Bank

= een instelling die krediet verleent op korte termijn

- uit eigen middelen (vgl. met de aandelenvennootschappen);
- uit haar toevertrouwde gelden (bv. deposito’s = in bewaring gegeven geld) en;
- uit door haar geschapen gelden (bv. bankbiljetten, bankcheques).

Hiernaast levert een bank vele diensten (bv. wisselen van deviezen, afsluiten van verzekeringen, financiële en economische informaties).

De banken halen hun inkomsten uit rentewinsten, provisies op de bewerkingen, koersverschillen, enz. (bv. de intrest op het geld dat de banken aan u lenen, is groter dan de intrest van het geld dat u aan de bank toevertrouwt).

Vóór WO II kende men vnl. rijke personen (of families) die “privébanken” beheerden. Nadien werden praktisch alle banken aandelenvennootschappen:
a) uitgifte- of emissiebanken: scheppen het geld en beheren het (d.w.z. de circulatie regelen ; de stabiliteit verzekeren). Normaal heeft men één centrale uitgiftebank per land. Deze is een staatsinstelling (bv. Frankrijk – Engeland), gemengd (privé + staat bv. België) of privé (bv. Luxemburg);
b) deposito- en kredietbanken: beheren het geld dat de particulieren en de ondernemingen hun toevertrouwen;
c) handelsbanken: hebben als opdracht het oprichten en controleren van ondernemingen. Zij werken hoofdzakelijk met eigen kapitaal;
d) gemengde banken: zijn zowel deposito- als handelsbanken.

Normaal investeren zij het geld dat hun toevertrouwd wordt, in industriële ondernemingen. Gezien de enorme risico’s is dit type in België sinds 1935 verboden en kennen wij een splitsing in banken (geven leningen op korte termijn) en holdings (op lange termijn) [geschreven in 1969].

Vb. Brufina en de Société Générale zijn holdings; hun belangrijkste banken zijn resp. de Bank van Brussel en de Generale Bankmaatschappij [geschreven in 1969].

• Rol in de kapitalistische maatschappij: de privébanken bepalen in feite de geldpolitiek van elke westerse staat. Door hun wijze van kredietgeving, van intrestbepaling, enz. beïnvloeden zij de financiële ontwikkeling. De opeenvolgende regeringen hebben op een of andere manier vat willen krijgen op de banken. Zij hebben bepaalde beperkingen aan hun activiteiten opgelegd (zie hierboven), maar ook waarborgen en medewerking aan de financiële politiek afgedwongen (bv. verplichte afneming van staatsfondsen). Hierdoor werd de samenwerking staat-privékapitaal wettelijk vastgelegd. De aanwezigheid van bankdirecteurs en -beheerders in de regeringen en hoogste raadgevende organen is hiervan een duidelijk bewijs (bv. in België zijn de laatste ministers van financiën steeds topfiguren in de bankwereld geweest!).

De staat tracht de macht der banken niet te breken, omdat hij hierdoor zichzelf zou breken. Zij zijn immers zijn grootste schuldeisers en bijgevolg... steunpilaren van het regime.

MWBEL