Peter Kropotkin
De verovering van het brood
Hoofdstuk 2


Welvaart voor allen

I

Welvaart voor allen is geen droombeeld. Zij is mogelijk en bereikbaar, dankzij al hetgeen onze voorouders hebben tot stand gebracht om onze arbeidskracht vruchtbaar te maken. Wij weten dat de voortbrengers, die nauwelijks het derde deel van de bevolking van elk land uitmaken, reeds genoeg produceren om zekere welstand te verschaffen aan elk gezin. Wij weten bovendien dat onze rijkdom zou toenemen in verhouding tot het aantal voortbrengende handen, wanneer allen die thans de vruchten van eens anders arbeid verspillen, verplicht waren hun ledige tijd te gebruiken voor nuttige bezigheden. En eindelijk weten wij dat, in strijd met de theorie van het orakel van de burgerlijke wetenschap — Malthus — ‘s mensen voortbrengingsvermogen veel sneller toeneemt dan de bevolking. Hoe dichter de bevolking van zekere streek, hoe sneller vorderingen haar productievermogen maakt.

Terwijl de bevolking van Engeland sinds 1444 slechts met 62 per 100 is toegenomen, is haar voortbrengingsvermogen minstens met het dubbele daarvan gestegen, dus met 130 per 100. In Frankrijk, waar de bevolking niet zo sterk is vermeerderd, is die stijging toch ook zeer aanzienlijk. Ondanks de crisis waardoor de landbouw werd getroffen, ondanks de inmenging van de staat, de bloedbelasting, de banken, het financiënwezen en de industrie, is de opbrengst van de tarwe verviervoudigd, en de industriële voortbrenging is meer dan vertienvoudigd in de loop van de laatste tachtig jaren. In de Verenigde Staten is die toename nog aanzienlijker ondanks de toevloed van landverhuizers, of liever juist tengevolge van die overbodige arbeiders in Europa, is de productie daar vertienvoudigd.

Maar die cijfers geven slechts een flauw denkbeeld van hetgeen wij zouden kunnen voortbrengen onder betere toestanden. Tegenwoordig vermeerdert, naarmate het voortbrengingsvermogen zich ontwikkelt, het aantal leeglopers en tussenpersonen op schrikbarende wijze. Juist tegenovergesteld aan hetgeen de socialisten vroeger beweerden, n l. dat het kapitaal zich weldra zou samentrekken in enkele handen, zodat men slechts enige miljonairs zou behoeven te onteigenen om de gemeenschappelijke rijkdommen in bezit te nemen, groeit het aantal van hen, die leven op kosten van de arbeid van anderen, steeds aan.

In Frankrijk treft men op elke dertig bewoners geen tien aan die rechtstreeks voortbrengen. Alle rijkdommen door de landbouw verkregen, zijn het werk van minder dan 7 miljoen mensen, en in de twee grote nijverheidstakken — de mijnen en de weefindustrie — arbeiden minder dan twee en een half miljoen werklieden. En hoeveel zouden er wel leven op kosten van de arbeid? In Engeland (Schotland en Ierland daarbuiten gelaten) vervaardigen 1.030.000 arbeiders, mannen, vrouwen en kinderen, alle geweven stoffen; iets meer dan een half miljoen werken in de mijnen; minder dan een half miljoen bewerken de grond, en de statistici moeten de cijfers overdrijven om tot een maximum van 8 miljoen voortbrengers op 26 miljoen bewoners te kunnen geraken

In werkelijkheid zijn hoogstens 6 of 7 miljoen arbeiders de scheppers van de rijkdommen, die naar de vier hoeken van de wereld worden gezonden. En hoe groot is het aantal renteniers. of tussenpersonen, die overal ter wereld hun vaste inkomsten weten te vermeerderen met de opbrengst van hun monopolies door de verbruiker van vijf tot twintig maal meer te laten betalen dan de voortbrengers wordt uitgekeerd?

Dit is niet eens alles. De kapitaalbezitters houden voortdurend de voortbrenging tegen door de productie te beletten. We laten hierbij buiten beschouwing de vaten oesters, die in de zee worden geworpen om te voorkomen dat de oester als voedsel wordt gebruikt door het plebs en zou ophouden de smaak te strelen van de gegoede lui; we bedoelen niet zozeer de duizenden voorwerpen van weelde — stoffen, voedsel, enz. — waarmee op gelijke wijze wordt omgesprongen als met de oesters. Laten we ons slechts bepalen tot de wijze waarop de productie wordt beperkt van zaken die ieder nodig heeft.

Een leger van mijnwerkers zou graag dag aan dag steenkolen delven en die doen vervoeren naar hen, die van koude verkleumen. Maar zeer dikwijls wordt aan een derde, soms aan twee derde van hun belet meer dan drie dagen per week te werken daar de hoge prijzen moeten gehandhaafd blijven. Duizenden wevers moeten de weefstoelen onbezet laten, terwijl hun vrouwen en kinderen in lompen zijn gehuld en drie vierde van de Europeanen geen voegzame kleding bezit.

Honderden hoogovens, duizenden fabrieken liggen voortdurend stil; andere werken slechts de helft van de tijd, en onder alle beschaafde natiën treft men doorlopend een bevolking van ongeveer twee miljoen mensen aan, die vragen om werk, maar aan wie dit wordt geweigerd. Miljoenen zouden gaarne de onbebouwde of slecht bebouwde velden veranderen in akkers, bezet met rijke oogsten. Een jaar van oordeelkundige arbeid zou voor hen toereikend zijn om de opbrengst van de landerijen, die thans slechts 8 hectoliter graan per hectare opleveren, te vervijfvoudigen. Maar die flinke pioniers [1] moeten leeglopen, omdat de bezitters van de grond, de mijn, de fabriek enz. liever hun kapitalen — kapitalen ontstolen aan de gemeenschap — beleggen in Turkse of Egyptische leningen of in aandelen van goudmijnen in Patagonië; men laat zo de Egyptische fellah, de van zijn geboortegrond verjaagde Italiaan of de Chinese koelie voor zich werken.

Dit is de bewuste en directe beperking van de voortbrenging maar behalve deze heeft men nog de indirecte en onbewuste beperking, die bestaat in het verkwisten van de menselijke arbeid door vervaardiging van voorwerpen, die totaal nutteloos zijn of slechts dienen tot bevrediging van de dwaze ijdelheid van de rijken.

Men zou zelfs bij benadering met geen cijfers kunnen aantonen hoezeer het voortbrengingsvermogen indirect wordt verkleind door verspilling van de krachten, die tot voortbrenging zouden kunnen dienen of tot vervaardiging der werktuigen, nodig voor die voortbrenging. Laat ons maar eens wijzen op de miljoenen die in Europa worden verspild in krijgstoerustingen zonder ander doel dan de beheersing van de markt of om op economisch gebied de nabuur de wet te kunnen stellen en binnenslands het exploiteren van de arbeider te vergemakkelijken; op de miljoenen die jaarlijks worden betaald aan ambtenaren van allerlei soort, wier taak het is de rechten van de minderheid te handhaven opdat deze de huishouding van de staat zal kunnen blijven besturen: op de miljoenen, verkwist aan rechters, gevangenissen, gendarmes en hun aanhang, hetgeen gezamenlijk justitie wordt genoemd, terwijl, zoals men weet, de ellende van de grote steden slechts enigszins behoeft te worden gelenigd om de misdaden belangrijk te zien afnemen; op de miljoenen eindelijk, die worden uitgegeven om door middel van de pers, schadelijke denkbeelden, vervalste nieuwstijdingen in het belang van deze of gene partij, van een of ander politiek persoon of van een corporatie van uitzuigers te verspreiden.

Maar we zijn er nog niet. Want nog meer arbeid wordt geheel verspild in beuzelarij; hier om de stal, het hondenhok aan de livereistaat van de rijke in orde te houden; dr, om aan de grillen te voldoen van modehelden en heldinnen en aan de bedorven smaak van het hoog gemeen — elders om de verbruiker te dwingen voorwerpen te kopen, waaraan hij geen behoefte heeft of hem door middel van reclame een artikel van slechte kwaliteit op te dringen; eindelijk om bepaald schadelijke waren te fabriceren, die de ondernemer echter voordeel afwerpen.

Wat op die wijze wordt verknoeid zou ruimschoots voldoende zijn om de nuttige voortbrenging te verdubbelen of om fabrieken en werkplaatsen zodanig in te richten, dat de magazijnen weldra zouden worden overstroomd met goederen, waaraan het twee derde van de bevolking van alle natiën ontbreekt.

Uit deze toestand vloeit voort dat bij alle volken geregeld een vierde van hen, die productieve arbeid verrichten, gedwongen is gedurende drie of vier maanden van het jaar het werk neerteleggen, terwijl de arbeid van een ander vierde deel — misschien wel van de helft — geen ander resultaat oplevert dan de rijken genietingen te verschaffen en het publiek af te zetten.

Merkt men nu aan de ene kant op de snelheid waarmede het voortbrengingsvermogen van de beschaafde volken toeneemt en aan de andere kant de grens, direct of indirect door de tegenwoordige verhoudingen aan de voortbrenging gesteld. Dan moet men wel inzien dat een economische regeling, berustende op verstandelijke grondslag aan de beschaafde natiën binnen enkele jaren zoveel nuttige voortbrengselen zou verschaffen, dat zij zouden gedwongen zijn uit te roepen: Genoeg! Kolen genoeg! Brood genoeg! Klederen genoeg! Laat ons rust nemen, laten we nagaan op welke wijze onze krachten beter kunnen worden gebruikt, hoe we onze vrije tijd nuttiger kunnen besteden!

Nee, welvaart voor allen is geen droombeeld. Dit is het wellicht toen de mens met ontzettend veel inspanning slechts acht of tien hectoliter graan per hectare kon oogsten en met zijn handen de werktuigen moest vervaardigen voor akkerbouw en industrie. Sinds hij het vermogen heeft ontdekt, dat met wat ijzer en wat kilo’s steenkool hem de kracht schenkt van een gedwee, handelbaar paard en hem in staat stelt de ingewikkeldste machine in beweging te brengen, is het geen droombeeld meer.

Maar zal die welvaart tot werkelijkheid worden, dan moet dat ontzaglijk kapitaal — steden, huizen, bebouwde akkers, fabrieken, verkeerswegen, opvoeding, enz. — niet meer worden beschouwd als privaat eigendom, waarover de bezitter naar welgevallen kan beschikken.

De rijke middelen tot voortbrenging met onbeschrijfelijke moeite verkregen, samengesteld, opgebouwd of uitgevonden door onze voorouders, moeten worden gemeenschappelijk eigendom, opdat er met verstandelijk overleg zoveel mogelijk voordeel voor allen uit word getrokken! Die onteigening is noodzakelijk. Welvaart voor allen is het doel, onteigening het middel.

II

De onteigening ziedaar het probleem (vraagstuk) dat de geschiedenis ons, kinderen der negentiende eeuw, ter oplossing heeft voorgelegd. Het terugbrengen aan de gemeenschap van alles wat strekken kan tot haar welzijn. Maar dit vraagstuk zal niet worden opgelost langs wettelijke weg. Niemand die dat in ernst gelooft. De arme, zo goed als de rijke, begrijpt dat noch de tegenwoordige regeringen, noch die welke mochten optreden na eens politieke omwenteling, in staat zouden zijn zulks te doen. Men voelt

de noodzakelijkheid van een sociale revolutie, en de rijken zowel als de armen ontveinzen zich niet dat die revolutie aanstaande is, dat ze iedere dag kan uitbreken.

In de loop van de laatste halve eeuw heeft een evolutie in de hoofden plaats gegrepen, maar onderdrukt door de minderheid, d.w.z. door de bezittende klassen en daardoor in de werkelijkheid zich niet hebbende kunnen doen gelden, moet zij de hinderpalen met kracht wegruimen en zich met geweld trachten baan te breken door de revolutie.

Van waar zal de revolutie komen? Hoe zal zij haar komst aankondigen? Niemand kan die vragen beantwoorden. Daaromtrent verkeren wij in het onzekere. Maar allen, die scherp opmerken en nadenken — arbeiders en uitzuigers, revolutionairen en behoudslieden, denkers en praktische mensen — zijn eenstemmig in het gevoelen dat zij voor de deur staat. Welaan, wat zuilen wij aanvangen, wanneer de revolutie is uitgebroken? Wij allen hebben zózeer de dramatische zijde van de omwentelingen bestudeerd en zo weinig van haar werkelijk revolutionaire handelingen nagegaan, dat velen onzer van die grote gebeurtenissen slechts de openingsscène, de worsteling van de eerste dagen, de barricaden zien. Maar die worsteling, die eerste schermutseling is weldra geëindigd, en het eigenlijke werk van de revolutie begint eerst na de nederlaag van de oude regeringen.

Onbekwaam en machteloos, van alle kanten aangevallen, worden zij weldra door de adem van de opstand verstrooid. Binnen enkele uren verdween de burgerlijke monarchie van 1848 en toen een huurkoets Lodewijk Philips buiten Frankrijk bracht, bekommerde Parijs zich reeds niet meer om de ex-koning. In een paar uren verdween de regering van Thiers op 18 maart 1871 en liet Parijs geheel aan haar lot over. En toch waren 1848 en 1871 slechts opstanden tegen de bestaande regering. Is er sprake van een algemene omwenteling, dan verdwijnen de regeerders met verrassende spoed. Zij nemen de vlucht; zijn ze in veiligheid dan beginnen hun samenzweringen en worden pogingen aangewend tot terugkeer.

Na het verdwijnen van de oude regering, gehoorzaamt het leger, tot aarzeling gebracht door de algemene volksopstand, niet meer aan zijn aanvoerders; die hebben zich trouwens voorzichtigheidshalve tijdig uit de voeten gemaakt. Met de armen over elkaar geslagen, laten de troepen het volk begaan of zij voegen zich, met omhoog gerichte geweerkolven, bij de opstandelingen. De verblufte politie weet niet of zij moet ranselen of uitroepen: Leve de commune! en de agenten gaan in hun woning rustig het optreden van de nieuwe regering afwachten. De rijke burgers pakken hun koffers en begeven zich in veiligheid. Het volk blijft. Zó kondigt een revolutie zich aan!

In verscheidene grote steden wordt de commune uitgeroepen. Duizend mensen zijn op straat en begeven zich ‘s avonds naar de ijlings gevormde clubs zich afvragende: Wat te doen? Terwijl ze in levendig gesprek zijn over de publieke aangelegenheden. Ieder stelt er belang in; de onverschilligen van de vorige dag zijn misschien de ijverigste.

Overal veel goede wil en het vurig verlangen, de overwinning blijvend te maken. We zien grootse tonelen van toewijding en opofferingsgezindheid. Het volk wil steeds gaarne voorwaarts!

Dat alles is schoon, is verheven! Maar nog is het de eigenlijke revolutie niet. Integendeel, nu eerst begint de taak van de revolutionair.

Zeker, de opgekropte haat zal zich lucht geven. Mannen als Watrin[2] en Thomas[3] zullen vallen als slachtoffers van de volkswoede. Maar dat zijn slechts op zichzelf staande voorvallen temidden van de worsteling en nog niet de revolutie. De staatssocialisten, de radicalen, de miskende genieën der journalistiek, de redenaars op effect — bourgeois en ex-werklieden — zullen naar de ministeries en naar het stadhuis lopen om de verlaten zetels in te nemen. Sommigen zullen zich in galakleding, zichzelf bewonderen in de ministeriële spiegels en met een air van deftigheid, passende bij hun positie, hun bevelen geven; zij behoren een rode sjerp en een met goud omboorde uniformpet te dragen; hun gebaren moeten deftig zijn om indruk te maken op hun vroegere makkers van kantoor of werkplaats. Anderen zullen zich verdiepen in de papieren met de beste wil om er iets van te begrijpen, zij vaardigen met gebiedende stem wetten en decreten uit, die niemand denkt ten uitvoer te brengen, omdat men midden in de revolutie verkeert.

Om zich te bekleden met zeker gezag, dat hen ontbreekt, zullen zij de oude regeringsvormen overnemen. Zij zullen zich noemen, voorlopig bewind, comité voor de volksbelangen, burgemeester, commissaris van politie — en wie weet hoe meer! Gekozen of uitgeroepen zullen zij zich verzamelen in parlementen of in gemeenteraden. Daar zullen samenkomen mannen, die tot tien a twintig verschillende scholen behoren, geen personen die er een heilig huisje op na houden, zoals men dikwijls zegt, maar de discipelen van scholen enz. die alle op verschillende wijze de strekking, de omvang en de plicht van de revolutie hebben bestudeerd. Possiblisten, collectivisten, radicalen, jakobijnen, blanquisten, gedwongen samen te beraadslagen, zullen daar hun tijd met kibbelen verliezen. — Eerlijke lieden te midden van eerzuchtigen, die slechts dromen van heerschappij en de massa verachten, waaruit zij zijn voortgekomen! —

Allen komen ze daar met denkbeelden, die lijnrecht tegenover elkaar staan en zijn gedwongen bondgenootschappen te sluiten voor de schijn om meerderheden te vormen, die slechts één dag bestaan, zij twisten onderling, elkaar uitmakende voor reactionairen, voor heersers, voor schurken, zij zijn niet in staat zich met elkaar te verstaan over enige ernstige maatregel en laten zich meeslepen in discussies over allerlei dwaasheden; hun enige bezigheid bestaat in het uitvaardigen van snorkende proclamaties. Allen stellen zich ernstig aan, maar de ware kracht van de beweging is op straat.

Dat alles kan de toneelliefhebbers vermaken. Maar nog eens, dat is geen revolutie, in waarheid is er nog niets gedaan!

Gedurende die tijd lijdt het volk. De fabrieken staan stil, de werkplaatsen zijn gesloten; er is geen handel. De arbeider krijgt niet eens meer het schrale loon dat hij eerst ontving; de prijs van de levensmiddelen stijgt!

Met de heldhaftige toewijding die het volk altijd toonde en waarlijk tot het verhevene stijgt in gewichtige tijdstippen, wordt geduld geoefend. In 1848 riep het volk: wij willen drie maanden gebrek lijden om de regering te helpen, terwijl de vertegenwoordigers en de heren van het nieuwe gouvernement, tot de minste oppasser van de galeislaven, geregeld hun loon uitbetaald kregen.

Het volk lijdt. Met het kinderlijk vertrouwen, met de goedhartigheid van de massa die geloof schenkt aan zijn leiders, wordt gewacht tot men daarboven, in de Kamer, op het stadhuis, in het comité voor de volksbelangen zich met zijn aangelegenheden zal bezig houden.

Maar daarboven denkt men aan allerlei zaken, behalve aan het lijden van de menigte. Toen de hongersnood in 1793 aan Frankrijk knaagde en de revolutie in gevaar bracht, toen het volk in de diepste ellende was verzonken, terwijl de Champs Elysée [4] wemelden van sierlijke rijtuigen, waarin de dames pronkten in weelderige tooi, drong Robespierre er bij de jacobijnen op aan zijn memorie over de Engelse grondwet in discussie te brengen! Toen de arbeider in 1848 leed tengevolge van de algemene stilstand van de industrie, kibbelden de voorlopige regering en de Kamer over de militaire pensioenen en de gevangenisarbeid, zonder zich af te vragen waarvan het volk moest leven in die tijd van crisis.

En als men een verwijt mag richten tot de Commune van Parijs, die onder het geschut van de Pruisen het levenslicht aanschouwd. en slechts zeventig dagen duurde, dan is het wel dit dat zij niet begreep dat de communistische revolutie niet kon slagen zonder goed gevoede strijders, en dat men voor dertig halve stuivers per dag niet tegelijkertijd kon vechten op de wallen en zijn gezin onderhouden.

Het volk lijdt en vraagt: wat moeten wij doen om van dat lijden te worden verlost?”

III

Welnu, het komt ons voor dat op die vraag slechts één antwoord kan worden gegeven, nl.:

“Erkennen en luid verkondigen dat een ieder, welk verleden hij ook heeft gehad, hetzij hij zwak zij of sterk, bekwaam of onbekwaam, vóór alle dingen, recht heeft op het leven, en dat de maatschappij zedelijk verplicht is onder allen zonder onderscheid de bestaansmiddelen, waarover zij beschikt, te verdelen.”

Dit moet worden erkend, verkondigd en ten uitvoer gebracht!

Er moet zódanig worden gehandeld dat de arbeider massaal vanaf de eerste dag van de revolutie bemerkt dat een nieuw tijdperk voor hem is aangebroken: dat niemand voortaan meer gedwongen zal zijn de nacht door te brengen onder een brug naast een paleis dat niemand meer behoeft te bibberen van koude in het gezicht van de magazijnen vol bontwerk. Dat alles ten dienste is van allen, in werkelijkheid zowel als in beginsel, en dat de geschiedenis eindelijk kan wijzen op een revolutie, die vraagt naar de behoeften van het volk alvorens de menigte de les te lezen over haar plichten.

Dit alles kan niet geschieden door dekreten, maar alleen door het onmiddellijk in bezit nemen via al wat nodig is om het leven aan alle te verzekeren; dit is de enige, waarlijk wetenschappelijke manier van handelen, de enige die begrepen en gewenst wordt door de massa des volks. In naam van het opgestane volk moeten de graanpakhuizen, de volgepropte klerenmagazijnen, de bewoonbare huizen in bezit worden genomen. Niets moet worden verspild: dadelijk moet men er op uit zijn de ledige ruimten weer te vullen, aan aller behoeften moet worden voldaan en er moet worden voortgebracht, niet om deze of gene winsten te bezorgen, maar om allen te laten leven en de maatschappij tot ontwikkeling te brengen.

Geen dubbelzinnige formules meer zoals: ‘recht op arbeid’ waarmee men het volk in 1848 om de tuin heeft geleid en dit thans weer tracht te doen. Laten we de moed hebben te erkennen dat “welvaart voor allen”, die voortaan mogelijk is, tot elke prijs moet worden verwezenlijkt.

Toen de arbeiders in 1848 recht op arbeid eisten, werden staat en gemeentelijke werkplaatsen opgericht en men liet daar de mensen zich afsloven voor veertig halve stuivers daags! Toen zij regeling van de arbeid verlangden, antwoordde men: “geduld vrienden, de regering zal uw verzoek in overweging nemen; ziehier voorlopig veertig halve stuivers daags. Neem wat rust, flinke werkman, die uw ganse leven hebt gesloofd en gezwoegd!” Maar intussen werden de kanonnen gericht. Men riep de eerste en tweede lichting onder de wapens, terwijl men de organisatie van de arbeider. wist te breken door duizenderlei middelen, die de bourgeois zo uitstekend verstaat.

En op een goede dag heette het: “vertrekt als kolonisten naar Afrika of we zullen u laten neerschieten!”

Een geheel ander resultaat zal worden verkregen, wanneer de arbeiders recht op welvaart als eis stellen. In die eis ligt het recht om zich meester te maken van de gehele maatschappelijke rijkdom, om de huizen in gebruik te nemen naar behoefte van elk gezin, om beslag te leggen op de grote voorraad levensmiddelen en daarvan naar hartenlust te gebruiken na zoveel ontberingen. De arbeiders laten dan hun recht gelden op alle rijkdommen — de vrucht van de arbeid van vroegere en tegenwoordige geslachten — en leren ervan gebruik maken op een wijze, die hen de edele genietingen van de kunsten en wetenschappen doet kennen, waarvan de bourgeoisie reeds te lang het monopolie had.

Na zich alzo hun recht op welvaart te hebben verzekerd, nemen zij, en dat is van nog groter belang, óók het recht om zelf te beslissen over de mate van die welvaart, over hetgeen moet worden gedaan om ze duurzaam te maken en over hetgeen moet worden nagelaten als voortaan nutteloos.

“Recht op welvaart” betekent het recht om te kunnen leven als mensen en de kinderen op te voeden als gelijkgerechtigde leden van een maatschappij, die beter is dan de onze, terwijl “recht op arbeid” betekent het recht om altijd de loonslaaf te blijven, de zwoeger, die wordt bestuurd en uitgezogen door de bourgeois van morgen. Het recht op welvaart voert ons tot de sociale revolutie: het recht op arbeid leidt hoogstens tot een industrieel bagno.[5]

Het wordt hoog tijd dat de arbeider zijn rechten op de gemeenschappelijke erfenis laat gelden en haar in bezit neemt.

_______________
[1] Pioniers zijn eigenlijk soldaten belast met het banen van de weg die het leger volgen moet.
[2] Watrin, Ingenieur Watrin werd in 1888 te Decazeville door de arbeiders vermoord.
[3] Thomas, Frans generaal, die in de eerste dagen van de commune (1871) door een volkshoop werd vermoord buiten medeweten van de leden van de commune.
[4] Champs-Elysée, beroemde wandelplaats te Parijs.
[5] Plaats, waar de galeislaven zijn opgesloten en gedwongen arbeid moeten verrichten.