Karl Kautsky
Het bolsjewisme in het slop
Hoofdstuk 2


De sociale revolutie in de industrie

De sociaal-politieke revolutie

Wij hebben vastgesteld, dat de Russische revolutie, in tegenstelling tot de Franse Revolutie van 1789, na 1918 niet een vooruitgang, maar een steeds toenemende achteruitgang van het boerenbedrijf in de landbouw ten gevolge had, wat tot de waanzin der kolchozen voerde.

De werkelijke redding van de landbouw ligt voor Rusland in het opvoeren van de productiecapaciteit van zijn industrie, aangezien die alleen de middelen voor een intensievere bewerking van de grond leveren kan. Hier ligt de wortel van het kwaad. Hoe die te vernietigen?

Laten wij eerst eens het karakter van de industrie van Sovjet-Rusland leren kennen.

De wereldoorlog heeft niet alleen tot de val van het tsarisme, maar van de drie grote militaire monarchieën in Oost-Europa geleid. Overal eindigde de oorlog met een politieke revolutie, die de proletarische partijen aan het roer bracht. Door hen bereikten de loonarbeiders zeer grote verbeteringen van hun positie: de achturendag, het begin van bedrijfsdemocratie door het instellen van bedrijfsraden, de werkloosheidsverzekering. Al deze verbeteringen bevorderden de groei der vakverenigingen; anderzijds maakten zij ook weer sterke vakverenigingen nodig om ten volle doorgevoerd te worden.

Er zijn verscheidene arbeiders, met name onder de communisten, die deze veroveringen te gering achten om ze revolutionair te noemen. Toch moeten zij daartoe gerekend worden, in de eerste plaats omdat zij het gevolg waren van een politieke omwenteling, in de tweede plaats omdat zij niet, als gewone sociale hervormingen, geleidelijk, dus stap voor stap, maar met één slag werden bevochten. En wie ze niet met de ideale voorstelling van de toekomststaat vergelijkt, waarnaar wij streven, maar met de toestand, zoals die voor die tijd was, kan onmogelijk de betekenis van deze resultaten der revolutie onderschatten. De positie van de loonarbeiders werd er naar verhouding weinig minder door verbeterd dan door de opheffing van de gilden in de Franse Revolutie.

De revolutie heeft voor de arbeiders in Rusland dezelfde resultaten gehad als waarover wij hier spraken. Wanneer daar door een politieke omwenteling een partij aan het roer zou komen, die deze vruchten van de revolutie voor de arbeiders zou willen vernietigen, dan zou dat ongetwijfeld een contrarevolutie betekenen, waartegen wij ons zouden moeten teweerstellen. Doch er is nog niemand te zien, die een verslechtering van de positie der arbeiders zou invoeren, ongerekend de sovjetmachthebbers. Die werken reeds sinds lang in die richting.

Is dat echter geen kwaadwillige laster? Zijn zij het juist niet, die de achturendag vervangen hebben door de zevenuren arbeidsdag? Is dat niet een enorme vooruitgang, die ver uitgaat boven hetgeen in de kapitalistische staten is bereikt?

Dat zou het zeer zeker zijn, wanneer in de plaats van de achturendag inderdaad de zevenurige arbeidsdag ingevoerd was. Dat is evenwel niet het geval. Niet de zevenurige arbeidsdag werd ingevoerd, maar de zevenurige arbeidstijd. Dat is heel iets anders.

Ik heb reeds gewezen op het bedenkelijke van een zevenurige nachtarbeid als permanenten maatregel. Dat is evenwel nog niet het ergste van de in Rusland ingevoerde hervormingen. Algemeen werd verwacht, dat iedere ploeg bestaan zou uit een speciale groep arbeiders. Waar tot dusver bijvoorbeeld twee ploegen ieder acht uur werkten, zou het aantal arbeiders in het vervolg met een derde vermeerderd moeten worden om de derde ploeg te bezetten. In werkelijkheid is daar geen sprake van. Slechts een van de vele voorbeelden zullen wij geven om te laten zien hoe het geschiedde, namelijk dat van de spinnerij en weverij Naro-Fomin:

“De fabriek telde voor de invoering van de zevenurige arbeidsdag 6577 arbeiders. Na de invoering van de zevenurendag werden 1169 arbeiders nieuw aangesteld en op 1 oktober 1928 bestond het gehele personeel uit 8046 personen. Op 1 oktober 1929 waren er nog slechts 7363 arbeiders en in november nog slechts 6558, dat wil zeggen iets minder dan vóór de invoering van de zevenurendag.”

Dit geval en andere zijn te vinden in het orgaan van de Hoge Economische Raad Sa Industrialisaziju van 31 januari 1930. (Overgenomen in de RSD van 6 februari 1930).

Men had dus ervaren, dat men bij de zevenurige arbeidstijd niet meer arbeiders nodig had dan tot dusver en de nieuw aangestelden werden weer ontslagen. In andere fabrieken, waar men later tot de zevenurige arbeidstijd overging, maakte men gebruik van deze ervaringen en stelde men geen nieuw personeel aan.

Het gevolg is, dat hetzelfde aantal arbeiders thans binnen 24 uur 21 uur in plaats van 16 uur moet werken, iedere arbeider dus 101 in plaats van 8 uur werkt. Hun arbeidskwelling is toegenomen in plaats van afgenomen.

Er zijn nog andere methoden om meer arbeidsuren uit de arbeiders te persen, maar het zou ons te ver voeren op details in te gaan.

De invoering van de zevenurige arbeidstijd werd begroet als een middel om de ontzaglijke werkloosheid tegen te gaan. De werkloosheid is echter niet in het minst verminderd. Het gebrek aan werkgelegenheid is een gesel van het proletariaat in de Sovjetstaat, evenals dit in de kapitalistische staten het geval is.

Maar worden deze staten dan niet door de Russische werkloosheidsverzekering beschaamd gemaakt? Laten wij eens zien.

De gemiddelde maandelijkse werkloosheidsuitkering werd in het verslagjaar 1928-1929 aangegeven als zijnde 14.84 roebel (gezinsondersteuning inbegrepen), terwijl het gemiddelde loon van een industriearbeider 74.33 roebel bedraagt. De ondersteunde arbeider ontving dus 20 % van het gemiddelde loon (zie hiervoor het artikel Die Komintern, die Sovjet-union und der Kampf gegen die Arbeitslosigkeit van S. Schwarz in de RSD van 13 februari 1930). Nominaal is 13 roebel 30 Mark, in werkelijkheid is het echter veel minder, daar door de inflatiepolitiek van de laatste jaren de koopkracht van de roebel in Rusland zeer is gedaald. In het jaar 1928-1929 kreeg de ondersteunde werkloze in Rusland per maand dus minder dan een Duitse werkloze per week.

Veel zullen de werklozen met zulke sommen zeker niet doen. En toch zijn zij, die ondersteuning krijgen, nog gelukkig. Lang niet iedere werkloze heeft recht op uitkering. Men heeft berekend, dat in 1928/1929 713.500 werklozen steun ontvingen. Officieel wordt een aantal van 853.700 ondersteunden opgegeven, maar S. Schwarz toont in het reeds geciteerde artikel aan, dat het er veel minder waren. Maar ook het officieel opgegeven getal ondersteunden is veel kleiner dan het aantal werklozen. Dit aantal bedroeg officieel in 1928/1929 1.223.700 personen. Volgens de officiële berekening werden hiervan 70 % ondersteund; in werkelijkheid veel minder. Dit cijfer wordt in het jaar 1929/1930 nog kleiner. Nog slechts 541.600 werklozen kunnen ondersteund worden van de hiertoe uitgetrokken gelden.

Daarbij komt dat lang niet alle werklozen ingeschreven worden. Buitengewoon veel werklozen worden door de arbeidsbeurzen afgewezen en omdat ze niet in de registers voorkomen bestaan ze voor de sociale politiek van Rusland eenvoudig niet.

“Zonder lidmaatschapsboekje van een vakbond kan men hier (in Sovjet-Rusland) geen werk vinden. Maar aan de andere kant is het de werklozen bijna onmogelijk lid van een vakbond te worden. Het is aan de vakbond overgelaten de werkloze een lidmaatschapsboekje of werk te geven dan wel hem van honger te laten sterven.” (Th. Dan, Sovjet-Russland, wie es ist, Praag, 1926, bladzijde 81, Duitse tekst.)

In een artikel, verschenen in het Economisch Bulletin, dat in Praag in het Russisch verschijnt (dit artikel is overgenomen in La Russie opprimée van 24 mei 1930), over de werkloosheid, wordt het aantal werklozen in Rusland in 1928/29 op 2.912.800 of op bijna 3 miljoen geschat, terwijl er 12 miljoen loonarbeiders zijn. Volgens dit artikel zou dus bijna een vierde gedeelte der arbeiders werkloos geweest zijn. In het laatste jaar zou de werkloosheid verminderd zijn. Doch voor hoe lang?

Hoe wanhopig ook de toestand van de werklozen in het huidige Rusland mag zijn, veel erger dan in vele kapitalistische staten van Europa, en hoezeer deze ook van jaar tot jaar nog slechter worden mag, men kan de vraag stellen, of zij, die arbeid verrichten, er ten minste niet beter aan toe zijn. Niet wat de arbeidstijd betreft; dat hebben we reeds gezien. Maar wordt het productieproces dan niet beheerst door de arbeidersraden en zijn de vakverenigingen in Sovjet-Rusland niet machtiger dan waar ook ter wereld?

Inderdaad is zo ongeveer iedere arbeider lid van zijn vakvereniging, reeds om de hiervoor genoemde reden, dat hij alleen als vakverenigingslid werk kan krijgen. Maar de Sovjet-Russische vakvereniging heeft met die uit andere landen slechts de naam gemeen.

De Maartrevolutie van 1917 bracht de Russische arbeider de volledige democratie en daarmede de mogelijkheid om grote vakverenigingen te stichten. Tegelijkertijd ontstonden ook de arbeidersraden als politieke en economische machtsfactoren. De democratische revolutie riep deze raden in het leven en zij bestonden reeds als zodanig voor de opkomst van het bolsjewisme. Zij hebben hun macht niet te danken aan het bolsjewisme; het is zelfs omgekeerd: het was de macht van de arbeidersraden en van de vakverenigingen, naast de macht van de soldaten en matrozen in Petrograd — toen nog niet Leningrad genoemd — die het bolsjewisme in het zadel hielp.

Toen het bolsjewisme zich echter eenmaal zeker voelde in zijn nieuwe positie, werd elke vrije organisatie in de staat, die het niet op bureaucratische wijze naar zijn hand kon zetten, te lastig. Zij, die de bolsjewieken niet konden gebruiken of die zich verzetten, werden uit de weg geruimd. Daarnaast trachtte het bolsjewisme hen, die het nodig had, omdat het op hun schouders omhoog gekomen was, gedwee te maken en eerst wanneer dat gelukt was, mochten zij verder bestaan.

Dat geldt zowel voor de vakverenigingen als voor de coöperaties en voor de arbeidersraden. Zij bestaan en werken wel nog tot op de huidige dag en spelen een grote rol in het leven van Rusland, maar wie zich niet op een dwaalspoor laat brengen door het voortbestaan van dezelfde namen en nauwkeurig toeziet, die zal bemerken, dat al deze instellingen het tegenovergestelde zijn van hetgeen zij oorspronkelijk waren: niet meer zelfstandige organisaties voor de behartiging der belangen van vrije arbeiders, maar willige werktuigen van de staatsbureaucratie en van de heersende Communistische Partij, die de bestuurders benoemt en de resultaten van de beraadslagingen voorschrijft. Wie zich in een of andere vergadering tegen het heersende systeem richt of zelfs als kandidaat der oppositie bij de een of andere verkiezing optreedt, houdt op vrij man te zijn. De politieke politie heeft hem de volgende dag te pakken en hij mag van geluk spreken, wanneer hij gedeporteerd wordt naar de Solovjetsky-eilanden in de Noordelijke IJszee en niet meteen tegen de muur gezet wordt.

Vakverenigingen en arbeidersraden zijn nog slechts gedweeë handlangers van de regering; hun werk bestaat niet meer daarin, om het bedrijf zoveel mogelijk te doen aanpassen aan de belangen der arbeiders, maar zij moeten in steeds toenemende mate iedere verslechtering van het bedrijf, verlenging van de arbeidstijd, opvoering van de arbeidsprestatie, loonsverlagingen en dergelijke de arbeiders aanpraten en opdringen.

Dat is er geworden van hetgeen er na de revolutie op sociaal-politiek gebied veroverd is. Wij mogen ook hier weer de vraag stellen: waar is op dit gebied de revolutie te vinden en waar de contrarevolutie? Door welke contrarevolutie wordt de revolutie bedreigd; waartegen moeten wij haar beschermen?

De opheffing van het privaatbezit van de productiemiddelen

Wie zal er veel ophef maken van de resultaten der sociale politiek? Dat zijn toch slechts jammerlijke hervormingen. Sovjet-Rusland wedijverde immers niet op dit gebied met de kapitalistische staten, maar op het gebied van de werkelijke sociale revolutie. Daar kan het toch op prestaties bogen, waaraan geen enkele andere staat zich gewaagd heeft? Ook de “burgerlijke” Russische revolutie van 1917 deinsde hiervoor terug. Het is enkel en alleen het werk van het bolsjewisme.

De democratische revolutie kan dan wel, evenals de bolsjewistische, het grootgrondbezit onteigend hebben, maar het kapitaal in een paar slagen te onteigenen, dat durfde alleen de zegevierende Communistische Partij. De democratische revolutie gaf het proletariaat wel de vrijheid zich in machtige vakverenigingen en arbeidersraden te organiseren, maar de oppermacht in de staat werd het proletariaat eerst gegeven door het zegevierende bolsjewisme. Dat is de eigenlijke sociale revolutie, die door het bolsjewisme voltrokken is en die door de contrarevolutie wordt bedreigd, wanneer het bolsjewisme valt. Dat zeggen de bolsjewieken tenminste.

Nu rijst de vraag: is dat nu de revolutie, die ook wij sociaaldemocraten tegen de contrarevolutie te verdedigen hebben?

Het manifest van de Socialistische Arbeiders Internationale zegt hieromtrent:

“Een overwinning van de contrarevolutie zou een geweldige catastrofe betekenen, niet alleen voor de volkeren van de Sovjet-Unie, die de vruchten van hun grote revolutie verloren zouden zien gaan, niet slechts voor de arbeidersklasse van de Sovjet-Unie, wier heldhaftige strijd vruchteloos zou zijn geweest, maar ook voor de arbeidersbeweging, voor de democratie en voor de vrede van de gehele wereld.”

Komen wij nu eindelijk aan de “vruchten van de grote revolutie”, die van zo oneindig grote waarde zijn, dat hun verlies tengevolge van een contrarevolutie een geweldige catastrofe zelfs voor de democratie en de vrede in de wereld zou zijn?

Er valt niet aan te twijfelen, dat de thans in bespreking komende punten de bolsjewistische staat in het bijzonder kenmerken en dat hetgeen het bolsjewisme op deze gebieden geschapen heeft, bedreigd wordt, wanneer de almacht van het communisme ophoudt.

Het bolsjewisme zegt, dat het het door Marx en Engels opgestelde program zal uitvoeren, waarbij geëist wordt: Verovering van de politieke macht door het proletariaat en het brengen van de productiemiddelen in handen der gemeenschap, tenminste van die productiemiddelen, die thans kapitalistisch privaatbezit zijn.

Dit is ook het doel van de sociaaldemocratie.

Wij konden het echter niet eens zijn met de methode, die de bolsjewieken toepasten. Met enkele grepen bracht het bolsjewisme alle industriële productietakken, behalve de heel kleine, in het bezit van de staat.

Nu is het zeer zeker mogelijk om een eigendomsovergang met één slag te voltrekken. Dit kan echter alleen, wanneer in het bedrijf zelf niets veranderd wordt, wanneer alles blijft, zoals het was. Wanneer bij de socialisatie niets anders veranderd werd dan dat in de plaats van de particulieren eigenaar de staat tot eigenaar wordt geproclameerd, dan zou deze socialisatie in alle bedrijven tegelijk zeker wel zonder moeilijkheden kunnen worden voltrokken.

De moeilijkheid komt echter reeds, wanneer de bezitter ook de leider van de onderneming is, zoals tot de opkomst van de naamloze vennootschap regel was. De omzetting in een naamloze vennootschap blijkt reeds niet altijd voordelig te zijn; deze toch is aan bepaalde voorwaarden gebonden en moet altijd zorgvuldig voorbereid worden.

Datzelfde geldt voor de overgang tot staatsbedrijf. Eigendomsverhoudingen kan men met één slag wijzigen, maar bedrijfsverhoudingen niet. Een onvoorbereide, ingrijpende en plotselinge verandering heeft in ieder geval grote storingen tengevolge en kan dikwijls het bedrijf te gronde richten.

Dit geldt in bijzonder grote mate voor die verandering in de functionering van een bedrijf, die het gevolg is van de socialisatie van dit bedrijf. Het doel van zulk een bedrijf is niet meer het maken van winst, zoals onder de kapitalistische leiding het geval was, maar het zo goed mogelijk zorgen voor de behoeften der consumenten en de welvaart van zijn arbeiders. De resultaten van het bedrijf behoeven niet meer bevredigend te zijn voor de kapitalisten, maar wel voor de consumenten en de arbeiders. Dat betekent, dat er diepgaande veranderingen komen in de positie der arbeiders en hun aandeel in de bedrijfsleiding, maar ook in de afzetpolitiek van het bedrijf.

Alles moet goed voorbereid zijn. Zulk een verandering is ook lang niet in iedere productietak, in ieder bedrijf of bij ieder personeel mogelijk. Een deel der ondernemingen kan dadelijk gesocialiseerd worden, een ander gedeelte daarentegen moet kapitalistisch verder produceren. De bezitters van deze ondernemingen zullen dat echter niet doen, wanneer zij gevaar lopen, dat hun ondernemingen de een of anderen dag geconfisqueerd worden.

Om het productieproces ongestoord te doen voortgaan, niettegenstaande er een begin gemaakt is met socialisatie, is het dringend noodzakelijk, dat deze zorgvuldig wordt voorbereid, dat zij slechts stap voor stap wordt doorgevoerd en dat de kapitalisten, die van hun productiemiddelen beroofd zijn, hiervoor schadeloosstelling ontvangen — niet ter wille van henzelf, maar slechts omdat een volledig onklaar geraken van het productieproces de vreselijkste ellende betekent, in de regel nog meer voor de arbeiders dan voor de kapitalisten.

De bolsjewistische leiders bleken zo gespeend te zijn van elk economisch inzicht, dat zij daarvoor blind waren. Zij mogen niet zeggen, dat wij, sociaaldemocraten, dit eerst later, op grond van hun ervaringen, erkenden. Ik heb bijna 30 jaar geleden hierover al geschreven in mijn boekje Die soziale Revolution, in het hoofdstuk getiteld: “Konfiskation oder Ablösung” (bladzijde 75-78, Duitse tekst).

Het is mogelijk, dat de onmiddellijke algemene confiscatie van alle fabrieken in de eerste maanden van het bolsjewistisch regiem even onvermijdelijk was als de overeenkomstige handelwijze tegenover het grootgrondbezit. Misschien was het door de val van het tsarisme ontketende proletariaat inderdaad zo ongedisciplineerd en onwetend, dat het niet voor doelmatiger vormen van socialisatie te winnen was. Zeker is het, dat de bolsjewieken hun toenmalige macht te danken hadden aan de omstandigheid, dat zij op alles wat de massa wilde ja en amen zeiden, of het verstandig was of niet. Maar uit de geschriften van Lenin blijkt ook, dat hij in het geheel geen vermoeden had van de grootte van de taak, waar hij zich voor gesteld zag en dat hij meende, dat de moeilijkste problemen spelenderwijs zijn op te lossen.

Zo kwam men tot de nationalisatie van alle ondernemingen buiten het landbouwbedrijf.

De toegepaste methode was ongetwijfeld een barbaarse, primitieve, die reeds de onrijpheid van de toestanden bewijst. De methode mag onvermijdelijk geweest zijn, de verwachtingen echter, die de bolsjewieken hiervan koesterden en die als een heldendaad geprezen werden, waren in genen dele onvermijdelijk. Daarvoor zijn zij uitsluitend zelf verantwoordelijk.

Al verwerpt echter het hoger ontwikkelde socialisme deze methoden, daarom behoeft dit nog niet te gelden van het resultaat. Het in staatsbeheer brengen van het gehele industriële productieapparaat is — op zeer kleine uitzonderingen na — in Rusland een voldongen feit. Heeft Rusland daarmede nu niet alle andere landen ver overvleugeld op de weg naar het socialisme? Is dit niet die revolutie, die tegen iedere contrarevolutie verdedigd moet worden door het gehele socialistische proletariaat, door al zijn organisaties, tot welke school zij ook mogen behoren?

Hier hebben wij te doen met een grove misvatting, waartegen Engels reeds in 1878, dus meer dan een halve eeuw geleden, opkwam en die desondanks steeds weer bij oppervlakkig geschoolde socialisten gaarne postvat: de mening namelijk, dat ieder staatsbeheer van een industrie hetzelfde zou zijn als socialisme.

In zijn boek, getiteld: Herrn Eugen Dührings Umwälzung der Wissenschaft, lezen wij op blz. 299 (Duitse tekst, derde druk) het volgende:

“Er is sedert kort, sinds Bismarck zich toelegt op het staatsbeheer, een soort verkeerd socialisme opgekomen, dat hier en daar zelfs in een soort overgedienstigheid is ontaard en dat iedere vorm van staatsbeheer, zelfs de Bismarckse maatregelen, zonder meer als socialistisch bestempelt. Wanneer het tabaksmonopolie van de staat socialistisch zou zijn, zouden Napoleon en Metternich eveneens tot de grondleggers van het socialisme behoren. Toen de Belgische staat uit volkomen alledaagse politieke en financiële beweegredenen zijn hoofdspoorlijnen zelf aanlegde en Bismarck zonder enige economische noodzakelijkheid de hoofdspoorlijnen van Pruisen in staatsbeheer nam, louter om ze in geval van oorlog beter te kunnen inrichten en gebruiken, om het spoorwegpersoneel tot regeringsstemvee op te voeden en hoofdzakelijk om zich een nieuwe inkomstenbron te verschaffen, die geheel onafhankelijk is van parlementsbesluiten, waren dit in het geheel geen socialistische stappen, noch direct of indirect, noch bewust of onbewust.”

De wijze, waarop de staatsbedrijven geëxploiteerd worden, is pas beslissend voor de vraag of het staatsbeheer in de geest van het socialisme gevoerd wordt of niet. Dit toch verlangt welvaart en vrijheid voor het arbeidende volk. Wanneer dit doel door staatsbeheer wordt bevorderd, dan moeten wij dit verdedigen. Een staatsbeheer, dat ons verder van dit doel verwijdert, moeten wij verwerpen.

Nu was er tussen de maatregelen die in Sovjet-Rusland genomen werden voor het in staatsbeheer nemen der bedrijven en die, welke Bismarck nam, een fundamenteel onderscheid en ze waren a priori socialistisch te noemen, omdat zij uitgingen van het proletariaat en genomen werden met het doel zijn welvaart en vrijheid te vergroten. De vraag blijft slechts of het gelukt is dit doel te verwezenlijken en wat in werkelijkheid bereikt werd.

Het ontbrak de arbeiders in de staatsondernemingen van Rusland niet aan vrijheid. Lenin en de zijnen hadden de loonarbeiders toegeroepen: bemachtig de fabrieken en de mijnen! Beheert ze naar uw eigen wil. Gij hebt hersens genoeg om dat te kunnen. Het is helemaal niet zo moeilijk!

In de grond van de zaak was dit een echte Bakoeniaanse gedachte. Het beetje marxisme, dat Lenin er aan toevoegde, verbeterde de zaak niet. Volgens de anarchistische opvatting moesten de fabrieken toebehoren aan die arbeiders, die er in werkzaam waren. Maar dat wilde Lenin niet. De fabrieken moesten staatseigendom worden, maar geheel vrij door de arbeiders beheerd worden. Dat betekent, dat deze arbeiders, behalve de anarchistische algehele vrijheid die zij kregen, nog de verwachting gingen koesteren, dat de staat hun lonen zou betalen. Dat was nog mooier dan het anarchisme, dat geen staat kende die de lonen uitbetaalt.

“De fabriek Poetilov ontving voor een bepaalde tijd 96 miljoen roebel staatssteun; hiervan werd 66 miljoen roebel aan arbeidsloon betaald, terwijl de totale waarde van de productie nog geen 15 miljoen roebel bedroeg. (Dr. Gawronsky, Die Bilanz des russischen Bolschemismus, Berlijn, 1919. Bladzijde 68, Duitse tekst.)

De arbeiders vonden inderdaad dat het de eenvoudigste zaak van de wereld was om een fabriek in gang te houden. De bolsjewieken hadden een buitengewoon primitieve en niets ontziende actie gevoerd om deze taak zo populair mogelijk te maken, hadden het evangelie van de vereelte arbeidersvuist gepredikt, dat het achterlijke gedeelte van de Russische arbeiders — en dat was het grootste gedeelte — toch reeds zeer na lag. Niet alleen de kapitalisten, maar ook de kantoorbedienden werden als lastige “meesters” en overbodige heren beschouwd en verjaagd, wanneer zij niet direct doodgeslagen werden.

Het ontbrak de massa der Russische arbeiders aan iedere wetenschap, maar ook aan iedere vrijwillige discipline, die onontbeerlijk is om een grootbedrijf zonder kapitalistische druk succesvol te laten voort produceren. Het beste middel om de massa der arbeiders deze scholing en discipline bij te brengen vormen de vakverenigingen, die het in dit opzicht van de socialistische partijen winnen, welke er meestal niet in zo hoge mate in slagen om de grote meerderheid der arbeiders te organiseren. De vakverenigingen hebben niet alleen een taak in het heden te vervullen. Een tientallen jaren bestaande sterke vakbeweging is ook de onontbeerlijke voorwaarde voor het vormen van dat mensenmateriaal, dat alleen in staat zal zijn, in vrijwillige discipline zijn taak in het productieproces te vervullen.

Het tsarisme heeft het opkomen van een sterke vakbeweging in Rusland belet. Daardoor ontbraken daar bij de meeste loonarbeiders die voorwaarden, zonder welke een succesvol beheer van een vrij groot bedrijf onmogelijk is, volkomen.

Maar ook de grootste vakverenigingsdiscipline kan nooit de noodzakelijkheid van de leiding van een bedrijf opheffen. Deze leiding is nog meer nodig voor het circulatieproces dan voor het productieproces. De arbeiders zouden het, indien nodig, met de techniek van het bedrijf nog wel klaar spelen. Maar zij kunnen niet verder produceren zonder gestadige toevoer van grond- en hulpstoffen, van nieuwe gereedschappen en machines, wanneer de oude versleten zijn. De arbeiders van het grootbedrijf kunnen niet van de producten van dat bedrijf leven. Zij moeten deze producten ruilen tegen levensmiddelen, waaraan zij behoefte hebben of tegen geld, om die levensmiddelen te knopen.

Men heeft veel gesproken over een stelselmatig beheer om al deze fasen van het proces te regelen. Maar daar de nationalisatie chaotisch, zonder voorbereiding en zonder vast plan plaats vond en daar tegelijkertijd juist die elementen uit de ondernemingen verjaagd werden, die alleen in staat geweest zouden zijn wat regel in aanvoer en afzet te brengen, geraakte het gehele productieapparaat al spoedig in ontzettende wanorde en het gevaar dreigde, dat het tot stilstand zou komen.

In het reeds meer aangehaalde werk van Jugov over Die Volkswirtschaft der Sowjetunion komen de volgende, aan officiële gegevens ontleende cijfers voor, betreffende de bruto productie van de Russische grootindustrie (omgerekend in voor-oorlogsprijzen). De bruto productie bedroeg:

Roebelin procenten van 1913
19135.621.000.000100
19166.831.000.000121
19174.344.000.00077
1920/21981.000.00017

Jugov voegt hier aan toe:

“In sommige takken van industrie was de productie bijna volkomen stilgelegd. Zo was de koperproductie tot 0.001 % teruggebracht, de ertsproductie tot 1.7 %, de productie van gietijzer tot 2.4 %, de productie van bouwmateriaal tot 2 a 3 %” (Bladzijde 37, Duitse tekst).

Jugov noemt als oorzaken van deze ontwrichting der industrie, “de oorlog, de revolutie, de burgeroorlog en de gewelddadige nationalisatie.” Ook blijkt uit deze cijfers geen catastrofale benadeling van de uitbreiding der productie door de oorlog.

Een revolutie betekent natuurlijk altijd storing van de productie; toch trad na de democratische revolutie nog geen catastrofale teruggang van de industrie aan de dag — wanneer de cijfers althans juist zijn. Deze teruggang begon eerst in de periode van de burgeroorlog en van de “gewelddadige”, dat wil zeggen van de overhaaste, chaotische, anarchistische nationalisatie.

De industrie dreigde tot volkomen stilstand te komen en wel binnen zeer korten tijd, wanneer niet krachtig aan de anarchistische toestand een einde werd gemaakt. De bolsjewieken hadden door de opheffing van de Constituerende Nationale Vergadering de burgeroorlog ontketend en waren overwinnaars gebleven. Vroeger hadden zij de verovering van de politieke macht voor een niet gering deel hieraan te danken, dat zij het leger, dat door de langdurige vergeefse oorlog reeds zeer wankel was, tot volkomen ontbinding, tot een uit elkaar gaan brachten. In de burgeroorlog gelukte het hun een nieuw, straf gedisciplineerd leger te vormen, dat met de benden van de contrarevolutionaire witte generaals afrekende. De massa van boeren en arbeiders koos daarbij de zijde van de bolsjewieken, daar in de rijen der witte garde die elementen de boventoon voerden, die niet alleen het bolsjewisme, maar de gehele revolutie sedert maart 1917 teniet wilden doen.

De vorming van dit leger is een van de wonderlijkste prestaties uit de wereldgeschiedenis, des te verwonderlijker, daar de stuwkracht niet van een militaristisch vakman kwam, doch van een burger en niet eens van iemand, die in zijn beroep praktische organisatiearbeid verrichtte, maar van een kamergeleerde, Trotski. Weliswaar liet hij zich daarbij door tsaristische generaals helpen, zoals Garvy in zijn geschrift over het Rode militarisme meedeelt.

Het bolsjewisme was van meet af aan een samenspanning geweest naar blanquistisch voorbeeld, die opgebouwd was op de blinde gehoorzaamheid van de leden aan hun autocratische leiders. Op dit punt stemmen bolsjewisme en militarisme overeen. Daarom liggen al zijn successen op gebieden, waar de militaristische methoden toegepast kunnen worden.

Nadat het bolsjewisme de militaire anarchie, door de vorming van een leger met ijzeren discipline, overwonnen had, maakte het zich op om door aanwending van dezelfde middelen ook de anarchie in de genationaliseerde industrie te boven te komen.

Zoals voordien reeds enige malen geschied was en nadien zo dikwijls, ging het bolsjewisme ook ditmaal zonder overgang van het ene uiterste tot het andere over. Van onbeperkte vrijheid in de fabriek ging het over tot de meest straffe discipline, ja dikwijls zelfs tot een formele militarisering.

Lenin ging niet zo ver als Trotski wilde gaan. Toch werd de arbeiders een ver doorgevoerde discipline opgelegd. Zij werden — en dit is het beslissende hierin — ondergeschikt gemaakt aan niet door hen gekozen of tenminste beïnvloede, maar aan van bovenaf, door de met de staatsmacht beklede personen benoemde ambtenaren.

Dit proces gaat sedertdien steeds verder, steeds meer worden alle door de arbeiders gekozen vertrouwensmannen, die over het bedrijf zouden kunnen meepraten, door óf direct door de staatsmacht benoemde, óf de arbeiders opgedrongen, leidende persoonlijkheden vervangen. Wij hebben reeds gezien dat dit zelfs gold voor vakverenigingen en coöperaties.

Staatsbeambten leiden nu de productie. Toch zijn het dikwijls mensen, die niet het vertrouwen van de staatsmacht hebben. De revolutie heeft de vroegere employés een te grote poets gebakken, dan dat zij zich voor de revolutie enthousiast konden betonen. En zelfs diegenen, die zich in het onvermijdelijke schikten, werden wantrouwend aangekeken. Men had echter geen keus. Zonder hen kon men niet produceren. Men moest hen op leidende posten plaatsen.

Zoveel mogelijk trachtte men natuurlijk naast deze elementen, die uit de oude maatschappij overgenomen waren, ook communisten met de leiding te belasten. Maar zouden die vrij blijven van iedere corruptie en aanmatiging, waartoe hun functies hen verleiden konden?

Een sterke democratie in het bedrijf en in het politieke leven zou dit kunnen voorkomen, zou kunnen bewerkstelligen, dat geen misstap verborgen bleef, dat iedere fout gestraft zou worden. Maar het bolsjewisme werd steeds meer tegengesteld aan de democratie. Het streefde naar de almacht op alle gebieden van het maatschappelijk leven. Dat was onverenigbaar met de democratie, dat vorderde de aanwending van dezelfde middelen, waarvan het monarchistische absolutisme zich reeds bediend had: een leger en een bureaucratie, die aan de meest straffe discipline onderworpen werden. Door gebruik van deze twee middelen wordt de gehele bevolking onderworpen en aan de leiband gehouden.

De afgedwongen, volkomen zwijgzaamheid van het volk maakt het zeer moeilijk om fouten van de leidende personen aan het licht te brengen. Een autocratisch bewind ziet zich daardoor steeds gedwongen, in de plaats van de controle van de zijde der publieke opinie, speciale controleorganen te scheppen, die op hun beurt weer gecontroleerd moeten worden. Het resultaat van dit systeem is voortdurend wantrouwen en voortdurende spionage, welke geleid wordt door een politieke partij die met onzen Lieven Heer de eigenschappen van alomtegenwoordigheid en van almacht deelt, maar niet die van albarmhartigheid en alwijsheid.

Het sovjetsysteem, dat de methoden van het monarchistische absolutisme uit de politiek ook op de industrie overdraagt, vergroot steeds meer de bevoegdheden van de bedrijfsleiders tegenover de arbeiders, onderwerpt echter tegelijkertijd deze leiders ook steeds meer aan een voortdurende controle en beperking door politieke en economische instanties, die hun ieder initiatief, iedere zelfstandige maatregel onmogelijk maken. Zelfs de kleinste veranderingen in het bedrijf vereisen een oneindige briefwisseling met hogere instanties. Een ontzaglijk bureaucratisch apparaat wordt opgebouwd, met het doel die personen, die in het productieproces leidende functies hebben, te controleren. In werkelijkheid is het resultaat hiervan slechts, dat deze personen en het gehele apparaat lam gemaakt worden.

De noodlottige uitwerking van dit nieuwe systeem van bureaucratisch absolutisme van de staatsmacht in de industrie blijkt niet zo snel als die van het vroeger toegepaste systeem van de anarchie. Bij de huidige psyche van het Russische proletariaat levert het betere resultaten op. Maar die betere resultaten zijn alleen iets minder slecht, zij zijn niet goed. Zij werken niet zo snel vernielend. Toch ruïneren ze de Russische industrie niet minder zeker, al geschiedt dit ook langzamer en op een andere manier. Ze ontwrichten de industrie niet, maar verstikken deze in hun ijzeren greep.

Terwijl alle kapitalistische landen van Europa de vernieling van de oorlog reeds lang te boven zijn en de productiviteit van hun industrie sterk toegenomen is, heeft de Russische industrie, niettegenstaande het eindigen van oorlog en burgeroorlog en de tien jaren vrede, eerst in de laatste tijd het stadium van voor de oorlog overschreden. En waar het deze industrie gelukte door buitengewone aansporing — zoals bijvoorbeeld bij het vijfjaarplan — de cijfers der productie te vergroten, geschiedde dit meestal ten koste van de kwaliteit, zoals wij reeds gezien hebben.

Men kan natuurlijk niet in cijfers uitdrukken in hoeverre de vermeerdering van de geproduceerde kwantiteit door de verslechtering van de kwaliteit wordt genivelleerd. Eén ding is echter zeker: de vermeerdering van de productie wordt alleen bereikt met behulp van methoden, die de arbeidslust en de arbeidsgeschiktheid van de arbeiders steeds kleiner maken en die dus de belangrijkste factor van de productie, de arbeidskracht, ruïneren. De steeds wisselende cijfers van Stalins statistiek brengen in dit feit geen verandering.

Gezien de snelle bevolkingstoename betekent dit echter een steeds toenemend onvermogen van de Russische industrie om in de behoeften van het land te voorzien. Dit betekent dus een toenemende verarming.

Aan deze verarming, en niet aan het gebrek aan goede wil, moet het toegeschreven worden, dat niets van hetgeen de sovjetmachthebbers in uitzicht hebben gesteld, uitgevoerd is geworden. Toen zij in 1917 geheel onverwacht de macht in handen kregen, zetten zij zich met geweldige plannen aan het werk.

Zij waren vervuld van het gehele sociaaldemocratische program, dat zij met ons gemeen hadden. Dat de sociaaldemocraten van West-Europa het nog niet vervuld hadden, schoven de bolsjewieken op hun verraad en lafheid, zo al niet op ogendienst aan de bourgeoisie. Zij zelf zouden nu de wereld tonen wat een sociale revolutie betekent en welke wonderen zij kan uitrichten.

Ze hadden de beste voornemens, hadden grootse plannen. Maar alles mislukte door de onmacht van de genationaliseerde industrie. Dit is ook per slot van rekening de oorzaak, niet alleen van de erbarmelijke toestand in Rusland, maar ook van de onrustig wisselende koers van zijn heersers, die steeds in de kortste tijd plotseling politieke en economische zwenkingen uitvoeren, de tot dusver gevolgde koers voor onjuist verklaren en een geheel tegenovergestelde richting inslaan, zonder ooit uit de ellende te komen, doch om er steeds dieper in weg te zinken. Sovjet-Rusland is te vergelijken met een koortslijder, die zich, door ondragelijke pijn gekweld, rusteloos op zijn bed om en om keert. Hoe hij ook gaat liggen, op de rechter- of op de linkerzijde, de ziekte gaat niet over. Zij gaat voort met het ondermijnen van de gezondheid.

Welke van de verschillende bolsjewistische methoden om de genationaliseerde industrie te leiden is nu echter de wezenlijk revolutionaire, die, welke het proletariaat bevrijdt en verheft?

Geen van deze methoden heeft iets gemeen met ons sociaaldemocratisch doel. Dit doel toch eist niet onvoorwaardelijk de nationalisatie, maar, zoals Marx en Engels reeds zeiden, het brengen van de industrie aan de gemeenschap, hetgeen niet alleen door nationalisatie mogelijk is, maar ook door de industrie in handen te leggen van de gemeenten en de coöperaties. Ons program eist voorts het brengen van de productie aan de gemeenschap langs democratische weg. De democratische staat met volledige democratische controle en met volledige politieke bewegingsvrijheid van al zijn burgers, moet dit brengen aan de gemeenschap stelselmatig voorbereiden en doorvoeren, op grond van de democratie ook in het bedrijf, dat wil zeggen, op grond van een democratische organisatie van het bedrijf, waaraan zijn arbeiders enerzijds en de consumenten anderzijds deel hebben.

Dit is een doel, dat totaal verschilt zowel van de anarchistische beginperiode van de sovjetindustrie, waar regel en discipline volkomen ontbraken, als van de bureaucratische ban van de industrie, die het tweede stadium van het staatsbeheer kenmerkt.

Moeten wij nu deze bolsjewistische nationalisatiemethode als sociale revolutie opvatten, hoewel wij ervan overtuigd zijn, dat zij de belangen van het proletariaat en de vruchten van zijn revolutie ruïneren en ruïneren moeten? Wanneer wij zover gingen en deze dwaasheid aannamen, dan zou toch op zijn minst de vraag, wanneer de werkelijke sociale revolutie in Rusland begonnen is, beantwoord moeten worden. Was het onder de anarchistischer of de bureaucratische dwang? Deze beide zijn onverenigbaar, de ene is precies het tegendeel van de andere. Welke van deze beide vertegenwoordigt de revolutie, welke de contrarevolutie?

Of wel, moeten wij aannemen, dat alles wat door de bolsjewieken gedaan wordt, door ons als revolutie moet worden beschouwd en door ons verdedigd moet worden zolang de bolsjewieken er aan vasthouden, of ze naar rechts of naar links gaan, alleen om het feit, dat de bolsjewieken het in naam van de revolutie tot stand brengen?

Men ziet uit het voorgaande, dat de vraag, wat revolutie en wat contrarevolutie is in Rusland, zeer ingewikkeld is geworden.

De verheffing aan het proletariaat tot heersende klasse

De bolsjewieken geloven, dat zij, evenals door de algemene nationalisatie van de productiemiddelen, het marxistisch program kunnen verwezenlijken door de plaats, die zij het proletariaat, de loonarbeiders, in de staat, in de productie, in de maatschappij geven. Zij maken dit proletariaat tot heersende klasse en spreken van de dictatuur van het proletariaat.

Wat interesseerde Marx en Engels in het proletariaat? Evenals de andere socialisten kwamen ook zij tot hun socialistische beschouwingen door de ellende, die zij om zich heen zagen en waarvan zij ontsteld waren. Alle ellende, alle onderdrukking, had een revolterende invloed op hen, niet alleen de kommervolle omstandigheden, die het deel waren van de loonarbeiders. Wel traden deze bijzonder sterk aan de dag in de eerste helft van de vorige eeuw; zij trokken des te meer de algemene aandacht doordat zij nog nieuw waren en daardoor verrasten.

Maar het waren toch niet alleen de toestanden onder de loonarbeiders, die Marx en Engels bezighielden. De eerste noodtoestand tot welks bestrijding Marx het woord voerde (1843), was die onder de kleine wijnbouwers aan de Moezel. Het eerste manifest der “Internationale”, dat Marx, na het oprichtingsschrijven, in 1864 de wereld inzond, was een gelukwens aan Lincoln ter gelegenheid van het vrijmaken der negerslaven.

Dat de belangstelling van onze meesters toch overwegend uitging naar het industriële loonproletariaat kwam doordat zij ontdekten, dat dit proletariaat een historische rol te vervullen heeft.

Bij geen enkele andere uitgebuite, geknechte, ontvoogde klasse, die zij waargenomen hadden, konden zij het vermogen ontdekken om zichzelf door een sociale omwenteling te bevrijden. Noch het lompenproletariaat, noch de slaven zijn daartoe in staat. Ook de lijfeigenen en anderen geknechten boeren moest de vrijheid eerst uit de steden gebracht worden. De boerenoorlogen zijn alle mislukt.

Van geheel ander karakter zijn de industriële loonarbeiders in de steden. Hun aantal stijgt bij de kapitalistische productie niet alleen veel sneller dan dat van de overige werkende klassen en groepen, maar zij verkeren ook onder betere voorwaarden om zich te organiseren en te ontwikkelen. Het kapitaal haalt hen uit de oude omstandigheden, waarin hun voorouders leefden; zij worden minder door traditionele ideeën beheerst, zijn meer vrij van vooroordeel en gemakkelijker toegankelijk voor nieuwe ideeën.

Reeds negentig jaar geleden zagen Marx en Engels in het industriële proletariaat niet alleen zijn huidige ellende, maar ook zijn toekomstige grootheid. Toen reeds zagen zij het vermogen en de kracht, die het in de loop van de klassenstrijd, dank zij het voortdurend groeien der grootindustrie, zal verwerven om de staat te beheersen en het ganse productieproces, met behulp van de staatsmacht, aan te passen aan de behoeften van de arbeidersklasse.

Onze meesters ontdekten nog meer in het industriële proletariaat. Enige klassen zijn reeds vóór het proletariaat uit de nederige positie, die zij innamen en uit knechtschap tot vrijheid en tot beheersing van de staat opgeklommen. Tot dusver betekende dat echter nog niet een vermindering van de sociale ellende, maar alleen een wisseling van de personen, die hieronder gebukt gingen. Het proletariaat is echter de onderste klasse. Marx en Engels waren van mening, dat het proletariaat de politieke macht niet zou kunnen benutten om zich zelf als nieuwe heersende klasse boven de andere te plaatsen en deze omlaag te drukken, maar alleen om een einde te maken aan de klassenheerschappij en het knechtschap.

Deze grote historische taak maakt het industriële proletariaat voor de marxisten zo waardevol. Door deze taak ook wordt dit proletariaat, moreel en intellectueel, boven alle andere arbeidende klassen verheven en moreel eerst terdege boven de uitbuitende klassen. Soms staat het ook intellectueel zelfs boven deze klassen door zijn openstaan voor nieuwe ideeën. De mens groeit naarmate hij zich een hoger doel stelt.

Maar hij groeit alleen dan, wanneer hij zich een hoger doel stelt of gesteld ziet. Eerst werd het proletariaat als onderste der arbeidende klassen in zo onmenselijke, onterende verhoudingen omlaag gedrukt, dat het het onwetendste, ruwste deel der bevolking uitmaakte. Eerst in de klassenstrijd, maar voor alles door het hoge doel, dat het zich gesteld heeft, tot vrijmaking der gehele mensheid, verheft het zich uit de poel van ellende, waarin het verzonken is, om de hoogste top van menselijk idealisme te bestijgen.

Marx en Engels waren geen blinde bewonderaars van het proletariaat op zich zelf. Niemand heeft treffender dan zij het diepe verval geschilderd, waartoe de kapitalistische uitbuitingswoede het gebracht had. Maar niemand heeft ook duidelijker de grootheid gezien, waartoe het proletariaat komen kan, daar het de enige klasse is, die in de kapitalistische maatschappij nog grote idealen heeft.

Hun belangstelling ging uit zowel naar de meest verdrukten, de meest ontaarde proletariër als naar het door het socialistisch ideaal omhoogstrevende proletariaat. Zij hadden daarentegen niets op met loonarbeiders, wie het gelukte zich uit de ellende los te werken, die echter daarbij alleen aan zichzelf dachten, die er niet naar streefden de kracht, die zij veroverden, te benutten tot de verheffing van de onder hen staande mensen, maar alleen daartoe om zich een betere afzonderlijke plaats als bevoorrechte aristocratie van de arbeid te verzekeren, ten koste van hen, die een mindere plaats innemen. En nog minder belangstelling hadden zij voor een proletariër, die slechts streefde naar het behalen van een persoonlijk momenteel voordeel, hoe hij dit ook trachtte te behalen, hetzij door het kopen van de gunst van enkele bezitters, hetzij door hen te plunderen.

Dergelijke zelfzuchtige handelwijzen moesten het proletariaat het grote doel ontnemen, dat het uit zijn aanvankelijk ruw verval moest opheffen, moesten het moreel en intellectueel degraderen, moesten een deel van dit proletariaat van werktuig ten bate van de algemene bevrijding veranderen in een werktuig der onderdrukking en daarmede een toestand scheppen, die weer het neerdrukken van het proletariaat zelf als klasse mogelijk maakte.

Hoe groot ook de waarde was, die Marx en Engels reeds vroeg, voor alle andere socialisten, aan de vakverenigingen toegekend hadden, toch zagen zij met wrevel, dat enige vakverenigingen in Engeland begonnen zich af te sluiten en de toetreding van nieuwe leden te bemoeilijken, ten einde een arbeidersaristocratie te vormen.

Zo moeten wij ook thans de politiek van sommige vakverenigingen in Amerika veroordelen, die negers niet toelaten of de immigratie beperken. Zo ook de politiek van blanke arbeiders in Zuid-Afrika om de kleurlingen politieke en economische gelijkstelling te onthouden.

Aan de andere kant kan onze sympathie ook niet uitgaan naar die, helaas nog te talrijke arbeiders, die aangesloten zijn bij de gele vakverenigingen of die zich aan fascistische organisaties verkopen.

Wij streven naar de politieke heerschappij, niet van het proletariaat als zodanig, maar van het “klassenbewust” proletariaat, dat wil zeggen het proletariaat dat zich bewust is van de grote historische taak, die het te vervullen heeft. Wij streven naar deze heerschappij door het gewicht van de meerderheid in de democratie. Het proletariaat moet deze meerderheid krijgen én door de economische ontwikkeling, die het grootbedrijf steeds meer tot de overheersende bedrijfsvorm maakt, én door het vertrouwen, dat de partij van het klassenbewuste proletariaat onder alle verdrukten van de meest verschillende klassen daardoor zal winnen, dat het in de strijd voor zijn eigen klassebelangen de belangen van de gehele uitgebuite en geknechte mensheid verdedigt.

Hoe rijmt zich de praktijk der bolsjewieken, met betrekking tot het proletariaat, met deze marxistische opvatting?

In de eerste plaats maakten zij aan de gehele particuliere uitbuiting van de zijde der kapitalisten en grootgrondbezitters een einde, door hun radicaal hun bezit te ontnemen. Hoezeer ook de methoden, die daarbij toegepast werden, te bekritiseren zijn, het resultaat schijnt per slot hetzelfde te zijn als waarnaar het West-Europese socialisme streeft. Er is ook inderdaad door niet weinig kameraden beweerd, dat alleen in de methode en niet in het doel het onderscheid ligt tussen ons en de communisten.

Wij hebben reeds gezien, dat dit niet geldt voor het brengen van de industrie in handen van de staat. Maar het geldt ook niet voor de opheffing van de klassenverschillen, wanneer men deze dingen nader beziet.

Van de aanvang af is men te ver gegaan bij de onteigening. De opheffing der klassenverschillen op het platteland vordert bijvoorbeeld, wanneer het boerenbedrijf overheerst, dat ieder genoeg land krijgt om een boerenbedrijf uit te oefenen. Volgens dit principe is men ook in Georgië te werk gegaan. Daar maakte men van de grootgrondbezitter een boer. Een gezin mocht niet meer dan 15 desjatine akkerland behouden (1 desjatine is iets meer dan 1 ha).

In Rusland deed men het anders: daar werd eenvoudig alles afgenomen van de grootgrondbezitters, hun grond en de gehele inventaris, zodat het hun onmogelijk gemaakt werd ook zelfs het kleinste boerenbedrijf uit te oefenen. En bovendien ontnam men hun nog hun woningen, hun geld, ja zelfs de meest onontbeerlijke dingen, als kleren en ondergoed, werden hun afgenomen. Men maakte geen boeren van hen, maar bedelaars, die onder de boerenstand stonden.

Dat was nu juist niet in overeenstemming met het program van Marx, dat de afschaffing van het particulier bezit eist van de maatschappelijke productiemiddelen, maar niet van de middelen voor persoonlijk gebruik.

De kapitalisten werden op dezelfde wijze behandeld als de grootgrondbezitters; niet alleen hun productiemiddelen, maar ook hun consumptieartikelen werden in beslag genomen.

Nu zullen er lezers zijn, die tegenwerpen, dat men in tijden van revolutie, wanneer de massa’s ontketend zijn, niet zo precies volgens een program te werk kan gaan. Daar kan men echter tegen in brengen, dat in de 19e eeuw in geen revolutionaire beweging van het industriële proletariaat in West-Europa plunderingen hebben plaats gehad. Integendeel: juist de proletariërs beschouwden zulk een handeling als hunner onwaardig. Niet alleen verwierpen zij zulk een handelwijze voor zichzelf, doch zij beletten ook het lompenproletariaat zich op deze wijze te bevoordelen. Dat het Russische proletariaat een andere houding aannam, bewijst, dat het nog niet op die hoogte stond, die het Franse reeds honderd jaar geleden bereikt had, of dat de bolsjewistische partij de bezwaren, welke bij het proletariaat bestonden tegen deze wijze van doen, trachtte te sussen en de meest tomeloze elementen aan de spits der beweging plaatste.

Dat geldt ook thans nog. De “kloptroepen”, die door de bolsjewieken naar het platteland gezonden worden om het van koelakken te zuiveren, plunderen thans, tien jaren na de periode van de burgeroorlog, de boeren net zo als in de tijd van het “oorlogscommunisme” de grootgrondbezitters en kapitalisten geplunderd werden.

Men moet niet denken dat een burgerlijke levenshouding in Rusland niet meer geduld wordt; zij is echter alleen beperkt tot de Communistische Partij.

Men stelde er zich, wat de “bourgeois” betreft, niet enkel tevreden mee hun de beschikking over hun productiemiddelen te ontnemen en hen van alle luxe te beroven, wat in ieder geval een revolutionaire betekenis had kunnen hebben, wanneer het rationeel en zonder overbodige gestrengheid gebeurd was. Ook stelde men er zich nog niet tevreden mee hun bovendien alle cultuurvoorwerpen, boeken, muziekinstrumenten, kunstvoorwerpen af te nemen of deze te vernielen. Zeer dikwijls werden zij zelfs van het meest noodzakelijke beroofd, voor zover zij niet eenvoudig werden doodgeslagen.

Maar zelfs hun verlaging tot het meest nooddruftige lompenproletariaat was nog niet voldoende. De bevrijding van het proletariaat eiste blijkbaar meer. De voormalige bourgeois werden niet slechts tot de uiterste ellende gedoemd, maar ook volkomen van alle rechten beroofd, niet alleen van politieke, maar van alle burgerrechten en daarmede volkomen overgeleverd aan iedere willekeur.

Dit lot ondergingen niet alleen, bij wijze van straf, de voormalige uitbuiters; niet alleen kapitalisten en grootgrondbezitters werden door dit lot getroffen, maar ieder, die men als “bourgeois” beschouwde.

De bourgeoisie is echter een sociale groep, geen economische categorie. “Kapitalist” en “grootgrondbezitter” zijn duidelijke begrippen; zij kenmerken zich door bepaalde economische functies. Het begrip “bourgeois” is veel vager. Men beperkt het soms alleen tot de kapitalist, in tegenstelling tot de grondbezitter, wanneer deze van adel is. Soms ook bedoelt men er iedereen mee, die zich verheugt in een “burgerlijke” levenshouding, onafhankelijk van de bron van zijn inkomsten, of deze voortvloeien uit kapitaal of grondbezit, dan wel uit eigen arbeid als intellectueel, als arts, ingenieur, leraar, kunstenaar, ambtenaar of kantoorbediende. In deze zin is ieder, die geen eeltige arbeidersvuist bezit, een bourgeois.

Alle “bourgeois” van deze laatste soort werden tot straf voor hun vroegere levenshouding, die hen boven het proletariaat stelde, van alle rechten ontheven en mishandeld, al hadden zij nog zo nuttige arbeid in het belang van de maatschappij verricht of al verrichtten zij deze. Niet alleen bezit, maar ook ontwikkeling werd een misdaad — wanneer althans bezit en ontwikkeling bij niet-communisten voorkwamen. Zij golden niet alleen in de opgewonden dagen van de burgeroorlog als misdaad. Neen, bezit en ontwikkeling zijn misdaden, die nooit verjaren en die heden ten dage nog rechteloos maken.

Wanneer men, zoals dikwijls voorkwam, dwangarbeiders nodig had om onaangename arbeid te verrichten, dan zocht men daarvoor alleen vroegere bourgeois uit, ook oude, zwakke en zieke. Wanneer er voedselgebrek is, wanneer de levensmiddelen gerantsoeneerd en alleen op kaarten verstrekt worden, dan krijgen wel de loonarbeiders ze, maar niet de vroegere bourgeois; die mogen van honger omkomen. Wie zou zich om zulke misdadigers nog bekommeren?

En al deze door de Sovjetmaatschappij uitgestotenen zijn geboren misdadigers, van wie men aanneemt, dat zij hun misdadige natuur op het nageslacht zullen overbrengen. De kinderen van kapitalisten of intellectuelen blijven eveneens van alle rechten ontbloot.

Wanneer er plaatsgebrek in een school is — iets, dat in Rusland maar al te dikwijls voorkomt, daar het aantal scholen veel te klein is — dan moeten de kinderen der “bourgeois” er uit, voor zover zij in die school toegelaten waren.

Maar zijn de bourgeois daar zelf niet schuld aan? Waarom gaan zij niet als loonarbeiders in de fabrieken werken? Het ligt voor de hand, dat dit soort arbeid door een geleerde of een schrijver niet gemakkelijk verricht wordt. Maar velen onder hen zouden met vreugde zulke arbeid aanpakken, wanneer zij maar mochten! De loonarbeid is in Sovjet-Rusland een geprivilegieerd beroep geworden, dat zijn privileges beschermt — zoals iedere bevoorrechte groep doet — door een grotere toevloed tegen te houden. Wie als loonarbeider werkzaam wil zijn, moet als lid van een vakvereniging aangenomen worden. Welke vakvereniging zal een bourgeois als lid toelaten? Proletariër mag hij worden, maar hij moet een werkloze, van alle proletarische rechten, van iedere werkloosheidsuitkering uitgesloten proletariër worden!

De verheffing van het proletariaat in de Sovjetstaat geschiedde, doordat deze staat onder dit proletariaat een groep van paria’s of heloten schiep — een groep, die in de steden niet gering te noemen is. En deze neemt nu ook in de dorpen een groteren omvang aan, sedert men daar begonnen is met het “liquideren van het koelakkendom” op dezelfde wijze als tien jaar geleden in de steden de “bourgeoisie geliquideerd” werd.

Is er ergens ter wereld een ware socialist, wie het bestaan van zulk een bevolkingsgroep, die in de diepste ellende en grootste wanhoop leeft, niet in hoge mate tegen de borst stuit? En zal hij zich niet met bijzondere afschuw tegen een regiem verzetten, dat een dergelijke ellende en een dergelijke wanhoop kunstmatig, met voorbedachten rade, in het leven heeft geroepen? Moeten wij deze brutale bespotting van ieder sociaal gevoel daarom goedkeuren, omdat de loonarbeiders er door in een bevoorrechte positie komen?

Daarbij komt nog, dat het zeer de vraag is of het proletariaat wel zulk een bevoorrechte positie inneemt. Economisch is de positie van de Russische arbeider in de laatste jaren beslist verslechterd, zeker in vergelijking met de positie van de arbeider in kapitalistische staten en voor velen ook zelfs in vergelijking met de tijd van voor de oorlog in Rusland zelf. De positie van het proletariaat moet steeds slechter worden, hoe meer de bureaucratisch omklemde staatsindustrie in gebreke gaat blijven.

Sociaal is het proletariaat in zover vooruitgegaan als de klassen en groepen mensen, die vóór de bolsjewistische revolutie boven het proletariaat stonden in maatschappelijk opzicht, nu onder het proletariaat staan, voor zover zij nog bestaan. Dat kwam echter niet, doordat het proletariaat sneller omhoog kwam dan deze groepen mensen, maar alleen doordat hun positie zich nog enorm meer verslechterd heeft dan die van het proletariaat.

Tegenover deze groepen voelt het proletariaat zich vooruitgegaan en dat mag het een zekere voldoening geven en het zelfs aan het sovjetregime binden, waaraan het deze merkwaardige verheffing te danken heeft; toch moet tenslotte de meest in zijn ideeën vastgeroeste proletariër inzien, dat zijn aristocratische positie, bij de voortgaande verarming van Sovjet-Rusland, van zeer twijfelachtige aard is en hem van iedere werkelijke verheffing uitsluit.

De loonarbeider vormt in Sovjet-Rusland een soort adel, dat wil zeggen de laagste trap van de adel, de kleine adel. In vele reactionaire landen leidt dit soort adel een treurig bestaan en is daar dikwijls gedwongen het rommelen van zijn lege maag door een aristocratisch hoogheidsgevoel te overstemmen.

Daarboven staat in reactionaire landen en in Sovjet-Rusland een hoge adel. Deze wordt in Rusland gevormd door de Communistische Partij, die de staat regeert. Zijn leden mogen zich vrijer bewegen dan de “onderdanen”, zij mogen kranten uitgeven, een vermogen bijeengaren en een burgerlijke levenshouding aannemen. Deze toch wordt in Rusland niet principieel ontoelaatbaar geacht, doch alleen voor de vroegere bourgeois en hun nakomelingschap. De communisten vormen de herenklasse, die over de rest van de bevolking naar believen beschikt, waarvan zij echter niet veel meer dan één procent uitmaakt.

Natuurlijk waakt deze klasse over zijn enorme privileges nog veel na-ijveriger dan het werkende proletariaat over zijn bevoorrechte positie. In andere landen wordt tot een vakvereniging of een partij ieder toegelaten, die de besluiten wil erkennen en nakomen. In Rusland worden vroegere boeren of bourgeois amper in een vakvereniging opgenomen. De toelating tot de Communistische Partij is nog veel moeilijker te verkrijgen en nooit is men zeker van zijn lidmaatschap. Onophoudelijk hebben “zuiveringen” plaats.

Hier ligt een wezenlijk verschil tussen de sovjetaristocratie en de aristocratie in de reactionaire staten. Deze was erfelijk en verleende haar klasse tegenover het staatshoofd belangrijke rechten, die haar oppositie dikwijls zeer succesvol deed zijn en haar trots en zelfstandigheid, niet alleen tegenover de volksmassa, maar ook tegenover de monarch verleenden.

In Sovjet-Rusland heeft niemand recht op de plaats, die hij inneemt. Zijn positie hangt niet van het vertrouwen van de bevolking en haar vrije keus af, zoals in de democratie, maar alleen van het vertrouwen en de gunst van de hoogste leiders van de staat. Deze leiders worden niet gevormd door een erfelijke dynastie, maar door een kliek, die zich meester heeft gemaakt van het gehele sovjetapparaat, van zijn leger, zijn bureaucratie, van de politieke politie en met haar hulp niet alleen de vakverenigingen en de sovjets, maar ook de Communistische Partij, op dictatoriale wijze, dat wil zeggen met onbeperkte willekeur, beheerst.

Op welke wijze dit geschiedt is gebleken in het geval-Trotski, na Lenin wel de belangrijkste leider van het bolsjewisme, die met Lenin het meest tot de overwinning van deze partij heeft bijgedragen.

Deze grenzenloze willekeur is onder de verschrikkelijke gebeurtenissen in Sovjet-Rusland wel de ergste; die, welke de gehele bevolking het meest degradeert.

De zedelijke grootheid van het proletariaat blijkt uit de grootte van zijn historische taak: aan alle knechtschap en uitbuiting een einde te maken. Het verliest deze grootheid, wordt enghartig, hard en ruw, wanneer het van een strijder voor de bevrijding der mensheid heerser over anderen wordt, wanneer het een verdediger wordt van eigen voorrechten.

Deze invloed wordt reeds in het Russische proletariaat merkbaar. Door de historische positie van het proletariaat onder het tsarisme werden de strijdbare elementen gedwongen zich bijzonder hoge doeleinden te stellen. Deze positie maakte de Russische strijders tot een voorbeeld voor de gehele socialistische Internationale. De bolsjewistische revolutie heeft het proletariaat in een positie gebracht, die zijn daadwerkelijke sympathie voor alle onterfden en verdrukten omzette in brutaal leedvermaak en wraakzucht tegenover mensen, die zwaar leden, die het zelf tot paria’s en heloten had gemaakt.

Sedertdien is de psyche van de Russische arbeider veranderd. De Russische pers zelf doet met bezorgdheid steeds vaker mededeling van toenemende ruwheid en stompzinnigheid onder het proletariaat, van toenemende drankzucht, mishandeling van Joodse collega’s en verachting van de vrouw.

Nog erger is ongetwijfeld de verandering in het karakter van de Communistische Partij. Vroeger stonden de bolsjewieken op gelijke hoogte, in zedelijk en cultureel opzicht, met alle andere socialisten in Rusland. Enigen van hen tot vriend te winnen, verwekte grote vreugde en bevrediging. Van deze oude bolsjewieken, die maar een handjevol waren, zijn er niet veel meer in de Communistische Partij werkzaam. Velen zijn gestorven, vele anderen hebben ingezien dat het zo niet verder kan gaan. Anderen weer hebben zich teleurgesteld teruggetrokken of werden aan de dijk gezet. Als paradepaardje op plaatsen waar zij noch politieke, noch economische invloed kunnen uitoefenen, worden enkele van deze kritische makkers nog geduld. Wie zich niet tevredenstelt met een zo passieve rol, wie in de oppositie werkzaam wil zijn, wordt af verjaagd, of eenvoudig naar de andere wereld geholpen, wanneer dat zonder opzien baren geschieden kan. Wie zich aan dergelijke mogelijkheden niet wil blootstellen en toch te veel daadkracht in zich voelt om onwerkzaam te blijven, blijft niets anders over dan zijn werkelijke mening te verloochenen en openlijk te verklaren, dat hij deze veroordeelt en er spijt van heeft.

Op deze wijze wordt het communisme een ware school van meningloosheid.

Daarbij voegde zich nog de kritiekloosheid in de keuze der strijdmiddelen, die Lenin reeds vroegtijdig gepredikt had, namelijk het beliegen ook der eigen kameraden. Hoe erger de werkelijke toestand in Sovjet-Rusland werd, hoe noodzakelijker deze bedriegerij voor het communisme werd om zich te handhaven.

Werden vele oude bolsjewieken, voor zover zij in de partij werkzaam bleven, hierdoor steeds meer naar beneden gehaald, zowel moreel als intellectueel, dit geldt eerst recht voor het veel groter aantal nieuwe communisten. Ongetwijfeld zijn er onder hen vele eerlijke elementen, die elk woord van de leiders ernstig opnemen. Maar de grote en steeds toenemende meerderheid onder hen zijn “Streber”, die hun loopbaan in de partij dadelijk op het lage peil beginnen, waarnaar de oudere kameraden eerst na langen, pijnlijken strijd zijn afgezakt.

Doordat zij minder geremd worden en met veel meer macht bekleed zijn dan de massa der loonarbeiders, ontwikkelen de communisten bij zichzelf de tekortkomingen van een in verval zijnd proletariaat nog in versterkte mate. Zij voegen er nog de bedriegerij aan toe, evenals de slaafse kruiperij voor de boven hen geplaatsten, van wier welwillendheid immers hun bestaan in veel grotere mate afhankelijk is dan dat van de eenvoudige “partijloze” arbeider.

Deze zeer droeve afdaling van een verheven hoogte is een onvermijdelijk gevolg van de sociale toestanden, die de overwinning van het bolsjewisme geschapen heeft. Wat mogen wij in deze afdaling en in de sociale groepenindeling in Sovjet-Rusland, die haar veroorzaakt, als sociale revolutie beschouwen, die wij moeten erkennen en verdedigen?