Vrijheid
Vrijheid is het recht en het vermogen van mensen om over hun eigen handelingen te beslissen, in een gemeenschap die in staat is te voorzien in de volle ontplooiing van het menselijk potentieel. Vrijheid kan door individuen worden genoten, maar alleen in en door de gemeenschap.Pas in de gemeenschap zijn voor ieder individu de middelen voorhanden om zijn aanleg alzijdig te ontwikkelen. Pas in de gemeenschap is daarom persoonlijke vrijheid mogelijk. In de surrogaten van de gemeenschap die tot dusver bestonden, in de staat enz. bestond persoonlijke vrijheid uitsluitend voor de individuen die zich binnen de verhoudingen van de heersende klasse ontwikkelden en uitsluitend voorzover zij individuen van deze klasse waren.
Karl Marx en Friedrich Engels
De Duitse ideologie, hoofdstuk 1 – Klasse en individu
In het kapitalisme kunnen alleen degenen die geld hebben van echte vrijheid genieten. Zij die geen andere middelen van bestaan hebben dan de verkoop van hun arbeidskracht, mogen dan wel vrijheden hebben, hun mogelijkheden zijn altijd beperkt. In de burgerlijke samenleving worden sommige vrijheden als belangrijker beschouwd dan andere.Vrijheid van handel is exact vrijheid van handel en geen andere vrijheid, omdat daarin de aard van de handel zich ongehinderd ontwikkelt volgens de innerlijke wetten van zijn bestaan. Vrijheid van de rechtbanken is vrijheid van de rechtbanken als zij hun eigen inherente rechtsregels volgen en niet die van een ander domein, zoals religie. Elk specifiek gebied van vrijheid is de vrijheid van een specifiek gebied, net zoals elke specifieke levenswijze de levenswijze is van iets specifiek.
Karl Marx
Over persvrijheid
Vóór de ontwikkeling van de burgerlijke samenleving in het Europa van de zeventiende eeuw, én de opvattingen over individualisme, werd vrijheid aan de orde gesteld in de vorm van de vraag naar de vrije wil, d.w.z. het probleem van vrijheid en noodzaak, dat hieronder wordt behandeld. De opkomst van een burgermaatschappij die noch door feodaal recht, noch door familierelaties werd geregeerd, stelde voor het eerst de vraag naar maatschappelijke vrijheid. Het begrip vrijheid heeft zich sindsdien langs twee lijnen ontwikkeld – positieve en negatieve vrijheid.
Positieve vrijheid en negatieve vrijheid: Negatieve vrijheid betekent de afwezigheid van krachten die een individu verhinderen te doen wat hij wil; positieve vrijheid is het vermogen van een persoon om de beste handelwijze te bepalen en het bestaan van mogelijkheden voor hem om zijn volledige potentieel te realiseren.De dominante tendens in de geschiedenis van de burgerlijke maatschappij was de creatie van negatieve vrijheid door feodale en andere reactionaire beperkingen op de vrijheid van handelen weg te nemen. Vrijhandel en loonarbeid zijn de meest kenmerkende burgerlijke vrijheden die uit deze geschiedenis zijn voortgekomen: vrijhandel is de vrijheid van een kapitalist om zonder beperkingen winst te maken, en loonarbeid is de vrijheid van een arbeider om geen ander middel van bestaan te hebben dan de verkoop van zijn arbeidskracht aan de hoogste bieder. Deze negatieve burgerlijke vrijheid is dus een soort vrijheid die alleen reëel is voor degenen die de productiemiddelen bezitten.
Positieve vrijheid is bijna uitsluitend tot stand gekomen als gevolg van de strijd van de arbeidersklasse: aanvankelijk de wetgeving die de arbeidstijd, kinderarbeid enzovoort beperkte, later de invoering van gratis verplicht onderwijs, volksgezondheidsstelsels, het recht om vakbonden op te richten, enzovoort, vrijheden die de vrijheid van de kapitalisten om arbeiders uit te buiten expliciet beperken, maar de arbeider de kans geven zich als mens te ontwikkelen.
De vrijheid die mensen hebben, wordt bepaald door het ethische systeem van de samenleving waarin ze geboren zijn, dat fundamenteel gebaseerd is op de economische verhoudingen waarop die samenleving rust: in een kapitalistische samenleving is een persoon bijvoorbeeld vrij om arbeidskrachten uit te buiten, maar zijn arbeiders niet vrij om zaken als onderwijs en gezondheidszorg te ontvangen in overeenstemming volgens hun noden; maar alleen volgens wat ze ervoor kunnen betalen. In een socialistische samenleving is een persoon niet vrij om arbeiders uit te buiten (d.w.z. de vrijheden van arbeiders te beperken), maar is hij wel vrij om een min of meer gelijk aandeel in de productiemiddelen te bezitten in overeenstemming met zijn eigen behoefte en vermogen.
In de staten zoals de Sovjet-Unie en China, werden “negatieve vrijheden” ernstig beperkt, terwijl “positieve vrijheden” werden bevorderd. Iedereen had universele toegang tot gezondheidszorg, volledig universitair onderwijs, enz., maar mensen konden alleen op een bepaalde manier gebruikmaken van wat ze hadden – ter ondersteuning van de regering. In de meest geavanceerde kapitalistische regeringen is deze verhouding omgekeerd: ‘positieve vrijheden’ worden beperkt of bestaan helemaal niet, terwijl ‘negatieve vrijheden’ verder zijn ontwikkeld dan ooit tevoren. Een loontrekkende in een kapitalistische samenleving heeft de vrijheid om te zeggen wat hij of zij gelooft, maar niet de vrijheid om te leven als hij of zij verlamd is door een ziekte, ongeacht hoeveel geld men heeft. Een socialistische samenleving die is voortgekomen uit een kapitalistische samenleving zal de ‘negatieve vrijheden’ versterken, terwijl zij over de hele linie echte ‘positieve vrijheden’ inluidt, waardoor iedereen gelijke en vrije toegang tot sociale voorzieningen krijgt.
De volle ontwikkeling van positieve vrijheid is echter onmogelijk zonder een verdere ontwikkeling van negatieve vrijheid – mensen kunnen niet gedwongen worden om vrij te zijn.
Vrije activiteit is voor de communisten de creatieve manifestatie van het leven die voortkomt uit de vrije ontwikkeling van alle vermogens van de hele persoon.
Karl Marx en Friedrich Engels
De Duitse Ideologie, hoofdstuk 3
Vrijheid kan alleen worden bereikt in en door de gemeenschap. De ontwikkeling van echte vrijheid betekent altijd en overal de beperking van de vrijheid van anderen om te onderdrukken en kwaad te doen. Vrijheid voor de overgrote meerderheid betekent noodzakelijkerwijs de beperking van de vrijheid van een kleine minderheid om de arbeid van anderen uit te buiten, de natuur te vernietigen en de sociale productiemiddelen en communicatiemiddelen te monopoliseren.De vrijheid berust hierin dat de staat, als orgaan dat boven de maatschappij staat, tot een orgaan wordt gemaakt dat in zijn geheel aan deze maatschappij is ondergeschikt; en ook thans wordt de grotere of kleinere vrijheid van de staatsvormen bepaald door de mate waarin zij de “vrijheid van de staat” begrenzen.
Karl Marx
Kritiek op het programma van Gotha, hoofdstuk 4Vrijheid is zozeer de essentie van de mens dat zelfs haar tegenstanders haar toepassen terwijl ze haar bestrijden; ze willen het als een uiterst kostbaar sieraad zich toe-eigenen, wat ze als sieraad van de menselijke natuur hebben verworpen.
Niemand bestrijdt de vrijheid; hoogstens bestrijdt hij de vrijheid van anderen. Daarom heeft elke vorm van vrijheid altijd bestaan, de ene keer als een bijzonder voorrecht, de andere keer als een universeel recht.
Karl Marx
Over persvrijheidMWB