Anatoli W. Loenatsjarski

Lenin en de kunst



Geschreven: 1924
Bron: Over kunst en literatuur - verzamelbundel. Uitgeverij Progres, Moskou 1976
Vertaling: Progres
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, juni 2008


Zie ook:
Trotski over Loenatsjarski

Herinneringen aan Lenin, Partizdat 1933, blz. 46-51.

Lenin heeft in het verloop van zijn leven heel weinig tijd gehad om zich ook maar enigszins serieus bezig te houden met de kunst, en omdat dilettantisme hem altijd al vreemd en onaangenaam was hield hij er niet van om zich over kunst uit te laten. Hij hield van de Russische klassieken en hij hield van realisme in de literatuur, het theater, de schilderkunst enzovoorts.

Al in 1905, ten tijde van de eerste revolutie, overnachtte hij eens in de woning van D.I. Lesjtsjenko, waar ondermeer een hele collectie Knackfuss uitgaven aanwezig was over de grootste kunstenaars van de wereld. De volgende ochtend zei Vladimir Iljitsj tegen mij: ‘Wat is de kunstgeschiedenis toch een aantrekkelijk gebied. Wat ligt daar voor een marxist nog een hoop werk. Ik heb tot aan de morgen niet kunnen slapen, ik heb het ene boek na het andere doorgekeken. Het werd me bepaald triest te moede, omdat ik nooit tijd heb gehad en die ook niet zal krijgen om me met kunst bezig te houden’. Deze uitspraak van Vladimir Iljitsj is mij altijd bijzonder duidelijk bijgebleven.

Het kwam na de revolutie een paar keer voor dat ik hem ontmoette in verband met verschillende jury’s voor kunstzaken. Zo herinner ik me bijvoorbeeld dat hij mij een keer liet komen om samen naar een tentoonstelling te gaan van ontwerpen voor een sculptuur, die de figuur van Alexander III moest vervangen, die bij de kerk van Christus-Heiland van zijn schitterende postament was gehaald. Vladimir Iljitsj bekeek al deze monumenten uiterst kritisch. En geen van hen beviel hem. Met bijzondere verbazing stond hij voor een monument van futuristisch maaksel en toen hem om zijn mening werd gevraagd zei hij: ‘Hier snap ik niets van, vraag maar aan Loenatsjarski.’ Op mijn opmerking dat ik hier niet één monument zag dat ik waardig zou bevinden raakte hij bijzonder verheugd en zei hij tegen me: ‘En ik dacht al dat u een of andere futurische vogelverschrikker neer zou zetten.’

Een andere keer ging het om het monument voor Karl Marx. De bekende beeldhouwer M. legde een bijzondere hardnekkigheid aan de dag. Hij had een groot ontwerp voor het monument geëxposeerd: ‘Karl Marx, staande op vier olifanten’. Zo’n onverwacht motief kwam ons allemaal ietwat vreemd voor, ook Vladimir Iljitsj. De kunstenaar begon aan een nieuw ontwerp voor zijn monument en dat deed hij tot drie keer toe, omdat hij voor geen prijs wilde afzien van de overwinning in dit concours. Toen de jury, waarvan ik voorzitter was, zijn ontwerp definitief had afgewezen en het eens was geworden over een collectief ontwerp door een groep kunstenaars onder leiding van Aljosjin wendde de beeldhouwer M. zich tot Vladimir Iljitsj met een klacht. Vladimir Iljitsj trok zich deze klacht aan en belde mij speciaal op om een nieuwe jury te laten samenstellen. Hij zei, dat hij persoonlijk het ontwerp van Aljosjin en dat van de beeldhouwer M. zou komen bezichtigen. En hij kwam. En hij bleek bijzonder tevreden te zijn over het ontwerp van Aljosjin, terwijl hij dat van M. afwees.

Op de eerste mei van datzelfde jaar en op dezelfde plaats waar men dacht het monument voor Marx op te richten bouwde de groep van Aljosjin een model op kleine schaal van het kunstwerk. Vladimir Iljitsj kwam daarvoor speciaal hier naar toe. Hij liep een paar keer om het monument heen, vroeg wat het eigenlijke formaat zou worden en hechtte er ten langen leste zijn goedkeuring aan, waarbij hij echter wel zei: ‘Anatoli Vasiljevitsj, zeg even speciaal tegen de kunstenaar, dat de haren goed moeten lijken en dat van Karl Marx dezelfde indruk wordt gewekt als via zijn goede portretten, anders is de gelijkenis wat te gering’.

Nog in 1918 riep Vladimir Iljitsj mij bij zich en verklaarde dat de kunst vooruitgeholpen moest worden als middel voor de agitatie. Bij deze gelegenheid legde hij twee plannen voor. Op de eerste plaats moesten naar zijn mening de gebouwen, schuttingen en dergelijke plaatsen waar gewoonlijk affiches hangen worden getooid met grote, revolutionaire opschriften. Enkele daarvan stelde hij ter plekke zelf voor.

Het tweede project had betrekking op de oprichting van standbeelden van grote revolutionairen — en dat op bijzonder grote schaal — die tijdelijk zouden zijn, vervaardigd uit gips, en dat zowel in Petrograd als in Moskou. Beide steden reageerden bijzonder actief op het voorstel om het idee van Vladimir Iljitsj in de praktijk te brengen, waarbij nog werd voorgesteld om ieder monument plechtig te onthullen met een redevoering over de revolutionair in kwestie en om onder elk ervan verklarende opschriften aan te brengen. Vladimir Iljitsj noemde dit ‘de monumentale propaganda’.

In Petrograd was deze ‘monumentale propaganda’ tamelijk succesvol. Het eerste van die standbeelden was dat van Radisjtsjev, door Sjervoed. Een kopie ervan werd in Moskou neergezet. Jammer genoeg werd het beeld in Petrograd vernietigd en werd het nooit vernieuwd. Het merendeel van de mooie standbeelden in Petrograd kon het trouwens niet lang uithouden, dit vanwege de teerheid van het materiaal, maar ik herinner me nog heel wat lang niet slechte standbeelden, zoals bijvoorbeeld de bustes van Garibaldi, Sjewtsjenko, Dobroljoebow, Herzen en enkele anderen. Slechter liep het af met de standbeelden met een linkse neiging; toen bijvoorbeeld het in kubistische stijl vervaardigde hoofd van Perovski werd onthuld deinsden sommige mensen letterlijk achteruit. Precies zo, herinner ik mij, kwam het standbeeld van Tsjernysjewski bij veel mensen als heel gekunsteld over. Dit standbeeld, dat werd geplaatst bij de voormalige Staatsdoema, staat er tot op de huidige dag.[1] Het schijnt in brons gegoten te zijn. Uiterst gelukkig was ook het standbeeld van Karl Marx ten voeten uit, dat was gemaakt door de beeldhouwer Matwejew. Het is jammer genoeg kapot gegaan en het is nu op, dezelfde plaats, d.w.z. vlak bij het Smolny, vervangen door een in brons gegoten kop van Karl Marx van het min of meer gebruikelijke type, zonder de originele plastische benadering van Matwejew.

In Moskou, uitgerekend de plaats waar Vladimir Iljitsj de standbeelden kon bekijken, waren ze niet gelukkig.

Er waren trouwens toch al weinig bevredigende monumenten in Moskou. Het beste was nog wel het standbeeld van de dichter Nikitin. Ik weet niet of Vladimir Iljitsj ze uitgebreid heeft bekeken, maar tegen mij zei hij in ieder geval op een ontevreden toon dat er van de monumentale propaganda niets terecht was gekomen. Ik antwoordde met een verwijzing naar de ervaringen in Petrograd, maar Vladimir Iljitsj schudde twijfelend zijn hoofd en zei: ‘Hoe zit dat dan? Heeft alle talent zich dan verzameld in Petrograd en het gebrek aan talent in Moskou?’ Ik kon hem een vreemd verschijnsel als dat niet verklaren.

Hij had zo zijn twijfels met betrekking tot het herinneringstableau van Konenkov. Dat kwam bij hem niet erg overtuigend over. Konenkov zelf noemde zijn werk trouwens niet zonder scherpzinnigheid ‘een pseudo-realistisch tableau’.

Ik herinner me ook dat de kunstenaar Altman aan Vladimir Iljitsj een reliëf ten geschenke gaf met een voorstelling van Chaltoerin. Dit reliëf beviel Vladimir Iljitsj bijzonder goed, maar hij vroeg me wel of dit soms een futuristisch werk was. Hij stond trouwens helemaal negatief tegenover het futurisme. Ik was niet aanwezig bij zijn gesprek over de WCHOETEMAS, waarvan hij op een keer het studentenhuis had bezocht, samen met Nadezjda Konstantinovna. Ik kreeg later een verslag over het grote gesprek tussen hen en de studenten, die uiteraard stuk voor stuk ‘links’ waren. Vladimir Iljitsj maakte zich er met een grapje van af en hij spotte maar wat, maar hij verklaarde ook hier dat hij niet van plan was over dergelijk onderwerpen een serieus gesprek aan te knopen, omdat hij zichzelf te weinig competent achtte. De jeugd zelf vond hij bijzonder goed en hij verheugde zich over hun communistische gezindheid.

In de laatste periode van zijn leven kwam het maar heel zelden voor dat Vladimir Iljitsj van kunst kon genieten. Hij ging een paar keer naar de schouwburg, schijnbaar uitsluitend naar het Kunsttheater, waar hij een zeer grote waardering voor had. De voorstellingen in dit theater maakten onveranderlijk altijd een uitstekende indruk op hem.

Vladimir Iljitsj was een hartstochtelijk liefhebber van muziek. Er was een tijd dat in mijn woning goede concerten werden georganiseerd. Soms zong Sjaljapin, Mejtsjik, Romanovski, het Stradivariuskwartet, Koesewitski, enzovoorts. Ik heb Vladimir Iljitsj heel vaak uitgenodigd, maar hij had het altijd te druk. Op een keer zei hij onomwonden tegen me: ‘Het is natuurlijk heel aangenaam om naar muziek te luisteren, maar stelt u zich voor: het leidt me af. Ik ervaar muziek heel indringend’. Ik herinner me dat kameraad Tsoeroepa, aan wie het een keer of twee gelukt was om Vladimir Iljitsj naar een huisconcert van diezelfde pianist Romanovski te lokken, mij ook verteld heeft dat Vladimir Iljitsj heel erg van de muziek genoot, maar kennelijk ook opgewonden was.

Het is een paar keer voorgekomen dat ik Vladimir Iljitsj aantoonde dat het Bolsjojtheater ons betrekkelijk goedkoop kwam te staan, maar toch werd op zijn aandringen de subsidie verlaagd. Vladimir Iljitsj liet zich daarbij leiden door twee overwegingen. Eén daarvan noemde hij meteen: ‘Het is niet passend,’ zei hij, ‘om zo’n luxueus theater in stand te houden voor heel veel geld, terwijl wij geen middelen genoeg hebben om op het platteland de meest simpele scholen te onderhouden. De tweede overweging uitte hij toen ik op één van de zittingen zijn aanvallen op het Bolsjojtheater bestreed. Ik wees daarbij op de ontwijfelbare culturele betekenis ervan. Toen kneep Vladimir Iljitsj schalks zijn ogen half dicht en zei: ‘Maar toch is het een stukje zuivere adelcultuur en daar kan niemand iets tegen inbrengen.’

Hieruit volgt nog niet, dat Vladimir Iljitsj helemaal vijandig stond tegenover de cultuur van het verleden. De pompeuze hoftoon van de opera kwam bij hem in het bijzonder over als iets specifiek feodaals. Voor de rest had Vladimir Iljitsj grote waardering voor de kunst van het verleden, speciaal voor het Russische realisme (waaronder bijvoorbeeld ook de ‘Peredwizjniki’).

En dat zijn dan de feitelijke gegevens die ik kan aanvoeren uit mijn herinneringen aan Vladimir Iljitsj. En ik herhaal, dat Vladimir Iljitsj uit zijn eigen esthetische sympathieën en antipathieën nooit doorslaggevende ideeën heeft geput.

De kameraden die zich voor kunst interesseren herinneren zich de oproep van het Centraal Comité inzake de kunst nog wel, met een nogal scherp geformuleerd standpunt tegen het futurisme. Ik weet hier niets naders van af, maar ik denk dat hier wel een flinke scheut van Vladimir Iljitsj’ eigen opvattingen in zal zitten. In die tijd beschouwde Vladimir Iljitsj mij als een aanhanger van het futurisme, als een man die die richting alleen maar wilde herhalen, waarom hij waarschijnlijk ook niet met mij overlegde voor de openbaarmaking van die beschikking van het Centraal Comité, die naar zijn overtuiging mijn lijn moest rechttrekken.

Vladimir Iljitsj verschilde ook tamelijk heftig met mij van mening over de Proletkoelt. Op een keer gaf hij mij zelfs een flinke schrobbering. Ik wil allereerst stellen dat Vladimir Iljitsj de betekenis van arbeidersclubs voor de vorming van schrijvers en kunstenaars uit het arbeidersmilieu helemaal niet ontkende, maar hij was erg bang dat de Proletkoelt zich zou gaan bemoeien met de schepping van een ‘proletarische wetenschap’ in het algemeen en een ‘proletarische cultuur’ over de hele linie. Dat leek hem in de eerste plaats een uitermatige voortijdige en veel te zware taak toe en ten tweede dacht hij dat de arbeiders zich door dergelijke, natuurlijk voortijdige, bedenksels af zouden zien van de studie, van het opnemen van elementen uit de al klaarliggende wetenschap en cultuur; en ten derde was Vladimir Iljitsj, blijkbaar niet zonder grond, enigszins bang dat in de Proletkoelt haarden van politieke afwijkingen zouden ontstaan. Hij stond bijvoorbeeld tamelijk afwijzend tegenover de grote rol die in de tijd door A.A. Bogdanow in de Proletkoelt werd gespeeld.

Tijdens het congres van de Proletkoelt in oktober 1920 gaf Vladimir Iljitsj mij opdracht om daar heen te gaan en duidelijk te tonen dat de Proletkoelt onder leiding moest komen te staan van het Volkscommissariaat voor Volksopvoeding, dat zij zich moest beschouwen als een instelling daarvan, enzovoorts. Om kort te gaan wilde Vladimir Iljitsj dat wij de Proletkoelt betrokken bij de staat; en in diezelfde tijd werden door hem maatregelen genomen om haar ook bij de partij te betrekken. De redevoering die ik op het congres uitsprak had ik in een tamelijk terughoudende en verzoenende vorm gegoten en die rede werd aan Vladimir Iljitsj in een nog verder afgezwakte versie doorgegeven. Hij riep mij bij zich en veegde me de mantel uit. En later kreeg de Proletkoelt een nieuwe structuur, in overeenstemming met de aanwijzingen van Vladimir Iljitsj.

Die nieuwe artistieke en literaire formaties die zich in de tijd van de revolutie vormden gingen voor het grootste deel voorbij aan de aandacht van Vladimir Iljitsj. Hij had geen tijd om zich daarmee bezig te houden. Maar toch kan ik nog vertellen dat ‘De Honderdvijftig Miljoen’ van Majakovski Vladimir Iljitsj bepaaldelijk niet beviel. Hij vond het een gekunsteld boekwerk. Men kan niet anders dan betreuren dat hij zich niet meer heeft kunnen uitspreken over andere, latere en rijpere neigingen van de literatuur in de richting van de revolutie.

Eenieder kent de enorme belangstelling die Vladimir Iljitsj aan de dag legde voor de cinematografie.


Bij het Eeuwfeest van het Aleksandrinskitheater. In: Konstantin Derzjawin, Epochi Aleksandrinskoj Sceny, Lengichl, 1932, blz. IX-XI.

... In 1918 was de aanval van de aanhangers van de Proletkoelt op het Aleksandrinskitheater zeer hevig. Ik stond persoonlijk dicht bij de Proletkoelt, maar uiteindelijk raakte ik ietwat gegeneerd door die aanhoudende eisen om een einde te maken aan dat ‘nest van reactionaire kunst’.

Ik nam het besluit om raad te gaan vragen bij Vladimir Iljitsj...

...Ik kwam dus de werkkamer van Vladimir Iljitsj binnen — ik weet niet precies meer op welke datum, maar het was in elk geval in het seizoen 1918-1919 — en ik zei tegen hem dat ik van plan was om al mijn krachten in te spannen om de beste theaters van ons land in stand te houden. Hieraan voegde ik toe: ‘Voorlopig is hun repertoire natuurlijk oud, maar we kunnen ze natuurlijk niet in één klap schoonwassen van allerlei vuiligheid. Het publiek, en juist ook het proletarische publiek, gaat er met graagte heen. Zowel dit publiek als de tijd zelf zullen zelfs de meest conservatieve theaters dwingen om geleidelijk te veranderen. En ik denk dat die verandering betrekkelijk spoedig plaats zal vinden. Ik beschouw het als gevaarlijk om hier een rechtstreekse breuk te forceren: op dit gebied hebben wij nog niets te bieden dat als vervanging kan dienen. En het nieuwe, dat nog moet groeien, zal daar zeker de culturele draad door kwijtraken. Want, rekening houdend met het feit dat de muziek van de nabije toekomst na de overwinning van de revolutie proletarisch en socialistisch zal worden, dan nog mag men toch niet veronderstellen dat men de conservatoria en muziekscholen maar zal sluiten en de oude “feodaal-burgerlijke” instrumenten en bladmuziek maar zal gaan verbranden’?

Vladimir Iljitsj luisterde oplettend tot ik uitgesproken was en antwoordde dat ik die lijn nu net moest aanhouden, maar dat ik ook niet mocht vergeten om steun te verlenen aan het nieuwe dat onder de invloed van de revolutie werd geboren. Al was dat in het begin ook zwak: hier mocht men niet alleen esthetische criteria aanleggen, anders zou de oude en rijpere kunst de ontwikkeling van de nieuwe kunst afremmen, terwijl ze zelf ook wel zou gaan veranderen, maar des te langzamer naarmate men haar zou aansporen tot concurrentie met de jongere verschijnselen.

Ik haastte me om Vladimir Iljitsj ervan te overtuigen dat ik een fout van dien aard op alle mogelijke manieren zou vermijden: ‘Maar wij mogen nooit toelaten,’ zei ik, ‘dat de psychopaten en charlatans, die nu in behoorlijke drommen pogen aan te monsteren op ons schip, met onze krachten een rol zouden gaan spelen die hun niet toekomt en die voor ons schadelijk is.’

Vladimir Iljitsj antwoordde hier letterlijk het volgende op: ‘Wat die psychopaten en charlatans betreft hebt u groot gelijk. Een klasse van overwinnaars en nog wel eentje waarvan de eigen intellectuele krachten voorlopig nog kwantitatief gering zijn, zal onherroepelijk slachtoffer worden van dergelijke elementen wanneer zij zich daartegen niet beschermt. Dat is tot in zekere mate’, voegde Lenin daar lachend aan toe, ‘een onvermijdelijk resultaat en zelfs een teken van die overwinning’.

‘Laten we het dan zo samenvatten,’ zei ik, ‘alles wat in de oude kunst enigszins de moeite waard is moet worden behouden. Niet de museumkunst, maar de actieve kunst — het theater, de literatuur en de muziek — moeten worden onderworpen aan een zekere subtiele beïnvloeding in de richting van een zo snel mogelijke evolutie naar de nieuwe behoeften. Nieuwe verschijnselen moeten selectief worden benaderd. Zij moeten niet de kans krijgen om zich van alles meester te maken. Zij moeten de mogelijkheid krijgen om zich een steeds prominenter plaats te veroveren door middel van reële artistieke verdiensten. In dat opzicht moeten zij zoveel mogelijk worden geholpen.’

Hierop zei Lenin: ‘Ik geloof dat dit een tamelijk precieze formulering is. Probeert u die maar ingang te doen vinden bij ons publiek en bij het publiek in het algemeen via uw openbare optredens en uw artikelen’.

‘Mag ik daarbij naar u verwijzen?’, vroeg ik.

‘Waarom? Ik wil mezelf niet uitgeven voor een specialist inzake vraagstukken van de kunst. U bent tenslotte de volkscommissaris en u moet daarvoor zelf voldoende gezag hebben’.

En hiermee was een einde gekomen aan ons gesprek...

_______________
[1] De herinneringen werden geschreven in 1924.