V.I. Lenin

Over de ‘Wechi’



Geschreven: 1909
Bron: Over kunst en literatuur - verzamelbundel. Uitgeverij Progres, Moskou 1976 - Afgedrukt op 13 december 1909. Werken, 5de uitgave, deel 19, blz. 165-175.
Vertaling: Progres
Deze versie: spelling, voetnoten zijn hernummerd en overgenomen, behoudens enkele
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, mei 2008


De bekende bundel ‘Wechi’, die is samengesteld uit bijdragen van de meest invloedrijke constitutioneel-democratische publicisten, die in korte tijd verscheidene oplagen heeft beleefd en die opgetogen werd ontvangen door de hele reactionaire pers, vormt een regelrecht teken van onze tijd. Hoeveel de kranten van de kadetten ook doen om bepaalde passages in de ‘Wechi’ die wel bijzonder walgelijk zijn te ‘rectificeren’, hoezeer zij ook wordt betsreden door sommige kadetten, die overigens totaal machteloos zijn om de politiek van de Constitutioneel-Democratische Partij te beïnvloeden, het blijft een onherroepelijk feit, dat de ‘Wechi’ het niet mis te verstane wezen van het moderne kadettisme tot uitdrukking brengt.

Daar zij de ontwikkeling van de politieke en klassebewustheid van de massa’s boven alles stelt, zou de democratie van de arbeiders de ‘Wechi’ moeten verwelkomen als een schitterende ontmaskering van de essentie in de politieke richting van de kadetten door hun eigen ideologische leiders. De heren die de ‘Wechi’ hebben volgeschreven zijn: Berdjajew, Boelgakov, Herschensohn, Kistjakovski, Stroeve, Frank en Izgojev. Alleen de namen van deze bekende afgevaardigden, bekende renegaten en bekende kadetten zijn al welsprekend genoeg. De auteurs van de ‘Wechi’ spreken als de ware ideologische leiders van een hele maatschappelijke stroming. In een korte schets geven zij ons een complete encyclopedie over vraagstukken van de filosofie, religie, politiek, publicistiek, met evaluaties van de hele bevrijdingsbeweging en de hele geschiedenis van de Russische democratie. Door aan de ‘Wechi’ de ondertitel ‘Een Bundel Artikelen over de Russische Intelligentsia’ mee te geven onderwaarderen de auteurs het eigenlijke onderwerp van hun publicatie, want bij hen verschijnt de ‘intelligentsia’ in feite als de geestelijke leider, bezieler en mondstuk van de hele Russische democratie en de hele Russische bevrijdingsbeweging. De ‘Wechi’ vormt een bijzonder veelbetekenende mijlpaal op de weg van het Russische kadettisme en het Russische liberalisme in het algemeen naar een complete breuk met de Russische bevrijdingsbeweging, met al haar belangrijkste doelstellingen en al haar fundamentele tradities.

I

Deze encyclopedie van liberaal renegatendom omvat drie fundamentele thema’s: 1) de strijd tegen de ideologische grondslagen van de hele wereldbeschouwing bij de Russische (en de internationale) democratie; 2) de verwerping en bezoedeling van de bevrijdingsbeweging in de laatste jaren; 3) de openlijke proclamatie van hun ‘lakeiensentimenten’ (en een overeenkomstige ‘lakeienpolitiek’) met betrekking tot de oktobristische bourgeoisie, het oude regiem en het hele oude Rusland in het algemeen.

De schrijvers van de ‘Wechi’ beginnen bij de filosofische fundamenten van de ‘intellectualistische’ wereldbeschouwing. Het boek is doordrenkt met verbitterd verzet tegen het materialisme, dat wordt gekwalificeerd als niets dan dogmatisme, metafysica en ‘de meest elementaire en laagste vorm van filosoferen’. (Blz. 4 — de verwijzingen slaan op de eerste editie van de ‘Wechi’). Het positivisme wordt veroordeeld, omdat het ‘voor ons’ (d.w.z. de Russische ‘intelligentsia’) ‘identiek was met de materialistische metafysica’ of ‘uitsluitend in de geest van het materialisme’ werd geïnterpreteerd (15), terwijl’ geen enkele mysticus en geen enkele gelovige het wetenschappelijke positivisme en de wetenschap kan ontkennen’.(11) Nu niet lachen! ‘Vijandschap tegenover idealistische en religieus-mystieke tendensen’ (6) — dat is de beschuldiging waarmee de ‘Wechi’ de ‘intelligentsia’ aanvalt. ‘Joerkevitsj was tenminste een echte filosoof in vergelijking met Tsjernysjevski’(4).

Nu zij op dit standpunt staat gaat de ‘Wechi’ natuurlijk onophoudelijk tekeer tegen het atheïsme van de ‘intelligentsia’ en streeft zij met man en macht naar de herinstelling van de religieuze wereldbeschouwing in haar geheel. Na Tsjernysjewski als filosoof te hebben vernietigd is het alleen maar natuurlijk dat de ‘Wechi’ ook Belinski als publicist vernietigt. Belinski, Dobroljoebov en Tsjernysjevski waren de leiders van de ‘intellectuelen’ (134, 56, 32, 17 en elders). Tsjaadajev, Vladimir Solovjov en Dostojevski waren ‘helemaal geen intellectuelen’. De eerstgenoemden waren de leiders van een stroming, waarmee de ‘Wechi’ een strijd op leven en dood is aangegaan. Laatstgenoemden hielden precies dezelfde dingen ‘onvermoeibaar staande’ waar de ‘Wechi’ vandaag de dag voor staat, maar ‘er werd niet naar hen geluisterd en de intelligentsia ging aan hen voorbij’, wordt in het voorwoord van de ‘Wechi’ verklaard.

De lezer kan alleen hieruit al zien dat het niet alleen de ‘intelligentsia’ is waarop de ‘Wechi’ haar aanvallen richt. Dit is slechts een kunstmatige en misleidende manier om zich uit te drukken. De aanval wordt over de hele linie ingezet tegen de democratie en tegen de democratische wereldbeschouwing. En daar het de ideologische leiders van een partij die zichzelf doet voorkomen als ‘constitutioneel’ en ‘democratisch’ niet zo goed uitkomt om de dingen bij hun ware naam te noemen, hebben zij hun terminologie geleend bij de ‘Moskovskië Wjedomosti’[1]. Zij doen geen afstand van de democratie (wat een smerige laster!), maar alleen van het ‘intellectualisme’.

De brief van Belinski aan Gogol[2], verklaart de ‘Wechi’, vormt ‘een vurige en klassieke uitdrukking van het intellectualistische gevoelen’(56). ‘De geschiedenis van onze publicistiek van na Belinski is, in de zin van begrip van het leven, een ware nachtmerrie.’ (82).

Zo zo. Het gevoelen van de lijfeigen boer voor de lijfeigenschap is dus kennelijk een ‘intellectualistisch’ gevoelen. De geschiedenis’ van protest en strijd onder de breedste massa’s van de bevolking tussen 1861 en 1905 tegen de overblijfselen van het feodalisme in het hele systeem van het Russische leven is dus kennelijk een ‘ware nachtmerrie’. Of waren, naar de mening van onze wijze en goedopgeleide schrijvers, Belinski’s gevoelens in zijn brief aan Gogol niet afhankelijk van de gevoelens der lijfeigen boeren? De geschiedenis van onze publicistiek was dus niet afhankelijk van de verontwaardiging der volksmassa’s tegen de overblijfselen van de feodale onderdrukking?

De ‘Moskovskië Wjedomosti’ heeft altijd geprobeerd om te bewijzen dat de Russische democratie, te beginnen met Belinski tenminste, op geen enkele wijze een weerspiegeling vormt van de belangen der breedste massa’s van het volk in de strijd voor de elementaire rechten van het volk, maar uitsluitend uitdrukking geeft aan ‘intellectualistische gevoelens’.

De ‘Wechi’ heeft zowel in de filosofie als inzake de publicistiek hetzelfde program als de ‘Moskovskië Wjedomosti’. In de filosofie echter besloten de liberale renegaten om de volle waarheid te zeggen, om hun hele program te onthullen (oorlog tegen het materialisme en tegen de materialistische interpretatie van het positivisme en herstel van de mystiek en de mystieke wereldbeschouwing), terwijl zij in de publicistiek draaien, kronkelen en zich als jezuïeten gedragen. Zij hebben gebroken met de meest fundamentele ideeën van de democratie en met de meest elementaire democratische tendensen, maar zij beweren slechts met het ‘intelectualisme’ gebroken te hebben. De liberale bourgeoisie heeft zich definitief afgewend van de verdediging van de rechten van het volk en tot de verdediging van instellingen die vijandig tegenover het volk staan. Maar de liberale politici wensen de benaming van ‘democraten’ wel te behouden.

Dezelfde truc die met Belinski’s brief aan Gogol en de geschiedenis van de Russische publicistiek werd uitgehaald, wordt nu toegepast op de geschiedenis van de recente beweging.

II

In werkelijkheid richt de ‘Wechi’ haar aanvallen alleen op de intelligentsia, die de stem van de democratische beweging vormde en alleen in zoverre als deze zich een werkelijke deelnemer betoonde aan deze beweging. De ‘Wechi’ doet haar woedende aanvallen op de intelligentsia, juist omdat deze ‘kleine ondergrondse sekte zich in het licht vertoonde, een groot aantal discipelen won en een tijdlang ideologisch gezien invloedrijk en zelfs werkelijk machtig werd’ (176). De liberalen sympathiseerden met de ‘intelligentsia’ en ondersteunden deze soms in het geheim, zolang deze alleen maar een kleine, ondergrondse sekte bleef en voordat ze een groot aantal discipelen won en werkelijk machtig werd; dat wil zeggen: de liberalen sympathiseerden met de democratie, zolang deze de werkelijke massa’s niet in beweging bracht want zolang de massa’s er niet bij werden betrokken diende zij alleen maar de egoïstische doelen van de liberalen en hielp zij de bovenste laag van de liberale bourgeoisie om een beetje dichter naar de macht te klimmen. De liberaal keerde de democratie zijn rug toe toen deze de massa’s erbij betrok, die zich bewust begonnen te worden van hun eigen doelstellingen en die hun eigen belangen begonnen te verdedigen. Onder de dekmantel van kreten tegen de democratische ‘intelligentsia’ wordt de oorlog van de kadetten in feite gevoerd tegen de democratische beweging van de massa’s. Een van de ontelbare en duidelijke onthullingen hiervan vormt de verklaring van de ‘Wechi’ dat de grote maatschappelijke beweging in Frankrijk aan het einde van de achttiende eeuw ‘een voorbeeld was van een tamelijk langdurige intellectualistische revolutie, waarbij al haar geestelijke potenties aan het licht kwamen’ (57).

Is dat even mooi of niet? De Franse beweging aan het einde van de achttiende eeuw was, nota bene, geen voorbeeld van de democratische beweging onder de massa’s in haar meest fundamentele en brede vorm, maar een voorbeeld van een ‘intellectualistische’ revolutie! Daar democratische doelstellingen nog nergens ter wereld ooit zijn bereikt zonder een beweging van een homogeen type, is het volmaakt duidelijk, dat de ideologische leiders van het liberalisme juist met de democratie breken.

De ‘Wechi’ gispt in de Russische intelligentsia juist het feit dat zij de noodzakelijke begeleiding en uitdrukking van elke democratische beweging vormt. ‘De toevoeging van het politieke radicalisme van de intellectualistische ideeën bij het maatschappelijke radicalisme van de volksinstincten [‘van de noodlijdende volksmassa’s’ — is de frase die twee regels lager op dezelfde bladzijde wordt gebruikt.] was razendsnel bereikt’ (141) — en dit was ‘niet simpelweg een politieke fout, niet simpelweg een tactische vergissing. De vergissing die hier werd gemaakt was van morele aard.’ Waar geen noodlijdende volksmassa’s zijn kan ook geen democratische beweging zijn. En wat een democratische beweging onderscheidt van een simpele ‘rel’ is het feit dat zij plaats vind onder het vaandel van bepaalde radicale politieke ideeën. Democratische bewegingen en democratische ideeën zijn niet alleen politiek gezien fout, ze zijn niet alleen tactisch gezien fout, maar ze zijn in moreel opzicht zondig — dat is in essentie de werkelijke mening van de ‘Wechi’, die dus geen greintje verschilt met de werkelijke meningen van Pobedonostsev. Pobedonostsev heeft alleen eerlijker en oprechter gezegd wat Stroeve, Izgojev, Frank & Co nu zeggen.

Wanneer de ‘Wechi’ overgaat tot een meer nauwkeurige definiëring van de inhoud van die gehate ‘intellectualistische’ ideeën, dan krijgt zij het natuurlijk ook over ‘linkse’ ideeën in het algemeen en over narodistische en marxistische ideeën in het bijzonder. De narodniki worden beschuldigd van ‘valse liefde voor de boeren’ en de marxisten van hetzelfde ‘voor het proletariaat’ (9). Beide worden tot stof verpletterd wegens ‘verafgoding van het volk’ (59, 59-60). Voor de gehate ‘intellectueel’ ‘is God het volk en is het enige doel geluk voor de meerderheid’ (159). ‘De stormachtige redevoeringen van het atheïstische linkse blok’ (29) — dat heeft zich nog het meest vastgehecht in de herinnering van de kadet Boelgakov in de Tweede Doema en dát heeft in het bijzonder zijn verontwaardiging gewekt. En er bestaat niet de geringste twijfel aan, dat Boelgakov hier in een wat meer geprofileerde vorm uitdrukking heeft gegeven aan de algehele psychologie van de kadetten en dat hij de dierbaarste gedachten van de hele kadettenpartij hier heeft vertolkt.

Dat het verschil tussen narodisme en marxisme voor een liberaal wegvalt is niet toevallig, maar onvermijdelijk. Het is geen ‘truc’ van de schrijver (die zich van dat verschil heel goed bewust is), maar de logische uitdrukking van de huidige aard van het liberalisme. Wat de liberale bourgeoisie op het heden in Rusland vreest en haat is niet zozeer de socialistische beweging van de arbeidersklasse in Rusland, als wel de democratische beweging van zowel de arbeiders als de boeren, d.w.z. zij vreest en haat wat het narodisme en het marxisme gemeen hebben, hun verdediging van de democratie door een beroep te doen op de massa’s. Het is kenmerkend voor de huidige periode, dat het liberalisme in Rusland zich definitief tegen de democratie heeft gekeerd; en het is volkomen natuurlijk dat het zich niet bemoeit met hetzij de verschillen binnen de democratie zelf, hetzij met de verdere doelstellingen, vooruitzichten en inzichten die zullen worden ontvouwd wanneer de democratie eenmaal is bereikt.

De ‘Wechi’ wemelt van kreten als ‘verafgoding van het volk’. Dat is geen verrassing, want de liberale bourgeoisie, die bang is geworden voor het volk, heeft geen alternatief buiten het schreeuwen naar aanleiding van de ‘verafgoding van het volk’ door de democraten. De terugtocht kan alleen nog maar worden gedekt door een extra harde roffel op de trommels. Het is in feite onmogelijk om rechtstreeks te ontkenen dat het in de vorm van de arbeiders- en boerenafgevaardigden was dat de eerste twee Doema’s uitdrukking gaven aan de werkelijke belangen, eisen en standpunten van de massa’s der arbeiders en boeren. En toch waren het juist deze ‘intellectualistische’ [De verminking van de normale betekenis van het woord ‘intellectueel’ door de ‘Wechi’ is bepaald belachelijk. We hoeven alleen de lijst van de afgevaardigden naar de eerste twee Doema’s maar door te kijken om meteen de overweldigende meerderheid van de boeren onder de trudoviken te zien, met de overheersing van de arbeiders onder de sociaaldemocraten en de concentratie van de massa der burgerlijke intellectuelen bij de kadetten.] afgevaardigden, die de kadetten aanstaken met de bodemloze haat tegen de ‘linksen’, juist wegens het feit dat de voortdurende terugtocht van de kadetten uit de democratie aan de kaak werd gesteld. Het is in feite onmogelijk om ronduit de rechtvaardigheid van het ‘program van de vier staarten’ [3] te ontkennen; maar toch heeft geen politieke leider, die ook maar enigszins eerlijk is, ook maar de geringste twijfel dat verkiezingen in het huidige Rusland over het ‘systeem van vier punten’, werkelijk democratische verkiezingen, een overweldigende meerderheid zouden opleveren voor de afgevaardigden van de trudoviken, tezamen met de afgevaardigden van de arbeiderspartij.

Er blijft de terugkrabbelende bourgeoisie niets anders over dan om haar breuk met de democratie te verbergen door middel van kreten uit de woordenschat van de ‘Moskovskië Wjedomosti’ en de ‘Nowoje Wremja’; en van deze kreten wemelt het letterlijk in de hele ‘Wechi’-bundel.

De ‘Wechi’ is een ware stroom van reactionaire modder, die wordt uitgestort over het hoofd van de democratie. En natuurlijk hebben de publicisten van de ‘Nowoje Wremja’ — Rozanov, Mensjikov en A. Stolypin — zich gehaast om de ‘Wechi’ met omhelzingen te begroeten. Natuurlijk raakte Anthonius, de bisschop van Wolhynië, in verrukking over deze publicatie van de leiders van het liberalisme.

‘Toen de intellectueel,’ schrijft de ‘Wechi’, ‘nadacht over zijn plicht jegens het volk kwam de gedachte niet bij hem op, dat de idee van de persoonlijke verantwoordelijkheid, zoals uitgedrukt in het principe van de plicht, niet alleen op hem, de intellectueel, moet worden toegepast, maar evenzeer op het volk’ (139). De democraat dacht na over de uitbreiding van de rechten en de vrijheid van het volk en kleedde zijn gedachten in woorden over de ‘plicht’ van de hogere klassen jegens het volk. Bij de democraat zou nooit en zal nooit de gedachte opkomen dat er in een land vóór een hervorming of in een land met een ‘grondwet’ van de 3de juni[4] ook maar sprake zou kunnen zijn van ‘verantwoordelijkheid’ van het volk jegens de heersende klassen. Om tot zo’n gedachte te komen moet de democraat, of de zogenaamde democraat, eerst volledig moeten worden bekeerd tot een contrarevolutionaire liberaal.

‘Egoïsme en zelfbevestiging vormen een grote kracht,’ lezen we in de ‘Wechi’, ‘en dat maakt de westerse. bourgeoisie tot een machtig onbewust werktuig van Gods wil op aarde’ (95). Dat is niets andere dan een met wierook gekruide parafrase op het befaamde ‘Enrichissez vouz!’, het ‘Verrijk uzelf!’, of van ons eigen Russische: ‘wij wedden op de sterkste’.[5] Toen de bourgeoisie het volk hielp om voor de vrijheid te vechten verklaarden zij dat deze strijd een goddelijke zaak was. Toen zij bang werden voor het volk en zich wendden tot steun aan allerlei middeleeuws gedoe tegen het volk verklaarden zij het ‘egoïsme’, de zelfverrijking, de chauvinistische buitenlandse politiek enz. tot een goddelijke zaak. Dat was in geheel Europa het geval. En het wordt nu herhaald in Rusland.

‘De revolutie had wezenlijk en formeel over moeten zijn met het edict van 17 oktober’ (136). Maar dat is het alpha en omega van het oktobrisme, d.w.z. van het program der contrarevolutionaire bourgeoisie. Dat hebben de oktobristen altijd gezegd en zij hebben openlijk dienovereenkomstig gehandeld. De kadetten hebben stiekem op dezelfde manier gehandeld (te beginnen met 17 oktober), maar tegelijkertijd wilden ze de pretentie ophouden dat zij democraten waren. Als de zaak van de democratie wil slagen, dan is een volledige, klare en openlijke scheiding tussen de democraten en de renegaten het meest effectieve en noodzakelijke ding dat bestaat. En de ‘Wechi’ moet voor deze noodzakelijke handeling worden gebruikt. ‘Wij moeten de moed hebben om eindelijk te bekenen,’ schrijft de renegaat Izgojev, ‘dat in onze Staatsdoema’s de overgrote meerderheid van de afgevaardigden, met uitzondering van dertig of veertig kadetten en oktobristen, geen blijk hebben gegeven van de kennis die vereist is voor het regeren en de hervorming van Rusland’ (208). Maar natuurlijk, hoe zouden die boerste afgevaardigden van de trudoviken of een stel arbeiders zo’n taak ook moeten aanpakken? Daar is een meerderheid van kadetten en oktobristen voor nodig en daarvoor is weer een Derde Doema nodig...

En opdat het volk en de verafgoders van het volk hun ‘verantwoordelijkheid’ jegens de bazen in de Derde Doema en in het Rusland van de Derde Doema beseffen moet het volk iets worden bijgebracht — en dat met behulp van Anthonius, de bisschop van Wolhynië: ‘berouw’ (‘Wechi’, 26), ‘nederigheid’ (49), verzet tegen de ‘trots van de intellectueel’ (52), ‘gehoorzaamheid’ (55), ‘het eenvoudige en ruwe voedsel van de tien geboden van de oude Mozes’ (51) en strijd tegen ‘het legioen van duivels, dat het gigantische lichaam van Rusland is binnengedrongen’ (68). Als de boeren trudoviken kiezen en de arbeiders sociaaldemocraten, dan is dat natuurlijk net zulk werk van die duivels, want volgens zijn ware aard koestert het volk, zoals Katkov en Pobedonostsew allang hebben ontdekt, ‘haat tegen de intelligentsia’ (87, lees: tegen de democratie).

Daarom moeten de Russische burgers — zo leert ons de ‘Wechi’ — ‘deze regering zegenen, de regering die ons (‘de intellectuelen’) slechts met haar bajonetten en gevangenissen beschermt tegen de volkswoede’ (88).

Deze tirade is goed, omdat zij oprecht is; ze is nuttig, omdat zij de waarheid onthult omtrent het ware wezen van de politiek der hele constitutioneel-democratische partij gedurende de hele periode 1905-1909. Deze tirade is goed, omdat ze kort en duidelijk een onthulling geeft van de hele ‘Wechi’-geest. En de ‘Wechi’ is goed, omdat ze de hele geest achter de werkelijke politiek van de Russische liberalen, de Russische kadetten daarbij inbegrepen, blootlegt. Dat is de reden waarom de polemiek van kadetten met de ‘Wechi’ en de afwijzing van de ‘Wechi’ door kadetten niets anders dan schijnheiligheid is en alleen maar hol gepraat, want in werkelijkheid volgden en volgen de kadetten collectief, als partij, als maatschappelijke kracht, de politiek van de ‘Wechi’ en geen andere. De oproepen om toe te treden tot de Boelygin-Doema[6] in augustus en september 1905, het verraad aan de zaak van de democratie aan het einde van hetzelfde jaar, hun voortdurende angst voor het volk en de volksbeweging en hun systematische verzet tegen de afgevaardigden van de arbeiders en boeren in de eerste beide Doema’s, hun stemmen vóór de begroting, de redevoeringen van Karaoelov over het geloof en van Berezovski over het agrarische vraagstuk in de Derde Doema, het bezoek aan Londen[7] — dat zijn allemaal ontelbare mijlpalen van juist die politiek, die ideologisch in de ‘Wechi’ geproclameerd is.

De Russische democratie zal geen stap verder komen voordat zij de essentie van deze politiek en de klassenbepaalde wortels ervan begrijpt.

_______________
[1] ‘Moskovskië Wjedomosti’ (‘Moskouse Nieuwsberichten’) — een dagblad, dat in 1756 begon te verschijnen; vanaf de jaren zestig van de negentiende eeuw vertolkte het de ideeën van de meest reactionaire monarchistische lagen onder de adel en geestelijkheid; vanaf 1905 een der belangrijkste organen van de Zwarte Honderd; opgeheven na de Socialistische Oktoberrevolutie van 1917.
[2] Bjelinski’s brief aan Gogol werd geschreven in verband met de publicatie van Gogols ‘Uitgelezen Plaatsen uit mijn Briefwisseling met Vrienden’, Voor een beoordeling van deze brief zie ook Lenins artikel ‘Uit het verleden van de arbeiderspers in Rusland’.
[3] ‘Vierstaart’ — afkorting voor het democratische kiessysteem, waarin vier eisen waren opgenomen: algemeen, evenredig, rechtstreeks en geheim.
[4] De Grondwet van 3 juni — de kieswet die door de tsarenregering werd uitgevaardigd, gelijktijdig met het uiteenjagen van de Tweede Staatsdoema. Dit betekende een grove aantasting van het Manifest van 17 oktober 1905 en van de Grondwet van 1906, volgens welke de wetten niet door de regering konden worden uitgevaardigd zonder goedkeuring door de Staatsdoema. De nieuwe kieswet betekende een aanzienlijke vergroting van de vertegenwoordiging der landheren en van de handels- en geldbourgeoisie in de Doema; zij hield tevens een inkrimping in van het toch al niet grote aantal vertegenwoordigers van de boeren en arbeiders. De wet ontnam het grootste deel van de bevolking in Aziatisch Rusland van haar kiesrechten en halveerde de vertegenwoordiging van de bevolking uit Polen en de Kaukasus. De op grond van deze wet gekozen en in november 1907 bijeengekomen Derde Doema was wat haar samenstelling betreft ultrareactionair.
[5] Met de frase ‘Wordt rijk, mijne heren, en ge zult kiezers worden’ gaf Guizot, die tussen 1840 en 1848 in feite hoofd van de Franse regering was, antwoord op de eis om de hoge verkiezingscensus te verlagen. De woorden dat de regering ‘de tarieven had ingesteld voor de sterken en gezonden en niet voor de armen en de dronkenlappen’ zijn afkomstig van P.A. Stolypin.
[6] Op 6 (19) augustus 1905 werd een door de tsaar ondertekend manifest gepubliceerd over de instelling van een Staatsdoema, die totaal geen wetgevende bevoegdheid zou hebben en slechts een raadgevend orgaan voor de tsaar zou zijn. Deze doema werd ‘Boelygindoema’ genoemd naar A.G. Boelygin, de minister van binnenlandse zaken, die het ontwerp voor de Doema had ingediend. De bolsjewieken riepen de arbeiders en boeren op tot een actieve boycot van de Boelygindoema, waarbij zij hun agitatiecampagne concentreerden rond de leuzen: gewapende opstand, een revolutionair leger, een voorlopige regering. Er vonden geen verkiezingen voor de Boelygindoema plaats: de aanwellende golf van de revolutie en de Al-Russische Politieke Oktoberstaking van 1905 vaagden de Boelygindoema weg nog voor ze bijeen was geweest.
[7] Bedoeld wordt de reis die een delegatie uit de leden van de Staatsdoema naar Engeland maakte. Een deelnemer aan de delegatie, P.N. Miljoekov, de leider van de kadettenpartij, verklaarde tijdens een lunch bij de burgemeester van Londen ‘zolang in Rusland de wetgevende kamer bestaat die de begroting controleert blijft de Russische oppositie de oppositie van zijne hoogheid en niet tegen zijne hoogheid’. Het optreden van de afgevaardigden uit de Doema maakte het de tsaar gemakkelijker om in het buitenland leningen af te sluiten.