Jacques Dhaenens

Enkele strategische beschouwingen bij Marcuse


Bron: VMT - Vlaams Marxistisch Tijdschrift, nr. 1, 4de jrg., maart 1969
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive

Laatste bewerking: 31 juli 2009


Een grondige analyse van het laatste werk van de Duits-Amerikaanse filosoof Herbert Marcuse: One-dimensional man[1] vergt een hele studie. In de enkele bladzijden die een bespreking als deze gewoonlijk omvat vinden wij het dan ook belangrijker er de strategische implicaties even van te bekijken.

De mens met één dimensie

Volgens Marcuse is het neokapitalisme erin geslaagd bijna alle mensen (en meer speciaal de arbeiders) in het systeem te integreren. Die éne dimensie is dan ook deze van het aanvaarden van de bestaande orde (economisch, maatschappelijk, cultureel).

Hoe is zoiets mogelijk?

De techniek en de door de technologische vooruitgang mogelijk gemaakte welstand controleren de mens, zoals vroeger politie, leger en gerecht dat deden. Het verschil tussen vroeger en nu is dubbel:
a. de integratie (controle) wordt aanvaard in haar nieuwe vorm;
b. de integratie (controle) wordt minder en minder als dusdanig bewust ervaren.

Het negatieve denken (de dialectiek) wordt bijgevolg vervangen door het positieve denken dat een nieuwe (statische) rationaliteit vooropstel.

Deze grondstelling van het marcusiaanse universum leidt de denker ertoe zeer pessimistisch te gaan denken over de arbeidersklasse en haar revolutionair potentieel. Voor hem is de arbeidersklasse niet langer meer het subject van de geschiedenis (en de hoop van de mensheid voor het organizeren van een menswaardiger bestaan). In het voorwoord (speciaal geschreven voor de Franse uitgave van februari 1967) beweert Marcuse:

(...) la classe ouvrière (...) dans la société d’abondance est liée au système des besoins, mais non à sa négation.[2]

Waarbij hij duidelijk te kennen geeft dat de concrete taak van de omwenteling niet meer in de handen van de arbeiders ligt.[3]

Wie zal dan wel de revolutie doorzetten?

De outsiders, de paria’s, de andere rassen (dan het blanke), de geëxploiteerde (zijn de arbeiders dat dan niet?) en vervolgde klassen, de werklozen, diegenen aan wie men geen betrekking geven kan. Hun tegenstelling is negatief (zelfs als hun bewustzijn dat niet is); zij zijn de potentiële dragers van de revolutie.[4]

In 1967 verklaart Marcuse duidelijk dat hij de studenten niet beschouwt als deel uitmakende van de outsiders, dus als dragers van de revolutie:

Question: – Mais ne pensez-vous pas que justement les étudiants constituent un groupe de déclassés?

Marcuse: – Non[5]

In een referaat is hij echter weer genuanceerder. Hij meent dat de oppositie in de huidige kapitalistische maatschappij aan de twee polen te situeren is: enerzijds de onder-geprivilegieerden van de getto’s, anderzijds de geprivilegieerden (de “nieuwe arbeidersklasse” van wie hij weinig verwacht) en de studenten.[6]

Indien Marcuse dan toch te rangschikken is onder de marxistische denkers, is het wel zonderling dat hij in mei 1968 in Parijs deelnam aan een Internationaal Congres (UNESCO) over de dode Marx, terwijl hij voor de gebeurtenissen die de levende Marx naar de pen zouden doen grijpen hebben, werken en militeren, zeer weinig interesse opbracht. Wij komen daar op terug.

De “nieuwe arbeidersklasse” als alternatief

In 1963 verscheen een belangwekkend boek van Serge Mallet: La nouvelle classe ouvrière.[7] In dat werk betoogt hij dat er in het proletariaat een nieuwe laag aan het groeien is: de laag van de technici (zeer breed genomen gaande van de ingenieur tot de geschoolde arbeider van de geautomatiseerde bedrijven).

Deze arbeiders hebben een globaalvisie op het technologisch proces. Deze globaalvisie nu is een denkstructuur die ze ook kunnen toepassen op de maatschappelijke verhoudingen binnen en buiten het bedrijf (société globale).

We zijn de eersten om te bekennen dat er te weinig studies werden gepubliceerd die dit probleem aanpakken en dat het bestaan van de nieuwe arbeidersklasse, alhoewel bestaand, nog niet in een duidelijk concept werd gegoten.[8]

Maar deze sociologische ontdekking staat niet geïsoleerd en we kunnen volgende belangwekkende elementen in het maatschappelijk gebeuren constateren:

1° de arbeiders die in de geautomatiseerde bedrijven te werk gesteld zijn (of in het algemeen in moderne bedrijven) ontwikkelen een gans verschillend klassebewustzijn. De socioloog Touraine bewijst dit schitterend in La conscience ouvrière.[9] We begrijpen alleen niet goed waarom hij weigert dit arbeidsbewustzijn een klassebewustzijn te noemen. Hij doet het op basis van het feit dat de arbeiders meer bewust worden van hun plaats in de globaal-maatschappij (vroeger: van hun specifieke arbeiderssituatie). We kunnen alleen betreuren dat een socioloog van het formaat van Touraine niet schijnt te weten dat het marxistische concept van het klassebewustzijn juist dit bewustzijn van de plaats die men heeft in de globaal-maatschappij, centraal stelt;

2° de opkomst van het bedrijfssyndicalisme dat het bedrijf centraal stelt. De arbeiders strijden er voor kwantitatieve (loon-)eisen maar ook voor kwalitatieve eisen (zeggenschap, controle, organisatie van het werk);

de actie van de syndicaten wordt meer en meer politiek: de gebeurtenissen in Frankrijk schijnen in die zin te wijzen alhoewel men de doeltreffendheid van de vorm waarin deze politisering gebeurd is in twijfel kan trekken;

4° de opkomst van wat men nu eens revolutionair reformisme dan weer antikapitalistische structuurhervormingen is gaan noemen. Het revolutionair reformisme stelt de strijd in de ontwikkelde kapitalistische landen centraal. Het meent dat een revolutie (grijpen van de staatsmacht om haar te vernietigen) nu onmogelijk is en zeker niet zonder een voorafgaande reeks snel op elkaar volgende antikapitalistische structuurhervormingen die de machtsposities van de arbeidersklasse versterken.

Is zo’n strijd voor politieke (gedeeltelijke) machtsgrepen realistisch? Mallet heeft op deze vraag geantwoord in een artikel dat onlangs in de Nouvel Observateur[10] verscheen. Hij denkt dat in reeds vele Franse bedrijven de arbeiders in feite reeds de macht in handen hadden. Een echt zelfbeheer (de fabrieken draaiden) functioneerde naast de bourgeoismacht (Staat, politie).

Mallet meent dat de nieuwe arbeidersklasse de meest revolutionaire groep is (alhoewel deze groep weinig spectaculair is opgetreden):

Mais le mouvement des jeunes ouvriers n’aurait pas abouti s’il n’avait été immédiatement repris à son compte et répercuté par une autre couche “nouvelle” mais adulte, celle-là, de la classe ouvrière: celles des ouvriers professionnels moderner et des techniciens des secteurs les plus avancés de l’industrie française: électronique, aéronautique, automobile, chimie et pétrole.[11]

Is het dan verwonderlijk dat Mallet reeds in 1964 tegen Marcuse stelling nam te Korcula (Joegoslavië) en het bestaan van een klassebewustzijn in de nieuwe arbeidersklasse verdedigde?[12]

De studenten? Zijn het niet eerder de toekomstige technici en kaders dan een groep eigenlijke outsiders (in de zin die Marcuse aan dit begrip schijnt te geven)?

Wat er ook van zij de alliantie studenten-arbeiders (speciaal nieuwe arbeidersklasse) moet centraal gesteld worden wanneer we verder geloven in het revolutionair potentieel van de arbeidersklasse (er zijn feiten!) enerzijds en we anderzijds de fantastische beweging van de studenten revolutionair willen integreren.[13]

Dat de studenten als klassebewuste technici van morgen de pessimistische conclusies van Marcuse weigeren is dan ook normaal!

_______________
[1] In het Frans vertaald onder de titel L’Homme unidimensionnel en verschenen in Parijs bij de Editions de Minuit (1968).
[2] Ibid. p. 10. Marcuse meent echter dat er in Frankrijk en in Italië wel een bewuste arbeidersklasse bestaat.
[3] Ibid. p. 12. Het centraal stellen van de Verenigde Staten in de arbeidersstrategie en het (door anderen) centraal stellen van de tegenstellingen tussen de bourgeoisie en het proletariaat in de sterk geïndustrialiseerde kapitalistische landen verdient een ernstige discussie. De mei-gebeurtenissen in Frankrijk lokken twee bedenkingen uit:
a. de strijdvaardigheid der arbeidersklasse is bewezen (ook voor kwalitatieve eisen).
b. zouden de Verenigde Staten toegelaten hebben dat, in het hart van West-Europa, een machtig land socialistisch werd. Stelt zich dan het probleem niet van het omverwerpen van het kapitalisme in de Verenigde Staten zélf?
En daarbij aansluitend: is de arbeidersklasse in de Verenigde Staten werkelijk zo weinig bewust van de noodzakelijkheid van een revolutie dat elke hoop opgegeven moet worden (gesteld dat de Amerikaanse outsiders het alleen niet kunnen halen)?
[4] Ibid. p. 280.
[5] Herbert Marcuse, La fin de l’utopie, Paris, Le Seuil, 1968, p. 23.
[6] Ibid. pp. 43-44.
[7] Serge Mallet, La nouvelle classe ouvrière, Paris, Le Seuil, 1963.
[8] Naast het in nota 7 geciteerde werk:
Pierre Belleville, Une nouvelle classe ouvrière, Paris, Julliard, 1963.
Pierre Belleville et Serge Mallet, Y a-t-il une nouvelle classe ouvrière? in Documents d’Etudes et de Travail, nr. 8, septembre-octobre 1964 du Groupe Paris-Ile de France de l’Association Nationale des Directeurs et chefs de Personnel.
Serge Mallet, La nouvelle classe ouvrière et le socialisme in Revue Internationale du socialisme nr. 8, mars-avril 1965, pp. 161-184.
Frédéric Bon et Michel-Antoine Burnier, Les nouveaux intellectuels, Paris, Cujas, 1966.
Verder tamelijk uitgebreide discussie in:
Francois Vercammen, Het Neokapitalisme en de veranderingen in de Arbeidersklasse, gestencilde licenciaatsverhandeling, Gent, 1967.
Jacques Dhaenens, La théorie de la stratégie ouvrière dans “Les Temps Modernes”, gestencild doctoraal proefschrift, Paris-Nanterre, 1968.
Voor discussie over de automatie:
Pierre Naville, L’automation et le travail humain, Paris, CNRS, 1961.
Pierre Naville, Vers l’automatisme social? Problèmes du travail et de l’automation, Paris, Gallimard, 1963.
[9] Alain Touraine, La conscience ouvrière, Paris, Le Seuil, 1966.
[10] Serge Mallet, Oui, le pouvoir était à prendre! in Le Nouvel Observateur van 15-21.7.1968, pp. 4-7.
[11] Ibid. p. 5.
[12] Cfr Revue Internationale du Socialisme nr. 8, mars-avril 1965:
Herbert Marcuse, Les perspectives du socialisme dans la société industrielle développée, pp. 147-160;
Serge Mallet, La nouvelle classe ouvrière et le socialisme, pp. 161-184.
[13] Henri Lefebvre, L’irruption in L’homme et la société, nr. 8, avril-mai-juin 1968, pp. 49-99 spreekt van charnière en jonction (in de plaats van de detonator!) dat moet worden geanalyseerd (p. 84).