Frederik van Eeden

Binnenlandse kolonisatie


Geschreven: 1900
In samenwerking met Dacob, Archief en Bibliotheek voor de Studie van het Communisme
Bron: W. Versluys, Amsterdam 1901
Deze versie: spelling en omzetting van het Nederlands; hernummering voetnoten
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Creative Commons LicenseCreative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?

Laatst bijgewerkt:


Verwant:
Coöperatie en socialisme
De coöperatie als grondslag van de arbeidersbeweging (1876-1885)
Een klein beeld ter illustratie van grote vraagstukken

De woorden socialisme, communisme en anarchisme zijn voor de brave burgerij als rode lappen voor stieren, waartegen ze blind in rennen. Waarlijk is de beste betekenis van die namen niets minder dan een heilstaat voor iedereen. Geen reden dus om de woorden te verfoeien. Dat er misverstanden in het spel zijn gekomen, dat er allerlei lelijks, haat, vernielzucht, grofheid, moord mee is samengegaan, mag de verstandige niet weerhouden de zaken zelf in hun zuivere, oorspronkelijke betekenis te beschouwen en te bewonderen. Alle drie bedoelen een toestand, waarin de grootste ellende van onze hedendaagse samenleving: de geldzucht, het gebrek, de losbandigheid, de ontucht, de verstomping, de lelijkheid, de ziekte, de misdaad, geheel of ten dele zullen zijn opgeheven, – welke toestand te wachten staat en met alle inspanning door allen moet worden gezocht.

Bij elke goede beweging zijn uitersten voorgekomen van teugelloze dweepzucht, de zachtzinnigste en edelste leer is door dwepers bedorven en door wandaden bevlekt. Ook zijn het lang niet altijd de kampioenen van een nieuwe orde die de ergste gruwelen op hun geweten hebben. De handhavers van het oude waren even wreed en gewelddadig, als het verzet gold tegen krachten die voort wilden gaan waar zij welvoldaan geëindigd waren. Al wat zich tot zede en gewoonte heeft gevestigd breekt niet zonder ongelukken, scheurt niet zonder smart.

Hoe hard en wreed heeft niet het zich zachtzinnig wetende christendom de ketters de martelingen betaald gezet, zelf ondervonden toen het ook ketters heette. In eigen jeugd meer communistisch dan de verst gaande communist van heden, noemt het nu alle communisme riekend naar de mutserd uit den boze.

Erger, en helaas! Niet minder gewoon is de haat en vijandschap der nieuwlichters tegen elkaar. Wat het meest broederlijk moet samengaan is het felst op elkaar gebeten. Zo kibbelen kinderen uit één huis onderling en zijn hoffelijk tegen vreemden. Het is menselijk, maar kleinmenselijk. De afvallige is heviger gehaat dan de ongelovige. De sociaaldemocraat is niemand vijandiger dan de communist-anarchist. Toch willen ze hetzelfde. Ze kijven over de kortste weg. De één zegt: “Zó kom je er nooit!” De ander zegt: “Zó kom je heel ergens anders terecht!” En beiden tegen elkaar: “Je verdeelt de stroom, je verzwakt de beweging, je houdt tegen en dan aan ’t plukharen, tot vermaak der conservatieven!

Die zich het meest aanmatigt en anderen wil bedillen, loopt het grootste gevaar te dwalen. Handelend naar diep gevoel en scherp inzicht weten wij toch maar ten dele bewust te zijn van eigen motieven en zeer vagelijk bekend met de toekomst. Ter wille van een groot doel, hoe duidelijk ook voorzien, andere geesten in dogmatisch juk te willen dwingen, is altijd hachelijk werk. Een kleine onvoorziene zwakheid en het moeilijk verbogen springt terug in oude stelling, verwondend en onherwinbaar.

Wijzer schijnt te zoeken naar de eenheid in het verscheidene, hoe weinig bepaald dan ook, en die gevonden, ieders gangen daarheen vrij te laten.

Wij erkennen één vijand niet waar? Het kapitalisme, het persoonlijk bezit van wat allen gezamenlijk moest behoren. Welnu laat ons dan antikapitalistisch zijn met alle kracht, elk naar diepst gevoel en scherpst verstand.

En de conservatieven zeg ik: bedenk dat “socius” kameraad betekent en socialistisch: “kameraadschappelijk”. Je bent dus, naar uw woorden, even goed socialist als ik, want wie zal er beweren niet kameraadschappelijk te zijn? En geheel uw zeden en leven heet op kameraadschap gegrond. Maar naar uw werken en inderdaad ben je uw naaste vijand, brood- en doodsvijand. Want als je verheugd thuis komt van bureau of kantoor bij brave vrouw en lieve kinderen, handenwrijvend omdat je honderd gulden “eerlijk” hebt verdiend, dan hebt je eenvoudig uw evenmens negenennegentig gulden en nog wat, armer gemaakt, terwijl uw arbeid hoogstwaarschijnlijk de wereld met maar weinige stuivers of in het geheel niet heeft verrijkt. Wie dat kameraadschap noemt mag een domoor heten. De Hebreeërs mochten rente vragen van de ongelovigen, dat waren vijanden, evenmin opgenomen in de zedenwet als tijgers of ratten. Voor u, kapitalisten, is elke medemens een ongelovige en een vijand, die men even zedenmatig beroven mag als een luis doodknijpen. Daarom is uw leven een bespottelijke ongerijmdheid, volgehouden door onwetendheid, gewoonte en een menigte drogredenen en leugens, van dezelfde aard als die waarmee het Engelse volk zich paait in de Boerenoorlog of het Franse in de Dreyfus zaak.

Ik behoef hier niet de kritiek op de bestaande maatschappij te herhalen. Ook spreek ik nu niet van de geestelijke glorie die het gevolg moet zijn van betere sociale orde. Ditmaal bepaal ik mij tot het droog-zakelijke, het nuchter-praktische en logische.

Want juist de ongerijmdheid is het kenmerkende van de thans heersende wanorde. Er is overdaad en honger tegelijk in één gemeenschap, er is overproductie en gebrek aan het nodige bij de producenten zelf, er is tegelijk te veel en te kort, verkommering door noeste werkers, verkwisting door leeglopers, drie vierden der mensen minstens is onproductief en het productieve gedeelte is het armst, er worden voor miljoenen nutteloze voorwerpen gemaakt en gekocht alleen omdat ze goedkoop zijn en onmiddellijk weer vermorst, bijna niemand werkt met voldoening, bijna niemand is tevreden, de meesten besteden hun leven in werk waar zij geen neiging toe hebben en brengen dingen voort die ze niet nodig hebben en die hun niets baten.

Dit is zeer zot. Wie onze samenleving bestudeerde vanaf een andere planeet zou niet geloven dat wij elk afzonderlijk zoveel verstand hadden. Wij werken samen als wezens van een veel lagere orde. Elke enkeling is veel beter en wijzer dan het gedrag der massa zou doen vermoeden.

Dat kan nimmer een blijvende toestand zijn. Hij rust niet op onnozelheid maar op leugen. Het is niet omdat men niet beter weet, maar omdat men elkaar voorliegt. De stelling is dat ondanks ongelijke rechten, door de vrije werking van vraag en aanbod, ieder loon krijgt naar verdienste en werkt naar de behoefte. Dit nu is te zot om alleen te lopen. Ja! Al loopt er aan iedere kant een professor in de economie naast. En toch met deze zotte fictie als verontschuldiging presenteert de hedendaagse christen zijn parasietenleven ten gerichte, onder deze vlag meent hij de eeuwigheid te mogen invaren.

Men noemt wel het socialisme een nieuwe moraal. Maar het is de omzetting van onze fictieve moraal tot een werkelijke, van onze zondagse moraal tot een doordeweekse. Het is het gelijk gestemd zijn van het leven der massa, het gemeenschapsleven, met het beter weten van elke enkeling, van macrocosmos met microcosmos. De enkeling staat onder invloed van het geheel, maar in elke enkeling vernieuwt zich weer de scheppende kracht, die alleen het geheel hervormen en fris leven geven kan.

Nu neem ik het volgende aan, als geen nader bewijs behoevend:
1. De mens zoekt niet zinnelijke en materiële vreugden als einddoel, maar geestelijke vreugden en zedelijke volmaking. De zinnelijke vreugden zijn middelen tot dat doel.
2. Tot zedelijke volmaking is dienstig: een gezond lichaam, een niet overwerkt leven, gelegenheid tot geestesoefening en hogere genietingen, een liefdevolle en zedelijk reine omgeving.
(Zonder deze voorwaarden is de beste wil machteloos. Praat eens van hogere vreugden en zedelijke volmaking tegen een fabrieksarbeider die een uur of twaalf daags dom werk doet dat hem niets schelen kan, daarbij onvoldoende voeding krijgt en moet samenwonen met te veel mensen in een klein vertrek, in materiële of zedelijke onreinheid!)
3. Onze tegenwoordige maatschappij biedt, door slechte organisatie, aan zeer weinigen de gelegenheid tot streven naar dit doel. En daar niemand er alleen naar streven kan, wordt aan niemand volkomen gelegenheid geboden.
4. Evenwel zijn de omstandigheden, de toestand der aarde en de eigenschappen der mensen zodanig, dat die volkomen gelegenheid aan elkeen, aan elk en ieder kon geboden worden.
5. Dit nu kan geschieden door redelijk ingrijpen in de praktische organisatie van onze samenleving.


De verdeling der maatschappij in twee klassen, bezitters en niet-bezitters is ten dele juist en heeft veel dienst gedaan als middel ter verklaring. Men leerde onderscheiden een kapitalistenwereld met eigen begrippen, levensuitingen en moraal, van een antikapitalistenwereld. Maar hier geraakte men ook in een grote verwarring door aan te nemen dat de niet-bezitters zulk een antikapitalistenwereld vormden, met antikapitalistische uitingen en denkbeelden. Dit nu is een grove dwaling, alleen vol te houden door voor de werkelijkheid blinde doctrinairen. Alle leden van onze samenleving, zowel bezitters als niet-bezitters hebben kapitalistische levensuitingen, moraal en begrippen. De niet-bezitter is evengoed een kapitalistisch product met kapitalistische eigenschappen als de bezitter. Terwijl het nieuwe begrip van antikapitalisme ontwaakt in alle lagen, en nog wel het meest onder de bezitters of hun gunstelingen.

De scheiding in twee klassen is te grof, daardoor verwarrend. Onder welke klasse moeten de loontrekkende niet-bezitters gerekend worden, indien hun loon zeer hoog is? En zal men een gouverneur-generaal of een medisch professor die vijftigduizend gulden per jaar verdient, maar geen kapitaal bezit, tot de proletariërs rekenen?

Het komt mij voor dat wij drie klassen of standen moeten onderscheiden.

Klasse A. Bezittersstand. In het bezit van berovingsrechten, in de vorm van fondsen, grond- of huizeneigendom, enz. Type: de hypotheek- of aandeelhouder, de rentenier, de uitwonende grootgrondeigenaar, enz.

Klasse B. Lakeien of cliëntenstand. Delend in de voordelen van klasse A door gunst der bezitters.

Hiertoe behoren alle ambtenaren, rechters, advocaten, militairen, artiesten, doctors, en werklieden, wier functie of arbeid de bezitters bijzonder belangrijk of nodig toeschijnt, en die daarom min of meer ruim door hen worden betaald.

Klasse C. Slavenstand. Zonder enige rechten of voordelen. Type: de fabrieksarbeider, de dagloner, de koelie, de hindoe, de Russische boer.


Nu komen de meeste productie belemmerende of onproductieve leden vóór in klasse A, en de meeste productieve leden in klasse C. Evenwel zijn er in de laatste ook geheel onproductieve leden, zoals bv. producenten van wapens, van luxeartikelen, enz.

Tussen A en B komen gemengde vormen voor, men kan tegelijk in A en B behoren. Ook zijn er tal van overgangen. Zo staan dienstboden en werklieden tussen B en C, al naar ze in rijker of armer dienst zijn, al of niet “voor de rijkdom” arbeiden.

Het begrip “productief” is moeilijk scherp te bepalen en afhankelijk van het algemeen geldend levensdoel. Is dit doel “eten”, dan is de kunstenaar onproductief. Is het “zedelijke volmaking”, dan is hij bij uitstek productief. Bij onze beschouwing echter gaan wij uit van het feit dat er door gebrek geen gelegenheid is tot zedelijke volmaking en dat zij, die het meest aan levensbehoeften voortbrengen, er het meest aan te kort komen.

Het bestaande systeem nu, hoe wanordelijk en gebrekkig ook, is één geheel. Het is zodanig ingericht dat de leden van de slavenstand, over de gehele wereld, werken voor de bezitters en hun gunstelingen. Geen lid kan er uit gemist worden, zonder de wanorde nog groter te maken. Voor de conservatief heeft elk lid van onze samenleving een betrekkelijke nuttigheid. Een likeurstoker of sigarenmaker, een handelsreiziger in snuisterijen of reclamekaartjes, een bankier, een advocaat, een diamantslijper, hoe volkomen onproductief en onnut wij, van antikapitalistisch standpunt, hun werk zouden noemen, zij moeten er volgens de conservatief ook zijn, want hun producten worden gewenst, hun arbeid wordt betaald, dus nodig geacht.

Onder deze omstandigheden is een “klassenstrijd” altijd een destructief maar nooit een constructief expediënt, aangezien er geen antikapitalistische klasse is, en de strijd dus zou gevoerd worden tussen kapitalisten en kapitalisten.

Snij de bestaande structuur in tweeën en je hebt twee kapitalistische helften: de ene rijk en weelderig, de andere arm en behoeftig; maar beide ten dele met, ten dele zonder kapitaalbezit, en elk gedesorganiseerd, zonder eenheid of verband. Het gevolg zou zijn een nog veel groter wanorde.

Men wil de niet-bezittende kapitalisten – of liever: de behoeftige kapitalisten, want er zijn ook rijke niet-bezitters – organiseren, om hen te doen strijden tegen de welgestelde kapitalisten – want er zijn ook arme bezitters.

Doch wat verstaat men onder “organiseren”? Verdient elk aantal mensen, dat tezamen een bestuur kiest en vergaderingen houdt waarin besluiten worden genomen, de naam “organisatie”.

Een organisme is een ding dat door samenwerking van verschillende delen het eigen wezen in stand houdt.

De kapitalistische maatschappij is zulk een organisme, hoe gebrekkig ook. Zij houdt zichzelf in stand.

Doch de organisaties, die men er tegenoverstelt om haar te bestrijden, de politieke lichamen, de vakverenigingen, de tot een of ander genootschap of vereniging verbonden arbeiders, dat zijn groepen, maar geen organisaties. Zij houden zichzelf niet in stand, zij bestaan in en door het kapitalisme: zij kunnen zichzelf niet in stand houden, en pogen het ook niet.

Wij zijn het allen eens dat een antikapitalistische organisatie sterker en beter zal zijn dan de kapitalistische. Doch men dwaalt grof, door elke vereniging van niet-bezitters of behoeftigen een antikapitalistische organisatie te noemen.

Een antikapitalistische organisatie is een vereniging van personen, onverschillig uit welke klasse der kapitalistische maatschappij, die samenleven en arbeiden en hun gemeenschap in stand houden op niet-kapitalistische wijze. Dat wil zeggen in beter orde en met betere rechtsverhoudingen dan de oude maatschappij.

Proeven van zulk een antikapitalistische organisatie, waarin men de fouten van het bestaande systeem van de aanvang af tracht te vermijden, zijn de socialistische kolonies.


Het ware te wensen dat economen en sociale hervormers beter bedachten dat economie een onderdeel is van biologie. Men schettert over wetenschappelijkheid en pronkt met dikke boeken vol abstracties, maar verwaarloost biologische en psychologische begrippen.

Socialistische kolonies, proeven van beter maatschappelijke structuur, zijn al vóór eeuwen gemaakt. Eerst in gedachtebeeld, later in werkelijkheid: eerst zeer zeldzaam, maar in de laatste eeuw, nu de omzetting naderbij komt, bij honderden.

Nu is de gewone opmerking dat zij allen mislukt zijn en mislukken. Alleen oppervlakkige, onwetenschappelijke mensen kunnen daaruit de gevolgtrekking maken dat zij altijd zullen mislukken.

Het beantwoordt aan onze jongste voorstelling omtrent het opdoemen van nieuwe onbekende levensvormen, dat die zich eerst sporadisch vertonen, op verschillende plaatsen tegelijk, aanvankelijk weer vernietigd worden, om daarna talrijker en talrijker op te treden als teken dat ze winnen en het veld zullen behouden. Dat de eersten ten ondergaan bewijst niets tegen de levensvatbaarheid van de volgenden.

Met de vindingen van de mens gaat het evenzo. De stoomwerktuigen waren er, in beginsel, reeds voor eeuwen, in de 17e eeuw vervaardigde Papin een vrij goede stoomboot die op de Elbe voer. Deze werd vernield door afgunstige schippers – de conservatieven – en honderd jaren later, onder Napoleon, verklaarden de leden der Franse Academie eenstemmig de stoomboot voor een utopie.

De kranigste kolonisator is Robert Owen geweest. Wat hij tot stand bracht was verwonderlijk en vol grote belofte. Wat later onder zijn invloed ontstond beschaamde niet maar overtrof de verwachting.

Owens werk is vernield door zijn eigen voorbarigheid en overhaasting, wat na hem kwam door toeval en verzet der oude maatschappij. De ondergang van zijn werk heeft voor jaren de diepe indruk nagelaten dat zulke pogingen vruchteloos en ruïneus zijn.

Evenwel is er voldoende theoretische grond om deze indruk eenvoudig voor een gemoedsindruk te houden – welke soort indrukken vaak een grote rol spelen, ook bij zich wetenschappelijk noemende mensen – en te beweren dat zulke pogingen eenmaal zeker moeten gelukken. Want de fouten der bestaande organisatie zijn zeer groot en in het oogvallend, een andere organisatie zonder die fouten, wanneer ze mogelijk is, zou dus altijd krachtiger zijn. En de genomen proeven – ook al waren ze allen mislukt, wat niet het geval is – hebben de mogelijkheid en zelfs de wenselijkheid van haar bestaan voldoende bewezen.

Het staat er dus mee als met het vliegtuig. Theoretisch mogelijk. De praktische oplossing alleen ontbreekt. Nu besteedt men gelaten jaarlijks honderdduizenden aan proeven, overtuigd te zullen slagen.

Maar een beter maatschappelijke orde komt mij nodiger voor dan een vliegtuig.


Iedere mislukking is zoveel gewonnen, wanneer ze niet ontmoedigt, door gevoelsredenen, door depressie en gemis aan energie – maar wanneer ze tot lering strekt en aanwijst hoe beter te doen.

Men heeft dus drie richtlijnen:
1. Een werkelijk organisme te vormen dat het eigen wezen in stand houdt;
2. Een beter, krachtiger organisme te vormen door de fouten van het bestaande te vermijden;
3. Ook de fouten van de mislukte proefnemingen te vermijden.


Hiertoe behoort dus behalve het onmisbare geduld en de nodige geestkracht, vooreerst biologische en psychologische kennis, in de tweede plaats kennis van de fouten der bestaande maatschappij, in de derde plaats zo volledig mogelijke kennis van de historie der ondergegane of nog bestaande proefnemingen.

Ik bespreek dus eerst de hoofdfouten der oude orde, dan de fouten van de mislukte proeven voor een betere.


De principiële fout der oude maatschappij schuilt in de ongelijke en onbillijke rechtsverhoudingen. In wat ik noemde: de berovingsrechten, of wat men ook de schattingsrechten en schatplichtigheid kon noemen.

Deze schattingsrechten hebben de naam van rechten van bezit of eigendom, niet in de zin van gebruiksrecht, maar in de uitgestrekter betekenis van algeheel beschikkingsrecht over grond en goed, veel meer dan tot eigen gebruik zou kunnen dienen. Deze rechten dragen de fictieve naam van kapitaalbezit en maken het afeisen van rente mogelijk.

Men tracht deze rechten gewoonlijk te beoordelen door uitvoerige dialectische abstracte beschouwingen. Hierbij wordt vergeten dat men werkt met een mystieke en onberedeneerbare grootheid nl. het gevoel van recht en billijkheid. Het komt er niet op aan de ingewikkelde toestanden uit te pluizen waartoe deze rechtsverhoudingen geleid hebben, maar het komt er op aan te weten wat men – de volwassen, gezonde, toerekenbare mens – billijk vindt. Deze factor is niet door redekunst of door theorie, – maar alleen door praktijk en ervaring te vinden.

Een korte ervaring, onder nieuwe voorwaarden van samenleven, leert onmiddellijk en beslissend dat door de gemiddelden mens van onze tijd en van ons ras noch het beschikkingsrecht over goed, dat meer is dan gebruiksrecht, noch het eisen van rente voor uitgeleend goed, billijk wordt gevonden. Alleen door overlevering en gewoonte, en oorspronkelijk door geweld, is dit rechtsgevoel in de oude maatschappij onderdrukt en verstompt.

De theorie nu – naar mijn weten het duidelijkst door Flürschheim gegeven[1] – leert in overeenstemming daarmee, dat rente afeisen onmogelijk wordt zodra het bedoelde schattingsrecht in zijn eenvoudigste vorm – privaatgrondbezit – wordt opgeheven.


Het is niet gemakkelijk het zogenaamd kapitaalbezit te leren inzien als een fictief begrip, een schattings- of berovingsrecht meestal zonder enig reëel bezit, en de onbillijkheid er van te voelen, omdat kapitaal een vage, dubbelzinnige term is, waarmee nu eens grond, goederen, rechtstitels, dan weer metaal- of papiergeld, arbeid, talent of wat anders wordt bedoeld. Voeg daarbij de onbestemdheid van het begrip bezit of eigendom en men heeft genoeg om alle heldere gevoelens onhelder te redeneren.

Maar aangenomen de economische definitie van kapitaal, dan is het duidelijk dat de bezitter van duizend goudmijnaandelen van 38 maal de nominale waarde, geen productieve goederen, werktuigen, enz., ter waarde van 38.000 pond sterling kan bezitten, aangezien er maar voor hoogstens 1000 pond als zijn aandeel aanwezig is. Welke “goederen geschikt om goederen voort te brengen” kan de hypotheekhouder als zijn eigendom vertonen? En kan men zeggen dat de bezitter van duizend vierkante meter grond in Kalverstraat of Lombardstreet productieve goederen ter waarde van honderdduizend gulden of meer bezit? Maar deze zogenoemde kapitaalbezitters hebben rechtstitels, volgens welke zij hun productief arbeidende medemensen tot een jaarlijks bedrag van duizenden guldens mogen brandschatten.

Al de bedoelde schattingsrechten zijn terug te brengen tot één oorspronkelijke vorm: het grondbezit. Dit is voldoende aangetoond door Henry George,[2] later door Flürschheim en Oppenheimer.[3] In deze vorm wordt de onbillijkheid nog het sterkst gevoeld. Men spreekt wel van de goede landheer, als een bij uitstek productief en nuttig mens. Een goede landheer nu zou de landheer zijn, die zelf zijn goed administreerde en tot zijn deel een behoorlijk administratieloon nam, en niet meer. Indien dit wonder ergens bestaat dan is het ook geen landeigenaar meer, want dan heeft hij van zijn rechten afstand gedaan. Zijn recht toch is: in de stad te gaan wonen en het grootste deel van het door zijn arme pachters en dagloners zuur verdiende goed naar willekeur te verkwisten, zonder zelfs nauwkeurig te weten hoeveel land hij heeft. Dit is zijn recht, – ik zoek de onbeschaamde conservatief die het billijk noemt.

Deze onbillijke rechtsverhoudingen werken nu in het maatschappelijk organisme schadelijk op zeer uitgebreide schaal, op zeer ingewikkelde wijze en in progressieve mate.

Men kan de schadelijke werking herleiden tot de volgende vier hoofdfactoren:
1. De bezitter der genoemde rechtstitels kan de productie regelen – door “belegging” zoals het heet – hetgeen hij doet tot zijn persoonlijk voordeel zonder in achtneming van het belang der gemeenschap;
2. De bezitter tracht de schatting die hij afeist zo hoog mogelijk op te drijven, met het oog op ogenblikkelijk voordeel, zonder in achtneming van het belang der gemeenschap. Hierdoor wordt de productie wel gestimuleerd, maar overmatig en zonder voldoende zorg voor de producent, voor de toekomst en voor het algemeen, hetgeen de productie aftapt, de werker uitmergelt en de arbeid verlamt;
3. De bezitter kan de ontstaande overvloed onmiddellijk naar eigen willekeur vermorsen, waardoor het peil van welvaart nooit gelijkmatig en voor allen stijgt;
4. De bezitter beheerst door zijn vraag het aanbod, hetgeen een enorme arbeidsverkwisting te weeg brengt, daar hij vraagt ter voldoening van persoonlijke, door overmacht hypertrofisch geworden neigingen, zonder tegenwicht of controle der gemeenschap.


Dat bijna al de ellende van onze tijd, het gebrek, de werkloosheid, de afstomping der loonarbeiders, de weelde der steden, de ziekten en de vadsigheid der rijken, de degeneratie van het geslacht uit deze rechtsongelijkheid voortkomen, is min of meer duidelijk door alle socialisten der vorige eeuwen begrepen en uiteengezet.

Dat de maatschappij verkwistende lediggangers, – doodeters – bevat is niet zo’n groot kwaad. Een welgeordende samenleving is zó rijk en productief, dat ze zich die weelde wel kan veroorloven. Wij konden alle rijke nietsdoeners op kosten der gemeenschap in gelijke overvloed onderhouden en zelf nog welvaart hebben bovendien, wanneer wij de doodeters buiten de leiding der productie hielden. Maar hun “belegging” geheel gericht op ieders eigen veilige en voordelige wijze van renteafpersing, stuurt de productie in duizend elkaar tegenwerkende richtingen, nimmer ten algemene beste, en zweept ze op zonder genade, zonder algemeen overleg, roekeloos ten verderf van de voortbrenger, ten nadele der gemeenschap. Dikwijls is de afperser zelf ook het slachtoffer van eigen hebzucht en belangzucht. Maar daar genoemde schattingsrechten niet noodzakelijk verplichtingen meebrengen, onttrekt de kapitaalbezitter zich zoveel mogelijk aan risico of verplichting. De hypotheekhouder doet niets en waagt niets en zuigt veilig de pachter en arbeider uit. Zijn deze doodgebloed en over de kop, dan zet hij kalm zijn vampiersnuit op een ander stuk grond, tot ook daar de zware last van hypotheekrente en onderhoud der werkers het overspannen productievermogen te boven gaat en de boel ineenstort. Land, pachter en arbeider zijn verarmd, alleen de hypotheekhouder is er vetter bij geworden.

De overvloed die uit harde arbeid was ontstaan en die grond, arbeiders en productie ten goede had kunnen komen, en bron worden van nieuwe, nog grotere overvloed, is weggevloeid en heeft niets anders teweeggebracht dan het onheil van voortbrenger en verbruiker, door vele armen nog dieper in de ellende, en één rijke nog hopelozer in de gevaren van lediggang, weelde, overmacht en willekeur te storten, terwijl deze rijken door niets meer getemperde behoeften, de industrie jagen tot productie van nodeloze luxeartikelen.

Niets betekenen hierbij mooie praatjes over milddadigheid, menslievendheid, eenvoud van sommige bezitters. Dat wil alleen zeggen dat zij genade voor recht laten gelden, afstand doen van hun recht. Het is hun recht, hun wettelijk gewaarborgd recht de arbeider uit te mergelen ten dode, de productie van het nodigste in de war te sturen en te belemmeren, de door zware arbeid van anderen ontstane overvloed te vermorsen, de ongelukkige producenten te dwingen prullen te vervaardigen en juwelen te poetsen terwijl hun vrouw en kinderen honger lijden. En nogmaals daag ik de schaamteloze conservatief uit mij in het aangezicht te durven verklaren dat zulk een recht in overeenstemming zou zijn met het rechtsgevoel der mensheid.

Onze productiewijze wordt gebeeld door een lekke pomp. De rijke zit bij het lek, de pomper krijgt met wanhopige inspanning ternauwernood een paar druppels boven om zijn lippen te bevochten. Hierbij niet alleen te denken aan de arbeiders in onze rijke industriële landen. Die zijn nog dicht bij het lek, en de gunst der bezitters – die vaak uit weekhartigheid de zelfveroorzaakte ellende niet kunnen aanzien – doet iets van de overvloed op hen neerdruipen. Een genade des te grievender omdat ze het onrecht als recht doet handhaven. Maar de overvloed van de rijken stroomt toe uit alle werelddelen, van de ellende der hindoes, moezjieks en koelies, die bij duizenden verhongeren terwijl ze zijn brood en genotmiddelen voortbrengen, bemerkt hij niets.

Uit deze onbillijke rechtsverhoudingen is voortgevloeid een onzuiver ruilverkeer, de kapitalistische handel zoals wij die kennen. Zolang de koopman overbrenger is van goederen en beloond wordt voor een moeilijk en gevaarvol warentransport, zolang is hij een nuttig en eerlijk arbeider. Maar de kapitalistische koopman is een thuis blijvend speculant, die het moeilijke werk aan de schatplichtige overlaat, en op listige wijze misbruik weet te maken van het gebrek aan verstandhouding tussen voortbrenger en verbruiker, die leeft van het prijsverschil dat hij onderschept en die al de macht van zijn kapitaalbezit aanwendt om dat prijsverschil zo groot mogelijk te houden. Hij werkt dus in hoge mate belemmerend en ook verspillend, omdat zijn hebzucht en zijn spilzucht door niets worden getemperd of gecontroleerd. Als wij zijn werk van belemmerend tussenpersoon onder onze ogen zagen gebeuren, zoals Ruskin het voorstelt,[4] en wij zagen hem voor onze huisdeur een broodje van de bakker kopen voor een stuiver en weer aan de meid verkopen voor drie stuivers, dan zouden wij gauw zwijgen over de nuttige handelsman en hem als een dief wegjagen. Er is zeer zeker een zuiver ruilverkeer mogelijk, dat allen voordeel zou brengen. Maar de kapitalistische handel berustend op ongelijke rechtsverhoudingen, op persoonlijk belang en kapitaalbezit, werkt als een stoornis en een lek, tot schade van producent en verbruiker, en tot zedelijke schade ook van de handelaar.

Deze tweede structuurfout is minder principieel dan de eerste, en zal vanzelf verdwijnen als het schattingsrecht verdwijnt.

In de coöperatieve verbruiksverenigingen tracht men deze fout te ontwijken. De belemmerende tussenpersoon die de handelswinst opstrijkt is daar uitgesloten. Daarmee wordt één lek gedicht en grote voorspoed is het gevolg, zoals de enorme bloei der Engelse en Schotse coöperatieve Whole-sale Societies bewijst.[5] Doch zij blijven niettemin geheel kapitalistisch.

De genoemde structuurfeuten zijn bijna altijd door sommigen gevoeld, maar niet altijd zijn ze even klaar begrepen en aangewezen. Hun bestaan werd zo algemeen en gewoon, hun werking zo verblindend uitgestrekt, zo verbijsterend ingewikkeld.

De Germaanse vrije dorpeling en markgenoot wist dat het om zijn vrijheid ging, dat het slavernij betekende toen zijn markgrond werd genaast door edele en klooster en hij tienden te betalen had. De twintigste-eeuwer begrijpt niet meer dat zijn vrijheid een bedrog, en kapitalisme een andere vorm van slavernij is, nog altijd berustend op het verloren gaan van de grond als gemeengoed, en dat het door staat en zeden gesanctioneerd renteheffen juist evengoed een vorm van woeker en schatting is als de oude tiendheffing.

Vaag en onzeker hebben de achttiende eeuwers, de fysiocraten en Rousseau, geijverd voor terugkeer tot de oude toestanden van landelijk leven en gemeenschappelijk grondbezit.

Het was meer intuïtie dan scherp inzicht. De eerste socialisten, Morelly en Mably, zagen kritisch scherp genoeg, maar tot reconstructie waren zij nog onmachtig. In de Franse revolutie meende men de maatschappij te hervormen, doch deze schok heeft niets veranderd in de rechtsverhoudingen die het sociaal organisme ziek maken. Het was een verschijnsel van destructie en decompositie, geen reorganisatie. Door enkelen (Babeuf) is dat ingezien, maar te vergeefs.

De drie negentiende-eeuwse aartsvaders van het socialisme, Saint-Simon, Fourier en Owen, hebben alle drie de structuurfout der samenleving in hoofdzaak begrepen en onmiddellijke reconstructie gewild, op nieuwe, zuivere basis, met vermijding der fout, met betere rechtsverhouding. Tot voorbij het midden van de negentiende eeuw, is dit steeds de logische tactiek der socialisten geweest: vorming van een nieuw, zuiver organisme. Hetzij door revolutie, door de plotselinge, gewelddadige omzetting van een bestaande organisatie, zoals Blanqui en de communisten, hetzij door kolonisatie, zoals Fourier, Owen, Cabet en anderen wilden.

In zijn Memoirs van een revolutionair zegt Kropotkin:

“Toen de oorlog van 1870 was geëindigd met Frankrijks volkomen nederlaag, en de opstand van de Parijse commune was vernietigd, en draconische wetten tegen de Internationale Arbeiders Associatie de Franse werklieden uitsloten van deelname daaraan; en toen het parlementaire stelsel was gevestigd in het verenigd Duitsland – het doel der radicalen sinds 1848 – toen werd een poging gedaan door de Duitsers om het doel en de methode der gehele socialistische beweging te wijzigen. De ‘machtsverovering in de bestaande staten’ werd het wachtwoord van die afdeling, die de naam ‘sociaaldemocratie’ aannam...

... Het socialistisch ideaal van deze partij verloor gaandeweg het karakter van iets dat door de arbeidersorganisaties zelf moest worden uitgewerkt, en werd: staatsbeheer der industrie – in waarheid: ‘staatssocialisme, dat wil zeggen staatskapitalisme’.[6]

Het is deze partij, feitelijk reeds een reactiepartij, die thans met de meeste aanmatiging optreedt, alsof met haar eerst het ware wetenschappelijk socialisme is begonnen en alsof er voor haar stichters Lasalle, Marx en Engels, eigenlijk geen socialisten bestaan hebben.

Een Franse socialist zei mij eens omtrent deze: “Ze hadden maar één oorspronkelijke gedachte, namelijk de ijzeren loonwet, en die hadden zij van Turgot.”[7]

Dat hun betekenis in onze dagen overdreven wordt, dat er over 50 jaar minder van marxisten sprake zal zijn dan thans van saint-simonisten, en vooral dat zij in vele opzichten minder diep dachten dan hun voorgangers en hun programma van staatshervorming een verslapping en compromis betekende dat schijnt mij zeker.

Marx was oorspronkelijk een revolutionair, hij heeft aan een algemene revolutie geloofd vóór het einde der eeuw, zoals trouwens velen van zijn tijdgenoten, ook William Morris en zijn vrienden. Lasalle heeft in zijn “productieve associaties” voortgebouwd op het plan Buchez, een plan welks aanvang te traceren is in de achttiende-eeuwse schrijver Faiguet en de eeuwenheugende Franse landbouwcommunauteiten.[8] Toen echter Lasalle in navolging van Louis Blanc de verovering van de staatsmacht, als overgangsmaatregel, ging bepleiten, was de kapitalistische zwaai genomen.

Terecht zegt Oppenheimer dat de kogel, die aan Lasalles leven een einde maakte, de ganse Duitse socialistische beweging heeft geknakt. Want Lasalle was kort voor zijn dood onvoldaan over zijn eigen werk, en “geen andere kop was in staat de partij te redden uit de warwinkel van Marx’ sofismen.”[9]


Misschien lag het aan de meer gevorderde vrijmaking der geesten, maar het komt mij toch voor dat geen partij zoveel gedaan heeft als de Duitse sociaaldemocratie om het begrip algemeen te maken, dat particulier kapitaalbezit niet is een nuttige en gewichtige functie maar een misbruik en een berovingsrecht.

Maar het betekende achteruitgang, de aandacht weer te richten op de staatsmacht, en van daar verbetering te verwachten. Victor Considérant en Proudhon in Frankrijk, Godwin in Engeland hadden reeds lang te voren ingezien dat maatschappelijke reconstructie het staatswezen zou voorbijgaan en wellicht opheffen.

De dwaling komt mij weer voor te berusten op gebrek aan biologisch begrip. Vroeger was de Staat een organisme, zichzelf in stand houdend. Zowel elk klein Grieks republiekje als het reusachtig Romeinse rijk was zulk een eenheid. In de middeleeuwen had men verschillende eenheden dooreen gevlochten, zoals geestelijkheid, ridderschap, steden, vrije dorpelingen. Elk zichzelf in stand houdend, elk tuk op grondbezit. Politieke staten als de onze waren er niet. Door het ruilverkeer zijn die eenheden samengevloeid, en wat wij staten noemen zijn geen organismen meer. Het zijn groepen, afgegrensd door douane, door kadaster en administratie, door lijntjes op de kaart, maar geheel ondergeschikt aan de grote organische samenhang der mensheid, die geen politieke grenzen kent. Uit gewoonte denkt men nu nog alleen aan de Staat, als men van de “gemeenschap” spreekt. Maar de gemeenschap is gans iets anders. Noch de Staat, noch de gemeente is een georganiseerde gemeenschap, het zijn slechts administratieve groepen.

De mensheid is over de gehele wereld kapitalistisch georganiseerd, door middel van de geldhandel. Het bezit, ook het grondbezit, is internationaal en wordt door alle zogenaamd “beschaafde”, dat wil thans zeggen: “kapitalistische” staten beschermd. Het kapitalisme laat de regeringen naar zijn pijpen dansen, immers het is hun schuldeiser. Is een volk – zoals China – weerspannig, dan moeten zes of zeven staten in ’t geweer en met moord en brand baan breken voor de “beschaving” dat wil zeggen: voor het onverzadigbare kapitalisme.

Het antikapitalisme moet dus zijn tegenstanders niet zoeken in staten of regeringen, dat zijn poppen en werktuigen van het kapitalisme. Het moet een antikapitalistische organisatie vormen, een waarachtig zichzelf in wezen houdend organisme, met eigen bronnen van bestaan, eigen collectief bezit, zich uitstrekkend over de gehele wereld en zijn tegenstander overal vervolgend en in zich opnemend. Dat is zo begrepen door de grote socialisten van de vorige eeuwen, door de Internationale van vóór 1870, en thans nog door de anarchistische groep.

Belangrijker stoot aan de openbare mening werd gegeven in Amerika en Engeland door Henry George. Ook hij bracht niets nieuws, maar voor het eerst de oude waarheid weer onder het oog van honderdduizenden, dat alle berovingsrecht ontstaat door privaatgrondbezit. Doch ook hij bleef alles verwachten van de Staat, en door zijn invloed ontstond de vrij zelfstandige, maar nu reeds langzaam stervende stroming van landnationalisatie.

De energie van een ideologie sterft uit als er niets zichtbaars gebeurt. Zolang een heipaal zakt blijven de mannen trekken, zodra er geen beweging meer in zit houden ze op. Zo gaat het met de energie van revolutionairen en met die van landnationalisators. Revolutie is goed, maar hoe moeten we beginnen? De grond staatseigendom, best! Maar hoe?

Zodra er geen gang in gehouden wordt, verloopt een beweging. Er moet een duidelijk aangrijpingspunt en vooruitgang zichtbaar zijn. Die zijn er niet, noch bij de revolutiepartij, noch bij de landnationalisators. Doch de sociaaldemocratie, met haar parlementaire actie, heeft nog voor lange tijd werk en schijnbare vooruitgang. Haar slechte dagen beginnen eerst als ze de meerderheid in het parlement verkregen heeft. Dan zal blijken dat ze een partij is als een andere, een fase van het decompositieproces der oude maatschappij, onmachtig om iets principieels te veranderen, omdat ze geheel en al in de oude organisatie is gebleven. De volgende morgen na haar triomf zal ze staan voor de geweldige vraag: “Hoe krijgen we nu onze burgers tot antikapitalisten en onze grond tot collectief eigendom?”

Uit dit dilemma is geen andere uitweg dan kolonisatie of revolutie. Men zal dan moeten beginnen daar waar men heden aan de dag ook reeds beginnen kan.

Revolutie is terecht een onlogisch expediënt bevonden. Een organisme vermolmt en stort ineen met schokken, maar groeit niet met schokken. Alle revoluties waren dan ook destructieve verschijnselen. Ze kunnen de nieuwe groei voorbereiden, maar de groei zelf moet langzaam gaan.

Herzka heeft na de sociaaldemocratische afwijking de ideeën weer enigszins in het rechte spoor gebracht. Zijn werk sluit zich aan bij dat van Fourier, Owen en Cabet, gesteund door de inzichten van George en Flürschheim. In zijn Freiland geeft hij aan wat de enig mogelijke oplossing schijnt uit het dilemma, nl.: kolonisatie op gemeenschappelijke grond.

Maar Herzka wilde tropische kolonisatie in een nog onbeheerd land. Schijnbaar was dit het best en het makkelijkst. Daar is ruimte, rijkdom en vrijheid. Zo was Amerika, met name Texas en Californië, altijd het beloofde land voor de oudere kolonisators.

Uit is alweer een psycho-biologische dwaling. Een makkelijk, weelderig land is daarom nog geen gunstig land voor de levensgroei. Het rauwe noordelijk klimaat bracht de krachtigste mensen voort. Het is de weerstand die leven geeft, de overwonnen moeite die kracht ontwikkelen doet. En de ondervinding leert genoeg dat mensenrassen zich niet ongestraft van de gematigde naar hetere zones laten overplanten De praktische uitvoering van Herzkas plan is dan ook met volkomen mislukking geëindigd.

Toen heeft Oppenheimer in zijn Siedlungsgenossenschaft getoond dat tropenkolonisatie niet nodig was, maar dat binnenlandse kolonisatie, goed geleid, noodwendig moet slagen.

Dat zij hiermee een bestrijding van het communisme beoogt, dat zijn wijsgerig inzicht noch de diepte noch de verhevenheid toont van de grote religieuze socialisten zoals Ruskin, Lamennais, Saint-Simon, Buchez en Leroux, dat hij niet stoutweg met het gehele rentesysteem durft breken, dat neemt niet weg het bewonderenswaardige van zijn werk, waarin voor het eerst degelijk en wel gegrond het plan van sociale reorganisatie, dat de gehele maatschappij kan omzetten, een federatie van zelfstandige agrarisch-industriële productie-eenheden, zoals het Owen het duidelijkst voor de geest stond, is uiteengezet.


De voortgang der ideeën, zoals ik die zie, is dus als volgt te beschrijven:
1. Oorspronkelijk denkende socialisten begonnen met een plan van geleidelijke reconstructie der maatschappij op nieuwe, zuivere basis. De productiekernen eerst elk zelfstandig, samenvloeiend tot een groot, de hele mensheid in zich opnemend organisme, bestaande uit gefedereerde communes, zonder iets wat gelijkt op onze Staat. Dit was ongeveer het idee van Fourier, Owen, Cabet, Ruskin en anderen. Dit is het oorspronkelijkst communisme.
2. De Franse revoluties van de 18e en 19e eeuw, die niet anders waren dan decompositieverschijnselen, schokken van instorting, gaven sommigen de mening dat de omkeer door revolutie vrij plotseling tot stand zou te brengen zijn. Dit is voor de menigte aantrekkelijker en bevattelijker, maar daling en verzwakking van de oorspronkelijke idee. Zo ontstond het revolutionair communisme en anarchisme. Tot de voorstanders hiervan horen Babeuf, Considérant, Blanqui, Marx, Kropotkin, Reclus, Domela Nieuwenhuis en anderen.
3. De Duitse sociaaldemocratie na Lasalle ging nog meer op de weg der reactie, door de bestaande staten het reconstructiewerk te willen opdragen, in plaats van aan de internationale arbeidersfederatie buiten de Staat om. Hierbij sloten zich aan Marx, Engels, Kautsky en anderen.
4. Henry George legde de nadruk op het collectief grondbezit, als de zuivere basis voor reconstructie, doch verwacht, evenals Flürschheim, alle hulp van de Staat.
5. Herzka verwerpt de staatshulp, wil de reconstructie, op de door George voorgestelde basis, in de tropen doen beginnen.
6. Oppenheimer wil de reconstructie op dezelfde basis zonder staatshulp, door de arbeiders, uit eigen kracht, midden in de kapitalistische maatschappij doen beginnen.


Ik heb, ongeveer gelijktijdig met Oppenheimer, een reconstructieplan met zelfstandige, langzamerhand samenvloeiende productiekernen ontworpen, doch evenals zovelen door de staatsidee verblind, noemde ik ze Rijkshoeven en verwachtte alle hulp alleen van de Staat. Nog voor ik het wezen van de Staat klaarder had gezien, begreep ik dat de arbeiders zelf, buiten staatshulp om, de hervorming konden tot stand brengen en dat ieder kon en moest meewerken naar kracht.

Wat zijn nu de fouten geweest die de meeste nieuwe organisaties deden mislukken?

De openbare mening zegt: twist en krakeel, omdat de mensen te zelfzuchtig zijn voor een broederlijk samenleven, dan: “gebrek”, omdat de kapitalistische concurrentie overmachtig is.

Wie de historie van de bijna tweehonderd proeven kent, zal weten dat deze mening onjuist is.

De eerste grond van alle mislukking wordt gezegd door het woord: voorbarigheid. De tweede reden was niet gebrek, maar integendeel “overvloed”.

Onder “voorbarigheid” moet ook verstaan worden het te vroeg beginnen met het experiment. Thomas More kon Utopia schrijven, maar een proefneming zou in zijn eeuw geen kans hebben gehad op enig succes, hoe volmaakt ook geleid. Om dezelfde reden als het stoomwerktuig van Heron door de toch zo knappe Romeinen niet is geperfectioneerd. De tijd was er niet rijp voor, het historisch moment was niet gekomen.

De kolonie van Plockhoy (1659) was merkwaardig knap bedacht, ze zou nu nog tot model kunnen strekken. Ze is onmiddellijk vernietigd, evenals de stoomboot van Papin. Ze kwam te vroeg. Thans zou Plockhoy beter slagen met dezelfde beginselen.

Ik meen dat nu de tijden rijp zijn, dat het historisch moment is gekomen, waarop een welgeleide proeve van antikapitalistische kolonisatie, onder niet al te ongunstige omstandigheden slagen kan en zich uitbreiden over de ganse wereld. Vergis ik mij in die mening, dan zal het grootste genie er niet toe in staat zijn de beweging in gang te krijgen, is ze juist, dan zal een eenvoudig man het kunnen doen zonder het te weten of te willen. Maar al is het moment er nu nog niet, dan komt het toch al nader en nader.

Owens proeven geven het duidelijkste voorbeeld van mislukking door voorbarigheid. Op het moment dat alles goed ging, bedwong hij zijn overhaasting niet en nam maatregelen die ineens moesten verwerkelijken wat alleen door langzame groei en gewoonte tot stand kan komen. Dan spatte alles uiteen en het veelbelovend begin werd bedorven en onkenbaar gemaakt.

Fourier is voorbarig omdat hij, in zijn studeerkamer, alle bijzonderheden bedacht en uitwerkte die alleen de praktijk kan keren. Bij de verwerkelijking van zijn plannen werden aan de natuur allerlei bedachte vormen opgedrongen. Doch de natuur laat zich wel leiden maar niet dwingen.


Oppenheimer, een der weinigen die een degelijke studie van kolonisatie heeft gemaakt, komt tot de slotsom dat communistisch-anarchistische instellingen altijd de kolonies deden uiteenspringen, tenzij ze werden bijeengehouden door een religieuze band. Dat het goed ging in armoede en moeilijkheid, maar dat overvloed bijna dadelijk ondergang ten gevolge had.

De collectief-coöperatieve instellingen daarentegen, waarbij niet werd gewerkt naar lust en genomen naar behoefte, maar waar de arbeidslevering werd betaald en de voorraad aan de arbeiders werd verkocht, deze bleken altijd heilzaam, en daarop wil dan ook Oppenheimer zijn Siedlungsgenossenschaft grondvesten.

Geen opheffing dus van alle eigendom, maar persoonlijk bezit in de vorm van gebruiksrecht onder controle der gemeenschap en daarbij collectief bezit van onroerend goed en gemeenschappelijke kapitaalvorming. Dit is volgens Oppenheimer de praktisch mogelijke vorm van kolonisatie.

Ik ding niets af op Oppenheimers theoretische kennis, maar ik heb iets wat hem ontbreekt, namelijk twee jaren praktijk. En ik reken, op grond daarvan, communistische en anarchistische instellingen evenzeer schadelijk, doch niet uiteraard, maar alleen om hun voorbarigheid.


De sociale kwestie is een zielkundige kwestie. Men moet uiterst voorzichtig zijn met theoretische conclusies, met a-prioristische oordelen, omdat de natuur der mensen, wier geheimen wij niet kennen, in het spel is.

Op grond van de studie der verschillende proefnemingen, op grond van het oordeel der bevoegde theoretici en op grond van eigen praktische ervaring komt het mij voor dat de meeste kolonisatieproeven zijn mislukt:
1. Omdat men communistische beginselen wilde invoeren voor de mensen daartoe door een voldoend langdurige opvoeding geschikt waren;
2. Omdat men niet, ter wille van het bestaan, wilde plooien, maar dweperig en idealistisch, bleef vasthouden aan het voorlopig onmogelijke;
3. Omdat men niet uitsluitend streefde naar een antikapitalistische bestaanswijze, maar te vroeg dacht aan allerlei schone gevolgen, die eerst mettertijd uit de betere bestaanswijze zullen groeien. (Zoals: zachtere zeden, vegetariaat, zuivere kunst, broederlijke verdraagzaamheid, enz.);
4. Omdat men niet zorg droeg de door een betere voortbrengingswijze ontstane overvloed behoorlijk te doen wegvloeien, tot uitbreiding der zaak onder de overige wereld, maar dat men de winst onderling ging delen of opmaken, waardoor gemakzucht ontstond zonder dat de zaak toenam.
5. Omdat men niet zich onmiddellijk trachtte te verbinden met andere kolonies, om aldus een groot, materieel-machtig organisme te vormen, dat in eigen behoefte voorziet en meer voortbrengt dan het verbruikt.


En op dezelfde gronden meen ik te mogen zeggen, dat:
1. De tijden rijp zijn voor het welslagen van een antikapitalistische kolonisatie, met collectief-coöperatieve instellingen, die zich zal uitbreiden als een lopend vuur en de gehele samenleving zal omzetten, zoals één kristalletje geworpen in een oververzadigde vloeistof de gehele massa doet kristalliseren.
2. Dat evenwel de natuur van alle mensen, na genoegzame voorbereiding, zeer wel geschikt is voor communistisch-anarchistische instellingen, dat dus de eindvorm der antikapitalistische organisatie tot die instellingen zal naderen in een thans ondenkbare mate.

De rampspoed begon steeds omdat men reconstrueerde volgens bedachte mogelijkheden in een verre toekomst, niet achtend hetgeen voorhanden en gegeven was. Men ontnam de mensen waaraan ze door gewoonte van eeuwen het zeerst gehecht zijn, eigen huis, eigen levensinrichting, eigen gezag over hun kinderen, eigen roerend goed.

Misschien ontgaat door jarenlange gewoonte de mensen de gehechtheid aan die dingen, om plaats te maken voor iets schoners en hogers. Maar wie dat ogenblikkelijk dwingen wil, zal voor een wijle enkele fanatici bijeen houden, maar nooit diepe invloed op zijn vele medemensen hebben. Wie te steil stijgt krijgt niemand achter zich. En om eigen volmaking alleen is het toch niet te doen. Dan liever de effen glooiing die allen volgen kunnen.

En alle mensen van onze tijd zijn in staat te leven in collectief-coöperatieve vestigingen, waarin de grond, de meeste gebouwen en werktuigen aan de gemeenschap behoren, waar de gemeenschap spaart en verzekert voor allen, en het gevormde kapitaal aan zich trekt, ten bate van het algemeen, en ter uitbreiding van de goede zaak – daarbij elk vrijlatend te hebben eigen huis en hof, eigen gezin en eigen geld en roerend goed.

Dit leven is zo zeer in alle opzichten te verkiezen boven het kapitalistische, zowel voor de tegenwoordige bezitter als voor de niet-bezitter, dat het noodwendig, als door de economische zwaartekracht, de mensen tot zich trekken zal. Maar niet voor dat het een zekere bloei en een zekere uitbreiding verkregen heeft, voor dat zich meerdere vestigingen verenigd hebben die rijkelijk voortbrengen en alle aantrekkelijkheden van de stad door andere kunnen vervangen, die dus in hun gemeenschap overvloed, behagen en geestelijk leven vertonen.

De coöperatie is reeds overal doorgedrongen en een bekend begrip. Het komt er maar op aan een coöperatie te vestigen op niet-kapitalistische grondslag. Daartoe is nodig een eigen land, een eigen voortbrengingsbron in gemeenschappelijk bezit. Dan een zelfstandige productie en verbruik, zodat de producenten ook tevens verbruikers zijn, waardoor men onafhankelijk wordt van de schommelingen der wereldmarkt. Niet dadelijk geheel-en-al, maar bij elke uitbreiding meer.

Daar nu gemiddeld elk mens meer produceren kan dan hij verbruikt, en een aantal mensen gezamenlijk in veel sneller rede overproduceren dan hun aantal toeneemt, zal de overproductie in een federatie van zulke vestigingen verbazend stijgen. Aanvankelijk zal men opzettelijk voor de markt moeten werken om aan geld te komen, later werpt men eenvoudig de overproductie op de markt tegen alle concurrentie onmogelijk makende prijzen, want als men zichzelf bedruipt heeft men geen hoge prijzen te vragen en de overvloed blijft niettemin toenemen. Dit zal het gevolg zijn van een structuur waarin geen lek is. Er is niemand in de vestiging die de overvloed - in de vorm van rente – tot zich trekt en willekeurig vermorst. Men moet trachten ook het nodige oprichtingskapitaal renteloos te krijgen, klein beginnen en zeer voorzichtig uitbreiden.

Men moet geen rentegevende aandelen plaatsen of winstuitkeringen houden, dat zijn kapitalistische manieren die onfeilbaar verzwakken en demoraliseren.

Ook zal er niemand in zulke vestigingen zijn die niet naar krachten werkzaam is, middellijk of onmiddellijk, ten goede van allen. Geen gering voordeel boven het kapitalisme, waar van de eters doodeters zijn.

In loonstelsel en distributie moet men evenmin met vooropgestelde theorieën beginnen. Men doet wat allen billijk schijnt en nodig blijkt om de gemeenschap in stand te houden. En dan komt men, ik kan het getuigen, tot merkwaardige resultaten.

Ik zou niemand tot professor in de economie benoemen die niet minstens een of twee kolonies had helpen oprichten.

Zodra men op de basis staat van gelijke rechtsverhoudingen wijzigt zich het loon onmiddellijk en de tendens is tot nivellering. En eigenaardig genoeg, het grofste werk wordt soms het duurst betaald. Want, om in stand te blijven, moet men minstens gelijk op gaan met de loonstandaard in de omgeving. De grove arbeider wil een hoog loon, anders komt of blijft hij niet, terwijl de meer ontwikkelde werker veel kostbaarder arbeid voor minder prijs geeft omdat het veiliger en mooier leven als gelijke tussen gelijke hem meer waard is. Ziehier een onvoorzien licht op de loontheorie.

De gemeenschappelijk voortgebrachte voorraad moet aan de leden worden verkocht. Dit is een maatregel van vrijheid en billijkheid waarmee elk genoegen neemt. Maar de ervaring leert nog niets omtrent een toestand van gemeenschappelijke overvloed. Dat dan wellicht, ter vereenvoudiging der administratie, ieder zal mogen nemen naar behoefte, acht ik niet onwaarschijnlijk, ondanks Oppenheimers theoretische bezwaren. In het begin is de uiterste zuinigheid onmisbaar. Ook de lonen moeten zo laag mogelijk worden gehouden, want verkwistende gewoonten worden makkelijker verkregen dan afgeleerd.

Wanneer men onder anarchie verstaat wanorde en regelloosheid, dan is anarchie onmiddellijk verderfelijk. Maar anarchie, wel begrepen, betekent vrijwillige onderschikking in vaste orde, niet door dwang maar door gemeenschappelijk inzicht. Het zuiverste beeld van wat de anarchisten onder anarchie verstaan is het muzikaal concert, waar ieder zich voegt met gelijk inzicht in een groot harmonisch geheel, of de natuurwetenschap, waar allen samen werken voor een groot doel.

Zulk een soort anarchie is niet alleen zeer wel mogelijk, maar de schoonste en noodwendigste vorm van maatschappelijke orde, die zonder twijfel bereikt zal worden na genoegzame voorbereiding in een antikapitalistische bestaanswijze.

Maar dit heeft de ervaring mij reeds geleerd, in overeenstemming met de bewering van Owen omtrent de karaktervormende kracht der maatschappij, dat niemand socialist of anarchist kan worden zonder een vrij langdurige opvoeding onder antikapitalistische instellingen.

Hopeloos schijnt het mij echte socialisten te willen kweken in een stad, onder kapitalistische bestaansvoorwaarden. Men mag de theorie beamen, de leiders napraten, maar het socialistisch gevoel wordt alleen diep en echt door een socialistisch leven. In de stad, het kapitalistisch gewrocht bij uitnemendheid, wordt het ergst van al bedorven.

Bij ieder onbedorven mens wordt het vanzelf wakker in goede omgeving. Het is volkomen onnodig bij het stichten van een vestiging te zoeken naar personen met bepaalde politieke of sociale overtuigingen. Integendeel, die brengen door hun vooropgezette ideeën, hun in de stad gekweekte halve kennis of demoralisatie, dikwijls de meeste onrust.

Wat men behoeft zijn bekwame arbeiders, onbedorven mensen die hun vak verstaan en liefhebben en begrip hebben van stiptheid en orde. Die worden vanzelf socialisten, voor ze het weten.

Dwangmiddelen en straffen zijn dan overbodig. De gezonde mens, in een gezonde omgeving, werkt uit behoefte en lust, en de goede zeden, de openbare mening is voldoende om misdrijven tegen te gaan.

Dat evenwel, vooral in de eerste kolonies, die baan moeten breken, veel afhangt van de personen die meewerken en dat men niet met zwakken en invaliden beginnen moet, dat bekwaamheid, kennis der beste methode, goede leiding en administratie evenzeer nodig zijn als bij elke andere zaak, wie zal zich daarover verwonderen.

Er is een zeer verbreid misverstand – vooral gevoed door de onmogelijke voorstelling van een staatssocialisme – dat antikapitalistische productiewijze zou uitsluiten de prikkel tot de arbeid, door gemis aan concurrentie. Dit is onjuist. De concurrentie blijft altijd bestaan, alleen niet in de genadeloze, domme vorm van thans. Elke kolonie zal zijn beste krachten moeten inspannen om stand te houden en dat blijft zo, al bestaat de gehele maatschappij uit kolonies. Alleen zal dan nooit het individu het slachtoffer kunnen worden, door werkloosheid of gebrek ondanks ijver en goede wil. Omdat er gemeenschappelijk overleg en samenwerking is, geen tegenwerking, zodat de slecht georganiseerde door de goed georganiseerde zal worden genoopt in de goede weg, op straffe van een laag peil van welvaart bij gebrek aan ijver en beleid.


De bedrijven der eerste kolonies moeten zijn landbouwbedrijven en daaraan verbonden industrie. De teelt van vruchten, groenten, vee, hoenders en bijen. Daarbij smeden, timmeren, schilderen, enz. Later, als meerdere kolonies zich verenigen; textielindustrie volgens de beste methoden. Nog later alle overige industrieën. Dat men niet tot primitieve methoden mag terugvallen is duidelijk, want men moet het productievermogen, vooral in het begin, krachtig inspannen en geen arbeid verkwisten, daarom mag geen industrie worden begonnen voor het aanwezige kapitaal toelaat de beste methoden toe te passen.

Doch men kan reeds in de eerste vestigingen de heilzame werking der antikapitalistische coöperatie zien, en een zekere mate van welvaart bereiken. Natuurlijk is men gedwongen geld te maken, door dure producten te kweken voor de markt. Doch daar men zoveel mogelijk in eigen behoefte door arbeid en voortbrenging voorziet, en geen rente hoeft te betalen, is een klein geldelijk inkomen reeds voldoende om te bestaan en het gevaar voor ondergang gering. Snelle industriële uitbreiding kan men niet verwachten en mag men zelfs volstrekt niet zoeken, voor men door federatie van meerdere kolonies een deugdelijke brede grondslag heeft. De grondstof voor de industrie moet voornamelijk uit eigen bodem komen, om onafhankelijk te blijven.

Men vroeg mij hoe ik dacht dat de arbeiders aan renteloos geld moesten komen.

Wel, gemakkelijk kunnen zij genoeg verdienen om een begin te maken. En bij welslagen vinden zij overvloed van geld beschikbaar. Als men maar iets ziet geschieden en in het welslagen gaat geloven. Ik meen gelezen te hebben dat een Haagse arbeidersvereniging een jaarwinst had gemaakt van f 87.000. Men kan met de helft van dat geld een kolonie vestigen. Ik weet dat men kan beginnen met een kapitaal van duizend gulden per hoofd of tweeduizend per bunder, en dat men moet rekenen de eerste jaren jaarlijks honderd gulden per hoofd aan geld nodig te hebben. Zoveel moet er dus dadelijk verdiend worden of in reserve zijn, tot de verdienste begint.

Het schijnt mij gevaarlijk groot te beginnen, met meer dan 50 ha en meer dan 100 mensen. Want leergeld betaalt men altijd en hoe groter men begint des te meer.

Kunnen de verbonden kolonies eenmaal elkaar uit hun overwinst steunen, door renteloze hypotheek, dan is het zwaarste voorbij en dan gaat de uitbreiding sneller. Maar elke kolonie zal zich in uitbreiding beperken, ter wille van goede administratie en intensieve productie. Ik verwacht wel zeer uitgebreide federaties, maar geen zeer grootte vestigingen. Laat staan iets wat lijkt op staatsadministratie, de logste productiemachine die denkbaar is.


De voordelen zijn reeds duidelijk in de aanvang, zelfs in de moeilijkste tijd. Er kan immers geen sprake zijn van werkloosheid onder de leden, van brodeloosheid in overvloed, van overmatige of schadelijke arbeid, van gebrek door ziekte of ouderdom

Waar alles door onderling overleg van gelijkberechtigden wordt geregeld, waar ieder volwassene, man of vrouw, gelijke rechten heeft, daar zijn zulke jammerlijke toestanden ondenkbaar. Niemand kan te kort komen waar de anderen genoeg hebben, niemand behoeft te vrezen voor de oude dag, niemand kan verwijderd worden, tenzij hij het zo bont maakt dat het met algemene stemmen geschiedt.

De gemeenschap spaart voor de leden en individueel sparen, al is het zeer goed mogelijk, wordt overbodig.

De geldelijke toelage, uit gewoonte nog loon geheten, mag nooit verminderen door ziekte of ouderdom, elk kan eisen meer te ontvangen, en de gemeenschap beoordeelt de billijkheid van die eis.

Zulke dingen – utopieën zouden de conservatieven zeggen – zijn in een kolonie niet alleen mogelijk, maar vanzelfsprekend. En de grote besparing waarmee de productiemachine werkt, zelfs in kleine, alleenstaande, primitieve vorm, maakt die utopieën uitvoerbaar.

Alle sociale kwesties waarover men zich in parlement en gemeentebestuur het hoofd breekt en warm praat – zijn in een kolonie van zelf als natuurlijke zaken opgelost. Achturige werkdag, armenzorg, feminisme, nachtarbeid, pensioenwetten, verzekering tegen ongevallen – al die vreselijke vraagstukken zijn in een welgeordende vestiging belachelijk overbodig. En hun oplossing door middel van een wetten uitschrijvend parlement lijkt ons als de uitvoering van een symfonie met hoofdelijke stemming over iedere noot, door een afwezig bestuur.

En als één vestiging bestaan kan, is er geen reden om te twijfelen dat er honderdduizend, die elkaar steunen, bestaan kunnen. En aangezien niets de arbeiders beletten kan zich in zulke vestigingen te verenigen schijnt het een onnatuurlijk en omslachtig tobben om verbetering van hun toestand te krijgen door staatswetten. Hetgeen niet zeggen wil dat hun politieke actie, hun invloed en controle op de Staat moet verminderen. Want de Staat kan deze beweging zowel belemmeren als bevorderen.


Natuurlijk praat men van droombeelden en utopieën. Dat is meer gebeurd, gelukkig zonder dat het de werkelijkheid kon tegenhouden. Wij bewegen ons letterlijk de ganse dag in verwezenlijkte utopieën en reëel geworden droombeelden.

De Britse Coöperatieve Wholesale Societies hadden in 1897 1 1/2 miljoen leden, een budget van 65 miljoen en een netto winst van 6 miljoen pond sterling. En dit zijn nog kapitalistische verenigingen die zich eerst onlangs op eigen grondbezit en productie zijn gaan toeleggen.[10] Hadden zij uitgestrekt grondbezit en produceerden zij antikapitalistisch dan beschikten zij minstens over een honderdvoudige geldmacht, met hetzelfde ledental.

En bedenkt wat dat zeggen wil, een federatie die jaarlijks miljoenen renteloos beschikbaar stellen kan ten behoeve der arbeiders en nochtans zijn overvloed aanhoudend ziet toenemen. Het zal de heren van de haute finance groter schrik om het hart jagen dan alle rode vaandels, barricades, bommen en oproerige liederen. Dat zulk een federatie zonder invloed zou blijven op Beurs en Bank, op rentevoet, op geheel het kapitalistische toestel, zal niemand kunnen beweren.

En om zulk een federatie te doen ontstaan, is het niet nodig dat de menselijke natuur verandert, of de aarde, of het klimaat. Niets is nodig dan wat geduld en volhardende werkzaamheid in de aangewezen richting. Iedere stap verder sterkt en bevestigt mijn overtuiging dat dit de richting is die wij te gaan hebben om de wereld van zijn grootste jammer te bevrijden. Als wij niet slagen, dan zal het liggen aan onze persoonlijke ongeschiktheid, aan ongunstig toeval, aan tegenwerking – maar niet aan de idee. En de rechte man zal dan spoedig na ons komen.

Ik voel dat ik hier als in één handgreep een bundel meningen heb getoond, die elk lang uitgesponnen konden worden en die om hun beknoptheid zelf, weerspraak noch misverstand kunnen ontgaan. Ik heb dit dus gezegd voor de goede verstaander, opdat hij het gezegde aandachtig aan eigen onderzoek toetsen.

Het strekke tot voorlopige samenvatting van dingen, die ik spoedig uitvoeriger zal bespreken.

Walden, 1900

_______________
[1] Michaël Flürschheim, Der Einzige Rettungsweg. Piersons Verlag, Dresden 1897. Men vindt de idee reeds woordelijk bij Pecqueur (1832).
[2] H. George, Progress & Poverty.
[3] Dr. Franz Oppenheimer. Gross-grundbesitz und soziale Frage. Versuch einer neuen Grundlegung der Gesellschafts-wissenschaft. Berlin. Vita.
[4] J. Ruskin, Fors Clavigera. Vol. IV. Letter LXXIII. pg. 11. Binnenkort zal een Hollandse vertaling verschijnen.
[5] The coöperative Wholesale Societies limited. England a. Scotland. Annual for 1900. Manchester. Glasgow.
[6] Kropotkin, Memoirs of a revolutionist. London 1899. Vol. II, pg. 190.
[7] Pierre Leroux heeft in de Franse Kamerzitting van 30 aug. 1848, zowel de ijzeren loonwet uiteengezet als de normale arbeidsdag bepleit. De “klassenstrijd” werd, met al de verwarring en onjuistheden, kant en klaar overgenomen van Jean Reynaud (1832).
[8] Ouack, Socialisten. Vol. 1, pg. 362, Vol. V. pg. 354.
[9] Oppenheimer, Siedlungsgenossenschaft, pg. 159, “...das Gewirr von Trugschlüssen...”
[10] Op Roden Estate. Shropshire. Een landgoed van 714 acres. De C. W. S. Ld. bestaat nu 36 jaar.



een rode leeszetel Lezen
Marxistisch Internet Archief
Algemeen Archief
Selectie marxisten
Documenten
Filosofie
Thema’s
Arbeidersbeweging
Woordenboek
Wat ?
Wat is marxisme
Over ons
Andere talen
Auteurswet
Citeren
Disclaimer
Doen
Zoeken
Nieuwe teksten
Werk mee
Contact
Reclame


In of uitschrijven Nieuwsbrief

RSS