August Bebel
De vrouw en het socialisme
Hoofdstuk 1


De vrouw in het verleden

De vrouw en de arbeider hebben beiden dit gemeen, dat zij sedert overoude tijden de onderdrukten zijn, en dat, trots alle verandering in de wijze van onderdrukking, de onderdrukking zelf bleef bestaan. Dat de vrouw, evenals de arbeider, in de loop van de geschiedenis slechts zeer zelden tot een klaar bewustzijn van haar slavernij kwam, ja zelfs de vrouw nog minder dan de arbeider, terwijl zij nog lager stond dan deze, en door hem zelf als een minder wezen werd en wordt beschouwd en behandeld. Generaties van geslachtelijke knechtschap wordt ten slotte een gewoonte. Overerving en opvoeding doen het allen voorkomen als met de natuur in overeenstemming. Zo neemt de vrouw haar ondergeschikte plaats als iets zo natuurlijk, dat het veel moeite zal kosten haar te bewijzen dat deze haar onwaardig is, dat zij er naar streven moet een in rechten en plichten met de man gelijkstaand lid van de maatschappij te worden, en in elk opzicht naast hem te staan.

Wanneer ik gezegd heb: de vrouw en de arbeider hebben gemeen altijd de onderdrukten te zijn geweest, moet dit met betrekking tot de vrouw nog verscherpt worden. De vrouw is het eerste menselijke wezen dat tot slavernij was gedoemd. De vrouw was slavin, eer er nog een slaaf bestond.

De oorzaak van alle onderdrukking ligt in de materiële afhankelijkheid van de onderdrukker. In deze toestand verkeert tot heden de vrouw.

Zover wij in het menselijke verleden kunnen terug kijken, herkennen wij als de eerste menselijke gemeenschap de ‘horde’ (d.i. volksstam. NvdV). De horde die, evenals het vee, haar geslachtsdrift zonder scheiding in paren en zonder orde bevredigde. Dat in deze oorspronkelijke toestand de mannen het in kracht of in geestesbegaafdheid van de vrouwen wonnen, is nauwelijks aan te nemen [2]. Dat weerspreekt niet alleen de waarschijnlijkheid maar ook de waarneming die wij bij nog levende wilde volksstammen doen. Niet alleen is bij alle wilde volken het gewicht en de grootte van de hersenen bij de man en de vrouw lang niet zo verschillend als bij onze moderne cultuurvolken [3], maar ook in lichamelijke krachten geeft de vrouw de man weinig of niets toe. Ja, zelfs in Midden-Afrika bestaan thans nog stammen waar de vrouwen sterker zijn dan de mannen, en zodanig dan ook de aanvoersters in de krijg zijn [4]. Evenzo is er ook heden nog onder de Afghanen een volksstam waar de vrouwen oorlog voeren en op de jacht gaan, en de mannen de huiselijke arbeid verrichten.

De koning van de Aschantis in West-Afrika en de koning van Dahomey in Midden-Afrika hebben een vrouwelijke lijfgarde, regimenten uit vrouwen gerekruteerd en door vrouwen aangevoerd, en zij onderscheiden zich door dapperheid en bloeddorst van de mannen. (‘Daar worden vrouwen tot hyena’s.’)

Anders dan op een zuiver fysiek (d.i. lichamelijk) overwicht, laten zich ook niet de verschijnselen verklaren, dat in de oude tijd aan het Zwarte Meer en in Azië zogenaamde Amazone-staten bestaan moeten hebben, uit niets anders dan vrouwen bestaande. Deze bestonden nog gedeeltelijk in de tijd van Alexander de Grote, (356-323 v.C.) daar volgens Diodorus (een geschiedschrijver tijdens Julius Caesar en Augustus, die 30 jaar werkte aan zijn geschiedwerk de Historische Bibliotheek, NvdV) de koningin van een Amazone-staat, Thalistris, bij hem in het leger kwam en door hem moeder werd gemaakt.

Bestonden zulke staten werkelijk, dan kon dit alleen door strenge afzondering van de mannen. Anders kwam immers hun bestaan in gevaar. Daarom zochten zij hun geslachtsdrift en hun voortplanting te bevredigen door op zekere dagen van het jaar zich te verenigen met de mannen van naburige staten.

Zulke toestanden berusten echter op bij uitzondering bestaande verhoudingen, en dat zij thans niet meer bestaan, bewijst hun onhoudbaarheid.

Wat echter de slavernij van de vrouw in de oudheid grondvestte, haar in de loop van duizenden jaren bevestigde en tot een wezenlijk verschil in de lichamelijke en geestelijke krachten van beide geslachten voerde, waardoor de afhankelijkheid van de vrouw nog vergroot werd, dat zijn haar eigenaardigheden als geslachtswezen. De vrouw van de oudheid was zelfs bij gelijke ontwikkeling van lichamelijke en geestelijke krachten bij de man toch in zoverre de mindere, als de perioden “van de zwangerschap, de baring en de voeding van haar kinderen, haar de hulp, de ondersteuning en de bescherming van de man” nodig deed hebben. Deze hulpbehoevendheid van de vrouw op zekere tijden voerde in de oudheid, toen slechts lichamelijke kracht geacht werd, en de strijd om het bestaan zijn ruwste, wildste vorm bezat, tot het vermoorden van de vrouwelijke pasgeborenen en tot vrouwenroof.

Terwijl de enkele horden, later de stammen (clans), zich steeds in de strijd om het bestaan bevonden, veeteelt en akkerbouw nog onbekend waren, derhalve gebrek aan voedingsmiddelen geen zeldzaamheid was, moest de horde, de stam er wel op bedacht zijn zich van iedere nakomeling te ontdoen die grote zorg baarde in de oorlog, en op de vlucht een hindernis was, of later slechts een geringe hulp beloofde te worden. Als zodanig kwamen de vrouwelijke pasgeborenen in beeld, waarom men zich dan ook reeds bij de geboorte van hen ontdeed. Zij, die zich door bijzondere krachtige vorming onderscheidde liet men in het leven, ook omdat men ze tot voortplanting noodzakelijk behoefde. Dit is de eenvoudige verklaring van het ook heden nog bij vele wilde stammen Azië en Afrika bestaande gebruik, de meeste meisjes bij de geboorte te doden; een gebruik dat men met onrecht ook de tegenwoordige Chinezen toeschreef.

Naast de kinderen van het vrouwelijke geslacht, deelden ook die van het mannelijke hetzelfde lot die bij de geboorte reeds ongelukkig of misvormd waren, en zo slechts lastposten beloofden te zijn. Deze werden eveneens gedood. Een gebruik dat ook in menige Griekse staat, bv. Sparta, bestond.

Een andere grond, die voor het doden van de nieuwgeboren meisjes in aanmerking komt is, dat in de eeuwigdurende oorlogen het aantal mannen van een horde, een stam, steeds aanmerkelijk smolt en men een wanverhouding van seksen vermijden wilde. Bovendien vond men het ook veel gemakkelijker de vrouwen te roven, dan ze groot te brengen.

In aanvang en gedurende zeer lange tijd bestond ertussen een man en een vrouw geen duurzame verbintenis; er heerste een wilde vermenging (promiscuïteit), de vrouwen waren eigendom van de horde, van de stam. Zij hadden tegenover de mannen noch keus noch wil. Men gebruikte haar gelijk ieder ander gemeenschappelijk eigendom. Deze willekeurige gemeenschap bewijst duidelijk het bestaan van het moederrecht (ginaikocratie) dat onder vele volksstammen tamelijk lang in stand bleef, volgens Strabo [5] bij de Lydiërs en Lokriërs bestond, en tot op de huidige tijd op het eiland Java, bij de Huronen en Irokezen in Amerika en bij vele volken van Midden-Afrika bestaan heeft. Volgens dat recht waren de kinderen eigendom van de moeder, daar de vader niet kon aangewezen worden. Het vaderschap berust, gelijk Göthe zegt ‘in ‘t algemeen slechts op goed vertrouwen’. Het moederrecht was bij enkele volken nog in zwang gebleven, toen zij al op een hogere trap van ontwikkeling stonden, privaateigendom bekend was, en eveneens een uitgedrukt erfrecht, en had dus ten gevolge dat alleen vrouwelijke erfopvolging bestond.

Aan de andere kant was het bestaan van het moederrecht ongetwijfeld de oorzaak dat bij enkele volken reeds vroeg vrouwen de heerschappij verkregen.

Men mag aannemen dat reeds van in het beging tussen de in de stam geboren en de geroofde vrouwen een onderscheid in rang gemaakt werd. Dat langzamerhand het hoofdmanschap in zekere families erfelijk werd en bij ontstentenis van mannelijke nakomelingen, men daar, waar een krachtige vrouw overbleef, deze de heerschappij liet. Eenmaal toegelaten, werd het licht een gewoonte en ten slotte werd de erfe1ijkheid van het hoofdmanschap voor vrouwen evengoed erkend, als voor mannen.

De vrouw moest verder ook daar een zeker overwicht verkrijgen, waar de vrouwen in de minderheid waren, en alzo in plaats van de veelwijverij de veelmannerij ontstond. Deze toestand bestaat thans nog op Ceylon, op de Sandwichs- en Marquesas eilanden, in het Congo-gebied en de Loango. Het bezit van vele mannen was verder een voorrecht van de koningsdochters bij de Inca’s in Peru. Daarbij komt als een soort van natuurwet, dat in maatschappijen waar de veelmannerij bestaat, het aantal geboorten van het mannelijke geslacht, dat van het vrouwelijke geslacht verre overtreft, en daardoor die toestand in zekere mate vereeuwigd wordt.

Afgezien van deze uitzonderingen, die slechts als uitzonderingen te beschouwen zijn, heeft anders overal de man de heerschappij overgenomen. Dat moest vooral gebeuren van het ogenblik af dat tussen een enkele man en een vrouw een ‘duurzame’ verbintenis tot stand kwam, die vermoedelijk het eerst door de man werd verlangd. Gebrek aan vrouwen, het welgevallen aan een enkele, deden bij hem het verlangen naar een duurzaam bezit ontstaan. Het mannelijke egoïsme begon te werken. Hij nam een vrouw in bezit met of zonder toestemming van de overige mannen, die dan zijn voorbeeld volgden. Hij verplichtte de vrouw slechts ‘zijn’ liefkozingen te dulden; daarvoor nam hij de verplichting op zich haar als zijn vrouw aan te zien en haar kinderen als de zijn te beschermen. De grotere zekerheid van deze toestand deed de vrouw deze verhouding als voordeliger beschouwen; zo ontstond het huwelijk [6].

De grondslag tot ontwikkeling van privaateigendom, van de familie, de stam, van de staat was gelegd.

Het bezit van vrouw en kinderen deed de oorspronkelijke mens het wenselijk vinden een vaste woonplaats te kiezen. Tot dusver sleet hij de tijd in de bossen, sliep in de nacht op bomen of in holen, tenzij wilde dieren hem er uit verdreven. Maar nu bouwde hij zich een hut, waarnaar hij van de jacht of de visvangst terugkeerde. De verdeling van de arbeid begon. De man legde zich toe op de jacht, de visvangst en de oorlog, de vrouw verzorgde de huiselijke zaken, wanneer men deze naam voor die primitieve tijd wil gebruiken. De onzekerheid van de hoeveelheid jachtproducten, de slechte jaren, dwongen bij met het toenemen van de familie tot het temmen van dieren, waarvan melk en vlees gebruikt werden. De jager werd een herder. De kinderen groeiden op, verbonden zich met elkaar — het begrip van bloedschande ontstond pas veel later — en zo ontstond de patriarchale familie, en hieruit de communistische gemeente, de stam. De stam vertakte zich. Er kwamen meerdere stammen, die bij hun vermeerdering spoedig om de weidegronden begonnen te vechten. De strijd om de weidegronden, het verlangen om in een goed en aangenaam oord, ook bij groter aantal, te blijven, deed de akkerbouw ontstaan.

In al deze ontwikkelingsperioden speelde de vrouw een bijzondere rol. Zij was de voornaamste arbeidskracht van de man, verpleegde niet alleen de kinderen, maar verzorgde ook de huishouding, weidde het vee, vervaardigde de kleding, bouwde de hut of de tent, brak deze af en sleepte haar mee wanneer de familie de ene plaats verliet, om zich een ander woonoord te kiezen. Toen de akkerbouw begon, en de eerste ploeg uitgevonden was, werd de vrouw het eerste trekdier. Zij was ook bij voorkeur belast met het inzamelen van de oogst.

De man speelde de heer. De aard zijn verplichtingen ontwikkelde meer het denken en wekte de scherpzinnigheid op. Zo ontwikkelde hij zich lichamelijk en geestelijk. Terwijl de vrouw ander de last van haar dubbel juk, de arbeid en de daarmee overeenkomende behandeling, lichamelijk te veel van haar krachten moest vergen, en geestelijk achter bleef.

De man, aan heersen gewoon, dwong haar ook zich ten volle van andere mannen te vervreemden. Zij moest zich ver van hen verwijderd houden, kreeg haar bijzonder plekje in de woning, en dwong haar ten slotte om iedere poging van een wellustige buurman tegen te gaan. Zich te sluieren. In de tropische gewesten, waar ten gevolge van het klimaat de zinnelijke lusten het sterkst de mensen prikkelden, moest de afzondering van de vrouw van de vreemde man natuurlijk haar hoogste graad bereiken.

Uit deze meerderheid van de man over de vrouw, sproten verschillende gevolgen voort.

De vrouw was niet uitsluitend meer een voorwerp voor het huwelijksgenot en de geslachtsvermeerdering, gelijk in de horde, zij was de voortbrengster van erfgenamen, waardoor de man met zijn eigendom voortleefde, zich als ‘t ware vereeuwigde. Zij was ook bovendien een belangrijke arbeidskracht. Zo kreeg zij een ‘waarde’, zij werd voor de man een gezocht ruilmiddel, dat hij van de bezitter, de vader van de jonge vrouw, voor andere ruilmiddelen, vee, jachtdieren, wapens, veldvruchten, zocht te kopen. Zo zien wij ook nog heden bij alle achterlijke volken de jonge vrouw tegen andere waardeartikelen ‘verruilen’. Zij werd daardoor, gelijk andere dingen, eigendom van de man, ‘waarover hij vrij beschikte’. Hij kon haar naar welgevallen houden of verstoten, mishandelen of beschermen. Daaruit volgde verder dat de jonge vrouw, zodra zij de ouderlijke woning verliet, hiermee elke betrekking afbrak. Haar levensloop werd in twee volkomen gescheiden delen gesplitst: het eerste in het vaderlijke huis, het andere in dat van de heer gemaal. Deze volkomen scheiding van het vaderhuis werd bij de oude Grieken zinnebeeldig voorgesteld door de verbranding van de mooi versierde tweewielige wagen, die de jonge vrouw en haar bezit naar de woning van haar man bracht. Zodra zij hier was aangekomen werd de wagen voor de deur verbrand.

In een hoger ontwikkelingstijdperk werd die koopsom veranderd in een geschenk, dat echter niet meer de ouders, maar de bruid als loon voor haar overgave ontving, en dit bleef als symbool tot op onze dagen in zwang in alle cultuurstaten. Was alzo het bezit van een vrouw begerenswaardig, zo vroeg men op lagere ontwikkelingstrappen er ook niet naar, hoe men daaraan kwam. De vrouw roven was goedkoper dan haar te kopen, en de roof was noodzakelijk wanneer, bij zich vormende volken, er gebrek aan vrouwen was. Het klassieke voorbeeld van vrouwenroof in het groot biedt de geschiedenis van de roof van de Sabijnse vrouwen door de Romeinen. Dit gebruik leeft heden nog voort bij de Araukaniërs in Chili (Zuid-Amerika). Terwijl de vrienden van de bruidegom met de vader van de bruid onderhandelen, sluipt de bruidegom met zijn paard rondom het huis, zoekt zijn bruid te grijpen, werpt haar op zijn paard en rent in vliegende vaart naar het nabij gelegen bos. Vrouwen, mannen, kinderen trachten door geschreeuw en alarm de vlucht te verhinderen. Zodra de bruidegom met zijn bruid de rand van het woud bereikt heeft, wordt de echt als gesloten beschouwd. Dit geldt ook dan wanneer de ontvoering tegen de wil van de ouders gebeurt. Het geboomte van het oorspronkelijk woord is de bruiloftskamer, eenmaal deze overschreden is het huwelijk gesloten.

Bij alle volkeren op een zekere beschavingstrap was het gemeenschappelijk eigendom van grond en bodem aanwezig, doch zo, dat het woud, de weiden en het water gemeenschappelijk waren, daarentegen dat het voor akkerbouw bestemde land in delen gesplitst was, en onder de familievaders ‘naar het aantal hoofden’ verdeeld. Hierbij kwam nu nog een nieuw onderscheid, dat duidelijk aantoont hoe de vrouw slechts als wezen van een lagere klasse werd beschouwd.

In de regel waren de dochters van de verdeling in ‘loten’ geheel en al buitengesloten; slechts de zonen kwamen in aanmerking, en zo is ‘t duidelijk dat de vader van het begin af de geboorte van een zoon met andere ogen begroette dan die van een dochter. Slechts bij de Inca’s, in Peru en bij enige andere volken verkreeg de dochter een half lot [7]. Overeenkomstig deze opvatting van de mindere waarde van de vrouw waren ook de dochters bij de oude volken, en zijn zij bij nog op een lagen trap van ontwikkeling levende volken van het erfrecht buitengesloten.

Aan de andere kant voerde bij volken, die gelijk de Germanen, bij paren gehuwd leefden, een andere zede tot de ergerlijkste wanverhoudingen. Het gebruik dat zonen, zodra zij trouwden hun deel van de gemeentegrond verkregen, bracht de vader er vaak toe hun onmondige, nauwelijks nog tien- of twaalfjarige zoons met huwbare meisjes te laten trouwen. Dat deze toestand een eigenlijk huwelijksleven buitensloot is duidelijk, en ook misbruikte de vader vaak zijn vaderlijke macht, en nam in plaats van de zoon de rol van echtgenoot over [8].

Tot welk verval van het familieleven dit voert ligt voor de hand. De ‘kuisheid’ in het huwelijk van onze voorvaderen, is, gelijk zoveel dat over die tijden als voortreffelijk verhaald wordt, een schoon sprookje.

De dochters moesten, zolang zij in het vaderhuis bleven, door zware arbeid in hun onderhoud voorzien, verliet zij het huis als de vrouw van een man, had zij geen recht meer op iets. Zij was een vreemde tegenover de gemeente. Deze toestanden heersten overal, in Indië, Egypte, Griekenland, Rome, Duitsland, Engeland, bij de Azteken en bij de Inca’s (Amerika), enz. En zij bestaan nog heden in Kaukasië, in vele streken van Rusland en Indië.

Stierf iemand zonder zoon of broederszoon na te laten, dan kwam zijn eigendom aan de gemeenschap terug. Eerst in veel latere tijd werd de dochters een erfrecht geschonken op het huisraad, op het vee, of haar werd een bruidschat toegestaan. Nog veel later verkregen zij ook het erfrecht op grond en bodem.

Een andere vorm, om in het bezit van een vrouw te komen vinden wij in de bijbel. Waar Jakob zich Lea en daarna Rachel verdient. Een reeks dienstjaren bij Laban was de koopprijs, waarbij de sluwe Laban zoals bekend is, een dubbel voordeel behaalde op Jakob, omdat hij hem in plaats van Rachel eerst Lea gaf, en hem dus dwong om voor de tweede zuster nogmaals zeven jaar te dienen. Wij zien hier twee zusters, beide als vrouw van één man. Dit is volgens onze huidige begrippen een bloedschande. Ook werd Jakob reeds een deel van het komende geslacht van de herten, als bruidschat beloofd. Hij zou, zo besliste de egoïstische Laban, de jonge gevlekte schapen verkrijgen - die zoals de ervaring leert, het geringste in aantal zijn - Laban de overige. Maar ditmaal was Jakob de slimste. Zoals hij zijn broeder Esau met het eerstgeboorterecht bedrogen had, zo bedroog hij thans Laban met de lammeren. Hij had reeds lang voor Darwin darwinisme bestudeerd. Hij maakte, volgens de bijbel kunstig, gevlekte stokken, die hij aan de drinkbakken van de schapen plaatste. Het voortdurend gezicht hiervan had op de zwangere schapen de uitwerking dat zij meest gevlekte jongen ter wereld brachten. Zo werd Israël door de sluwheid van een van zijn aartsvaders gered.

Een andere toestand die uit de overheersing van de man over de vrouw volgde, en tot op de huidige dag op steeds meer zichtbare wijze bleef bestaan, is de ‘prostitutie’. Terwijl bij alle volkeren, op een hogere trap van beschaving staande, de man van zijn vrouw de strengste geslachtelijke terughouding van andere mannen verlangde, en de overtreding hiervan vaak met de gruwelijkste folteringen bestrafte, de vrouw was immers zijn eigendom, zijn slavin, hij kon in dit geval over leven en dood van haar beschikken, legde hij van zijn kant zich in geen enkel opzicht dezelfde verplichting op. Hij mocht reeds meerdere vrouwen kopen, of in de oorlog ze van de overwonnene stelen, maar dat dwong hem ook, ze voortdurend te onderhouden. Dat was echter in de latere tijd bij de zeer ongelijk geworden eigendomsverhoudingen nog slechts voor een kleine minderheid mogelijk, en het geringe aantal van schone vrouwen verhoogde haar prijs. Maar de man ging ook op krijgstochten uit en maakte allerlei reizen, of hij wenste in ‘t algemeen afwisseling in het liefdesgenot. Daardoor verkreeg hij de overgave van ongehuwden, van weduwen en verstoten vrouwen, of ook van arme vrouwen, deze kocht hij, om een voorbijgaand genot te smaken.

Werd de ‘gehuwde’ vrouw de strengste afzondering voorgeschreven, zo was dit lang, te minste in het Oosten, bij de ‘ongehuwde’ vrouwen niet het geval. De jonkvrouwelijke kuisheid is een eis die eerst in latere tijd de mannenwereld stelde. Zij vertegenwoordigt een ontwikkelingstijdperk van hogere verfijning. De ongehuwde meisjes was niet alleen het verkopen van haar lichaam toegestaan, maar dit werd in Babylonië, bij de Fenicieërs, de Lydiërs, enz., zelfs als godsdienstig gebod verlangd.

De in de oudheid heersende zede van de vrouwengemeenschap bleef hier als grondslag bestaan in de godsdienstige overgave van de jonge maagden aan de eerste de beste, die de koopprijs aan de priesters betaalde. Zulke zeden bestaan nu nog, gelijk Bachofen bericht, bij verschillende stammen in Achter-Azië, in Zuid-Arabië, op Madagaskar, Nieuw-Zeeland, waar de bruid voor haar huwelijk aan de stam wordt prijs gegeven.

Op Malabar betaalt de bruidegom hem, die zijn bruid verkracht, een loon. Vele Caimars huren Patamaren om hun vrouwen te verkrachten. Daardoor komt deze soort van lieden tot hoog aanzien, en sluit eerst een overeenkomst omtrent het loon...

“De hogepriester (Namburi) is verplicht de koning (Zamorin) bij diens huwelijk deze dienst te bewijzen, en krijgt bovendien daarvoor nog 50 goudstukken.” [9]

Een zinnelijk priesterdom vond bij zulke instellingen en gebruiken een dubbel voordeel en werd daarin door een even wellustige mannenwereld bijgestaan. Zo werd de prostitutie van de ongehuwde vrouw tot een gebod van godsdienstige plichtvervulling gemaakt. De openlijke overgave van het maagdendom stelde de ontvangenis en de vruchtbaarheid der moederaarde zinnebeeldig voor, en geschiedde derhalve ter ere van de godin van de vruchtbaarheid, die onder de volken van de oude wereld onder de namen van Aschera-Astarte, Mylitta, Aphrodite, Venus, Kybele verheerlijkt werd. Te hare ere werden bijzondere tempels opgericht, waaraan verbonden waren vele bijgebouwen, waarin men op de genoemde wijze aan de godin offerde. Het geldelijk offer, dat de mannen hiervoor te betalen hadden, vloeide in de zakken van de priesters.

Als Jezus de sjacheraars en kooplui als tempelschenners uit de tempel van Jeruzalem verdreef, vond hij daar ook vele van de hier bedoelde gebouwen, waarin aan de godin van de liefde geofferd werd.

Naar deze, volgens onze tegenwoordige begrippen ongehoorde blootstelling van de intiemste, maar ook natuurlijkste betrekkingen van de beide geslachten onderling, kon het in de ogen van het toenmalige mannendom, dat destijds evenals heden de ‘openbare mening’ maakte en beheerste, niet onzedelijk schijnen wanneer vrouwen zich prijs gaven. Daardoor was er een groot aantal vrouwen die aan de grotere vrijheid, welke de ongehuwde staat als hetaeren (publieke vrouwen) bood, de voorkeur gaven boven de echt. Haar koopbaarheid als beroep tot levensonderhoud bedreven. In de vrije omgang met de mannen ontwikkelden zich de begaafdsten van de hetaeren, die ook vaak tot de hogere standen behoorden; vele kregen een grotere vaardigheid en beschaving dan het merendeel van de in onwetendheid en slavernij gehouden gehuwde vrouwen bezat. Zij oefenden daardoor naast de kunsten, waarmee zij de prostitutie bedreven, een grotere aantrekkelijkheid op de mannen uit. Zo verklaart zich het feit dat menigeen van die hetaeren bij de aanzienlijkste en voornaamste mannen van Griekenland een invloed bezat, zoals geen van de wettige vrouwen. Vandaar ook dat de naam van menige hetaere tot bij het nageslacht beroemd is gebleven, terwijl men tevergeefs naar de namen van de wettige vrouwen vraagt.

Onder zulke omstandigheden was de positie van de vrouw in de oudheid een uiterst onderdrukte. Zij werd fysiek en in nog hogere graad ook geestelijk achteruit gezet en ten achteren gehouden. In huis stond de vrouw onmiddellijk boven de bedienden, de eigen zoons traden als heren tegen haar op, en zij had hen te gehoorzamen. Uitmuntend wordt deze toestand geschetst in de Odyssee [10], waarin Telemachus, zich huwbaar voelend, onder de vrijers treedt en zijn moeder Penelope beveelt naar haar woonvertrek te gaan, welk bevel zij zwijgend gehoorzaamt. Verder belooft Telemachus aan de vrijers, na een jaar zijn moeder aan een man tot vrouw te geven, indien in die tussentijd zijn vader niet terug gekeerd is. Een belofte die de vrijers zeer natuurlijk vinden. Daarentegen wordt de positie van de vrouw in het zo beschaafde Griekenland goed geschilderd in de Iphigenia op Tauris, waar Iphigenia klaagt:

“De toestand van de vrouwen is wel de ongelukkigste van alle mensen. Is de man gelukkig, dan is hij de heerser en behaalt in de oorlog veel roem, en hebben de goden hem ongeluk toegekend, zo sterft hij, de eerste der zijnen, een schone dood. Alleen van de vrouwen geluk is eng begrensd, zij dankt hare keus steeds aan anderen, vaak aan vreemden, en wanneer haar huis vernield wordt, voert de overwinnaar haar uit de rokende puinhopen door het bloed van de verslagen geliefden weg.”

Onder zulke toestanden kan het geen verwondering wekken dat bij menig volk en in vele tijden de vraag, of de vrouwen wel mensen waren en een ziel bezaten, in volle ernst werd besproken. Zo geloven de Chinezen en de Indiërs niet aan het volkomen mens zijn van de vrouw en de vraag, of de vrouw een ziel bezit en een mens is werd op het Concilie te Maçon in de 6e eeuw van onze jaartelling in volle ernst ter tafel gebracht en behandeld, en werd slechts door een zeer geringe meerderheid met ‘ja’ beantwoord. De vrouw is geen onderwerp, geen persoon, maar een voorwerp. Men ‘gebruikt’ en ‘misbruikt’ het. Gelijk men een andere zaak gebruikt en misbruikt. Het was alzo een vraag waarover de christelijk-roomse kerkgeleerden naar hartelust konden twisten. Het is na dit alles te verklaren, dat de vrouw tot heden toe in afhankelijkheid gehouden werd, dat wel de vormen van haar onderdrukking veranderen, maar de onderdrukking zelf bleef bestaan.

Hoe de vormen van die onderdrukking zich verder ontwikkelden en steeds veranderen, zal een verdere uiteenzetting aantonen.

Ondergeschikt aan de man in alle maatschappelijke betrekkingen, was de vrouw dit eerst volkomen met betrekking tot zijn zinnelijke lusten, die sterker werkten naarmate het klimaat warmer was, het bloed sneller door de aderen stroomde, maar de vruchtbaarheid van de bodem hem van de zorgen om het bestaan onthieven.

Daardoor was het Oosten sedert overoude tijden een broeinest van alle geslachtelijke zonde en buitensporigheden, waaraan de rijksten en de armsten, de wijzen en de onwetenden zich overgaven. Daardoor was ook de openlijke overgave van de vrouwen in de oude cultuurstaten van het Oosten reeds zeer vroeg ingevoerd.

Gelijk in Babylon, de machtige hoofdstad van Babylonische rijk het voorschrift bestond dat iedere maagd tenminste éénmaal naar de tempel van de godin Mylitta ter bedevaart moest gaan, om zich daar, ter ere van de godin, aan de willekeur van de samengestroomde mannen prijs te geven, zo ook in Armenië, waar in naam der godin Anaïtis op een dergelijke wijze geofferd werd.

Even godsdienstig ingericht was de geslachtsdienst in Egypte, Syrië, Fenicië, op het eiland Cyprus, in Carthago en zelfs in Griekenland en Rome. Ook de joden stonden, gelijk het Oude Testament voldoende bewijst, niet ver van deze dienst en de overgave van de vrouwen: Abraham leende zijn Sara zonder wroeging aan andere mannen, en zelfs aan stamhoofden, (koningen), die hem bezochten en hem rijkelijk beloonden. De aartsvader van de joden, de voorvader van Jezus, vond zo in deze naar onze begrippen hoogst vuile en onzedelijke handel niets aanstotelijks. Merkwaardig is het alleen dat onze kinderen nu nog op school in de grootste verering voor deze man worden opgevoed. Jakob bezat, zoals men weet en reeds werd gezegd, Lea en Rachel, twee zusters tot vrouwen, die hem ook nog hun meiden afstonden. En de Joodse koningen David, Salomo en anderen beschikten over hele harems [11], zonder de gunst van Jehova te verliezen. Het was zede (zedelijk) en de vrouwen vonden het zoals het behoorde.

In Lydië, Carthago en op Cyprus bestond het gebruik dat jonge meisjes zich moesten prostitueeren, om een bruidschat voor hun huwelijk te verdienen. Van koning Cheops van Egypte wordt beweerd dat hij uit het bedrag van de prostitutie van zijn dochter de kosten van de bouw van een piramide besteed heeft.

Van koning Ramses die ongeveer 2.000 jaar voor Christus leefde - wordt verteld: toen hij eens in zijn schatkamer een zeer fijn uitgevoerde diefstal ontdekte, liet hij, om de dief op het spoor te komen, bekend maken dat hij zijn dochter aan een ieder gaf die haar een bijzonder belangrijke geschiedenis wist te verhalen. Onder de mededingers, zo luidt het verhaal, behoorde ook de dief. Nadat hij zijn verhaal beëindigd en het loon in ontvangst genomen had, wilde de koningsdochter hem vast houden. Maar in plaats van zijn hand, hield zij de afgesneden hand van een lijk vast. Deze welgeslaagde list deed de koning besluiten openlijk te verklaren hem iedere straf kwijt te schelden en hem zijn dochter tot vrouw te geven, wanneer hij zich aanmeldde; wat dan ook geschiedde.

Uit deze toestanden ontstond ook, zoals bij de Lydiërs het gebruik, dat de afkomst van de kinderen door de ‘moeder gewettigd’ werd. Ook bestond bij vele volken van de oudheid het gebruik, wat ook bij de oude Germanen volgens J. Scherr in zwang was, dat als bewijs van gastvrijheid aan de gast de vrouw of de dochter voor de nacht werd overgelaten.

In Griekenland waren vroegtijdig publieke vrouwenhuizen algemeen in zwang. Solon voerde ze, in 594 voor onze jaartelling, in Athene als een staatsinstelling in en werd daarvoor door een tijdgenoot aldus bezongen: “Solon, zij geprezen! Want gij koopt publieke vrouwen voor het heil van de stad, voor de zedelijkheid van een stad, die vol is van krachtige jonge mannen, die zonder uw wijze instelling zich zouden overgeven aan rustverstorende vervolgingen van de aanzienlijke vrouwenklasse”. Zo werd voor de mannen als een natuurlijk recht door de wet erkend, wat door vrouwen begaan, verachtelijk en als echtbreuk gold. Ja, in dit zelfde Athene werd door dezelfde Solon beslist: “dat de vrouw, die zich met een minnaar inliet, voor haar misdrijf met de vrijheid of het leven boeten moest.” De man mocht haar als slavin verkopen. En deze geest van onrechtvaardige, ongelijke beoordeling heerst ook nu nog.

In Athene was een prachtige tempel aan de godin Hetaera gewijd. In de tijd van Plato, 400 jaar v.C. waren er, in het om zijn wulpsheid in gans Griekenland zo beroemde Korinthe, in de tempel van Aphrodite (Venus) niet minder dan 1000 liefdemeisjes (Hiërodulen). Korinthe had toen onder de Griekse mannenwereld een even grote faam, als in het midden van de XIXe eeuw Hamburg in Duitsland genoot. Door hun schoonheid, zowel als door hun verstand beroemde hetaeren, gelijk Phryne, Laïs van Korinthe, Gnathaena, Agpasia, de latere gemalin van de beroemde Pericles, ondervonden in de aanzienlijke Griekse kringen de grootste verering. Zij hadden toegang tot de feestmalen en bijeenkomsten van de mannen, terwijl de eerbare Griekse vrouw uitsluitend in de kring van haar huis was aangewezen.

De eerbare Griekse vrouw mocht nergens in het publiek verschijnen, zij ging op straat steeds gesluierd en was hoogst eenvoudig gekleed. Zij bezat slechts zeer geringe beschaving, want deze werd haar met opzet onthouden. Zij sprak slecht en bezat noch tact, noch vrijheid van beweging.

Er zijn thans nog wel vele mannen die de voorkeur geven aan het gezelschap van een schone zondares, boven dat van hun wettige vrouw, en toch behoren tot ‘de steunpilaren van de staat’, de ‘handhavers van de orde’, die over de ‘heiligheid van het huwelijk en van de familie’ moeten waken.

Demosthenes, de grote redenaar, omschreef het geslachtsleven van de mannen van Athene kort met de volgende woorden: “Wij huwen een vrouw om wettige kinderen te verkrijgen en in huis een trouwe bewaakster te hebben, wij houden bijzitten tot onze bediening en dagelijkse hulp, en de hetaeren voor liefdesgenot”. Zo was de vrouw niets meer dan een kinderenvoortbrengster, een trouwe hond die het huis bewaakte. De heer des huizes leefde naar zijn believen, naar zijn willekeur. Plato ontwikkelde in zijn boek De Staat voor de vrouw en de geslachtsverhoudingen naar onze huidige inzichten zeer ruwe begrippen. Hij verlangt vrouwengemeenschap, de kindervoortbrenging door teeltkeus geregeld.

Aristoteles [12] denkt meer burgerlijk. In zijn Politiek zegt hij, “dat de vrouw wel vrij, maar de man ondergeschikt zij, doch moet zij het recht hebben hem een goede raad te geven”. Thucydides [13] spreekt een mening uit die de bijval wegdraagt van al onze huidige filisters. Hij zegt: “die vrouw verdient de hoogste lof waarvan men buitenshuis noch goed, noch kwaad hoort.” Hij verlangt, alzo dat de vrouw een afgezonderd plantenleven zal leiden, dat de kring van de man in geen enkel opzicht zal raken.

De meeste Griekse staten bestonden slechts uit een stad met een klein landbezit; daarenboven leefden de Grieken op de kap van hun slaven [14], een al te sterke toename van het aantal heersers deed alzo het gevaar ontstaan dat dan de gewone levenswijze niet langer meer gevolgd kon worden. Daarom ried Aristoteles aan de vrouwen te ontvluchten, en spoorde hij tot mannen en knapenliefde aan. Socrates beschouwde de knapenliefde als een voorrecht en een teken van hogere ontwikkeling. Deze mening deelde de Griekse mannenwereld en leefde er naar. Er waren derhalve evengoed huizen met mannelijke geprostitueerden, als met vrouwelijke. Zulk een maatschappelijke atmosfeer kon de reeds genoemde Thucydides de uitspraak ontlokken dat de vrouw erger is dan de door de storm voortgezweepte golven, dan de vuurgloed of de val van de wilde bergstroom. “Wanneer er een God is die de vrouw schiep, waar hij ook zij hij wete, dat hij de onzalige bewerker is van het grootste kwaad [15].

In de eerste eeuwen na de stichting van Rome bezaten de Romeinse vrouwen geen enkel recht. Haar positie was evenzo als in Griekenland. Eerst toen de staat groot en machtig werd en de Romeinse patriciërs (d.z. de aanzienlijken, die tegenover de proletariërs stonden) grote rijkdommen verworven hadden, veranderde langzamerhand de verhouding en verkregen de vrouwen, zo al geen wettelijke, dan toch tenminste een grotere maatschappelijke vrijheid. Dat gaf de oude Cato aanleiding tot de klacht: “wanneer iedere huisvader naar het voorbeeld van de voorvaderen, zijn vrouw in de nodige onderworpenheid hield, zo zou men in het openbaar met het gehele geslacht niet zoveel moeite hebben” [16].

Onder het keizerrijk verkreeg de vrouw ook het erfrecht, maar zelf bleef zij onmondig en kon zonder voogd niets doen. Zo lang de vader leefde, bezat deze het voogdijschap, ook wanneer de dochter gehuwd was, of de door hem aangewezen voogd. Stierf de vader, dan werd de naaste mannelijke bloedverwant, ook wanneer hij als zodanig onbekwaam was verklaard, voogd en bezat hij het recht zijn voogdijschap aan een derde over te dragen.

De man was volgens het Romeinse recht eigenaar van de vrouw. Zij had voor de wet geen eigen wil. Het recht tot scheiding bezat alleen de man.

Met de aangroeiende macht en de rijkdom van Rome kwamen in plaats van de oude reinheid van zeden, de zedeloosheid en de grofste buitensporigheden. Rome werd het middelpunt van zwelgerij en zinnelijke verfijning. Het aantal van de publieke vrouwenhuizen nam toe, waarbij tevens de Griekse liefde bij de mannenwereld meer en meer ingang vond. De ongehuwde staat en de kinderloosheid kwamen meer en meer voor onder de heersende klassen, en de Romeinse dames wreekten zich door zich, om de zware straffen op de echtbreuk te ontgaan, te laten inschrijven op de registers van de agenten (aedillen), die met de controle op de prostitutie belast waren.

Aangezien door burgeroorlogen, ten gevolge van het latifundiumsysteem (d.i. het grootlandbezit), de echteloosheid, en de kinderloosheid, toenamen en het aantal Romeinse burgers en patriciërs sterk afnam, vaardigde in het jaar 16 v.C., keizer Augustus de zogenaamde Juliaanse wet uit, die een beloning stelde op geboorten, maar straffen op de ongehuwde staat. Wie kinderen bezat, zou de ongehuwde of kinderloze in rang voorgaan. Ongehuwden mochten geen erfenis, behalve van hun naaste bloedverwanten, aanvaarden. Kinderloze konden slechts de helft erven. Het overige kwam aan de staat. Daarover maakt Plutarchus [17] de volgende opmerking: “de Romeinen huwden niet om erven te krijgen, maar om te erven”.

Later werd die Juliaanse wet nog verscherpt. Tiberius gebood dat geen vrouw zich voor geld prijs mocht geven, wier grootvader, vader of echtgenoot, Romeins ridder was geweest. Gehuwde vrouwen die zich als prostituee lieten inschrijven, zouden als echtbreeksters buiten Italië gebannen worden. Voor de mannen bestonden natuurlijk dergelijke straffen niet.

In de keizertijd waren er drie vormen van huwelijkssluitingen. De voornaamste, en de plechtigste werd door de hogepriester in bijzijn van te minste tien getuigen volbracht, en hierbij at het bruidspaar, als zinnebeeld van het verbond, tezamen enige van meel, zout en water gebakken koeken. De tweede vorm was de ‘in bezitneming’, die als afgelopen werd beschouwd wanneer een vrouw met toestemming van de vaders of van de voogd een jaar onder het dak van de man met deze samen had geleefd. De derde vorm was een soort van wederzijdse koop, waarbij beiden elkaar geldmunten en de huwelijksgelofte gaven.

Bij de joden was het huwelijk reeds vroeg godsdienstig gewijd. Doch de vrouw bezat geen recht van kiezen. De vader bestemde voor haar de bruidegom. Zo schrijft de Talmoed: “Wanneer uw dochter huwbaar is, zo schenk een uwer slaven de vrijheid en verloof hem met haar”. Het huwelijk was bij de joden een plicht. (Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u ) En daardoor heeft het joodse ras, trots alle vervolgingen en onderdrukkingen, zich vlijtig vermeerderd. De joden zijn gezworen vijanden van het malthusianisme (d.i. het tweekinderenstelsel).

Tacitus zegt van hen: “Onder hen heerst een innige gehechtheid en milde vrijgevigheid voor elkaar, maar tegen alle anderen een onverzoenlijke haat. Nooit eten, nooit slapen zij met vijanden; en ofschoon sterk geneigd tot zinnelijkheid, zullen zij nooit huwen met andere vrouwen dan van hun eigen ras. — Doch streven zij naar vermeerdering van hun volk. Want een nakomeling te doden, is hun een zonde; en de zielen van gesneuvelden of met de dood gestraften houden zij voor onsterfelijk. Vandaar die liefde tot voortplanting naast die doodsverachting”.

Tacitus haat en verafschuwt de joden, terwijl ze hun voorvaderlijke (heidense) godsdienst verachtend, schatten en rijkdommen ophoopten. Hij noemt ze de ‘slechtste mensen’, een hatelijk volk [18].

Terwijl de joden onder de heerschappij van de Romeinen tot een steeds nauwere onderlinge band genoopt werden, en onder de lange lijdenstijd die zij van toen af bijna de gehele christelijke middeleeuwen door te dragen hadden, zich een innig familieleven ontwikkelde, dat als voorbeeld kan strekken aan de huidige burgerlijke maatschappij, kwam in de Romeinse samenleving een vernietiging- en oplossingsproces tot stand. De vaak aan waanzin grenzende buitensporigheid werd door een ander uiterste vervangen, door de strengste onthouding. Nu nam de ingetogenheid, gelijk vroeger de losbandigheid, godsdienstige vormen aan, en een dweepziek fanatisme maakte voor haar propaganda.

De alle grenzen te buiten gaande zwelgerij en wellustigheid vormde het schrilste contrast met de nood en de ellende van de miljoenen en nogmaals miljoenen, die het zegevierende Rome uit alle landen van de toenmaals bekende wereld naar Italië in de slavernij gesleept had. Onder hen waren talloze vrouwen die, van huis en haard gescheiden, van de kinderen weggerukt, de ellende diep voelden, en allen naar verlossing zuchtten. Vele Romeinse vrouwen bevonden zich in een nauwelijks betere toestand, en verkeerden in een soortgelijke geestestoestand. Daarbij kwam dat de verovering van Jeruzalem en van het Joodse rijk door de Romeinen, de vernietiging van elke nationale zelfstandigheid onder de gelovige sekten in die landen, dwepers had doen ontstaan die de stichting van een nieuw rijk, dat allen vrijheid en geluk zou brengen, verkondigden.

Het christendom ontstond. Het vertegenwoordigde de oppositie tegen het beestachtig materialisme van de groten en rijken van Rome. Het was een protest tegen de verachting en de onderdrukking van de massa. Maar het verviel in een ander uiterste. Het predikte de onthouding, de verachting voor de vrouw, omdat zij als de oorzaak van al het kwaad werd beschouwd. Het eiste de vernietiging des vlees. Maar nochtans vond het in de door en door rotte bodem van het Romeinse rijk een vruchtbare grond. De vrouw, gelijk alle ellendigen, hopend op bevrijding en verlossing uit haar toestand, sloot er zich bereidwillig bij aan. Er is tot heden nog geen enkele belangrijke beweging in de wereld voorbij gegaan, waarin niet ook vrouwen als strijdsters en martelaressen een werkzaam aandeel hadden. Zij die het christendom als een belangrijk ontwikkelingsverschijnsel beschouwen, moeten niet vergeten dat het juist de vrouw was aan wie het een groot deel van zijn gevolgen te danken heeft. Haar bekeringsijver speelde in de eerste tijd van het christendom in het Romeinse rijk zowel als onder de barbaarse volken van de middeleeuwen een belangrijke rol, en de machtigste vorsten werden door haar bekeerd. O.a. bewoog Clotilde de Frankenkoning Clovis tot het omhelzen van de christelijke leer. Bertha, koningin van Gent, en Gisela, koningin van Hongarije voerden in hun staten het christendom in. Aan vrouwen invloed is verder te wijten de bekering van de hertog van Polen, van tsaar Jarislaw en vele anderen.

Maar het christendom beloonde de vrouw slecht. Het behelst in zijn leerstellingen dezelfde verachting van de vrouw, gelijk alle godsdiensten van het Oosten; het verlaagt haar tot gehoorzame slavin van de man, en die gelofte van gehoorzaamheid moet zij hem thans nog voor het altaar afleggen.

Horen wij hoe de bijbel en het christendom over de vrouw en het huwelijk spreken.

Reeds in het scheppingsverhaal (boek Genesis) wordt van de vrouw gehoorzaamheid aan de man geëist. De tien geboden van het Oude Testament gelden eigenlijk alleen de man, want in het negende gebod wordt de vrouw gelijkgesteld met de dienstboden en de huisdieren. De vrouw is namelijk een stuk eigendom dat de man voor een koopsom of bewezen diensten verkreeg. Jezus, een lid van een sekte, die zich de strengste ascese (onthouding) oplegde, nl. in geslachtelijke omgang, verachtte het huwelijk en predikte: “er zijn gesnedene, die uit moeders lijf alzo geboren zijn; en er zijn gesnedene, die van de mensen gesneden zijn; en er zijn gesnedene, die zich zelf gesneden hebben, om het koninkrijk van de hemelen”. (Mattheus 19. Vers 11 en 12.)

De ontmanning (castratie) is alzo volgens Jezus een aan god welgevallig werk en onthouding van de liefde en het huwelijk een goede daad.

En Paulus, die nog meer dan Jezus als stichter van het christendom gerekend mag worden, Paulus, die het eerst het internationale karakter aan deze leer gaf, en haar verloste uit de boeien van bekrompen joodse dweepzucht, predikte: “Het huwelijk is een mindere stand; huwen is goed, maar niet huwen is nog beter”. “Wandelt in de geest, en onderdrukt de begeerten van het vlees. Het vlees strijdt tegen de geest en de geest tegen het vlees.”

Zij, die Jezus gevonden heeft, hebben hun vlees gekruisigd, alsook hun hartstochten en begeerten.

Hij zelf handelde volgens zijn leer, en huwde niet. Deze haat tegen het vlees, of m.a.w. die “haat tegen de vrouw”, welke als verleidster van de man volgens de paradijsgeschiedenis wordt voorgesteld, heeft als zodanig een diepe zin. In deze geest predikten de apostelen en de kerkvaders, in die geest werkte de kerk de middeleeuwen door, terwijl zij kloosters oprichtte en het celibaat (ongehuwde staat) van de priesters invoerde; en thans nog werkt zij in diezelfde geest voort.

De vrouw is naar het christendom de ‘onreine’, de verleidster die de zonde in de wereld bracht en de man te gronde richtte. Daarom beschouwden de apostelen en kerkvaders het huwelijk altijd als een ‘noodzakelijk kwaad’ zoals men het tegenwoordig van de prostitutie zegt. Zo roept Tertullianus: “Vrouw, gij zult steeds in droefenis en lompen gaan, uw ogen gevuld met tranen van berouw, om te vergeten dat gij het mensengeslacht in het verderf gestort hebt. Vrouw! Gij zijt de poort der hel!”

Hieronymus zegt: “Het huwelijk is immer een ondeugd, alles wat men doen kan, is het te verontschuldigen en te heiligen, waarom men het tot een kerkelijk sacrament maakte”. Origenes: “Het huwelijk is iets onheiligs, iets onreins, een middel voor de wellust”, en om de verzoeking te ontgaan, ontmande hij zich. Tertullianus: “Echteloosheid moest verkozen worden, al ging het mensengeslacht ook te gronde”. Augustinus: “De ongehuwden zullen aan de hemel schitteren als lichtende sterren, terwijl hun ouders (die ze geteeld hadden) de donkere sterren zouden gelijken”. Eusebius en Hieronymus stemmen hierin overeen dat het gebod van de bijbel: “Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u”, niet meer de tijdgeest uitdrukte, en de christenen er zich dus niet om behoefden te bekommeren. Nog honderden aanhalingen uit de voornaamste kerkvaders zijn aan te voeren, die alle dezelfde geest ademen, en door hun voortdurende prediking een onnatuurlijke beschouwing over de geslachtelijke omgang en het verkeer der beide seksen verbreid hebben, “die toch een gebod van de natuur, en wier vervulling een van de voornaamste plichten van het levensdoel is”. Door deze leringen lijdt de huidige maatschappij nog zwaar, en zij geneest slechts zeer langzaam daarvan.

Petrus roept de vrouwen met nadruk toe: “Vrouwen, wees uw mannen gehoorzaam”. En Paulus schrijft aan de Efeziërs: “De man is het hoofd van de vrouw, gelijk Christus dat is van de kerk”; en aan de Korintiërs: “De man is het evenbeeld en de roem Gods, en de vrouw de roem des mans”. Iedere gek of ellendeling van een man kan zich dus voor beter houden dan de uitmuntendste vrouw, en in de praktijk is dit helaas tot heden zo gebleven.

Ook tegen de hogere opvoeding en beschaving van de vrouw verheft Paulus zijn stem, als hij zegt: “Men sta een vrouw niet toe dat zij onderricht of leert, maar gehoorzame, diene, en stille zij”.

Zulke ideeën waren er niet alleen in het christendom. Evenals het christendom een mengsel is van jodendom en Griekse filosofie, en deze weer wortelen in de oudere beschaving (cultuur) van Egyptenaren, Babyloniërs en Indiërs, zo was ook de ondergeschiktheid, welke het christendom de vrouw aanwees, dezelfde die alle oude cultuurstaten haar hadden aangewezen. En deze ondergeschiktheid van de vrouw is bij de in ontwikkeling achterlijke volken van het Oosten nog meer behouden dan in het christendom. Wat in de zogenaamde christelijke wereld haar toestand verbeterde, was niet het christendom, maar de ‘in weerwil van het christendom vooruitgegane beschaving van het avondland (d.i. het Westen, West-Europa).

Het christendom is er dus onschuldig aan, wanneer vandaag de positie van de vrouw beter is, dan in de tijd van zijn ontstaan. Het heeft slechts onwillig zijn ware aard met betrekking tot de vrouw verloochend, en deed dit nog wel gedwongen. Zij, die voor de ‘mensheid bevrijdende zending’ van het christendom dwepen, zijn in dit opzicht natuurlijk van een ander mening.

Zij beweren driest dat het christendom de vrouw uit haar vroegere vernederende positie opgeheven heeft, waarbij zij vooral wijzen op de later in, het christendom ingevoerde Maria-, moeder-godsdienst, een dienst die het vrouwelijk geslacht als zodanig, moet gegolden hebben.

Daartegen moet de katholieke kerk, die deze dienst in ere houdt, beslist protesteren. De reeds aangehaalde heiligen en kerkvaders, wier aantal zeer gemakkelijk aanzienlijk kon vermeerderd worden, en wel met de eerste en voornaamste, spreken zich allen bijzonder vrouwen verachtend uit.

Het eerder genoemde concilie (d.i. kerkvergadering) van Mašon, dat in de VIe eeuw besprak of de vrouw een ziel had, ja of neen, spreekt luid tegen een bijzonder vriendelijke beschouwing over de vrouwen. De invoering van het celibaat (d.i. de gedwongen ongehuwde staat van de geestelijken) door paus Gregorius VII [19] (1073-1085), het woeden van de hervormers, en vooral van Calvijn tegen ‘de lusten des vlees’ en voor alles de bijbel zelf met zijn talrijke vrouwen en mensenverachtende uitspraken leren het tegendeel.

Terwijl de katholieke kerk de Mariadienst invoerde, schiep zij met sluwe berekening daarmee haar eigen godinnendienst in plaats van de heidense godinnen: dienst, die bij alle volken, waar het christendom zich allengs uitbreidde, bestond. Maria verving Kybele, Myletta, Aphrodite, Venus, enz. van de zuidelijke volken, en Edda, Freya, enz., van de Germaanse volken, slechts werd zij christelijk-spiritualistisch [20] geïdealiseerd.

De oorspronkelijke, fysiek (lichamelijk) gezonde, wel ruwe maar onbedorven ‘barbaarse’ volken, die in de eerste eeuwen van onze jaartelling uit het noorden en oosten, als ontzaglijke zeevloeden het verslaafde Romeinse wereldrijk overstroomden, waar het christendom wortel had geschoten en machtig was geworden, weerstonden krachtig de dogmatische leringen van de christelijke predikers, en goed of kwaadschiks moesten deze met die gezonde natuur rekening houden. Met verwondering zagen de Romeinen dat de zeden en gebruiken van die barbaren geheel anders waren dan de hunne. Tacitus erkende dit feit, waar hij over de Duitsers aldus schrijft: “Hun huwelijken zijn zeer streng en geen van hun zeden is meer te prijzen dan deze, want zij zijn ongetwijfeld de enige barbaren die zich vergenoegen met één vrouw; zeer weinig hoort men bij deze talrijke volken van echtbreuk, die echter ook ogenblikkelijk gestraft wordt, ‘t geen de man zelf is veroorloofd. Met afgesneden haren verjaagt de man de echtbreekster naakt van de familie uit het dorp, want geschonden zedelijkheid vindt geen medelijden”.

“Noch door schoonheid, jeugd of rijkdom vindt zulk een vrouw een man. Daar spot niemand met de ondeugd; daar ook is verleiden of verleid worden niet ‘zoals het hoort’. De jonge mannen trouwen laat, waardoor zij hun kracht behouden; ook de meisjes worden niet te vroeg uitgehuwelijkt, en bij hun vindt men dezelfde jeugdige levenskracht, dezelfde lichamelijke grootte. Van gelijke leeftijd en gelijke kracht huwen zij, en de kracht van de ouders gaat op de kinderen over”.

Men moet echter niet vergeten dat Tacitus, om de Romeinen een voorbeeld te stellen, de echtelijke toestanden van de oude Germanen rooskleurig voorstelde, of ook niet voldoende kende. Wanneer het juist is dat de echtbreekster streng gestraft werd, zo geschiedde dit geenszins met de echtbreker. De Germaanse vrouw was aan de absolute heerschappij van de man onderworpen, hij was haar heer en meester. De vrouw deed de zwaarste arbeid en zorgde voor de huishouding; terwijl de man op jacht ging of in de oorlog, of op een berenhuid liggende zich aan spel en drank overgaf, of de dag verluierde.

Bij de oude Duitsers, evenals bij alle volken, was de patriarchale (d.i. aartsvaderlijke) familie de eerste vorm van de maatschappij. Uit haar ontstond de gemeente, het mark- en stamgenootschap. Het familiehoofd was de geboren heer van deze gemeenschap, na hem kwamen de mannelijke leden. Vrouwen, dochters, schoondochters waren van de raad en de leiding uitgesloten.

Wel gebeurde het soms dat door buitengewone omstandigheden begunstigd, ook een vrouw de leiding van een stam in handen kreeg — wat Tacitus met afschuw en met verachtende opmerkingen vermeld — maar dit was uitzondering.

In de aanvang hadden de vrouwen hoegenaamd geen erfrecht; en later slechts gedeeltelijk.

Ieder vrijgeboren Duitser had recht op een aandeel in de gemeenschappelijke grond en bodem die, voor zover hij niet als woud, weide of water tot algemeen gebruik bestond, in ‘loten’ onder de gemeente- of markgenoten was verdeeld. Zodra de jonge Germaan huwde, kreeg hij zijn toegewezen deel aan grond en bodem; en kreeg hij kinderen had hij nogmaals recht op een stuk land. Ook was algemeen ingevoerd dat jong gehuwden bijzondere voordelen tot het oprichten van een huishouden verkregen, bv. een wagenvracht beukenhout, benevens het hout voor de woning. De buren hielpen bereidwillig bij het aanbrengen en timmeren en de bouw van het huis- en akkergereedschap. Werd een dochter geboren, dan hadden zij recht op een wagenvracht hout, was de pasgeborene daarentegen een zoon, op twee. Men ziet, het vrouwelijke geslacht was de helft minder waard dan de man.

De huwelijksverbintenis was eenvoudig: Van een godsdienstige (religieuze) handeling was geen sprake; een wederkerige verklaring was voldoende, en zodra het paar het huwelijksbed betreden had, was de echt gesloten en volmaakt in orde. Het gebruik, dat het huwelijk voor de geldigheid ook een kerkelijke ceremonie eiste, kwam eerst in de negende eeuw in zwang en werd pas in de zestiende eeuw door het concilie van Trente tot een kerkelijk sacrament gewijd. Geen enkele geschiedschrijver vermeldt dat de vroeger zo eenvoudige vorm van de echtsluiting, volgens welke deze een eenvoudig privaatverdrag tussen twee personen van beiderlei geslacht was, maar ook het minste nadeel voor ‘t gemenebest of de ‘zedelijkheid’ gehad heeft. Het gevaar voor de zedelijkheid bestond niet in de vorm van de huwelijksverbintenis, maar hierin dat de vrije als heer over slaven (lijfeigenen) en horigen zijn macht over het vrouwelijk deel van hen, ook in geslachtelijke omgang, straffeloos kon misbruiken.

Tijdens de lijfeigenschap en horigheid bezat de grondheer onbeperkte macht over zijn lijfeigenen, en over zijn onderhorigen was die macht niet veel minder beperkt. De heer had het recht iedere man bij zijn 18e jaar en ieder meisje bij haar 14e jaar tot een huwelijk te dwingen. Hij kon de man een vrouw, en de vrouw een man voorschrijven. Datzelfde recht bezat hij ook over weduwen en weduwnaars. Bovendien bezat de grondheer het zogenaamde ‘jus prima noctis’ (recht op de eerste nacht), waarvan hij echter tegen betaling van een bepaalde belasting, die reeds door de naam haar aard verried (‘Bettmund’, ‘Hemdschilling’, ‘Jungfernzins’, ‘Schürzenzins’, ‘Bunzen groschen’ enz.) afstand kon doen [21].

Nu waren de huwelijken in het belang van de landsheren, waar de daaruit gesproten kinderen in dezelfde afhankelijkheid van hen verkeerden als de ouders, en hun arbeidskrachten aldus werden vermeerderd, en daarmee hun inkomsten. Daarom begunstigden geestelijke en wereldlijke grondheren de huwelijken van hun onderhorigen. Anders was het wanneer de kerk het uitzicht had, door verhindering van het huwelijk, land en volk als erfenis in haar bezit te krijgen. Dit betrof echter alleen de vrijen en wel het meest de minderen, van wie de toestand in de loop der tijden door omstandigheden, die hier buiten bespreking blijven, steeds onhoudbaarder was geworden, en die, godsdienstige ingevingen en vooroordelen vaak volgend, hun bezittingen aan de kerk afstonden en achter de kloostermuren bescherming en vrede zochten. Andere grondeigenaars, die niet opgewassen waren tegen het geweld van de grote landbezitters, stelden zich in ruil voor bepaalde belastingen en diensten onder de hoede van de kerk. Hun nakomelingen viel vaak echter hetzelfde lot ten deel dat hun voorvaderen hadden willen vermijden. Zij kwamen in afhankelijkheid en horigheid van de kerk, of men maakte ze tot proselieten (volgelingen, aanhangers) voor de kloosters, om hun eigendommen te kunnen inpalmen.

De in de middeleeuwen opkomende steden hadden in de eerste eeuwen er een groot belang bij de aangroei van de bevolking te begunstigen, terwijl ze de nederzetting en de echtverbintenissen vergemakkelijkten. Maar mettertijd veranderden deze verhoudingen. Zodra de steden tot macht gekomen waren, en een goed ontwikkelde en georganiseerde arbeidersstand bezaten, groeide de vijandigheid tegen nieuwe nederzetters, in wie men slechts lastige concurrenten zag. Met de aangroeiende macht van de burgers, vermenigvuldigde zich ook de hinderpalen die tegen nieuwe nederzettingen opgericht werden. Hoge belastingen, kostbare proeven tot verkrijging van het meesterschap [22], beperking van ieder bedrijf tot een bepaald aantal meesters en gezellen, dwongen duizenden tot onzelfstandigheid, tot een ongehuwd leven en landloperij. Toen de bloeitijd der steden voorbij was, en het tijdperk van verval intrad, lag het in de bekrompen levensbeschouwing van die tijd, dat de hinderpalen, die het tot zelfstandigheid komen en de nederzetting belemmerde, zich zelfs nog vermeerderden. Andere oorzaken werkten eveneens demoraliserend (ontzenuwend).

De tirannie van de heren nam van eeuw tot eeuw dermate toe, dat velen van hun onderdanen dit hondenleven vaarwel zeiden, om bedelaars, landlopers of rovers te worden, wat door de grote bossen en de slechte toestand van de verkeerswegen begunstigd werd. Of zij werden landsknechten (soldeniers), die zich aan de meestbiedende, of aan hem die de grootste buit beloofde, verkochten. Er ontstond een talrijk, mannelijk en vrouwelijk lompenproletariaat, dat een ware landplaag werd. De kerk droeg tot het algemeen bederf het hare bij. Lag reeds in de celibataire (ongehuwde) positie van de geestelijken de hoofdoorzaak van de toeneming van de grofste bandeloosheid en zedeloosheid, dit werd nog begunstigd door het onophoudelijk verkeer met Rome en Italië.

Rome was niet alleen de hoofdstad van de christenheid en de residentie van het pausdom, het was ook het nieuwe Babylon, de Europese hogeschool voor onzedelijkheid, en het pauslijk hof haar voornaamste zetel. Het Romeinse rijk had bij zijn verval het christelijke Europa meer ondeugden dan deugden nagelaten, de eerste werden in Italië in erge mate bedreven, en drongen van daar als gevolg van het verkeer van de geestelijkheid, door naar Duitsland. Het ongehoorde aantal geestelijke, meestal krachtige mannen, bij wie de vleselijke lusten door een vadsig en losbandig leven in hoge mate waren opgewekt, maar door het gedwongen celibaat hun bevrediging zochten in geslachtelijke losbandigheid of op onnatuurlijke wijze, bracht de zedeloosheid in alle kringen van de maatschappij en werd voor de zedelijkheid van het vrouwelijke geslacht in steden en dorpen een groot gevaar. Monniken en nonnenkloosters onderscheidden zich van publieke huizen slechts hierin, dat het leven daar nog teugellozer en losbandiger was, en de talrijke misdaden vooral kindermoorden, veel gemakkelijker konden verborgen gehouden worden, daar zij die de rechtsspraak uit oefenden aan het hoofd van dit verderf stonden. De boeren op het land poogden hun vrouwen en dochters voor de geestelijke (?) verleiding te vrijwaren, door geen ‘zielenherder’ aan te nemen, die niet beloofde een bijzit te houden; een omstandigheid die een bisschop van Constanz op het idee bracht de geestelijken van zijn diocese een belasting op de bijzitten op te leggen. Zo is het feit verklaarbaar dat in de door bijziende romantiekkers ons zo als vroom en deugdzaam voorgestelde middeleeuwen, op het Concilie van Constanz (1414) bv. niet minder dan 1.500 trekkende lichtekooien verschenen.

De toestand van de vrouwen werd bovendien nog ongunstiger, doordat, naast al de hinderpalen, die het huwelijk en de nederzetting in de weg stonden, ook hun aantal dat van de mannen ver overtrof. ‘De bijzondere oorzaken hiervoor zijn de talloze oorlogen en veten, de gevaarvolle handelsreizen, grotere sterfte onder de mannen tengevolge van onmatigheid en zwelgerij, en de uit deze levenswijze voortvloeiende grotere sterfte bij de talloze pestachtige ziekten, die de gehele middeleeuwen door woedden. Zo telde men tussen 1326 en 1400 niet minder dan tweeëndertig, van 1400-1450 eenenveertig, van 1500-1600 dertig pestjaren [23].

Scharen van vrouwen trokken als goochelaarsters, zangeressen, speelsters in gezelschap van reizende ‘scholieren’ en geestelijken over de straatwegen, overstroomden de kermissen en markten, en verder alle volksverzamelingen en feestelijkheden.

In de legers van de landsknechten vormden zij bijzondere afdelingen met eigen aanvoersters. Hier werden zij naar schoonheid en ouderdom, in overeenstemming met het gildenwezen van die tijden, voor verschillende posten aangewezen, en mochten zich op boete van zware straffen niet met anderen inlaten. In het leger moesten zij met de trosjongens hooi, stro en hout aandragen, greppels, poelen en kuilen opvullen, en de legerplaatsen schoon maken. Bij belegeringen hadden zij met rijs en takkenbossen de greppels te vullen, om het bestormen gemakkelijker te maken; zij hielpen het geschut plaatsen, of wanneer dit in de moerasbodem gezakt was, het er uit te trekken.

Om de ellende van de talrijke hulpeloze vrouwen enigszins te lenigen; stichtte men in veel steden zogenaamde ‘godshuizen’ die onder het stadsbestuur stonden. Hier vonden zij huisvesting, doch waren verplicht een fatsoenlijke levenswijze te volgen. Maar noch de menigte van deze instellingen, noch de talrijke vrouwenkloosters waren in staat alle hulpzoekenden onder dak te brengen.

Daar volgens de ideeën van de middeleeuwen geen bedrijf, al ware het ‘t verachtelijkste, zonder bepaalde reglementen kon uitgeoefend worden, zo werd ook de prostitutie als beroep (gilde) georganiseerd. Er waren in alle steden vrouwenhuizen, die stedelijk, landsvorstelijk, ja zelfs kerkelijk eigendom waren, en waar inkomsten in de respectievelijke kassen vloeiden. De vrouwen van die bordelen hadden een eigen, zelf gekozen hoofdvrouw (Altmeisterin), om orde en tucht te bewaren, en te zorgen dat geen ‘beunhazen’, d.z. niet tot het gilde behorende concurrenten, de zaak bedierven. Deze werden bij betrapping bestraft en woedend vervolgd. De bordelen genoten bijzondere steun, rustverstoringen in de nabijheid werden dubbel zwaar gestraft. Ook hadden vrouwelijke gildengenoten het recht bij processies en feestelijkheden, waaraan de gilden in ‘t algemeen geregeld meewerkten, aan de optocht deel te nemen, en werden zij niet zelden bij vorsten en raadsheren als gasten aan tafel genodigd.

Toch ontbreekt het, vooral in vroegere tijden, ook niet aan gewelddadige vervolgingen van zulke vrouwen, natuurlijk uitgaande van dezelfde mannen die ze door hun geld hielpen en onderhielden. Wat moet men zeggen wanneer Karel de Grote (?) verordende, dat een geprostitueerde naakt op de markt moest gesleept en gegeseld worden, terwijl hij zelf de ‘allerchristelijkste’ koning en keizer, niet minder dan zes vrouwen tegelijk had!

Dezelfde overheden die officieel de prostitutie ‘organiseerden, en onder haar bescherming namen, en de priesteressen van Venus allerlei voorrechten schonken, vonden de hardste en gruwelijke straffen voor een arme verleide maar verlaten vrouw uit. De kindermoordenaares, die in haar vertwijfeling haar vrucht van de liefde gedood had, werd in de regel tot de gruwelijkste doodstraf veroordeeld; naar de gewetenloze verleider kraaide geen haan. Hij zat wellicht mee in de jury, die het doodvonnis over het arme offer velde. En dat komt heden nog voor [24].

In Würzburg zwoer in de middeleeuwen de bordeelhouder voor de magistraat (overheidspersoon): “De stad trouw en toegedaan te zijn, en vrouwen te werven.” Hetzelfde geschiedde in Neurenberg, Ulm, Leipzig, Frankfurt, Keulen enz. In Ulm, waar in 1537 de bordelen opgeheven waren, bewerkten in 1551 de gilden haar wederinvoering, om grotere onheilen te voorkomen! Aanzienlijke vreemdelingen werden op stadskosten publieke vrouwen ter beschikking gesteld. Toen koning Ladislaus in 1452 Wenen binnentrok, zond hem de magistraat een deputatie (afvaardiging) van publieke vrouwen tegemoet, die slechts in doorschijnend gaas gehuld, de schoonste lichaamsvormen vertoonden. Bij zijn intocht in Brugge werd keizer Karel V door een deputatie van naakte meisjes begroet. Zulke gevallen kwamen in die tijd vaak voor, zonder veel aanstoot te geven.

Fantastische ‘Romantiekers’, (d.z. die schrijvers die het tijdvak van de middeleeuwen als het ideaal van samenleving prijzen) en andere lieden van sluwe berekening, hebben gepoogd die tijd als bij uitstek ‘zedelijk’ en van ware vrouwenverering getuigend, voor te stellen. Daarvoor moeten vooral de minnezangers in Duitsland - einde 12e-14e eeuw - ten bewijs strekken. De minnedienst (liefdedienst) der ridderschap, die het Franse, Italiaanse en Duitse ridderdom bij de Moren in Spanje en op Sicilië hadden leren kennen, moet getuigenis afleggen voor de hoge achting waarin gedurende die tijd de vrouw stond. Men bedenke echter hierbij: 1e dat in ‘t algemeen de ridderschap een klein deel van de bevolking uit maakte, en vooral de edelvrouwen slechts de overkleine minderheid van het gehele vrouwelijke geslacht; 2e dat slechts een klein deel van de ridderschap de eigenlijke minnedienst aanhing, en 3e dat het ware wezen van deze minnedienst erg overdreven en, te goeder trouw of opzettelijk, verwrongen is. De eeuw waarin deze minnedienst hoofdzakelijk bloeide, was tevens de eeuw van het ruwste vuistrecht in Duitsland, waar, ten minste op het land, alle banden van recht verbroken waren, en de ridderschap straffeloos struikroverij, plundering en brandschatting bedreef. Dat een tijd van dergelijk brutaal geweld niet een tijd was, vervuld van bijzonder zachte en dichterlijke gevoelens, is zeer duidelijk. Integendeel. Deze tijd droeg er nog het zijne toe bij om het beetje achting voor de vrouw nog zoveel mogelijk te verminderen.

De ridderschap op het land en uit de stad bestond merendeels uit ruwe, woeste gezellen, wier voornaamste hartstocht naast hun veten en onmatig brassen, bestond in de meest teugelloze bevrediging van hun vleselijke lusten. Alle kronieken uit die tijd weten niet genoeg te verhalen van verkrachtingen en rechtsschennis, waaraan de adel op het land, en vooral ook in de steden, waar zij tot de 13e en 14e eeuw uitsluitend het stadsbestuur vormde, zich schuldig maakte, zonder dat hun slachtoffers de middelen bezaten zich recht te verschaffen. Want in de stad zaten de jonkers in de ‘schepenbank’ (schepenen waren in de middeleeuwen overheidspersonen die men kan vergelijken met onze wethouders. NvdV), en op het land was de grondheer, die de ‘bloedban’, het doodvonnis, kon uitspreken de ridder of de bisschop. Het is derhalve beslist onmogelijk dat een ridderschap met zulke zeden en gewoonten, een bijzondere achting voor de eigen vrouwen en dochters zou gehad hebben, en deze als een soort van hogere wezens op handen zou gedragen hebben.

In zoverre deze minnedienst beoefend werd, en er kan een kleine minderheid oprechte dwepers van vrouwenschoonheid geweest zijn, ging hij ook niet zelden uit van mensen die gelijk Ulrich von Lichtenstein niet goed bij het hoofd waren, en bij wie christelijk mysticisme (geloof aan het bovennatuurlijke) en christelijke ingetogenheid met de aangeboren en ingezogen zinnenlust tezamen werkten.

Anderen, die nuchterder waren, streefden naar meer praktische doeleinden. Over ‘t geheel genomen was deze minnedienst echter de vergoding der minnares op kosten van de wettige vrouw, een christelijk hetaerisme, gelijk het in de tijd van Pericles in Griekenland bestond. Werkelijk was in de middeleeuwen wederzijdse verleiding van de vrouwen onder het ridderschap een sterk beoefende minnedienst, en dat bestaat in sommige kringen van onze bourgeoisie thans ook nog.

Dit over de ‘romantiek’ van de middeleeuwen en haar hoogschatting van de vrouw.

Ongetwijfeld lag in deze openlijk beoefende minnedienst, gelijk die bestond in de middeleeuwen, de erkenning dat de in ieder gezond en rijp mens aanwezige geslachtsdrift het recht heeft bevrediging te zoeken, en hierin ligt een overwinning van de gezonde natuur op de onthoudingsleer van het christendom. Maar aan de andere kant moet er steeds op gewezen worden dat deze erkenning en begunstiging slechts één geslacht ten goede kwam, dat men daarentegen het andere behandelde als kon en mocht het niet dezelfde natuurdrift hebben, en werd de geringste overtreding van de door de mannen gemaakte zedelijkheidswetten streng gestraft. Het vrouwelijke geslacht had zich ten gevolge van aanhoudende onderdrukking en eigenaardige opvoeding, zo in de heersende gedachtegang ingewerkt, dat het deze toestand volkomen natuurlijk en overeenkomstig de orde vond.

Waren er ook niet miljoenen slaven, die de slavernij natuurlijk vonden en zichzelf nooit bevrijd hadden, wanneer niet uit de klasse van de slavenhouders zelf de bevrijders waren opgestaan? Petitioneerde niet de Pruisische boeren, toen zij, na 1807, tengevolge van Stein’s wetgeving, uit de horigheid bevrijd werden, ze daarin te laten, “want, wie zou voor hen zorgen als zij oud of ziek werden?”

En is het bij de huidige arbeidersbeweging ook zo niet? Hoe veel arbeiders laten zich niet door hun uitzuigers nog met een kluitje in het riet sturen?

De onderdrukte heeft opwekking en aanmoediging nodig, daar hem zelf de macht en de bekwaamheid tot zelfstandig optreden ontbreekt. Zo was het bij de slavernij, de lijfeigenschap en de horigheid, zo was en is het bij de tegenwoordige arbeidersbeweging en zo is het bij de strijd voor de bevrijding en ontvoogding (emancipatie) van de vrouw. Zelfs waren bij de bevrijdingsstrijd van de moderne burgerij, die nog wel in gunstiger omstandigheden verkeerde, edelen en geestelijken de baanbrekers.

Welke gebreken en fouten de middeleeuwen ook aankleefden, waar is het dat zij een gezonde zinnelijkheid bezaten die het christendom niet kon onderdrukken. Dat haar ook vreemd was die huichelachtige preutsheid, beschaamdheid en heimelijke wulpsheid van onze tijd, die schroomt de dingen bij de waren naam te noemen, over natuurlijke zaken ook natuurlijk te spreken. Zij kenden ook niet die pikante dubbelzinnigheden, waarin men dingen die men uit gebrek aan natuurlijkheid en uit zede geworden preutsheid, niet openlijk noemen wil, omhult en daardoor des te gevaarlijker maakt, omdat deze verbloeming prikkelt, maar niet bevredigt, slechts aanduidt, maar niet duidelijk uitspreekt. Ons gezellig onderhoud, onze romans en onze komedies zijn vol van deze dubbelzinnigheden, waarvan de invloed niet achterwege blijft. Dit spiritualisme, dat niet een spiritualisme van een bovenzinnelijke filosoof is, maar van de roué [25], en zich achter het godsdienstig spiritualisme verschuilt, heeft tegenwoordig een grote macht.

De gezonde zinnelijkheid van de middeleeuwen vond in Luther haar klassieke vertolker. Met de godsdienstige hervormer heb ik hier niets te maken, over deze luidt mijn oordeel anders dan over Luther als mens. In de laatste hoedanigheid treedt Luthers krachtige, gezonde natuur sterk op de voorgrond. Deze dwong hem rondborstig zijn behoefte naar liefde en genot uit te spreken. Zijn positie als voormalig Roomse geestelijke had hem de ogen geopend, had hem het tegennatuurlijke van het monniken- en nonnenleven in de praktijk bij zich zelf doen leren kennen. Vandaar de hartstocht waarmee hij het priester en kloostercelibaat bestreed.

Zijn woorden hebben heden nog waarde voor allen die menen tegen de natuur te mogen, ja te moeten zondigen, en het met hun begrippen over moraal en zedelijkheid overeen kunnen brengen dat staat en maatschappij miljoenen belet hun natuur te volgen. Luther zei: “Een vrouw, die niet bijzonder begenadigd is, kan evenmin een man ontberen, als eten, slapen, drinken en andere natuurlijke behoeften. Ook kan een man op zijn beurt niet buiten een vrouw. De oorzaak hiervan is deze: het is de menselijke natuur even diep ingeplant kinderen voort te brengen als te eten, te drinken, te slapen, enz. Daartoe heeft God het lichaam de organen, de aderen en vochten, en alles wat daartoe dient, gegeven. Wie dit nu weren wil, en niet laat gaan zoals de natuur wil, wat doet hij anders dan te willen dat de natuur niet natuur zij, dat vuur niet brande, water niet nat maakt, de mens niet eet, slaapt of drinkt?”

Terwijl Luther dus de bevrediging van de geslachtsdrift als een natuurgebod erkende, en door het opheffen van het celibaat van de geestelijken, en het laten verdwijnen van vele kloosters, miljoenen hun natuurdrift konden voldoen, bleven er nochtans andere miljoenen van buitengesloten.

De hervorming was het eerste protest van het opkomende grootburgerdom tegen de dwang van de feodale toestanden in staat, kerk en maatschappij. Het streefde naar bevrijding uit de enge banden van de gilde-, hof- en banrechten, naar centralisatie van het staatswezen, vereenvoudiging van het weelderige kerkwezen, opheffing van het niets doende monnikendom, en verplichting dat de monniken aan de productie zouden deelnemen. Terwijl alzo de feodale (leenheerlijke) vorm van de eigendom en van de productie opgeheven werd, moest in zijn plaats de burgerlijke vorm treden, d.w.z. in plaats van de genootschappelijke samenwerking en ondersteuning van kleine kringen, zou de vrije persoonlijke strijd om het bestaan treden.

Luther was op godsdienstig gebied de vertegenwoordiger van dat streven. En wanneer hij voor de vrijheid van het huwelijk opkwam, meende hij daarmee slechts het burgerlijke huwelijk, zoals het zich eerst in onze tijd door de wetgeving op het burgerlijk huwelijk en de daarmee verbonden burgerlijke wetgeving vrijheid van landverhuizing en beroepsvrijheid, ontwikkeld heeft. In hoeverre daardoor de positie van de vrouw verbeterd is, zal later nagegaan worden. In de tijd van de hervorming was het echter zo ver nog niet gekomen. En wanneer ook door genoemde maatregelen van de kerkelijke hervorming velen de mogelijkheid tot een huwelijk gegeven werd, aan de andere kant werd de vrije geslachtelijke omgang ten strengste vervolgd. Had de katholieke geestelijkheid zich tegenover geslachtelijke buitensporigheid zeer toegevend getoond, des te woedender ijverden de protestantse geestelijken nu, na zelf geholpen te zijn, daartegen. De publieke vrouwenhuizen werd de oorlog verklaard. Zij werden als ‘holen van de Satan’ gesloten, de geprostitueerden als ‘dochters van de duivel’ vervolgd, en iedere vrouw die een ‘misstap’ beging, als toonbeeld van alle slechtheid aan de kaak gesteld.

Uit de levenslustige kleinburger van de middeleeuwen, die leefde en liet leven, werd thans een bigotte (bijgelovige) zedeprekende, sombere ‘Spiess’ burger (poorter; eerzame burger) geboren, die zoveel mogelijk ‘spaarde’, waardoor zijn grootburgerlijke nakomelingen van de 19e eeuw des te kwistiger en losbandiger zouden kunnen leven. De ‘eerzame’ burger met stijve halsboord, uitgestreken gezicht, met zijn bekrompen gedachtegang en strenge moraal (zedenleer) werd het levensbeeld van de maatschappij.

De wettige (legitieme) vrouw, wie de katholieke zinnelijkheid van de latere middeleeuwen reeds lang niet meer behaagd had, was met de puriteinse (streng godsdienstige, volgens de leer van de puriteinen, een protestantse sekte in Engeland) geest van het protestantisme zeer ingenomen. Voor de vrouwen in ‘t algemeen was het niet beter geworden.

Door de ontdekking van Amerika en het vinden van de zeeweg naar India was er een grote omkering gekomen in het productiesysteem, en verder in handel en nijverheid; dit alles sleepte een geweldige reactie op sociaal gebied met zich mee; vooral in Duitsland.

Duitsland hield op het middelpunt van de wereldmarkt en van de wereldhandel te zijn. Spanje, Portugal, Holland, Engeland waren achtereenvolgens de toonaangevende mogendheden, en Engeland is dat tot op onze dagen gebleven. Zo ging de Duitse nijverheid en de Duitse handel aan ‘t kwijnen. Tevens had de kerkelijke hervorming de politieke eenheid verbroken. De hervorming werd de dekmantel waaronder de Duitse vorsten zich wilden onttrekken aan de opperheerschappij van de keizers. En bovendien poogden deze vorsten de macht van de adel te fnuiken, en begunstigden daarom, om dit doel beter te bereiken, de steden, die rechten en privilegiën (voorrechten) konden bekomen.

Niet weinig steden stelden zich met het oog op de steeds droeviger wordende tijdsomstandigheden vrijwillig onder vorstenheerschappij. Het gevolg van dit alles was, dat de door de achteruitgang in haar verdiensten verschrikte burgerij steeds hogere hinderpalen stelde om zich voor onwelkome concurrentie te vrijwaren. Het bederf der toestanden nam toe, maar daarmee ook de verarming. De sedert de hervorming in alle Duitse staatjes uitgebarsten godsdienstige oorlogen en vervolgingen, waaraan zowel katholieke als protestantse vorsten en heren zich met gelijke woede en fanatisme (dweepzucht) schuldig maakten, de daarop volgende godsdienstoorlog, evenals de Schmalkaldische en ‘dertigjarige’ oorlog veroorzaakten de scheuring van Duitsland, zijn politieke onmacht en economische zwakte voor eeuwen.

Waren in de middeleeuwen vaak vrouwen in de verschillende beroepen en bedrijven als arbeidsters, of ook wel als bazen toegelaten - er waren bv. vrouwelijke bontwerksters in Frankfurt en in de Silezische steden, baksters in de steden aan de Midden-Rijn, wapenstiksters en gordelmaaksters in Keulen en Straatsburg, riemensnijdsters in Bremen, leerlooisters in Neurenberg, goudspinsters en goudslaagsters in Keulen — werden ze thans overal uitgedreven. En zoals het altijd is, wanneer een sociale toestand in een staat van ontbinding, van bederf verkeert, namen zijn verdedigers juist die maatregelen welke het kwaad nog verergerde, en er ontstond een belachelijke vrees voor overbevolking, een streven om het aantal huwelijken te verminderen en een zelfstandig bestaan meer en meer onmogelijk te maken. Ofschoon vroeger bloeiende steden als Neurenberg, Augsburg, Keulen, e.a. van de 16e eeuw af steeds in bevolking afnamen, terwijl handel en verkeer andere wegen hadden gezocht, hoewel de dertigjarige oorlog Duitsland op de schrikbarendste wijze ontvolkte, koesterde niettemin iedere stad, ieder gilde, vrees voor de toename van aanhorigen. Het ging immers de gildenbroeders toch reeds niet al te best. Het streven van de absolute vorsten kon daar tegen even weinig uitrichten als in de keizertijd de huwelijksbeloningen tegen de vermindering van het aantal Romeinse burgers. Lodewijk XIV schonk, om meer inwoners en soldaten te krijgen, ouders van tien kinderen pensioenen die verhoogd werden voor het getal van twaalf kinderen; zijn generaal, de maarschalk van Saksen ging nog verder en deed hem het voorstel huwelijken slechts voor vijfjarige duur toe te laten. In dezelfde geest schreef vijftig jaar later Frederik de Grote: “Ik beschouw de mensen als een kudde herten in de dierentuin van een grote heer, die voor niets anders te zorgen heeft dan het park te bevolken en aan te vullen.” Dit schreef hij in 1741. Hij heeft later door zijn oorlogen het ‘hertenkamp’ zeer ontvolkt.

De positie van de vrouwen was onder zulke toestanden zo ellendig mogelijk. Van het huwelijk als ‘onderkomen’, evenals tot bevrediging van de geslachtsdrift voor een groot deel buitengeslotenen, en tengevolge van de benarde omstandigheden van de sociale toestanden zoveel mogelijk van verdienste verre gehouden, om niet in concurrentie te komen met de in haar bestaan bedreigde mannenwereld, waren zij verplicht tot de nederigste bezigheden en beroepen, die het ellendigst betaald werden, om tenminste nog een kommervol bestaan voort te slepen. Daar echter de natuurdrift zich niet laat onderdrukken, en een deel van de mannenwereld onder dezelfde verhoudingen gebukt ging, waren trots alle politiemaatregelen de gevallen van ongehuwde samenleving en prostitutie, en het aantal van ‘natuurlijke’ kinderen groter dan ooit te voren, toen het ‘vaderlijke bestuur’ van de almachtige landsheren in christelijke eenvoud heerste.

De gehuwde vrouw leefde in de strengste afzondering. Haar bezigheden waren zo talrijk, dat zij van morgens vroeg tot ‘s avonds laat op haar post moest zijn, om haar plichten te vervullen, en slechts met hulp van haar dochters was haar dit mogelijk. Er waren toen niet alleen die dagelijkse huisarbeid te doen, die ook thans nog de burgervrouw te verzorgen heeft, maar nog vele andere meer, waarvan de vrouw vandaag door de moderne ontwikkeling van nijverheid en verkeer volkomen bevrijd is. Toen moest zij spinnen, weven en bleken van linnengoed en kleren, zonder uitzondering zelf te vervaardigen, zeep koken, kaarsen maken en bier brouwen. Daarbij kwam nog vaak land- en tuinarbeid, het verzorgen van vee en gevogelte. Kortom, zij was een ware ‘assepoester’ en haar enige beloning: een kerkgang op zondag. De echtverbintenissen kwamen steeds voor binnen de enge grenzen van elke maatschappelijke stand; de strengste en belachelijkste kastengeest beheerste alle lagen van de maatschappij, en wee degene die ze overschreed. De dochters werden in dezelfde geest opgevoed, in dezelfde strenge huiselijke kluisters gebonden; haar geestelijke vorming was gelijk nul en kwam niet verder dan de grenzen van de meest bekrompen huiselijke bezigheden. En bij dit alles kwam nog een ledige en geesteloze normendienst, die beschaving en geest vervangen moest, en het gehele leven, vooral dat van de vrouw, tot een waren tredmolengang maakte.

Zo ontaardde de geest van de hervorming, en trachtte men de natuurlijke aandriften in de mens en zijn levenslust onder een laag van als ‘waardig’ voorgestelde, maar in de grond der zaak banale (onzedelijke) levensregelen en gewoonten te bedekken.

Een, vooral de vrouwen op het land in de middeleeuwen toegestane vrijheid, ging na de hervorming (reformatie) eveneens verloren. In het westen en zuiden van Duitsland, in de Elzas, enz., bestond het gebruik dat de vrouwen van het volk jaarlijks enige dagen vrij en ongedwongen, vrolijk konden feestvieren, en waarbij, op gevaar af van kwaad ontvangen te worden, geen man zou durven te verschijnen. In dit naïeve (kinderlijke, onschuldige) gebruik lag onbewust de erkenning van de slavernij van de vrouw. Enige dagen van het jaar werden haar toegestaan om haar slavernij te vergeten.

De Romeinse Saturnaliën [26] en de middeleeuwse vastenavond hadden hetzelfde doel. Tijdens de Saturnaliën veroorloofden de meesters hun slaven, zich enige dagen vrij te voelen en naar hun eigen zin te leven; daarna werd hun het oude juk opnieuw opgelegd. Het Roomse pausdom, dat voor alle volksgebruiken een open oog had, en ze in zijn belang trachtte aan te wenden, vierde nu die Saturnaliën onder de naam van vastenavond (carnaval). Dan was de lijfeigene, de horige, voor dat de lange vasten begon [27] drie dagen lang zijn eigen meester, en was het volk veroorloofd naar hartelust te genieten, maatschappelijke en kerkelijke instellingen en gebruiken op de ergste manier te bespotten en te hekelen. Ja, de geestelijkheid zelf deed dan mee, voor gek te spelen, en ontheiligingen te dulden en te begunstigen, waarvoor op andere tijden strenge kerkelijke en wereldlijke boetedoeningen waren gesteld. En waarom ook niet? Het volk dat zich voor zo korte tijd vrij voelde en naar hartelust genieten kon, was voor die vrijheid dankbaar, en zoveel te slaafser, zich verblijdend op het volgende jaar, wanneer het weer zo zou zijn.

Zo was het ook gesteld met de vrouwenfeesten, waar over de oorsprong niets nader bekend is, waarbij het echter vaak dol en uitgelaten moet toegegaan zijn. De nuchtere gelovig-puriteinse geest van de tijden na de hervorming heeft ze zoveel mogelijk onderdrukt. Bovendien stierven ze bij de gaandeweg zich ontwikkelende zeden en gebruiken langzamerhand uit.

Met de ontwikkeling van de grootindustrie door de uitvinding en het gebruik van de machinerieën, de toepassing van de techniek en van de natuurwetenschappen in het productiesysteem, in handel en verkeer, werden de oude afgeleefde sociale instellingen vernietigd. Deze verdwijning van de oude onhoudbare instellingen was in Duitsland reeds geschied, toen het zijn politieke eenheid verkreeg, en met de beroepsvrijheid en de vrijheid zijn land te verlaten, ook de vrijheid om te huwen tot stand kwam [28].

Reeds waren tientallen jaren te voren in de ene Duitse staat, in de andere later, stappen gedaan die in deze richting verder gingen.

Zo was een nieuwe tijd aangebroken, ook een nieuwe tijd voor de vrouw, in zoverre als haar toestand als sekse en lid van de maatschappij zich veranderde. De wetten voor de vergemakkelijking van het huwelijk stelden een groter aantal in staat de natuurlijke bestemming te volgen; de wetten voor de beroeps en emigratie vrijheid vergroten het gebied van haar werkzaamheid en maakten haar zelfstandiger tegenover de man. Ook is haar wettelijke positie wezenlijk verbeterd. Maar is zij werkelijk vrij en onafhankelijk geworden? Heeft zij de volle ontwikkeling van haar wezen, de normale beoefening al haar krachten en begaafdheden bereikt? Dit zullen de onderzoekingen van de volgende bladzijden aantonen.

_______________
[2] Tacitus bv. beweert uitdrukkelijk van de Germanen, dat de vrouwen in grootte en kracht niet van de mannen verschilden, en de Germanen stonden toen al op een hogere trap van ontwikkeling. Tacitus, een beroemd Romeins geschiedschrijver leefde in de 1ste en 2e eeuw van onze jaartelling.
[3] Cultuur komt van het Latijnse woord colere, d.i. verzorgen, de gewone, betekenis met betrekking tot de mensheid is: veredeling, ontwikkeling, beschaving (NvdV).
[4] Ludwig Buchner: De Vrouw. Haar natuurlijke positie en maatschappelijke bestemming. Neue Gesellschatt. Jrg. 1879 en 80.
[5] Strabo, een van de uitstekendste aardrijkskundigen van de oudheid, was een Griek en leefde in de 1ste eeuw voor onze tijdrekening. (NvdV).
[6] Hiermee is natuurlijk niet gezegd, dat een enkele het huwelijk uitvond of schiep, zo ongeveer als: “God de Vader de eerste mens Adam schiep”. Nieuwe ideeën zijn nooit het eigendom van enkelen, zij zijn het product van de bespiegelingen, van de gezamenlijke gedachten van velen. Tussen het opnemen van een idee en haar formulering, of haar verwerkelijking in een daad is een grote weg. Maar een weg, door velen bewandeld. Vandaar het feit dat men zo vaak in de ideeën van anderen de eigen gedachten terugvindt, en omgekeerd. Vinden ideeën een goed voorbereide bodem, d.i. drukken zij een algemeen gevoelde behoefte uit, dan komen zij snel tot verwezenlijking. Dat mag men ook gerust van het ontstaan van het huwelijk zeggen. ‘Schiep’ alzo niemand het huwelijk, er is iemand mee begonnen, wiens voorbeeld gevolgd is.
[7] Laveleye: Over de eigendom in zijn oorspronkelijke vormen.
[8] Laveleye: Id.
[9] K. Kautsky. Het ontstaan van het huwelijk en van de familie ‘Kosmos’ 1883.
[10] De Odyssee is een heldendicht van Homerus en bevat de lotgevallen van Odysseus, een van de Griekse heldenfiguren uit de Trojaanse oorlog.
[11] Een harem (een Arabisch woord dat het ‘heilige’, ‘onschendbare’ betekent) is de naam van het vrouwenverblijf bij de mohammedanen, waarin alleen de echtgenoot mag komen (NvdV).
[12] Aristoteles (384-322 v.C.) was een van de grootste wijsgeren en natuurkenners van de oudheid. (NvdV)
[13] Thucydides, een van de beste geschiedschrijvers van de oudheid, leefde van 471-402 (?) v.C. (NvdV)
[14] Wie arbeid voor één verricht, is slaaf; wie voor het algemeen arbeidt is handwerker of dagloner. (Aristoteles, Politiek).
[15] Leon Richter: La femme libre.
[16] Karl Heinzen: Ueber die Rechte und Stellung der Frauen.
[17] Plutarchus, een Grieks schrijver, leefde in de 1e eeuw van onze jaartelling.
[18] Tacitus: Historien. Boek V.
[19] Tegen deze stap uitten de dorpsgeestelijken van het kerspel (diocese) Mainz zich als volgt: Onze bisschoppen en abten bezitten grote rijkdommen, een koninklijke tafel, vrolijke jachtrijtuigen; wij, arme, eenvoudige priesters hebben tot onze troost slechts een vrouw. De onthouding mag een schone deugd zijn, maar zij is in de waarheid ‘zwaar en hard.’ Yves Guyot: Les theories sociales du Christianisme, 2e edition, Parijs.
[20] Het spiritualisme is het begrip dat de ziel van de mensen een zuiver geestelijk d.i. onstoffelijk wezen zou zijn. (NvdV)
[21] Dit ‘Recht’ wordt vaak bestreden; het zou nooit bestaan hebben. Het komt mij voor op onvoldoende gronden. Dat een zodanig ‘recht’ niet beschreven bestond is zeker. Het kwam, zonder geschreven te zijn, voort uit de aard der afhankelijkheids toestanden. Beviel de heer de lijfeigene, dan gebruikte hij haar, anders niet. In Hongarije, Zevenbergen en de Donau vorstendommen bestaat ook geen geschreven ‘jus prima noctis’, maar men moet slechts kenners van het land en het volk horen, hoe de grondheren de vrouwen behandelen. Dat belastingen onder de genoemde namen geheven werden, kan niet bestreden worden, en haar namen zijn sprekend genoeg.
[22] Bij de gilden heerste het gebruik dat elke gezel eerst na het verrichten van een opgegeven proefstuk tot ‘meester’ kon bevorderd worden (NvdV).
[23] Dr. Karl Bücher: Die Frauenfrage im Mittelalter. Tübingen.
[24] Leon Richter bericht in La femme libre (De vrije vrouw) een geval dat in Parijs een dienstmeisje wegens kindermoord door de vader van haar eigen kind, een aanzienlijke vrome advocaat, die ook in de jury zat, werd veroordeeld. Nog meer: Die advocaat was zelf de moordenaar en zij onschuldig, zoals het heldhaftige meisje eerst na haar veroordeling voor de rechtbank mededeelde.
[25] Een roué is een lichtmis, een losbol uit de hogere standen.
[26] Saturnaliën waren een bij de Romeinen ingesteld feest, volgens de sage ter nagedachtenis aan de gelukkige tijd waarin het volk leefde onder de regering van keizer Saturnus. Dan waren 3 dagen lang alle slaven vrij, zaten aan de tafel van hun heren en werden zelfs door deze bediend (NvdV).
[27] Deze ‘lange vasten’ eindigde met de christelijke lijdensweek, d.i. met Pasen.
[28] Verstokte reactionairen verwachtten van deze maatregelen de ondergang van alle zeden en moraal. Wijlen bisschop Ketteler van Mainz jammerde reeds in 1865, dus nog voor de nieuwe wetgeving in praktijk was gekomen: “dat de omverwerping van de bestaande beperkingen van de echtsluitingen de opheffing van het huwelijk beduidde, want dan zou het de echtgenoten vrijstaan naar goedvinden weer van elkaar af te gaan.” Een fraaie bekentenis, dat de zedelijke banden van het huwelijk zo zwak zijn dat slechts dwang ze kan bijeenhouden.
De omstandigheid dat de nu natuurlijk talrijker echtverbintenissen aan de ene zijde een rasse bevolkingstoename veroorzaken, en aan de andere zijde dat het in het nieuwe tijdperk reusachtig zich ontwikkelende nijverheidssysteem vroeger nooit bekende wanverhoudingen in het leven riep, laat opnieuw de vrees voor overbevolking ontstaan. Conservatieve en liberale burgereconomen hameren op hetzelfde aambeeld. Ik zal aan het einde van dit werk aantonen in hoeverre deze vrees gegrond is en ze in haar oorzaken blootleggen. Prof. A. Wagner behoort ook tot degenen die aan die vrees lijden en beperking van de huwelijksvrijheid, namenlijk voor de arbeiders, verlangen. Deze huwen in vergelijking met de middenklasse te vroeg. Maar deze klasse maakt gebruik van de prostitutie; bemoeilijkt men de arbeiders het huwelijk, dan drijft men ze eveneens daartoe. Dan zwijge men echter ook en schreeuwt niet meer van: achteruitgang van de moraal, en verwondere men zich niet wanneer vrouwen, die toch dezelfde driften hebben als de mannen, in ‘onwettige’ verhoudingen, bevrediging van de geslachtsdrift zoeken.