Ernest Mandel

VI. Het monopoliekapitalisme


Sinds het ontstaan van de kapitalistische productiewijze is haar werking niet dezelfde gebleven. Wanneer we het manufactuurkapitalisme (van de 16e tot de 18e eeuw) buiten beschouwing laten, kunnen we twee fasen onderscheiden in de ontwikkeling van het eigenlijke industriële kapitalisme:

1. Van de vrije concurrentie naar afspraken tussen de kapitalisten

Doorheen heel de eerste fase van zijn bestaan werd het industriële kapitalisme gekenmerkt door het bestaan van een groot aantal onafhankelijke ondernemingen in elke industrietak. Geen van hen kon de markt beheersen. Elk van hen trachtte goedkoper te verkopen dan de ander, in de hoop haar waren kwijt te raken.

Deze toestand is gewijzigd door de kapitalistische concentratie en centralisatie, die in een reeks nijverheidstakken slechts een beperkt aantal ondernemingen heeft laten bestaan die samen 60, 70 of 80 % van de productie vertegenwoordigden. Deze ondernemingen konden dan door onderlinge afspraken trachten de markt te beheersen, d.w.z. ophouden met het laten dalen van de verkoopprijzen door de afzet onder elkaar te verdelen, volgens de krachtsverhoudingen van dat ogenblik.

Een dergelijk verval van de kapitalistische vrije concurrentie is gemakkelijker gemaakt door een belangrijke technologische omwenteling, die zich op datzelfde ogenblik heeft voorgedaan: de vervanging van de stoommachine als belangrijkste energiebron in de nijverheid en de voornaamste transporttakken door de electrische en ontploffingsmotor. Een hele reeks nieuwe nijverheden zijn opgekomen: electriciteit, electro-technische nijverheid, petroleumnijverheid, automobielnijverheid, chemische nijverheid. Al deze nijverheidstakken vereisten een beginkapitaal dat veel hoger was dan in de reeds bestaande, wat er van bij het begin het aantal mogelijke concurrenten beperkt heeft.

De belangrijkste vormen van kapitalistische afspraken zijn:

2. Concentratie in het bankwezen en het financiekapitaal

Hetzelfde proces van concentratie en centralisatie van het kapitaal doet zich voor op het gebied van de banken. Aan het slot van deze evolutie domineert een klein aantal reusachtige banken heel het financiële leven van de kapitalistische landen.

De voornaamste rol van de banken onder het kapitalisme is het verlenen van krediet aan de ondernemingen. Bij een uitgesproken bankconcentratie heeft een klein aantal bankiers een feitelijk monopolie op het vlak van de kredietverlening. Dit brengt hen ertoe zich niet meer te gedragen als passieve geldschieters die zich tevreden stellen met het ontvangen van intrest op het voorgeschoten kapitaal, in afwachting van de terugbetaling van het krediet wanneer de vervaldag aanbreekt.

Inderdaad hebben de banken die kredieten verlenen aan ondernemingen met gelijke of aanverwante activiteiten belang bij het verzekeren van de rentabiliteit en solvabiliteit van al deze ondernemingen. Zij hebben er belang bij te vermijden dat de winsten tot op het nulpunt zouden vallen door een messcherpe concurrentie. Zij grijpen dus in om de industriële concentratie en centralisatie te versnellen en soms af te dwingen.

In dit kader kunnen ze initiatieven nemen om het scheppen van grote trusts te stimuleren. Ook kunnen ze hun monopoliepositie op het gebied van de kredietverlening aanwenden om, in ruil voor kredieten. een deelneming te verkrijgen in het kapitaal van de grote ondernemingen. Zo ontwikkelt zich het financiekapitaal, het bankkapitaal dat binnendringt in de industrie en er een overheersende positie gaat innemen.

Aan de top van de machtspiramide in het monopoliekapitalisme verschijnen financiegroepen die tegelijkertijd een controle uitoefenen over de banken, andere financiële instellingen (zoals bv. de verzekeringsmaatschappijen), de grote trusts in de nijverheid en transport, grootwarenhuizen enz. Een groepje grote kapitalisten (de beruchte ‘zestig families’) in de USA en de ‘tweehonderd families’ in Frankrijk) verenigen in hun handen alle touwtjes van de economische macht in de imperialistische landen.

In België wordt de economie, behalve door enige grote buitenlandse groepen voor het essentieel deel gecontroleerd door een tiental financiële groepen (groep Société Générale, groep de Launoit, Solvay-Boël, groep Empain, groep Lambert, groep Petrotina, groep Sofina, groep Almanij, groep Evence Coppée).

In de Verenigde Staten oefenen enkele reusachtige financiële groepen (zoals Morgan, Rockefeller, du Pont, Mellon, de Chicago-groep, de Cleveland-groep en de groep van de Bank of America) een uitgebreide overheersing uit over het economische leven. Hetzelfde geldt voro Japan, waar de oude zaibatsu (trusts), die na de Tweede Wereldoorlog ogenschijnlijk waren ontmanteld, zich gemakkelijk hebben kunnen herstellen. Het gaat hier vooral om de groepen Mitsubishi, Mitsu, Itoh, Sumidomo, Maruben.

3. Monopoliekapitalisme en kapitalisme van de vrije concurrentie

Het verschijnen van de monopolies betekent niet dat de kapitalistische concurrentie verdwijnt. Het betekent nog minder dat elke nijverheidstak op definitieve manier door één enkele onderneming zou worden gedomineerd. Het betekent vooral dat in de monopolistische sectoren:

Overigens gaat de concurrentie verder:

4. De export van kapitaal

De monopolies kunnen de gemonopoliseerde markten slechts controleren op voorwaarde dat ze de groei van de productie, dus de accumulatie van het kapitaal, beperken. Maar diezelfde monopolies beschikken over overvloedige kapitalen, meer bepaald dank zij de monopolistische superwinsten. De imperialistische fase van het kapitalisme wordt dus gekenmerkt door het verschijnsel van de excedentaire kapitalen in de handen van de monopolies van de kapitalistische landen, op zoek naar nieuwe investeringsvelden. Zo wordt de uitvoer van kapitaal een essentiële trek van het imperialistische tijdperk.

Die kapitalen worden geëxporteerd naar die landen waar ze een hogere winst opleveren dan het gemiddelde van de concurrerende sectoren in de imperialistische landen, om daar een productie te stimuleren die deze van de industrie van het moederland kan aanvullen Ze worden vooral gebruikt voor de ontwikkeling van de productie van plantaardige en minerale grondstoffen in de onderontwikkelde landen (in Azië, Afrika en Latijns Amerika).

Zolang het kapitalisme op de wereldmarkt enkel actief was om er zijn waren te verkopen en er grondstoffen en levensmiddelen te kopen, had het er geen groot belang bij zich een weg te banen met wapengeweld (hoewel het wel gebruikt werd om de hinderpalen voor de penetratie van deze waren te vernietigen, cfr. de ‘opiumoorlog’ die door Groot-Brittannië werd gevoerd om het Chinese rijk te dwingen het verbod op te heffen op de invoer van opium uit Brits Indië). Deze toestand wordt echter gewijzigd van zodra de uitvoer van kapitaal een overwegende plaats begint in te nemen in de internationale operaties van het kapitaal.

Wanneer een verkochte waar uiterlijk na verloop van enkele maanden dient betaald te worden, worden de kapitalen die in een land geïnvesteerd zijn slechts na lange jaren afgeschreven. De imperialistische machten krijgen er dus groot belang bij, een permanente controle te vestigen over de landen waar zij deze kapitalen hebben geïnvesteerd. Deze controle kan indirect zijn — via regeringen die in dienst staan van het buitenland, maar formeel onafhankelijke staten zijn — in de half-koloniale landen. Hij kan direct zijn — via een administratie die rechtstreeks afhangt van het moederland — in de koloniale landen. Het imperialistische tijdperk wordt dus getekend door een tendens tot verdeling van de wereld in koloniale rijken en invloedssferen van de imperialistische grootmachten.

Deze verdeling geschiedde op een gegeven ogenblik (vooral de periode 1880-1900), in functie van de toen bestaande krachtsverhoudingen: hegemonie van Groot-Brittannië; belang van de Franse, Nederlandse en Belgische imperialisten; relatieve zwakte van de ‘jonge’ imperialistische landen: Duitsland, de Verenigde Staten Italië, Japan.

Door middel van een reeks imperialistische oorlogen zullen de ‘jonge’ imperialistische machten pogen gebruik te maken van de wijziging in de krachtsverhoudingen om de verdeling van de wereld in hun voordeel te wijzigen: Russisch-Japanse oorlog. Eerste Wereldoorlog, Tweede Wereldoorlog.

Deze oorlogen werden gevoerd voor investeringsgebieden voor het kapitaal, voor bronnen van grondstoffen, voor gepriviligiëerde afzetgebieden en zeker niet voor een politiek ‘ideaal’ (voor of tegen de democratie, voor of tegen de autocratieën, voor of tegen het fascisme). Dezelfde opmerking geldt voor de koloniale veroveringsoorlogen die het imperialistische tijdperk kent (in de 20e eeuw): zoals de oorlog van Italië tegen Turkije, de Chinees-Japanse oorlog, de oorlog van Italië tegen Abessinië. Eveneens voor de koloniale oorlogen tegen de bevrijdingsbewegingen (Algerijnse, Vietnamese oorlog enz.), waarin het doel van één der partijen plundering is terwijl het koloniale of half-koloniale volk strijdt voor een rechtvaardige zaak: ontsnappen aan de imperialistische slavernij.

5. Imperialistische en afhankelijke landen

In het tijdperk van het imperialisme zien we dus niet alleen de vestiging van de controle van een handvol magnaten uit het financiewezen en de industrie op de imperialistische landen. Het wordt ook gekenmerkt door het vestigen van de controle van de imperialistische bourgeoisie uit een handvol landen over de volkeren van de koloniale en half-koloniale landen, de twee derden van de mensheid.

De imperialistische bourgeoisie haalt aanzienlijke rijkdommen uit de koloniale en half-koloniale landen. De kapitalen die zij in die landen investeert brengen koloniale superwinsten op, die naar het moederland worden overgebracht. De arbeidsdeling op wereldvlak, die steunt op de ruil van afgewerkte producten uit de moederlanden tegen grondstoffen uit de kolonies loopt uit op een ongelijke ruil. waarbij de arme landen hogere hoeveelheden arbeid (want minder intensief) ruilen tegen lagere hoeveelheden arbeid (want intensiever) van de moederlanden. De koloniale administratie wordt betaald door belastingen die uit de gekoloniseerde volkeren wordt geperst, en waarvan een niet onbelangrijk deel eveneens naar het moederland wordt overgeheveld.

Al deze rijkdommen die aan de afhankelijke landen worden onttrokken, ontbreken wanneer het erop aankomt hun economische groei te financieren. Het imperialisme is een van de voornaamste oorzaken van de onderontwikkeling van het zuidelijke halfrond.

6. Het laatkapitalisme

Het imperialistische tijdperk kan op zijn beurt in twee fasen worden onderverdeeld: de fase van het ‘klassieke’ imperialisme, die zich uitstrekt tot aan het begin van de Tweede Wereldoorlog en de fase van het laatkapitalisme, die begint met het einde van de Tweede Wereldoorlog.

In dit tijdperk van het laatkapitalisme breiden de concentratie en centralisatie van het kapitaal zich meer en meer uit op het internationale vlak. Waar de nationale monopolistische trusts de ‘basiscel’ waren van het ‘klassieke’ imperialisme, is de multinationale onderneming de basiscel in het tijdperk van het laatkapitalisme Maar tegelijkertijd wordt het tijdperk van het laatkapitalisme gekenmerkt door een versnelling van de technologische vernieuwing, door kortere perioden in de afschrijving van het kapitaal dat in machines werd geïnvesteerd, door de verplichting voor de grote ondernemingen om hun kosten en investeringen preciezer te berekenen en te plannen en door de tendens tot economische programmatie door de staat die daaruit logisch voortvloeit.

De economische interventie van de staat neemt eveneens toe doordat de burgerij zich verplicht ziet tot het redden van chronisch deficitair geworden bedrijfstakken, en daardoor een beroep moeten doen op de staat; doordat de burgerij beroep moet doen op de staat om nog niet rendabele ‘puntsectoren’ te financieren; doordat zij door de staat de winst van de grote monopolies laat waarborgen door hen staatsopdrachten te bezorgen (vooral, maar niet uitsluitend militaire bestellingen), toelagen en subsidies enz...

Deze groeiende internationale verstrengeling van de productie en de groeiende interventie van de nationale staat in het economische leven lokken in het tijdperk van het laatkapitalisme een reeks nieuwe tegenstellingen uit, waarvan de crisis van het monetaire systeem op wereldschaal, gevoed door de permanente inflatie, één van de belangrijkste uitdrukkingen is.

Het tijdperk van het laatkapitalisme wordt ook gekenmerkt door een veralgemeende ontbinding van de koloniale rijken, de omvorming van koloniale en semi-koloniale landen, de heroriëntering van de kapitaalexport die nu vooral plaatsgrijpt tussen de imperialistische landen onderling en niet meer van de moederlanden naar de kolonies, en een begin van industrialisering (vooral op het vlak van de consumptiegoederen) in de half-koloniale landen. Dit is niet alleen een poging van de inheemse burgerij om de opstandige volksbewegingen te remmen, maar ook het gevolg van het feit dat de uitvoer van machines en uitrustingsgoederen heden het grootste deel uitmaken van de uitvoer van de imperialistische landen zelf.

Noch de wijzigingen die zich hebben voorgedaan in de werking van de kapitalistische economie binnen de kapitalistische landen zelf, noch deze die verband houden met de economie van de half-koloniale landen en met de werking van het kapitalistische systeem in zijn geheel laten dus toe het besluit van Lenin over de historische betekenis van het geheel van de imperialistische periode, in twijfel te trekken. Het is de periode waarin alle innerlijke tegenstellingen vann het systeem verscherpt worden : tegenstellingen tussen Kapitaal en Arbeid, tussen imperialistische en gekoloniseerde landen, inter-imperialistische tegenstelllingen enz… Deze periode staat in het teken van gewelddadige conflicten, van imperialistische oorlogen, van nationale bevrijdingsoorlogen, van burgeroorlogen. Het is de periode van revoluties en contra-revoluties van meer en meer explosieve beroering, en niet de tijd van een verstandige en vredelievende vooruitgang van de beschaving.

Des te meer moeten we de mythes ontzenuwen als zou de Westerse economie tegenwoordig geen echte kapitalistische economie meer zijn De veralgemeende recessie van de internationale kapitalistische economie in 1974-‘75 heeft een dodelijke klap toegebracht aan de stelling dat wij in een zogenaamde ‘gemengde economie’ zouden leven waarin de regeling van het economische leven door de overheid een ononderbroken economische groei zou garanderen, en de volledige werkgelegenheid, en een toename van de welvaart voor allen. De werkelijkheid bewijst eens te meer dat de noden van de particuliere winst de economie beheersen, dat zij periodiek leiden tot massale werkloosheid en overproductie, dat het nog steeds gaat om een kapitalistische economie.

Ook de stelling die zegt dat de Westerse maatschappij geregeerd wordt door managers, bureaucraten, technocraten of geleerden en niet meer door de machtigste kapitalistische groepen, steunt niet op enig ernstig wetenschappelijk bewijs. Heel wat van die ‘meesters’ van onze maatschappij zijn tijdens de twee recente recessies op straat komen te staan. De afstand die het grootkapitaal doet van zijn macht slaat op het grootste deel van zijn traditionele prerogatieven behalve op het essentiële: de uiteindelijke beslissingen over de vormen en fundamentele oriëntaties in verband met de aanwending en de accumulatie van het kapitaal. De winst van de monopolies heeft de absolute voorrang, eventueel ook op de dividenden die worden uitgekeerd aan de aandeelhouders. Wie hieruit besluit dat het particuliere bezit niet meer meetelt, verliest uit het oog dat het een overheersende trend is van bij het begin van het kapitalisme, het particuliere bezit van de kleintjes op te offeren voor dat van een handvol groten.


Literatuur

Baran, P., & Sweezy, P., Monopoly Capital, Harmondsworth, Penguin Books, 1968.

Busch, Klaus, Die multinationalen Konzerne, Zur Analyse der Weltmarktbewegung des Kapitals. Frankfurt am Main, Suhrkamp Verlag, 1974.

De Haes, Leo, Het wangedrag van de multinationals. Leuven, Kritak, 1978.

Levinson, Charles, Multinationale onderrnemingen en imperialisme. Amsterdam, Van Gennep, 1975.

Mandel, Ernest, Het laatkapitalisme, Amsterdam, Van Gennep, 1976.

Mandel, Ernest, La crise 1974-1983. Les faits, leur interprétation marxiste, Paris.

NESBIC-Stichting, Multinationale ondernemingen en imperialisme, Juli-november, 1973.

Het kapitalisme in de jaren ‘70. Amsterdam, Van Gennep, 1971.

Het monopoliekapitaal. Beschouwingen over de opvattingen van Baran en Sweezy, Amsterdam, Van Gennep, 1970.

Multinationale ondernemingen en vakbeweging, Te elfder ure, nr. 16, 1974.