Ernest Mandel

Systeemconforme vakorganisaties?


Geschreven: 1973
Bron: Mandel - van der Horst: De vakbeweging in het laatkapitalisme. PL brochure 13, Internationale Kommunistenbond, Nederlandse afdeling van de Vierde Internationale.
Deze versie: Kleine aanpassingen van spelling, punctuatie en woorden.
Transcriptie en HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, maart 2005


De moderne vakbeweging is een product van de eerste fase van het moderne kapitalisme, de fase van de vrije concurrentie. De kapitalistische productiewijze ontneemt de producenten de mogelijkheid vrij over de productie- en bestaansmiddelen te beschikken. Zij dwingt hen hun arbeidskracht te verkopen, omdat dit voor hen het enige middel is om in hun directe levensonderhoud te voorzien. Daardoor wordt de arbeidskracht in een waar veranderd. Net als iedere andere warenbezitter gaat de bezitter van de waar “arbeidskracht” naar de markt om zijn waar te verkopen. Uiteindelijk wordt de waar “arbeidskracht” zoals iedere andere waar tegen haar waarde verkocht, dat wil zeggen voor haar maatschappelijk gemiddelde productieprijs. Maar de verkoper van de waar “arbeidskracht” bevindt zich — in vergelijking met alle andere warenbezitters in het kapitalisme — in een bijzondere positie, die institutioneel verschilt en die bepaald wordt door de kapitalistische productiewijze. Hij is gedwongen zijn waar tegen de geldende marktprijzen te verkopen. Hij kan zijn waar namelijk niet van de markt terug trekken om een betere situatie op de markt af te wachten. Als hij weigert de geldende marktprijs te aanvaarden, dan loopt hij het gevaar met zijn gehele gezin te verhongeren. Onder de normale verhoudingen van het kapitalisme wordt de waar “arbeidskracht” daarom voortdurend onder haar waarde verkocht. Dit geldt vooral als de structurele werkloosheid groot is (en de beginnende industrialisatie heeft zo een hoog niveau als voorwaarde, behalve in bevolkingsarme koloniale nederzettingen).

De moderne vakbeweging ontstaat als reactie van de loonarbeiders op deze feiten. Als de concurrentie tussen de ondernemers zich uitbreidt tot concurrentie tussen de verkopers van de waar “arbeidskracht”, zijn zij die afhankelijk zijn van een loon hulpeloos blootgesteld aan de tendens van het dalen van het loon beneden de productiekosten van de arbeidskracht. Vakbonden vormen dus een poging de automatisering van de loonafhankelijken te beperken en de institutionele ongelijkheid van koper en verkoper van de waar “arbeidskracht” tenminste daardoor te beperken, dat de verkoop niet meer individueel, maar collectief plaatsvindt.

Ontwikkeling

Op zichzelf zijn de vakbonden in het kapitalisme dus niet systeemondermijnend. Zij zijn geen middel voor de opheffing van de kapitalistische uitbuiting, maar een middel van het dragelijk maken van de uitbuiting voor de massa van de loonafhankelijken. Ze hebben tot taak de lonen te verhogen, niet de loonarbeid zelf op te heffen. Maar de vakbonden zijn tegelijkertijd ook niet in overeenstemming met het systeem van het kapitalisme. De vakbonden roepen een halt toe aan het dalen van de reële lonen. Zij benutten — tenminste periodiek en onder bepaalde omstandigheden — de gunstige veranderingen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt voor de verhoging van de prijs van deze waar. En zo maken zij het de georganiseerde massa van de arbeiders mogelijk uit te komen boven een minimum aan consumptie en behoeften. Daardoor kan in grotere mate klassenorganisatie, klassenbewustzijn en een groeiend zelfvertrouwen ontstaan. En dat schept pas de mogelijkheden voor een strijd van de brede massa’s tegen het systeem als zodanig.

Om normaal te kunnen functioneren en om zich te kunnen uitbreiden moeten twee economische voorwaarden vervuld zijn:

1. moet er een mate van industrialisering of gemiddelde economische ontwikkeling zijn, waarin meer arbeidsplaatsen ontstaan dan gelijktijdig opgeheven worden door het proces van verdwijnen van het zelfstandige handwerk en zelfstandige boeren.

2. moet de kapitalistische productiewijze een manier van functioneren hebben, waardoor de levensbelangen van die machtigste lagen van de heersende klasse niet in gevaar gebracht wordt door het bepalen van de lonen door de veranderingen in de vraag en het aanbod van de waar “arbeidskracht”, d.w.z. door de toestand op de arbeidsmarkt. Deze voorwaarden zijn historisch slechts in het westen verwezenlijkt en slechts in de vroegkapitalistische fase van het monopoliekapitalisme, ongeveer van 1890 tot 1914.

Als de eerste voorwaarde niet vervuld is dan blijven de vakbonden zwak en zonder uitwerking. Dat was het geval in Groot-Brittannië in het eerste deel van de 19e eeuw en in het overige deel van West-Europa tot in de tachtiger jaren van de 19e eeuw. In de landen van de zogenaamde “Derde Wereld” is dit nu nog het geval. Als de tweede voorwaarde niet meer vervuld is dan zullen de grote ondernemers door de uitschakeling van de vrije vakbonden de nodige voorwaarde voor de vorming van meerwaarde weer herstellen. Dat gebeurde in de economisch zwakke landen van Europa ten tijde van de grote algemene crisis.

Het feit dat de vakbeweging op zichzelf noch systeemvernietigend noch systeembeschermend is, heeft als gevolg dat sinds het einde van de 19e eeuw ook de “neutraliteit” ten opzichte van de kapitalistische productiewijze kon ontstaan, zoals die in de “zuivere” vakbonden van Groot-Brittannië bv. reeds van ouds bestonden. We moeten ons beperken tot de organisatie van de loonafhankelijken. We moeten door de groeiende kracht van deze organisatie de ergste uitwassen van de kapitalistische uitbuiting afschaffen en de arbeiders een toenemende levensstandaard verzekeren. Deze macht zou dan de burgerlijke maatschappij tot een geleidelijke aanpassing aan het objectieve socialiseringsproces dwingen. De rest kon men wel aan het algemeen kiesrecht overlaten.

Het door Bernstein openlijk beleden revisionisme kwam alleszins overeen met de wensen van de leidende kringen van de vakbonden. Deze waren dan ook de scherpste tegenstanders van de door Rosa Luxemburg geleide linksen in de Duitse arbeidersbeweging voor de eerste wereldoorlog. Aan deze mening lag een bepaalde historische prognose ten grondslag. Namelijk dat de tegenstellingen binnen de kapitalistische productiewijze trapsgewijs zouden afnemen dank zij de georganiseerde kracht van de arbeidersbeweging en in de eerste plaats de vakbeweging. Engelse en Amerikaanse liberale-economen als Galbraith hebben de oude Bernstein met hun theorie van de “countervailingpower” en de “gemengde maatschappij” weer doen herkennen.

De geschiedenis van de 20e eeuw heeft echter de illusie van de trapsgewijze afname van de innerlijke tegenstellingen van de kapitalistische productiewijze niet bevestigd. Nadat deze productiewijze haar historische taak, het scheppen van een wereldmarkt en de uitbreiding van de warenproductie over de gehele wereld vervuld had, toonde een lange rij van schokken de groeiende explosiviteit van deze tegenstellingen aan. De belangrijkste getuigenissen van deze explosieve tegenstellingen zijn: twee wereldoorlogen, de grote economische crisis van de jaren 1929 tot 1932, de uitbreiding van het fascisme over geheel Europa, het verlies van een derde van de wereld voor de kapitalistische productiewijze, een ononderbroken reeks van koloniale oorlogen in de laatste 20 jaar, het vreselijke gevaar dat een wedloop naar kernwapens voor de toekomst van de mensheid oplevert.

De vakbewegingstheoriën, die voortgekomen zijn uit de hoop op een ononderbroken trapsgewijze ontwikkeling, bleken niet opgewassen voor de nieuwe historische taken waarmee de arbeidersbeweging in de kapitalistische periode geconfronteerd werd. Laat staan dat zij in staat waren er een oplossing voor te geven. Het vasthouden aan een zich alleen op het terrein van de vakbeweging bewegende theorie en praktijk moest noodgedwongen ertoe leiden dat loonsverhoging alleen maar door een gezond en krachtig kapitalisme ingewilligd kon worden. Daarom was men bereid de rol van de dokter aan het ziekbed van het kapitalisme te spelen. In plaats van te proberen deze ziekte aan zijn einde te helpen, probeerde men met alle middelen zijn ziekte te genezen. De paradox houdt op zodra men loonsverlagingen accepteert om een “gezond” kapitalisme te krijgen, d.w.z. om latere loonsverhogingen te krijgen. Een vakbeweging die tot dergelijke absurde conclusies komt, is duidelijk in het slop terecht gekomen.

In een op veralgemeende warenproductie en arbeidsverdeling gebouwde maatschappij loopt iedere instelling het gevaar van de “verzakelijking” en van de verzelfstandiging, d.w.z. het gevaar de oorspronkelijke functie te verliezen en uitsluitend nog slechts te dienen voor de eigen instandhouding. Dit gevaar wordt buitengewoon groot als in deze instelling een maatschappelijke laag ontstaat waarvan de materiele belangen ten nauwste verbonden zijn met de instandhouding zelf van het betreffende instituut. Deze paradox wordt aldus tenminste ten dele verklaard door het proces van de verbureaucratisering van de vakbeweging, een proces dat ten nauwste verbonden is met het afglijden van de klassenstrijdtheorie naar de theorie en praktijk van de klassensamenwerking. De paradox heeft echter ook op zichzelf staande ideologische wortels, nl. de innerlijke tegenstrijdigheden van de “zuivere” vakbewegingstheorie. Terwijl de ideologie van de vakbewegingsbureaucratie derhalve een functieverandering van de vakbonden begon te bepalen, werden er in het tijdperk van het laatkapitalisme steeds sterkere objectieve processen zichtbaar die in dezelfde richting werkten.

Laatkapitalisme

Het laatkapitalisme staat sinds de jaren veertig in het teken van de derde industriële revolutie, d.w.z. in het teken van een versnelde technologische vernieuwing. Deze versnelde technologische ontwikkeling vereist een verkorting van de reproductiecyclus van het vaste kapitaal. Dat houdt een toenemende dwang in de richting van planning van de investeringen op lange termijn, nauwkeurige kostenplanning en daarom ook een nauwkeurige loonplanning in. Dat verkleint automatisch het klasse actieterrein van de vakbeweging. Het ideale model van een “georganiseerd” laatkapitalisme is een veralgemeende economische en sociale programmatie, die het de grote kapitalisten mogelijk maakt hun investeringsprogramma’s met elkaar te coördineren. Onder de heerschappij van het privaatbezit van de productiemiddelen moet dit model op het economische terrein zuiver indicatief blijven, maar op het sociale terrein juist gebiedend werken. Daarom dan ook overal de druk ten gunste van “konzertierten Aktien”, van een “inkomenspolitiek” en van “sociale programmering”. Achter al deze formules steekt hetzelfde uniforme doel: de afbraak van de autonomie van de vakbeweging ten aanzien van cao’s, het verhinderen van het benutten van tijdelijk gunstige conjuncturen op de arbeidsmarkt (volledige werkgelegenheid of zelfs acute schaarste aan arbeidskrachten) door de arbeiders in de geest van beduidende loonsverhogingen en (onder voorwaarde van een bepaalde geldpolitiek) in de geest van een beduidende daling van de meerwaarde- en winstvoet.

Deze fundamentele tendentie van het laatkapitalisme in de economische en sociale politiek geeft de vakbewegingsbureaucratie echter gelijktijdig nieuwe perspectieven. Het gaat er nu niet alleen om de macht van de organisatie aan de onderhandelingstafel tegenover de vertegenwoordigers van de ondernemers waar te maken. Het gaat er nu ook om de loonafhankelijken te vertegenwoordigen in de talrijke colleges van de publieke en semi-publieke economische leiding.

In de Scandinavische landen, in België en Nederland, in Frankrijk en Italië heeft zich sinds enige jaren een proces van de allerbreedste integratie van de toppen van de vakbeweging in de burgerlijke staat afgetekend. Daardoor zijn de leiders van de vakbeweging dikwijls meer tijd kwijt in deze staatkundige colleges dan in de eigenlijke vergaderingen van de vakbeweging.

Ideologisch gezien komt deze verdere integratie van de vakbewegingsbureaucratie in het laatkapitalistische staatsapparaat uit dezelfde motivatie van klassensamenwerking en uit dezelfde illusie over een trapsgewijze ontwikkeling, als de vroegere golf van integraties. Omdat de “maatschappelijke vooruitgang” bepaald zou worden door de “maatschappelijke groei”, moest men al spoedig de verantwoordelijkheid voor deze maatschappelijke groei op zich nemen, zonder verder na te denken over de structuur van de bestaande productiewijze en de door deze groei geconsolideerde klassentegenstellingen en klassenuitbuiting enz. De posten in de bestuursraden van de genationaliseerde industrieën en concerns, de posten in de bestuursraad van de centrale bank, de talrijke posten in de publieke programmering- en planningscolleges worden als evenzo vele “posities” aangezien, van waar uit men de burgerlijke maatschappij “stap voor stap” veroveren kan.

Daarom wordt de “medezeggenschap en medeverantwoordelijkheid” in de laatkapitalistische economie als een etappe op weg naar de toekomstige socialisering gerationaliseerd door vele leiders van de vakbeweging, die nog (niet) [weggevallen woord in de oorspronkelijke tekst? -AV.] volledig tot cynisme zijn vervallen. Het oertype voor een dergelijke houding levert de oude Franse vakbewegingsleider Jouhaux. Na de eerste wereldoorlog toonde hij de leden van de vakbeweging stralend van vreugde het decreet, dat hem tot medelid van de bestuursraad van de Franse Bank benoemde, en riep uit: “De eerste spijker in de doodskist van het kapitalisme”. Het Franse kapitalisme schijnt echter na vijftig jaar deze spijker heel goed overleefd te hebben en is vandaag nog even levend als in 1919.

Integratie

De tendens tot groeiende integratie van de top van de vakbeweging in het burgerlijke staatsapparaat stuit echter op twee fundamentele tegenstrijdigheden in het laatkapitalisme.

Ten eerste hebben de grote concerns en de burgerlijke regeringen de deelname van de vakbewegingsbureaucratie aan de economische en sociale programmering slechts nodig, in zoverre dit met succes een rem vormt op het in verzet komen van de arbeiders tegen de verdere cyclische ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze (eerst volledige werkgelegenheid met “maathouden” in de loonpolitiek; daarna recessies met werkloosheid en massale aanvallen van de ondernemers tegen de bereikte levensstandaard en de bestaande arbeidsvoorwaarden van de loonafhankelijken). Maar een groeiende identificering van de vakbewegingsleiding met de “door de staat geleide” loonpolitiek (zoals in Nederland en Scandinavië gedurende langere tijd) of met een “vrijwillige” inkomenspolitiek (Groot-Brittannië) moet noodgedwongen op een groeiende tegenstand van de loonafhankelijken stoten, op een golf van wilde stakingen, op een uitholling van de betrekkingen tussen de leden van de vakbeweging en de vakbeweging. Dit vermindert het nut van de vakbewegingsbureaucratie in de ogen van de grote concerns. Deze hebben namelijk behoefte aan een vakbewegingsbureaucratie die de arbeidersmassa’s werkelijk controleert en hun strijd kanaliseert en niet aan een vakbewegingsbureaucratie, die dit alleen maar in naam is, zoals de zogenaamde “verticale” staatsvakbonden in Spanje bewezen heeft. Is de vakbewegingsbureaucratie niet meer in staat tot een dergelijke controle dan wordt haar “disintegratie” uit het burgerlijke staatsapparaat de meest waarschijnlijke variant. Het is mogelijk dat de grote concerns zelf het initiatief er toe nemen, het is ook mogelijk dat de leiding van de vakbeweging een “wending naar links” neemt, om weer de controle over de agitatie van de arbeiders te verkrijgen.

Aan de andere kant heeft echter ook de tendens tot groeiende economische programmering en naar het “georganiseerde” kapitalisme, wat een voorwaarde is voor de integratie van de vakbewegingsbureaucratie in het burgerlijke staatsapparaat, een dubbele en tegenstrijdige uitwerking op de massa van de loonafhankelijken. Deze zijn zonder twijfel in sterkere mate dan vroeger blootgesteld aan de mystificerende demagogie van de “bedrijfsbelangen” . Evenals aan de door de burgerij gehuichelde en van de zijde van de vakbeweging in praktijk gebrachte klassensamenwerking. Maar tegelijkertijd veroorzaakt het zich steeds uitbreidende openbare debat over maatschappelijke criteria, zoals Bruto Nationaal Product, Nationaal Inkomen, loonaandeel, investeringsaandeel, geldhoeveelheid, stijging van de productiviteit enz. de groeiende mogelijkheid van belangstelling van de meest vooruitgeschreden arbeiders en kantoorbedienden voor economische en maatschappelijke betrekkingen. De economie voor de eerste wereldoorlog met haar voortdurende guerrillastrijd over de verdeling van de door de arbeiders geschapen nieuwe waarde, tussen ondernemers en loonafhankelijken, werd tot een praktische school van de klassenstrijd, zodra de arbeiders het onderlinge verband van deze strijd duidelijker werd. Net zo kunnen de huidige openlijke discussies over de verdeling van het nationale inkomen en de omvang, de inhoud en richting van de investeringen tot een praktische hogere school van de klassenstrijd worden. Dit als a) de loonafhankelijken opnieuw in brede kring het innerlijke verband duidelijk gemaakt wordt tussen dit proces en de tegenstrijdigheden die aan de kapitalistische productiewijze eigen zijn, evenals het uitbuitingskarakter ervan en b) de relatie tussen deze opheldering en de directe behoeften en zorgen van de loonafhankelijken gevonden wordt.

Het objectieve feit van de groeiende versmelting van de grote concerns met de burgerlijke staat en de nationale economische en sociale politiek is zeker niet een automatisch product van het “georganiseerde” laatkapitalisme. Een democratisch neo-reformistische stroming, die zich in de vakbeweging verbreid heeft sinds het zogenaamde “plan-experiment” — zoals van een Hendrik De Man in de jaren dertig — heeft geprobeerd de overgang van de strijd voor hervormingen in de distributiesfeer naar strijd voor structuurhervormingen, op zichzelf als een grote vooruitgang voor te stellen. De ervaring bewijst echter steeds weer dat er een scherp onderscheid gemaakt moet worden tussen neokapitalistische structuurhervormingen, die — zeer dikwijls ten koste van het loonaandeel — het systeem rationaliseren en gemakkelijk door de grote concerns te absorberen zijn enerzijds en anderzijds structuurhervormingen, die systeemondermijnend werken, omdat ze niet in de kapitalistische productiewijze geïntegreerd kunnen worden en tenslotte er toe leiden, dat de klassenstrijd naar een beslissend gevecht toegaat.

De eersten voeren in hun logica tot een verdere integratie van de vakbewegingsbureaucratie in het burgerlijke staatsapparaat, tot een verdere afbraak van de strijdwil en de strijdervaring van de loonafhankelijken. De strijd voor de tweede vorm kan daarentegen de vakbeweging slechts radicaliseren en de massa mobiel maken voor een verdere en bredere strijd en groeiend antikapitalistisch bewustzijn.

De mogelijkheid om uit te gaan van de nieuwe vormen van het functioneren van de kapitalistische productiewijze zelf om de vakbeweging en bredere arbeidersmassa’s op radicale antikapitalistische doelen te heroriënteren, beantwoordt aan een spontane tendens van de elementaire arbeidersstrijd. Deze tendens kwam tot uitdrukking in de Franse algemene staking van mei 1968 zowel als in de grote Italiaanse stakingen in de herfst en winter van 1969, evenals als een begin in de talrijke wilde stakingen in vele West-Europese landen in de laatste 12 maanden.

In deze grootste stakingen, die er tot nu toe in de geschiedenis van het kapitalisme geweest zijn (bijna 10 miljoen stakers in Frankrijk, bijna 15 miljoen in Italië) werd voor de eerste maal plotseling uitgesproken, dat er niet slechts een “contestatie” tegen de kapitalistische inkomensverdeling was, maar tegen de kapitalistische productieverhoudingen zelf. Hoe belangrijk vraagstukken betreffende loon en arbeidstijd ook voor deze stakingsbeweging waren, het nieuwe in deze reusachtige stukken arbeidsstrijd bestond erin dat de strijdenden, zeer dikwijls spontaan, zonder dieper theoretisch inzicht en met onbeholpen formuleringen, niet alleen meer loon en kortere arbeidstijd als doel van de strijd stelden. Maar de nieuwe vormen van beloning (beloning naar de arbeidsplaats, measured day work) bestreden, die tot een atomisering van de arbeidersklasse leidden en tot een rationalisering van de controle over de arbeidskracht. Ze probeerden de ruimte tussen de slechtst betaalde en de beter betaalde lagen van de loonafhankelijken te verkleinen. Ze tastten de organisatie van de arbeid in het bedrijf aan. Ze probeerden het ritme van de lopende band zelf te bepalen, ja ze wierpen zelfs de arbeidsverdeling binnen het bedrijf omver en tastten de autoriteit van de chef en de voorman aan. Dat wil zeggen de gehele hiërarchische structuur van het kapitalistische bedrijf begonnen ze te ondergraven. Men kan deze nieuwe soort eisen niet beter samenvatten dan door erin de kiem te zien van de directe strijd tegen het recht en de macht van het kapitaal om arbeiders en machines te commanderen, d.w.z. de kiem van de directe strijd tegen de kapitalistische productieverhoudingen zelf.

Het zou zeker te vroeg zijn de Franse en Italiaanse stakingen, dat wil zeggen het klassenbewustzijn van 25 miljoen West-Europese loonafhankelijken, geheel tot deze noemer terug te brengen. Noch onjuister zou het zijn om in iedere “wilde” staking van elk West-Europees land reeds de aanzet te zien van een Franse mei of een Italiaanse herfst. Dat wil zeggen de aanzet tot een — tenminste in beginsel — directe confrontatie met de kapitalistische productieverhoudingen. Nog nooit was de wet van de ongelijkmatige ontwikkeling en de innerlijke differentiëring van de arbeiders in West-Europa zo sterk herkenbaar als vandaag. Maar het gaat erom dat men het nieuwe in deze strijd herkent en dat het de neiging zal hebben zich langzamerhand tot alle imperialistische landen van het Westen en Japan uit te strekken.

Want deze nieuwe vorm van de arbeidersstrijd in de geïndustrialiseerde landen is zelf een product van de derde industriële revolutie, van de zich veranderende vormen van de kapitalistische productiewijze. Versnelde technologische ontwikkeling betekent in het “georganiseerde” laatkapitalisme versnelde structurele crisissen in de bedrijven, industrietakken en industriegebieden. Het betekent versnelde diskwalificering van gehele beroepstakken, versnelde uitbuiting en voor alles voortdurende intensivering van het arbeidsproces. Maar tegelijkertijd betekent het een versneld weer binnenloodsen van hoofdarbeid in het productieproces, versnelde verhoging van het gemiddelde niveau van kwalificatie en kennis van de producenten in de technisch leidende industrietakken. Het wil zeggen een versneld om zich heen grijpen van de bevechting van de burgerlijke heerschappij- en vervreemdingsverschijnselen op het terrein van het communicatiewezen, op het terrein van de leefgemeenschap en de consumptiesfeer in het algemeen. Dat moet onvermijdelijk leiden tot een groeiende bevechting van de heerschappij- en vervreemdingsvoorwaarden ervan in de productiesfeer.

Medebeslissingsrecht

De meer intelligente lagen van de grote concerns en de burgerlijke klasse zijn zich volkomen bewust van het grote gevaar, dat deze nieuwe strijdvormen en strijddoelen van de arbeiders voor het voortbestaan van hun klassenheerschappij meebrengt — helaas veel meer bewust dan de meeste leiders van de vakbeweging. Daarom valt wat tijd betreft de ideologische draai van de grote burgerij samen met de Franse Mei-explosie van 1968. De Gaulle lanceerde de leuze van de “participatie” . Deze leuze is sindsdien ijverig door de Britse Tories, door de meest verschillende stromingen van de Franse burgerij, door de meeste Scandinavische kapitalisten (alsmede door de meeste Noord-Europese sociaaldemocraten) en zelfs door een deel van de Spaanse grote concerns blij aangegrepen. Vrij in het Nederlands vertaald betekent “participatie” “medebeslissing”. Het getuigt van de welbekende onrijpheid van de West-Duitse burgerij, dat een formule die elders als de laatste dekking voor het verlies van het gezag van de ondernemer in het bedrijf, in de economie en in de staat erkend wordt, in de Bondsrepubliek nog als een duivels gevaar gezien wordt, dat men bestrijden moet. Want om zo een laatste dekking gaat het ongetwijfeld. Bredere delen van de West-Europese arbeiders hebben inderdaad bewezen, dat noch tegemoetkomingen die in de bedrijven gegeven worden en boven de CAO uitgaan, noch de groeiende integratie van de top van de vakbeweging in het burgerlijke staatsapparaat, de arbeiders er vanaf kan houden periodiek door grote stukken strijd van explosieve aard, het voortbestaan van de kapitalistische productiewijze objectief op de dagorde te plaatsen. Daarom willen de grote concerns van het kapitalistische West-Europa nu hun historisch doel van de laatste tientallen jaren — het systematisch sussen van de proletarische klassenstrijd en het systematisch verhinderen van het tot ontwikkeling komen van het proletarische klassenbewustzijn — langs een nieuwe weg bereiken: namelijk het verlenen van “medebeslissing” aan de vakbeweging op het terrein van het leiden van de nationale economie en het geven van verantwoordelijkheid aan de vakbeweging voor de leiding van de economie op het terrein van het bedrijf.

De manoeuvre is zo lomp, dat zij geen kans op succes gehad zou hebben als belangrijke delen van de leiding van de vakbeweging zelf op dit punt niet zo een verwarring in de hoofden van de loonafhankelijken gezaaid hadden. Dat voor veel van hen de manoeuvre van de ondernemers als resultaat van het streven van de arbeiders toeschijnt. De manoeuvre is lomp. Want evenals het “permanent overleg”, de “inkomenspolitiek”, en de “sociale programmering” probeert het de verschillen te verdoezelen in klassensituatie, waarin koper en verkoper van de waar arbeidskracht zich in de burgerlijke maatschappij bevinden. Omdat de arbeider noch over rijkdom, noch over de economische macht beschikt, die uit deze rijkdom voortspruit, kan zijn loon precies door de ondernemer en de regering vastgesteld worden. De loonbelasting kan aan de bron direct en volledig ingehouden worden. Buiten de gevolgen van de kwalijke “wilde” stakingen kan ook de totale maatschappelijke loonsom exact vooruit vastgesteld worden. Maar het is nog nooit in de geschiedenis van een burgerlijke regering gelukt, ook niet onder de bedreiging van de zwaarste straffen — denk aan het nazi-regime! — prijzen en winsten te bevriezen. En evenmin kan het “medebeslissingsrecht” of “medebeslissende ondernemingsraden” lukken de meerwaardevorming van het kapitaal uit te schakelen. Zij kunnen niet verhinderen dat het tot periodieke economische schommelingen komt en dat ondernemers door de concurrentie gedwongen worden periodiek strenge rationaliseringsmaatregelen te treffen, ontslagen te geven en verkorte werktijd in te voeren, het werktempo te verhogen, de uitbuiting van de arbeidskracht te versterken, enz. enz.

Bij gelijktijdig instandhouden van het privé-eigendom en een economisch bestel dat op winstmaken gericht is, betekent medebeslissing en medeverantwoordelijkheid onvermijdelijk medebeslissing en medeverantwoordelijkheid voor deze vruchten van de kapitalistische productiewijze.

Arbeiders “vertegenwoordigers” die daartoe bereid zijn moeten ontegenzeggelijk met de directe belangen van hen die ze vertegenwoordigen in conflict komen. Ja, ze veranderen in vertegenwoordigers van de “bedrijfs” (d.w.z. kapitaalbelangen tegen de arbeiders. Het is moeilijk op deze weg ergens te stoppen en te zeggen: tot hier en niet verder. Hebben we niet bij de jongste “wilde” stakingen “arbeidsdirecteuren” in Duitsland en “arbeiderscommissarissen” in Nederland, gezien die direct uit de vakbeweging stammen en die als echte ondernemers-scherpslijpers proberen de “opruiende elementen” uit de bedrijven te verwijderen. Ze wezen zelfs iedere concessie aan de stakers en iedere onderhandeling met hen af. Zelfs op het moment, dat de ondernemers zelf al een veel “gematigder” taal spraken.

Een vakbeweging, die zich niet alleen in het burgerlijke staatsapparaat integreert, maar ook in de dagelijkse bedrijfsvoering van het kapitalisme zou geen “systeemconforme” vakbeweging zijn. Ze zou snel helemaal ophouden een werkelijke vakbeweging te zijn. De loonafhankelijken zouden geen enkele reden meer zien zulke werkcontroleurs en arbeidsdirecteuren nog delen van hun zuur verdiende loon in de vorm van vrijwillige bijdragen toe te schuiven. Het ledental van de vakbeweging zou in sterke mate beginnen terug te lopen (vergelijk bij voorbeeld het verloop in zo een “systeemconforme” vakbeweging in de VS, zoals het mijnwerkersverbond gedurende de laatste jaren). Omdat de ondernemers er geen enkel belang bij zouden hebben, de vakbewegingsbureaucratie in ruil voor de nauwe samenwerking financiële moeilijkheden te bezorgen, zou men streven naar een systeem van gedwongen heffing van lidmaatschapsgelden “aan de bron” door de ondernemers zelf. Zo te zeggen een systeem van “loonbelasting uit de tweede hand”, zoals dat geldt voor de Spaanse “verticale” vakbeweging. Het einde van een dergelijk ontaardingsproces zou zijn, dat de vakbondsbureaucratie niet meer een bureaucratie van een zelfstandige arbeidersorganisatie zou zijn. Ze zou nog slechts een bijzonder bestanddeel van de administratieve bureaucratie van de staat zijn. En die in de laatkapitalistische maatschappij, de helaas tot onberekenbare daden neigende en de explosieve waar “arbeidskracht” zou moeten beheren, zoals andere delen van de bureaucratie het beheer voeren over treinen, autowegen, postzegels, universiteiten en pantserwagens.

Gelukkig zijn we nog ver van dit eindpunt van het proces verwijderd. De eerste aarzelende stappen in de richting van deze zelfverloochening en zelfopheffing van de vrije vakbeweging werden tot nu toe in West-Europa pas ondernomen. En alles duidt erop dat meer bewuste, radicalere en strijdvaardiger delen van de West-Europese arbeiders dit proces tijdig zullen omkeren. Deze ommekeer is echter op den duur slechts mogelijk als de vakbeweging een grondige herziening en een nieuwe vorm geeft ten aanzien van het vraagstuk van de interne vakbondsdemocratie; ten aanzien van het probleem van de nieuwe, uit de specifieke toestand van het laatkapitalisme voortkomende taken en ten aanzien van het socialistisch einddoel van de arbeidersbeweging.

Centralisatie en democratie

Met de centralisatie van het kapitaal is er ook een voortdurend groeiende centralisatie van de vakbeweging geweest. Dit is een zeer tegenstrijdig en dualistisch proces. Vakorganisaties zijn, anders dan partijen, geen organisaties van gelijkgezinden. Zij zijn geen organisaties die slecht werkenden verenigen, die op een bepaalde programmatische basis staan en een bepaald historisch doel verwezenlijken willen. Zij zijn in principe vertegenwoordigers van de directe materiële belangen van allen, die gedwongen zijn hun arbeidskracht te verkopen. Maar het lid worden van de vakbeweging vereist een minimum aan elementair klassenbewustzijn. Wat, tenminste in de grotere landen van het Westen, tot nu toe altijd nog maar pas door een minderheid bereikt is.

De centralisatie van de vakbeweging maakt het mogelijk een groter macht tegenover de centrale economische macht van het grootkapitaal te plaatsen, dan geïsoleerde loonafhankelijken van een werkplaats, van een stad of van een industriegebied normaal opbrengen kunnen. De centralisatie is dus een noodzakelijk wapen in de klassenstrijd. Een wapen dat vooral ten goede komt aan de zwakkeren, de minder georganiseerden of aan hen die door een bijzondere economische toestand veroordeeld zijn te vertrekken van een ongunstiger uitgangspunt bij de onderhandelingen over het arbeidsloon. Het ageren voor opheffing van de centralisatie van de vakbonden zou uiteindelijk slechts de kapitalistische klasse ten goede komen.

Maar dezelfde centralisatie die het de zwakkere loonafhankelijken mogelijk maakt gunstiger loon- en arbeidsvoorwaarden af te sluiten, dan ze zelf zouden kunnen bereiken, dreigt zich tegen de meer strijdvaardigere, radicalere te keren, zodra een vakbewegingsapparaat bureaucratisch vervormd en verzelfstandigd is. Deze centralisatie dreigt de gehele grondslag van de vakbeweging te ondergraven, indien ze ontaardt tot een systematische passiviteit van de vakbondsleden. Want een steeds kleinere kring van functionarissen neemt de centrale beslissingen — met inbegrip van de compromissen bij de CAO-onderhandelingen — zonder een brede laag van activisten in de beslissingsprocedures in te schakelen.

De bovenmatige centralisatie van de beslissende macht in de vakbeweging is des te gevaarlijker naarmate juist de weigering van levende organisaties om zich op den duur te voegen naar de “inkomenspolitiek”, naar de “sociale programmering” en het “permanent overleg”, leidt tot een periodiek scherper worden van de campagnes van de ondernemers tegen de “bovenmatige macht van de vakbeweging” (zoals dat in Groot-Brittannië in de jaren 1967 en 1968 het geval was). Want zulke campagnes kunnen slechts met succes doorstaan worden indien de vakbeweging beschikt over de vrijwillige, geestdriftige ondersteuning van duizenden en nog eens duizenden actieve leden.

Het is geen toeval dat de anders zo sterk bij de democratie zwerende openbare mening de vakbeweging nog meer centralisatie opdringen wil. Ze verwijt de leiding dat ze te veel speelruimte laat aan de anarchistische teugelloosheid” van de bedrijfskaders, zoals bij voorbeeld in landen als Groot-Brittannië en Italië. De ondernemers zouden graag willen dat het vakbewegingsapparaat zelf de — vanuit hun standpunt gezien - onvermijdelijke “zuivering” van de bedrijven zou uitvoeren. Wee de vakbond, die tot een dergelijke koers zou besluiten; haar vakbewegingsmassa zou snel verdwijnen.

Het enige middel om de uitwassen van de centralisatie van de vakbeweging te vermijden is de breedst mogelijke interne vakbondsdemocratie. Dit houdt niet alleen de plicht in de leden en de activisten diepgaand te informeren, te ondervragen en te laten besluiten over iedere belangrijke beslissing. Het houdt ook het recht in dat minderheden zich aaneensluiten, zodat ze op vakbondsvergaderingen hun pogingen tenminste net zo goed kunnen coördineren als het apparaat dat kan. Het is veelzeggend, dat de gematigde vleugel van de vakbeweging dit recht stilzwijgend voor zichzelf opeist, als zij zich in een minderheidspositie bevindt, of vreest spoedig in zo een positie te komen. Maar van haar kant is zij niet bereid een radicalere minderheid hetzelfde recht toe te staan, zodra haar controle over de organisatie weer geconsolideerd is. De vakbeweging van de Republiek van Weimar in de jaren twintig, zowel als de vakbeweging van de Tsjecho-Slowaakse Republiek in de jaren 1968 en 1969 zijn een voorbeeld daarvan.

Tegen deze gedachtegang werpt men dikwijls op dat de leden van de vakbeweging tenslotte zelf schuldig zijn aan de groeiende macht van het apparaat, omdat zij geen vergaderingen bezoeken, geen enkele activiteit aan de dag leggen en dikwijls nog gematigder zijn dan het apparaat. Wij zullen niet ontkennen dat er een greintje waarheid in deze bewering zit — maar slechts een greintje. Want ten eerste tonen de gebeurtenissen steeds meer aan dat ter gelegener tijd grote massa’s arbeiders — zoals in het jaar 1968 in Frankrijk en in het jaar 1969 in Italië — mijlenver het vakbondsapparaat vooruit zijn, in plaats van er achteraan te hinken. En ten tweede geldt voor vakbondsactiviteit wat voor zwemmen geldt. Men kan het slechts leren door ergens in het water te springen, dat wil zeggen tot de praktijk over te gaan. Wie de arbeidersmassa verwijt dat ze te weinig vakbondsactiviteit tonen, moet zich afvragen wat hij dan wel ondernomen heeft om de massa op te voeden tot zelfinitiatieven, tot zelfactiviteit en tot zelfbeslissing. Alleen een vakbondsstrategie die systematisch gericht is op een dergelijke opvoeding in de dagelijkse praktijk van de strijd kan een stijgende lijn in de vakbondsactiviteit te weeg brengen. Een vakbondsstrategie die de leden iedere mogelijkheid en ieder gevoel, dat ze zelf initiatieven in de strijd ontwikkelen kan, ontneemt, kan slechts een combinatie van groeiende vakbondspassiviteit en periodieke uitbarstingen buiten het kader van de vakbeweging teweeg brengen.

Alleen een vakbondsstrategie, die gericht is op actieve initiatieven van de basis in de klassenstrijd is in overeenstemming met de nieuwe taken, die de huidige ontwikkelingsfase van het kapitalisme aan de vakbeweging stelt. We zeiden al dat steeds meer arbeidersstrijd zich spontaan beweegt in de richting van het in twijfel trekken van de kapitalistische productieverhoudingen. De strategie van de arbeiderscontrole over de productie beantwoordt aan deze spontane tendens. In tegenstelling tot de “medebeslissing” gaat de strategie van de arbeiderscontrole over de productie ervan uit dat het autonome vaststellen van de CAO’s door de vakbeweging enerzijds en medeverantwoordelijkheid voor de winstmaximalisering van de bedrijven en de concerns anderzijds, dat de verdediging van de belangen van de loonafhankelijken enerzijds en het zich voegen naar de bewegingswetten van de kapitalistische productiewijze anderzijds fundamenteel onverenigbaar zijn. De strategie van de controle over de productie eist dus controle- en vetorecht voor de loonafhankelijken, maar geen medeverantwoordelijkheid voor het beheer van kapitalistische bedrijven en de kapitalistische economie.

Arbeiderscontrole in het kapitalisme. Medebeslissing in het socialisme” — in deze korte formule heeft de overleden plaatsvervangende algemeen secretaris van de Belgische vakbond FGTB, Andre Renard, de vakbewegingsleer op dit terrein samengevat. Ze lijkt ons volkomen juist.

Arbeiderscontrole over de productie vereist echter vergaande initiatieven op het terrein van de concerns en het bedrijf, ja zelfs op het vlak van de werkplaats en de lopende band. De strijd voor de arbeiderscontrole voor de productie schept de kiemvormen voor de zelforganisatie van alle loonafhankelijken op de arbeidsplaats, zoals dit nu bij voorbeeld voor het eerst sinds tientallen jaren, weer het geval was bij de grootste bedrijven van West-Europa, de Turijnse FIAT-fabrieken. Het zou betekenen dat men de eigen aard van zo een gedelegeerden orgaan volkomen miskent, indien men dit orgaan in de vakbeweging zou willen herintegreren of het zelfs wettelijk zou willen bekrachtigen. Het gaat hier veeleer om een uitbreiding van het terrein van activiteiten van de werkenden in het bedrijf. Deze beperken zich niet langer tot CAO-onderhandelingen, en willen zich niet laten beperken door het resultaat van deze onderhandelingen. Deze zelforganisatie van de arbeiders op de arbeidsplaats moet een volledige autonomie handhaven om aan zijn trekken te komen. Zij is de kiemvorm van een systeem van dubbelheerschappij op het niveau van het bedrijf en kan van haar kant slechts de kiemvorm van een radenorganisatie zijn. Daarin ligt haar bijzondere aard en haar taak. Maar zij zal doorwerken op de activiteit van de leden van de vakbeweging in het bedrijf, hun activiteit stimuleren en de vakbondsdemocratie eisen, zolang ze de uitdrukking blijft van een groeiende deelname van de massa van de loonafhankelijken aan de economische en maatschappelijke discussie.

In dezelfde richting van een plooibaarder uitwerking van de centralisatie en de van de interne vakbondsdemocratie wijst ook een andere nieuwe taak, die de vakbeweging krijgt door de ontwikkeling van het laatkapitalisme; nl. een sterkere internationale samenwerking en integratie. In het tijdperk van de multinationale concerns is dit het enige middel om het snelle verplaatsen van opdrachten van het ene land naar het andere, het snelle tegen elkaar uitspelen van arbeiders met relatief lagere en arbeiders met relatief hogere lonen door de internationale concerns, tenminste ten dele tegen te gaan. Tot nu toe hebben de grote vakbondsapparaten op het terrein van de internationale actie volledig gefaald. Nog altijd wacht men op de eerste Europese staking, terwijl er zoveel Europese concerns zijn. En als de arbeiders van zo een concern in het ene land staken of de stakers van een industrietak door snelle aanvoer van concurrerende waren uit het buurland in de werkzaamheid van hun staking ernstig belemmerd worden, dan heeft de miljoenen sterke “officiële” vakbeweging minder bereikt voor de internationale solidariteit dan kleine radicale minderheidsgroepen.

Zo een internationale samenwerking en integratie is echter ondenkbaar op het vlak van organisatorische centralisatie; hier moet eveneens opgetreden worden op het vlak van overkoepelende organisaties. De stelling dat er in de huidige wereld geen middel bestaat om de centralisatie, die bepaald wordt door de technische vooruitgang te verbinden met de groeiende zelfwerkzaamheid en zelfbeslissing van alle mensen, komt slechts voort uit de burgerlijke en bureaucratische logica en is niet in overeenstemming met de werkelijkheid. De vakbeweging heeft hier de plicht door haar eigen opvoedende voorbeeld dit te bewijzen.

Een conservatief Brits technocraat Michael Rose spreekt de vrees uit dat de veralgemening van de cybernetische systemen van leiding over economie en staat zouden kunnen leiden tot een geweldige concentratie van beslissingsmacht in enkele handen, die gebaseerd is op het monopolie van de toegang tot het opgehoopte informatiemateriaal [Michael Rose: Computers, Managers and Society. Penguin Books, 1969, p.252-257 ff]. Meerdere burgerlijke economen hebben de gedachte geuit, dat binnen hoogstens 15 jaar ongeveer 200 grote internationale concerns, de economie van de “vrije wereld” zouden beheersen. Het geeft slechts blijk van de typische probleemblindheid van de burgerlijke econoom dat hij de paradox niet ziet als hij een wereld die door zo een concentratie van economische macht beheerst wordt, toch nog “vrij” noemt.

Een “vrijheidlievende-democratische orde”, waarin werkelijk alle grote strategische beslissingen, die het economische en maatschappelijke leven van de grote massa bepalen, door de massa zelf genomen worden, waarin de toegankelijkheid tot alle belangrijke informatie- en kennisbronnen algemeen wordt, waar centralisatie van de techniek derhalve verbonden is met de breedste decentralisatie van de beslissingsprocedures, is slechts mogelijk op de grondslag van het gemeenschappelijk eigendom van de productiemiddelen en het beheer ervan door een democratisch-centralistisch, d.w.z. gepland zelfbeheer van producenten en consumenten.

De vakbeweging zal zijn taken, die voortspruiten uit de laatste ontwikkeling van het laatkapitalisme slechts kunnen volbrengen, als zij zich weer ten volle door het socialistische einddoel, dat nog nooit zo relevant is als vandaag, in haar dagelijkse praktijk zal laten leiden. “Systeemconforme” vakorganisaties kunnen in het laatkapitalisme niet bestaan. “Systeemkritische” vakorganisaties moeten bewuste socialisten in de leiding hebben.