Leon Trotski
Resultaten en vooruitzichten


III.1789 — 1848 — 1905

De geschiedenis herhaalt zich niet. Hoeveel men de Russische revolutie ook kan vergelijken met de Grote Franse Revolutie, men kan de eerste absoluut niet veranderen in een herhaling van de andere. De 19e eeuw is niet voor niets verstreken.

Het jaar 1848 verschilt al enorm van 1789. In vergelijking met de Grote Revolutie verrassen de Pruisische en Oostenrijkse revoluties ons door hun nietige effect. In een opzicht vonden ze te vroeg plaats, in een ander te laat. Die gigantische krachtsinspanning, die de kapitalistische samenleving nodig heeft om radicaal af te rekenen met de meesters van het verleden, kan alleen bereikt worden door de macht van een verenigde natie die tegen het feodale despotisme in opstand komt, of door de machtige ontwikkeling van de klassenstrijd binnen die natie die ernaar streeft zichzelf te bevrijden. In het eerste geval, en dat was wat er in 1789-1793 gebeurde, werd de nationale energie, samengebald door het heftige verzet van de oude orde, in zijn geheel verbruikt in de strijd tegen de reactie. In het tweede geval, dat zich tot nog toe in de geschiedenis nog niet heeft voorgedaan, en dat we hier alleen maar als een mogelijkheid behandelen, wordt de energie die nodig is om de duistere machten van de geschiedenis te overwinnen, binnen de kapitalistische natie opgewekt door middel van een ‘onderlinge’ klassenoorlog. De sterke interne wrijving, die een grote hoeveelheid energie opslokt en die de burgerij de mogelijkheid ontneemt om de voornaamste rol te spelen, drijft haar tegenpool de arbeidersklasse naar het voortoneel, geeft de arbeidersklasse in een maand de ervaring van tien jaren, plaatst haar aan het hoofd van de ontwikkelingen en overhandigt haar de strak aangetrokken teugels van de macht. Deze klasse, vastberaden, geen twijfel kennend, geeft een krachtige impuls aan de loop der gebeurtenissen.

De revolutie kan worden gerealiseerd doordat een natie de spieren spant als een leeuw die zich op de sprong voorbereidt, of door een natie die in het proces van de strijd definitief verdeeld raakt om het beste deel ervan te bevrijden voor het uitvoeren van die taken die de natie als geheel niet in staat is te volbrengen. Dit zijn twee tegengestelde reeksen van historische voorwaarden, die in hun zuivere vorm alleen mogelijk zijn in een theoretische probleemstelling. De middenweg is, zoals zo vaak het geval is, de slechtste van alle, maar het was de middenweg die in 1848 gevolgd werd.

In de heldhaftige periode van de Franse geschiedenis zagen we een burgerij, verlicht, actief, en nog niet bewust van de tegenstrijdigheden van haar eigen positie, aan wie de geschiedenis de taak had gegeven leiding te geven aan de strijd voor een nieuwe orde, niet alleen tegen de versleten instellingen van Frankrijk, maar ook tegen de reactionaire krachten van heel Europa. De burgerij zag zichzelf consequent en in al haar geledingen als de leider van de natie, verzamelde de massa’s voor de strijd, gaf hen leuzen en dicteerde hun tactiek in de strijd. De democratie koppelde de natie aaneen met een politieke ideologie. Het volk — stedelijke kleinburgers, boeren en arbeiders — koos deze afgevaardigden en de opdrachten die deze afgevaardigden kregen, waren geschreven in de taal van een burgerij die zich bewust aan het worden is van haar profetische taak. Gedurende de revolutie zelf verdreef het machtige elan van de revolutionaire strijd voortdurend de meest conservatieve elementen van de burgerij van het politieke pad, hoewel klassentegenstellingen naar voren kwamen. Geen laag werd opzij gezet voordat zij haar energie had overgedragen aan de laag achter zich. De natie als geheel ging daarom door met de strijd voor haar doelen met scherpere en meer besliste methodes. Toen de hoogste lagen van de rijke burgerij, brekend met de nationale kern die in de beweging was opgekomen, een verbond sloten met Lodewijk de Zestiende, werden de democratische eisen van de natie gericht tegen deze burgerij, en dat leidde tot algemeen kiesrecht en de republiek als de logische, onvermijdelijke vorm van de democratie.

De Grote Franse Revolutie was inderdaad een nationale revolutie. En wat meer is, binnen het nationale raamwerk vond de internationale strijd van de burgerij voor overheersing, voor macht en voor ongedeelde overwinning, zijn uitdrukking.

Het jacobinisme is nu een afkeurende term op de lippen van alle liberale wijsneuzen. De kapitalistische haat tegen de revolutie, haar haat tegen de massa’s, haat tegen de macht en grootsheid van de geschiedenis die op straat wordt gemaakt, wordt samengevat in een kreet van verontwaardiging en angst: jacobinisme! Wij, het wereldleger van het communisme, hebben al lang geleden onze historische afrekening met het jacobinisme gemaakt. De hele huidige internationale arbeidersbeweging werd gevormd en werd sterk in de strijd tegen de tradities van het jacobinisme. We onderwierpen zijn theorieën aan kritiek, we toonden de historische beperkingen ervan aan, zijn maatschappelijke tegenstellingen, zijn utopisme, we ontmaskerden zijn uitspraken en braken met zijn tradities, die tientallen jaren gezien waren als het heilig erfdeel van de revolutie.

Maar we verdedigen het jacobinisme tegen de aanvallen, de laster en de stomme partijen van het bloedarme, slijmerige liberalisme. De burgerij heeft op schandalige wijze alle tradities van haar historische jeugd verraden en haar huidige huurlingen onteren de graven van hun voorouders en spotten met de as van hun idealen. De arbeidersklasse heeft de eer van het revolutionaire verleden van de burgerij in bescherming genomen. Hoe radicaal de arbeidersklasse in de praktijk ook gebroken heeft met de revolutionaire tradities van de burgerij, zij bewaart hen niettemin als een heilig erfdeel van grote hartstocht, heldhaftigheid en initiatief en haar haat slaat vol sympathie voor de toespraken en daden van de Jacobijnse Conventie.

Wat gaf het liberalisme zijn bekoring als dat niet de tradities van de Grote Revolutie waren? In welke andere periode steeg de burgerlijke democratie tot zulke hoogte en deed zij zo’n grote vlam ontbranden in de harten van het volk als tijdens de periode van de jacobijnse sansculotte, de terroristische Robespierre-democratie van 1793?

Wat anders dan het jacobinisme maakte en maakt het nog steeds voor het burgerlijke radicalisme van verschillende vormen mogelijk om de overweldigende meerderheid van het volk en zelfs de arbeidersklasse onder zijn invloed te houden in een periode waarin het kapitalistisch radicalisme in Duitsland en Oostenrijk zijn korte geschiedenis heeft afgesloten met daden van kleingeestigheid en schande?

Wat is het anders dan de aantrekkingskracht van het jacobinisme met zijn abstracte politieke ideologie, zijn aanbidding van de Heilige Republiek, zijn triomfantelijke uitspraken, dat ook nu nog Franse radicalen en radicale socialisten zoals Clemenceau, Millerand, Briand en Bourgeois voedt en al die politici, die weten hoe ze de steunpilaren van de kapitalistische samenleving moeten verdedigen, niet slechter dan de stompzinnige Junkers van Wilhelm II bij de gratie Gods dat doen? Ze worden hopeloos benijd door de burgerlijke democraten van andere landen, en toch gieten ze een stroom van laster uit over de oorsprong in politieke voordelen — het heldhaftige jacobinisme.

Zelfs nadat veel hoop was teniet gedaan, bleef het jacobinisme in de herinnering van de mensen als een traditie. Gedurende lange tijd sprak de arbeidersklasse over zijn toekomst in de taal van het verleden. In 1840, bijna een halve eeuw regering van de ‘Berg’, acht jaar voor de junidagen van 1848, bezocht Heine verschillende werkplaatsen in de faubourg Saint-Marceau en zag hij wat de arbeiders, “de verstandigste laag van de laagste klassen” aan het lezen waren. “Ik vond daar”, schreef hij aan een Duitse krant, “verscheidene nieuwe toespraken van de oude Robespierre en ook brochures van Marat die in edities van twee sous werden uitgegeven; Cabets Geschiedenis van de revolutie; de kwaadaardige schotschriften van Carmenen; het werk van Buonarotti, de leringen en de samenzwering van Baboeuf, al die producties druipend van het bloed... Als een van de vruchten van dit zaad”, voorspelde de dichter, “zal vroeg of laat een republiek dreigen te ontstaan in Frankrijk”.

In 1848 was de burgerij al niet in staat om een vergelijkbare rol te spelen. Zij wilde de revolutionaire liquidatie niet van het maatschappelijk stelsel dat haar in de weg stond op haar weg naar de macht en was daartoe ook niet in staat. Wij weten waarom dat zo was. Haar doel was — en daar was zij zich volkomen van bewust — om in het oude stelsel de noodzakelijke garanties in te voeren, niet voor haar politieke overheersing, maar alleen voor het delen van de macht met de krachten van het verleden. Zij was wijs geworden door de ervaringen van de Franse burgerij, gecorrumpeerd door haar verraderlijkheid en verschrikt over haar falen. Zij slaagde er niet alleen niet in om de massa’s te leiden bij het bestormen van de oude orde, maar ging voor die oude orde staan om de massa’s tegen te houden.

De Franse burgerij slaagde erin om haar Grote Revolutie tot stand te brengen. Haar bewustzijn was het bewustzijn van de samenleving en niets kon zich vestigen als een instelling zonder in dat bewustzijn opgenomen te zijn als een doel, als een probleem voor politieke schepping. Zij greep vaak terug naar theatrale houdingen om voor zichzelf de beperkingen te verbergen van haar eigen kapitalistische wereld, maar zij marcheerde voorwaarts.

De Duitse burgerij ‘maakte’ echter vanaf het begin niet de revolutie, maar distantieerde zich ervan. Haar bewustzijn kwam in opstand tegen de objectieve voorwaarden voor haar eigen overheersing. De revolutie kon alleen maar worden uitgevoerd, niet door, maar tegen haar in.

Democratische instellingen vertegenwoordigden voor haar denken niet een doel waarvoor gestreden moest worden, maar een bedreiging van haar welstand. In 1848 was een klasse nodig die in staat zou zijn om de gebeurtenissen te leiden zonder en ondanks de burgerij, een klasse die niet alleen bereid zou zijn om met druk de burgerij vooruit te drijven, maar ook om op het beslissende moment haar politieke kadaver uit de weg te duwen. Noch de stedelijke kleinburgerij noch de boeren waren in staat dit te doen.

De stedelijke kleinburgerij stond niet alleen vijandig tegenover gisteren, maar ook tegenover de komende dag. Nog steeds verstrikt in middeleeuwse verhoudingen, maar al niet in staat om stand te houden tegen de ‘vrije’ industrie; nog steeds haar stempel drukkend op de steden, maar al terugwijkend voor de klasse van grote en middelgrote kapitalisten; badend in vooroordelen, verdoofd door het rumoer van de gebeurtenissen, uitgebuit en uitbuitend, hebzuchtig en hulpeloos in haar hebzucht, kon de kleinburgerij, machteloos achtergelaten, die enorme gebeurtenissen van de dag niet beheersen.

De boerenstand was in nog grotere mate beroofd van onafhankelijk politiek initiatief. Eeuwenlang geketend, behept met armoede, woedend, in zich alle kenmerken verenigend van de oude en de nieuwe uitbuiting, vormde de boerenstand op zeker ogenblik een rijke bron van revolutionaire kracht; maar, ongeorganiseerd, versnipperd, geïsoleerd van de steden, de zenuwcentra van politiek en cultuur, stom, met hun horizon beperkt tot hun respectievelijke dorpen, onverschillig tegenover alles wat de stad dacht, konden de boeren geen betekenis hebben als een leidende kracht. De boerenstand werd onmiddellijk tot kalmte gebracht toen zijn rug was bevrijd van het juk van de feodale plichten en beloonde de steden die voor zijn rechten hadden gevochten met ondankbaarheid. De bevrijde boeren werden de fanatici van de ‘orde’.

De intellectuele democraten ontbrak het aan klassenmacht. Op het ene moment volgde deze groep haar oudste broer, de liberale burgerij, als een soort politiek aanhangsel, op een ander moment liet zij op het beslissende moment de liberale burgerij in de steek om haar eigen zwakte aan de kaak te stellen. Zij verwarde zich in onoplosbare tegenstellingen en droeg die verwarring overal met zich mee.

De arbeidersklasse was te zwak, miste organisatie, ervaring en kennis. Het kapitalisme was voldoende ontwikkeld om de afschaffing van de oude feodale verhoudingen nodig te maken, maar niet genoeg om de arbeidersklasse, het product van de nieuwe industriële verhoudingen, naar voren te brengen als een beslissende politieke kracht. De tegenstelling tussen de arbeidersklasse en de burgerij was zelfs binnen het nationale raamwerk van Duitsland te ver gegaan om het de burgerij toe te staan zonder vrees de rol van de nationale overheerser te spelen, maar nog niet voldoende om de arbeidersklasse toe te staan die rol over te nemen. De interne wrijving van de revolutie bereidde weliswaar de arbeidersklasse voor op politieke onafhankelijkheid, maar in die tijd verzwakte zij de energie en de eenheid van optreden en veroorzaakte een vruchteloze krachtsinspanning en dwong de revolutie om na haar eerste successen langdurig pas op de plaats te maken en dan onder de slagen van de reactie achteruit te wijken.

Oostenrijk leverde een bijzonder duidelijk en tragisch voorbeeld van dit onafgemaakte en onvolledige karakter van de politieke verhoudingen in de periode van revolutie. De Weense arbeidersklasse demonstreerde in 1848 een wonderbaarlijke heldhaftigheid en een onuitputtelijke energie. Keer op keer stortte zij zich in de strijd, aangespoord door niet meer dan een vaag klasseninstinct zonder een totaalbeeld van het doel van de strijd en in het duister van de ene leuze naar de andere struikelend. De leiding van de arbeidersklasse ging opmerkelijk genoeg over in de handen van de studenten, de enige actieve democratische groep die door haar activiteiten een grote invloed op de massa’s had en om die reden ook op de gebeurtenissen. De studenten konden ongetwijfeld dapper vechten op de barricades en verbroederden zich op eervolle wijze met de arbeiders, maar ze waren volstrekt niet in staat richting te geven aan het revolutionaire proces, dat hen de ‘dictatuur’ van de straat in handen had gegeven.

De arbeidersklasse, ongeorganiseerd, zonder politieke ervaring en onafhankelijke leiding, volgde de studenten. Op elk beslissend moment boden de arbeiders steeds weer de steun aan van “zij die met hun handen werkten” aan “de heren die met hun hoofden werkten”. De studenten riepen het ene moment de arbeiders op tot de strijd en versperden hen op het andere de weg van de voorsteden naar het centrum van de stad. Soms verboden ze, gebruikmakend van hun politieke autoriteit en steunend op de wapens van het Academische Legioen, de arbeiders om hun eigen onafhankelijke eisen naar voren te brengen. Dit was een klassiek duidelijke vorm van een welwillende revolutionaire dictatuur over de arbeidersklasse. Wat was het resultaat van deze maatschappelijke verhoudingen? Dit: toen op 26 mei de arbeiders in opstand kwamen, daartoe opgeroepen door de studenten, om verzet te bieden tegen het ontwapenen van de studenten (het Academisch Legioen), toen de hele bevolking van de hoofdstad, die de hele stad vulde met barricades, opmerkelijke kracht toonde en bezit nam van Wenen, toen heel Oostenrijk zich achter het bewapende Wenen schaarde, toen de monarchie op de vlucht was en alle betekenis had verloren, toen als gevolg van de druk van het volkde laatste troepen uit de hoofdstad waren teruggetrokken, toen de regering van Oostenrijk aftrad zonder opvolger aan te wijzen — toen was er geen politieke macht te vinden die het roer overnam.

De liberale burgerij weigerde bewust om de macht over te nemen, die op zo’n struikroversmanier was veroverd. Zij droomde alleen maar van de terugkeer van de Keizer, die naar Tirol was gevlucht.

De arbeiders waren dapper genoeg om de reactie te verslaan, maar waren onvoldoende georganiseerd en bewust om haar plaats in te nemen. Er bestond een machtige arbeidersbeweging, maar de proletarische klassenstrijd met een vast politiek doel was nog niet genoeg ontwikkeld. De arbeidersklasse, niet in staat om het roer over te nemen, kon deze grootse historische taak niet vervullen en de kapitalistische democraten slopen zoals zo vaak gebeurt, op het moment van de hoogste nood weg.

Om deze deserteurs te dwingen hun plicht te doen, zou er van de kant van de arbeidersklasse niet minder energie en rijpheid nodig geweest zijn als nodig is voor het instellen van een voorlopige arbeidersregering. Alles bij elkaar was een situatie geschapen waarover een tijdgenoot zei: “Er is in Wenen in feite een republiek ingesteld, maar helaas besefte niemand dat”. De republiek die niemand zag, verdween voor een lange tijd van het toneel en gaf ruimte aan de Habsburgers... Een gemiste kans komt nooit terug.

Uit de ervaring van de Hongaarse en Duitse revoluties trok Lasalle de conclusie dat van dan af revoluties alleen maar steun konden vinden in de klassenstrijd van de arbeidersklasse. In een brief aan Marx, gedateerd 24 oktober 1849, schrijft Lasalle: “Hongarije had meer kans dan enig ander land om zijn strijd tot een succesvol einde te brengen. Onder andere was dat omdat de partij daar niet in een toestand van verdeeldheid en scherpe tegenstellingen verkeerde zoals het geval was in West-Europa; omdat de revolutie tot grote hoogte de vorm had aangenomen van een strijd voor nationale onafhankelijkheid als gevolg van de verraderlijkheid van de nationale partij.”

“Dit en de geschiedenis van Duitsland gedurende 1848 en 1849”, vervolgt Lasalle, “brengt mij tot de conclusie dat in Europa geen revolutie succesvol kan zijn tenzij zij vanaf het begin wordt uitgeroepen als een zuiver socialistische. Geen strijd kan succesvol zijn wanneer maatschappelijke vraagstukken er alleen als een soort wazig element in voorkomen en op de achtergrond blijven, en als deze wordt gevoerd onder het vaandel van de nationale wederopbouw of kapitalistisch republikanisme.”

We zullen niet de tijd nemen om kritiek te leveren op deze zeer besliste conclusies. Het is echter zonder twijfel waar dat al in het midden van de 19e eeuw de problemen van de politieke bevrijding niet opgelost konden door de verenigde en samenwerkende tactiek van de druk van de hele natie. Alleen de onafhankelijke tactiek van de arbeidersklasse, die krachten verzamelt vanuit haar klassenpositie, kon de overwinning voor de revolutie veiligstellen.

De Russische arbeidersklasse van 1906 lijkt geenszins op de arbeiders van Wenen van 1848. Het beste bewijs hiervoor is het over heel Rusland ontstaan van sovjets (raden) van arbeidersafgevaardigden. Dat waren geen van tevoren bedachte samenzweerdersorganisaties voor de machtsovername door de arbeiders op het moment van de opstand. Nee, dat waren organen die door de massa’s zelf op planmatige wijze werden geschapen voor het coördineren van hun revolutionaire strijd. En deze sovjets, gekozen door de massa’s en verantwoording schuldig aan die massa’s, zijn ongetwijfeld democratische instellingen die een uiterst beslist klassenbeleid voeren in de geest van het revolutionaire socialisme.

De sociale eigenaardigheden van de Russische revolutie zijn met name duidelijk in de kwestie van het bewapenen van de natie. Een militie, de Nationale Garde, was de eerste eis en de eerste verworvenheid van elke revolutie, in 1789 en 1848, in Parijs en alle staten van Italië, in Wenen en in Berlijn. In 1848 was de Nationale Garde, d.w.z. de bewapening van de bezittende en ‘geleerde’ klassen de eis van de hele kapitalistische oppositie, zelfs van het meest gematigde deel, en het doel ervan was niet alleen om de gewonnen vrijheden, of beter gezegd verleende vrijheden, te beveiligen tegen terugkrabbelen van boven, maar ook om het kapitalistische particuliere bezit te beschermen tegen aanvallen van de arbeidersklasse. Zo was de eis voor een militie duidelijk een klasseneis van de burgerij. “De Italianen begrepen heel goed”, schrijft de Engelse liberale geschiedschrijver van het verenigde Italië, “dat een bewapende burgerlijke militie het voortbestaan van het despotisme onmogelijk zou makers. Daarnaast was dit een garantie voor de bezittende klassen tegen mogelijke anarchie en wat voor soort wanorde van onderen dan ook.”. [1] En de heersende reactie, die niet beschikte over voldoende troepen in het centrum van de strijd om of te rekenen met ‘anarchie’, d.w.z. met de revolutionaire massa’s, bewapende de burgerij. Het absolutisme stond eerst de ‘burgers’ toe om de arbeiders te onderdrukken en te kalmeren en ontwapende vervolgens de ‘burgers’ en kalmeerde hen.

In Rusland vond de eis voor een militie geen steun onder de burgerlijke partijen. De liberalen moeten de zware betekenis wel begrijpen van wapens; het absolutisme heeft hen in dat opzicht wat aanschouwelijke lessen gegeven. Maar ze begrijpen ook de absolute onmogelijkheid van het scheppen van een militie los van of tegen de arbeidersklasse. De Russische arbeiders lijken niet op de arbeiders van 1848, die hun zakken volstopten met stenen en zich met houwelen bewapenden, terwijl de winkeliers, studenten en advocaten koninklijke musketten op hun schouders en zwaarden aan hun zijde hadden. Het bewapenen van de revolutie betekent in Rusland in de eerste en voornaamste plaats het bewapenen van de arbeiders. Dit wetend en vrezend schuwen de liberalen een militie volkomen. Ze geven zelfs hun stellingen zonder strijd over aan het absolutisme, net zoals de kapitalist Thiers Parijs en Frankrijk overleverde aan Bismarck, alleen maar om het bewapenen van de arbeiders te vermijden. In dat manifest van de liberaal-democratische coalitie, het symposium, dat ‘De constitutionele staat’ werd genoemd, zei de heer Dzhivelegov, sprekend over de kans op revoluties, terecht: “De samenleving moet op het noodzakelijke moment zelf bereid zijn om ter verdediging van haar Grondwet in het geweer te komen.” Maar aangezien de logische conclusie hiervan de eis van het bewapenen van het volk is, vindt deze liberale filosoof “het nodig om eraan toe te voegen”, dat “het helemaal niet nodig is dat iedereen wapens draagt” [2] om tegenslagen te voorkomen. Het is alleen maar nodig dat de samenleving zelf bereid is om verzet te bieden — op welke manier wordt niet aangegeven. Wanneer er hieruit al een conclusie kan worden getrokken, dan is het dat in de harten van onze democraten de angst voor de bewapende arbeidersklasse groter is dan de angst voor de soldaten van het absolutisme.

Om die reden komt het volle gewicht van de taak van het bewapenen van de revolutie neer op de arbeidersklasse. De burgerlijke militie, de klasseneis van de burgerij van 1848, is in Rusland vanaf het begin een eis voor het bewapenen van het volk en voor alles voor de bewapening van de arbeidersklasse. Het lot van de Russische revolutie is met deze kwestie verbonden.


Voetnoten

[1] Bolton King, Geschiedenis van de Italiaanse EenheidNoot van Trotski

[2] De constitutionele staat, een symposium. Eerste editie, p. 49 — Noot van Trotski