Leo Michielsen
Van nul opnieuw beginnen
Hoofdstuk 8


Markt en plan in de socialistische maatschappij

... tenzij de mensheid een gans nieuw perspectief stelt, de toekomst een nieuwe naam geeft en op nieuwe grondslagen uitbouwt.

We wezen er reeds op dat Marx omtrent de toekomstige socialistische maatschappij slechts een paar zeer algemene aanduidingen heeft verstrekt. Lange tijd hebben wij gemeend in de opbouw van de Sovjet-Unie een concrete uitwerking van Marx’ grondideeën te herkennen. Ondertussen is voldoende duidelijk geworden dat dit niet het geval was. Het doel van de Oktoberrevolutie werd niet bereikt. De historische context waarin het experiment werd doorgevoerd, bleek een onoverkomelijke hinderpaal te vormen.

Wel laten de (grotendeels negatieve) ervaringen van de Sovjet-Unie ons toe een meer uitgewerkt ontwerp te schetsen van wat een socialistische samenleving kan zijn.

Marx en Engels hebben zich in hun tijd vrolijk gemaakt over de ontwerpen van het “utopisch socialisme”. De vraag dringt zich op of wij op onze beurt met wat hier volgt niet bezig zijn een utopie uit te werken. Laten we dan heel duidelijk stellen dat socialisme op een heel andere manier tot stand komt als bv. de verhoging van de productiviteit, de concentratie van het kapitaal, de vorming van de monopolies, de mondialisering van de economie, enz. Al deze processen — alhoewel resultanten van duizenden menselijke berekeningen en beslissingen — verlopen als het ware dwangmatig, alsof ze door natuurwetten werden bepaald. Niet zo komt er socialisme. De geschiedenis brengt het socialisme niet. Het is geen oplossing die zichzelf aanbiedt, automatisch uit de contradicties van het kapitalisme ontstaand. Het is een intellectuele constructie. Mensen moeten het tot stand brengen. Alleen als mensen enig project in hun hoofd hebben, kunnen ze dat. Het (± marxistisch) geloof dat het socialisme spontaan uit de klassenstrijden zou voortvloeien, wordt niet door de geschiedenis bevestigd. Socialisme is een bewust ontworpen constructie, door Marx aldus omschreven: “travailler avec des moyens de production communs selon un plan concerté”. Die omschrijving omvat drie elementen:
1) gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen;
2) organisatie van de productie en de distributie volgens een plan;
3) democratie (un plan concerte).
Omtrent de rol van het marktmechanisme in dat bestel doet Marx geen uitspraak.

Volgt hier een poging om het functioneren van een socialistische economie iets nader, niet in zijn modaliteiten maar wel in zijn principes, te omschrijven.

Overdracht van het gros van de productiemiddelen uit handen van het privé-kapitaal naar de collectiviteit.[1]

Die overdracht kan geschieden aan coöperaties, d.i. samenwerkende vennootschappen in de echte betekenis van de term: enkel de leden, de vennoten van de coöperatie, nemen deel aan de arbeid; zij werken samen. Coöperaties kunnen ontstaan in de landbouw, in de nijverheid, de handel en de dienstverlening. Ze zijn wellicht het meest aangewezen voor kleinere ondernemingen. Hun socialistisch karakter veronderstelt:
a) dat ze op vrijwillige basis tot stand komen;
b) dat ze geen loonarbeiders in dienst nemen;
c) dat alle coöperanten op gelijke voet medezeggenschap hebben.

De grote productiemiddelen worden overgedragen aan de Staat.[2] Doel van een socialistisch bestel is het opheffen van uitbuiting en vervreemding. Derhalve is het in eerste plaats volstrekt nodig dat de staat door en door democratisch functioneert, met al wat dat impliceert: vrij verkozen instanties, ruime decentralisatie, politiek pluralisme, godsdienstvrijheid, mensenrechten, vrije meningsuiting, vrijheid van vereniging, syndicale rechten, recht op informatie, enz.

In het socialisme dient een ruime openbare non-profit sector te worden ingebouwd, meestal functionerend als staatsmonopolie. Hiertoe behoren allerlei sociale en culturele instellingen. Ziekenhuizen, bejaardentehuizen en dergelijke dienen niet om winsten te verwezenlijken. Radio, televisie, scholen, theaters, musea moeten evenmin geld opbrengen. Ook dienstverleningen als ziekteverzekeringen, brandverzekering, pensioenfondsen en dgl. kunnen worden ondergebracht in de openbare non-profit sector. Post, telefoon, spoorwegen, luchtvaart ... kunnen als staatsbedrijven zonder winstoogmerken functioneren, wat overigens betaling voor deze diensten niet uitsluit. Uiteraard wordt deze lijst van activiteiten slechts ten titel van voorbeeld aangehaald.

Voor het gros van de economische bedrijvigheden in een socialistisch bestel dient het motief van de winst wèl behouden te worden. De bedrijven zijn inderdaad geen administratieve onderdelen van één staatsbedrijf. We hebben nog steeds met een wareneconomie te maken. In een waren- en geldeconomie moet men de waardewet toepassen, moet men derhalve markteconomie bedrijven. In de ondernemingen dienen de impulsen uit economische motieven en niet uit administratieve voorschriften voort te vloeien. De bedrijven moeten winst maken. Op de markt concurreren ze met prijzen, kwaliteit, leveringstermijn, enz.

De onderneming moet dus over een aanzienlijke autonomie beschikken, moet o.m. keuzevrijheid genieten omtrent de aangeboden machines, grondstoffen en halffabricaten, moet ook speelruimte hebben om te bepalen aan welk bedrijf, of aan welke groothandelsonderneming en tegen welke voorwaarden het zijn producten aanbiedt.

Opdat het bedrijf waarachtig een gemeenschapsaangelegenheid weze, dient het principe van het zelfbeheer te worden toegepast. Niet enkel de beheerraad en het management hebben beslissingsmacht; de democratie geldt het ganse bedrijf in al zijn geledingen. De directie wordt verkozen en heeft de plicht de arbeiders onbeperkt te informeren. De arbeiders moeten die informatie op haar echtheid kunnen toetsen. De leiding heeft derhalve spreekplicht ten overstaan van de personeelsvergadering. De inspraak van het personeel betreft niet alleen wat uitvoeringsmodaliteiten, maar ook de beleidsopties. Aangenomen bv. dat er in de onderneming geen winst wordt verwezenlijkt (of verlies wordt geleden), dan is het aan het personeel te beslissen welke maatregelen er gaan getroffen worden: ofwel het inkomen van de arbeiders en de directie aantasten, ofwel harder werken en de arbeid beter organiseren, ofwel nieuwe technologie invoeren, of een productwijziging verwezenlijken, of een combinatie van verschillende maatregelen uitwerken. Kortom, een autogestionair bedrijfsleven is vereist.

Markteconomie volstaat niet om een socialistisch productiesysteem tot stand te brengen. Ook planning is noodzakelijk. Er moet een centrale instantie zijn die toezicht houdt op het verloop van het economisch proces in zijn geheel en over de nodige middelen beschikt om zekere algemene oriënteringen door te voeren, om zekere macro-economische evenwichten te herstellen of om ecologisch in te grijpen.

Ingrijpen door de centrale planningssituatie is uiteraard een beperking van het zelfbeheer. Terecht. Een bedrijf is nl. niet het bezit van het personeel dat in die onderneming werkt, is wel het bezit van de gemeenschap in haar geheel. De activiteit van een bedrijf is slechts een deel van de totale maatschappelijke activiteit.

De middelen waarover de centrale planningsituatie moet kunnen beschikken, zijn tweeërlei:
a) statistische economische, sociale, ecologische en andere gegevens;
b) Geldmiddelen.

Om het verband tussen de micro-economische markt en de macro-economische planning te verduidelijken, lijkt het mij aangewezen de in de verkoopprijs vervatte elementen op een rijtje te zetten:
1) de directe productiekosten;
2) de algemene productiekosten;
3) de afdracht aan het openbaar investeringsfonds;
4) de winst.

1. — De directe productiekosten omvatten:
-betaling van grondstoffen, energie, halffabricaten, hulpstoffen, + sleet op gebouwen en machines;
-directe lonen aan personeel;
-indirecte lonen: afdrachten voor sociale voorzieningen.

2. — Met de algemene productiekosten worden de afdrachten bedoeld aan de overheid voor infrastructuurwerken (wegen, bruggen, havens, silo’s, scholen, ziekenhuizen, enz.)[3]

3. — De afdracht aan het openbaar investeringsfonds vormt het voornaamste instrument van de planning. De toegevloeide geldmiddelen worden conform het plan verdeeld. Het is door middel van deze allocaties dat de macro-economische doelstellingen van de regering worden bewerkstelligd. Hierdoor kan de regering het geheel controleren, zonder alles te controleren.

Ter verduidelijking een paar voorbeelden. Stelt de leiding van het plan vast dat er in een bepaalde sector overproductie dreigt, dan laat ze de ontwikkeling in deze sector nog enkel op basis van de autofinanciering voortgaan. Oordeelt ze dat in een bepaald bedrijf de productie-uitbreiding is aangewezen en dat daarvoor de invoering van een nieuwe technologie is vereist, welke niet uit eigen winst kan worden gefinancierd, dan kan ze genoemde ondernemingen kredieten of kapitaal toewijzen. Is men aan de top van het economisch apparaat van mening dat gans nieuwe producties gewenst zijn, dan kan het nodige kapitaal worden ingezet.

Zo kunnen, langs het kanaal van de allocaties (met alle mogelijke modaliteiten daaraan verbonden) allerlei verschuivingen en aanpassingen worden doorgevoerd die de spontane ontwikkelingen van de markteconomie ombuigen.

4. — De winst die in de onderneming behouden blijft, kan bv. dienen voor:
-investering in eigen bedrijf;
-sociale voorzieningen (een kindercrèche bv.);
-premies aan personeel.
Teneinde inflatie te voorkomen bepaalt het plan maximumprijzen, zijnde de som van de uitgaven (1+2+3), vermeerderd met een bepaald percentage op die som. Eventueel kunnen bedrijven concurrentie voeren door zich met een winstpercentage en dus een prijs beneden het planmaximum te vergenoegen.

Men ontkomt niet aan de vraag of het systeem niet kan ontredderd worden door allerlei frauduleuze praktijken.

Bv. als de afdrachten 2 en 3 een bepaald percentage van 1 (directe productiekosten) bedragen, kan dan niet de verleiding opkomen om die productiekosten te laag aan te geven? Vermits echter de winstmarge een percentage van 1+2+3 bedraagt, wordt het frauduleuze voordeel te niet gedaan door de wettelijk toegestane winst.

Men kan ook veronderstellen dat de maximumprijzen worden overschreden. Maar controle daarop is denkbaar door ambtenaren-inspecteurs, door indexcommissies, door vakbonden, vrouwenverenigingen, verbruikerscomités. Overigens kunnen sancties worden voorzien: een bedrijf dat de maximumprijzen te boven gaat, kan verplicht worden zijn afdracht aan het investeringsfonds te verhogen, eventueel buiten verhouding. Nog een heel arsenaal van maatregelen kan worden bedacht. Maar het gaat hier niet om modaliteiten, wel om de grondslagen.

Overigens is het klaar dat — bv. inzake juiste aangifte — alle mogelijke reglementeringen eerder machteloos zijn, zolang de kapitalistische ingesteldheid bij de bevolking voortleeft. Maar het is ook klaar dat een socialistisch bewustzijn zich maar kan ontwikkelen als de democratische controle, als de openbaarheid en de openheid voldoende tot hun recht komen en als de inspraak reëel is. Maatschappelijke verantwoordelijkheid komt slechts tot stand, als men, bij het metsen van een steen, het bewustzijn beleeft te bouwen aan een wereld.

Zolang er scherpe schaarste heerst, kunnen fraude, zwarte markt en zwendel niet overwonnen worden. Daarom precies is het zo bovenmenselijk moeilijk — eigenlijk onmogelijk — om tegelijkertijd een land uit de onderontwikkeling te halen en in dat land een socialistische samenleving uit te bouwen. De vertrekbasis moet dus een hoogontwikkelde kapitalistische maatschappij zijn. Trouwens zo had Marx het ook gedacht.

Tenslotte, hoe ruimer de revolutionaire consensus was, hoe minder gewelddadig de revolutie verliep, des te groter zijn de mogelijkheden dat achteraf een werkelijk bevrijdend socialisme het daglicht ziet.

_______________
[1] Socialisme sluit geenszins uit dat zekere kleinschalige bedrijvigheden in handen van particulieren blijven, bv. van landbouwers, ambachtslieden, klusjesmannen, dienstverleners ... Er is dus plaats voor zelfstandigen die zonder (of met zeer weinig) loonarbeiders werken.
[2] Waarmee ook bedoeld worden de politieke of administratieve onderverdelingen van de staat, zoals gewesten, gemeenten, enz.
[3] Marx laat deze door de overheid uitgevoerde werken buiten beschouwing, rekent de daaraan verbonden arbeid niet als element van de waardevorming. Wellicht om methodologische redenen beperkte hij zijn analyse van de waardevorming tot de arbeid binnen het bedrijf. Eigenlijk gaat dat niet op.