V.I. Lenin
Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme


X. De plaats van het imperialisme in de geschiedenis

Wij hebben gezien dat het imperialisme economisch niets anders is dan monopolistisch kapitalisme. Dit bepaalt reeds de plaats van het imperialisme in de geschiedenis, want het monopolisme dat zich op de bodem van vrije concurrentie en uit vrije concurrentie ontwikkelt, vormt een brug tussen het kapitalisme en een hogere sociaal-economische formatie. Het is noodzakelijk de aandacht vooral te vestigen op de vier belangrijkste gedaanten van het monopolisme (voornaamste verschijnselen van het monopolistische kapitalisme) — die het betreffende tijdperk kentekenen.

1. — De monopolies kwamen voort uit de productieconcentratie, toen deze een zeer hoge trap van ontwikkeling bereikt had. Dat zijn de monopolistische verbonden van kapitalisten, de kartels, syndicaten en trusts. Wij hebben gezien welke reusachtige rol zij spelen in het moderne bedrijfsleven. Tegen het begin van de 20e eeuw kregen zij de overhand in de vooraanstaande landen. Terwijl het in landen met hoge beschermende rechten als Duitsland en Amerika, het eerst tot vorming van kartels kwam, deed zich in Engeland met zijn vrijhandelssysteem reeds kort daarop hetzelfde fundamentele verschijnsel voor: uit de concentratie van de productie ontstonden ook daar monopolies.

2. — De monopolies leidden — vooral in de sterk gekartelleerde kolen- en ijzerindustrie — tot steeds intensievere jacht op belangrijke grondstoffenbronnen. Het monopolistisch bezit van de belangrijkste dezer bronnen deed de macht van het grootkapitaal in geweldige mate toenemen en verscherpte de tegenstellingen tussen de kartels en de overige industries

3. — De monopolies ontstonden uit de banken, die van bescheiden bemiddelaars tot monopolisten op financieel gebied werden. De drie of vijf grootste banken in elk vooraanstaand kapitalistisch land bebben een “personele unie” van industrie- en bankkapitaal tot stand gebracht en het beheer van miljarden en miljarden (het merendeel van ‘s lands kapitalen en geldinkomsten) in hun handen geconcentreerd. De financiersoligarchie die alle economische en politieke instellingen van de moderne burgerlijke maatschappij met duizenden grijparmen van zich afhankelijk maakt, is de meest plastische verschijningsvorm van dit monopolisme.

4. — Het monopolisme ontsproot aan het kolonialisme. Bij de talrijke “oude” motieven van de koloniale politiek voegde het financierskapitaal nog de strijd om de grondstoffen- bronnen, om de kapitaalbeleggingen, om de “invloedssferen” (d.w.z. sferen voor winstgevende zaakjes, concessies, monopolistische winsten enz.) en tenslotte om de uitbreiding van het exploitatiegebied in het algemeen. Toen bvb. de Europese mogendheden, zoals in 1876, pas 10 procent van Afrika gekoloniseerd hadden, kon het kolonialisme zich nog op de niet-monopolistische wijze van “grijp maar wat je wilt” ontwikkelen. Maar toen 90 procent van Afrika in bezit genomen was (omstreeks 1900), toen de hele wereld verdeeld bleek, begon noodzakelijkerwijze het tijdperk van het koloniale monopolies van een uiterst toegespitste strijd om de verdeling en de herverdeling van de wereld.

Dat het monopolisme alle tegenstellingen van het kapitalisme heeft verscherpt is algemeen bekend. De prijsstijgingen en de tirannie van de kartels bewijzen dit voldoende. Deze toespitsing van de tegenstellingen is de machtigste drijfkracht in de historische overgangsperiode die begon toen het wereldfinancierskapitaal definitief had overwonnen.

Het monopolisme en de oligarchie, het streven naar heerschappij (in plaats van naar vrijheid), de uitbuiting van een steeds groter aantal kleine of zwakke naties door een handvol rijkste en machtigste naties — zijn de typische verschijnselen die ons nopen, het imperialisme als parasitair of ver- rottend kapitalisme te definiëren. Steeds duidelijker treedt aan de dag dat het imperialisme de tendentie heeft “renteniersstaten”, woekerstaten te doen ontstaan, waar de bourgeoisie steeds meer van kapitaalexport en “knippen van coupons” leeft. Nu moet men niet denken, dat deze tendens tot ontbinding de snelle groei van het kapitalisme uitsluit: neen, bepaalde takken van industries bepaalde lagen van de bourgeoisie, bepaalde landen tonen onder het imperialisme in meerdere of mindere mate nu eens deze, dan weer gene tendens. Over het geheel genomen, groeit het kapitalisme oneindig veel sneller en ongelijkmatiger dan vroeger. Deze ongelijkmatigheid komt o.a. ook tot uitdrukking in het verval van de aan kapitaal rijkste landen (Engeland).

Riesser, de auteur van een werk over de grote Duitse banken, schrijft met betrekking tot de snelle economische ontwikkeling van Duitsland:

“De niet bepaald langzame vooruitgang in de vorige Periode (1848-1870) verhoudt zich tot de snelheid waarmee de hele Duitse economie en met haar het Duitse bankwezen in de huidige periode (1870-1905) vooruit kwam als het tempo van de postkoets in het Heilige Roomse Rijk, tot de vliegende snelheid van de moderne auto die... eveneens dikwijls zowel de onschuldige voetganger als de inzittenden zelf in gevaar brengt.”

Op zijn beurt heeft dit ongewoon snel opgekomen financierskapitaal, juist omdat het zo snel is gegroeid, er niets op tegen, over te gaan tot een “rustiger” genot van koloniën die het — niet altijd op vreedzame wijze — de rijkere naties ZOU kunnen ontnemen. In de Verenigde Staten ging de economische ontwikkeling de laatste decennia nog sneller dan in Duitsland, en juist daarom traden de parasitaire trekken van het nieuwste Amerikaanse kapitalisme bijzonder duidelijk aan het licht. Anderzijds toont het vergelijken van bvb. de republikeinse Amerikaanse bourgeoisie met de monarchistische Japanse of Duitse, dat zelfs fundamentele politieke verschillen onder het imperialisme hun betekenis groten- deels verliezen — niet omdat ze op zichzelf onbelangrijk zouden zijn, maar omdat het zowel in deze als gene landen een bourgeoisie betreft die duidelijk kentekenen van parasitisme vertoont.

Wanneer de kapitalisten in een van de vele takken van industrie, in een van de vele landen enz. hoge monopolistische winst maken, krijgen zij economisch de mogelijkheid, sommige arbeiderslagen en zelfs een vrij grote minderheid van de arbeiders tijdelijk om te kopen, naar hun zijde over te halen en tegen alle andere arbeiders uit te spelen. Dit streven wordt versterkt door het felle antagonisme dat de verdeling van de wereld tussen de imperialistische naties doet ontstaan. Zo ontstaat het verbond van imperialisme en opportunisme, dat in Engeland het eerst en het duidelijkst te voorschijn trad, omdat sommige imperialistische ontwikkelingstrekken zich hier veel eerder voordeden dan in andere landen. Schrijvers als L. Martov doen hun best zich van het thans bijzonder in het oog lopende verband tussen het imperialisme en het opportunisme in de arbeidersbeweging af te maken met behulp van “officieel optimistische” schijnargumenten (in de geest van Kautsky en Huysmans). Zij beweren dat de tegenstanders van het kapitalisme geen kans zouden hebben, indien juist het moderne kapitalisme tot versterking van het opportunisme leidde, of indien juist de best betaalde arbeiders een neiging tot opportunisme vertoonden enz. Men moet zich omtrent de betekenis van zulk “optimisme” niet laten misleiden. Dit is optimisme ten opzichte van het opportunisme; dit is optimisme dat dient om het opportunisme te dekken. In werkelijkheid is de bijzonder snelle en afkeerwekkende ontwikkeling van het opportunisme allerminst een waarborg voor zijn duurzame overwinning. De snelle ontwikkeling van een afkeerwekkend abces kan ook slechts het openbreken en daarmee de genezing van het organisme verhaasten. Het gevaarlijkst in dit opzicht zijn de mensen die niet willen begrijpen, dat de strijd tegen het imperialisme een lege en leugenachtige frase is, indien hij niet onverbrekelijk is verbonden met de strijd tegen het opportunisme.

Uit alles wat hierboven over het economische wezen van het imperialisme is gezegd, volgt dat wij dit moeten determineren als overgangskapitalisme, of juister als stervend kapitalisme. Buitengewoon leerzaam in dit opzicht is dat de burgerlijke economen die het nieuwste kapitalisme beschrijven, bij voorkeur woorden gebruiken als “verstrengeling”, “vrij van geïsoleerdheid” enz., de banken zijn “instellingen die naar taak en ontwikkeling geen zuiver privaat economisch karakter dragen, maar steeds meer uitgroeien boven de sfeer van zuiver privaatrechtelijke reglementering”. En dezelfde Riesser aan wie de laatste woorden zijn ontleend, verklaart met het ernstigste gezicht van de wereld, dat de “voorspelling” van het marxisme over de “vermaatschappelijking” zich “niet heeft verwerkelijkt”!

Wat betekent dit woordje “verstrengeling"? Het raakt slechts het meest spectaculaire trekje van het proces dat zich aan ons voordoet. Het toont dat de waarnemer de bomen opsomt, zonder het bos te zien. Het tekent slaafs de uiterlijkheden, het toevallige en chaotische na. Het ontmaskert de waarnemer als iemand die gebukt gaat onder de last van het onverwerkte materiaal, waarvan hij de zin noch de betekenis begrijpt. “Toevallig verstrengeld” zijn het aandelenbezit en de particuliere eigendomsverhoudingen. Maar dat wat aan deze verstrengeling te gronde ligt — dat wat haar doet ontstaan — zijn de veranderende maatschappelijke productieverhoudingen. Wanneer een groot bedrijf tot een reuzenonderneming wordt en planmatig, aan de hand van nauwkeurig geanalyseerde massa’s gegevens, de toevoer organiseert van de grondstoffen die het nodig heeft om twee derden of driekwart van een bevolking van tientallen miljoenen te kunnen voorzien; wanneer het transport van deze grondstoffen naar de — soms honderden en duizenden kilometers van elkaar liggende — voor de productie gunstigste punten wordt georganiseerd; wanneer vanuit één centrum de opeenvolgende bewerkingen van deze grondstoffen worden geregeld, tot en met de productie van een reeks uiteenlopende fabrikaten; wanneer de verdeling van deze producten onder honderden miljoenen verbruikers volgens één plan geschiedt (de afzet van petroleum in Amerika en Duitsland door de Amerikaanse “Standard Oil” trust), dan is het duidelijk, dat wij met vermaatschappelijking van de productie te doen hebben, en geenszins domweg met een “verstrengeling”. Dan is het ook duidelijk dat de privaat economische en de particuliere eigendomsverhoudingen nog slechts een bolster zijn, die niet meer overeenkomt met de inhoud en die onvermijdelijk in ontbinding moet overgaan, indien de ontbolstering kunstmatig wordt tegengehouden. Deze bolster kan betrekkelijk lang in staat van ontbinding blijven ver- keren (indien de genezing van het opportunistische abces zich in het ergste geval voortsleept), maar zal toch onvermijdelijk wegvallen.

Schulze-Gävernitz, de geestdriftige voorstander van het Duitse imperialisme, roept uit:

“Nu de leiding van de Duitse bankwereld in laatste instantie aan een dozijn mannen is toevertrouwd, zijn hun activiteiten heden reeds van meer belang voor het volkswelzijn dan die van de meeste staatsministers” (de ‘verstrengeling’ van bankiers, ministers, groot-industriëlen en renteniers is hier wijselijk vergeten...) “Stellen wij ons voor, dat de bedoelde ontwikkelingstendensen zich tot het einde toe doen gelden: het geldkapitaal van de naties is in de banken verenigd, deze zelf zijn in een kartel verbonden, het belegde kapitaal van de natie is in de vorm van effecten gegoten. Dan is het geniale woord van Saint-Simon verwerkelijkt: de huidige anarchie in de productie, die ontspringt uit het feit, dat de economische betrekkingen zich zonder centrale leiding ontwikkelen, moet dan plaats maken voor een georganiseerde productie. Er zullen geen geïsoleerde ondernemers meer zijn, die onafhankelijk van elkaar, zonder kennis van de economische behoeften van de mensen, vorm en omvang van de productie bepalen; dit zal de taak van een maatschappelijke instelling worden. Een centraal bestuurslichaam dat het grote gebied van de sociale economie van een hoger standpunt zal kunnen overzien, zal de economie ten dienste van het geheel leiden; het zal de productiemiddelen aan de meest geschikte handen toevertrouwen en vooral zorgdragen voor een voortdurende harmonie tussen productie en consumptie. Er zijn reeds instellingen die het organiseren van de economische bedrijvigheid in de sfeer van hun werkzaamheden hebben betrokken: de banken. De verwerkelijking van deze woorden ligt nog in het verschiet, maar wij bevinden ons toch op weg daarheen... een marxisme, anders en toch alleen in de vorm anders, dan Marx het zich heeft gedacht.” [138]

Werkelijk: een fraaie “weerlegging” van Marx, waarbij een stap achteruit wordt gedaan van Marx’ exacte wetenschappelijke analyse tot de voorspelling van Saint-Simon, die weliswaar geniaal, maar toch slechts een gissing was.


Voetnoten

[138] Schulze-Gävernitz, “Grundriss der Sozialökonomik”, S. 146.