeren.

* * *

De ineenstorting van Denikin en de vrede met Estland schenen het eind van de burgeroorlog te zijn.

Het scheen alsof het zo lang verbeidde ogenblik van verademing was aangebroken, waarop Sovjet-Rusland de gelegenheid zou krijgen om al zijn krachten aan de economische opbouw te wijden.

In januari had ik een onderhoud met Trotski, die mij zijn plannen voor de toekomstige militaire politiek van Rusland ontvouwde.

“Als we vrede hebben gaan we demobiliseren. Van honderd divisies moeten er tien blijven om ons meest bedreigde front te beschermen. De rest van het leger wordt naar de industrie gezonden. Van de overige divisies blijven alleen de kaders de voornaamste bestanddelen. Rusland wordt nu in nieuwe districten verdeeld. De nieuwe districten worden overeenkomstig hun economische krachten gerangschikt als economische eenheden. Ieder district zal een industrieel centrum vormen met de dorpen en het land er omheen, dat zo mogelijk zelf in arbeid, voedsel en ruilverkeer moet voorzien; we pogen hiermee de hele bevolking tot arbeiders-boeren te maken. Elk van deze districten zal het hoofdkwartier zijn van het kader van een divisie, dat tot taak heeft de bevolking te mobiliseren en niet alleen voor het leger, maar ook voor de arbeid. De legerdivisies aan de fronten zullen telkens vernieuwd worden. Zij blijven drie of vier maanden onder dienst en worden dan naar huis gestuurd om te gaan werken. Op deze manier wordt de hele mannelijke bevolking in de wapenhandel geoefend, ieder weet zijn plaats in zijn regiment en dus zijn eigen werk. In ieder district komt een officiersschool, die door het puikje van de arbeidersklasse bezocht zal worden. Deze scholen zullen ongetwijfeld gecombineerd worden tot militaire, industriële en algemene ontwikkelingsscholen, die de arbeiders geschikt maken tot leiders van het nieuwe leven.

Rusland is een industrieel onontwikkeld land met weinig geschoolde arbeiders en ons economisch apparaat is door zes jaren oorlog en revolutie geruïneerd. Wij moeten in staat zijn om de arbeid op de noodzakelijkste punten te concentreren daar, waar het het meest nodig is.

Het Oeralmijndistrict bv. heeft 50.000 geschoolde, 200.000 halfgeschoolde en 200.000 ongeschoolde arbeiders nodig. Wij willen in staat gesteld worden om deze arbeiders naar die plaatsen te sturen waar zij het hardst nodig zijn; dit kan natuurlijk alleen gedaan worden na overleg met de vakbonden, de shopcomités enz.”

Ik vroeg of de arbeiders zouden willen gaan.

“Zeker; ten eerste hebben we in het leger reeds tienduizenden goede en gedisciplineerde communisten – en we krijgen er voortdurend meer bij – die bereid zijn te gaan waarheen de partij hen zendt. Als steeds zijn het de communisten die de arbeidersklasse in deze nieuwe richting moeten leiden. Onder het kapitalisme moet de arbeider daarheen gaan waar er een karwei voor hem is, of hij wil of niet: maar hij werkt voor een kapitalist en niet voor zijn klasse zoals hij hier doet. We maken het inzonderheid aantrekkelijk en prettig voor de arbeiders die naar ver verwijderde plaatsen gezonden worden, die onaangenaam werk moeten doen, enz. Zij krijgen speciale rantsoenen, korte werktijd, voor hun families wordt extra goed gezorgd, evenals voor de gezinnen van onze Rode Leger soldaten. Voeg hierbij het onbeperkte aantal scholen voor technische en allerlei ontwikkeling, die voor iedereen openstaan, dan staan onze kansen goed.

Met het registreren wordt nu voortgang gemaakt bij het leger. Iedereen wordt zorgvuldig onderzocht voor welk werk hij geschikt is, zodat de mensen bij demobilisatie daarheen gezonden kunnen worden waar zij het hardst nodig zijn.”

De wanhopige toestand der industrie bij het beëindigen van de oorlog met Denikin en vooral de transportmiddelen maakten het echter nodig onverwacht een nieuw plan te maken, het scheppen van de arbeidslegers. In plaats van te demobiliseren werden de legers met behoud van hun organisatie, omgevormd in arbeidslegers en aan het werk gezet. Een arbeidsleger was belast met het herstel van de door Koltsjak vernielde bruggen en met de heropbouw van de oostelijke spoorwegen; een ander knapte de transportwegen op die door Joedenitsch verwoest waren; een derde moest hout hakken en het vervoeren uit de bossen van het noorden; een ander vestigde zijn aandacht op het industriegebied van de Oeral; weer een ander moest de boeren aan de Wolga helpen om de grond klaar te maken voor de bebouwing in het voorjaar.

Deze politiek werd niet zonder enige oppositie gevoerd. Er werd wekenlang in de locale sovjets over gedelibereerd, in de vakverenigingen, in de partijcomités en in de pers. In het begin was er vrij wat oppositie tegen het plan.

De soldaten waren door twee jaar voortdurend vechten uitgeput en wilden naar huis; bij de vakverenigingen was nog het gevoel van afkeer tegen gedwongen militaire arbeid overgebleven. Lenins eigen heldere uitlegging was nodig om aan te tonen, dat het hier geen kwestie was van mogelijke uitbuiting der arbeiders voor persoonlijke belangen, maar eenvoudig een plan waarbij de maximum arbeidskracht geconcentreerd werd om het leven van het Russische volk, de sovjets en de revolutie te redden. En tegelijkertijd de organisatie van het Rode Leger intact te houden; teneinde tegen eventuele verraderlijke aanvallen beschermd te zijn, waartoe inderdaad spoedig daarna de Polen overgingen. Ten slotte had men zich overal met het plan verzoend, en zelfs het leger ook. Het Derde Leger dat in de Oeral stond, richtte zich per proclamatie tot de arbeiders en boeren, waarbij het verklaarde dat zijn militaire taak was volbracht en dat het zich nu naar het “arbeidsfront” begaf en aanspraak maakte op de eer om het Eerste Rode Arbeidsleger te heten, terwijl het Trotski tot voorzitter koos.

Nu volgden ook anderen. De populairste mannen van Rusland werden aan het hoofd van deze legers geplaatst. Iedere meeting, iedere krant was vol van de prestaties van de Arbeidslegers.

De pers publiceerde dagelijks “communiqués van het onbloedige front”, waardoor het verrichte werk bekend werd gemaakt.

In een gesprek, dat ik met Lenin had, gaf hij toe dat de Arbeidslegers een proefneming waren en dat ze bij gebleken impopulariteit opgegeven zouden worden, want het was onmogelijk om de mensen met resultaat te doen werken als ze er geen lust in hadden. “Maar,” zei hij, “daar wij boven de rest van de wereld het voordeel hebben om te kunnen experimenteren, kunnen we aanpakken wat we willen en als iets niet gaat kunnen we van gedacht veranderen en iets anders proberen. De arbeiders weten dat de Communistische Partij, die de sovjets controleert, ten minste een partij is van de revolutionaire arbeidersklasse, die in haar belang de kapitalistische uitbreiding bestrijdt; zij vertrouwen ons.”

De Arbeidslegers verrichtten een geweldige massa werk. In zes weken bouwden zij de grootte ijzeren brug over de rivier de Kam, die door Koltsjak opgeblazen was, opnieuw op en herstelden aldus de directe verbinding met Siberië; een karweitje dat volgens berekening bij uitvoering door een burgerlijk aannemer ten minste drie of vier maanden geduurd zou hebben. Terwijl een groot militair orkest aan de oever speelde, deden zij hun werk zingende met een onbeschrijfelijk enthousiasme.

Zij herstelden de spoorweg naar Jamburg. Zij hakten miljoenen voeten brandhout voor de steden. Voor het herstel van het transport ontwikkelden zij zulk een energie, dat de locomotievenreparatie, die voor langer dan een jaar gestadig achterbleef bij het toenemend aantal zieke locomotieven, het “dode” punt overschreed en begon te stijgen.

De steden zouden van levensmiddelen en hout voor de winter voorzien zijn, de toestand van het transport zou beter geweest zijn dan ooit te voren, de oogst zou de korenschuren van Rusland tot barstens toe gevuld hebben, als Polen en Wrangel gesteund door de geallieerden, niet plotseling hun legers nog eens tegen Rusland geworpen hadden, daardoor noodzaakten tot beëindiging van alle opbouw van het economisch leven, tot het in de steek laten van het werk aan de verkeersmiddelen, tot het half geproviandeerd en half van hout voorzien laten der steden, en tot het concentreren van alle krachten van het uitgeputte land op het front.

Niemand kan begrijpen welke verschrikkingen deze winter over Rusland zullen komen, doordat de naties van de Entente haar huurlingen deze zomer over Rusland loslieten.

Maar het zal de laatste moeilijke winter zijn; want de Polen zijn vernietigd, Tsjecho-Slowakije is bijna hinderlijk neutraal, de Roemenen zijn zeer verdraagzaam en de Geallieerden zijn bankroet.

En in weerwil van al het gebeurde leeft de Revolutie en brandt met een gestadige vlam die aan het ontvlambare geraamte van de Europese kapitalistische maatschappij lekt.

In het hartje van de winter, de moeilijkste tijd van het jaar, de strengste winter die Sovjet-Rusland gekend heeft, ging ik naar het land om de provinciesteden en boerendorpen te zien. Daar in vergelijking ver van de metropolis verwijderd, constateerde ik dat de Sovjetorde diep in het volksleven was doorgedrongen, dat de nieuwe maatschappij reeds een gevestigde zaak was waaraan men zich gewend had.

Neem bv. het stadje Klin, de hoofdstad van Hyezd (of land) Klin, de zetel van de Hyezd-sovjet, ...

(De Liberator vermeldt, dat het artikel bij ontvangst hier afgebroken was).

_______________
[1] Deze brief over “Rusland in 1920” bereikte de Liberator, het communistische tijdschrift in Amerika, waaraan wij onderstaande vertaling ontlenen, op de dag dat John Reed stierf.



een rode leeszetel Lezen
Marxistisch Internet Archief
Algemeen Archief
Selectie marxisten
Documenten
Filosofie
Thema’s
Arbeidersbeweging
Woordenboek
Wat ?
Wat is marxisme
Over ons
Andere talen
Auteurswet
Citeren
Disclaimer
Doen
Zoeken
Nieuwe teksten
Werk mee
Contact
Reclame


In of uitschrijven Nieuwsbrief

RSS