Pierre Bourdieu

De zich realiserende utopie van de onbeperkte uitbuiting

Het wezen van het neoliberalisme [1]


Geschreven: maart 1998
Bron: Vlaams Marxistisch Tijdschrift, nr. 3, 36ste jrg. juni 2002
Vertaling: Guy Quintelier en Luc Vanmarcke
HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, maart 2009

Laatste bewerking: 05 maart 2009


Verwant:
Hoe gaat het eigenlijk met het kapitalisme?
“Het systeem kraakt...” De politieke strijd, morgen
Links verzet heruitvinden in postmoderne tijden

Is, zoals het dominante vertoog het wil, de economische wereld werkelijk een zuivere en volmaakte orde, die onverbiddelijk de logica van haar voorspelbare gevolgen ontvouwt en snel is om elk tekortschieten af te straffen door de sancties die ze oplegt, hetzij uit zichzelf, hetzij — wat zeer uitzonderlijk is — met haar gewapende macht, het Internationaal Muntfonds (IMF) of de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), en door de beleidsmaatregelen die door hen worden voorgeschreven: het verlagen van de loonkost, het verminderen van de overheidsuitgaven en de flexibilisering van de arbeid? En wat indien dit werkelijk slechts het in praktijk brengen was van een utopie, namelijk het neoliberalisme, dat hoewel het in een politiek programma is omgezet, toch een utopie blijft die, met de hulp van de economische theorie waarop het zich beroept, erin slaagt zich als de wetenschappelijke beschrijving van de realiteit voor te stellen?

Deze bevoogdende theorie is een zuivere mathematische fictie, die vanaf het begin gebaseerd is op een formidabele abstractie: namelijk deze, die, in naam van een even verengde als bekrompen opvatting van de rationaliteit die met de individuele redelijkheidscriteria wordt vereenzelvigd, bestaat in het tussen haakjes stellen van de economische en sociale voorwaarden van zogenaamd redelijke zinvolheiddisposities en van de economische en sociale structuren die de voorwaarden vormen van de praktijken die met die disposities zijn verbonden.

Om de maat van het verzuim te tonen, volstaat het enkel te denken aan het onderwijssysteem, dat nooit als dusdanig in rekening wordt gebracht, in een tijd waarin het een bepalende rol speelt zowel in de productie van goederen en diensten als in de productie van de producenten ervan. Uit dit soort oorspronkelijke fout, die in de Walrasiaanse[2] mythe van de “zuivere theorie” ingeschreven is, vloeien niet alleen alle tekorten en alle gebreken van de economische discipline voort, maar ook de fatale hardnekkigheid waarmee deze zich blijft vastklampen aan de arbitraire tegenstelling die ze, door haar eigen voortbestaan, laat bestaan: tussen de zuiver economische logica, die op de concurrentie gebaseerd en draagster van efficiëntie is, en de sociale logica, die onderworpen is aan de regel van rechtvaardigheid.

Deze “theorie” die uit zichzelf van de sociale en historische contexten afstand doet, heeft vandaag meer dan ooit de middelen om zich waar en empirisch verifieerbaar te maken. Het neoliberale vertoog is inderdaad geen vertoog als de andere. Zoals, volgens Erving Goffman[3], het psychiatrisch vertoog in het asiel, is het een “sterk vertoog”, dat precies zo sterk en zo moeilijk te bestrijden is, omdat het met zich de krachten heeft van een wereld van krachtsverhoudingen waartoe het bijdraagt om hem te maken zoals hij is, in het bijzonder door de economische keuzes te bepalen van hen die de economische verhoudingen beheersen en door zo zijn eigen, zuiver symbolische kracht toe te voegen aan deze krachtsverhoudingen. In naam van dit wetenschappelijke kennisprogramma, dat omgezet is in een politiek actieprogramma, komt een immens politiek werk tot stand (hoewel dat het ontkend wordt daar het schijnbaar zuiver negatief is) dat mikt op het scheppen van de realiserings- en functioneringsvoorwaarden van de “theorie”; een programma van methodische vernietiging van het gemeenschappelijke.

De beweging naar de neoliberale utopie van een zuivere en volmaakte markt werd mogelijk gemaakt door de politiek van financiële deregulering; ze kwam tot stand door een actie van hervorming en, het moet gezegd worden, van vernietiging van alle politieke maatregelen (waarvan het meest recente het MAI is, het multilateraal akkoord over investeringen, dat bedoeld is om buitenlandse ondernemingen en hun investeringen te beschermen tegen nationale staten) die mikt op het in twijfel trekken van alle collectieve structuren die in staat waren om de logica van de zuivere markt te belemmeren: de natie, waarvan de manoeuvreerruimte steeds meer inkrimpt; de arbeid, gedefinieerd als een sociaal feit, met bijvoorbeeld de individualisering van de lonen en de loopbanen in functie van de individuele competenties, en de atomisering van de arbeiders die daaruit volgt; de collectieven voor de verdediging van de rechten van de arbeiders, de vakbonden, de associaties, de coöperatieven; het gezin zelf, dat door de vorming van de markten naar leeftijdsklassen, een deel van zijn controle over de consumptie verliest.

Het neoliberale programma dat zijn sociale sterkte put uit de politiek-economische sterkte van hen van wie het de belangen uitdrukt — aandeelhouders, financiële operatoren, industriëlen, conservatieve of sociaaldemocratische politici die bekeerd zijn tot het geruststellende verzaken ten voordele van het laisser faire, hoge functionarissen van financiën die des te meer opgehitst zijn tot het opleggen van een politiek die hun eigen verval aanprijst omdat ze, in tegenstelling met de ondernemingskaders, nauwelijks enig risico lopen er de mogelijke gevolgen van te betalen —, streeft globaal naar het bevorderen van de kloof tussen de economie en de sociale realiteiten, en zo naar het in de realiteit construeren van een economisch systeem dat overeenkomt met de theoretische beschrijving, d.w.z een soort logische machine die zich voordoet als een reeks dwangbevelen die de economische actoren in vervoering brengen.

De globalisering van de financiële markten, samen met de vooruitgang van de informatietechnieken, verzekert een kapitaalsmobiliteit zonder voorgaande en geeft aan de investeerders die bezorgd zijn om het kortetermijnrendement van hun investeringen, de mogelijkheid om op een permanente wijze de rentabiliteit van de grootste ondernemingen te vergelijken en bijgevolg relatieve mislukkingen te sanctioneren. De ondernemingen zelf, die onder een dergelijke voortdurende dreiging geplaatst zijn, moeten zich op een steeds vluggere manier aanpassen aan de eisen van de markten; op straffe van, zoals men zegt, het “verliezen van het vertrouwen van de markten”, en op hetzelfde ogenblik van de steun van de aandeelhouders die, bezorgd om het verwerven van een kortetermijnrentabiliteit, meer en meer in staat zijn hun wil aan de managers op te leggen, hen via financiële directieven te binden aan de normen, en hun beleid op het vlak van de aanwerving, werkgelegenheid en beloning te oriënteren.

Zo installeren zich de absolute heerschappij van de flexibiliteit, met de aanwervingen onder contracten van beperkte duur of de interims en de herhaalde “sociale plannen”, en, in de kern zelf van de onderneming, de concurrentie tussen autonome filialen, tussen werkeenheden die gedwongen zijn tot polyvalentie, en, uiteindelijk, tussen individuen door de individualisering van de loonsverhouding: het vastleggen van individuele doelstellingen; de individuele evaluatiegesprekken; de permanente evaluatie; de geïndividualiseerde loonsverhogingen of het toekennen van premies naar gelang de individuele competentie en verdienste; de geïndividualiseerde loopbanen; de strategieën van “responsabilisering” die het verzekeren van de zelfuitbuiting van bepaalde kaders beogen, die als eenvoudige loontrekkers onder een sterke hiërarchische afhankelijkheid niettemin, als waren ze “zelfstandigen”, verantwoordelijk geacht worden voor hun verkoop, voor hun producten, voor hun filiaal, voor hun winkel, enz.; de eis van “zelfcontrole” die de “betrokkenheid” van de loontrekkers, veraf van de kaderposten, uitbreidt volgens de technieken van het “participatieve management”. Evenveel technieken van rationele onderwerping, die al helemaal het overinvesteren in het werk, en niet alleen op de arbeidsplaatsen met verantwoordelijkheid, en het werken onder hoogdringendheid vereisen, dragen bij tot het verzwakken en het afschaffen van de collectieve belangen en van solidariteit.[4]

Het praktisch instellen van een Darwiniaanse wereld van strijd van iedereen tegen iedereen op alle niveaus van de hiërarchie, die de drijfveren voor de toewijding aan de taak en het bedrijf vindt in de onzekerheid, het lijden en de stress, zou ongetwijfeld niet zo volledig kunnen slagen, indien die niet kon steunen op de medeplichtigheid ten gevolge van een veralgemeende dispositie van schaarste die door de onzekerheid en het bestaan wordt voortgebracht, op alle niveaus van de hiërarchie, zelfs op de meest verheven niveaus, namelijk onder de kaders, en die karakteristiek is voor een arbeidsreserveleger dat gehoorzaam gemaakt is door de onzekerheid en de permanente werkloosheidsdreiging. Het ultieme fundament van heel deze economische orde die onder het teken van de vrijheid is geplaatst, is inderdaad het structurele geweld van de werkloosheid, de onzekerheid en de dreiging met ontslag die ze bevat: de voorwaarde voor de “harmonieuze” functionering van het individueel micro-economisch model is een massaverschijnsel, het bestaan van een reserveleger aan werklozen.

Dit structurele geweld weegt ook op dat wat men de arbeidsovereenkomst noemt (dat door de “contracttheorie” kundig gerationaliseerd en aan de werkelijkheid onttrokken is). In het vertoog van de onderneming is nooit zoveel gesproken over vertrouwen, samenwerking, toewijding en ondernemingscultuur als in een tijdperk, waar men de toewijding van elke instantie verwerft door alle tijdelijke waarborgen te laten verdwijnen (driekwart van de betrekkingen zijn van bepaalde duur, het deel van de onzekere banen houdt niet op te groeien, het individuele ontslag heeft de neiging aan geen enkele beperking onderworpen te zijn).

Men ziet zo hoe de neoliberale utopie tendeert werkelijkheid te worden in een soort helse machine, waarvan de noodzaak zich aan de heersenden zelf oplegt. Deze utopie doet, zoals vroeger het marxisme waarmee ze, in dit opzicht, veel gemeenschappelijke punten heeft, een ontzaglijke verwachting ontstaan, de free trade faith (het geloof in de vrijhandel), niet alleen bij hen die er materieel van leven, zoals de financiers, de patroons van grote bedrijven, maar ook bij hen die er de verantwoording voor hun bestaan aan ontlenen, zoals de hoge functionarissen en de politici, — die de macht van de markten in naam van de economische efficiëntie sacraliseren, — die de opheffing eisen van de administratieve en politieke barrières die de kapitaalbezitters hinderen bij het zuiver individuele zoeken van de maximalisering van de individuele winst, dat getranssubstantieerd is in een rationaliteitsmodel, — die onafhankelijke centrale banken willen, — die voor de meesters van de economie de onderschikking van alle nationale staten aan de eisen van de economische vrijheid preken, met de opheffing van alle reglementeringen voor alle markten, te beginnen met de arbeidsmarkt, het verbod op deficiten en inflatie, de veralgemeende privatisering van de openbare diensten, en de reductie van de openbare en de sociale uitgaven.

Zonder noodzakelijk de economische en sociale belangen van de ware gelovigen te delen, hebben de economisten genoeg specifieke belangen in het domein van de economische wetenschap om een beslissende bijdrage te leveren — wat ook hun gemoedsgesteldheid is ten opzichte van de economische en sociale gevolgen van de utopie die ze met mathematische redenen inkleden — aan de productie en de reproductie van het geloof in de neoliberale utopie. Gescheiden door geheel hun bestaan, en bovenal, door geheel hun intellectuele vorming, die meestal zuiver abstract en theoricistisch is en uit boeken komt, van de economische en sociale wereld zoals die is, zijn ze in het bijzonder geneigd om de zaken van de logica met de logica van de zaken te verwisselen.

Vertrouwend op modellen waarvan ze praktisch nooit de gelegenheid hebben om ze te onderwerpen aan de proef van de experimentele verificatie, en ertoe geneigd vanuit de hoogte te kijken naar de verworvenheden van andere historische wetenschappen, waarin ze niet de zuiverheid en de kristallen transparantie van hun wiskundige spellen herkennen en waarvan ze het vaakste niet in staat zijn om de ware noodzaak en de diepgaande complexiteit te begrijpen, nemen ze deel en werken ze samen aan een ontzaglijke economische en sociale verandering die, zelfs al wekken sommige gevolgen hun afschuw op (- zij kunnen lid zijn van de socialistische partij en waarschuwende raad geven aan haar vertegenwoordigers in de instanties van de macht -), hen niet kan mishagen daar, op het gevaar van enkele mislukkingen die met name toe te schrijven zijn aan wat zij vaak “speculatieve luchtbellen” noemen, die verandering ertoe leidt de ultraconsequente utopie (zoals sommige vormen van waan) waaraan zij hun leven wijden, te realiseren.

En nochtans is de wereld daar, met zijn onmiddellijk zichtbare gevolgen van het toepassen van de grote neoliberale utopie: niet alleen de ellende van een steeds groter deel van de economisch meest ontwikkelde maatschappijen, de buitengewone aangroei van de verschillen tussen de inkomens, de verdergaande verdwijning van de autonome werelden van culturele productie, cinema, uitgave, enz. door het indringend opleggen van commerciële waarden, maar ook en vooral de vernietiging van alle collectieve instanties die in staat zijn om de gevolgen van de helse machine tegen te werken, op de eerste plaats de staat, die de bewaarder is van alle universele waarden die verbonden zijn met de idee van het publieke, en het overal, op de hogere niveaus van de economie en van de staat of in de kern van de ondernemingen, verplichten tot dit soort moreel Darwinisme dat, met de cultus van de winnaar die gevormd is in de hogere wiskunde en in het elastiekspringen, als norm van alle praktijken de strijd van allen en tegen allen en het cynisme invoert.

Kan men verwachten dat de buitengewone hoeveelheid lijden die een dergelijk politiek-economisch regime voortbrengt, op een dag aan de oorsprong ligt van een beweging die in staat is om de wedloop naar de afgrond te stoppen? Feitelijk staat men hier voor een buitengewone paradox: wanneer de obstakels die men ontmoet op weg naar realisering van de nieuwe orde — die van het individu, dat alleen maar vrij is — vandaag beschouwd worden als rigiditeiten en archaïsmen, en wanneer elke onmiddellijke en bewuste interventie, althans zo ze, langs welke omweg ook, van de staat komt, op voorhand in diskrediet gebracht wordt, en dus aangemaand wordt zich terug te trekken ten voordele van een zuiver en anoniem mechanisme, namelijk de markt (waarvan men vergeet dat het ook de plaats is waar men zijn belangen behartigt), dan is het in werkelijkheid het voortbestaan of het overleven van instellingen en actoren uit het oude regime, op weg naar zijn ontmanteling, en het volledige werk van alle categorieën sociale werkers, en ook van alle vormen van sociale, familiale en andere solidariteit, die maken dat de sociale orde niet in een chaos ineenklapt, ondanks het groeiende volume van een onzeker gemaakte bevolking.

De overgang naar het “liberalisme” voltrekt zich op een onmerkbare, en dus onwaarneembare manier, zoals de drift van de continenten, en verdoezelt aldus de op lange termijn meest erge gevolgen. Gevolgen die, paradoxaal genoeg, ook verhuld worden door de weerstanden die het liberalisme vanaf nu oproept bij een deel van hen die de oude orde verdedigen door uit de bronnen te putten die ze placht te bevatten, uit de oude solidariteiten, uit de reserves van het sociale kapitaal die een heel deel van de huidige sociale orde beschermen tegen de val in de anomie. (Kapitaal dat, indien het niet hernieuwd of gereproduceerd wordt, tot wegkwijnen gedoemd is, maar waarvan de uitputting niet voor morgen is.)

Maar diezelfde op “behoud” gerichte krachten, die veel te gemakkelijk als conservatieve krachten behandeld worden, zijn ook, onder een ander opzicht, krachten die weerstand bieden aan de invoering van de nieuwe orde, en die ondermijnende krachten kunnen worden. Indien men dus enige redelijke hoop kan bewaren, dan is het dat die weerstand nog bestaat in de staatsinstellingen en ook in de disposities van actoren (met name zij die het meest gehecht zijn aan deze instellingen, zoals de kleine staatsadel) die, onder de schijn van het eenvoudigweg verdedigen, zoals men hen dadelijk zal verwijten, van een verdwenen orde en de bijhorende “voorrechten”, feitelijk, om de beproeving te weerstaan, moeten werken aan het uitvinden en het bouwen van een sociale orde die niet als enige wet het zoeken van het egoïstische belang en de individuele passie voor de winst heeft, en die plaats zou geven aan collectieven die georiënteerd zijn op het rationeel nastreven van collectief uitgewerkte en goedgekeurde doelstellingen. Hoe kan men onder deze collectieven, associaties, vakbonden, partijen, geen speciale plaats geven aan de staat, nationale staat, of nog beter, supranationale, d.w.z. Europese staat (als stap naar een mondiale staat), die in staat is om de winsten, die op de financiële markten worden gerealiseerd, te controleren en effectief te beteugelen en bovenal om de destructieve actie tegen te werken die deze laatsten op de arbeidsmarkt uitoefenen, door, met de hulp van de vakbonden, de uitwerking en de verdediging te organiseren van het publiek belang, dat — of men het wil of niet — nooit zal uitkomen, zelfs ten koste van enkele fouten in de rekeningen, op de visie van de boekhouder (vroeger zou men “kruidenier” gezegd hebben), die door het nieuwe geloof wordt voorgespiegeld als de hoogste vorm van menselijke verwezenlijking.

_______________
[1] “Cette utopie, en voie de réalisation, d’une exploitation sans limite” in: Le Monde diplomatique, maart 1998, blz.3 (zie ook: http://www.monde-diplomatique.fr/1998/03/bourdieu/10167).
[2] Noot van de redactie van Le Monde diplomatique: Bourdieu refereert hier aan Auguste Walras (1800-1866), Frans economist en auteur van De la nature de la richesse et de l’origine de la valeur (1848). Hij was een van de eersten die trachtten de wiskunde bij de studie van de economie toe te passen.
[3] Erving Goffman, Asiles. études sur la condition sociale des malades mentaux, Paris, éditions de Minuit, 1968;[Asylums. Essays on the Social Situation of Mental Patients, Garden City, Doubleday, 1961].
[4] Men kan zich daarover meer informeren in twee nummers van de Actes de la recherche en sciences sociales die gewijd zijn aan de “nieuwe vormen van dominantie op het werk” (1 en 2), nr. 114, september 1996, en nr. 115, december 1996, en meer bepaald in de inleiding door Gabrielle Balazs en Michel Pialoux, “Crise du travail et crise du politique”, nr. 114, p. 3-4.


Zoek knop