Leon Trotski
Resultaten en vooruitzichten


IV. Revolutie en arbeidersklasse

Revolutie is een openlijke krachtmeting tussen maatschappelijke krachten die om de macht strijden. De staat is geen doel op zich. Hij is niets meer dan een machine in de handen van de heersende maatschappelijke krachten. Net als elke machine heeft hij een motor, een koppeling en een besturingsmechanisme. De drijvende kracht achter de staat is klassenbelang; zijn motor is agitatie, de pers, de kerk en schoolpropaganda, partijen, straatbijeenkomsten, petities en opstanden. Het koppelingsmechanisme is de juridische organisatie van kaste-, dynastie-, standen- of klassenbelangen, voorgesteld als de wil van God (absolutisme) of de wil van de natie (parlementarisme). Tenslotte is het besturingsmechanisme de overheid met haar politie, haar rechtbanken, met haar gevangenissen en het leger.

De staat is geen doel op zich, maar een krachtig middel voor het organiseren, desorganiseren en reorganiseren van de maatschappelijke verhoudingen. Hij kan een machtige hefboom zijn voor revolutie of een instrument voor georganiseerde stilstand, afhankelijk van de handen die hem controleren. Elke politieke partij die die naam waard is, streeft ernaar om politieke macht te veroveren en zo de staat in dienst te stellen van de klasse wier belangen zij vertegenwoordigt.

De sociaaldemocraten, zijnde de partij van de arbeidersklasse, streven natuurlijk naar de politieke overheersing door de arbeidersklasse.

De arbeidersklasse groeit en wordt sterker met de groei van het kapitalisme. In deze betekenis is de ontwikkeling van het kapitalisme ook de ontwikkeling van de arbeidersklasse naar dictatuur. Maar de dag en het uur waarop de macht over zal gaan in handen van de arbeidersklasse hangt niet rechtstreeks af van het door de productiekrachten bereikte niveau, maar van de verhoudingen in de klassenstrijd, van de internationale toestand, en ten slotte van een reeks van subjectieve factoren: de tradities, het initiatief en de strijdbereidheid van de arbeiders.

Het is mogelijk voor de arbeiders om in een economisch onderontwikkeld land eerder aan de macht te komen dan in een ontwikkeld land. In 1871 namen de arbeiders bewust de macht in handen in het kleinburgerlijke Parijs — weliswaar slechts voor twee maanden, maar in de grootkapitalistische centra van Groot-Brittannië of de Verenigde Staten hebben de arbeiders de macht nog geen uur in handen gehad. Zich indenken dat de dictatuur van de arbeidersklasse op een of andere manier mechanisch afhankelijk is van de technische ontwikkeling en de rijkdommen van een land is een vooroordeel van het ‘economisch’ materialisme, dat vereenvoudigd is tot in het absurde. Dit standpunt heeft niets gemeen met het marxisme. Naar mijn mening zal de Russische revolutie omstandigheden scheppen waarin de macht kan overgaan in de handen van de arbeidersklasse — en in het geval van een overwinning van de revolutie moet zij dat doen — voordat de politici van het kapitalistisch liberalisme de kans krijgen om hun regeertalent volledig te ontplooien.

De revolutie en contrarevolutie van 1848-1849 samenvattend in het Amerikaanse blad The Tribune schreef Marx:

“De arbeidersklasse in Duitsland is in haar maatschappelijke en politieke ontwikkeling even ver achter die van Engeland en Frankrijk als de Duitse burgerij achter ligt op de burgerijen van die landen. Zo meester, zo knecht. De ontwikkeling van de bestaansvoorwaarden voor een talrijke, sterke, geconcentreerde en intelligente arbeidersklasse gaat hand in hand met de ontwikkeling van de bestaansvoorwaarden voor een talrijke, rijke, geconcentreerde en machtige middenklasse. De arbeidersbeweging zelf is volstrekt niet onafhankelijk, heeft nooit een zuiver arbeiderskarakter, totdat alle verschillende fracties van de middenklasse, en met name haar meest progressieve fractie, de grote fabrikanten, politieke macht veroverd hebben en de staat hervormd hebben overeenkomstig hun behoeften. Dan is het dat het onvermijdelijke conflict tussen de werkgever en de werknemers acuut wordt en niet langer uitgesteld kan worden (...)”.

Dit citaat is de lezer waarschijnlijk bekend, want het is de afgelopen tijd aanzienlijk misbruikt door de marxistische schriftgeleerden. Het is naar voren gebracht als een onweerlegbaar argument tegen het idee van een regering van de arbeidersklasse in Rusland. “Zo meester, zo knecht.” Wanneer de burgerij niet sterk genoeg is om de macht te nemen, zo argumenteren ze, dan is het nog minder mogelijk om een arbeidersdemocratie te vestigen, d.w.z. de politieke overheersing door de arbeidersklasse.

Het marxisme is voor alles een methode voor analyse — geen analyse van teksten, maar een analyse van maatschappelijke verhoudingen. Is het waar dat in Rusland de zwakte van het kapitalistisch liberalisme onvermijdelijk de zwakte van de arbeidersbeweging betekent? Is het waar, voor Rusland, dat er geen onafhankelijke arbeidersbeweging kan zijn totdat de burgerij de macht veroverd heeft? Het is genoeg om deze vragen te stellen om te zien wat voor hulpeloos formalisme er verborgen ligt achter de poging om een opmerking van Marx, die op een specifieke historische situatie slaat, om te vormen tot een bovenhistorische wet.

Gedurende de periode van de industriële hoogconjunctuur droeg de ontwikkeling van de fabrieksindustrie in Rusland een ‘Amerikaans’ karakter; maar in haar werkelijke omvang is de kapitalistische industrie in Rusland een peuter vergeleken met de industrie van de Verenigde Staten. Vijf miljoen mensen — 16,6 procent van de economisch actieve bevolking — zijn betrokken bij de fabricage in Rusland; voor Amerika zouden de overeenkomende cijfers 6 miljoen en 22,2 procent zijn. Deze cijfers vertellen ons nog betrekkelijk weinig, maar ze worden welsprekend als we eraan denken dat de bevolking van Rusland bijna tweemaal die van de VS is. Maar om de werkelijke omvang van de Russische en de Amerikaanse industrie naar waarde te schatten, zou in de gaten gehouden moeten worden dat in 1900 de Amerikaanse fabrieken en grote werkplaatsen goederen voor de verkoop afleverden ten bedrage van 25 miljard roebel, terwijl in dezelfde periode de Russische fabrieken goederen afleverden tot een waarde van minder dan 2,5 miljard roebel! [1]

Er bestaat geen twijfel over dat het getal, de concentratie, de cultuur en het politieke belang van de industriële arbeidersklasse afhangt van de mate waarin de kapitalistische industrie is ontwikkeld. Maar die afhankelijkheid is niet rechtstreeks. De productieve krachten van een land en de politieke kracht van de klassen erin worden op elk gegeven moment doorsneden door verschillende maatschappelijke en politieke factoren van een nationaal en internationaal karakter, en deze verplaatsen en veranderen soms de politieke uitdrukking van de economische verhoudingen. Ondanks het feit dat de productiekrachten van de VS tienmaal zo groot zijn als die van Rusland, zijn niettemin de politieke rol van de Russische arbeidersklasse, haar invloed op de politiek van haar eigen land en de mogelijkheden voor het beïnvloeden van de wereldpolitiek in de nabije toekomst onvergelijkelijk veel groter dan het geval is voor de arbeidersklasse in de Verenigde Staten.

Kautsky wijst er in zijn recente boek over de Amerikaanse arbeidersklasse op dat er geen directe band is tussen de politieke macht van de arbeidersklasse en de burgerij aan de ene kant en het niveau van de kapitalistische ontwikkeling aan de andere.

“Er bestaan twee staten”, zegt hij, “die diametraal tegenover elkaar staan. In één ervan is een van de elementen buitensporig ontwikkeld (d.w.z. niet evenredig aan het niveau van de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze) en in de andere een ander element. In één staat — Amerika — is dat de burgerij, terwijl het in Rusland de arbeidersklasse is. In geen ander land als Amerika is er zo veel reden om te spreken over de dictatuur van het kapitaal, terwijl de strijdbare arbeidersklasse nergens zo’n gewicht heeft gekregen als in Rusland. Dit gewicht moet en zal ongetwijfeld toenemen, omdat dit land pas onlangs is begonnen deel te nemen aan de moderne klassenstrijd en er pas onlangs een zekere manoeuvreerruimte voor geschapen heeft.”

Erop wijzend dat Duitsland in zekere mate zijn toekomst van Rusland kan leren, vervolgt Kautsky:

“Het is inderdaad zeer ongewoon dat de Russische arbeidersklasse ons onze toekomst zou tonen, voor zover die niet wordt uitgedrukt in de omvang van de ontwikkeling van het kapitaal, maar in het protest van de arbeidersklasse. Het feit dat dit Rusland de meest onderontwikkelde is van de grote staten van de kapitalistische wereld lijkt de materialistische visie van de geschiedenis te weerleggen”, observeert Kautsky, “volgens welke de economische ontwikkeling het fundament is van de politieke ontwikkeling; maar in werkelijkheid,” gaat hij door, “weerlegt het slechts de materialistische opvatting van de geschiedenis zoals die door onze tegenstanders en critici wordt afgeschilderd, die Marx niet als een onderzoeksmethode ziet, maar slechts als een kant-en-klaar model.”

(K.Kautsky, Amerikaanse en Russische arbeiders)

We bevelen deze regels met name aan onze Russische marxisten aan, die de zelfstandige analyse van de maatschappelijke verhoudingen vervangen door interpretaties van teksten, uitgekozen om van toepassing te zijn op elke gebeurtenis in het leven. Niemand brengt het marxisme zo in diskrediet als deze zelfbenoemde marxisten.

Zo staat, volgens Kautsky, Rusland op een economisch laag niveau van kapitalistische ontwikkeling, heeft het politiek een onbetekenende burgerij en een machtige revolutionaire arbeidersklasse. Dit leidt tot het feit dat “de strijd voor de belangen van heel Rusland de opdracht is geworden van de pas nu bestaande sterke klasse in het land — de industriële arbeidersklasse. Om deze reden heeft de industriële arbeidersklasse een enorm politiek gewicht en om deze reden is de strijd voor de bevrijding van Rusland uit de nachtmerrie van het absolutisme dat het wurgt, veranderd in één strijd tussen het absolutisme en de industriële arbeidersklasse, één strijd waarin de boeren een aanzienlijke steun kunnen geven, maar geen leidende rol kunnen spelen.” Geeft dit alles ons geen reden om de conclusie te trekken dat de Russische ‘knecht’ eerder de macht zal grijpen dan zijn ‘meester’?

Twee vormen van politiek optimisme zijn mogelijk. We kunnen onze kracht en voordelen in een revolutionaire situatie overdrijven en taken op ons nemen die door de gegeven krachtsverhoudingen niet gerechtvaardigd worden. Aan de andere kant kunnen we stelselmatig een grens trekken voor onze revolutionaire taken — die we echter onvermijdelijk door de logica van onze positie zullen moeten overschrijden. Het is mogelijk de draagwijdte van alle vraagstukken van de revolutie te beperken door te herhalen dat onze revolutie burgerlijk is in haar objectieve doelen en daarmee in haar onvermijdelijke resultaten, en onze ogen te sluiten voor het feit dat de voornaamste actrice in deze kapitalistische revolutie de arbeidersklasse is, die door de loop van de revolutie naar de macht wordt gedreven. We kunnen onszelf verzekeren dat binnen het raam van een kapitalistische revolutie de politieke overheersing door de arbeidersklasse slechts een voorbijgaande episode zal zijn, en daarbij vergeten dat zodra de arbeidersklasse de macht in handen heeft genomen, zij die niet zonder wanhopig verzet zal opgeven voordat deze door gewapende macht uit haar hand wordt gerukt.

We kunnen ons verzekeren dat de maatschappelijke omstandigheden van Rusland nog steeds niet rijp zijn voor een socialistische economie, zonder in overweging te nemen dat de arbeidersklasse na de machtsovername, door de logica van de situatie onvermijdelijk gedreven wordt naar de invoering van staatsbeheer over de industrie. De algemene sociologische uitdrukking burgerlijke revolutie lost geenszins de politiek-tactische vraagstukken, tegenstellingen en moeilijkheden op die de ontwikkeling van een gegeven kapitalistische revolutie oproept. In het kader van de burgerlijke revolutie aan het eind van de 18e eeuw, waarvan de objectieve taak het vestigen van de heerschappij van het kapitaal was, bleek de dictatuur van de sansculottes mogelijk.

Deze dictatuur was niet eenvoudigweg een voorbijgaande periode. Zij drukte haar stempel op de hele volgende eeuw en dit ondanks het feit dat zij heel snel doodliep op de omringende grenzen van de burgerlijke revolutie. In de revolutie aan het begin van de 20e eeuw, waarvan de directe objectieve taken ook burgerlijk zijn, ontstaat er als een nabij vooruitzicht de onvermijdelijke, of op zijn minst waarschijnlijke overheersing door de arbeidersklasse. De arbeidersklasse zal er zelf voor zorgen dat deze overheersing niet simpelweg een voorbijgaande ‘episode’ wordt zoals sommige realistische krentenwegers hopen. Maar we kunnen ons nu al afvragen: is het onvermijdelijk dat de arbeidersdictatuur dood moet lopen op de grenzen van de burgerlijke revolutie of is het mogelijk dat zij in de gegeven wereldhistorische omstandigheden voor zich het perspectief kan ontdekken van een overwinning en die grenzen kan doorbreken? Hier worden we geconfronteerd met vragen over tactiek: moeten we bewust werken naar een arbeidersregering naarmate de ontwikkeling van de revolutie deze fase dichterbij brengt, of moeten we op dat moment de politieke macht zien als een ongeluk waarin de burgerlijke revolutie de arbeiders dreigt te storten en dat beter vermeden kan worden? Moeten we ons aanpassen aan de woorden van de ‘realistische’ politicus Vollmar over de Communards van 1871: “In plaats van de macht te nemen hadden ze beter kunnen gaan slapen”...?


Voetnoten

[1] D. Mendeleyev, Towards the Understanding of Russia, 1906, p. 99 — Noot van Trotski