Marten Buschman
Tussen modernisme en revolutie
Hoofdstuk 9


Een desastreuze leegloop en een nieuw begin

Inleiding

Het ledental van het NAS was op het einde van 1903 teruggelopen tot 7.934. De besluiten van het NAS-congres in december 1903 en de kort daarop volgende scheurcirculaire deed het ledental nog verder teruglopen. De afwachtende houding was met de scheurcirculaire omgezet in een offensieve strategie.

In dit hoofdstuk behandel ik de resultaten van dit offensief van de NAS-aanhangers. Vervolgens beschrijf ik in het kort de oprichting van het NVV, de internationale contacten van het NAS en de discussies binnen het NAS over organisatievormen. In de daarop volgende twee paragrafen schets ik een principieel uiteenzetting en een hard stakingsconflict tussen de beide richtingen. Vervolgens komen de maatschappelijke achtergronden aan de orde. Dit om het begrijpelijk en verklaarbaar te maken waarom de standpunten zo ingenomen werden. En als laatste onderdeel een vooruitblik naar de jaren na 1906.

Offensieve daden

De ledenwinst van de in vrijwel alle bonden plaatsvindende scheuring door revolutionaire leden was minimaal. In de Sigarenmakersbond hadden de revolutionairen zich sinds april 1901 verenigd in de Anti-Politieke Propaganda Club en de modernen in de groep Arbeiderspolitiek. De groep Arbeiderspolitiek gaf het blad ‘De Strijd’ uit, waarvan in 1903 enkele nummers verschenen. De revolutionairen bezaten het eigen orgaan De Tabaksbewerker, waarin de parlementaire richting vanaf 1901 steeds feller gehekeld wordt. Zij organiseerden ongeveer een derde van het aantal leden. Hun voorstellen werden keer op keer in de bond afgewezen. De scheurcirculaire viel in goede aarde: “In deze circulaire worden wij, de voorstanders van het NAS, aangespoord ons aan te sluiten bij het NAS en desnoods ons van de Bond af te scheiden.” Enkele maanden later op 29 mei richtten de revolutionairen de Federatie van Sigarenmakers en Tabaksbewerk(st)ers op. Een jaar later zal de Federatie ongeveer 900 leden hebben tegenover de Sigarenmakersbond ongeveer 1750. De federatie zal jarenlang een steunpunt voor het NAS zijn.

Minder voorspoedig verging het de revolutionaire bakkersgezellen. Van januari 1904 tot februari 1905 worden meningsverschillen in de Nederlandsche Bakkersgezellenbond angstvallig vermeden. De strijd tussen modernen en revolutionairen wordt pas uitgevochten als bekend wordt dat Polak het NVV gaat oprichten. De meerderheid kiest dan voor de bond. Zes kleine verenigingen worden tot 1906 opgericht. De leden daarvan hebben tevergeefs geprobeerd in 1907 een landelijke federatie van de grond te krijgen. Daarna gaat het snel bergafwaarts en neemt in 1908 de bond, die in 1906 tot 630 leden van 1200 eind 1903 teruggezakt was, het voortouw weer over. Tegelijkertijd vindt er centralisatie plaats.

In de Timmerliedenbond kwam het in het begin van 1904 tot felle woordenwisselingen en pennenstrijd. Op de jaarvergadering in april 1904 hadden de revolutionairen de nederlaag geleden over aansluiting bij het NAS. Half juni 1904 besloten enkele timmerlieden zich los te maken uit Concordia Inter Nos, de Amsterdamse afdeling van de Algemeene Nederlandse Timmerlieden Bond. ‘Bewust Streven’ werd opgericht. Deze vereniging vormde de basis van de Landelijke Federatie van Timmerlieden, die in juli 1904 opgericht werd. De federatie had niet veel aanhang: rond de 300 leden en ongeveer 7 afdelingen. Deze federatie vormde de basis van de op 1 februari 1909 opgerichte Landelijke Federatie van Bouwvakarbeiders. Het bouwvak is vanaf dat moment de steunpilaar van het NAS. Aanvankelijk zijn er 900 bouwvakkers aangesloten, maar in 1919 zijn er 8000 leden.

Een kleine uitbreiding van de aanhang kreeg het NAS van de kantoorklerken: zij richtten in 1905 de Onafhankelijke Organisatie van Handels- en Kantoorbedienden op. Als gevolg van middelpunt vliedende krachten door de oprichting van een moderne organisatie naast de neutrale vakbond was op 3 december 1905 de onafhankelijke organisatie voor kantoorbedienden een feit. Het ledental is in de loop der jaren nooit boven de 100 uitgekomen. De organisatie nam wel radicalere standpunten in als het NAS, waarschijnlijk als gevolg dat zij zich te weer moest stellen tegenover een grote meerderheid anders georganiseerden. In 1911 wordt ook in Den Haag een vereniging opgericht, die een jaar later 77 leden telt.

De havenarbeiders en typografen hielden zich buiten het NAS maar sloten zich niet aan bij het NVV. De ANTB keerde op dit besluit pas in 1913 terug en bleef daardoor ongedeeld. De havenarbeiders kregen in 1908 te maken met een scheurpoging van NVV-zijde: de Centrale Bond van Transportarbeiders met weinig aanhang.

Tegenzetten van de modernen

In de eerste helft van 1904 bezochten bestuursleden van de door de scheuring getroffen bonden, de sigarenmakers Bruins en Bommer en de timmerman Verdorst Polak met het verzoek een nieuwe federatie tegen het NAS op te richten. Na een jaar kwam pas het vervolg op dit bezoek. Interessant is de reden van een jaar uitstel, want na het NAS-congres in december 1903 was de zaak duidelijk. Spiekman had in het partijbestuur van de SDAP van eind januari Polak aangespoord zich niet zo zelfgenoegzaam op te stellen: “de ANDB gedraagt zich als de groote meneer in de vakbeweging”. Maar Polak was op dat moment een staking van de ANDB (februari – juni 1904) aan het voorbereiden, die veel bondskapitaal aansprak. Hij verwachtte de voornaamste steun voor het NVV te worden en daardoor te veel geld aan de vakbonden te moeten lenen. Die ondersteuning zou bovendien de doodsteek voor de Amsterdamsche Bestuurdersbond (ABB) worden. De tijd voor het oprichten van een nieuwe vakcentrale is nog niet rijp, was dan ook de conclusie van de discussie in het partijbestuur van de SDAP.

Daarnaast was er nog verdeeldheid over de positie van de bestuurdersbonden in het geheel. In de loop van 1904 werden – vooral op initiatief van de stuwende krachten in de ABB Sam Pothuis en Jan Ceton – pogingen ondernomen een landelijk net van bestuurdersbonden op te zetten als alternatief. Nadat dit initiatief wegens veel tegenstand de nek was omgedraaid en de ANDB weer op volle sterkte was konden de voorbereidingen voor het NVV beginnen.

Een belangrijke rol in het tot stand komen van het NVV speelt het Agitatiecomité tegen arbeidscontract en voor arbeidswet, dat op 21 februari 1904 op initiatief van de Nederlandsche Bakkersgezellenbond (NBGB) en de Rotterdamsche Bestuurdersbond (RBB) opgericht was. Op haar congres in december 1903 had de NBGB besloten een landelijke agitatie over het wetsontwerp ‘arbeidscontract en arbeidswet’ op te zetten. De afdeling Rotterdam nam half januari 1904 contact op met de RBB over deze landelijke actie. Vervolgens wordt in het PB van de SDAP van eind januari 1904 de zaak besproken. Spiekman vraagt of de SDAP er openlijk bij betrokken moet worden. Die vraag wordt negatief beantwoord. Wel schrijven twee PB-leden en twee Kamerleden hun kritiek neer op het wetsontwerp; de RBB verstuurt de uitnodigingen. De SDAP heeft dus niet ‘niets’ te maken gehad met het Agitatiecomité, zoals P.J. Troelstra op 9 maart 1906 opmerkte in de Tweede Kamer. Zowel leden als de SDAP-Kamerclub als de partij als geheel hebben aan de geboorte van dit comité meegeholpen.

Op de oprichtingsvergadering, besloot men het NAS niet uit te nodigen voor deelname, met één stem tegen, die van de latere NAS-secretaris Harm Kolthek jr. De samenwerking van bijna alle vakbonden buiten het NAS om had tot gevolg dat de samenhang groeide.

De oprichting van het NVV

Begin februari 1905 verstuurde het bestuur van de ANDB een schrijven aan de vakorganisaties in Nederland. In het pamflet constateerde de opsteller – in wie door stijl en inhoud duidelijk Polak te herkennen valt – na de aanhef:
“Mijne Heeren!,
met bezorgdheid dat de Nederlandse vakorganisaties weinig presteerden en leden onder desorganisatie, verwildering en warhoofderij: De onbekookste theorieën, de ergerlijkste dwaasheden ten aanzien van het doel, de inrichting, de middelen, de tactiek, en de grenzen der vakvereeniging bleven bij velen ingang vinden en leidden, gevoegd bij de onafgebroken lastercampagne tegen degenen, die over deze dingen andere denkbeelden huldigen en tegen de organisaties, die deze denkbeelden toepassen, tot verhoudingen in vele der voornaamste organisaties, die maar weinig behoefden om tot desorganiseerenden dadelijkheden over te slaan.” Met de scheurcirculaire was de crisis begonnen. Vele organisaties werden geconfronteerd met scheuringen. Langer aarzelen zou onvergeeflijk zijn. “Niet langer mag het Nationaal Arbeids-Secretariaat zijn vernietigingswerk straffeloos voortzetten. (...) Dat kan alleen worden voorkomen, door ernstige, energieke, georganiseerde samenwerking van die vakbonden, welke een aan het anarchisme tegenovergesteld standpunt innemen.” Op 26 februari 1905 waren deze vakbondsbestuurders uitgenodigd.

Het NAS reageerde snel. Drie dagen na de publicatie van het manifest Polak, op 12 februari, vergaderden de hoofdbesturen. Ook zij schreven een bijeenkomst uit voor de vakbeweging in Nederland op 19 maart “ten einde middelen te bespreken tot het verkrijgen van een nauwere samenwerking tusschen de organisaties welke zich plaatsen op het werkelijk standpunt van de onafhankelijke vakfederatie en daardoor front te maken tegenover het op te richten Sociaal-Democratisch N.A.-S.”. Tevens werd een manifest, dat reeds opgesteld was door Van Erkel, goedgekeurd. Het begon aldus:
“Eindelijk. Het commando van de advocaat Troelstra, gegeven op de Kerstvergadering van 1903, wordt eindelijk uitgevoerd, door de Bestuurders van de op humbug en kapitaal berustende Diamantbewerkerbond en wel de poging tot de oprichting van een nieuw N.A.S. Wij, vrijheidslievende arbeiders, zullen wij dezen poging vreezen ? Neen duizendmaal neen!”

Op zondag 26 februari waren in het bondsgebouw van de ANDB 14 organisaties aanwezig. Typografen en havenarbeiders hadden zich zonder opgaaf van reden afgemeld. Onuitgenodigd maar toegelaten waren de bonden van handels- en kantoorbedienden en van bouwkundige opzichters en tekenaars. De bij het NAS aangesloten Glasblazersbond mocht buiten blijven.

Het doel van de nog op te richten organisatie was als volgt omschreven: “Het bijeenbrengen en bijeenhouden van vakbonden en -vereenginigen, tot behartiging en bevordering van die industrieele en sociale belangen, welke zij met elkander gemeen hebben en welker behartiging en bevordering door iedere organisatie afzonderlijk niet, of niet naar behoren kan geschieden.” Als middelen werden genoemd:
- “verzamelen van statistieke gegevens,
- contacten met buitenlandse vakcentrales,
- het bevorderen van deugdelijke arbeidswetgeving, hetzij alleen, hetzij in samenwerking met andere organisaties,
- advies op sociaal-economisch aangelegenheden,
- onderlinge steun bij staking of uitsluiting,
- verbreiding van de beginselen”.

Polak besloot de bijeenkomst met de mededeling dat contributieverhoging voor de leden van de NVV-bonden voorlopig niet nodig was. En hij voegde er aan toe dat de strijd voor algemeen kiesrecht niet tot de arbeidswetgeving kon worden gerekend. Deze strijd is van zuiver politieke aard. Vervolgens werd een voorlopig bestuur gekozen: Polak als voorzitter, Jan Oudegeest als secretaris en de schilder A.W. Jensch als penningmeester. De constituerende vergadering had plaats op 30 juli 1905. Op die bijeenkomst besloot men op 1 januari 1906 met het nieuwe NAS te gaan werken: het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV). In het eerste jaarverslag van het NVV kon Oudegeest wijzen op de 22.763 leden, terwijl het Verbond een jaar eerder was begonnen met 18.960. Maar vooral schreef hij dat hij sinds lange tijd met genoegen een stuk over de vakbeweging in Nederland het licht deed zien. Het NVV was op weg naar het doel: “eene krachtige en machtige vakbeweging”.

Op 19 maart 1905 waren 43 organisaties aanwezig op de door het NAS belegde tegen bijeenkomst. Er waren tevens 18 sympathiebetuigingen binnengekomen. De kern van de Nederlandse vakbeweging was dus aanwezig, zo meende de tweede voorzitter van het NAS, en dat kon niet gezegd worden van de oprichtingsvergadering van het NVV. Van Erkel haalde fel uit naar Polak en de zijnen. De oprichting ging uit van de SDP. De A van arbeiders was hij opzettelijk vergeten. Van de SDAP waren immers geen arbeiders lid en bovendien was één van de grootste kapitalisten in Nederland voorzitter. De motieven voor de oprichting waren ‘gezocht’. In december 1903 is het NAS aan de bezwaren van de stemmingswijze tegemoet gekomen.

Een karikatuur van Van Erkel in Het Volk.

Eén verschilpunt was er wel, zo moest Van Erkel toegeven, het taalgebruik: Polak gebruikt meer stadhuiswoorden. De grondslagen verschillen niet van die van het NAS. Immers actie voor sociale en arbeidswetgeving staat dan wel niet expliciet in de NAS-statuten vermeld, maar dat wil niet zeggen dat het niet zal gebeuren als de meerderheid dat wil, aldus Van Erkel. Het NVV ijvert voor deugdelijke wetgeving, maar wat was dat? Twee prominente leden van de SDAP maakten openlijk ruzie over het wetsontwerp Arbeidscontract: “Schaper noemt het krankzinnigenwerk om op geheele verwerping (...) aan te dringen; Spiekman noemt het krankzinnigenwerk om te doen wat Schaper wil.” Op voorstel van het bestuur nam de vergadering een motie aan dat men zou trachten “al degene welke zich stellen op het standpunt van de werkelijke onafhankelijke vakorganisatie” in het NAS te verenigen.

Vervolgens maakte Van Erkel zich kwaad over een mop in het Zondagsblad van Het Volk, waarin vermeld werd dat hij gesolliciteerd zou hebben bij het NVV: “ik verrekte liever van den honger eer ik tot zulk een daad zou overgaan.” De onderlinge strijd werd al tijden met alle mogelijke middelen gevoerd. Behalve de mop over Van Erkel gooide de redactie van dit Zondagsblad ook poëzie, of wat daarvoor moest doorgaan, in de strijd. In de serie grafschriften verscheen:
OP HET PAS
Het Pas
was
nog pas
aan ‘t redderen van z’n vuile wasch...
Nu is het asch.

Internationale vakbondscontacten

Was de eerste Socialistische Internationale al in 1869 opgericht, de tweede in 1889, de internationale aaneensluiting van vakcentrales volgde pas in de twintigste eeuw. Op initiatief van de Duitse Freie Gewerkschaften werd het ‘Internationaal Secretariaat’ gesticht. Op 21 augustus 1901 werd de eerste bijeenkomst van de secretarissen van nationale vakcentrales te Kopenhagen gehouden. Secretaris was de Duitser Carl Legien. Het NAS was in de persoon van Van Erkel de eerste keer in 1902 te Stuttgart aanwezig. Hij stelde voor, de beslissing van een jaar eerder om algemene vraagstukken over te laten aan de Tweede Socialistische Internationale, te herzien en om internationale congressen te organiseren in plaats van de bijeenkomsten van de secretarissen van de vakcentrales. Slechts de Franse afgevaardigde steunde hem. De Fransen probeerden tevergeefs op de bijeenkomst van 1905 te Amsterdam antimilitarisme en algemene werkstaking op de agenda te krijgen. Van Erkel kreeg er wel een voorstel op om een internationale taal te introduceren. Op de vergadering werd dit voorstel afgewezen.

In de loop van 1906 besloot het NAS niet meer deel te nemen aan de bijeenkomsten van het Internationaal Secretariaat, nadat Van Erkel nog in Dublin drie jaar daarvoor 1903 op de foto ging met het gehele internationale gezelschap. In 1905 presideerde hij de bijeenkomst te Amsterdam. Van Erkel beschouwde het Internationaal Secretariaat als reformistisch. Daarin werd hij gesteund door de Fransen. Onder leiding van Carl Legien was het Internationaal Secretariaat er inderdaad op uit alles wat naar revolutionarisme zweemde te weren. Van Erkel heeft steeds gepoogd zich daar tegen te verzetten, maar tevergeefs. Op 3 januari 1906 zegt Van Erkel op de bestuursvergadering dat het NAS zich beter kan afscheiden. Wij hebben daar niets in te brengen en kunnen beter organisaties opzoeken die wèl op het standpunt van de klassenstrijd staan, zo is de redenatie van Van Erkel. Laat het NVV zich maar aansluiten.

Het NVV diende op 21 juni 1906 het verzoek tot aansluiting in. Legien schreef een welwillende brief terug. Op de volgende vergadering te Kopenhagen zou een besluit genomen worden. In 1907 was het NAS echter niet meer aanwezig. Het NAS maakte vrijwillig zonder slag of stoot de weg vrij voor aansluiting van het NVV bij het secretariaat: “and it was reported in the press that France (...) and Holland (...) intended to disaffiliate from the International Secretariat and form a new Trade Union International”, schreef Sassenbach in de Engelse versie van zijn geschrift.

Vanaf 1907 was Jan Oudegeest van het NVV aanwezig op de bijeenkomsten. Het NAS zal van 1907 tot 1913 geen formele internationale verbindingen bezitten. In februari van het jaar 1913 doet Van Erkel als woordvoerder van de Bouwvakfederatie – zes jaar na zijn gedwongen aftreden als secretaris van het NAS – tegelijkertijd met de Engelsen een voorstel om tot een revolutionaire internationale organisatie te komen. Van 27 september tot en met 3 oktober 1913 werd een congres van alle revolutionairen gehouden in Londen. Men besloot een blad uit te geven en een Internationaal Bureau op te richten. Dit bureau, dat in Amsterdam gevestigd was, is de voorloper van de revolutionaire Internationale Arbeiders-Associatie (I.A.A.) van december 1922.

Discussies over richting en organisatievorm

Na de snelle teruggang in ledenaantal en desoriëntatie in de aangesloten organisaties brandt de discussie binnen het NAS opnieuw los. In verschillende federaties, die zich juist losgemaakt hebben van de bonden, zal de structuur en doelstelling nieuw geformuleerd worden. In 1905 doet opperliedenvereniging Nieuw Leven het voorstel de landelijke bond te ontbinden en over te gaan tot plaatselijke federatieve organisaties van alle bouwvakarbeiders. Immers “de ondervinding heeft bewezen dat Landelijke Vakbonden overbodig zijn, doordat de strijd om betere levensvoorwaarden voor den arbeider plaatselijk moet worden gevoerd”. Dit voorstel is een voorstel gebleven.

Van Erkel had in de reorganisatiecommissie van 1903 al geprobeerd enige voorstellen er door te krijgen, die in de richting gaan van een bewust federatieve organisatie. Het NAS is “een verband van vrije en autonome organisaties op federatieven en economischen grondslag.” Eind 1904 wil hij een nieuwe Schildersgezellenbond oprichten. Een bond die zich aansluit bij het NAS, werkstakingen steunt, actie voert voor kortere werktijden en voor productieve associaties. Een poging die mislukt. In de productieve associaties zien we de ideeën van Cornelissen uit 1895 terug, de vakverenigingen als kiemcellen voor de nieuwe maatschappij. De federatieve samenwerkingsvorm is nodig vanwege de strijd tegen centralisme in de maatschappij. De bakkersgezel J.A. Reijnders formuleert het kort en krachtig: “De ‘moderne’ gedisciplineerde vakorganisatie (...) is niet erg aanlokkelijk; men vindt daar terug, wat wij in de kapitalistische maatschappij zo vinnig bekampen.”

Vanaf 1905 worden alle aangesloten organisaties federaties genoemd. Twee jaar lang blijft deze discussie het NAS verlammen. In december 1907 komt daar een einde aan door de komst van H. Kolthek als secretaris. Het is voornamelijk zijn verdienste dat binnen enige jaren een werkbare organisatievorm en doelstelling voor het NAS gevonden wordt. Vanuit een gemeenschappelijk vertrekpunt zijn middelpuntvliedende krachten werkzaam: het NVV overgecentraliseerd en het NAS de bewust federatieve kant op. In de discussie tussen de uitgesproken voorstanders van beide richtingen Van Emmenes en Polak is dat goed te merken.

Een principiële discussie tussen Polak en Van Emmenes

Alles moet gecentraliseerd worden! Dàt was volgens Van Erkel op 19 maart 1905 de onuitgesproken bedoeling van de oprichting van het NVV. In de statuten van het NVV staat daarover niets, bij het NAS echter wel: het stichten van plaatselijke federaties. Groot gehuil steeg op in het NAS-kamp toen de bevestiging niet lang op zich liet wachten. In een serie artikelen in ‘Het Weekblad van de ANDB’ – later gebundeld in een brochure – zette Polak uiteen dat centralisatie en discipline conditio sine qua non van een succesvolle vakbeweging zijn. Hij maakt dan de vergelijking van de vakvereniging met het menselijk lichaam: beide worden “bestuurd vanuit een centraal punt vanwaar alles wordt beheerscht en overzien, vanwaar alle actie uitgaat, waarin alle communicatiedraden uitlopen, en dat dus het uitgangspunt van het leven zelf is.” Het commentaar van het NAS-bestuur was even voorspelbaar als terecht: “Door de centralisatie worden de arbeiders (...) evenzeer tot slaven gemaakt als door het loonstelsel.”

Wie het beste kon schelden is nooit vastgesteld. Maar ieder deed op zijn eigen eigenwijze wijze zijn best. Polak schold Van Erkel ‘een ongelooflijke weetniet’, ‘een verloopen blikken dominee’, en een ‘zoo walgelijk-bij-den-grondschen demagoog’, een ‘zoo tastbaar-schunnige en oneerlijke volksvlijer’, en anderen voor gifzuigers, non-entiteiten, de exegeet van hou-je-taai en warhoofden. Polaks brochure bestrijdt het anarchisme (“het is een parasiet. Het kan slechts leven door zich vast te hechten aan een levend lichaam en dat zijn levenssappen te ontnemen”) maar is tevens een uiteenzetting van het moderne vakverenigingwezen. In zijn bestrijding van het anarchisme laat hij zich te veel meeslepen om doel te treffen. In zijn ijver het belang van politieke actie aan te tonen schrijft Polak dat door de Arbeidswet 1889 ‘kinderarbeid beneden de twaalf jaar’ niet meer voorkwam. Hij vergat even dat deze wet – evenals het kinderwetje van Van Houten – niet van toepassing was op land- en huisarbeid en dat de controle te wensen overliet.

Ook zijn historische aantekeningen zijn een eenvoudige prooi voor Van Emmenes. Polak zet het gehele gewicht van zijn persoon in en bekommert zich niet zo om argumentatie. Ernstige vraagstukken op spottende toon bespreken, concludeert Van Emmenes en dat is vriendelijk uitgedrukt. Polak beschouwt het anarchisme als een ziektekiem voor de moderne vakorganisatie, neen eigenlijk voor iedere organisatie. Door deze analogie met een levend organisme ziet hij iedere kritiek als een aanval op het systeem zelf.

Zeer duidelijk is Polak in zijn uiteenzetting over de moderne vakbeweging: een vakorganisatie is een vereniging “van beoefenaren van een bepaald vak, ten doel hebbende de arbeidsvoorwaarden, in den uitgebreidsten zin, te handhaven en te verbeteren.” Centralisatie en discipline zijn daarbij onmisbaar: “het loyaal uitvoeren van besluiten, zelfs als men van die besluiten een tegenstander is; het behoorlijk opvolgen van al hetgeen door de bestuurscolleges, ingevolge de dezen gegeven bevoegdheden wordt gelast; het stellen van vertrouwen in zijn organisatie, in zijn medeleden en in zijn bestuurders; het steeds, in alle opzichten en onder alle omstandigheden ondergeschikt maken van zijn eigen wenschen en belangen aan die van het algemeen.” Gelijkluidende passages zijn in vele vakbondsbladen uit die tijd te vinden: “niet ‘zij’ (de leden, mb), maar het bestuur onderhandelt met de patroons. Niet zij leggen den arbeid neder, maar ‘na overleg en rijp beraad met hunne bestuurders door hen’ gekozen en op dien plaats gezet. ‘Zij hebben op te volgen de bevelen hunner organisatie”.

Andere kenmerken van de moderne vakbeweging zijn bezoldigde bestuurders, sterke weerstandskassen, uitkeringsfondsen, wetenschappelijke analyse van de economische ontwikkeling en druk op het parlement voor sociale wetgeving.

Wat kon Van Emmenes in zijn antwoordbrochure daar tegenover zetten? “Lomp, plomp, verwaand, en brutaal is hij in bedenkelijke mate (...) hij haspelt en wirwart de zaken door elkaar als ‘n aap in ‘n sajetwinkel”, aldus Van Emmenes. Hij sneert uiteraard over de centralisatie: “Ja, ja, dat ‘is’ centralisatie! Het bestuur: ‘de hersens’, de leden: de pinken, kleine teenen, snotterende neuzen, wratten en andere ledematen. (...) En zonder ‘dat’ is ‘n organisatie onbestaanbaar ... Dat meent de czaar van Rusland ook.”

Van Emmenes is voorstander van federatieve samenwerking (“een vereeniging van zelfstandige individuen, die zelf hun actie bepalen, zelf besluiten nemen”), van de onafhankelijkheid ten opzichte van politieke organisaties, van directe actie en van een revolutionaire omwenteling. De directe actie staat tegenover de parlementaire actie van de arbeidersafgevaardigden, maar niet tegenover de drang op de wetgeving voor verbetering. Deze wijze van strijd ligt in het verlengde van de federatieve organisatievorm: “Elke actie, die van de betrokkenen zelf uitgaat en geheel door hen wordt gevoerd, is directe actie. Alles wat men opdraagt en overlaat aan gekozenen in Kamer, Gemeenteraad of Hoofdbestuur is daarmee in strijd.” Hij moest dan ook niets hebben van politieke organisaties die in overheidslichamen de arbeiders vertegenwoordigden. De vakbeweging diende zelfstandig te zijn van een politieke organisatie: dan immers is zelfontplooiing en strijd gewaarborgd.

Als hij Polaks verplichte lidmaatschap bespreekt, kan Van Emmenes zijn woede niet meer beheersen. Polak schreef daar over: “Als de vakorganisatie iemand dwingt toe te treden, doet zij dat in het algemeen belang, dat ook het belang van den gedwongene is.” Het ligt in dezelfde lijn als Polaks radicaal uitroeien van revolutionaire organisaties in de diamantnijverheid. Een gezond lichaam als de ANDB behoort dit soort virussen immers in de kiem te smoren. Innerlijk verrot, eeraantastend, hoogst onzedelijk zijn de karakteristieken die van Van Emmenes aan Polak geeft. En hij maakt vergelijkingen als “me dunkt, Polak moet wel iets voelen voor de jodenvervolgingen in Rusland. Ze kunnen allemaal hun leven behouden wanneer ze maar toetreden tot de Grieksche staatskerk... En ‘t is toch in het belang van het algemeen zieleheil, want de God der christenen zou Rusland niet meer plagen, wanneer het geen joden meer herbergde.”

Van Emmenes’ kritiek op de resultaten van de wetgeving – die in 1906 inderdaad nogal magertjes waren – waren ingegeven door zijn revolutionaire ideologie. En dat is wel duidelijk geworden in deze schriftelijke discussie: revolutionairen en modernen staan in alles lijnrecht tegen over elkaar.

De heiersstaking te Amsterdam

Het was tussen Polak en Van Emmenes niet alleen theorie. In hetzelfde jaar 1905 kwam het tot een heftige botsing tussen revolutionairen en modernen tijdens een staking voor betere arbeidsvoorwaarden van heiers te Amsterdam. Het NVV was al wel opgericht, maar zou pas op 1 januari 1906 echt ingericht zijn. Het bestuur van het NVV was dus nog niet in functie en kon dus ook geen oordeel geven over een conflict, dat uit dreigde te groeien tot een algemene staking in het bouwvak in Amsterdam. En het was pas twee jaar geleden dat de mislukte politieke algemene staking had plaats gevonden. Alle emoties van 1903 laaiden weer op bij vragen als ‘kunnen we deze staking steunen?’ en ‘is het een strijd tegen de patroons of tegen het NVV?’

Het was allemaal eenvoudig begonnen. In het bouwvak ontstond een conflict over de samenstelling van een heiersploeg. Een heiersploeg in Amsterdam bestond uit 5 man en een waterdrager, 1 of 2 minder dan in de rest van Nederland. De 125 Amsterdamse heiers waren georganiseerd in ‘eerste’, ‘tweede’ en ‘derde’ ploegen. Vooral de heiers uit de eerste ploegen waren georganiseerd in Broederschap met 65 leden. De werkloosheid onder heiers was groot maar raakte de tweede en vooral derdeploegers. In het begin van 1905 was de werkloosheid zo groot dat de leden van Broederschap actie ondernamen: uitbreiding van een ploeg met één man. Door een actie van alle bouwvakkers voor een 9-urige werkdag onderbreken de heiers hun actie. Als de 9-urige werkdag mislukt stellen zij 2 juli hun eis opnieuw. Maar de aannemers wilden baas in eigen bedrijf blijven: een strijd om de macht derhalve.

Op 8 augustus gingen de heiers in staking. De eerste dagen kenden een rustig verloop. Twee ondernemers willigden de eisen in, maar kwamen daar twee dagen later op terug onder druk van de andere patroons. Want die waren ook georganiseerd in de Algemeene Patroons Vereeniging (APV). Met een bepaling in hun statuten dat bij partiële stakingen leden van APV het werk bij hun collega dienden over te nemen. Als dat niet werkte dan volgde uitsluiting van alle arbeiders in die vakken waar gestaakt werd. De arbeiders hadden de Stedelijke Bouwvakfederatie (BVF), maar daarin waren Concordia Inter Nos (moderne timmerlieden) en St. Marinus (metselaars) niet vertegenwoordigd. Al gauw werden er onderkruipers ingezet. Op 14 augustus nam de BVF een motie aan dat onderkruiperwerk besmet werk was. Op 8 september gingen metselaars en opperlieden in staking bij één project. En de APV besloot, na mislukt overleg, op 15 september het werk door andere bazen over te laten nemen. Toen dat niet gelukte volgde de uitsluiting op 25 september van alle metselaars en opperlieden. Nadat confessionele arbeiders op 2 november weer aan het werk waren gegaan, werd de uitsluiting opgeheven. De heiers capituleerden op 16 november. Zonder dat aan hun oorspronkelijke eisen voldaan was.

Op de dag dat de uitsluiting begon wilden de revolutionairen steuncomité’s oprichten. De BVF vroeg het PAS en de ABB om financiële en morele steun. Het PAS zegde toe, maar de ABB wilde wachten tot haar algemene vergadering op 28 september. Op die bijeenkomst werd na lange besprekingen besloten niet te steunen. Argument was het ‘anarchistische avontuur’, waar men weer evenals in 1903 in verzeild dreigde te raken. Een heilloze tactiek volgens de woordvoerders van de ABB omdat vanwege het geldgebrek en lage ledental alleen groot lef in de strijd gegooid kon worden.

Daarentegen had de RBB wel steun toegezegd evenals de bestuurdersbonden uit Den Haag, Middelburg, Delft en Dordrecht. Ook in de bonden zelf was men hopeloos verdeeld. Op 15 oktober vergaderde het voorlopig bestuur van het NVV. Zij nam het standpunt van de ABB over: geen steun. Ook bij het NVV klinkt de stem van Polak door in de afwijzing: “Wij steunen liever die verdoolde en verdwaalde en vergiftigde arbeiders niet, opdat zij eens gaan nadenken, waarom hun medearbeiders hen in den strijd in den steek lieten”.

En de verdoolde arbeiders dachten na. Verontwaardiging was wel het minste wat de modernen toegeslingerd kregen. Verraad aan de arbeidersklasse en heulen met de kapitalisten heeft jarenlang het beeld van de revolutionairen over het NVV bepaald.

Jaren later schreef Oudegeest in zijn als geschiedschrijving bedoelde kaderboek dat de heiers de staking uitgeroepen hadden om het NVV al voor zijn daadwerkelijk functioneren in januari 1906 in diskrediet te brengen. En F. de Jong herhaalde dat in zijn NVV-boek: het “had er veel van, dat men het nieuwe Verbond op de proef wilde stellen”. Bij minutieuze napluizing is van een abortus provocatus van het NVV geen sprake. Analyse van F. Greve laat zien dat de staking een defensieve en geen actie voor algemene staking of voor het in diskrediet brengen van het NVV was. De staking is opgedrongen door de patroons en is mislukt door hun sterkte.

Maatschappelijke achtergronden

De man die in de eerste plaats gezorgd heeft voor de oprichting en het succes van het NVV was de diamantbewerker Henri Polak. De ideeën van Polak zijn bij de uiteenzetting met Van Emmenes geschetst. Wat is de achtergrond van Polaks succes? In feite sluit Polaks pleidooi voor een moderne vakbeweging naadloos aan bij de bureaucratiseringtendens en bij het ‘scientific management’ van F. Taylor of zoals Rüter schreef: “Het is waarlijk niet onmogelijk, een parallel te trekken tusschen de organisatie van een grooten modernen vakbond en van een groot bedrijf.” De grondgedachte van Taylor is in feite dat alles beheersbaar is of althans dient te zijn. Scheiding van planning en uitvoering, wetenschappelijke onderzoek naar de meest efficiënte werkwijze van het arbeidsproces en bewaking van de uitvoering door de arbeider na uitvoerige training. Zijn methode was het uiteenrafelen van het arbeidsproces en het zorg dragen voor de juiste persoon op de juiste plaats. “Een organisatie was”, volgens Taylor, “een machine, waarbij de werkende onderdelen bedacht werden door de denkende mens. De arbeiders in zo’n organisatie werden gedwongen in het stramien van de organisatiemachine, zoals de soldaten in het leger dienden als marionetten en zoals ook de vakbondsleden de bevelen des bestuurs volgden uit vrije wil”.

Polak trekt vaak de vergelijking van een vakbond met het leger en van een vakbondslid met een gewoon soldaat. Want niet ieder vakbondslid hoeft een theoreticus te zijn. Immers: een “leger, geheel uit stafofficieren bestaande, zou echter zoo goed als geen gevechtswaarde bezitten. Er moeten veel meer goede soldaten dan knappe veldheren zijn.” Niet de kwaliteit van de enkeling maar de hoeveelheid van de leden is in deze visie van belang, zoals blijkt uit de gesuikerde minachting van Jos Loopuit voor niet-betalende leden van de ANDB. In 1901 werden 1.400 (van de 8.000!) diamantbewerkers uit deze bond geroyeerd. Zij kregen van Loopuit een harde trap na: ze zijn voor “een beduidend deel ‘non-valeurs’ voor elke beweging. Menschen die ongelukkigerwijs hun vrijen tijd doorbrengen in kroeg en op nog erger plaatsen, zal wel geen enkele beweging tot de hare willen rekenen”.

Net zoals Henry Ford het lopendeband systeem er bij de Amerikaanse arbeiders in kreeg door de lonen te verdubbelen, zo kreeg Henri Polak zijn diamantbewerkers mee doordat hun lonen twee tot driemaal hoger waren dan het gemiddelde van de buitenhuiswerkende arbeider (fl. 12 á fl. 14,-) en fors hoger dan voor het ontstaan van de ANDB. Polak zelf ontving in 1904 fl. 35,- per week tegenover Van Erkel fl.18,-. In 1905 kreeg Polak fl. 46,-.

De moderne maatschappij laat tevens de opkomst van de bureaucratie zien. Vooral in de bureaucratische overheidsorganisatie en cultuur zien we de scheiding van planning en uitvoering terug. Het primaat van de politiek tegenover de loyaal uitvoerende ambtenaar. Monocratische structuur, schriftelijke bedrijfsvoering, professionele kwalificaties en regelkennis zijn – in het kort – de kenmerken. Deze gelden ook voor Polaks vakverenigingsconcept. Op basis van kennis van de economie neemt de bestuurder beslissingen over stakingen. Wetenschap speelt daarbij een grote rol: “Kennis van feiten, het wetenschappelijk verwerken dier feiten tot grondslag van de tactiek, dat is een niet te ontkomen eisch van de moderne vakbeweging”. “Het klÚnk geleerd”, schamperde Cornelissen in zijn memoires naar aanleiding van identieke uitspraken van Duitse bestuurders.

Schriftelijke correspondentie en het houden van kantoor zijn de bases voor de moderne vakvereniging. In 1908 schreef een journalist van Het Volk bij de opening van een vakbondskantoor: “De kantoren maken een flinken indruk (...) ‘t Is een heel genot als eindelijk een vakbond een vasten zetel heeft gekregen. (...) De bakkersgezellenorganisatie moet groot worden om voor de broodbereiders flinke resultaten te kunnen bereiken. Ze is er voor op den goeden weg.” Het NAS heeft het ‘houden van kantoor’ als ondergeschikt beschouwd aan de beweging.

Ook bureaucratisering is een beheersingsconcept, maar dan van de maatschappij als geheel. “As we examine the bureaucratic form of organization, therefore, we should be alert to the hidden meaning of the close regulation and supervision of human activity, the relentness planning and scheduling of work, and the emphasis on productivity, rule following, discipline, duty, and obedience.” En dat geldt tevens voor het vakverenigingsleven van Polak. Deze neiging om alles te beheersen kan geduid worden in de streng puriteinse opvoeding van de negentiende eeuw. Kinderen dienden zo snel mogelijk hun emoties en lichamelijkheid te reguleren en te beheersen. Taylor leerde de puriteinse idealen als discipline en emotiecontrole goed: “his whole theory of scientific management was the product of the inner struggles of a disturbed and neurotic personality.” Maar hij was geen uitzondering. De mythe van de wetenschappelijk rationele beheersing van de samenleving vormt de tijdgeest van de tweede helft van de negentiende eeuw. De invloed van de machine metafoor op de westerse samenleving is groot, tot zelfs op het tegenwoordige voetbalveld lopen ‘spelers’ de gehele wedstrijd radertjes in een machine te wezen.

Achtergrond van het denken in het aanbrengen van structuur is een ander onderdeel van de negentiende eeuwse tijdgeest, de tweede hoofdwet van de thermodynamica: in een gesloten systeem zal de wanorde toenemen. Zo zal het universum, dat naar verluidt een gesloten systeem is, structuur verliezen en tot chaos vervallen. Kants eerste antinomie van de zuivere Rede ‘de wereld heeft in tijdelijk en ruimtelijk opzicht een begin’ en ‘de wereld is in tijdelijk en ruimtelijk opzicht oneindig’ is ten onrechte vergeten.

Ondenkbaar was het, dat orde een natuurlijke zaak zou zijn. Die orde moet dus aangebracht worden en wel met harde hand. Het anarchistische principe van de zelfordening was uit den boze: chaos zou het gevolg zijn. Er is een tegenwet: die van geschiedenis met zijn groei aan structuur en informatie. Het is in deze visie vanzelfsprekend dat er in een systeem toenemende informatie en structuur optreedt.

Polak bedient zich vaak van termen, die heden ten dage als kenmerken gelden van de opensysteemtheorie, waarbij een biologisch organisme de metafoor voor organisatie is. Een menselijke organisatie vergelijken met een menselijk lichaam is opgekomen door de ontdekking van de bacterie als veroorzaker van ziekte. Bacteriën sluipen het lichaam binnen en dienen zo snel mogelijk vernietigd te worden. Deze metafoor wordt ook van toepassing verklaard op maatschappelijke verschijnselen, zoals een verenigingsorganisatie. Wezensvreemde elementen moeten uit de organisatie geweerd worden. Dan kan beter niet gewacht worden totdat het virus volledig ontwikkeld is. Polak kon zich oprecht verbazen over het feit dat in de Sigarenmakersbond de revolutionairen – de wezensvreemde elementen aan de vakbeweging – jarenlang de vrije hand werd gelaten. Hij beschouwde hen niet als medeleden maar als ziektekiemen. En al snel werd daartoe veel gerekend. Een aantal van Polaks overdrijvingen hebben waarschijnlijk deze achtergrond: kritiek op zijn organisatie werd als een aanval van een virus op het organisme beschouwd.

Apathie, afwachtende houding en lijdzame sabotage zijn een direct gevolg van bureaucratie, Taylorisme en moderne vakbeweging. In tegenstelling tot bureaucratie en Taylorisme is de vakorganisatie een vereniging van leden. Deze hebben het laatste woord en als dat niet helpt kunnen ze hun lidmaatschap opzeggen, in het vakbondsjargon ‘stemmen met hun voeten’.

Een einde en een nieuw begin

Het NAS heeft vanaf januari 1905 een zeer moeilijke periode gekend. Tot 1910 bleef het NAS onder de 5.000 leden. Daarna kreeg het NAS de revolutionaire wind mee, vooral in het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog. In 1920 was het hoogtepunt in ledental bereikt: 52.000. Het NVV was vele malen groter. Het NVV was de grootste van alle vakcentrales vanaf 1 januari 1906. En dat bleef zo tot het NVV opging in de FNV. Qua ideologie, structuur en strategie zal het NVV een vierkant aan het NAS tegengesteld standpunt innemen. Doordat het NVV de bureaucratische en mechanistische organisatieopvatting bezat en de kritische stroming zich organiseerde in het NAS en het Nederlandsch Syndicalistisch Vakverbond (NSV) en ná 1945 in de Eenheids Vakcentrale (EVC) en het Onafhankelijk Verbond van Bedrijfsorganisaties (OVB), heeft het NVV zich tot in de jaren zestig toegelegd op het behalen van successen in een gecentraliseerde organisatie met bestuurders, die het beleid en de stakingsstrategie uitstippelden, waarbij de leden de uitvoering verzorgden. De kritische onderstroom van de vakbeweging zal in het NVV pas in het begin van de jaren zestig zijn weg vinden.

Eén van de interessantste bijdragen van de revolutionairen aan de vakbewegingstheorie is de idee van de bedrijfsorganisatie. Het zijn de bouwvakfederaties die als eerste hun vakbondsorganisatie om willen zetten in een bedrijfsorganisatie, waarbij een vereniging per afzonderlijk bedrijf wordt georganiseerd. En niet bij de reorganisatie per bedrijfstak zoals bij het NVV in de jaren vijftig. Want daar was de herindeling er op gericht om als vakorganisatie beter te kunnen functioneren in publieksrechtelijke organisaties als de bedrijfsraden en bij de uitvoering van de sociale zekerheidswetten. Belangrijk in deze ontwikkeling was de totstandkoming van een rapport, uitgegeven in 1946 door de Raad van Vakcentrales, dat een bedrijfstakgewijze organisatie voor de vakbeweging voorstelde. Het rapport, dat naar de omslag het blauwzwarte boekje genoemd werd, is tot heden als basis in gebruik bij vakbondsbestuurders. Toen ik in 1985 aan mijn directe baas, FNV-bestuurder H. van Eekert vroeg of hij in zijn boekenkast een exemplaar bezat ten behoeve van de heruitgave van de Vakbondshistorische Vereniging haalde hij direct zijn duidelijk veel gebruikte exemplaar uit zijn koffer met de opmerking dat ik het niet al te lang mocht gebruiken, want hij had het boekje weer snel nodig.

In 1919 besluiten de afgevaardigden van de Bouwvakfederatie het beginsel van de bedrijfsorganisatie te aanvaarden. De Federatie van overheidspersoneel gaf een speciale discussiebrochure uit met inleidingen van K. Sarton, D. Schilp en J. de Kadt. Het is de wens om de arbeidersorganisatie door te laten dringen in het hart van de kapitalistische maatschappij: wat “wij dus hebben te doen is: de macht veroveren in de produktie. Wat wij te doen hebben is: onze organen te scheppen ter verovering van deze economische macht. En m.i. kunnen dit geen andere organen zijn dan bedrijfsorganisaties”, schreef K. Sarton. En gelijkluidend schreven de anderen. Maar over de uitwerking verschilden de meningen. De voorbereidingscommissie koos voor de praktische uitwerking van de idee per bedrijf één organisatie van alle in het bedrijf werkzame arbeiders. Doordat het NAS in de jaren daarna in ledental terugliep en verscheurd werd door interne discussies over standpunten tegenover het communisme en door de oprichting van het NSV kwam het niet tot verdere uitwerking en invoering van bedrijfsorganisaties bij de aangesloten federaties.

Het NVV sloot aan bij de modernisering van de maatschappij in de jaren rond 1900. Het NVV heeft mede daardoor een enorm succes gehad. De naamgeving ‘modern’ aan het NVV is dientengevolge juist. Tegenstanders zetten het woord ‘modern’ tussen aanhalingstekens. Daarmee geven zij blijk van een revolutionaire visie op de ontwikkeling van de samenleving. Het NVV was richtinggevend voor concurrerende vakcentrales als de confessionele organisaties. Voor het NAS, dat niet alleen tegen het machtige en grote NVV moest optornen maar ook tegen de modernisering van de maatschappij, was er geen houden meer aan. Met uitzondering van de kortstondige groeiperiodes tijdens de revolutionaire jaren na de beide wereldoorlogen. De onafhankelijke vakbeweging keerde zich tegen de maatschappelijke ontwikkeling. En moest daarvoor de prijs betalen fundamentele kritiek aan de zijlijn te leveren.

Het jaar 1905 is voor de socialistisch georiënteerde vakbeweging een keerpunt. Het markeert het einde van het NAS als centraal punt in de Nederlandse vakbeweging én de overgang naar het revolutionaire NAS als kleine, kritische stiefbroer van het NVV. Vanwege de sterkte van het NAS in bepaalde gebieden en vooral sectoren, maar tevens vanwege de onverzettelijkheid en het enthousiasme van zijn leden is de rol van de onafhankelijk revolutionaire vakbeweging nog lang duidelijk voelbaar en creatief aanwezig.