MIA: Geschiedenis: Sovjetgeschiedenis: Honderdjarig jubileum van de Russische Revolutie: Vanaf het Finland Station


Vanaf het Finland Station

Honderd jaar geleden, in de nacht van 3 april 1917, kwam Lenin aan op het Finland treinstation in Petrograd. Daarmee zou hij de strategie van de Bolsjewiki omgooien en het verloop van de Russische revolutie veranderen.

Door Yurii Colombo

Lenin in het Finland station

Lenin komt op het Finland station. Kwel: Jacobin

Toen Vladimir Lenin honderd jaar geleden in Petrograd aankwam in de ‘verzegelde’ trein, die vanuit Zwitserland door Duitsland reed, leek de situatie zich zowel binnenlands als aan het front te hebben gestabiliseerd.

Maar de tijdelijke wapenstilstand tussen de nieuwe Voorlopige Regering en de opstandige massa’s ontweek vooral de belangrijkste kwestie die de Februari-revolutie had ingeluid: de oorlog. Toen de agressieve militaire bedoelingen van de Voorlopige Regering openbaar werden, lieten de demonstraties van de ‘Aprildagen’ zien dat de revolutie nog springlevend was.

Na Februari was tsaar Nicolaas II onder arrest geplaatst en was er een Voorlopige Regering gevormd. Aan het hoofd van de regering stond prins Georgy Lvov, een ceremonieel figuur die de laatste band vormde met het oude regime. Maar de regering werd gedomineerd door de Liberalen (de rechtse Constitutioneel Democratische partij, bekend onder de naam Kadetten) die bang waren voor de revolutie die hun zelf aan de macht had gebracht.

De minister van Buitenlandse Zaken was Pavel Miljoekov, de historische leider van de Kadettenpartij en minister van Oorlog was Aleksander Guchkov, Oktobrist en voorzitter van de Doema. De minister van justitie was Alexander Kerenski van de Sociaal-Revolutionairen, de enige socialist in de regering.

De belangrijkste taak van de nieuwe regering was het om de Entente en de Russische kapitalisten te garanderen dat de oorlog zou doorgaan. Zoals Miljoekov zei tegen een Franse journalist: ‘De Russische revolutie is er gekomen om de obstakels voor een Russische overwinning in de oorlog op te ruimen.’

De revolutionaire strijd in februari riep democratisch gekozen arbeidersraden in het leven, die sovjets werden genoemd, naar het voorbeeld van de revolutie van 1905. Alleen waren er deze keer ook sovjets van soldaten, eerst in Petrograd en daarna in alle provincies van het rijk.

Op 1 maart publiceerde de Sovjet van Petrograd Order nummer 1, die verklaarde: ‘De orders van de militaire commissie van de Staatsdoema moeten alleen uitgevoerd worden in die gevallen dat ze niet in strijd zijn met de orders en besluiten van de Raad van Afgevaardigden van Arbeiders en Soldaten.’

Daar kwam bij dat de revolutie nieuwe ongekende vrijheden bracht en een eind maakte aan het voortdurende gewelddadige optreden van de politie. Toen de Britse journalist Morgan Philips Price op 6 april per trein in Moskou aankwam, schreef hij:

‘Ik wandelde door de straten en ik bemerkte al snel de verandering die er was opgetreden sinds ik hier de laatste keer was. Er was geen enkele politieagent of gendarme te zien. Die waren allemaal gearresteerd en naar het front gestuurd in kleine eenheden. Moskou zat zonder politie en leek zeer gelukkig zonder hen verder te leven.’

In de Sovjet van Petrograd hadden socialisten de overhand, vooral de Mensjewiki. Zij stelden dat de regering stevig in handen van de bourgeoisie zou moeten blijven en dat de rol van de arbeidende klassen alleen zou moeten zijn om een tegenwicht te bieden en om druk uit te oefenen op de Voorlopige Regering.

In hun opvatting was Rusland nog niet klaar voor een socialistische revolutie. Er ontstond al snel een situatie van ‘dubbele macht’: een Voorlopige Regering die de belangen vertegenwoordigde van de kapitalisten en de landheren aan de ene kant, terwijl de werkelijke macht lag in handen van de sovjets en de werkende klassen.

Op 23 maart gingen de VS meedoen aan de oorlog. Op dezelfde dag werden in Petrograd de slachtoffers van de Februarirevolutie begraven. Achthonderdduizend mensen trokken op naar het Marsveld, de grootste mobilisatie van het jaar.

De begrafenis werd een ode aan de internationale solidariteit en een schreeuw om vrede. In zijn klassieke Geschiedenis van de Russische revolutie schreef Trotski dat de ‘gewone demonstratie van Russische soldaten samen met Oostenrijkse en Duitse krijgsgevangenen een levendig en hoopgevend feit vormde, wat het mogelijk maakte te geloven dat de revolutie, ondanks alles, het in zich had om de basis te leggen voor een betere wereld.’

Tsereteli en de Mensjewistische leiders van de sovjets garandeerden steun van buitenaf aan de Voorlopige Regering en zij geloofden dat de oorlog moest doorgaan, zij het ‘defensief en zonder annexaties.’ Met deze tussenpositie probeerden zij de kat uit de boom te kijken wat betreft het mandaat van de regering om de oorlog voort te zetten, alsof er niks gebeurd was en alsof de soldaten en arbeiders geen verwachtingen hadden over een aparte vrede.

Op 14 maart gaf de Sovjet van Petrograd een manifest uit met een oproep aan ‘de volkeren van Europa om zich gezamenlijk en resoluut uit te spreken en in actie te komen om vrede te bereiken.’ Maar de oproep aan de Duitse en Oostenrijkse arbeiders, die verklaarde dat ‘Democratisch Rusland geen bedreiging kan zijn voor vrijheid en beschaving” en dat ‘wij standvastig onze eigen vrijheid [zullen] verdedigen tegen ieder soort reactionair optreden’, werd door velen gelezen als een standpunt voor de oorlog.

Zoals Trotski stelde: ‘De krant van Miljoekov had volkomen gelijk toen die beweerde dat “het manifest, hoewel dat begon met een typische verklaring van pacifisme, een ideologie ontwikkelde die wezenlijk gelijk was aan de onze en die van onze bondgenoten”.’

Voor de Februarirevolutie was de oorlog tot stilstand gekomen, toen soldaten weigerden om te vechten, bij honderdduizenden deserteerden en zich verbroederden met Duitse soldaten.

Dat ging al terug tot kerstmis 1914 en deze verbroedering betekende ook dat er samen gedanst werd en dat Duitse en Russische soldaten cognac en sigaretten uitwisselden. En dit ging jaren zo door, zonder dat het leidde tot een open rebellie tegen de officieren. De historicus Marc Ferro citeert een brief van een Russische soldaat aan zijn vrouw, waarin hij schrijft over de officieren:

‘De oorlog? Zij zitten daar, terwijl wij in de drek rondlopen, zij krijgen 500 of 600 roebel en wij maar 75. Zij zijn geobsedeerd door oneerlijkheid. En de soldaat heeft het meest te lijden onder de oorlog. Voor hun is het heel anders, zij dragen medailles, kruisen en beloningen, maar zij zitten een heel eind van het slagveld vandaan.’

In het begin probeerden de generaals het nieuws over de rebellie in Petrograd weg te houden van het front. Maar toen werden de Russische soldaten hierover geïnformeerd door de Duitse troepen, wat hun vertrouwen in hun eigen officieren nog verder ondermijnde. Paradoxaal genoeg maakte de revolutie een einde aan de deserties. De soldaten verwachtten dat er onmiddellijk een eind aan de oorlog zou komen en zij wilden de nieuwe regering niet ondermijnen bij haar vredesonderhandelingen.

Rapporten van het front lieten zien dat daar een sfeer heerste van ‘steun het front, maar doe niet mee aan offensieven.’ Naarmate de weken verstreken rapporteerde de bevelhebber van het Vijfde Leger: ‘De wil om te vechten is achteruitgegaan… de politiek die zich over alle lagen van het leger heeft verspreid, heeft ertoe geleid dat de hele militaire massa nog maar één ding wil en dat is een eind aan de oorlog en terug naar huis.’ In de eerste week van april deserteerden achtduizend soldaten van het noordelijk en westers front.

De terugkeer van Lenin en de publicatie van zijn Aprilstellingen brachten een fundamentele verandering teweeg in de politiek van de Bolsjewiki, die nu oproepen tot ‘geen steun’ aan de bourgeoisie en de imperialistische Voorlopige Regering.

De Bolsjewistische opstelling onder de leiding van Stalin en Kamenev was gematigd en zette de steun door aan de stelling van de ‘Democratische dictatuur van het proletariaat en de boeren’ om een burgerlijke revolutie door te voeren, zoals die ontwikkeld was door Lenin in 1905.

In een artikel dat in de partijkrant Pravda werd gepubliceerd, stelde Kamenev dat de Aprilstellingen van Lenin diens ‘persoonlijke opvatting’ waren en dat ‘Lenins algemene schema ons onacceptabel lijkt, omdat dat uitgaat van de veronderstelling dat de burgerlijke revolutie voltooid is en rekent op de onmiddellijke overgang van deze revolutie in een socialistische revolutie.’

Op het congres van de Bolsjewiki in maart 1917 steunde Stalin ook een mogelijk samengaan met internationalistische Mensjewiki ‘volgens de lijnen van Zimmerwald-Kiental’. Toch was Lenin in 1915 al erg sceptisch over de pacifistische anti-oorlogsterminologie in Zimmerwald die de deur open zette voor steun aan de oorlog. Hij noemde hen ‘Kautsky-schijtluizen’.

Toen hij in april terugkeerde, deed Lenin een oproep aan de linkervleugel van Zimmerwald om compleet te breken met de meerderheid van Zimmerwald, inclusief met de Mensjewiki, waarmee Stalin en veel andere Bolsjewiki zich hadden willen verenigen.

De onvermoeibare Lenin kreeg de partij op zijn hand. De Bolsjewiki konden rekenen op 79.000 leden, van wie er 15.000 in Petrograd zaten. Hoewel ze nog steeds een kleine minderheid vormden, vooral in de Sovjet van Petrograd, waren zij sterk genoeg om een rol te spelen in de gebeurtenissen.

Noch de regering, noch de Mensjewistische leiders aan het hoofd van de Sovjet wilden de nieuwe politieke crisis die uitbrak in de tweede helft van april. Miljoekov en de Russische kapitalisten hadden de bondgenoten verzekerd van de rol van Rusland in het conflict en zij streefden ernaar om de Dardanellen in het Ottomaanse rijk in handen te krijgen.

Maar Miljoekov begreep dat zonder een of andere overeenkomst met de Sovjet de troepen weinig geneigd zouden zijn om de plannen van de regering te accepteren en ervoor te vechten.

Aan de andere kant drong Tsereteli aan op de noodzaak van een regeringsverklaring dat voor Rusland de oorlog uitsluitend een verdedigingsoorlog was. Het verzet van Miljoekov en Guchkov was gebroken en op 27 maart volgde een verklaring:

‘Het Russische volk doet geen poging om zijn buitenlandse macht te vergroten ten koste van andere volkeren en heeft niet als doel de slavernij en vernedering van wie dan ook… Maar het Russische volk zal niet toestaan dat zijn moederland vernederd en ondermijnd in zijn vitale levensbronnen uit de wereldoorlog zal komen.’

De defensieve verklaring van 27 maart werd niet op prijs gesteld door de bondgenoten, die er een concessie aan de Sovjet in zagen. De Franse ambassadeur Maurice Paléologue klaagde over de ‘bescheidenheid en besluiteloosheid’ van de verklaring.

Maar de gok van Miljoekov om de oorlog te gebruiken tegen de revolutie had rekening gehouden met de werkelijke krachtsverhoudingen tussen de Voorlopige Regering en de sovjets. Hij wilde stap voor stap de macht van de regering doen toenemen.

Een paar dagen later had er een nieuwe bijeenkomst plaats tussen vertegenwoordigers van de regering en die van de sovjets. Rusland zat te springen om een lening van de bondgenoten om de oorlog voort te kunnen zetten en een nieuw memorandum van de regering zou dat doel naderbij kunnen brengen. Op 18 april stuurde Miljoekov een nieuw bericht aan de regeringen van de bondgenoten, waarin hij de wil benadrukte om ‘de oorlog voort te zetten in volledige overeenstemming met de bondgenoten en de verplichtingen tegenover hen na te komen.’

De regering beweerde ook dat de revolutie de bevolking alleen maar had gesterkt in haar wil om de oorlog tot een overwinning te brengen. Op een speciale zitting op 19 maart bediscussieerde het Uitvoerend Comité van de Sovjet de regeringsnota. ‘Men kwam gezamenlijk unaniem en zonder discussie tot de conclusie dat dit in het geheel niet was wat het Comité verwacht had’, verklaarde het lid van het Comité Vladimir Stankevich.

De Rabotsjaya Gazeta, een Mensjewistische krant, voegde daar aan toe dat de nota van Miljoekov een ‘aanfluiting van de democratie’ was. Maar een belangrijke krant van de liberale intelligentsia, Novoe Vremya, probeerde het te verdedigen met de stelling dat het niet mogelijk was om bestaande verdragen open te breken.

Als Rusland dat zou doen, ‘dan zouden onze bondgenoten ook vrijheid van actie hebben: als er geen verdrag ligt, dan hoeft niemand zich eraan te houden … Wij denken dat met uitzondering van de Bolsjewiki alle Russische burgers de basisstelling van de nota van gisteren correct zullen vinden.’

De nota veroorzaakte een spontane explosie van verontwaardiging onder de bevolking. De Rabotsjaya Gazeta schreef: ‘Petrograd reageert overgevoelig en nerveus. Overal, op bijeenkomsten op straat, in trams wordt er gepassioneerd en fel gediscussieerd over de oorlog. De petten en hoofddoeken zijn voor vrede, de hoeden en mutsen zijn voor oorlog. In de arbeiderswijken en in de soldatenbarakken wordt er meer gediscussieerd tegen de politiek van annexaties.’

Soechanov, een Mensjewiek en misschien de beste verslaggever van de Russische revolutie, herinnerde zich levendig:

‘Een immens grote menigte arbeiders, sommigen bewapend, bewoog zich vanaf de kant van Vyborg naar de Nevsky. Er waren ook een heleboel soldaten bij hen. De demonstranten trokken op met de leuzen “Weg met de Voorlopige Regering!”, “Weg met Miljoekov!” Er heerste een geweldige opwinding overal in de arbeiderswijken, de fabrieken en de barakken. Veel fabrieken stonden stil. Overal werden plaatselijke vergaderingen gehouden.’

In de nacht van 20 april vroegen de Mensjewistische leiders van de Sovjet aan de regering om met een nieuwe nota te komen die de oude van Miljoekov op een pacifistische manier moest corrigeren, maar uiteindelijk gingen ze akkoord met de positie van Kerenski’s Sociaal-Revolutionairen dat het genoeg was om met een ’verklaring’ van de nota te komen.

Desondanks was er op 21 april een nieuwe golf van demonstraties, deze keer aangemoedigd en georganiseerd door de Bolsjewiki. Het was de eerste keer sinds het uitbreken van de revolutie dat Lenins partij voorop liep in de beweging en niet achteraan. Tegelijkertijd kwamen gewapende sympathisanten van de regering bijeen op de Nevsky Prospekt, die waren georganiseerd door de Kadetten. Volgens de editie van 22 april van de Rabotsjaya Pravda:

‘Gisteren was de atmosfeer in de straten van Petrograd nog meer opgewonden dan op 20 april. In de arbeiderswijken werd een hele serie stakingen georganiseerd … De teksten op de spandoeken waren heel verschillend, maar alles bij elkaar hadden ze wel iets gemeenschappelijks: in het centrum, op Nevskii, Sadovaya en andere wijken overheersten de leuzen met steun aan de Voorlopige Regering, in de buitenwijken was het tegenovergesteld … Botsingen tussen de verschillende groepen gebeuren vaak … er zijn veel geruchten over schietpartijen.’

Een vrouw die mee liep in de demonstraties schreef later: ‘De vrouwen van die fabrieken… liepen met de demonstranten op de Nevsky aan de kant van de oneven nummers. De andere menigte bewoog zich aan de andere kant van de straat met de even nummers: goed geklede vrouwen, officieren, kooplieden, advocaten, etc. Hun leuzen waren “Lang leve de Voorlopige Regering”, “Lang leve Miljoekov”, “Arresteer Lenin”.’

De spanningen in de arbeidersbuurten liepen op. Een fabrieksarbeider beschreef een bijeenkomst van die middag:

‘De stemming ging op en neer… Er werd besloten om te wachten op een beslissing van de Sovjet. Maar voordat die beslissing hun bereikte, kwamen er enkele arbeiders terug uit het centrum met nieuws over botsingen, het verscheuren van spandoeken en arrestaties… De stemming sloeg ineens om. “Wat? Ze jagen ons van de straat, ze verscheuren onze spandoeken en wij gaan dit rustig van een afstandje zitten bekijken? Laten we naar de Nevsky gaan!”.’

In deze gespannen situatie besloot generaal Kornilov, gesteund door Miljoekov, om gebruik te maken van de artillerie buiten het Mariinski Paleis en om de militaire scholen op te roepen als steun. Het doel was om delen van het leger te laten aansluiten bij de gewapende pro-regeringsdemonstratie die op enkele honderden meters vanaf de door de Bolsjewiki geleide demonstratie werd georganiseerd. Miljoekov probeerde in zijn memoires het openlijk contrarevolutionaire karakter van het initiatief te verbloemen. Hij schreef:

‘Op 21 april werd generaal Kornilov, de commandant van het district Petrograd, geïnformeerd over demonstraties van gewapende arbeiders vanuit de buitenwijken en hij gaf bevel aan verscheidene eenheden van de garnizoenen om naar het plein voor het paleis te komen. Daarbij ontmoette hij verzet van het Uitvoerend Comité van de Sovjet, dat de staf via de telefoon meedeelde dat het oproepen van troepen de situatie ingewikkeld zou maken. Na onderhandelingen met afgevaardigden van het Comité… herriep de commandant zijn order en dicteerde in aanwezigheid van de leden van het Comité een telefonische boodschap aan alle delen van de garnizoenstroepen, met als opdracht om in de barakken te blijven. Daarna circuleerde er een bericht van het Uitvoerend Comité op straat, dat aankondigde: “Kameraden soldaten, ga niet gewapend naar buiten in deze roerige dagen zonder oproep van het Uitvoerend Comité”.’

In werkelijkheid begreep het Uitvoerend Comité van de Sovjet dat het contrarevolutionaire karakter van de beslissing van Kornilov ook een grote bedreiging voor henzelf betekende en het gaf bevel aan de troepen om niet uit hun barakken te komen. Kornilov bevond zich nu in een isolement en hij had geen andere keuze dan zich terug te trekken.

Het risico voor de leiders van de Sovjet was een patstelling, dus het Uitvoerend Comité haastte zich te verklaren dat het incident met de regering was opgelost en zij vroegen de arbeiders weer naar huis te gaan. Rabotsjaya Pravda schreef ironisch dat ‘toen het Uitvoerend Comité haar order aan de soldaten publiceerde om niet gewapend de straat op te gaan, begon men merkwaardige taferelen te zien van soldaten die hun kameraden ervan probeerden te overtuigen om in het algemeen af te zien van deelname aan demonstraties, welke dan ook. Dikwijls riepen de soldaten ook burgers op om de kalmte te bewaren.’

Kornilov had Miljoekov er van verzekerd dat hij ‘voldoende troepen’ had om de rebellen neer te slaan, maar die troepen daagden nooit op. Trotski schreef: ‘Deze lichtzinnigheid zou in augustus z’n hoogtepunt bereiken, toen de samenzweerder Kornilov met een niet bestaand leger op wilde rukken tegen Petrograd.’ In de nacht van 21 april werden er nog wel enkele schoten gehoord, maar de politieke crisis was voorbij.

Gegeven de machtsverhoudingen in april 1917, waren de Bolsjewiki ook niet geïnteresseerd in een open strijd die op een burgeroorlog kon uitlopen. Voor de eerste keer had de partij van Lenin een belangrijke rol gespeeld in de gebeurtenissen, maar de partij was nog niet in staat om de beweging te leiden naar een nieuwe revolutie.

De sovjets consolideerden zich en stonden nog onder Mensjewistische hegemonie. Voor Lenin was een nieuwe revolutie nog prematuur en was de leus van ‘De omverwerping van de regering’ die door sommige Bolsjewiki werd gesteund, verkeerd:

‘Moet de Voorlopige Regering onmiddellijk omver geworpen worden?… Om aan de macht te komen, moeten de klassenbewuste arbeiders de meerderheid aan hun kant krijgen… Wij zijn geen Blanquisten… Wij zijn marxisten, wij staan voor de proletarische klassenstrijd tegen kleinburgerlijke vergiftiging.’

De crisis was verlopen, maar niets was er meer zoals tevoren. Het werd duidelijk dat geen enkel besluit van de regering kon worden uitgevoerd zonder goedkeuring van de sovjets. De strategie van de Kadetten en de kapitalistische klasse verschoof daarna naar een poging om de socialisten direct in de regering te betrekken. De belangrijkste voorwaarde voor deelname van de socialistische partijen aan de regering was de verwijdering van Guchkov en Miljoekov.

Na hun aftreden deed de Voorlopige Regering een voorstel aan de Sovjet van Petrograd om een coalitieregering te vormen. Er werd een overeenkomst bereikt op 22 april en zes socialistische ministers traden toe tot de regering (twee Mensjewiki, twee Sociaal-Revolutionairen en twee Populisten). Alleen de voorzitter van het Uitvoerend Comité van de Sovjet Nikoloz Tsjcheidze weigerde om minister te worden.

De Bolsjewiki weigerden ook deelname aan de regering en zij bereidden zich daarentegen voor op de revolutionaire strijd die nog ging komen. In veel opzichten versterkten de ‘Aprildagen’ de noodzaak voor de arbeiders om hun zelforganisatie en hun gewapende macht te versterken. De Shorokhod Schoenenfabriek bijvoorbeeld besloot om een Rode Garde van een duizend personen op te richten en vroeg aan de Sovjet om 500 geweren en nog om 500 revolvers.

Op 23 april, op een bijeenkomst van fabrieksafgevaardigden over de organisatie van Rode Gardes, zei een spreker: ‘De Sovjet heeft teveel vertrouwen in de Kadetten. De Sovjet gaat de straat niet op. De Kadetten wel. Ondanks de Sovjet gingen de arbeiders de straat op en zo redden zij de situatie.’

De ‘Aprildagen’ versterkten de vastbeslotenheid van de arbeiders en soldaten van Petrograd. De Kadetten van Miljoekov waren de verliezers op de korte termijn. De Mensjewiki en de Sociaal-Revolutionairen behielden hun controle over de Sovjet van Petrograd, maar hun zelfvertrouwen was geschokt. In de volgende maanden zouden de oorlog en de revolutionaire crisis zich verdiepen.

Vertaald door Rob Gerretsen
Yurii Colombo: From the Finland Station


Dit artikel verscheen eerder op Jacobin en is onderdeel van een serie artikelen https://www.marxists.org/history/ussr/events/revolution/100th/100th.htm over de Russische Revolutie die wordt gepubliceerd in samenwerking met het Marxistisch Internet-Archief. Socialisme.nu draagt bij aan de Nederlandse vertalingen.


Laatste update op 25 mei 2017