Jan Dhondt
Geschiedenis van de socialistische arbeidersbeweging in België
Hoofdstuk 6


De socialistische beweging
1856-1875

De in dit hoofdstuk behandelde periode (1850-1876) is nauwer verbonden met de volgende, dan met de voorgaande (vóór 1850). Rond 1850 valt er een breuk waar te nemen in een beweging, die enerzijds gedragen wordt door een grote sociale laag en die zich anderzijds in de eerste plaats uitdrukt in de werking, de organisatie en het denken van een groep militanten, hoewel we moeten opmerken dat deze breuk toch steeds relatief is.

De geschiedenis van grote bewegingen verloopt noch in een rechte lijn; we zouden het beeld eigenlijk kunnen voorstellen door een ononderbroken kronkellijn. M.a.w. een sociale beweging, uiteindelijk verbonden aan het bestaan en de vaak onbewuste streving voortspruitend uit een mensenmassa kan het best worden gezien als een tasten naar de goede weg: niemand weet aanvankelijk wat de goede weg is. Daar het leven nu eenmaal een voortgang is, tracht een gegeven sociale groep zich op een welbepaald ogenblik uit te drukken in een welbepaalde organisatievorm, een bepaalde vorm van strijd, een bepaalde ideologie en een bepaald programma van onmiddellijk na te streven verwezenlijkingen. De ene bestaande sociale tendens botst op andere sociale tendensen, en bij te grote tegenstand moet zij zich dikwijls tijdelijk terugtrekken om het later onder een nieuwe vorm opnieuw te proberen.

De rond 1850 vallende periode is juist een van die momenten. De meer burgerlijk geleide socialistische beweging, vallende tussen 1830 en 1850, dreigde in 1848 een grotere uitbreiding te nemen, doch is op de wakker geschudde waakzaamheid van de behoudsgezinden doodgelopen. De bovenstructuur van de socialistische beweging, waaronder wij de staf en de bestaande organisaties begrijpen, gingen hierbij ten onder. De nood van de arbeidersstand was echter niet opgelost. Een nieuwe, verschillend van de voorgaande bovenstructuur moest opkomen: de nieuwe vormen werden beproefd, een nieuwe staf ontwikkelde zich en dito organisaties rezen op. In dit hoofdstuk zullen we deze bovenstructuur geleidelijk behandelen. Deze vormen ontwikkelden zich heel traag. Ook deze beweging kent evenmin als de voorgaande een enkel rechtdoorlopende draad: we zullen verschillende draden zien ontstaan, die zich stilaan tot een bundeltje zullen verbinden.

Boven[1] hebben we gesproken over de diverse productiecoöperatieven die rond 1849-50 te Brussel ontstonden. We zeiden toen reeds dat deze organisaties niet louter economisch op te vatten zijn: hun stichters, socialisten, zagen in de productiecoöperatieven de oplossing van het sociale vraagstuk. Het lag niet uitsluitend in hun bedoeling dat probleem tot oplossing te brengen voor hun eigen beroepssector, dus voor eigen leden. Ze wilden tevens de ontvoogding van de arbeidersstand op brede schaal ondersteunen. Deze productiecoöperatieven verenigden zich in een verbruikerscoöperatief. La Solidarité (gesticht op 26 november 1850), die blijkbaar bedoeld was om als een soort van centrale organisatie te fungeren voor de bestaande arbeidersverenigingen, en die dus het louter coöperatieve karakter overschreed. Veel succes hebben deze pogingen op zichzelf niet, doch de vermelding diende gedaan te worden om de leidende figuren van deze ondernemingen, Nicolas Coulon, Pellering en Brismée, te vermelden, daar zij ook in de nieuwe arbeidersbeweging een hoofdrol speelden, hoe langzaam zij zich ook ontwikkelde, maar die al heel vlug een nieuwe organisatievorm kreeg bij de stichting van L’Affranchissement (21 augustus 1854).

De betekenis van deze stichting ligt nauw verbonden met de tijdsomstandigheden. Op school leerden we allen dat het in 1830 ontstane België de ‘vooruitstrevende’ staat van Europa was. Reeds zagen wij hoe in werkelijkheid die staat erg conservatief bleek. Eigenlijk gaven we daarmee een enkel aspect van het beeld: relatief gesproken, in vergelijking met de toestanden die in de overige Europese landen heersten waren enkele instellingen van ons land inderdaad vrijheidslievend te noemen. Dit geldt in het bijzonder voor een aantal ‘vrijheden’: vrijheid van propaganda, mondeling en in geschriften, om maar een voorbeeld te noemen.. Immers de wetgevers van 1830 moesten deze vrijheden met klem in de grondwet neerschrijven, om zichzelf niet in het ongelijk te stellen, daar de omwenteling van 1830 voor een deel was ontstaan uit de verontwaardiging tegen de maatregelen van koning Willem, die de vrijheid van politieke uitdrukking aan banden had gelegd. Boven reeds wezen we er ook op hoe de politie de voorvechters van de arbeiderszaak zoveel mogelijk last berokkende. Om hen werkelijk te vervolgen, moest de politie voorwendsels zoeken, daar het niet volstond opruiende taal te spreken of te schrijven om voor het gerecht gedaagd te worden. (Dit was wel het geval in Oostenrijk, Duitsland, Frankrijk, Rusland, enz.). Het gevolg van deze toestand is geweest dat, zoals men al weet, België het schuiloord werd van de uit andere landen gevluchte of verbannen revolutionairen, aanvankelijk Polen en Italianen, later dikwijls Duitsers. Ook Marx verbleef om deze reden in België, hoewel hij in 1848 uit het land werd gewezen. Deze regeringsdaad verwekte in de burgerpers veel opspraak en bezorgde veel last aan de verantwoordelijke ambtenaar. Al deze vreemdelingen, voor het grootste deel lid van de in 1847 opgerichte Association démocratique hadden in ons land weinig invloed, daar er geen onderbouw bestond die hun ideeën opnam. Vergeten we niet hoe passief de arbeidersmassa toen nog was.

Een gans nieuwe golf van vreemde revolutionairen komt in 1848-49 België binnen. Na de onderdrukking van de februari revolutie in Frankrijk moesten deze Franse inwijkelingen hun land verlaten. Laatstgenoemde revolutionairen hebben een veel grotere invloed op de vroege arbeidersbeweging ten onzet gehad. Verschillende redenen zijn hiertoe aan te wijzen: in de eerste plaats heeft de revolutie van 1848 ook bij ons een weliswaar zeer bescheiden, doch reeds voelbare bewustwording meegebracht. In absolute cijfers is dit niet uit te drukken: in ieder geval zijn er in ons land meer mensen vatbaar geworden voor de sociale propaganda dan vóór 1848. Vervolgens was er een grote mogelijkheid van toenadering tussen het verfranste België van de negentiende eeuw en die Fransen. Om kort te gaan, deze Franse bannelingen zijn een belangrijk ferment geweest voor de ontwikkeling van de sociale beweging in België.

Eigenlijk waren die Franse bannelingen een beetje wat we vandaag zouden noemen beroepsrevolutionairen, toen nogal talrijk voorkomend, en die een soort van internationale vormden. De bijna in alle landen van Europa voorkomende revoluties van 1848, ofschoon overal onderdrukt, hebben een zeker aantal mensen met dezelfde idealen bezield én over Europa verstrooid. Onderling kenden ze elkaar, zodat ook onder hen een soort van solidariteit ontstond die zich overzette op de sociale bewegingen in de diverse landen. Het is ons onmogelijk er hier verder op in te gaan: echter ook de Belgische vooruitstrevenden — daar willen wij bepaald op wijzen — hebben toen aan deze internationale solidariteit deelgenomen en diep met de revolutionairen meegevoeld, bv. met die uit Hongarije en uit Italië.

Deze internationale solidariteit verklaart waarom de nog later te bespreken ‘Eerste Internationale’ zo gemakkelijk tot stand kon komen.

De Franse bannelingen hebben hier, ideologisch gezien, veel gebracht: alle varianten van de toenmalige socialistische leerstellingen, waaronder vooral het Proudhonisme, alsmede de geëvolueerde Franse wetenschappelijke opvattingen over godsdienstige vraagstukken grijpen het Belgisch socialisme in die jaren diep aan. Wij herhalen hier nogmaals dat het antiklerikalisme — wat niet gelijk te stellen is met ongodsdienstigheid — in België veel ouder is dan 1848, en ook allesbehalve het monopoly is van de sociaal voelenden. Het nieuwe van de Franse immigranten lag er juist in dat zij en wereldbeschouwing meebrachten, waarin aan godsdienstige overwegingen geen plaats meer werd gelaten.

Zeker is deze opvatting in 1848 verre van nieuw. Het valt moeilijk voor 1848 in ons land aanhangers van deze theorie aan te wijzen, maar rond deze tijd (1850) maakt zij zich meester van de sociaal radicalen.

Het militante socialisme wordt antigodsdienstig. Aanvankelijk blijft deze opvatting beperkt tot enkele militanten; later zal ze zich parallel met de ontwikkeling van de socialistische arbeidersbeweging (ofschoon niet uitsluitend door haar werking) uitbreiden over de aanzienlijke volksmassa’s. Geen diepere en meer bewuste tegenstelling beïnvloedde ooit te voren de bevolking van ons land zo sterk. Zij is blijvend voelbaar gebleven tot vandaag toe [2]. Uitgangspunt van deze houding is de oprichting van L’Afranchissement die in de eerste plaats een vrijdenkersvereniging was [3]. Zij ontstond juist op een ogenblik van bijzonder pijnlijk aangevoelde nood: een burgerlijke begrafenis te houden. Er was geen andere mogelijkheid dan kerkelijk begraven te worden, waardoor ook de geestelijkheid meester werd over de plechtigheid en de middelen tot het begraven, als lijkwagen en rouwkleed, kon verstrekken of weigeren, wat natuurlijk veelal voorkwam bij burgerlijke begrafenissen [4]. Daar burgerlijke begrafenissen niet met een goed oog werden bekeken, werd ook het materiaal niet ter beschikking gesteld, zodat ze een onmogelijkheid werden. L’Afranchissement stelde zich als eerste doel om aan deze nood te verhelpen.

Het zou verkeerd zijn in L’Afranchissemnt uitsluitend of overwegend een vrijdenkersbeweging te zien. Gedurende de geheel hier behandelde periode is L’Afranchissemnt (of liever Les Solidaires waarover dadelijk sprake zal zijn) een soort cenakel waarin, naast en boven de diverse nadien opgekomen uitdrukkelijke socialistische organisaties, de socialistische politiek wordt geleid. Al de belangrijke leiders van de arbeidersbeweging waren er lid van, en waar in schijn het bestuur van Le Peuple, of van de Section Belge de l’Internationale (over die organisaties later) de leiding heeft, is het in werkelijkheid bij Solidaires dat de richtlijnen voor de strijd vastgelegd worden.[5]

Belangrijk is dat naast L’Afranchissemnet een nieuwe vereniging Les Solidaires is opgekomen. Van het midden van de vorige eeuw af tot vandaag toe onderscheidt men onder de socialisten duidelijk twee richtingen, die we best zouden kunnen karakteriseren met namen als ‘De Geduldigen’ en de ‘Ongeduldigen’. De geduldigen willen geleidelijk een sterke organisatie opbouwen om daarna het socialisme te verwezenlijken. De ongeduldigen daarentegen willen onverwijld tot de actie overgaan. Men kan eindeloos twisten wie van beiden gelijk heeft: in zekere mate hebben ze alle twee gelijk en ongelijk. Natuurlijk is het waar dat zonder solide organisatie men niet ver komt, maar aan de andere kant gaat het ook op dat men aarzelt een moeizaam opgebouwde organisatie in de strijd te wagen, omdat men goed beseft hoeveel werk het heeft gekost om deze op te bouwen. Men meent vaak dat de organisatie nimmer sterk genoeg kan zijn en men gaat zolang voort haar te verbeteren dat men uiteindelijk het oorspronkelijk doel geheel uit het oog heeft verloren. Anderzijds is het evident de niet voorbereide strijd kostelijke en in vele gevallen nutteloze offers vergt, al dwingt de historische waarheid te erkennen, dat tijdens de periode 1880 en 1900 en zelfs later alleen voorbereide, dure en op zichzelf bekeken, mislukte acties de grote overwinningen voor de arbeidersklasse hebben meegebracht. Moeilijk valt het dus te zeggen welke strategie voor de arbeidersstrijd aanbevolen moet worden. Aangezien een doorslaggevend bewijs ten gunste van de een of andere richting niet te geven valt, zullen er altijd voorstanders zijn van de ene en van de andere opvatting. Persoonlijk temperament bepaalt tenslotte de keuze. L’Afranchissement was tussen 1854 en 1857 de enige bestaande organisatie en zetel van de ongeduldigen, terwijl de op 29 juli 1857 gestichte Les Solidaires, die zich van de vorige organisatie heeft afgescheurd, de zetel van de geduldigen werd. Doorheen de hier behandelde periodes zullen beide tendensen van het toenmalige socialisme in twee kringen georganiseerd worden. Stichters van L’Afranchissemnt zijn de reeds vermelde Coulon, Brismée en Pellering. Naast hen telde de vereniging enkele mindere figuren uit de vorige periode en enkele vooraanstaande figuren uit de allereerste jaren waaronder De Potter. Buiten hen vinden we ook enkele Fransen en een aantal studenten. Weinig radicalen van alle aard (ook hen die deel uitmaken van de burgerij erbij geteld) maakten geen deel uit van deze vereniging. De burgerlijke aanhang moet ten dele worden verklaard door het uitgesproken rationalisme dat in deze vereniging werd gehuldigd. Louter antiklerikale burgers — waaronder Verhaegen, stichter van de Brusselse universiteit — werden door het wijsgerig aspect van deze vereniging aangetrokken. Ogenblikkelijk na de vervolgingen van 1848-49 kwam de arbeidersbeweging moeilijk op adem: beide tendensen dienden samen te werken. Wanneer rond 1857 de actie een wijdere weerklank vond, kwamen ook de tegenstellingen scherper tot uiting. Dit was te meer onvermijdelijk omdat Le Prolétaire, het blad dat de spreekbuis was van L’Afranchissement, geheel in handen was van de leider van de ongeduldigen Coulon en met uiterste scherpte slechts één van beide tendensen aan het woord liet. De breuk tussen beide groepen vond zijn oorzaak in een belangrijke principiële vraag.

De geduldigen, onder leiding van Brismée, wilden logischerwijze de vereniging tot meer dan een zuivere vrijdenkersvereniging uitbouwen, door er een mutualiteit van te maken. Men beschouwde een mutualiteit als een der meest geschikte vormen van socialistische organisatie. De ongeduldigen waren tegen mutualiteiten en coöperatieven gekant, omdat zij aanvoerden dat wel enkelingen (de leden) hun lotsverbetering konden verkrijgen, maar dat juist hierdoor verhinderd werd dat zij nog al hun krachten aan de sociale strijd zouden wijden, vermits hun eigen lot beter werd. De tegenstelling is duidelijk: geen verbeteringen voor enkelingen, maar ineens voor de gehele arbeidersstand, zegt Coulon. Neen, antwoordde Brismée, organisatie voor de arbeiders moet beginnen met enkelen om geleidelijk allen te bereiken. Deze laatste sloot zich tegen Le Prolétaire van Coulon aan bij een burgerlijk radicaal blad Le Drapeau. De strijd ontbrandde in alle hevigheid en eindigde slechts toen Brismée voorstelde van L’Afranchissement een mutualiteit te maken. De meerderheid der leden sprak zich hiertegen uit, waarop Brismée met zijn partijgangers een scheuring verwekte en Les Socialistes oprichtte.

1857 is een belangrijk jaar: ook in andere middens grepen voorname veranderingen plaats. In die jaren kwamen arbeidersverenigingen en bonden van arbeidersverenigingen tot stand. Het eerste teken van heropflakkeren vindt men te Gent. De Gentse textielarbeiders hebben een merkwaardig voorbeeld gegeven van vroege strijdvaardigheid: in de Franse tijd poogden zij, als eersten, fabrieksarbeiderorganisaties op te richten, in 1849 ondernamen zij de eerste georganiseerde staking uit onze arbeidersgeschiedenis en in 1857 stichtten zij de eerste fabrieksarbeidersyndicaten van ons land.

Hun organisaties kregen de naam van Broederlijke Maatschappijen der Wevers van Gent en de Maatschappij der noodlijdende Broeders (spinners)[6]. Beide maatschappijen namen de schijn aan van mutualiteiten. Het ging hier echter wel bepaald om strijdorganisaties. Achter de vele stakingen die sedertdien te Gent uitbraken, vinden we steeds de werking van de syndicaten terug.

Vandaag lijkt ons de oprichting van dergelijke verenigingen ietwat banaal. Vergeten we niet dat er vroeger niets bestond. Plotseling komen syndicaten op, die de arbeiders van alle fabrieken poogden te organiseren. De inrichters van deze verenigingen waren ongetwijfeld mensen van uitzonderlijk formaat. Voor een gedeelte bestonden zij uit intellectuelen: de jonggestorven Moyson en de nog vroeger overleden Dufranne. Na hen vinden wij arbeiders: Bilen en De Ridder. Het moet niet gezegd worden dat deze dadelijk gebroodroofd werden en hoeveel keren zij met de gevangenis in aanraking kwamen valt bijna niet te tellen.

Pijnlijker moet het zijn geweest dat zij door hun medearbeiders gewantrouwd werden. Wie niets doet kan niets verkeerds doen. Bilen en De Ridder ‘deden’ iets, vergisten zich soms en kregen het dan des te meer van hun medearbeiders te verduren. De Gentse arbeiders mogen met reusachtige trots op die mannen, wier naam bijna vergeten is, terugkijken.

1857 is een jaar van economische crisis, wat wellicht verklaart dat ook buiten het Gentse heel wat over de arbeidersbeweging aan te stippen valt. Te Brussel komt in datzelfde jaar de Association Générale Ouvrière tot stand. Deze organisatie verenigt een aantal mutualiteiten uit de ambachtswereld,[7] en streeft er tevens naar vakverenigingen te stichten in sectoren waar deze nog niet bestaan.

Het belang van dit laatste is duidelijk: in de ambachtswereld verandert er iets. Waar de ‘beurzen’, zoals boven reeds werd verklaard, zich voorheen ver hielden van al wat niet strikt tot het eigen ambacht behoorde en, wanneer zij zich met de werkvoorwaarden inlieten het uitsluitend uit eng egoïstisch beweegredenen deden en helemaal niet uit klassenbewustzijn, kwam er hier dus duidelijk een verbreding van de horizon. Dit bleef niet beperkt tot Brussel; ook te Gent ontmoette men hetzelfde verschijnsel: verschillende ambachtsverenigingen richtten samen met twee fabrieksarbeidersyndicaten het Werkverbond op. Zij zochten contact met de Brusselse ambachtsverenigingen en zelfs was er sprake om een algemene bond te stichten. Achter deze pogingen zat de drijvende geest van Moyson maar ook, vanzelfsprekend, het ontwakende bewustzijn van de arbeiders.

Antwerpen volgde in 1862 met de stichting van de Algemene Werkersbond, die het blad Het Werkmansregt verspreidde.[8] Dit Antwerpse verbond is eigenlijk een coöperatieve van verbruik en niet een politiek bedoelde beweging. In zeer gematigde termen, daar het eerder een liberaal dan een socialistisch getinte organisatie was, kwam zij op voor de belangen van de arbeiders. Een slecht bekende poging werd in 1862 in het werk gesteld, om de arbeiders uit de Borinage en de streek van Charleroi te organiseren in verenigingen, die tegelijk verbruikerscoöperatieven en strijdverenigingen moesten wezen. In diezelfde periode kwamen een aantal nieuwe beurzen in het Brusselse en het Gentse tot stand of kregen zij een nieuw leven.

Belangrijker nog is wel, dat de Brusselse Association Générale zowel als de Gentse Werkersbond een actie inzetten om de afschaffing te bekomen van het verbod op de ‘samenspanningen’. De wet tegen de samenspanningen bleek een grote hinderpaal voor elke beroepsactie te zijn, nog meer dan zij het was voor een politiek optreden. Zelf de meest egoïstisch gezinde beroepsvereniging kon met dit strijdprogramma instemmen. Desondanks is het een gewichtig en nieuw feit dat hier een gecoördineerde actie op het terrein van de wetgeving werd ondernomen!

Alles tezamen genomen krijgt men duidelijk de indruk dat het arbeidersbewustzijn zich in deze jaren voor het eerst definitief ging ontwikkelen. We mogen niet overdrijven, omdat het nog maar een heel beperkt percentage van de arbeiders betrof. De leiding of aansporing van en tot organisatie berustte voor een deel bij intellectuelen, die uitsluitend van burgerlijke afkomst waren. Van geheel die beweging schoot er weldra niet veel meer over. Een sociale beweging is echter een stroom, die soms droog staat maar die, na elke regenperiode, een diepere bedding krijgt. We zijn sterk geneigd om in de bewegingen van 1848 een eerste golf te zien en in die van 1857-1862 een tweede, waarna met de Internationale een nieuw getij opkwam.

Indien wij pogen een kleine balans op te maken van de toestand rond 1860, dan krijgen we het volgende beeld: voor het grootste deel van het land, in geheel het Waalse gebied o.m. is er nog maar weinig sprake van arbeidersbeweging noch van arbeidersorganisatie. Dit betekent nog niet dat arbeidersstrijd daar niet voorkwam. Stakingen zijn daar niet ongewoon geweest[9]: ze hebben echter het aspect van ongeorganiseerde spontaan uitbrekende bewegingen, die zelden positieve resultaten afwierpen.

In de steden (meer in die van Vlaanderen dan in die van Wallonië) bestonden er een groter of kleiner aantal ‘beurzen’ of ambachtsmutualiteiten.

Te Gent kwamen enkele syndicaten van fabrieksarbeiders voor terwijl te Gent en te Brussel verschillende mutualiteiten samenwerken.[10] De door de arbeiders en hun vrienden gebruikte wapens waren enerzijds de staking, zeer algemeen bekend, en anderzijds de productiecoöperatieven. Deze die in Brussel rond 1850 werd ontworpen liep op een financiële mislukking uit, met het gevolg dat men meer en meer greep naar de gemakkelijker te organiseren verbruikscoöperatief.

Het politieke denken over de oplossing van het arbeidersprobleem was bijna geheel te Brussel geconcentreerd, terwijl men te Gent Moyson en zijn jong gestorven vriend Dufranne dient aan te wijzen. Ongetwijfeld stonden rond hen nog een paar mensen die zich het arbeidersprobleem in zijn geheel stelden: waarschijnlijk was dit het geval met de leiders van de spinners en wevers, Bilen en De Ridder. Ver zal dit wel niet gereikt hebben: Bilen bv. kon niet lezen.

Naast de reeds boven besproken twee groeperingen te Brussel, kende men in deze stad nog een derde kern: een aantal burgerlijke intellectuelen kwam in beperkte kring bij elkaar en besprak de sociale verbeteringen. Dit gaf aanleiding tot de stichting van de groep Liberté (dat ook de titel van het blad was dat zij uitgaven). In deze groep kwam men enkele bekende namen tegen: Hector Denis, Degreef, Victor Arnould .[11] Aanvankelijk telde die groep tegelijkertijd radicale liberalen en socialisten: de eerste zullen na enkele jaren de groep verlaten, waardoor La Liberté helemaal socialistisch werd. Met de arbeiders had die groep geen contact.

Van de drie Brusselse groepen waren De Solidairen ongetwijfeld de belangrijksten. Zeker hebben leden van beide andere groepen op verschillende ogenblikken meegewerkt met de bredere socialistische bewegingen waarvan de ontwikkeling weldra door ons geschetst zal worden. De Solidairen hebben bestendig door geheel de hier behandelde periode de leiding.

In 1860 deed zich een nieuw belangrijk feit voor: de stichting van Le Peuple. In feite werd deze vereniging gesticht door een aantal figuren uit Solidaires. Het verschil ligt hierin dat de Solidaires in de eerste plaats een vrijdenkersvereniging is geworden, terwijl Le Peuple een politieke, socialistische organisatie bleek te zijn. De leiding lag in beide verenigingen in de dezelfde handen, nl. de letterzetter Brismée, de handelsreiziger Steens, professor Hins, de scheikundige Esselens (wegens complot in 1849 tot een lange gevangenisstraf veroordeeld, Prosper Voglet (de blinde dichter) en Laurent Verrycken. Spoedig echter werd de meest vooraanstaande figuur in Le Peuple César de Paepe. De Paepe, wel de edelste figuur uit de socialistische beweging van België en tevens haar grootste denker, was afkomstig uit de middenstand en moest, wegens het vroege afsterven van zijn vader, als letterzetter aan de kost komen, doch studeerde tegelijkertijd in de medicijnen. Zijn gehele, korte leven is gewijd geweest enerzijds aan de arbeiderszaak, anderzijds aan het verstrekken van gratis geneeskundige zorgen aan de armste bevolkingslaag in Brussel. Het voornaamste aspect van César de Paepe ligt wel in zijn uitdiepen van de socialistische idee; zijn opvattingen doordringen tenslotte de Internationale (niet alleen in België, maar door heel de Europese arbeiderswereld heen).

Aanvankelijk was Le Peuple een nietige vereniging van enkele vrienden militanten. Weliswaar ontstond zij op het ogenblik dat er schijnbaar van een ontplooiing van de arbeidersorganisatie sprake kon zijn, doch rond 1862, onder druk van de economische crisis die vooral te Gent woedde, ging dit bijna overal verloren. Bovendien ontstond onder de vrijdenkers, op het moment de meest solide basis voor de arbeidersbeweging, een splitsing teweeg gebracht door een afzonderlijke organisatie van de burgerlijke elementen, die in 1863 Les Affranchis verlieten en zich verenigden in La Libre Pensée. Naast een bepaald sociaal gerichte vrijdenkersvereniging, kwam toen ook een liberaliserende organisatie tot stand. Anderzijds bleef de tegenstelling tussen de twee tendensen, die de arbeidersgezinden verdeelden, ‘de geduldigen’ en ‘de ongeduldigen’, duren. De leiders van de Affranchis en van de ‘ongeduldigen’, Coulon richt tegen Le Peuple een concurrerende vereniging op nl. Le Cercle Populaire.

In 1864 werd te Londen de Internationale (Internationale Associatie van Arbeiders) opgericht. Hun onmiddellijke streven lag in een groepering van de arbeiders om gezamenlijk het doel van de arbeidersverenigingen te verwezenlijken en uit te maken welke tactiek moest worden toegepast. Bovendien wilde deze vereniging de arbeidersklasse bewust maken door haar duidelijk de problemen te laten zien en de oplossingen aan te wijzen.

Pas in de loop van 1865 drong de Internationale België binnen, en wel in die zin dat het blad Le Peuple dat onder de naam La Tribune du Peuple verscheen, op 28 augustus 1865 de stichting van een Belgische afdeling van de Internationale aankondigde. Aanvankelijk werd deze Belgische afdeling aangezien als afhankelijk van Le Peuple, doch weldra slorpte zij Le Peuple op wat er dan op neerkomt, dat deze afdeling de eerste sectie van de Internationale in België werd.

Een onmiddellijke weerslag had de Internationale in ons land niet op de arbeidersbeweging. Dezelfde mensen in dezelfde kringen gingen verder in dezelfde bladen te redetwisten over de problemen van het socialisme, nog steeds doordrongen van de opvattingen van Proudhon, doch economische omstandigheden dwongen hen tot nauwere contacten met de dagelijkse problemen van de dagelijkse strijd.

1866-67 kenmerkte zich weer door een economische crisis: de lonen daalden, de werkloosheid steeg, terwijl de prijzen van de voedingswaren tot het hoogste punt van de negentiende eeuw klommen. Hierbij kwam nog de ramp, dat de Belgische metaalnijverheid sedert 1866 de goedkopere Duitse steenkool gebruikte, waardoor de afzet van de Belgische steenkool moeilijker werd. Alles bij elkaar werd de toestand van de Belgische arbeider en inzonderheid die van de mijnwerker veel slechter dan voorheen.

Geheel buiten de werking van Le Peuple of van andere socialistische kringen braken geweldige stakingen onder de mijnwerkers uit. Het leger greep in en schoot een aantal stakers neer. Een treurige vermaardheid heeft de afschuwelijke schietpartij van de mijn van Lépine in 1868 tot heden bewaard. Opvallend is namelijk dat de stakingen, zelfs wanneer ze met bloedvergieten gepaard gingen, helemaal niet de aandacht van de openbare mening trokken. Zelfs in de Henegouwse bladen werd er bijna niet over gesproken. De moordpartij van Lépine schudde echter tezelfdertijd de burgerij en de arbeiders wakker. Plots ontdekte de burgerij de Internationale na haar volledig in de voorbijgaande jaren genegeerd te hebben. Van het ene naar het andere uiterste overgaande overschatte de burgerij de invloed van de Internationale en schreef haar alle uitingen van arbeidersontevredenheid toe. De militanten van Le Peuple gaven zich op dat ogenblik juist rekenschap van de stootkracht die van de arbeidersmassa uitging. Ogenblikkelijk na de bloedige incidenten kwamen de militanten afgezakt naar de getroffen streek en organiseerden hun eerste grote meeting en organisatiekampen onder de arbeiders, en in het bijzonder voor de mijnwerkers.

Ongetwijfeld klinkt het vreemd dat zij voorheen geen aandacht aan die actie hadden geschonken. We kunnen het gemakkelijk verklaren. Ze stonden onder invloed van Proudhon die de staking afkeurde. Net zoals sedertdien en tot heden toe de burgerpartij, verklaarde Proudhon, dat een staking voor loonsverhoging zinloos was, daar een eventuele verhoging van het arbeidsloon geïncorporeerd werd in een prijsstijging van het voortgebrachte product. De arbeiders moesten dus voor een hoger loon hogere prijzen betalen. Doordrongen van deze opvattingen meenden de socialisten van Le Peuple en a fortiori die van La Liberté vooral de arbeiders in productie- en verbruikerscoöperatieven alsmede in mutualiteiten te moeten verenigen, doch niet in weerstandskassen of syndicaten. Zij wilden dus de arbeidersstand geleidelijke helemaal organiseren in deze economische verenigingen om hen na enige tijd volledig vrij te maken van de kapitalistische productiewijze en om aldus, zonder enige slag of stoot, de andere standen ter zijde te schuiven. Zelfs de ‘ongeduldigen’ — die immers niet wilden horen van een geleidelijke organisatie — waren tegen de staking gekant omdat men daardoor slechts een plaatselijke, dus beperkte vermindering kon bekomen van de uitbuiting, waardoor voor een beperkte actie de krachten werden verspild, die eigenlijk voor de ene grote revolutie moesten gespaard worden.

De bloedige stakingen van 1868 verbrijzelden dit beeld met één slag. De socialistische leiders — die in de loop der jaren toch wel moesten inzien hoe zwak en beperkt hun macht bleef — begrepen dan dat een in een goede organisatie gecoördineerde wil tot actie van de arbeiders heel wat grotere toekomstmogelijkheden bood dan hun op losse schroeven staande plannen. Hun oude plannen gaven zij niet op, maar in hun werk lieten ze meer ruimte over aan de leiding van de alledaagse strijd en aan de organisatie van de arbeiders in weerstandsverenigingen.

Vanaf dit ogenblik breidde de macht en werking van de Internationale zich zeer snel uit.

We beschouwen nu even de verschillende centra van de arbeidersbeweging.[12]

Te Brussel bestond er reeds een afdeling van de Internationale, met daarnaast een Association Générale, die enkele vakmutualiteiten groepeerde. Het moge vreemd lijken dat de Internationale haar invloed niet in en boven de Association Générale en de ervan afhangende mutualiteiten uitbreidde. De reden is eenvoudig: de bij de Association Générale aangesloten beroepsmutualiteiten waren rijke, zeer gesloten ambachtsverenigingen, die wegens de hoge specialisatie van het ambacht en de langdurige leertijd er nog steeds in slaagden gunstige werkvoorwaarden te behouden. Tezelfdertijd echter werden te Brussel een tiental nieuwe beroepsverenigingen gesticht, ofwel werden oude organisaties nieuw leven ingeblazen.

Vaak ontstonden deze verenigingen onder impuls van actieve leden van de Internationale, waardoor zij zich meestal bij de Internationale aansloten. Soms zijn het coöperatieven (bakkersknechten en schilders), soms mutualiteiten (timmerlui, schrijnwerkers, huidververs, marmerbewerkers, schoenmakers, mechanici, mouleurs, kleermakers).

Wijzen we er even op dat deze nieuwe verenigingen wat hun organisatievorm betreft niet verschilden van de oude ‘beurzen’. Het zijn mutualiteiten die ook beogen het aantal leerjongens in het vak te beperken, waardoor ze het monopolie van het ambacht trachten te behouden. Wel verschillen ze van de vroegere beurzen door er openlijk voor uit te komen dat ze de strijd voerden ter verdediging van hun loon. Naast Brussel was Gent het belangrijkste centrum van de arbeidersactie. Een grote mislukte staking gevolgd door de grote crisis van 1862 hebben daar aanvankelijk de arbeidersorganisaties praktisch ten gronde gericht. Vergeten we niet dat in 1860 de vereniging der metaalbewerkers 600 leden telde, de Broederlijke Wevers 166 en de spinnervereniging 800. De vereniging der metaalbewerkers viel geheel weg, de spinnervereniging behield nog twee leden, de Broederlijke Wevers verloor het grootste deel van zijn aangeslotenen. Natuurlijk ging dit gepaard met twist en wantrouwen.

De Broederlijke Wevers waren geen radicalen. Enkele meer ontwikkelde leden van deze groep voerden aan dat de arbeidersactie geen loonsverdediging kon blijven volhouden door uitsluitend gebruik te maken van stakingen. Deze intelligentere arbeiders maakten deel uit van het leesgezelschap dat in de schoot van die vereniging bestond, en dat de kern werd van de radicale arbeiders. De evolutie zette zich logisch verder: de weversvereniging viel uiteen in twee delen, een gematigde richting en een meer vooruitstrevende vereniging, Vooruit, onder leiding van Karel de Boos. Vooruit werd op 1 november 1865 opgericht en nam de vorm aan van een mutualiteit, een weerstandskas, een spaarkas en een coöperatie (bakkerij). Stellig mag men hier nog niet spreken van een socialistische vereniging. Dit blijkt voldoende uit de schenkingen die de vereniging voor wat haar bibliotheek althans betreft herhaaldelijk kreeg van de staat en van de stad, toentertijd beide liberaal.

Pas in 1868 komt men te Gent de invloed van de Internationale tegen. Het derde algemene congres van de Internationale ging te Brussel door in juli 1868. Vier Gentse afgevaardigden woonden dat congres bij (de vlasbewerker Vanschaftingen, de kleermaker Potelsberg, de wever Seranne en de onderwijze Teirlick). Waarschijnlijk greep de eerste propagandameeting van de Internationale te Gent plaats op 11 oktober 1868, waarna de eerste Gentse afdeling van de Internationale werd gesticht: 18 leden traden toe, waaronder men slechts vijf fabrieksarbeiders aantreft, terwijl de overigen ambachtslui waren. Nog in 1868 traden de weversmaatschappijen Vooruit en de Broederlijke Wevers toe.

Op het ogenblik dat te Gent een afdeling van de Internationale tot stand kwam, overleed de man die zoveel voor de Gentse arbeiders had gedaan: Emile Moyson (1 december 1868).

In dezelfde tijd, namelijk op 25 oktober 1868, verscheen het eerste nummer van het orgaan der Vlaamse afdelingen van de Internationale te Antwerpen De Werker.

Te Antwerpen bestonden er eveneens in de eerste helft der negentiende eeuw een aantal beurzen (mutualiteiten). Wij zeiden reeds hoe men daar in mei 1862 een stap verder ging toen de afgevaardigden van de verschillende beurzen een Algemene Werkmansbond oprichtten die weldra 600 leden telde en een eigen blad Het Werkmansregt uitgaf. Het Werkmansregt komt op voor de arbeiderszaak, ofschoon in vrij gematigde termen. Pas in 1867 treft men het eerste spoor van het socialisme te Antwerpen aan, wanneer Coenen, schoenmaker van beroep, het Volksverbond stichtte. Coenen meende dat de actie van de Werkmansbond veel te gematigd was. Hij eiste het algemeen stemrecht op en onder invloed van Proudhon tevens een kamer van volksvertegenwoordigers waar geen ‘kapitalistenkiezers’ — naar eigen uitdrukking — in konden zetelen. Ter verdediging van deze gedachte had hij het Volksverbond opgericht, dat in zijn beginperiode niets met de Internationale te zien had. Reeds vrij spoedig kwam Coenen in contact met de Brusselse Internationalisten, zodat we in 1868 al het Volksverbond bij de Internationale zien aansluiten waardoor ook Antwerpen zijn afdeling bezat.

Tot heden toe spreken wij weinig over het Luikse. Opvallend voor een groot industrieel gebied kwam hier de arbeidersbeweging laat op. Het sterkst uitte deze zich niet in de Luikse metaal- en steenkoolnijverheid, maar in de wolnijverheid van Verviers [13]. Aldaar kwam in 1868 onder Proudhonistische invloed een machtige beweging tot stand, Les Francs Ouvriers die een der belangrijkste bladen van de Internationale uitgaven, Le Mirbeau. Deze groep sloot zich onmiddellijk bij de Internationale aan: door de toetreding van deze arbeiders verdubbelde het ledenaantal van de Belgische Internationale in een keer, wat wel op de macht wijst van Les Francs Ouvriers.

Ogenblikkelijk kwamen een aantal weerstandskassen tot stand met daarnaast een aantal afdelingen van de Internationale: van het begin af had de arbeidersbeweging rond Verviers het zonderlinge kenmerk te versplinteren in een oneindig aantal kleine groeperingen. De wolbewerkers van Verviers alleen organiseerden zich in zoveel weerstandskassen als er onderdelen waren bij de wolweverij. Iedere omliggende gemeente kreeg haar eigen weerstandskas voor de wolnijverheid, terwijl er bijna evenveel afdelingen van de Internationale waren als er gemeenten bestonden.

Voor het Luikse centrum zelf ziet men er een voor de stad Luik en een te Seraing tot stand komen. De laatste bevat vooral werkers uit de metaal- en bouwnijverheid. Henegouwen is veel belangrijker gebleken. Henegouwen dient uit economisch oogpunt in drie gebieden verdeeld te worden: in het westen de bijna uitsluitend van steenkool levende Borinage; in het oosten de streek van Charleroi, waar naast de steenkool ook de metaal- en de glasnijverheid belangrijk was; in het midden, rond La Louvière, het ‘Centrum’ met de steenkool- en metaalnijverheid.

Voor 1860 schijnt er in Henegouwen geen georganiseerde arbeidersbeweging geweest te zijn.[14]

In 1862 treft men de eerste organisatiepogingen aan, onder de invloed van Le Peuple uit Brussel: te Montigny-sur-Sambre kwam een vereniging naar voren, die naast een verbruikerscoöperatief ook de rol van weerstandskas wilde spelen. De vereniging rond Charleroi betrof vooral mijnwerkers en nam de naam aan van La Solidarité des ouvriers houilleurs du Bassin de Charleroi. Haar doelstelling ging vooral naar politieke propaganda en verspreiding van het onderwijs. Veel verder dan de eerste besprekingen schijnt de zaak niet gegaan te zijn: na enkele maanden hoorde men er niets meer van. Ook al organiseerden de arbeiders zich niet, zij bewezen toch hun strijdvaardigheid. Een aantal belangrijke stakingen, die dikwijls uitliepen op botsingen met het leger en verschillende doden tot gevolg hadden, grepen daar plaats. Daarom dacht de Internationale te Brussel eraan deze arbeiders te organiseren. Op 10 mei 1868 werd te Charleroi een afdeling van de Internationale opgericht, vanuit Brussel gesteund door een intense meetingcampagne (120 meetings tussen 27 mei en eind december 1868).

In de Borinage begon de actie in augustus 1868 en ook hier deden de meetings hun werk. Evenals te Charleroi voerden bijna uitsluitend de leden van de Brusselse afdeling het woord. Het Centrum komt niet voor februari 1868 aan de beurt.

Natuurlijk waren de meetings niet het voornaamste doel, men wilde afdelingen stichten. Na een meeting verzocht men de toehoorders toe te treden. Onmiddellijk stelde men een comité samen, dat een algemene ledenvergadering moest oproepen. Het succes liet niet lang op zich wachten: in de streek van Charleroi kwamen er 42 afdelingen tot stand, in de Borinage 10, in het Centrum 7.

De organisatie verliep niet van een leien dakje: de niet aan het verenigingsleven gewoon zijnde arbeiders zullen wel niet erg stipt geweest zijn in het betalen van hun bijdrage, het bijwonen van vergaderingen en het meeleven met de beweging, terwijl ook persoonlijke na-ijver geen kleine hinderpaal was. Het blijkt wel dat de bedragen, die aan Brussel moesten worden afgedragen, zelden betaald zijn geweest.

De onderlinge betrekkingen van de in federaties gegroepeerde afdelingen verliepen waarschijnlijk niet al te vlot.

De organisatie te Henegouwen bezat een totaal ander karakter dan te Brussel of in het Vlaamse land. Hier ging het niet om het bundelen van reeds bestaande beurzen, van verenigingen op beroepsbasis; de groepering geschiedde er geografisch. Zeker bood de grote economische homogeniteit in Henegouwen, en bijzonder in de Borinage, aan de daar bestaande afdelingen een zeker beroepsuitzicht: de mijnwerkers bezaten het grote overwicht.

Waarom echter organiseerden de Henegouwse arbeiders zich? Ongetwijfeld gedeeltelijk met het oog op stakingen, ofschoon de kas van de afdelingen bij stakingen niet tussenkwam. Het grote doel blijkt het oprichten van verbruikerscoöperatieven geweest te zijn. Sedert 1868 kwamen deze laatste in grote getale tot stand, dank zij de gelden van die afdelingen.

Om iets uitvoeriger op de Internationale in België terug te komen, vertrekken wij eerst van een vast gegeven: de organisatie telde rond 1870 bij ons ongeveer 70.000 leden. Er dient echter voor gewaarschuwd te worden dat dit cijfer niet al te letterlijk genomen moet worden. Onder deze leden dient men al degenen te tellen, die lid waren van een of andere aangesloten vereniging. Velen onder hen zullen ongetwijfeld snel passief zijn geworden, of verzonken terug in de anonimiteit bij de ondergang van hun beroepsvereniging. De grote verandering tegenover vroeger lag hierin, dat in tegenstelling met voorbije organisaties meer dan enkele honderdtallen, hoe vaag en primitief ook, in contact zijn met leidende ideeën.

Hoe is de Internationale in ons land georganiseerd?
Aan de basis liggen de afdelingen (section). De afdeling heeft een geografische basis (een gemeente of een groep gemeenten) en telt individuele leden, die ofwel persoonlijk zijn aangesloten, ofwel deel uitmaken van een vereniging die in blok is aangesloten.[15] Boven de afdeling staat de federatie. Deze groepeerde een aantal basisafdelingen en werd bestuurd door een federale raad. Hierin zetelden de afgevaardigden van de afdelingen of de in blok aangesloten verenigingen.

Een centrale raad stond boven de federaties. Aanvankelijk was dit eenvoudig de raad van de Brusselse afdeling (te Brussel was de afdeling tegelijk de federatie, aangezien er daar eigenlijk geen geografische afdelingen, maar wel een aantal Brusselse beroepsverenigingen aan de basis lagen). Het is gemakkelijk te begrijpen dat de Brusselse afdeling in de Internationale een grote rol speelde door haar buitengewone activiteit in de Internationale. De aanvaarding dat de Brusselse federale raad als centrale raad zou fungeren, dateert van 1868. Zij moest enerzijds de betrekkingen met de verschillende binnenlandse federaties onderhouden en anderzijds met de centrale raad van de Internationale te Londen. Reeds op het Belgisch congres der Internationale, Kerstmis 1868, werd theoretisch aan die toestand een einde gesteld en wel in die zin dat een eigenlijke Algemene Raad voor België werd opgericht. We zegden theoretisch, maar in werkelijkheid bestond de nieuwe Nationale Raad uitsluitend uit Brusselaars.

De inrichtingsbasis was de volgende: iedere bepaalde afdeling stond in betrekking met een bepaald lid van de centrale raad. Daar de afgevaardigde van ieder afdeling die met de centrale raad betrekkingen onderhield niet door zijn afdeling verkozen werd doch aangeduid op het zesmaandelijks congres van de Belgische Internationale, blijkt duidelijk dat de zelfstandigheid van de afzonderlijke secties heel beperkt was. Dit verklaart dan ook de ontevredenheid over de getroffen regeling die weldra tot uiting kwam. Reeds op het congres van Pinksteren 1869 werd op voorstel van de afdeling Seraing beslist dat de afzonderlijke afdelingen rechtstreeks met elkaar betrekkingen mochten onderhouden zonder over de centrale raad heen te moeten gaan. Dit laatste is niet van belang ontbloot: het betekende de eerste stap naar de antihiërarchische oplossing door de Rus Bakoenin ingegeven, die tenslotte zegevierde en waardoor geen centraal bestuur meer bestond, doch slechts een aantal naast elkaar staande afdelingen.

We hebben reeds een paar maal gewag gemaakt van de zesmaandelijkse congressen. Dit was de hoogste instantie van de Belgische Internationale. Daar werden de algemene richtlijnen bespoken, zoals ook, op een hoger plan, op het algemeen congres, van geheel de Internationale in de wereld, dat meestal jaarlijks congresseerde. De Algemene Raad van de Internationale telde onder zijn leden o.m. Eugène Hins, César de Paepe, Louis Callewaert (voor de betrekkingen met Antwerpen), Henri Delplancke (voor de betrekkingen met Gent en Brugge), Laurent Verreycken, Eugeen Steens en Désiré Brismée.

Dit zijn praktisch allen leden van Le Peuple en Les Solidaires, waardoor nog eens duidelijk de grote rol van deze laatste vereniging tot uiting komt. De algemene politiek van de Internationale is minder eenvoudig geweest. In België veranderden de opvattingen in de loop der jaren onder invloed van de Internationale in de brede zin van het woord genomen, terwijl omgekeerd de Belgische Internationale haar opvattingen ingang kan doen vinden bij de gehele Internationale.

Aanvankelijk stond Le Peuple zeer sterk onder invloed van Porudhon. Deze beheerste onbetwist tot in 1866. Hij werd verdrongen door César de Paepe, die onder invloed van de eerste Belgische theoreticus van het socialisme, baron de Colins, en waarschijnlijk ook onder Marx’ invloed, geleidelijk het ‘collectivisme’ opbouwde en na enige tijd kon laten aanvaarden eerst door de Belgische en nadien ook door de algemene Internationale.

Aanvankelijk zag men de toekomst van de maatschappij onder de vorm van een aantal op te richten ‘communes’ die onderling banden aanknoopten, zonder echter een staat boven zich te hebben. Om dit voor te bereiden meende men zoveel mogelijk arbeidersverenigingen op te moeten bouwen, vooral coöperatieven; stakingen bleven uit den boze. Het geleidelijk verenigen van de arbeiders in hun eigen verenigingen zou hen onttrekken aan de uitbuiting, waardoor de staat uitgeschakeld zou worden. Men wil dus geen eigenlijke revolutie, in de zin die men daar gewoonlijk aan geeft. De Paepe alleen was het met dit laatste niet eens. In de beroemde rede door hem te Patignies in 1863 uitgesproken, en die lang gegolden heeft als het basisprogramma van de beweging, sprak hij wel van een gewelddadige revolutie.

In het begin wilde Le Peuple van geen publieke actie weten, wat inhield dat geen actie langs het parlement om de sociale toestanden zou wijzigen. In werkelijkheid deed het dan toch mee met pogingen, o.m. van de links liberalen en de burgerlijke socialisten, strekkend tot het bekomen van de afschaffing van de wet op de coalitie, de strijd voor het algemeen stemrecht, en de afschaffing van de ‘bloedwet’. Onder de bloedwet verstaat men de loting, die het jaarlijks contingent van het leger moest voorzien. De rijken konden zich laten vervangen door iemand anders, wiens dienst zij ‘kochten’, d.i. betaalden om in hun plaats militaire dienst te doen.

Geleidelijk aan ziet men de leden van Le Peuple echter van inzicht veranderen.

Dit valt op wat de staking als wapen betreft. Aanvankelijk tegenstanders — onder invloed van Proudhon — hebben zij ook de stakingen in Henegouwen afgewezen. Later kwamen zij tot inkeer: ze gingen over tot een ontwerp van een stakingstactiek [16], waarbij zij bepaalden welke goede en welke slechte stakingen waren. Onder slechte stakingen verstond men de acties tegen een loonvermindering. Wanneer de patroon loonvermindering invoerde, deed hij dit in slechte tijden, in welk geval het hem helemaal niet kon schelen een paar weken stil te vallen. Zulke stakingen hadden geen kans op slagen. Deze verouderde zienswijze is waarschijnlijk afkomstig van de algemene Internationale, die een groot belang aan stakingen hechtte. Omgekeerd konden de Belgen, felle voorstanders van de coöperatieven, hun zienswijze aan de algemene Internationale opdringen, die er eerder tegen gekant was.

Op een ander belangrijk punt moet nog op een wisselwerking tussen de Internationale enerzijds en de Belgische socialisten anderzijds gewezen worden: het gaat hier om het probleem van de eigendom. De notie dat de productiemiddelen eigendom moesten worden van de gemeenschap kenden de Proudhonisten niet. Baron de Colins had dertig jaar vroeger reeds deze opvattingen naar voor gebracht. Zijn werken waren blijven voortleven in een enge kring van burger socialisten te Bergen en bereikten van daaruit Le Peuple, waar ze de aandacht trokken van César de Paepe, die er ten dele zijn leer van het collectivisme op vestigde. Hij verkondigde dat de bodem, de mijnen en de steengroeven, de spoorwegen en havens het eigendom waren van de gemeenschap, of althans moesten worden, liefst door overerving, wanneer de eigenaar zonder directe nalatenschap stierf. César de Paepe verdedigde herhaaldelijk zijn collectivisme op de congressen van de Internationale die het tenslotte overnamen.

In 1869 ziet de Belgische Internationale de overgang naar de toekomstige maatschappij, en die maatschappij zelf, als volgt: de basiscellen worden door de gemeente (commune) gevormd die aldus een geografische eenheid uitmaakten. Alle arbeiders, ongeacht hun beroep maakten er deel van uit. Zij bezaten zelfbestuur. De bestaande weerstandskassen — dit zijn de beroepsverenigingen met sociaaleconomisch strijddoel — moesten zich binnen deze gemeenten tot productiecoöperatieven omvormen en dus de taak van de productie overnemen. De verbruikerscoöperatieven zouden de verdeling verzorgen en de winkels vervangen. Beroepsmutualiteiten vervulden een sociale taak: steun aan de gebrekkige, zieken, ouden, enz. De gemeente richt het onderwijs, de rechtspraak, enz. in.

Deze theorie verklaart tegelijkertijd dat de Internationale er overal naar streefde weerstandskassen en coöperatieven op te richten, die niet alleen dienden als kern in de arbeidersstrijd, of als leniger van de nood, maar die tegelijkertijd dienden om de toekomstige maatschappij vorm te geven.

Opvallend was het succes, vooral in vergelijking met de vorige periodes. Voor het eerst werd door geheel België de arbeidersmassa georganiseerd, waar men aanvankelijk alleen maar over Gent en Brussel sprak. De Internationale had zich in Antwerpen, Verviers, Henegouwen en, ofschoon in mindere mate, te Luik sterk kunnen vestigen. De arbeiders zijn centraal georganiseerd, zij staan onder een leiding die door heel de beweging heen loopt en waardoor ervaringen konden worden uitgewisseld.

Bovendien streefde de arbeiders niet meer naar onmiddellijke tastbare lotsverbetering. De Internationale gaf aan hun streven een diepere ruimte; het doel bleek: de maatschappij veranderen!

Ongetwijfeld mag men niet overdrijven: slechts een kleine minderheid trachtte in de toekomst te zien.

Alle arbeiders zijn niet door de Internationale gegroepeerd: velen bleven buiten haar verenigingen staan. Ook waren niet alle arbeidersverenigingen aangesloten: te Brussel bleek dit heel duidelijk.

Het zwaarste tekort lag in de oppervlakkige inrichting die de Internationale aan de arbeiders had gegeven, doch één ding staat vast: in die enkele jaren, vooral van 1867 tot 1869, kende men een wonderbare opleving van het arbeidersbewustzijn en een ontwikkeling van de organisatievermogens. Alle eer moet gegeven worden aan de ongelooflijke offervaardigheid van de leiders van de Belgische Internationale: César de Paepe, Verreycken, Hins, Brismée, Coenen en anderen.

Aan de andere kant moet men rekening houden met het rijpen van de massa’s. De grote opgang van de Internationale en het ontstaan van zo talloze verenigingen is niet bij de inspanning van enkele te zoeken. De massa’s werden ontvankelijk voor het woord van die voortrekkers: anders zou het niet zo vlug, niet zo ‘gemakkelijk’ zijn gegaan.

Dit wordt ook bewezen door het rijper worden van de gemoederen die buiten de arbeidersrangen stonden: de jongere lagen van de burgerij en vooral de intellectuelen stonden begrijpender voor de arbeidersnood. Zeker gaat het hier om een minderheid.

Onder de leden van de burgerij die de arbeiderszaak sympathiek vonden, kwamen er voor die het uit louter edelmoedigheid voor de werklieden opnamen. Bij anderen is het berekening: indien het socialisme toch moest komen is het beter dat de burgerij die beweging in handen krijgt; ofwel wilden zij de arbeidersbeweging gebruiken om voor de geringe burgerij het stemrecht te bekomen. Het valt soms heel moeilijk links liberalen van socialisten te onderscheiden. Men bedenke hierbij dat César de Paepe lang lid is geweest van de liberale partij.

Ook bij de katholieken kwam er beweging. Zij vooral hadden een heel bijzondere berekening (enkelen niet te na gesproken): men wilde de arbeiders van het goddeloze socialisme afwenden. Maar welke ook de beweegredenen waren, de interesse voor de arbeiderszaak was gewekt. Men richtte Cercles Ouvriers op, om de arbeiders gezonde denkbeelden voor te schotelen.

De economische toestand is echter de grootste reden voor het welslagen van de Internationale. Men was ondertussen in de tijd van de steeds wederkerende crisissen geraakt (1857, 1862, 1872!). De conjunctuur ging snel op en neer: en werd door de thans weer beginnende oorlogen sterk beïnvloed (vanaf 1855 gaan geen vijf jaar meer voorbij zonder een grote Europese oorlog). Deze oorlogen brachten een snelle wisselwerking mee in de nijverheidsproductie, dus in loon en werkloosheid. Hoe weinig begrip de arbeiders ook hadden in de diepe zin van de economische evolutie, toch beseften ze duidelijk — en zij hadden het aan den lijve ondervonden — hoe hun lot steeds onzekerder werd. Dit dreef hen ernaar voor de woorden van de socialistische propagandisten open te staan, die hen minstens een versterking van de organisatie aanbrachten, en voor de meest ontwikkelde arbeiders de ontleding van het kapitalistische stelsel duidelijk maakten.

Men mag aannemen dat de geschiedenis van de Internationale voor 1868 alleen op papier verliep; 1868-69 moeten we beschouwen als een eerste periode van opbloei en groei, 1870-1872 maken een periode uit van felle heropleving, met daarna de definitieve teleurgang. Dit bijzonder wisselvallige karakter lag aan het samenvallen van een aantal factoren verbonden, die elk een diepe invloed hadden en elkaar kruisten. Er zijn twee economische factoren en twee politieke.

De economische factoren zijn de Frans-Duitse oorlog van 1870, die België een zware crisis bezorgde. Frankrijk immers was een van onze grote afnemers. Bij een plots ophouden van die afname kwam er vanzelfsprekend stagnatie in onze nijverheid. 1871 wordt gekenmerkt door een even plotse en machtige herleving van de economie: een boom (d.i. een snelle economische opgang). Deze boom was intens, maar van korte duur. In 1873 brak een wereldcrisis uit en wel de diepste die de wereld ooit vóór 1929 heeft gekend. In werkelijkheid duurde deze crisis (natuurlijk met hoogten en laagten) tot ongeveer 1896. Tussen 1870 en 1873 wisselt de economische conjunctuur zeer snel af.

Welke was hiervan de weerslag op de organisatie der arbeiders? Toen was de arbeidersbeweging nog niet door een vaste organisatie en een diep gewortelde traditie een stabiele beweging: de arbeiders organiseerden zich onder de drang van de onmiddellijke nood. Tevens verlangden zij dat de organisatie haar nut door onmiddellijk tastbare resultaten bewees en wanneer dat niet gegeven kan worden geven zij haar op. Dit verklaart het op en neergaan van de arbeidersverenigingen in die periode. Des te meer moet men hierbij bedenken dat de weerstandskas in die tijd eerder werd gezien als een defensief dan als een offensief wapen. Aldus organiseerden de arbeiders zich op het moment dat het loon bedreigd werd, dus op een ogenblik dat de zaken slecht gingen en waarop de patroons weinig geneigd waren om toe te geven. In de laatste jaren werd dit iets minder waar: zeker organiseerde men zich om loonsverlaging te voorkomen, doch gelukkig was men er tevens toe gekomen (misschien wel onder invloed van de Belgische Internationale, die een dergelijke tactiek heeft aangeprezen) om een actie in te zetten op ogenblikken dat de zaken goed gingen.

In het algemeen gesproken zag de zaak er aldus uit: de door de Belgische Internationale in 1868-69 moeizaam opgebouwde arbeidersbewegingen gingen veelal ten onder door de crisis van 1870. De werking van de Internationale ging echter diep genoeg om voldoende militanten en kaders over te laten om na het einde van deze korte economische crisis nieuwe arbeidersverenigingen op te richten. Dit laatste viel samen met een ‘boom’ van grote omvang — door de opgang van de industrie — waardoor deze verenigingen spectaculaire toegevingen van de patroons afdwongen. Deze laatste waren op dat ogenblik tot veel toegevingen geneigd, indien men maar de kans gaf veel geld te verdienen. Deze boom was van korte duur en werd gevolgd door een nieuwe, zware economische inzinking, die welhaast alle arbeidersverenigingen ten val bracht.

Deze instorting kondigde zich des te spoediger aan daar tegelijkertijd twee politieke factoren de ruggengraat van de beweging braken, nl. de mislukking van de Commune te Parijs en de scheuring in de Internationale, die praktisch leidde naar haar ondergang.

Om de weerslag te begrijpen die de ondergang van de Commune voor de leden van de Internationale betekende, moet men zich even in de psychologische toestand van haar leden kunnen verplaatsen.

De strijders voor het arbeidersrecht tussen de jaren 1830-1898 leefden noodgedwongen van hoop. Weliswaar geloofden ze wanneer ze op jonge leeftijd nog aan de strijd deelnamen in een spoedige overwinning. Na enkele jaren week dit optimisme: men kon zich wel en paar maal zelf bedriegen door kleine tijdelijke successen, tot grote overwinningen op te blazen, ten slotte haalde de rede het toch. Al wie enige tijd heeft deelgenomen aan de sociale strijd van de jongste jaren, weet dat uit ondervinding. En ook onze mensen uit de eerste Internationale maakten dezelfde evolutie door. De louter fysische krachtinspanning die ze in de jaren 1868-1869 leverden, onder de vorm van meetings en organisatiewerk grenst aan het ongelooflijke. Zo iets houdt men niet uit, tenzij men overtuigd is van een nakende overwinning. Een ogenblikkelijk psychologische instorting van de Internationalisten werd voorkomen door de te Parijs uitgebroken volksopstand, gekend als de Commune, die aanvankelijk enig succes haalde. In werkelijkheid is de Commune een nogal gecompliceerde beweging geweest, waarin socialistische elementen met ook louter nationalistische gevoelens (verwekt door de Franse nederlaag tegen Duitsland) gemengd waren. Voor onze Internationalisten betekende de Commune echter het begin van de sociale omwenteling in de wereld! Men weet hoe sterk internationaal de toenmalige socialisten voelden en hoeveel contacten ze hadden met socialisten van andere landen: heel in het bijzonder gold dit voor de Franse socialisten, waarvan zovele in België als bannelingen hadden geleefd. Dit ging zover dat de Belgische militanten ophielden zich met het alledaagse organisatiewerk bezig te houden: ze leefden slechts voor de beweging te Parijs. De Commune werd echter na enkele maanden door de Franse burgerij onderdrukt en in het bloed gesmoord. Voor de Internationalisten, die al hun hoop op het welslagen van de Commune hadden gesteld, was dit een bittere ontgoocheling. De instorting van de Commune was tegelijk ook hun ondergang.

Kort daarop volgde een tweede slag: de scheuring van de Internationale.

Reeds vroeger wezen we erop dat de Internationale als voornaamste functie had de problemen van de arbeidersstrijd en de arbeidersorganisaties te stellen en door vergelijking en discussie naar de beste organisatievormen en tactieken te zoeken. Geleidelijk echter hadden zich in de schoot van de Internationale twee tegengestelde meningen ontwikkeld: de ene onder leiding van Marx, de andere onder leiding van Bakoenin (het anarchisme).

Marx wilde de strijd zien voeren op politiek plan, wat inhoudt dat de arbeidersklasse de staatsmacht moest veroveren, om aldus het socialisme in te voeren. Dit onderstelde een sterke leiding van de beweging terwijl de basisorganisaties zich ondergeschikt moesten stellen aan de centrale leiding.

Bakoenin wilde de arbeidersstand organiseren in een groot aantal naast elkaar staande organisaties, op economische basis en zonder leiding bovenaan. De staatsleiding moest niet veroverd worden, doch eenvoudigweg afgeschaft, omdat het totaal van al die basisverenigingen de plaats innam van de vroegere staatsleiding.

De Internationale was tussen beide tendensen verdeeld. Op de algemene congressen kwamen steeds scherpere tegenstellingen tot uiting. Op het congres van 1873, te Den Haag gehouden, kwam het tot een krachtproef: bij een stemming behaalde Marx’ opvatting de meerderheid. De minderheid legde zich hierbij echter niet neer: zij stichtte een nieuwe Internationale, waar de opvattingen van Bakoenin overheersten. Doch dit hield in dat de macht van de centrale instanties tot niets was herleid.

De Belgische Internationalisten hadden zich bij Bakoenin aangesloten en verlieten de eerste Internationale. In uitvoering van hun opvattingen, schaften zij in eigen land de centrale instanties praktisch af. Wanneer we bedenken dat de Internationale in feite was opgericht en in leven werd gehouden door de inspanningen van die kleine schare militanten, die we sedert de jaren ’50 verenigd zagen in Les Affranchis en daarna in Les Solidaires, vervolgens in Le Peuple en uiteindelijk in de Centrale Raad van de Internationale, dan is het duidelijk dat de afschaffing van de centrale leiding bijna gelijkstond met de ontbinding van de beweging. Opvallend voor de arbeidersbeweging in België, bracht de tijd van de eerste Internationale heel weinig leidende figuren voort. Op enkele uitzonderingen na, zoals Coenen in Antwerpen, berustte de leiding in de handen van hen die vanuit Brussel de beweging hadden opgericht.

Schetsen we thans in meer bijzonderheden de evolutie van de jaren 1870-73.
De korte periode van 1871-72, die het einde van de Internationalistische periode van de arbeidersbeweging inhoudt, verdient als een afzonderlijk hoofdstuk te worden beschouwd. Deze periode geeft een beeld van uitzonderlijke strijd en van uitzonderlijke successen, wat des te merkwaardiger is, daar het patronaat zich ongewoon strijdvaardig toonde en door de lock-outs de arbeiders tot de onderwerping poogden te dwingen.

De Internationale nam hierin weinig initiatieven. Enkel nemen sommige van de beste militanten de leiding van stakingen op zich en steunen de Internationale waar zij kunnen. De voorbije jaren heeft de gehele beweging veel geleerd.

Bij het einde van de boom en bij het intreden in 1873 van een diepe economische depressie — die, zoals reeds werd opgemerkt, tot ongeveer 1896 zal duren — eindigt de arbeidersactie.

De herleving van 1871 werd beïnvloed door een bepaald gebeuren, nl. de staking van de metaalarbeiders.
Deze staking bood enkele ongewone trekken. Ze had haar oorsprong in Engeland, waar de metaalbewerkers van Newcastle ermee begonnen. De Engelse patroons poogden Belgische arbeiders te rekruteren. De Engelse syndicaten verzochten de Belgische metaalbewerkers zich hiertoe niet te lenen. Aldus werden de Belgen in de beweging betrokken. Een andere merkwaardigheid was dat het niet om een loonskwestie ging: de staking werd gevoerd om de tienurendag te bekomen. Ofschoon het niet helemaal de eerste staking voor de verkorting van de werkdag was, had zij toch een ongewoon karakter. Het wijst op een merkwaardige mentaliteitsverandering sedert de eerste tijden van de nieuwe nijverheid, toen de arbeiders bereid werden gevonden tot zestien uur per dag te werken, indien het loon hoog genoeg was. Daarenboven bleef deze staking, te Verviers begonnen, niet tot één stad beperkt, doch verspreidde zich over heel het land. Een korte eensgezinde staking dwong te Verviers de tienurendag af. In augustus volgde Brussel het voorbeeld.

Het werd een harde strijd, de Brusselse metaalfabrikanten spraken de lock-out uit, doch zij moesten na enkele dagen capituleren. Wallonië en Gent volgden. We dienen er hier tegelijk op te wijzen dat tijdens deze staking een buitengewone solidariteit heerste: niet slechts de leden van de verenigingen der metaalbewerkers staakten, doch alle metaalbewerkers. De grote solidariteit liet zich langs alle kanten merken: zelfs de rijke ambachtsverenigingen uit Brussel, zoals de juweliers, gaven hun gewone afzijdigheid prijs.

Voor de evolutie van de vakbeweging was deze staking van uitzonderlijk belang. Te Brussel traden na de overwinning bijna alle metaalbewerkers (±2.000) tot de bond toe. In het Centrum (Henegouwen) verenigden vier syndicaten van metaalbewerkers zich om het machtige Union des Métiers de l’Industrie Mécanique du Centre te vormen. Gedurende twee jaar was dit het machtigste en best georganiseerde syndicaat van ons land, tot haar ineenstorting in 1873. (Dit syndicaat kocht samen met de coöperatieve La Solidarité van Fayt, de grond waarop later het beroemde Progrès de Jolimont werd gebouwd). Toen te Gent de staking in het metaalbedrijf uitbrak, stroomden de arbeiders naar de afdeling van de Internationale toe. De staking lukte, maar een zware prijs moest betaald worden. De patroons stonden de tienurendag toe, op voorwaarde dat de arbeiders hun lidmaatschap opzegden. De lange duur van de staking had de arbeiders uitgeput en zij willigden deze eis in, wat voor de drieduizend leden tellende afdeling te Gent een zware slag betekende. Wat Charleroi betreft ging het tot op zekere hoogte analoog als te Gent. In 1872 namen bijna alle metaalbewerkers aan de staking deel. Door de mislukking gingen de vakbonden en al wat aan organisatie van metaalbewerkers in de streek bestond ten onder.

Naast mislukkingen noteren we ook grote overwinningen. De opbloei van de arbeidersstrijd bleef op verre na niet beperkt tot de metaalbewerkers. In die dagen kwamen een groot aantal vakverenigingen tot stand die een buitengewone strijdvaardigheid aan de dag legden. Te Brussel, waar men 17 verenigingen bij de Internationale aangesloten telde — het hoogste dat onder de Internationale ooit bereikt werd — voerden de marmerbewerkers een beroemde en buitengewone langdurige staking. Typisch in deze is, dat de stakers werk zochten in andere sectoren, om aldus de strijd in de eigen sector vol te kunnen houden. In vele andere streken van het land kwamen nieuwe vakbewegingen op en voerden succesvolle acties.

De nieuwe toestand ligt in het veelvuldig welslagen van de stakingen. Rechtstreeks had dit met de Internationale niet veel te maken: hoogstens bood zij een behulpzame hand. Eerder dient men het als een gevolg van haar werking aan te zien. Ze heeft de arbeiders wakker geschud en hen het belang van organisatie in doen zien. Voor het overige speelde de gunstige conjunctuur een belangrijke rol, daar de patroons van de boom gebruik willen maken, waardoor zij hun arbeiders, die in andere sectoren en zelfs in Frankrijk werk konden vinden, snel genoegdoening gaven.

Na de scheuring in de Internationale begonnen de Belgische Internationalisten het centrale apparaat van de Internationale af te breken, waardoor iedere federatie op eigen benen kwam te staan. De combinatie van deze desorganisatie met de snel groeiende economische crisis had voor de arbeidersbeweging rampzalige gevolgen, waarbij, we wijzen er met aandrang op, de ineenstorting van de Commune te Parijs (mei 1871) nog de ontmoediging voegde. Een ander belangrijk gevolg van deze ineenstorting trof men aan in de krachtdadige houding van de burgerij tegen de arbeidersbeweging. Dit betreft ook de burgerlijke vooruitstrevenden die zich van de arbeidersgezinden afkeerden. De werking van al deze factoren werd in 1872 nog verdoezeld door de gunstige economische conjunctuur, die de onmisbare arbeiders een sterk economisch wapen bezorgde. Bij het verdwijnen van deze factor, volgde de ineenstorting buitengewoon snel.

In Henegouwen bleef in 1872 slechts de afdeling van de Internationale van Jemappes over, in de streek van Charleroi treft men in 1874 zo goed als niets meer aan, terwijl in hetzelfde jaar de Union des Métiers het machtigste syndicaat van ons land — het eerste dat in België een bezoldigd secretaris kon hebben — en dat nog slechts de mijnwerkers verenigde, zijn banden met de Internationale verbrak, en in 1876 ging zij volledig ten onder. In 1873 brak er in de Luikse federatie een hevige twist uit. Een jaar tevoren was de afdeling van Seraing vernietigd. In Wallonië bleef alleen de afdeling Verviers en omgeving bestaan: zij was als anarchistische burcht zeer belangrijk en zou nog jaren lang het centrum van de anarchistische vleugel in Europa blijven, waardoor zij eerst later met de herboren socialistische beweging contacten zou opnemen.

Ook de Brusselse Internationalisten maakten ruzie en wel vooral de leden van Les Solidaires en Les Affranchis. De Antwerpse en Gentse afdelingen hielden het leven, maar het ledenaantal viel gevoelig terug. 1874 is het dieptepunt: de federale raad van de Internationale te Brussel verdween in januari. In 1873 verzaakte Brismée eraan de algemene raad van de Internationale (de anarchistische vleugel!) bijeen te roepen, wat het einde betekende van de Internationale op Europees plan.

Op het Belgisch congres van 1875 werd de zetel van de (Belgische) Internationale naar Antwerpen overgebracht, waarbij De Werker het orgaan is van de Vlaamse en Le Mirabeau het orgaan van de Waalse Internationalisten. Ondanks het herleven van de Gentse afdeling, naast die van Jemappes en Charleroi, is de Internationale vernietigd.

De militanten grepen dan terug naar het uitgangspunt, nl. De Vrijdenkersbeweging. Van 1874 voerden de drie hoofdfiguren van de Liberté (De Greef, Denis en Arnould) samen met César de Paepe een overwegend antiklerikale actie in het blad La Conscience door Brismée gedrukt. Tezelfdertijd maakte men een plan op, om een nationale federatie van vrijdenkersverenigingen op te richten. Dit doel werd op Kerstmis 1874 bereikt. Sedert de verkoeling teweeggebracht door de Commune tussen de vrijzinnige burgerij en de arbeidersbeweging weigerden de liberalen mee te doen en sloten slechts socialistische verenigingen aan. Ze waren 25 in getal: 7 uit de streek van Verviers, 5 uit Brussel, 4 uit het Luikse, 3 uit Charleroi, 2 uit de Borinage, 1 uit het Centrum en uit Antwerpen, Hoei en Menen.

Hier treft ons dus een parallel met de jaren 1848-49, zoals in de tijd toen zij door de burgerlijke repressie waren achteruitgedrongen, en ook en nu na de mislukking van de Internationale, trokken de arbeiders zich terug in een nationale beweging van vrijzinnigen. Echter ook hier werd heel wat vooruitgang geboekt in een kleine kwart eeuw.

_______________
[1] Zie boven.
[2] Heden ten dage is de tegenstelling tussen klerikalen en antiklerikalen nog de scherpste ideologische tegenstelling in ons land. Dit blijkt uit de evolutie van de uitslagen van de verkiezingen: het gebeurt veel, dat de katholieken stemmen voor andere partijen dan de officiële katholieke staatspartij, maar dan voor een andere partij met sterke katholieke inslag (Rexisme, Vlaams Nationaal Verbond, Vlaamse Concentratie, Volksunie). Wat de vrijzinnigen betreft, bestaat er een vlottende massa die nu eens stemt voor de liberalen, dan voor de socialisten, of voor de communisten, maar bijna nooit voor een katholiek getinte partij. Naargelang men dus katholiek of vrijzinnig is, blijft de eventuele verandering van partijafhankelijkheid bijna zonder uitzondering binnen de perken van de katholiek getinte partijen voor de katholieken, van de vrijzinnige getinte partijen voor de niet-katholieken. Daarover J. Dhondt, Verkiezingsuitslagen in Vlaanderen; Socialistische Standpunten, 1956.
[3] De Amerikaanse historicus Kittell heeft in zijn nog onuitgegeven dissertatie Rationalism, Republicanism and Revolution, a study in the originis of Socialism in Belgium, de kapitale rol van de vrijdenkersverenigingen in de leiding van de hier behandelde fase van de arbeidersbeweging vastgesteld. Al wat hier wordt verteld over de rol van deze vrijdenkersbeweging behoort hem toe.
[4] Het is dan ook in die tijd, dat de eerste burgerlijke begrafenissen (die heel wat schandaal verwekken) doorgaan. Voor Brussel, zie Bertrand, Histoire de la démocratie et du socialisme en Belgique, II, blz. 125 en volgende.
De eerste burgerlijke begrafenis te Gent zou deze van Dufranne geweest zijn, de jong gestorven medestrijder van Moyson. Ik heb eens horen vertellen dat de eerste burgerlijke begrafenis in West-Vlaanderen deze zou geweest zijn van De Brouckère (vader van de bekende socialistische leider).
[5] Dit wordt bevestigd door Brismée op een vrijdenkersmeeting van november 1875 (Brussel, Politiearchief, bundel Solidaires, verslag van 1 november 1875).
[6] Zie daarover Avanti, Een terugblik, 1e deel (2e uitgave, Gent 1935).
[7] Voor de Brusselse toestanden ten tijde van de Internationale (en de onmiddellijk voorafgaande tijd) heb ik gesteund op de onuitgegeven dissertatie van mevr. Colin-Dajch, Les organisations professionnelles à Bruxelles à l’époque de la première Internationale, en op de belangrijke studie die ze heeft uitgegeven Contribution à l’étude de la première Internationale à Bruxelles, Cahiers Bruxellois, Brussel 1956, blz. 109-146.
[8] Betreffende deze Algemene Werkmansbond, die verder nog even ter sprake komt, heb ik gegevens geput uit de onuitgegeven dissertatie van mevr. Theuns-Christiaens De radicale tendensen in de Antwerpse politiek.
[9] zie eerder.
[10] Er heeft te Gent omtrent 1848 een kring van vooruitstrevende intellectuelen bestaan, aangevoerd door professor Huet, en waarvan behalve enkele andere professoren (Moke, Allier) een aantal studenten deel uitmaken. Huet was een slachtoffer van de burgerlijke repressie van 1848-50; hij werd tot ontslag gedwongen. Zijn kring, die in de jaren 1848 wel contact hield met de te Gent opkomende arbeidersbeweging, viel dan uiteen en er schijnt geen band meer te hebben bestaan tussen deze intellectuelen en de Gentse arbeidersbeweging. De leden van de kring vindt men later meestal terug in de rangen van de vooruitstrevende liberalen.
[11] De eerste twee zijn economisten en sociologen. Hier treft men een typisch voorbeeld aan van een der ‘wortelen’ van het socialisme; wie zelf geen arbeider is, kan socialist worden hetzij uit drang naar rechtvaardigheid, hetzij om louter intellectuele reden: de studie van de maatschappelijke toestanden.
[12] We herinneren eraan, dat we hier steunen, wat Brussel betreft, op het werk van mevr. Colin Dajch, voor Henegouwen op dat van mevr. Henneaux-De Poorter, Misère et luttes sociales dans le Hainaut, 1860-1869 (Brussel 1959), voor Gent op Avanti en op de dissertatie van mevr. De Weerdt, De Gentse Textielarbeiders en de arbeidersbeweging tussen 1866 en 1881 (1959). Voor Antwerpen wordt er natuurlijk gesteund op A. van Laar, Geschiedenis van de arbeidersbeweging te Antwerpen en omliggende, Antwerpen 1926, en op de reeds vermelde onuitgegeven dissertatie van mevr. Theunis-Christiaens. Uit R. van Eeno, Een Bijdrage tot de geschiedenis der Arbeidersbeweging te Brugge, 1864-1914 (1959) blijkt dat er in die stad wel een heel flauw begin van organisatie is geweest in de hier besproken tijd, maar te weinig om het goed te kunnen vatten.
[13] Voor Verviers raadplege men L. Dechesne, L’avènement du régime syndical à Verviers, Parijs, 1908.
[14] Al de inlichtingen betreffende Henegouwen zijn afkomstig van de reeds vermelde studie van mevr. Henneaux-Depoorter.
[15] Dit exposé berust op de reeds vermelde werken van Bertrand, van mevr. Henneaux-Depoorter, van mevr. Colin-Dajch en van A. Kitell.
[16] In het blad L’Internationale van 25 juli, 8 augustus, 15 augustus 1869.