Nadjezjda K. Kroepskaja

De lievelingsboeken van Iljitsj



Geschreven: 193X
Bron: Over kunst en literatuur - verzamelbundel. Uitgeverij Progres, Moskou 1976 - Herinneringen aan Lenin van zijn familieleden. Moskou 1956. blz. 201-207.
Vertaling: Progres
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, mei 2008


De kameraad door wie ik voor het eerst kennismaakte met Vladimir Iljitsj had tegen me gezegd, dat Iljitsj een geleerd man was, die uitsluitend geleerde boeken las, nog nooit van zijn leven een roman had gelezen en ook nooit gedichten las. Dat verwonderde me zeer. Zelf had ik in mijn jeugd alle klassieken gelezen, ik kende praktisch de hele Lermontov e.d. uit mijn hoofd en schrijvers als Tsjernysjevski, L. Tolstoj en Oespenski waren in mijn leven iets gaan betekenen. Het kwam me verwonderlijk voor dat dit nu een man was wie dat alles in het geheel niet interesseerde.

Later, tijdens het werk, leerde ik Iljitsj van nabij kennen, ik leerde zijn waardering van mensen kennen, ik observeerde zijn voortdurende beschouwing van het leven en van de mensen en de levende Lenin verdrong al gauw het beeld van de man, die nooit een boek ter hand nam met als onderwerp die dingen, waardoor de mensen leven.

Maar het leven nam toen zo’n loop, dat we eigenlijk nooit de tijd vonden om over dat onderwerp te praten. Later, dat was al in Siberië, vernam ik dat Lenin de klassieken niet minder had gelezen dan ik en dat hij bijvoorbeeld Toergenev niet alleen had gelezen, maar enkele keren had herlezen. Ik nam naar Siberië Poesjkin, Lermontov en Nekrasov mee. Lenin legde ze naast zijn bed, naast Hegel, en las ze ‘s avonds keer op keer overnieuw. Poesjkin was zijn lieveling. Maar het was niet alleen de stijl die hem beviel. Hij was bijvoorbeeld erg verzot op ‘Wat te Doen?’ van Tsjernysjewski, hoewel de stijl daarvan ietwat naïef is. Ik was verrast toen ik merkte hoe aandachtig hij dat boek las en hoe hij ook de meest subtiele puntjes opmerkte. Hij hield overigens erg veel van Tsjernysjewski en zijn Siberische album bevatte twee foto’s van deze schrijver, op één waarvan hij de geboorte- en sterfdatum had geschreven. Dit album bevatte ook een foto van Emile Zola en van de Russische schrijvers Herzen en Pisarew. In zijn tijd was Lenin erg verzot op Pisarew en las hij veel van diens werken. Wij hadden in Siberië ook een exemplaar van de ‘Faust’ van Goethe en een bundel met gedichten van Heine, beide in het Duits.

Toen hij uit Siberië terug was in Moskou ging Vladimir Iljitsj eens naar de schouwburg om de ‘Koetsier Renschel’ te zien! Later vertelde hij dat hij er bijzonder van had genoten.

Van de boeken waar hij van hield toen we in München waren herinner ik me ‘Bei Mama’ van Gerhardt en ‘Büttnerbauer’ van Polenz.

Later, tijdens onze tweede emigratie in Parijs, las Lenin graag de ‘Châtiments’ van Victor Hugo, dat over de revolutie van 1848 handelt. Hugo had het in het buitenland geschreven en er werden exemplaren Frankrijk binnengesmokkeld. Hoewel de verzen wat naïef pompeus zijn voelt men er als het ware toch de adem van de revolutie in. Iljitsj was een hartstochtelijk bezoeker van de cafés en de theaters in de buitenwijken van Parijs, waar hij naar de revolutionaire chansonniers luisterde, die in de arbeiderswijken over allerlei onderwerpen hun liedjes zongen — over hoe beschonken boeren een doortrekkende agitator in de Kamer van Afgevaardigden kozen, over de opvoeding van de kinderen, over de werkloosheid, enzovoorts. Iljitsj hield wel erg veel van Montégus. Als zoon van een Parijse Communard was hij de favoriet van de arbeiderswijken. Het is waar dat zich in zijn geïmproviseerde liedjes — die rijkelijk waren versierd met het leven van alledag — niet een bepaalde ideologie weerspiegelde, maar er zat toch veel aantrekkelijks in. Iljitsj neuriede vaak zijn ‘Groeten aan het Zeventiende Regiment’, dat had geweigerd om op stakers te vuren: ‘Salut, salut á vous, soldats du 17-ème’. Op een Russische avond had Iljitsj eens een gesprek met Montégus en het was merkwaardig om deze beide mannen, die zo hemelsbreed van elkaar verschilden, samen te zien terwijl zij over de wereldrevolutie droomden — toen de oorlog uitbrak koos Montégus de kant van de chauvinisten. Maar zo gebeuren die dingen soms — je ontmoet iemand in een spoorwegrijtuig die je nog nooit eerder hebt gezien en onder de begeleiding van de ratelende wielen praat je over de meest serieuze dingen, waarbij je dingen uit, die je anders nooit gezegd zou hebben; en dan neem je afscheid van elkaar en zie je elkaar nooit weer terug. En zo was het ook hier. Bovendien werd het gesprek in het Frans gevoerd en het is gemakkelijker om in een vreemde taal hardop te dromen dan in je eigen. Een paar uur per dag hadden we een Franse schoonmaakster over de vloer. Op een keer hoorde Iljitsj haar luidop zingen over de Elzas. Hij vroeg haar om het nog eens te zingen en later, toen hij de woorden uit zijn hoofd kende, zong hij het vaak ook zelf. Het lied eindigde met de woorden:

‘Vous avez pris l’Alsace et la Lorraine.
Mais malgré vous nous resterons français,
Vous avez pu germaniser nos plaines,
Mais notre coeur — vous ne l’aurez jamais!’

(‘Ge hebt de Elzas en Lotharingen van ons afgenomen, maar ondanks u blijven wij toch Frans. Ge hebt onze vlakten kunnen germaniseren, maar onze harten zult ge nooit hebben.’).

Dat was in 1909, in de tijd van de reactie, toen de partij verslagen was, maar haar revolutionaire geest niet gebroken. En dat liedje paste geheel en al bij de stemming van Iljitsj. Men had moeten horen hoe zegevierend de woorden van dat liedje uit zijn mond klonken:

‘Mais notre coeur — vous ne l’aurez jamais!’

In die allermoeilijkste jaren van de emigratie, waarover Iljitsj altijd met een zekere droefheid sprak (toen we alweer in Rusland terug waren herhaalde hij nog eens wat hij al zo vaak had gezegd: ‘Waarom zijn we eigenlijk ooit uit Genève naar Parijs vertrokken?’), in die moeilijke jaren droomde en droomde hij het allermeest, hetzij in gesprek met Montégus, hetzij bij het liedje over de Elzas of in slapeloze nachten, als hij Verhaeren las.

Later, dat was al tijdens de oorlog, werd Iljitsj aangetrokken door ‘Le Feu’ van Barbusse, dat hij als een bijzonder belangrijk boek beschouwde, een boek dat geheel overeenkwam met zijn stemming van die tijd.

Wij gingen zelden naar het theater. En als we al een keertje gingen werkten de onnozelheid van het stuk en het slechte acteren op de zenuwen van Iljitsj. Gewoonlijk verlieten we de schouwburg dan al na het eerste bedrijf. Dan lachten de andere kameraden ons uit en vroegen waarom we ons geld zo over de balk gooiden.

Maar één keer bleef Iljitsj tot het einde toe zitten; ik geloof dat het eind 1915 in Bern was, waar ‘Het Levende Lijk’ van Tolstoj werd gespeeld. Hoewel het in het Duits werd gespeeld was de man die de rol van de prins vervulde een Rus, die erin slaagde om de idee van Tolstoj over te brengen. Gespannen en opgewonden volgde Iljitsj zijn spel.

En tenslotte in Rusland. De nieuwe kunst kwam Iljitsj vreemd en onbegrijpelijk voor. Op een keer werden wij in het Kremlin uitgenodigd voor een concert, dat was georganiseerd voor roodgardisten. Iljitsj kreeg een plaatsje op de voorste rijen. De actrice Gzowskaja declameerde iets van Majakovski: ‘Onze god is de snelheid, de trommel is ons hart!’ en zij stond vlak voor Iljitsj te gesticuleren, die ietwat overbluft raakte door het onverwachte gedoe; hij begreep maar weinig van de voordracht en hij slaakte een zucht van verlichting toen Gzowskaja’s plaats werd ingenomen door een acteur, die ‘De Boosdoener’ van Tsjechow begon voor te dragen.

Op een avond wilde Iljitsj zelf eens gaan kijken hoe jonge mensen in een commune woonden. Wij besloten een bezoek te brengen aan onze jonge vriendin Warja Armand, die in een commune van de WCHOETEMAS[1] woonde. Ik geloof dat het de dag was waarop Kropotkin werd begraven, in 1921. Dat was een hongerjaar, maar de jonge mensen waren vervuld van geestdrift. De mensen in de commune sliepen praktisch op kale planken en ze hadden brood noch zout, ‘maar we hebben wel gort’, zei een lid van de commune met een stralend gezicht. En met die gort maakten ze voor Iljitsj heel lekkere pap. Iljitsj keek naar die jonge mensen, naar de stralende gezichten van de jonge mannen en vrouwen rondom hem en hun vreugde weerspiegelde zich op zijn gezicht. Zij lieten hem hun naïeve tekeningen zien, legden de betekenis ervan uit en bombardeerden hem met vragen. Maar glimlachend ontweek hij de antwoorden en vroeg in plaats daarvan zelf: ‘Wat lezen jullie? Lezen jullie Poesjkin?’ ‘O nee’, zei eentje, ‘dat was immers een bourgeois; wij lezen Majakovski.’ Iljitsj glimlachte. ‘Ik vind Poesjkin beter,’ zei hij. Hierna had Iljitsj een wat hogere dunk van Majakovski. Elke keer als de naam van deze dichter werd genoemd herinnerde hij zich de jongelui van WCHOETEMAS, die vol van leven en vreugde en bereid om te sterven voor de Sovjetmacht, in de taal van die tijd geen woorden konden vinden om zichzelf uit te drukken en die het antwoord zochten in de moeilijk begrijpelijke gedichten van Majakovski. Maar later prees Iljitsj Majakovski een keer wegens het gedicht waarin de Sovjetbureaucratie belachelijk werd gemaakt. Ik herinner me dat Iljitsj van de moderne boeken geestdriftig was over de oorlogsroman van Ehrenburg. ‘Dat je het weet — die Harige Ilja (de bijnaam van Ehrenburg), ‘vertelde hij zegevierend, ‘Die heeft een goed boek geschreven.’

Wij zijn ook verschillende keren naar het Kunsttheater geweest. Op een keer zagen we daar ‘De Zondvloed’, die Iljitsj goed beviel. De volgende dag zagen we ‘Nachtasyl’ van Gorki. Iljitsj hield van Gorki als mens; hij had hem van zeer nabij leren kennen op het Londense Congres van de partij en hij hield ook van Gorki als kunstenaar; hij zei dat Gorki als kunstenaar in staat was om veel dingen via een half woord te begrijpen. Hij sprak met Gorki ook altijd bijzonder openhartig. Het spreekt dus vanzelf dat hij hoge eisen stelde aan het spel in een stuk van Gorki. Overdreven theatraal gedoe irriteerde hem. En na ‘Nachtasyl’ gezien te hebben meed hij het theater een hele tijd. Op een keer gingen we met z’n tweeën naar ‘Oom Wanja’ van Tsjechov, wat hem erg goed beviel. En tenslotte, op de laatste keer dat we naar de schouwburg gingen zagen we een toneelversie van ‘De Krekel op de Kachel’ van Dickens. Na het eerste bedrijf vond Iljitsj het stuk vervelend. De zoetelijke sentimentaliteit werkte op zijn zenuwen en gedurende het gesprek tussen de oude speelgoedmaker en zijn blinde dochter hield hij het niet langer uit en verliet hij de zaal midden in het bedrijf.

In de laatste maanden van zijn leven las ik hem op zijn verzoek literatuur voor, gewoonlijk in de avonduren. Ik heb hem Sjtsjedrin voorgelezen en ook ‘Mijn Universiteiten’ van Gorki. Hij luisterde ook graag naar poëzie, speciaal van Demjan Bednyj, waarbij hij diens heroïsche gedichten prefereerde boven zijn satirische dingen.

Als hij naar poëzie luisterde keek hij soms in gedachten uit het venster naar de ondergaande zon. Ik herinner me het gedicht dat eindigt met de woorden: ‘Nooit, nooit zullen de Communards weer slaven zijn’.

Toen ik dat voorlas was het net of ik voor Iljitsj een eed herhaalde — nooit en te nimmer zullen wij ook maar één verworvenheid van de revolutie weer loslaten...

Twee dagen voor zijn dood las ik hem een verhaal van Jack London voor, ‘Liefde voor het leven’, het boek dat nu op de tafel in zijn kamer ligt. Dat is een heel sterk boek. Over een besneeuwde woestenij, waar nog geen mens ooit een voet had gezet, zoekt een man, die stervende is van de honger, zijn weg naar een pier aan een grote rivier. Zijn krachten begeven het, hij loopt niet meer, hij kruipt en naast hem kruipt een van honger stervende wolf voort. Er ontstaat een gevecht, dat door de man wordt gewonnen; meer dood dan levend en half krankzinnig bereikt hij zijn doel. Iljitsj werd door dit verhaal meegesleept. De volgende dag vroeg hij me om weer een verhaal van Jack London voor te lezen. Maar bij Jack London gaan de sterke verhalen hand in hand met de uitermate zwakke. Het tweede verhaal was totaal verschillend, doordrongen als het was met een burgerlijke moraal: de kapitein van een schip belooft de eigenaar, dat hij de lading graan tegen een goede prijs zal verkopen en hij offert zijn leven op om die belofte te houden. Iljitsj begon te lachen en maakte een handgebaar.

_______________
[1] WCHOETEMAS — afkorting van Hogere Artistieke en Technische Werkplaatsen.