Ernest Mandel

De EEG en de rivaliteit Europa-Amerika
Een economische en politieke analyse

7. De ‘overige’ landen en de concurrentie West-Europa-Amerika


We willen hier vaststellen dat we tot nu toe objectieve wetmatigheden van de kapitalistische wijzen van produceren en van de belangen van de West-Europese kapitaalbezitters hebben beschreven. We zijn echter geenszins bereid deze belangen met die van de werkende bevolking van West-Europa gelijk te stellen. Om van de gehele mensheid nog maar te zwijgen. In de geschiedenis van het kapitaal is ieder centralisatieproces — d.w.z. objectief gezien de voortschrijdende socialisatie van de menselijke productie — een proces vol tegenstrijdigheden. Binnen een grootbedrijf bestaat een doelmatige planning. Maar dit verhoogt slechts de anarchie in de concurrentiestrijd tussen de groeibedrijven. Binnen een concern of een kartel kan de doelmatige planning zich van tijd tot tijd tot een gehele bedrijfstak uitbreiden maar dat verscherpt dan tevens de ondoelmatigheid en de anarchie van de ongelijkmatige ontwikkeling en de wederzijdse concurrentie tussen verschillende industrietakken. Nationaal ‘geordende’ economie in het kapitalistische stelsel betekent tegelijkertijd verscherpte internationale concurrentie. Regionale economische integratie op internationaal niveau verscherpt de tegenstellingen, de concurrentie en de anarchie in de wereldhandel.

De vorming van de EEG is niet de oorzaak van de lang aanhoudende economische opbloei van het West-Europese kapitalisme, vanaf de Koreaanse oorlog tot de ommekeer in 1965. Het is eerder zo, dat deze langaanhoudende hoogconjunctuur de vorming van de EEG in beslissende mate heeft vergemakkelijkt. In een periode van stagnatie of tijdens een economische crisis zouden de lidstaten zeker niet tot de verlaging van de douanetarieven en het — tot op heden nog onbetekenende — afstaan van economische souvereiniteit bereid zijn geweest. Maar deze hoogconjunctuur — en die van de Amerikaanse economie die met het begin van de regering-Kennedy begon — heeft nog grotere historisch-explosieve verschillen in de ontwikkeling op de wereldmarkt te weeg gebracht. Gedurende de laatste vijftien jaar zijn de ‘rijke’ landen werkelijk rijker, de ‘arme’ landen daarentegen werkelijk armer geworden. Deze ontwikkeling blijkt statistisch uit de volgende cijfers: het aandeel van de zg. Derde Wereld in de wereldhandel is van 31,3 % in 1950 tot 20,8 % in 1963 en 18,5 % in 1967 teruggelopen. Als we de handel in olie buiten beschouwing laten dan daalt het aandeel van de ontwikkelingslanden zelfs tot minder dan 10 %.

We hoeven niet in details uit de doeken te doen hoe sterk de gemeenschappelijke invoertarieven van de EEG tegenover derde landen de uitvoer geremd hebben van industrieproducten juist van de typische exportindustrieën van de Derde Wereld (textiel en producten van de voedingsmiddelenindustrie). Hetzelfde geldt voor de discriminerende maatregelen tegen de uitvoer van bepaalde Latijns-Amerikaanse en Aziatische landen ten voordele van de tropische uitvoerproducten van de Afrikaanse landen in de Franse invloedssfeer.

Toch heeft dit ook zijn invloed op de uitvoer van de EEG niet gemist. In 1958 kochten de ontwikkelingslanden nog 27 % van de door de EEG-landen geëxporteerde producten, in 1965 was dit aandeel tot 15,7 % teruggelopen en daarvan ging dan nog 4 % naar de aan de EEG geassocieerde landen. M.a.w.: als men China er nog bij optelt dan is tweederde van de mensheid in de uitvoer van de EEG met nauwelijks 10 % vertegenwoordigd. De tendens naar steeds meer onderlinge ruil van industriële goederen tussen geïndustrialiseerde landen onderling, die de veiligheidsklep van export van industrieproducten naar niet-geïndustrialiseerde landen uit de economie van het kapitalisme heeft verwijderd, wordt door vele deskundigen met verontrusting gadegeslagen. Deze tendens is het gevolg van de concentratie van inkomen en vermogen op internationale schaal, die we hier niet verder kunnen onderzoeken, maar die eveneens voortvloeit uit de hoofdtendensen van de ontwikkeling van de kapitalistische wijze van productie.

In een verslag van de economische en sociale afdeling van de Verenigde Naties zijn de gevolgen onderzocht van de invoering van het gemeenschappelijke buitentarief voor de handel tussen de EEG-leden en de landen van de Derde Wereld.[1] Op het gebied van de puur tropische grondstoffen schijnen vooral de bananen- en hout-invoer naar de Bondsrepubliek en de invoer van plantaardige oliën naar de Beneluxlanden in gevaar gebracht. Eveneens dient men rekening te houden met een zekere discriminatie in het voordeel van de koffie-export van de onder Franse invloed staande geassocieerde landen van Afrika. Zeer ondubbelzinnig is de discriminatie op het gebied van de invoer van levensmiddelen naar de Bondsrepubliek uit ‘derde landen’ (in dit geval niet alleen vlees uit Argentinië en Uruguay of tarwe uit Canada, maar ook eieren, boter en kaas uit Denemarken en visproducten uit de Scandinavische landen), tengevolge van de zg. ‘gemeenschappelijke landbouwpolitiek’ die vooral de tarwe exporterende boeren in Frankrijk begunstigt.

Enige getallen om de reeds door de niet-geassocieerde ontwikkelingslanden geboekte achteruitgang in de handel met de EEG te illustreren. Tussen 1957 en 1961 daalde hun aandeel in de import van koffie in Frankrijk van 34,7 tot 28,1 %, in de import van cacao in de Beneluxlanden van 69,5 % tot 64,6 %, in de import van hout in Italië van 93,7 % naar 79,8 %, in de import van plantaardige oliën in Italië van 92,9 %tot 78,3 %.[2]

Nog ernstiger dreigt door de EEG de import van textielgoederen uit de ontwikkelingslanden in gevaar te komen, omdat daarbij niet alleen de tolmuren maar ook krachtige kwantitatieve beperkingen door contingenteringen toegepast worden. In dit verband is het interessant er op te wijzen dat in 1960 nog slechts 4 % van de textielimport van de EEG-landen uit de ontwikkelingslanden kwam, terwijl de EFTA-landen 14 % van hun textielimport uit de ontwikkelingslanden betrekken, en de VS 22 %.[3] Terwijl de importen van textielproducten in de EEG van 1958 tot 1963 verdubbelden, daalde het aandeel van India en Hongkong van 2,25 % tot 2,11 %.

Zeker, de EEG heeft een steeds groter aantal kredieten aan de geassocieerde landen van Afrika verstrekt; maar deze kredieten kwamen vooral ten goede aan de exportindustrie in de EEG-landen die kapitaalgoederen fabriceren (zo werd bv. de positie van de Bondsrepubliek op de Afrikaanse markt relatief verbeterd), zonder merkbaar tot een snellere economische groei van deze landen bij te dragen. De Amerikaanse invloed neemt daarom langzaam, zowel via de handel als via de militaire hulp toe en minstens twee belangrijke Afrikaanse staten (Marokko en Kongo-Kinshasa) zijn uit de invloedssfeer van de West-Europese landen naar die van de Verenigde Staten overgegaan.

Wanneer we het probleem niet in het enge kader van de geassocieerde landen en de EEG maar op wereldniveau bekijken dan zijn de resultaten nog ondubbelzinniger. Het is onmiskenbaar dat de Verenigde Staten er in geslaagd zijn een reeks machtsposities in de voormalige koloniën of halfkoloniën van de West-Europese mogendheden te veroveren. Van Zuid-Vietnam, Indonesië en Thailand tot de Libanon, Turkije en Griekenland is Washington als erfgenaam van Londen, Parijs en Amsterdam aangetreden. Een dergelijke ontwikkeling is ook in de zg. ‘witte dominions’ van de Britse commonwealth waar te nemen. Dat heeft zeker ook negatieve consequenties voor de concurrentiepositie van de Amerikaanse economie: geweldige militaire uitgaven in het buitenland (de oorlog in Vietnam bv.) en steeds grotere politieke spanningen die dit conflict in de Amerikaanse maatschappij zelf teweeg brengt.

Maar doordat daardoor enige sleutelposities van het West-Europese — van vooral het Britse — grootkapitaal langzaam werden geïsoleerd en beginnen af te brokkelen (men denke slechts aan de West-Europese oliebelangen in de Arabische landen en aan de Britse positie in Maleisië), verschuiven de krachtsverhoudingen zich toch in het voordeel van de Verenigde Staten. De pogingen van de Gaulle, door handig laveren tegenover de revolutionaire krachten in de koloniale gebieden politiek voordeel voor West-Europa terug te veroveren, hebben weinig kans van slagen. Ten eerste is een dergelijk optreden economisch onvoldoende gefundeerd, ten tweede kan het de snelle radicalisatie van de revolutionaire bewegingen in dit deel van de wereld niet bijhouden.

De opzienbarende opkomst van Japan als nieuwe grote mogendheid speelt een in dezelfde richting werkende rol. Ten eerste bedreigt het exportoffensief van de jonge, technologisch hoog ontwikkelde Japanse industrie vooral Europese en geen Amerikaanse afzetmarkten. Dat blijkt uit de meest opzienbarende Japanse exportsuccessen: scheepsbouw, transistoren en optische industrie. Ook in de staalindustrie zijn de belangrijkste concurrenten voor de Japanners de West-Europese en niet de Amerikaanse concerns. Het volgende grote Japanse exportoffensief zal waarschijnlijk de automobielindustrie betreffen op welk gebied Japan met een jaarlijkse productie van meer dan 2 miljoen auto’s Groot-Brittannië reeds van de derde plaats op de wereldranglijst heeft verdrongen en waarschijnlijk nog voor het einde der jaren zestig ook de Bondsrepubliek voorgoed van de tweede plaats zal verdringen. Dit exportoffensief zal de posities van de West-Europese automobielindustrie op twee manieren bedreigen: op de West-Europese markt zelf én op de Amerikaanse markt.

Ten tweede moet vastgesteld worden dat de Amerikaanse concerns zich reeds zeer sterke uitgangsbases in Japan zelf hebben verworven, waartegenover de West-Europese concerns niets gelijkwaardigs kunnen stellen. Sinds 1967 is Japan bezig de invoer van kapitaal te liberaliseren en men kan er zeker van zijn dat deze uitgangsbases gebruikt zullen worden om een snel binnendringen van de grote Amerikaanse concerns te waarborgen. Ja, het zou waarschijnlijk niet onjuist zijn te voorspellen dat de Amerikaanse kapitaalexport naar Japan zich in de komende jaren in een gelijk ritme zal ontwikkelen als die naar Europa in de laatste vijf jaar.

Het Japanse grootkapitaal zelf heeft door vreedzame uitbreiding van de handel en ontwikkelingshulp aan vele landen van Oost-Azië (de Philippijnen, Thailand, Zuid-Korea, Australië, Maleisië, Formosa, Indonesië) met steeds meer succes geprobeerd de posities die het door zijn militaire nederlaag in 1945 had verloren, weer terug te winnen. Af en toe treedt het daarbij op als concurrent van de Verenigde Staten en het is zelfs mogelijk dat het dit in de toekomst steeds sterker en met steeds meer succes zal doen (de Amerikaanse automobielexport naar deze landen bv. is bijna volledig door de Japanse verdrongen). Maar de Amerikaanse afzetmogelijkheden in deze landen waren afgezien van de Japanse export toch altijd al beperkt. En ook al worden de Amerikaanse exportmogelijkheden daar rechtstreeks getroffen, op langere termijn gezien schijnen ze toch van de Japanse expansie mee te profiteren want veel Japanse exportindustrieën moeten hun industriële uitrusting voor een deel in de Verenigde Staten kopen. Een vergroting van hun export leidt daarom automatisch tot een vergroting van de Amerikaanse export naar Japan. Tot dusver heeft een dergelijke ontwikkeling zich ten aanzien van de EEG-landen niet voorgedaan.

De uitvoer van Japan naar de landen van Azië en de eilanden in de Stille Oceaan steeg van 1,138 miljard dollar in 1958 tot 3,150 miljard dollar in 1965. Tegelijkertijd steeg de Japanse invoer uit de Verenigde Staten en Canada echter van 1,358 miljard dollar in 1958 tot 3,040 miljard dollar in 1965. Hoe zeer de Verenigde Staten in de concurrentiestrijd West-Europa-Amerika op de Japanse afzetmarkt bevoorrecht zijn, blijkt uit het feit dat in 1965 vijf keer zoveel goederen uit de Verenigde Staten in Japan geïmporteerd werden als uit de EEG-landen (2,48 miljard dollar tegenover 484 miljoen dollar). Op de lange duur echter, zal de dynamiek van de Japanse expansie, reeds volwassen door een steeds onafhankelijker technologisch onderzoek en eenzelfde vernieuwing, én door het bezit van firma’s van wereld-dimensies,[4] het kapitalisme van dat land verheffen tot een concurrentieniveau dat haar gelijkwaardig maakt aan de Verenigde Staten aan de ene, en aan West-Europa aan de andere kant.

De rol van de landen van het Oostblok is — in ieder geval op het gebied van de industriële producten — hieraan tegenovergesteld. Juridisch vastgelegde discriminatie van de handel met het Oostblok door de Amerikaanse regering vooral op het gebied van zg. strategisch materiaal, en in het algemeen de vrees dat de versterking van de Sovjetindustrie door modernisering van de industriële uitrusting tot een versterkt militair potentieel zal leiden, hebben de Amerikaanse kapitaalbezitters aanleiding gegeven tot grote terughoudendheid in de ontwikkeling van de handel met de Sovjet-Unie. De laatste jaren is de handelspolitiek tegenover het Oostblok gedifferentieerder geworden. Nadat de krediet- en leveringsvoorwaarden tegenover het als neutraal beschouwde Joegoslavië versoepeld waren, volgden dergelijke verlichtingen ook voor de export van Amerikaanse goederen naar Polen en Roemenië. Maar toch bleef de expansie van de Amerikaanse handel met het Oostblok als geheel ver bij die van West-Europa ten achter (met name Groot-Brittannië nam daarbij een groot deel van deze expansie voor zijn rekening). Dit geldt in nog sterkere mate voor de handel met de Volksrepubliek China, die voor de Verenigde Staten bijna niet bestaat, terwijl het West-Europese kapitaal er niet voor terugschrok van de mogelijkheden die o.a. na het plotseling verslechteren van de Sovjet-Chinese handelsbetrekkingen ontstonden, volledig te profiteren.

De grote Amerikaanse concerns hebben tevergeefs geprobeerd deze voor hen nadelige ontwikkeling tegen te gaan door enerzijds via de regering in Washington voortdurend druk op de West-Europese bondgenoten uit te oefenen om het staken van de export van strategische goederen naar het Oostblok af te dwingen, anderzijds door gelijktijdig aan te dringen op liberalisatie van de strenge Amerikaanse uitvoerbeperkingen. Hun succes daarin is tot op heden nog gering.

Van 1958 tot 1966 steeg de uitvoer van de EEG naar de Europese landen van het Oostblok van 624 miljoen dollar tot 1,68 miljard dollar, terwijl in dezelfde periode de Amerikaanse uitvoer naar deze landen slechts van 110 miljoen dollar tot 198 miljoen dollar steeg. Net zoals de Verenigde Staten in Japan, heeft West-Europa in het Oostblok een gepriviligeerde positie op de afzetmarkt.[5] Een zeer duidelijk voorbeeld is in dit verband de groeiende afzet van elektronische rekenmachines naar de landen van het Oostblok, die in de komende jaren in navolging van de Sovjetpogingen om de industrie meer te automatiseren en meer gebruik te maken van mathematische technieken (operational research en linear programming) in de economische planning grote betekenis hebben. De afzet van deze rekenmachines valt op dit moment volledig buiten de invloedssfeer van het Amerikaanse concern IBM en wordt praktisch geheel door de Britse elektronische industrie beheerst.[6] Deskundigen schatten de Russische achterstand op 5 jaar en de Russische behoefte op 12.000 computers met een totale waarde van ongeveer 10 miljard dollar. Zij houden rekening met een mogelijke Japanse concurrentie die zich echter nog niet heeft gemanifesteerd.[7]

Sinds medio 1966 speelt het Oostblok niet alleen een rol van bevoorrechte afzetmarkt voor de West-Europese goederen maar de handel met de Oostblokstaten heeft bovendien het punt bereikt dat zelfs een beperkte kapitaalsexport uit West-Europa naar dit gebied mogelijk is geworden. De bouw van hele bedrijven gaat gepaard met langlopende kredieten met zulke voorwaarden dat in feite van kapitaalbeleggingen gesproken kan worden.

Belangrijkste voorbeelden zijn: de bouw van een grote automobielfabriek ter waarde van 3,5 miljard DM door het Italiaanse Fiat-concern in Togliattigrad (USSR), de bouw van een automobielfabriek in Roemenië, de bouw van 6 synthetische rubberfabrieken in de USSR door het Pirelliconcern, de vestiging van talrijke petrochemische fabrieken door het Britse ICI-concern en de bouw van een broeikascomplex in Bulgarije door een Nederlandse onderneming. In het totaal 150 bedrijven worden, sommige in licentievorm, andere met winstdeling, door West-Duitse firma’s, in het Oostblok gebouwd.

Zo krijgen we een totaalbeeld van het samenspel van de verschillende grote gebieden in de wereldeconomie, dat de onderlinge concurrentieverhouding tussen West-Europa en Amerika niet fundamenteel verandert. De rol van Japan en van de ontwikkelingslanden bevoordeelt de positie van de Verenigde Staten; de rol van de niet-kapitalistische landen bevoordeelt objectief de positie van West-Europa. Ook al werken deze invloeden alles bij elkaar kwantitatief — gemeten naar de export en de winst uit de kapitaalbeleggingen — sterker in het voordeel van de Verenigde Staten dan in het voordeel van hun West-Europese concurrenten, toch blijft dat onderscheid slechts marginaal. Het beslissende gebied waar deze concurrentie zich afspeelt wordt gevormd door West-Europa en de Verenigde Staten zelf en niet de rest van de wereld.

_______________
[1] United Nations Department of Economie and Social Affairs: World Economic Survey 1962, I, The developing countries in world trade, United Nations, New York 1963.
[2] O.c. p. 99.
[3] De president van de Wereldbank, Georg D. Woods verklaarde op 24 januari 1967 in Parijs dat de internationale tolmuren een ernstige discriminatie van de verwerkende industrieën in de ontwikkelingslanden vormen.
[4] De fusie tussen Yawata en Fuji Steel hebben de in grootte tweede staaltrust ter wereld doen ontstaan, die 21 miljoen ton staal produceert en daarmee zijn Europese concurrenten verre achter zich laat. Er bestaat in Japan reeds een voorbeeld van integratie van mondiale industriereuzen: de ‘joint venture’ van Shell en Mitsubishi, die het petrochemische complex van Yokkaichi bij Nagoya heeft opgeleverd.
[5] De totale uitvoer uit West-Europa (EEG- en EFTA-landen samen) naar het Oostblok bedroeg in 1966 2,7 miljard dollar. De Bondsrepubliek met 25,8 % en Groot-Brittannië met 15,2 % hadden hieraan het belangrijkste aandeel.
[6] Zie: ‘The Economist’, 24.12.1966 en 19.8.1967.
[7] ‘Le Monde’ (22/23.10.1967) wijdde een interessant artikel aan de vraag of de Sovjet-Unie de ‘computer-revolutie’ heeft gemist.