Léon Delsinne
De Belgische Werkliedenpartij van haar oorsprong tot 1894
Hoofdstuk 2


Wat de voorlopers ertoe bijdroegen

De ontluiking van een solide socialistische beweging vereist het samengaan van een energieke actie van de arbeiders om hun lot te verbeteren met een ideologie die van aard is die actie richtlijnen te geven, en op lange duur ook een concreet programma dat toepasselijk is bij de omstandigheden van het ogenblik. Dat samengaan verwezenlijkt zich langzaam en moeilijk in de eerste halve eeuw van België’s onafhankelijkheid.

Vóór 1830 is er geen enkele van die voorwaarden werkelijkheid geworden. Enkele sporen van gezellenverenigingen van het oud regime, gecamoufleerd als beroepsmutualiteiten, hebben slechts onbetekenende effectieven, gevormd door zeer gespecialiseerde arbeiders, houden ze zich slechts met de particuliere belangen van hun leden bezig en zijn genoopt heel voorzichtig te zijn, daar de artikel 414 en 415 van het strafwetboek zware straffen voorzien voor iedere ‘coalitie’. Anderzijds zijn de katholieken Bartles, Ducpétiaux en Denève en de liberalen De Potter, Thielemans en Rogier zonen van de Franse revolutie. Zij strijden tegen het koninklijk absolutisme en voor juridische gelijkheid, maar niet voor politieke en nog minder voor sociale gelijkheid. De eersten beroepen zich op Lammenais, doch wilden niets weten van zijn pamflet ‘De Slavernij van de Proletariër’. Onder de anderen zijn De Potter en de gebroeders Delhasse aanhangers van de doctrine van Bonnarotti die onder de leiding van Babeuf had deelgenomen aan de ‘Samenzwering der Gelijken’ in 1796, maar hun houding is er pas later door beïnvloed.

Als België zijn onafhankelijkheid verovert, zijn er in Frankrijk reeds ideeënsystemen die tot de vorming van de socialistische opvattingen zullen bijdragen, uitgewerkt en zelfs gepropageerd. Saint-Simon en Fourrier hebben lijvige werken gepubliceerd die in de vergeethoek zouden zijn geraakt, indien zij niet de geestdrift hadden opgewekt van toegewijde leerlingen die vastbesloten waren de denkbeelden van hun meester te verspreiden door ze bevattelijk te maken.

In het begin van 1831, terwijl het Congres de grondwet uitwerkt, komt een groep volgelingen van Saint-Simon naar België; ‘De Uiteenzetting van de Doctrine’, enkele jaren te voren te Parijs door de voornaamste leerlingen, heeft voorname aanhangers bijeengebracht: Ducpétiaux, Van Praet, Chazl, Quitelet, Félix Delhasse, Charles Rogier. Ondanks een dergelijk beschermheerschap legt een deel van de geestelijkheid zich erop toe de verspreiding van deze leer tegen te gaan, daar zij nu wordt voorgesteld als een soort nieuwe godsdienst. In Brussel althans worden de besproken lokalen op het laatste ogenblik geweigerd of overrompeld door een menigte die de sprekers uitjouwt of zelfs het meubilair vernielt. De incidenten worden ter sprake gebracht in het Congres, dat als zijn wil te kennen geeft de vrijheid van het woord te doen eerbiedigen. De saint-simoniens zijn in andere steden gelukkiger, vooral in de provincie Luik. Als ze het land verlaten is er een weekblad opgericht, ‘L’Organisation’, dat slechts enkele maanden zal leven; er worden in onderscheiden steden kringen opgericht: de nieuwe ideeën worden hartstochtelijk besproken.

Om de waarheid te zeggen: dat is alleen zo in intellectuele kringen. De saint-simoniens mogen zoveel ze willen ‘de verbetering van het lot der talrijkste en armste klasse’ als hun eerste bekommernis vooropstellen, de formules die ze gebruiken ‘aan ieder volgens zijn capaciteit, aan iedere capaciteit volgens haar werken’, en de middelen die zij vooropzetten om de maatschappij te veranderen: de afschaffing van de erfenis en de ‘industriële organisatie’, spreken niet tot het hart, noch tot de geest van de proletariërs, die in de diepste ellende gedompeld zijn. Zij zullen hun invloed later uitoefenen: enerzijds zullen enkele aanhangers van het eerste uur aan de zijde van de arbeiders staan, als deze zich bewust worden van hun lot en trachten dit te verbeteren, anderzijds zullen zij in de arbeidersverenigingen doordringen, gecombineerd met andere, die eveneens uit Frankrijk zullen komen.

In 1838 komt Victor Considérant, de trouwste volgeling van Charles Fourrier naar Brussel, met dezelfde bedoeling als de saint-simoniens, doch beperkt zich bij particuliere gesprekken met intellectuelen. Zes jaar later spreekt een andere leerling van Fourrier op vergaderingen waar de kleine burgers en de arbeiders in de meerderheid zijn. Maar het is opnieuw voor een gehoor bestaande uit vooruitstrevende politici, magistraten, officieren en hoge functionarissen, dat Victor Considérant in 1845 de doctrine komt uiteenzetten. Indien de arbeiders niet aan die vergaderingen deelnemen, waar men zich trouwens niet tot hen richt, dan beginnen de meest ontwikkelden onder hen toch de geschriften van de volgelingen van Saint-Simon en van Fourrier te lezen, en juist zoals een aantal intellectuelen worden zij van geestdrift vervuld voor de oprichting van arbeiderskolonies, die hen doet hopen op het ontstaan van een maatschappij zonder de gebreken en de misbruiken die zij vaag voelen en waarvan de onthulling hen doet besluiten er een einde aan te maken. De mannen die zich in 1831 hebben doen doordringen van de denkbeelden van Saint-Simon, worden vijftien jaar later aanhangers van Fourrier. Onder hen zijn er enkele die in de volgende periode de eerste manifestaties van de arbeidersbeweging zullen steunen.

Bij deze invloeden van het Franse vóór-socialisme gaat zich aan de vooravond een andere voegen, van in den beginne beperkter: die van Karl Marx.

Als Marx te Brussel aankomt, in februari 1845, is hij nog geen 27 jaar oud. Doch na zich aan de wijsbegeerte te hebben gewijd en te Keulen een carrière van oppositie journalist te zijn begonnen, heeft hij twee jaar te Parijs doorgebracht te midden van alle socialistische en revolutionaire stromingen die zich in de Franse hoofdstad dooreenmengen. Daar hij genoopt is aan geen enkele politieke bedrijvigheid te doen om in België te mogen verblijven, maakt hij van zijn gedwongen vrije tijd gebruik om zijn ideeën af te ronden en een doctrine uit te werken die hij later verder zal ontwikkelen en die hijzelf ‘het communisme’ zal noemen. In feite onderhoudt Karl Marx een geregelde correspondentie met socialisten van diverse landen; hij ontmoet enkele Belgische democraten en enkele arbeiders of Duitse vluchtelingen die zich in België hebben gevestigd, hij legt er zich op toe een internationale organisatie met revolutionair karakter op te richten, doch schijnt zich niet bijzonder te interesseren voor de sociale toestand in het land dat hem gastvrijheid verleent die destijds nochtans tamelijk gespannen was. Tegen het einde van 1847 neemt hij deel aan de stichting van de ‘Association démocratique’ en wordt er ondervoorzitter van. Tegelijkertijd wordt hij belast met het opstellen van een manifest dat moet worden voorgelegd aan een bijeenkomst van de ‘Liga der Communisten’. Het Communistisch Manifest zal — in het Duits — pas vlak na de revolutie van februari 1848 worden gedrukt, even vóór de uitwijzing van Marx die er het gevolg zal van zijn.

De invloed van het ‘Manifest’ en van andere geschriften van Marx zal zich later doen gevoelen dan die van de Franse socialisten. Zij kunnen geen uitwerking hebben op de geesten die, hoe edelmoedig zij ook zijn, eenvoudig de ellende van de arbeiders willen verzachten. Zij roepen de arbeiders op zelf hun lot in handen te nemen. Zich baserend op een nieuwe uitleg van de geschiedenis, leiden zij eruit af, dat de arbeidersacties tegen de fundamenten zelf van de maatschappij moeten gericht worden en dat haar succes verzekerd is wegens het feit dat de technische veranderingen, die de bourgeoisie tegen het einde van de XVIIe eeuw in staat hadden gesteld de leiding der zaken in handen te nemen, nu in versneld tempo plaatsvinden, de productie in een gering aantal handen concentreren, de onafhankelijke arbeiders van hun arbeidsmiddelen beroven en tot de vorming van twee tegenover elkaar gestelde klassen leiden: die van de kapitalisten en die van de proletariërs, welke laatste zo talrijk worden, dat hun belangen de algemene belangen worden. Zij voegen eraan toe, dat die strijd politiek moet zijn en tot doel dient te hebben het in handen nemen van de macht, dank zij hetwelk het stelsel radicaal zal kunnen worden veranderd door een proletariaat met de vereiste politieke rijpheid.

Die literatuur zal pas twintig jaar later vertaald worden en gedeeltelijke bevattelijk worden gemaakt door de propaganda van de Eerste Internationale in België. Tegen het einde van 1847, op het ogenblik dat Marx het ‘Communistisch Manifest’ opstelt, maken wel enkele geschoolde en ontwikkelde Belgische arbeiders deel uit van de Brusselse ‘Association démocratique’, doch zij hebben er geen merkbare invloed.

Het is dus buiten de arbeidersklasse dat men tot 1847 in België de eerste uitingen van het socialisme moet zoeken. Het is trouwens een halfbewust socialisme, dat nog stevige aanknopingspunten heeft met een progressistisch liberalisme en dat meer gericht is op de politieke problemen dan op de economische en sociale kwestie. Ongetwijfeld zullen de gewezen wever Jacob Katz en de laarzenmaker Jan Pellering een meer volks aspect aan hun propaganda geven. Maar eerstgenoemde, die slechts arbeider is geweest ingevolge de financiële tegenslagen van zijn vader, zal weldra schoolmeester en vervolgens journalist en toneelschrijver worden, en de tweede is ambachtsman. Bovendien zullen zij vaak gesteund en geholpen worden door democratische burgers.

Jacob Katz is het eerst in actie. Hij sticht in 1833 te Brussel een arbeidersmaatschappij ‘Verbroedering’, ten einde de arbeiders te onderwijzen en onder hen de democratische denkbeelden te propageren. De door haar in het openbaar gehouden bijeenkomsten hebben slechts een tamelijk gering publiek. Hij denkt aan het toneel: hij schrijft sociale stukken die begrepen kunnen worden door de bijna ongeletterde arbeiders van die tijd, en bekomt een beter gehoor. Als hij in 1836 beter bekend is, organiseert hij meetings waarvan het succes de regering verontrust; hij valt er hevig uit tegen de rijken en verdedigt de armen zonder een onderscheid te maken tussen de loontrekkenden en de ambachtslieden, die er niet veel beter aan toe zijn.

In 1838 sticht hij te Gent de maatschappij ‘De Vrienden van de Vooruitgang’, die meetings organiseert waarop hij spreekt, samen met de advocaten Jottrand en Spilthorn. In 1844 publiceert hij een ‘Catechismus van de waarheden die het Belgische volk moet begrijpen om een remedie tegen zijn kwalen te bekomen’, voornamelijk geïnspireerd op de denkbeelden van Louis Blanc. Jan Pellering steunt zijn inspanningen als hij de volwassen leeftijd heeft bereikt.

Alexander Delhasse onderneemt tegen het einde van 1837 in het Frans een gelijksoortige propaganda actie. Doch het is vooral de pers, die zijn broer Felix Delhasse, Lucien Jottrand, Altmeyer, Félix Timmermans, Félix Mathé, en generaal Millmet samen met hen gebruiken. ‘Le Radical’, die eenmaal en vervolgens tweemaal per week verschijnt, en wel van april 1936 tot augustus 1937, vertolkt hun socialistisch gerichte verzuchtingen, waarin de hervormingen van de Conventie en de denkbeelden van de voorlopers van het socialisme gepaard gaan.

Na enkele jaren van ontmoediging vinden diezelfde mannen elkaar in 1848 terug om ‘Débat social’ te stichten, waarvan Félix Delhasse de ziel zal zijn, tot zijn verdwijning in 1849, actief zal deelnemen aan alle politieke controversen van het tijdperk. Het blad staat volstrekt aan de zijde van de arbeiders, het steunt hun klachten, hun sporadische en opstandige bewegingen, het verwelkomt de Februarirevolutie en put er argumenten uit voor een wijziging van het politiek stelsel in België. Maar geen enkele keer rekent het op de organisatie der arbeiders om een meer energieke actie te bevorderen. Aan de vooravond van 1848 past het de theses van Fourrier inzake de vrijwillige samenwerking tussen kapitaal en arbeid en die van Louis Blanc inzake de ‘organisatie van de arbeid’ aan bij het niveau van hun lezers.

De economische crisis die in heel het land woedt, de ellende die over Vlaanderen is gekomen en ook de agitatie die zich in Frankrijk ontwikkelt, verwekken sociale manifestaties die tot nog toe ongekend waren. Vier Vlaamse ‘militanten’ onder wie Pellering stellen in 1846 een ‘oproep’ op waarin de ellendige toestand der Vlaamse arbeiders in roerende termen worden beschreven en waarin om ‘werk en brood’ wordt gevraagd. De oproep wordt in 100.000 exemplaren verspreid. De auteurs ervan worden door het Brussels Hof van Assisen veroordeeld, doch het Hof van Cassatie verbreekt het vonnis zonder verwijzing, wat gelijk staat met vrijspraak.

Hetzelfde jaar werkt ‘l’Alliance’, een liberale groepering die in 1841 te Brussel was gesticht, een programma uit waarin de volgende punten voorkomen: verkiezingshervorming ‘in de zin van volstrekte gelijkheid, verbetering van het lot van de arbeidersklasse, bescherming van de vrouwen en kinderen die in de mijnen en fabrieken werken. Maar het congres dat kort nadien werd bijeengeroepen houdt de laatste twee punten niet aan.

In de lente van 1847 wordt er een ‘Maatschappij Agneesens’ gesticht om de belangen van de arbeidersklasse te verdedigen. Doch de voornaamste gebeurtenis van die periode is de oprichting in november van de ‘Association démocratique’ die de ‘eenheid en de broederlijkheid van alle volkeren’ tot doel heeft. De vereniging telt onder haar leden alle persoonlijkheden die in de vorige periode aan sociale actie hebben gedaan en bovendien enkele buitenlandse politieke vluchtelingen, onder wie Karl Marx, die dadelijk tot vice voorzitter wordt benoemd. Onder de 63 stichters vindt men een vijftiental Duitsers, vier Polen, twee Fransen en een Hollander, bijna allen politieke vluchtelingen. Onder de Belgen bevinden zich slechts enkele arbeiders.

De ‘Association démocratique’ doet in de volgende maanden van zich spreken. Zij begint, krachtens haar eigen doeleinden, met haar sympathie te betuigen voor de voorbije of huidige revolutionaire bewegingen: de 29ste november, tegelijkertijd met haar viering van de 17de der Poolse revolutie, neemt zij een boodschap aan voor het ‘Zwitserse volk, haar uitnodigend zich niet te laten overreden door de pogingen tot interventie van de grote mogendheden ingevolge de opstand der katholieke kantons tegen de protestantse.

Op hetzelfde ogenblik zendt zij drie afgevaardigden, onder wie Karl Marx, naar het congres dat de ‘communisten’ te Londen houden, overigens zonder te vermoeden dat haar vertegenwoordigers hebben deelgenomen aan de stichting van een voorafbeelding van de Internationale, de ‘Liga der Communisten’, waarvoor Karl Marx de daaropvolgende weken ‘Het Manifest der Communistische Partij’ opstelt.

In december stelt de maatschappij der ‘Broederlijke democraten’ van Londen, waarvan de samenstelling overeenstemt met die van de ‘Association démocratique’, voor in 1848 te Brussel een internationaal congres van democraten te houden. In de provincie, en in de eerste plaats te Gent, worden eveneens verenigingen gesticht.

De Februarirevolutie en het uitroepen van de republiek in Frankrijk geven de gebeurtenissen een nieuwe wending, zonder daarom de arbeidersmassa’s ernstig te beroeren. De liberale regering die na de zegevierende verkiezingen is gevormd, krijgt de hulp van de katholieke oppositie om de maatregelen te nemen die van aard worden geacht om de uitbreiding van de agitatie in België te voorkomen. De 26ste februari alarmeert zij de gouverneurs van de provincies en beveelt zij hun aan op de handhaving van de ‘openbare orde’ te waken, zonder overigens bijzondere schikkingen voor te schrijven. De 28ste legt zij een ontwerp neer dat ertoe strekt de verkiezingscijns tot het minimum van 20 gulden te verlagen dat voorzien wordt door de Grondwet. In enkele dagen wordt er verslag over uitgebracht, wordt het besproken en éénparig aangenomen, waarna het de wet van 12 maart wordt, die het aantal kiezers van minder dan 50.000 op ongeveer 75.000 brengt. Intussen heeft de regering verscheidene buitenlandse leden van de ‘Association démocratique’ uit het land gewezen, onder wie Karl Marx, wiens arrestatie werd verricht onder omstandigheden die aanleiding gaven tot een interpellatie in het parlement.

In feite zijn de gevaren voor agitatie gering. De 27ste februari zendt de ‘Association démocratique’ een felicitatie adres aan de voorlopige regering te Parijs. Het blad ‘Débat social’ beveelt democratische hervormingen aan, en in het bijzonder het algemeen stemrecht. In het begin van maart vormen zich gedurende verscheidene dagen samenscholingen van arbeiders te Gent en te Brussel waar de werkloosheid zich het sterkst doet gevoelen, doch zonder ernstige gevolgen. De 15de maart gaan twee à driehonderd Brusselse arbeiders stoetsgewijs naar het koninklijk paleis om er een petitie af te geven waarin om werk wordt gevraagd, en nadat hun beloofd is, dat het document aan de koning zal worden overhandigd, trekken zij zich in alle kalmte terug. De schermutselingen van Risquons-Tout staan volledig buiten de Belgische sociale beweging van toen. Zij vonden hun oorsprong in de actie van enkele Belgen die in Frankrijk wonen en die in hun republikeinse geestdrift er toe bij willen dragen in België de republiek te vestigen. Hun initiatief wordt door de meest vooruitstrevende democraten van België veroordeeld.

Al is er dan geen sprake van werkelijke agitatie, toch hebben de gebeurtenissen te Parijs en de weerslag ervan in Centraal-Europa een duidelijke invloed op de publieke opinie. In zekere opzichten zullen zij de socialistische denkbeelden mogelijk maken zich te bevrijden uit de stroming van de politieke democratie, waarmee ze tot op dat ogenblik werden vereenzelvigd.

De pers en de brochures leggen getuigenis af van die ontwikkeling. In het begin van 1848 bestaan er verscheidene weekbladen met vooruitstrevende liberale tendens: ‘Le Journal de Commerce’ te Antwerpen, ‘Le Journal de Charleroi’, ‘Le Libéral de Liège’, ‘Le Courrier de Verviers’ en nog andere. De afschaffing in mei van het zegelrecht, dat de verspreiding van de pers belemmerde, begunstigt het tot stand komen van nieuwe publicaties. ‘La Nation’ van Brussel, die een maand voor deze hervorming verschenen is, wil een voor deze periode gewaagd programma verdedigen, waarvan de voornaamste punten zijn: de afschaffing van de octrooien, de afschaffing van alle rechten op de levensmiddelen van eerste noodzakelijkheid, de progressieve belasting op het inkomen, kosteloos onderwijs in alle graden, benoeming van de burgemeesters door de gemeenteraden, waarborging van het recht op arbeid door de Staat, met vergoeding in geval van werkloosheid. ‘La Voix du Peuple’ versterkt in de maand juni dit programma door eraan toe te voegen het veralgemeend stemrecht, het verplicht onderwijs en werkplaatsen voor vakopleiding. ‘Le Peuple’ en ‘L’Ouvrier’ te Luik, ‘La Réforme’ te Verviers, ‘Le Démocrate’ te Charleroi, ‘Broedermin’ te Gent, ‘Vlaanderens Welvaren’, ‘Artevelde’ en nog enkele bladen vertolken de gemeenschappelijke verzuchtingen van enkele groepen arbeiders en min of meer socialistisch gezinde burgers.

De brochures nemen deel aan dezelfde inspanning. Zoals de bladen zijn zij een echo van de talrijke Franse publicaties van hetzelfde tijdperk, d.w.z. dat zij een ‘humanitair’ socialisme formuleren, waarin men naast de eisen inzake ‘de organisatie van de arbeid’, geïnspireerd door Louis Blanc, klachten aantreft over het lot van de arbeiders. De ‘Catechismus van de Proletariër’ van Victor Tedesco geeft van de toestand der arbeiders een schildering die vrij is van het destijds in zwang zijnde romantisme. Hij onderstreept dat belangrijke verbeteringen de verovering van de politieke macht vereisen en bijgevolg het algemeen stemrecht. Hij eist ook kredieten van de Staat om de arbeiders in staat te stellen de werktuigen aan te schaffen die hen van de verdrukking door de rijken zouden bevrijden. Doch niet één keer spoort hij de proletariërs tot organisatie of tot actie aan, zoals Marx het enkele maanden tevoren in zijn Communistisch Manifest heeft gedaan. Een blik op de sociale toestand van toen legt dat verzuim uit: de Belgisch arbeiders hebben niet de minste belangstelling voor de denkbeelden waarvan zij de inzet zijn. Zo diep in de ellende gedompeld als het onderzoek van 1843 heeft uitgewezen en onderworpen aan eeuwenoude tradities, hebben ze geen morele veer die er opstandigen zou van maken. Alle inspanningen die sedert vijftien jaar zijn ondernomen om hen uit hun passiviteit wakker te schudden, hebben schipbreuk geleden.

In augustus 1848 spant het Parket-Generaal naar aanleiding van incidenten te Risquonq-Tout een vervolging in tegen de meest op de voorgrond tredende democraten. Hoewel men geen enkel verband heeft kunnen vaststellen tussen hun activiteit en de gebeurtenissen van maart, worden 72 beschuldigden naar het Hof van Assisen verwezen en worden er 17 ter dood veroordeeld. Een campagne van democratische banketten, georganiseerd in verschillende Waalse plaatsen en te Brussel misnoegt de regering, vooral omdat de republikeinen er ruim vertegenwoordigd zijn. Daar dat van de 28ste maart 1849 door tegen betogers is verstoord, zal het ook het laatste zijn. Het geeft gelegenheid tot nieuwe vervolgingen tegen democraten, waarvan er eens te meer drie ter dood worden veroordeeld in omstandigheden die heel de pers met verontwaardiging hebben vervuld. Zelfs na te zijn omgezet in vijftien jaar gevangenis zijn die straffen zwaar genoeg om aan die campagne een einde te maken.

Het is niet verwonderlijk, dat de verkiezing van Lodewijk Napoleon tot president van de Franse republiek en de politieke oriëntering die daaruit voortvloeit, zowel als de verplettering van de revolutionaire bewegingen in Midden-Europa de hoop der democraten sterk doet verminderen. Tegen het einde van 1849 verdwijnen bijna alle bladen die zij in het leven hebben geroepen. Gedurende bijna 10 jaar zal men haast geen spoor meer vinden van de een of andere sociale beweging.