Friedrich Engels
Anti-Dühring


VIII. Kapitaal en meerwaarde (slot)

‘Volgens de opvatting van de heer Marx vertegenwoordigt het arbeidsloon slechts de betaling van die arbeidstijd waarin de arbeider werkelijk arbeidt om zijn eigen bestaan mogelijk te maken. Hiervoor is nu echter een gering aantal uren voldoende. De gehele rest van de vaak langdurige arbeidsdag levert een overschot op, dat volgens de terminologie van onze auteur “meerwaarde” of, in gangbare taal uitgedrukt, de kapitaalwinst bevat. Afgezien van de arbeidstijd die in het een of ander stadium der productie al in de arbeidsmiddelen en relatieve grondstoffen aanwezig is, vormt dat overschot van de arbeidsdag het aandeel van de kapitalistische ondernemer. De verlenging van de arbeidsdag is bijgevolg zuivere uitbuitingswinst ten gunste van de kapitalist.’

Volgens de heer Dühring zou dus Marx’ meerwaarde niets anders zijn dan wat men in het gangbaar spraakgebruik kapitaalwinst of profijt noemt. Horen wij wat Marx zelf daarover zegt. Op blz. 195 van Het Kapitaal wordt meerwaarde toegelicht door de tussen haakjes volgende woorden: ‘Interest, winst, rente’.[124] Op blz. 210 geeft Marx een voorbeeld, waarbij een meerwaardesom van 71 shilling in haar verschillende verdelingsvormen verschijnt; tienden, plaatselijke en staatsbelasting 21 shilling, grondrente 28 shilling, winst van de pachter en interest 22 shilling, tezamen totale meerwaarde 71 shilling.[125] — Op blz. 542 verklaart Marx, dat het één van de voornaamste tekortkomingen bij Ricardo is, ‘dat hij de meerwaarde niet zuiver aangeeft, d.w.z. niet onafhankelijk van zijn bijzondere vormen, zoals winst, grondrente enz.’ en dat hij daardoor de wetten met betrekking tot de meerwaardevoet direct dooreen haalt met de wetten met betrekking tot de winstvoet, waartegenover Marx aankondigt: ‘Ik zal later in het derde deel van dit geschrift aantonen dat dezelfde meerwaardevoet zich op de meest verschillende wijze in de winstvoet en dat verschillen in de meerwaardevoet zich, onder bepaalde omstandigheden, ja dezelfde winstvoet kunnen uitdrukken’.[126] Op blz. 587 zegt hij: ‘De kapitalist die de meerwaarde produceert, d.w.z. hij die direct de onbetaalde arbeid uit de arbeiders pompt en in waren fixeert, is wel de eerste toe-eigenaar, maar geenszins de laatste bezitter van deze meerwaarde. Later moet hij deze delen met kapitalisten die andere functies in het grote geheel van de maatschappelijke productie vervullen, met de grondbezitter, enz. De meerwaarde splitst zich daarom in verschillende delen. De brokstukken hiervan vallen toe aan verschillende categorieën van personen en nemen verschillende, zelfstandig tegenover elkaar staande vormen aan, zoals winst, interest, handelswinst, grondrente enz. Deze vormveranderingen van de meerwaarde kunnen pas in het derde deel worden behandeld.’[127] Hetzelfde vinden we eveneens op vele andere plaatsen.

Men kan zich niet duidelijker uitdrukken. Bij iedere gelegenheid vestigt Marx er de aandacht op dat men zijn meerwaarde volstrekt niet verwisselen mag met het profijt of met de kapitaalwinst, dat deze laatste veeleer een ondervorm en zeer vaak zelfs maar een brokstuk van de meerwaarde is. Wanneer de heer Dühring niettemin beweert, dat de meerwaarde van Marx, ‘in de gangbare taal uitgedrukt, de kapitaalwinst’ is en wanneer het vaststaat, dat het hele boek van Marx om die meerwaarde draait, dan zijn slechts twee gevallen mogelijk: of hij weet niet beter en dan behoort er een weergaloze onbeschaamdheid toe om een boek door het slijk te halen waarvan hij de hoofdinhoud niet kent. Of hij weet wel beter en dan pleegt hij een opzettelijke vervalsing.

Verder:

‘De giftige haat, waarmee de heer Marx deze voorstelling van de uitbuiterij begeleidt, is maar al te begrijpelijk. Maar ook een nog geweldiger toorn en een nog vollediger inzicht in het uitbuitingskarakter van de op loonarbeid berustende vorm der economie is mogelijk, zonder dat die theoretische wending, uitgedrukt in Marx’ leer van de meerwaarde wordt aanvaard.’

De goed bedoelde, maar onjuiste theoretische wending van Marx wekt bij deze een giftige haat tegen de uitbuiterij. De op zichzelf zedelijke verontwaardiging krijgt, tengevolge van de verkeerde ‘theoretische wending’ een onzedelijke uitdrukking, zij treedt aan het licht in onedele haat en minderwaardige giftigheid, terwijl de laatste en strengste wetenschappelijkheid van de heer Dühring zich uit in een zedelijke verontwaardiging van dienovereenkomstig edele natuur, in toorn die ook naar de vorm zedelijk is en bovendien ook nog kwantitatief boven de giftige haat uitgaat, kortom die een geweldigere toorn is. Terwijl de heer Dühring deze vreugde aan zichzelf beleeft, willen wij eens nagaan waar deze geweldigere toorn vandaan komt.

‘Er doet zich nl.,’ zo gaat het verder, ‘de vraag voor hoe de concurrerende ondernemers in staat zijn het volledige product van de arbeid en daarmee het meerproduct duurzaam tegen een zo hoog boven de natuurlijke productiekosten staande prijs te realiseren als door de reeds genoemde verhouding van het overschot aan arbeidsuren aangegeven wordt. Een antwoord hierop is in de leer van Marx niet te vinden en wel om de eenvoudige reden, dat daarin niet eens plaats is voor het stellen van deze vraag. Het luxekarakter van de op loonarbeid berustende productie is in het geheel niet ernstig behandeld en de sociale structuur met haar uitzuigende posities is in het geheel niet begrepen als de laatste grondslag der blanke slavernij. Integendeel moet volgens Marx het politiek-sociale steeds uit het economische worden verklaard.’

Nu hebben wij uit de bovenaangehaalde passages gezien, dat Marx geenszins beweert, dat het meerproduct door de industriële kapitalist die daarvan de eerste toe-eigenaar is, onder alle omstandigheden gemiddeld tegen zijn volle waarde wordt verkocht, zoals de heer Dühring hier veronderstelt. Marx zegt uitdrukkelijk dat ook de handelswinst een deel van de meerwaarde vormt en dat is onder de gegeven voorwaarden toch slechts dan mogelijk wanneer de fabrikant zijn product aan de handelaar beneden de waarde verkoopt en hem daarmee een aandeel in de buit afstaat. Zoals de vraag hier gesteld wordt, kon zij dus stellig door Marx zelfs niet opgeworpen worden. Rationeel gesteld, luidt zij: Hoe verandert zich de meerwaarde in haar ondervormen: winst, interest, handelswinst, grondrente, enz? En inderdaad belooft Marx dit vraagstuk in het derde deel op te lossen. Wanneer de heer Dühring echter niet zo lang kan wachten, tot het tweede boek van Het Kapitaal[128] verschijnt, dan moest hij van het eerste deel alvast wat nauwkeuriger kennis nemen. Hij kon dan, behalve de reeds aangehaalde passages, bv. op blz. 323 lezen dat volgens Marx de immanente wetten van de kapitalistische productie zich in uiterlijke beweging van de kapitalen als dwangwetten van de concurrentie voordoen en dat zij in deze vorm de individuele kapitalist als drijfveren bewust worden. Dat dus een wetenschappelijke ontleding van de concurrentie slechts mogelijk is zodra de interne aard van het kapitaal is begrepen, net zoals de schijnbare beweging van de hemellichamen slechts voor degene begrijpelijk is die haar werkelijke, maar met de zintuigen niet waarneembare beweging kent. Waarna Marx met een voorbeeld aantoont hoe een bepaalde wet, de waardewet, in een bepaald geval op het gebied van de concurrentie tot uiting komt en haar drijfkracht uitoefent.[129] Hieruit had de heer Dühring reeds kunnen leren dat de concurrentie bij de verdeling van de meerwaarde een hoofdrol speelt en bij enig nadenken zijn deze in het eerste deel gegeven aanwijzingen inderdaad voldoende, om de verandering van meerwaarde in haar ondervormen althans in algemene trekken te leren kennen.

Voor de heer Dühring intussen is de concurrentie juist de absolute hinderpaal voor een goed begrip. Het wil er niet bij hem in hoe de concurrerende ondernemers de volle opbrengst van de arbeid en daarmee het meerproduct duurzaam zo ver boven de natuurlijke productiekosten kunnen realiseren. Hij drukt zich hier weer uit met de gebruikelijke ‘strengheid’ die in werkelijkheid slordigheid is. Het meerproduct als zodanig heeft bij Marx immers in het geheel geen productiekosten, het is het deel van het product dat de kapitalist niets kost. Wanneer dus de concurrerende ondernemers het meerproduct tegen zijn natuurlijke productiekosten zouden willen realiseren dan moesten zij het cadeau geven. Maar laten wij ons bij zulke ‘micrologische bijzonderheden’ niet ophouden. Realiseren de concurrerende ondernemers niet metterdaad dagelijks het product van de arbeid boven de natuurlijke productiekosten? Volgens de heer Dühring bestaan de natuurlijke productiekosten

‘uit wat daaraan aan arbeid of kracht is besteed, en dit kan wederom in laatste instantie naar de benodigde hoeveelheid voedsel afgemeten worden’;

dus in de hedendaagse maatschappij uit de aan grondstoffen, arbeidsmiddelen en arbeidsloon werkelijk gemaakte kosten, wel te onderscheiden van de ‘belasting’, de winst, de met de degen in de hand afgedwongen toeslag. Nu is het welbekend dat in de maatschappij waarin wij leven, de concurrerende ondernemers hun waren niet tegen de natuurlijke productiekosten realiseren, maar de zogenaamde toeslag, de winst erop zetten en in de regel ook krijgen. De vraag, waarvan de heer Dühring meende dat hij haar slechts behoefde op te werpen om daarmee Marx’ hele gebouw omver te blazen, zoals wijlen Jozua de muren van Jericho,[130] die vraag bestaat dus ook voor de economische theorie van de heer Dühring. Gaan wij na, hoe hij haar beantwoordt:

‘Het kapitaalbezit,’ zegt hij, ‘heeft geen praktische betekenis en het is niet te realiseren, tenzij tegelijkertijd de indirecte macht over het mensenmateriaal daarbij inbegrepen is. Het product van deze macht is de kapitaalwinst en de grootte daarvan zal daarom afhangen van de omvang en de intensiteit van de machtsuitoefening... De kapitaalwinst is een politieke en sociale instelling, waarvan een sterkere werking uitgaat dan van de concurrentie. De ondernemers handelen in dit opzicht als stand en ieder afzonderlijk handhaaft zijn positie. Een zekere mate van kapitaalwinst is bij de eenmaal heersende wijze van het voeren der economie een noodzakelijkheid.’

Helaas, ook nu weten wij nog altijd niet hoe de concurrerende ondernemers in staat zijn, het product van de arbeid duurzaam boven de natuurlijke productiekosten te realiseren. Het is onmogelijk dat de heer Dühring een zo lage dunk van zijn publiek heeft om het met het praatje af te willen schepen, dat de kapitaalwinst boven de concurrentie staat, zoals eens de koning van Pruisen boven de wet. De manoeuvres waardoor de koning van Pruisen tot zijn verheven-zijn boven de wet kwam, kennen wij. De manoeuvres waardoor de kapitaalwinst ertoe komt machtiger te zijn dan de concurrentie, dat is nu juist wat de heer Dühring ons moet verklaren en wat hij ons hardnekkig weigert te verhelderen. Ook kan het ons geen stap verder brengen wanneer, zoals hij zegt, de ondernemers in dit opzicht als stand handelen en daarbij ieder afzonderlijk zijn positie handhaaft. Wij zijn toch niet verplicht hem zo maar op zijn woord te geloven, dat een aantal mensen alleen maar als stand behoeft te handelen opdat elk van hen zijn positie kan handhaven? De gildenmeesters van de Middeleeuwen, de Franse adellijken van 1789 handelden, zoals men weet, zeer vastberaden als stand en zijn niettemin te gronde gegaan. Het Pruisische leger bij Jena handelde ook als stand, maar in plaats van zijn positie te handhaven moest het juist de benen nemen en zich later zelfs bij gedeelten overgeven. Evenmin kunnen wij tevreden zijn met de verzekering dat bij de eenmaal heersende wijze van het voeren der economie een zekere mate van kapitaalwinst noodzakelijk is. Want het gaat er juist om aan te tonen waarom dat zo is. Ook komen wij geen stap nader tot het doel wanneer de heer Dühring ons meedeelt:

‘De heerschappij van het kapitaal is ontstaan in aansluiting op de grondheerschappij. Een deel van de horige landarbeiders is in de steden in vakarbeiders en tenslotte in fabrieksmateriaal veranderd. Na de grondrente heeft de kapitaalwinst zich als een tweede vorm van de bezitsrente ontwikkeld.’

Zelfs wanneer wij over het hoofd zien hoe historisch scheef deze bewering is, blijft zij toch slechts een bewering zonder meer, die telkens weer datgene betuigt wat juist verklaard en bewezen moet worden. Wij kunnen dus tot geen andere slotsom komen dan dat de heer Dühring niet bij machte is op zijn eigen vraag te antwoorden: hoe de concurrerende ondernemers in staat zijn het product van de arbeid duurzaam boven de natuurlijke productiekosten te realiseren, d.w.z. dat hij niet bij machte is het ontstaan van de winst te verklaren. Er blijft hem niets anders over dan kortweg te decreteren: de kapitaalwinst is het product van het geweld — hetgeen voorzeker volmaakt overeenstemt met artikel 2 van de grondwet der maatschappij volgens Dühring: ‘Het geweld verdeelt’. Ongetwijfeld is dit zeer fraai gezegd. Maar nu ‘ontstaat de vraag’: Het geweld verdeelt — wat? Er moet toch iets te verdelen zijn, anders kan ook het meest almachtige geweld met de beste wil niets verdelen. De winst, die de concurrerende ondernemers in hun zakken steken is iets zeer tastbaars en reëel. Het geweld kan haar nemen, maar niet voortbrengen. En wanneer de heer Dühring ons hardnekkig weigert te verklaren hoe het geweld de ondernemerswinst neemt, dan moet hij wel zwijgen als het graf op de vraag waar het de winst vandaan haalt. Waar niets is, heeft de keizer, evenals iedere andere macht, zijn recht verloren. Uit niets wordt niets, en zeker geen winst. Wanneer het kapitaalbezit geen praktische betekenis heeft en niet te realiseren is, zolang daarin niet tegelijk de indirecte macht over het mensenmateriaal begrepen is, dan ontstaat opnieuw de vraag: ten eerste, hoe kwam de kapitaalrijkdom aan dit geweld, een vraag die met de paar bovenaangehaalde historische beweringen volstrekt niet afgedaan is; ten tweede, hoe voltrekt zich de verandering van dit geweld in kapitaalrealisatie, in winst; en ten derde, waar haalt het die winst vandaan?

Van welke zijde wij de economie van de heer Dühring ook willen aanpakken, wij komen geen stap verder. Voor alles wat hem niet aanstaat, voor winst, grondrente, hongerloon, knechting van arbeiders, heeft deze maar een woord ter verklaring: het geweld en altijd maar weer het geweld, en de ‘geweldigere toorn’ van de heer Dühring komt tentslotte ook neer op toorn over het geweld. Wij hebben gezien: ten eerste, dat dit beroep op het geweld een voze uitvlucht is, een verwijzing van het economische gebied naar het politieke, die niet in staat is ook maar een enkel economisch feit te verklaren; en ten tweede, dat dit het ontstaan van het geweld zelf onverklaard laat, en met goede reden, daar het anders tot de slotsom moest komen, dat alle maatschappelijke macht en ieder politiek geweld hun oorsprong vinden in economische voorwaarden, in de historisch gegeven productie- en ruilwijze van iedere maatschappij in elk tijdperk.

Maar wij willen toch proberen of wij de onverbiddelijke ‘diepere grondslaglegger’ van de economie niet nog een paar verderstrekkende ophelderingen over de winst kunnen ontwringen. Misschien gelukt het ons wanneer wij van zijn behandeling van het arbeidsloon uitgaan.

Daar lezen wij op blz. 158.

‘Het arbeidsloon is de bezoldiging tot onderhoud van de arbeidskracht en komt vooreerst alleen als grondslag voor grondrente en kapitaalwinst in aanmerking. Om volkomen zekerheid te krijgen omtrent de op dit gebied heersende verhoudingen, moet men zich de grondrente en daarna ook de kapitaalwinst eerst historisch zonder arbeidsloon, dus op de grondslag van de slavernij of horigheid denken... Of het een slaaf of een horige of wel een loonarbeider is, die moet worden onderhouden, betekent alleen een verschil in de aard en wijze van belasting der productiekosten. In elk geval vormt de netto-opbrengst die door de gebruikmaking van de arbeidskracht verkregen is, het inkomen van de arbeidsheer... Men ziet dus dat... in het bijzonder de voornaamste tegenstelling, waardoor aan de ene zijde de een of andere soort van bezitsrente en aan de andere zijde de bezitloze loonarbeid staat, niet uitsluitend in één van zijn leden te vinden is, maar steeds in beide tegelijk.’

Bezitsrente is echter, zoals wij op blz. 188 te horen krijgen, een gemeenschappelijke uitdrukking voor grondrente en kapitaalwinst. Verder heet het op blz. 174:

‘Het karakter van de kapitaalwinst is de toe-eigening van het belangrijkste deel van de opbrengst van de arbeidskracht. Zonder de wederkerige betrekking tot arbeid die in de een of andere vorm, direct of indirect, ondergeschikt is gemaakt, is zij niet in te denken.’

En op blz. 183:

Het arbeidsloon ‘is onder alle omstandigheden niets meer dan een bezoldiging, waardoor in het algemeen het levensonderhoud en de mogelijkheid van voortplanting van de arbeider verzekerd moeten zijn’.

En eindelijk op blz. 195:

‘Wat aan de bezitsrente ten deel valt moet voor het arbeidsloon verloren gaan en omgekeerd, wat van het algemeen productievermogen (!) aan de arbeid toevalt moet aan de inkomsten van het bezit worden onttrokken.’

De heer Dühring bezorgt ons de ene verrassing na de andere. In de waardetheorie en in de volgende hoofdstukken tot en met de leer van de concurrentie, dus van blz. 1 tot 155, werden de warenprijzen of waarden ten eerste verdeeld in de natuurlijke productiekosten of de productiewaarde, d.w.z. de uitgaven aan grondstof, arbeidsmiddelen en arbeidsloon, en ten tweede in de toeslag of verdelingswaarde, de met de degen in de hand afgedwongen belasting ten gunste van de klasse der monopolisten. Een toeslag die, zoals wij zagen, aan de verdeling van de rijkdom in werkelijkheid niets veranderen kan, omdat hij met de ene hand terug moet geven wat hij met de andere had genomen en die bovendien, voor zover de heer Dühring ons over zijn oorsprong en inhoud inlicht, uit niets ontstond en derhalve ook uit niets bestond. In de beide volgende hoofdstukken, die de soorten van inkomsten behandelen, dus van blz. 156 tot 217, is van een toeslag geen sprake meer. In plaats daarvan wordt de waarde van ieder arbeidsproduct, dus van iedere waar, nu in de volgende twee delen verdeeld: ten eerste in de productiekosten, waarin ook het betaalde arbeidsloon begrepen is, en ten tweede in de ‘door gebruikmaking van de arbeidskracht verkregen netto-opbrengst’, die het inkomen van de arbeidsheer vormt. En deze netto-opbrengst vertoont een heel bekend, door geen tatoeage of blanketsel te verbergen fysionomie. Laat de lezer, ‘om volkomen duidelijkheid te krijgen omtrent de op dit gebied heersende verhoudingen’, zich de zo-even aangehaalde passages uit de heer Dühring gedrukt denken tegenover de vroeger aangehaalde passages uit Marx over meerarbeid, meerproduct en meerwaarde, en dan zal hij ontdekken dat de heer Dühring hier Het Kapitaal op zijn wijze direct naschrijft.

De meerarbeid in de een of andere vorm, hetzij van slavernij, horigheid of loonarbeid, wordt door de heer Dühring erkend als bron van de inkomsten van alle tot dusver heersende klassen; ontleend aan de herhaaldelijk aangehaalde passage uit Het Kapitaal, blz. 227: ‘Het kapitaal heeft de meerarbeid niet uitgevonden’ enz. En de ‘netto-opbrengst’, die ‘het inkomen van de arbeidsheer’ vormt, wat is dat anders dan het overschot van het arbeidsproduct boven het arbeidsloon, dat toch ook bij de heer Dühring, ondanks de volslagen overbodige vermomming als bezoldiging, in het algemeen het levensonderhoud en de mogelijkheid tot voortplanting van de arbeider moet verzekeren? Hoe kan de ‘toe-eigening van het belangrijkste deel van de opbrengst der arbeidskracht’ anders plaatsvinden dan doordat de kapitalist, zoals bij Marx, uit de arbeider meer arbeid perst dan voor de reproductie van de door de arbeider verbruikte bestaansmiddelen nodig is, dus doordat de kapitalist de arbeider langer laat werken, dan nodig is om de waarde van het aan de arbeider uitbetaalde loon te vergoeden? Verlenging van de arbeidsdag dus, boven de voor reproductie der bestaansmiddelen van de arbeider noodzakelijke tijd. Marx’ meerarbeid — dat en niets anders is het wat verborgen ligt achter de ‘gebruikmaking van de arbeidskracht’ van de heer Dühring; en zijn ‘netto-opbrengst’ van de arbeidsheer, wat vertegenwoordigt die anders dan Marx’ meerproduct en meerwaarde? En waarin anders, behalve dan door de onnauwkeurige wijze van uitdrukking, verschilt de bezitsrente van Dühring van de meerwaarde van Marx? De naam ‘bezitsrente’ heeft de heer Dühring overigens aan Rodbertus ontleend, die de grondrente en de kapitaalrente of de kapitaalwinst reeds onder de gemeenschappelijke uitdrukking rente samenvatte, zodat de heer Dühring er alleen maar ‘bezit’ bij te voegen had.[p] En om vooral geen twijfel te laten bestaan over het plagiaat, vat de heer Dühring de door Marx in het 15e hoofdstuk (blz. 539 en volg. van Het Kapitaal) ontwikkelde wetten over de veranderingen in grootte van de prijs van arbeidskracht en van de meerwaarde[132] op zijn manier aldus samen, dat wat aan de bezitsrente ten deel valt, voor het arbeidsloon verloren moet gaan en omgekeerd, en verlaagt daarmee de inhoudsrijke speciale wetten van Marx tot een inhoudsloze tautologie. Want het spreekt vanzelf dat van een gegeven, in twee delen uiteenvallende grootheid, het ene deel niet toenemen kan, zonder dat het andere afneemt. En zo is de heer Dühring erin geslaagd, de toe-eigening van Marx’ ideeën op een wijze tot stand te brengen, waarbij ‘de laatste en strengste wetenschappelijkheid in de zin der exacte wetenschappen’, zoals die in de uiteenzetting bij Marx inderdaad te vinden is, geheel teloorgaat.

Wij zijn dus wel gedwongen aan te nemen, dat het opvallende rumoer, dat de heer Dühring in de ‘Kritische geschiedenis’ over Het Kapitaal maakt, en vooral het stof dat hij heeft doen opwaaien met de fameuze vraag die zich bij de meerwaarde voordoet en die hij beter niet had kunnen stellen aangezien hij haar zelf niet beantwoorden kan — dat dit alles slechts krijgslisten zijn, sluwe manoeuvres, om het in de ‘Cursus’ aan Marx gepleegde grove plagiaat te verbergen. Inderdaad had de heer Dühring reden genoeg om zijn lezers ervoor te waarschuwen zich bezig te houden met ‘het kluwen, dat de heer Marx kapitaal noemt’, te waarschuwen tegen de misbaksels van historisch en logisch gefantaseer, de verwarde hegeliaanse nevelvoorstellingen en uitvluchten, enz. De Venus, waarvoor deze getrouwe Eckhard[133] de Duitse jeugd waarschuwt, had hij heimelijk uit Marx’ domein gehaald en voor eigen gebruik in veiligheid gebracht. Laten wij hem gelukwensen met de netto-opbrengst die hij door het gebruikmaken van Marx’ arbeidskracht verkregen heeft en ook met het eigenaardige licht, dat door het annexeren van Marx’ meerwaarde onder de naam van bezitsrente geworpen wordt op de motieven van zijn hardnekkige (immers in twee drukken herhaalde) onware bewering, dat Marx onder meerwaarde slechts het profijt of de kapitaalwinst verstaat.

En zo moeten wij de prestaties van de heer Dühring, met de woorden van de heer Dühring op de volgende wijze schilderen:

‘Volgens de opvatting van de heer’ (Dühring) ‘vertegenwoordigt het arbeidsloon slechts de betaling van die arbeidstijd, waarin de arbeider werkelijk arbeid verricht, die hem zijn eigen bestaan mogelijk maakt. Hiervoor is nu echter een gering aantal uren voldoende; de gehele rest van de vaak langdurige arbeidsdag levert een overschot op, dat de door onze schrijver dus genaamde’ bezitsrente... ‘bevat. Afgezien van de arbeidstijd, die in het een of andere stadium van de productie reeds in de arbeidsmiddelen en relatieve grondstoffen aanwezig is, maakt dat overschot van de arbeidsdag het aandeel van de kapitalistische ondernemer uit. De verlenging van de arbeidsdag is bijgevolg zuivere uitbuitingswinst ten gunste van de kapitalist. De giftige haat, waarmee de heer’ (Dühring) ‘deze voorstelling van de uitbuiting begeleidt, is maar al te begrijpelijk...’

Maar minder begrijpelijk is, hoe hij nu weer tot zijn ‘geweldigere toorn’ zal komen?

_______________
[p] En ook zelfs dat niet, Rodbertus zegt (‘Sociale brieven’, 2de brief, blz. 59): ‘Rente is volgens deze’ (zijn) ‘theorie al het inkomen dat zonder eigen arbeid uitsluitend op grond van bezit genoten wordt.’[131]
[124] Zie K. Marx, Het Kapitaal, deel I.
[125] Zie K. Marx, Het Kapitaal, deel I.
[126] Zie K. Marx, Het Kapitaal, deel I.
[127] Zie K. Marx, Het Kapitaal, deel I.
[128] Zie voetnoot 70.
[129] Zie K. Marx, Het Kapitaal, deel I.
[130] Volgens de bijbelse legende stortten tijdens de belegering van de stad Jericho door de troepen van de Israëlitische veldheer Jozua, zoon van Nun, de onneembare vestingmuren in door het schallen der heilige bazuinen. (Bijbel, Het Boek van Jozua, VI, 6.).
[131] Rodbertus, Sociale Briefe an Von Kirchmann. Zweiter Brief: Kirchmann’s sociale Theorie und die meinige (Sociale brieven aan Von Kirchmann. Tweede brief: Kirchmanns sociale theorie en de mijne). Berlijn 1850, blz. 59, cursief van Engels.
[132] Zie K. Marx, Het Kapitaal, deel I.
[133] De trouwe Eckhard — held uit Duitse middeleeuwse sagen, een voorbeeld van een toegewijd persoon en een betrouwbare wacht. In de sage over Tannhäuser staat hij op wacht bij de Venusberg en waarschuwt alle naderbijkomenden voor het gevaar van onder de bekoring van Venus te komen.