Franz Mehring
Karl Marx
Geschiedenis van zijn leven
Hoofdstuk 4


Friedrich Engels

Kantoor en kazerne

Friedrich Engels werd de 28ste november 1820 in Barmen geboren. Zomin als Marx bracht hij revolutionaire overtuigingen uit het ouderlijk huis mee en evenals bij Marx was het geen persoonlijke ellende, maar breed inzicht, dat hem de revolutionaire kant opdreef. Zijn vader was een welgesteld fabrikant, conservatief en ook orthodox van gezindheid; in godsdienstig opzicht heeft Engels meer te overwinnen gehad dan Marx.

Hij wijdde zich aan het beroep van koopman, nadat hij het gymnasium in Elberfeld tot een jaar vóór het eindexamen had bezocht. Evenals Freiligrath is hij een zeer bekwaam handelsman geworden, zonder dat zijn hart ooit bij de “vervloekte handel” was. Van aangezicht tot aangezicht ziet men hem voor het eerst in de brieven, die de achttienjarige leerling vanuit het kantoor van consul Leopold in Bremen aan de broers Graber richtte, twee schoolkameraden en nu beiden student in de theologie. Daarin wordt over handel en handelszaken weinig gesproken, behalve daar waar hij ergens onderaan schrijft: “gegeven op onze kantoorbok, toen wij geen kater hadden”. Een vrolijke drinkebroer is de jonge Engels reeds geweest, zo goed als de oude het nog was; wanneer hij in de “Bremer Raadskelder” al niet als Hauff gedroomd en als Heine gezongen heeft, hij weet toch met boertige humor van het “grote stuk in zijn kraag” te vertellen, dat hij zich in deze gewijde ruimte wel eens heeft gedronken.

Als Marx probeerde hij het eerst als dichter, maar niet minder spoedig dan Marx zag hij in, dat in deze tuin geen lauweren voor hem waren te plukken. In een brief, die van de 17de september 1838 gedateerd, dus voor het einde van zijn achttiende jaar geschreven is, verklaarde hij door Goethes raadgevingen “voor jonge dichters” van het geloof aan zijn dichterlijke roeping bekeerd te zijn. Bedoeld zijn de beide kleine opstellen, waarin de grote meester uiteenzet, dat de Duitse taal een zo hoge graad van ontwikkeling had bereikt, dat het een ieder gegeven was zich naar believen in rijm en ritme uit te drukken, waarop niemand zich dus iets moet laten voorstaan; Goethe besluit zijn raadgevingen met het “rijmpje”:

Weet, o jongling, dat in uren
Van verheffing van ’t gemoed
u de muze niet kan leiden,
Hoogstens volgen op de voet

In deze raadgevingen vond de jonge Engels zich zo treffend getekend als maar mogelijk was; daaruit was hem duidelijk geworden, zo schreef hij, dat met zijn rijmelarijen voor de kunst niets gedaan was. Slechts als “aangename toegift”, zoals Goethe zei, wilde hij het bijhouden en ook wel een gedicht aan een krant inzenden “omdat andere kerels, die net zulke, mogelijk ook nog grotere ezels zijn, dan ik, het ook doen en omdat ik de Duitse literatuur daardoor noch opheffen noch neerhalen zal”.

Achter de studententoon, waarvan Engels steeds heeft gehouden, lag echter ook in zijn jeugd geen lichtzinnigheid verscholen; in dezelfde brief verzoekt hij zijn vrienden hem volksboeken uit Keulen te bezorgen, Siegfried, Eulenspiegel, Helena, Octavianus, de Schildburgers, de Heemskinderen, doctor Faust, en vermeldde hij ook, dat hij aan de studie van Jacob Böhme bezig was. “Het is een duistere, maar diepe ziel. Hij moet meestal geweldig bestudeerd worden, wanneer je er iets van te pakken wilt krijgen.”

Door dit in de diepte dringen, kreeg de jonge Engels dan ook gauw genoeg een hekel aan de vlakke literatuur van het jonge Duitsland. In een brief van een weinig later, van de 10de januari 1839 krijgt dit “vuile zootje” er van langs en wel hoofdzakelijk omdat zij in de ruimte over dingen schrijven, die niet bestaan. “Die Theodoor Mundt kladt zo wat de wereld in over juffrouw Taglioni, die Goethe danst, tooit zich met bloempjes uit Goethe, Heine, Rahel en Stieglitz, praat de kostelijkste onzin over Bettina, maar alles zo modern, zo modern, dat het een lust moet zijn voor een fijnproever of voor een jong, ijdel, wellustig dametje zoiets te lezen... En die Heinrich Laube! De kerel kalkt aan één stuk door, karakters die niet bestaan, reisnovellen, die geen reisnovellen zijn, onzin op onzin, het is gruwelijk”. De “nieuwe geest” in de literatuur dateerde de jonge Engels van de “donderslag der Julirevolutie”, de “schoonste uiting van de volkswil sinds de bevrijdingsoorlog”. Tot de vertegenwoordigers van die geest rekende hij Beck, Grün en Lenau, Immermann en Platen, Börne en Heine en ook Gutzkow, die hij, vast in zijn oordeel, boven de andere lichten van het jonge Duitsland stelde. In de Telegraaf, een door deze “zeer buitengewoon te waarderen kerel” uitgegeven tijdschrift heeft Engels, volgens een brief van 1 mei 1839 een opstel geplaatst, doch hij verzocht de strengste geheimhouding, daar hij anders “lelijk in de penarie” zou raken.

Liet de jonge Engels zich door de vrijheidstirades van het jonge Duitsland al niet aangaande de esthetische nietswaardigheid van die geschriften op een dwaalspoor brengen, hij was er niettemin ook verre vandaan, ter wille van deze esthetische nietswaardigheid de orthodoxe en reactionaire aanvallen op het jonge Duitsland zachter te beoordelen. Dan koos hij beslist de partij der vervolgden, ondertekende zelf mogelijk wel met “Een Jong-Duitser” en dreigde een vriend: “Dat zeg ik je, Frits, wanneer je eenmaal dominee bent, dan mag je zo orthodox worden als je wilt, maar wordt je me een piëtist, dan krijg je met mij te doen”. Met dergelijke neigingen hing waarschijnlijk ook zijn opvallende voorliefde voor Börne samen, wiens geschrift tegen de aanbrenger Menzel de jonge Engels stilistisch voor het beste werk van Duitsland verklaarde, terwijl Heine het af en toe met een “smeerlap” moest stellen; het waren de dagen van de grote verontwaardiging tegen de dichter, toen ook de jonge Lassalle in zijn dagboek schreef: “En die man is afvallig geworden van de zaak der vrijheid! En die man heeft de jacobijnenmuts van zijn hoofd getrokken en zich een hoed met tressen op de edele lokken gedrukt”.

Evenwel noch Börne, noch Heine, noch een ander dichter, hebben de jonge Engels de wegen zijns levens gewezen, maar zijn lot heeft hem tot man gesmeed. Hij kwam uit Barmen, de ene, en leefde in Bremen, de andere burcht van het Noord-Duitse piëtisme; de bevrijding uit deze banden was het begin van de grote bevrijdingskamp, die zijn roemrijk leven vult. Waar hij met het geloof van zijn kindsheid worstelt, spreekt hij met een voor hem anders ongewone weekheid. “Ik bid dagelijks, ja bijna de ganse dag om waarheid, heb het gedaan, zodra ik begon te twijfelen en kan toch niet tot jullie geloof terug... De tranen komen mij in de ogen, terwijl ik aan je schrijf, ik ben door en door ontroerd, maar ik voel het, ik zal niet verloren gaan, ik zal tot God komen naar wie mijn hele hart verlangt. En dat is ook een getuigenis van de Heilige Geest, daarop leef ik en sterf ik, al staat er ook in de Bijbel tienduizendmaal het tegendeel.” In deze zielsworstelingen kwam de jonge Engels van een Hengstenberg en Krummacher, de kopstukken der toenmalige orthodoxie, na een meer verbaasd even inkijken dan lang vertoeven bij Schleiermacher, tot David Strausz en nu bekent hij zijn theologische vrienden dat hij niet meer terug kan. Een rechtgeaard rationalist kon, volgens hem, wel van zijn “natuurlijke” verklaring der wonderen en zijn oppervlakkige zucht naar moraal weer in het orthodoxe dwangbuis terugkruipen, maar de wijsgerige bespiegeling kon niet meer van haar, “door morgenrood bestraalde gletsjers” in de “nevelige valleien” der orthodoxie afdalen. “Ik ben op het punt hegeliaan te worden, of ik het word, weet ik weliswaar nog niet, maar Strausz heeft mij een licht over Hegel doen opgaan, dat mij het zaakje zeer aannemelijk maakt. Zijn (Hegels) geschiedfilosofie is mij toch al “uit het hart gegrepen.” De breuk met het kerkse leidde dan onmiddellijk tot politieke ketterij. Een paapse lofrede op de toenmalige Pruisische koning, de man der demagogenjacht, liet deze “Percy Heetspoor” uitroepen: “Ik verwacht slechts van die vorst iets goeds, wie de oorvegen van zijn volk om de kop suizen en wiens paleisvensters door de stenen der revolutie worden verbrijzeld.”

Met zulke inzichten was Engels boven Gutzkows Telegraaf uit in de sfeer der Duitse Jaarboeken en Rijnse Courant gegroeid. Voor beide organen heeft hij af en toe gewerkt, toen hij van oktober 1841 tot oktober 1842 zijn vrijwilligersjaar uitdiende bij de gardeartillerie in Berlijn, in de kazerne aan de “Kupfergraben”, dichtbij het huis waar Hegel geleefd had en gestorven was. Zijn toernooinaam als schrijver: Friedrich Oswald, die hij eerst misschien gekozen had om zijn conservatief en orthodox gezinde familie niet te kwetsen, moest hij in “’s konings rok” om nog dringender reden blijven voeren. Aan een schrijver, die hij in de Duitse Jaarboeken scherp had bekritiseerd, schreef Gutzkow troostend de 6de december 1842: “De treurige verdienste F. Oswald in de literatuur binnen geleid te hebben, komt helaas mij toe. Jaren geleden stuurde een handelsbediende, Engels geheten, mij uit Bremen brieven over het Wupperdal. Ik zag ze na, schrapte persoonlijke dingen, die te fel waren, en drukte ze af. Sedert stuurde hij heel wat, dat ik geregeld moest omwerken. Plotseling verzocht hij om die verbeteringen na te laten, ging Hegel bestuderen en naar andere organen over. Nog kort voor het verschijnen van de kritiek over u had ik hem 15 daalders naar Berlijn gestuurd. Zo zijn die nieuwelingen bijna allemaal. Ons hebben zij het te danken, dat zij denken en schrijven kunnen en hun eerste daad is een geestelijke vadermoord. Natuurlijk zou al deze kwaadaardigheid niets betekenen, wanneer de Rijnse Courant en Ruges blad er hun niet in tegemoet kwam.” Zo steunt nu weliswaar niet de oude Moor in de hongertoren [Toespeling op de Rovers van Schiller, waar de oude vader Moor door zijn zoon in een toren wordt opgesloten. Over de betekenis van dit werk en zijn schrijver voor het proletariaat zie men Mehrings Schiller. Leipzig 1909. (NvdV)], maar zo kakelt de hen, die het door haar uitgebroede eendje weg ziet zwemmen.

Gelijk Engels op het kantoor een flink koopman was geworden, werd hij in de kazerne een flink soldaat; voortaan en tot aan het einde van zijn leven heeft de militaire wetenschap tot zijn lievelingsstudies behoord. Door deze nauwe en voortdurende aanraking met de praktijk van het dagelijks leven werd op gelukkige wijze aangevuld wat zijn filosofisch bewustzijn aan bespiegelende diepte mocht missen. Hij heeft in zijn vrijwilligersjaar braaf met de Berlijnse Vrijen gepimpeld en ook met een paar geschriftjes deelgenomen aan hun strijd, weliswaar in de dagen, toen hun doen nog niet ontaard was. Reeds in april 1842 verscheen zonder naam zijn te Leipzig uitgegeven geschrift van 55 bladzijdjes: Schelling en de Openbaring, waarin hij “de nieuwste poging tot reactie tegen de vrije filosofie” bekritiseerde, de poging van de Berlijnse hoogleraar Schelling, om door zijn openbaringsgeloof Hegels filosofie uit het veld te slaan. Ruge, die het geschrift voor een werk van Bakoenin hield, begroette het met de vleiende lof: “Dit beminnelijke jonge mens steekt al de oude ezels in Berlijn de loef af.” Inderdaad vertegenwoordigde de brochure het nog filosofische jonghegelianisme in zijn uiterste consequenties, doch ook andere critici hadden niet geheel ongelijk, die er minder een scherpe kritiek dan wel poëtisch-filosofische gezwollenheid in vonden.

Ongeveer tegelijkertijd, onder de verse indruk van Bruno Bauers afzetting, heeft Engels in Neumünster bij Zürich, eveneens anoniem, een Christelijk heldendicht in vier zangen het licht gegeven, een satire op de “zegepraal des geloofs” over de “Opperduivel” die “krachtig is afgezet”. Het maakte ook rijkelijk gebruik van het voorrecht der jeugd, kritiek te verachten; een staal van zijn manier mogen de verzen geven, waarin Engels zichzelf en de hem persoonlijk nog onbekende Marx schilderde:

Doch die het meest naar links met lange benen stapt daar
Is Oswald, grijs berokt en pepergrijs bebroekt, maar
Ook peperig van binnen, Oswald de Montagnard
Die staat het hechtste pal met huid en ook met haar.
Bespeelt hij ‘n instrument: het is de guillotine
Op haar muziek zingt hij steeds ene cavatine
Steeds klinkt het hellelied, steeds brult hij het refrein:
Formez vos bataillons! aux armes, citoyens!
— — — — — — —
— — — — — — —
Wie jaagt daarachter voort met wild en woest geschreeuw?
Een zwarte keerl uit Trier, een machtig sterke leeuw,
Hij loopt, hij huppelt niet, hij danst, springt op zijn hakken
En raast vol woede en nijd en juist als wou hij pakken
De verre hemelstent en op de aarde trekken
Gaat hij de armen zijn ver in de luchten strekken
Gebald de boze vuist, sloeg hij er op en hakte
Alsof hem bij de staart tienduizend duivels pakten.

Na afloop van zijn diensttijd, eind september 1842, keerde Engels in zijn ouderlijk huis terug en van hier ging hij twee maanden later naar Manchester als commies van de grote spinnerij Ermen & Engels waarvan zijn vader deelgenoot was. Op zijn doorreis bezocht hij de redactie van de Rijnse Courant in Keulen en zag hier Marx voor het eerst. Doch hun begroeting was zeer koel, want zij viel juist in de dagen, dat Marx met de Vrijen brak. Engels was door brieven van de gebroeders Bauer tegen Marx ingenomen en Marx zag in Engels een geestverwant van de Berlijnse Vrijen.

Engelse beschaving

Eenentwintig maanden heeft Engels toen in Engeland doorgebracht en deze tijd heeft voor hem een eendere betekenis gehad als voor Marx het Parijse jaar. Beiden kwamen uit de school van de Duitse filosofie, vanwaar uit zij in het buitenland tot volkomen gelijke uitkomsten kwamen, maar terwijl Marx zich uit de Franse Revolutie een inzicht in de strijd en de wensen van de tijd verworven heeft, heeft Engels dit uit de Engelse industrie verkregen.

Ook Engeland had zijn burgerlijke revolutie gehad, zelfs reeds een eeuw voor Frankrijk, maar juist daarom onder onvergelijkelijk minder ontwikkelde verhoudingen. Zij was tenslotte in een compromis tussen aristocratie en bourgeoisie verlopen, die zich een gezamenlijk koningschap schiepen. De Engelse “middenstand” had niet dezelfde hardnekkige en langdurige strijd tegen koningschap en adel te voeren, als de “derde” stand in Frankrijk. Maar terwijl het aan de Franse geschiedschrijving eerst door beschouwing achteraf duidelijk werd, dat de strijd van de “derde” stand een klassenstrijd was, schoot de gedachte van de klassenstrijd in Engeland om zo te zeggen vers uit de aarde omhoog, toen het proletariaat in de tijd van de parlementshervormingswet van 1832 de strijd aanbond met de heersende klassen.

Het verschil werd hierdoor verklaard, dat de grote industrie de Engelse grond veel dieper had omgeploegd dan de Fransen. Zij had in een schier met de handen te grijpen ontwikkelingsproces oude klassen vernietigd en nieuwe geschapen. De inwendige structuur der moderne burgerlijke maatschappij was in Engeland veel doorzichtiger dan in Frankrijk. Uit de geschiedenis en het wezen der Engelse industrie leerde Engels, dat het economisch gebeuren, dat in de geschiedschrijving tot dusver in het geheel geen of een verachte rol speelde, althans in de moderne wereld een beslissende historische macht was, dat het de grondslag vormde voor het ontstaan van de tegenwoordige klassentegenstellingen, dat deze klassentegenstellingen, waar zij zich tengevolge van de grote industrie volledig hadden ontwikkeld weer de grondslag der politieke partijvorming, der partijgeschillen en daarmee van de hele politieke geschiedenis waren.

Bovendien hing het met zijn beroep samen, dat Engels zijn blik in de eerste plaats op economisch gebied richtte. In de Duits-Franse Jaarboeken begon hij met een kritiek op de economie, zoals Marx met een kritiek op de rechtsfilosofie was begonnen. Het kleine opstel is nog met jeugdige voortvarendheid geschreven, maar het getuigt toch ook reeds van een zeldzaam rijp oordeel. Het een “vrij verward werkje” te noemen, bleef de Duitse professor voorbehouden; Marx heeft het treffend een “geniale schets” genoemd. Een “schets”, want wat Engels over de economie van Adam Smith en Ricardo zegt, is geenszins afdoende en niet eens altijd juist, en wat hij er in ’t bijzonder tegen in bracht was eigenlijk al eerder door Franse of Engelse socialisten gezegd. Geniaal was echter de poging alle tegenstrijdigheden der burgerlijke economie uit haar werkelijke bron, het privaateigendom als zodanig, af te leiden; daarmee ging Engels reeds boven Proudhon uit, die het privaateigendom slechts wist te bestrijden van de bodem van het privaateigendom uit. Wat Engels over de ontmenselijkende werkingen van de kapitalistische concurrentie had te zeggen, over de bevolkingstheorie van Malthus, over de steeds stijgende koortshitte der kapitalistische productie, over de handelscrisissen, over de loonwet, over de vooruitgang der wetenschap, die onder de heerschappij van het privaateigendom van middel tot bevrijding der mensheid veeleer middel tot steeds erger knechting der arbeidersklasse werd enz. dat bevatte de vruchtbare wortels van het wetenschappelijk communisme naar de economische kant, die Engels inderdaad voor het eerst als zodanig ontdekt heeft.

Hij zelf heeft daarover al te bescheiden gedacht. Al zei hij ook eens dat Marx pas aan zijn economische stellingen “de scherpe eindvorm” had gegeven, of een ander maal: “Marx stond hoger, keek verder, overzag meer en vlugger dan één van ons allen” of een derde maal: wat hij gevonden had, zou Marx ten laatste ook zelf hebben gevonden, in hun eerste tijd is niettemin op het gebied, waarop tenslotte de beslissende slag geslagen moest worden en geslagen is, Engels de gevende en Marx de ontvangende geweest. Ongetwijfeld was Marx toen de filosofisch meer begaafde en vooral ook meer geschoolde kop en wanneer men van een kinderachtig als-en-maar-spelletje houdt, dat met historisch onderzoek niets te maken heeft, dan kan men erover prakkiseren, of Engels het probleem in zijn ingewikkelder Franse vorm zo zou hebben opgelost, als Marx. Maar — en dit is ten onrechte miskend — in zijn eenvoudiger Engelse vorm heeft Engels het niet minder gelukkig opgelost. Juist wanneer men zijn kritiek op de politieke economie van eenzijdig economisch standpunt beschouwt, zal men er heel wat op aan kunnen merken; wat haar onderscheidt en wat haar tot een wezenlijke vooruitgang in inzicht maakte, dat dankte haar schrijver aan de dialectische school van Hegel.

Ook naar buiten zichtbaar treedt het filosofische uitgangspunt in het tweede opstel naar voren, dat Engels in de Duits-Franse Jaar boeken publiceerde. Hij schilderde de toestand van Engeland aan de hand van een geschrift van Carlyle, dat hij het enig lezenswaardige boek uit de literaire oogst van een heel jaar noemde, een armoede, die weer in tekenende tegenstelling met de Franse rijkdom stond. Engels knoopte daar een beschouwing aan vast over de geestelijke uitputting van de Engelse aristocratie en bourgeoisie; de ontwikkelde Engelsman, waarnaar men op het vasteland het Engelse nationale karakter beoordeelde, was, zei hij, de verachtelijkste slaaf onder de zon, die onder vooroordelen, voornamelijk godsdienstige vooroordelen stikte. “Slechts het op het vasteland onbekende deel der Engelse natie, slechts de arbeiders, de paria’s van Engeland, de armen, zijn werkelijk respectabel, ondanks al hun ruwheid en al hun ontaarding. Van hen gaat de redding van Engeland uit, in hen ligt nog kneedbare stof; zij hebben geen beschaving, maar ook geen vooroordelen; zij hebben nog krachten ter beschikking voor een grote nationale daad, zij hebben nog een toekomst”. Engels wees er op hoe, om met Marx te spreken, de filosofie zich in deze “naïeve volksbodem” begon te wortelen; Strausz’ Leven van Jezus, dat geen fatsoenlijk schrijver had durven vertalen en geen gezien boekhandelaar drukken, was door een socialistisch spreker vertaald en werd in stuiversboekjes onder de arbeiders in Londen, Birmingham en Manchester verspreid.

Engels vertaalde de “mooiste” der “vaak werkelijk prachtige plaatsen” uit Carlyles geschrift, die de toestand van Engeland in de donkerste kleuren schilderden. Tegen de reddingsplannen echter, die Carlyle voorstelde: een nieuwe godsdienst, een pantheïstische heldenverering en dergelijke meer beriep hij zich op Bruno Bauer en Feuerbach. Alle mogelijkheden van de godsdienst waren uitgeput, betoogde hij, ook het pantheïsme, waarmee Feuerbachs Stellingen in de Anecdota voor goed hadden afgerekend. “De vraag is totnogtoe steeds geweest: wat is God?, en de Duitse filosofie heeft de vraag in deze richting opgelost: God is de Mens. De mens heeft slechts bewust te worden, alle levensverhoudingen aan zichzelf te meten, naar zijn wezen te beoordelen, de wereld naar de eisen van zijn natuur waarlijk menselijk in te richten, en hij heeft het raadsel van onze tijd opgelost”. En zoals Marx de mens van Feuerbach terstond als het wezen van de mens, de staat, de samenleving toelichtte, zo zag Engels in het wezen van de mens de geschiedenis, die ons “een en alles” was en “door ons” hoger gesteld werd dan door welke andere, vroegere, filosofische richting ook, hoger zelfs dan door Hegel, wie zij ten slotte toch slechts als proef op zijn logische rekensom had moeten dienen.

Het is ongemeen bekoorlijk in de twee opstellen, die Engels en Marx elk in de Duits-Franse Jaarboeken hebben geschreven, tot in bijzonderheden na te gaan hoe gelijke gedachten ontkiemen, anders gekleurd hier in het licht der Franse Revolutie en daar in het licht der Engelse industrie, van de beide grote omwentelingen, waarvan de geschiedenis der moderne burgerlijke maatschappij dateert, maar in het wezen der zaak toch gelijk. Had Marx uit de mensenrechten het stelselloos wezen der burgerlijke maatschappij gelezen, Engels lichtte de concurrentie toe, “het hoofdbegrip voor de econoom, zijn liefste dochter: Wat moet men van een wet denken, die slechts door de periodieke revoluties der handelscrisissen gehandhaafd kan worden? Is het niet een natuurwet, die berust op de onbewustheid van hen die er aan onderworpen zijn?” Was Marx tot het inzicht gekomen, dat de menselijke emancipatie eerst volbracht was, wanneer de mens door de organisatie van zijn eigen krachten als maatschappelijke krachten tot soortwezen geworden was, Engels zei: produceert met bewustzijn, als mensen, niet als verspreide atomen zonder soortbewustzijn, en je bent al deze kunstmatige en onhoudbare tegenstellingen te boven.

Men ziet, de overeenstemming is bijna woordelijk.

De Heilige Familie

Hun eerste gezamenlijke arbeid was de afrekening met hun filosofisch geweten en deze kleedde zich in de vorm van een polemiek tegen het Algemeen Letterkundeblad, dat Bruno Bauer met zijn broeders Edgar en Egbert sedert december 1843 in Charlottenburg uitgaf.

In dit orgaan probeerden de Berlijnse Vrijen de grond te leggen voor hun wereldbeschouwing, of wat zij zo noemden. Bruno Bauer was wel door Fröbel uitgenodigd mee te werken aan de Duits-Franse Jaarboeken, maar hij had tenslotte toch niet kunnen besluiten om mee te doen, en in de grond van de zaak hield hij niet alleen aan zijn filosofisch zelfbewustzijn vast, omdat zijn persoonlijk zelfbewustzijn door Marx en Ruge gevoelig was gekwetst. Zijn snibbige opmerkingen over de “Rijnse Courant zaliger nagedachtenis”, de “Radicalen”, de “Wijzen van Anno 1842” hadden ondanks alles een zakelijke ondergrond. De grondigheid en snelheid, waarmee de romantische reactie de Duitse Jaarboeken en de Rijnse Courant had vernietigd, zodra zij zich van de filosofie tot de politiek wendden en de volkomen onverschilligheid, waarin de “massa” bij die “slachting” van de “geest” was blijven volharden, hadden hem overtuigd, dat er langs die weg niet vooruit te komen viel. Hij zag alle heil slechts in de terugkeer tot de zuivere filosofie, tot de zuivere theorie, tot de zuivere kritiek, waarvan men zonder veel moeite in de ideologische wolkenwereld wel een almachtige heerser der wereld kon maken.

Het programma van het Algemeen Letterkundeblad, voor zover het tenminste nog tastbaar was, sprak Bruno Bauer met de woorden uit: “Alle grote acties der geschiedenis waren tot nu toe daarom al van te voren mislukt en zonder blijvend gevolg, omdat de massa er belang in had gesteld of er voor in geestdrift geraakt was, of zij moesten een droevig einde nemen, omdat de idee, waarom het in die gevallen ging, van die aard was, dat zij zich met een oppervlakkige opvatting tevreden stellen, dus ook op de bijval der massa rekenen moest”. De tegenstelling tussen “geest” en “massa” liep als een rode draad door het Algemeen Letterkundeblad; het blad zei dat de geest nu wist, waar hij zijn enige tegenstrever had te zoeken, namelijk in de zelfmisleiding en in de kernloosheid der massa.

Dienovereenkomstig oordeelde het tijdschrift van Bauer met schoolmeesterachtige minachting over alle “massale” bewegingen van de tijd, over christendom en jodendom, pauperisme en socialisme, Franse Revolutie en Engelse industrie. Het was bijna nog te hoffelijk wanneer Engels in haar album schreef: “Zij is en blijft een oud wijf, de verwelkte en verweerde hegeliaanse filosofie, die haar lijf, ingeteerd tot de walgelijkste abstractie, siert en opdirkt en in heel Duitsland naar een vrijer rondloert”. Want de filosofie van Hegel werd tot in het ongerijmde doorgevoerd. Terwijl Hegel de absolute geest als scheppende wereldgeest steeds pas achteraf in de filosoof tot bewustzijn liet komen, zei hij eigenlijk slechts, dat de absolute geest schijnbaar, in de verbeelding de geschiedenis maakte en hij was zeer uitdrukkelijk tegen de misvatting opgekomen, als zou de filosofische mens zelf de absolute geest zijn. Daarentegen beschouwden de Bauers en hun jongeren zich als de persoonlijke belichaming van de kritiek, van de absolute geest, die door hen in bewuste tegenstelling tot de overige mensheid de rol van wereldgeest speelde. Deze nevel moest zelfs in de filosofische atmosfeer van Duitsland snel vervliegen, ja in de kring der Vrijen zelf viel het Algemeen Letterkundeblad een zeer lauwe ontvangst te beurt; noch Köppen, die zich trouwens toch achteraf hield, werkte mee, noch Stirner, die zich veeleer heimelijk voorbereidde om haar af te maken, maar ook Meyen en Rutenberg waren er niet voor te vinden en de Bauers moesten, met uitzondering alleen van Faucher, genoegen nemen met een derde lichting van de Vrijen, een zekere Jungnitz en de Pruisische luitenant v. Zychlinski, onder de schuilnaam Szeliga, die pas in 1900 als generaal van de infanterie gestorven is. De hele rataplan was dan ook binnen het jaar kleur- en geurloos verdwenen; het Algemeen Letterkundeblad was niet slechts dood, maar ook reeds vergeten; toen Marx en Engels er in het openbaar tegen optraden.

Dat is niet bevorderlijk geweest voor hun eerste gemeenschappelijk geschrift, de “Kritiek der kritische kritiek”, zoals zij het zelf doopten, of De Heilige Familie, de naam, die zij er op voorstel van de uitgever aan gaven. De tegenstanders spotten dadelijk dat zij open deuren intrapten en ook Engels zei, toen hij het boek af en wel in handen kreeg, dat het een prachtig stuk was, maar ondanks alles te groot; de soevereine minachting waarmee de kritische kritiek behandeld werd, stond, naar zijn mening, in schrille tegenstelling tot de tweeëntwintig vel van het geschrift; het meeste zou voor het grote publiek onbegrijpelijk zijn en ook niet iedereen belang inboezemen. Dat geldt voor nu nog heel wat meer dan voor toen, daarentegen heeft het intussen een bekoring gekregen, die in de tijd toen het verscheen, niet genoten kon worden, tenminste niet zo als tegenwoordig. Zegt niet een later beoordelaar, nadat hij de muggenzifterijen, en zelfs de ontzettende gedachteverdraaiingen van het geschrift gelaakt heeft, dat het enkele van de schoonste openbaringen van het genie bevatte, die ook in de meesterlijke vorm, in de metalen gedrongenheid van de taal tot het heerlijkste behoorden, wat Marx ooit heeft geschreven.

Marx toont zich in deze gedeelten van het boek een meester in die vruchtbare kritiek, die de ideologische verbeelding verslaat door positieve feiten, die tegelijk schept als zij vernielt, tegelijk opbouwt als ze afbreekt. Tegenover de kritische redeneringen van Bruno Bauer over het Frans materialisme en de Franse Revolutie stelde Marx schitterende schetsen van deze historische verschijnselen. Op het gepraat van Bruno Bauer over de tegenstelling tussen “geest” en “massa” “idee” en “belang”, antwoordde Marx koel: de idee blameerde zich steeds, voor zover zij met het belang onderscheiden was. Elk massabelang, dat historisch van kracht werd, placht, zei hij, bij zijn optreden op het wereldtoneel in de geest ver boven zijn beperkingen in de werkelijkheid uit te gaan en zich te vereenzelvigen met het belang der mensheid. Zij is de illusie, die Fourier de toon van elk historisch tijdvak noemde. “Het belang van de bourgeoisie bij de revolutie van 1789, wel verre van “mislukt” te zijn, heeft alles “gewonnen” en heeft het “meest blijvende gevolg” gehad, hoe zeer het “pathos” de onbewuste overdrijving, in rook vergaan en hoezeer de bloemen van “geestdrift” waarmee dit belang zijn wieg had bekranst, verwelkt zijn. Dit belang was zo machtig, dat het de pen van een Marat, de guillotine van de terroristen, de degen van Napoleon, zowel als het crucifix en het blauwe bloed der Bourbons zegevierend overwon”. In 1830 had, ging hij door, de bourgeoisie haar wensen van 1789 verwezenlijkt, slechts met dit verschil, dat haar politieke verlichting voltooid was, dat zij in de constitutionele parlementaire staat, niet meer het ideaal van de staat, niet meer het heil der wereld en algemeen menselijke doeleinden nastreefde, maar in hem de officiële belichaming had leren zien van haar bijzondere macht en de politieke erkenning van haar speciaal belang. Mislukt was de revolutie, zo besloot hij, slechts voor die massa geweest, die in de politieke idee niet de idee van haar werkelijk belang had bezeten, wier feitelijk levensbeginsel dus niet met het levensbeginsel der revolutie samengevallen was, en wier eigenlijke voorwaarden tot emancipatie wezenlijk verschillend waren van de voorwaarden, binnen welke de bourgeoisie zich in de maatschappij kon emanciperen.

Tegenover de bewering van Bruno Bauer, dat de staat de atomen van de burgerlijke maatschappij bijeenhield, stelde Marx, dat wat haar tezamen hield, dit was, dat zij slechts in de verbeelding atomen waren, in de hemel van Bauers fantasie, in werkelijkheid echter van de atomen geweldig verschillende wezens, namelijk geen goddelijke egoïsten, maar egoïstische mensen. “Slechts het politieke bijgeloof beeldt zich heden ten dage nog in, dat het burgerlijke leven door de staat bijeen gehouden moet worden, terwijl in de werkelijkheid juist de staat door het burgerlijk leven bijeengehouden wordt”. En verachtelijke uitlatingen van Bruno Bauer over de betekenis van nijverheid en natuur voor het historisch inzicht, beantwoordde Marx met de vraag: of de kritische kritiek ook maar aan het begin meende te staan van het inzicht in de historische werkelijkheid, zolang zij de theoretische en praktische houding der mensen tegenover de natuur, de natuurwetenschap en de nijverheid, buiten de historische beweging sloot. “Zoals zij het denken van de zinnen, de ziel van het lichaam scheidt, scheidt zij de geschiedenis van de natuurwetenschap en nijverheid, ziet zij niet in de grof materiële productie op de aarde, maar in de nevelige wolkenvorming van de hemel de geboorteplek van de geschiedenis.”

Gelijk Marx de Franse Revolutie tegenover de kritische kritiek in bescherming nam, deed Engels het de Engelse industrie. Hij kreeg daarbij te doen met de jonge Faucher, die nog het meeste van alle medewerkers aan het Algemeen Letterkundeblad met de aardse werkelijkheid rekening hield; het is kostelijk, te lezen, hoe treffend hij toen die kapitalistische loonwet uiteen wist te zetten, die hij twintig jaar later, bij Lassalles optreden, als een “smerige wet van Ricardo” tot in de diepten der hel zou vervloeken. Bij alle grove bokken, waar Engels hem op betrapte — Faucher wist er in 1844 nog niets van, dat in 1824 de Engelse coalitieverboden waren opgeheven — ontbrak het toch niet helemaal aan haarkloverijen en op één wezenlijk punt dwaalde ook Engels, zij het dan ook in een andere richting, dan Faucher. Had deze de tienurenwet van Lord Ashley als een “slappe milieumaatregel” bespot, die geen bijlslag in de boomwortel betekenen zou, Engels hield haar met “de hele massaalheid van Engeland” voor de zij het ook allerslapste toepassing van een beslist radicaal beginsel, daar zij de bijl aan de wortels van de buitenlandse handel en daarmee aan de wortels van het fabriekssysteem niet slechts zou leggen, maar er diep inhakken zou. Engels, en met hem Marx, zag toentertijd in de wet van lord Ashley een poging, de grote industrie aan reactionaire banden te leggen, die op de bodem der kapitalistische maatschappij steeds weer zouden worden verscheurd.

Hun filosofisch verleden hebben Engels en Marx nog niet volledig afgestroopt, al dadelijk bij het eerste woord van de voorrede spelen zij het werkelijkheids-humanisme van Feuerbach tegen het bespiegelende idealisme van Bruno Bauer uit. Zonder aarzelen erkennen zij de geniale gevolgtrekkingen van Feuerbach, zijn verdienste, de grote en meesterlijke grondtrekken van de kritiek op alle metafysica geleverd, de mens in de plaats van de oude rommel, ook van het “oneindige zelfbewustzijn” te hebben gezet. Maar zij schrijden over het humanisme van Feuerbach steeds weer voort tot het socialisme, van de abstracte tot de historische mens, en in de chaotisch door elkaar vloeiende wereld van het socialisme vinden zij met bewonderenswaardige scherpzinnigheid hun weg. Zij onthullen het geheim van de socialistische liefhebberijtjes, waarin de zatte bourgeoisie behagen schepte. De menselijke ellende zelf, de oneindige verworpenheid van wie de aalmoezen ontvangen moet, dienen de aristocratie van geld en beschaving tot amusement, tot bevrediging van haar eigenliefde, tot prikkel van haar overmoed: een andere betekenis hebben de vele liefdadigheidsverenigingen in Duitsland, de vele maatschappijen van weldadigheid in Frankrijk, de talrijke weldoeners donquichotterie in Engeland, de concerten, bals, toneeluitvoeringen, diners ten bate van de armen, zelfs de openbare intekenlijsten voor verongelukten niet.

Van de grote utopisten heeft Fourier het meest bijgedragen tot de gedachte-inhoud van De Heilige Familie. Engels maakt echter reeds onderscheid tussen Fourier en fourierisme: hij zegt, dat het verwaterde fourierisme, zoals de Vreedzame Democratie het predikte, niets anders was dan de sociale leer van een deel der filantropische bourgeoisie. Hij en Marx leggen steeds weer de nadruk op wat ook de grote utopisten nooit hadden begrepen: de geschiedkundige ontwikkeling, de zelfstandige beweging van de arbeidersklasse. Tegen Edgar Bauer schrijft Engels: “De kritische kritiek schept niets, de arbeider schept alles, ja zo zeer alles, dat hij de hele kritiek ook door zijn geestelijke scheppingen beschaamt; de Engelse en Franse arbeiders kunnen daarvan getuigen. En de zogenaamde volslagen tegenstelling tussen “geest” en “massa” schoof Marx onder andere ook met de opmerking opzij, dat de communistische kritiek van de utopisten praktisch tegelijk aan de beweging van de grote massa had beantwoord; men moest, zei hij, de studie, de weetgierigheid, de zedelijke kracht, de rusteloze drang naar ontwikkeling van de Franse en Engelse werklui hebben leren kennen om zich van de menselijke adel van deze beweging een voorstelling te kunnen maken.

Na dit alles is het makkelijk te begrijpen, dat Marx zich met bijzondere ijver tegen de slappe vertaling en de nog slappere commentaar keerde, waarmee Edgar Bauer zich in het Algemeen Letterkundeblad aan Proudhon had vergrepen. Het is natuurlijk een academische kneep, te zeggen, dat Marx in De Heilige Familie dezelfde Proudhon verheerlijkt zou hebben, die hij een paar jaar later scherp zou bekritiseren. Marx kwam er slechts tegenop, dat Proudhons werkelijke verdienste door Edgar Bauers verward geredeneer werd verduisterd, want Proudhons werk achtte hij op economisch gebied even baanbrekend, als dat van Bruno Bauer op theologisch gebied. Maar zoals tegen Bruno Bauers theologische, zo keerde Marx zich ook tegen Proudhons economische beperktheid.

Behandelde Proudhon het eigendom op de bodem der burgerlijke economie als een tegenstelling in zichzelf, Marx zei: “Het privaateigendom als privaateigendom, als rijkdom, is gedwongen zichzelf en daarmee zijn tegendeel, het proletariaat, te laten voortbestaan. Het is de positieve kant van de tegenstelling, het in zichzelf bevredigde privaateigendom. Het proletariaat is omgekeerd als proletariaat gedwongen, zichzelf en daarmee het tegendeel, dat het bepaalt en tot proletariaat maakt, op te heffen. Het is de negatieve kant van de tegenstelling, haar onrust in zichzelf, het opgeloste en zich oplossende privaateigendom. Binnen de tegenstelling is de privaateigenaar dus de behoudende, de proletariër de afbrekende partij. Van gene gaat de actie uit om de tegenstelling te behouden, van deze de actie tot haar vernietiging. Het privaateigendom gaat zeer zeker in zijn economische beweging zijn eigen ondergang tegemoet, maar slechts door een van hetzelf onafhankelijke ontwikkeling, onbewust door de aard der zaak bepaald, a.h.w. tegen wil en dank, slechts doordat het het proletariaat als proletariaat in het leven roept, de ellende die zich van haar eigen geestelijke en lichamelijk ellende bewust is, de ontmenselijking die zich van haar eigen ontmenselijking bewust is en daarom zichzelf opheft. Het proletariaat voltrekt het vonnis, dat het privaateigendom door het in ’t leven roepen van het proletariaat over zich zelf uitspreekt, zoals het het vonnis voltrekt, dat de loonarbeid over zichzelf uitspreekt, door rijkdom van anderen en eigen ellende in ’t leven te roepen. Wanneer het proletariaat zegeviert dan is het daardoor geenszins tot de absolute kant van de maatschappij geworden, want het zegeviert slechts door zichzelf en zijn tegendeel op te heffen. Alsdan is zowel het proletariaat als zijn tegendeel, dat het bepaalt, het privaateigendom verdwenen.”

Uitdrukkelijk kwam Marx er tegen op, als zou hij de proletariërs voor goden willen verklaren, door hun een wereldhistorische rol toe te kennen. “Veeleer omgekeerd! Aangezien het gemis van alle menselijkheid, zelfs van de schijn van menselijkheid, in het echte proletariaat praktisch volkomen is, aangezien in de levensvoorwaarden van het proletariaat alle levensvoorwaarden der tegenwoordige maatschappij tot de meest onmenselijke laagte zijn gezonken, aangezien in de proletariër de mens verloren is gegaan, doch hij tegelijk niet slechts het theoretisch bewustzijn van dit verlies gewonnen heeft, maar ook onmiddellijk door de niet te keren, volstrekt alles overheersende ellende — de praktische belichaming der noodzakelijkheid — tot verzet tegen deze onmenselijkheid gedwongen is, daarom kan en moet het proletariaat zichzelf bevrijden. Het kan zich echter niet zelf bevrijden zonder zijn eigen levensvoorwaarden op te heffen. Het kan zijn eigen levensvoorwaarden niet opheffen, zonder alle onmenselijke levensvoorwaarden der maatschappij, die op zijn toestand uitlopen, op te heffen. Het maakt niet tevergeefs de harde, maar stalende school van de arbeid door. Het gaat er niet om, wat deze of gene proletariër of zelfs het hele proletariaat zich op een gegeven ogenblik ten doel stelt. Het gaat er om, wat zijn wezen is en wat het volgens dat wezen historisch gedwongen zal zijn te doen. Zijn doel en de richting van zijn historische actie blijkt uit zijn eigen levenstoestand, zowel als uit de hele organisatie van de tegenwoordige burgerlijke maatschappij duidelijk en onherroepelijk”. En steeds weer legde Marx er de nadruk op, dat een groot deel van het Engelse en Franse proletariaat zich reeds van zijn historische taak bewust en aanhoudend bezig was dit bewustzijn tot volledige klaarheid te ontwikkelen.

Naast menige frisse bron, waaruit het water des levens borrelt, kent De Heilige Familie zonder twijfel ook menig stuk dor land. Vooral de beide lange hoofdstukken, die zich met de ongelofelijke wijsheid van de waarde Szeliga bezig houden, stellen het geduld van de lezer op een zware proef. Men laat het geschrift het meeste recht wedervaren wanneer men het als een improvisatie beschouwt, wat het blijkbaar ook geweest is. Juist in de dagen dat Engels en Marx elkaar persoonlijk leerden kennen, belandde in Parijs de achtste aflevering van het Algemeen Letterkundeblad, waarin Bruno Bauer op bedekte weliswaar, maar tegelijk stekelige wijze de opvatting bestreed, waartoe beiden in de Duits-Franse Jaarboeken waren gekomen.

Toen is mogelijk de gedachte bij hen opgedoken, de oude vriend op grappig-spottende manier te antwoorden met een kleine brochure, die gauw moest verschijnen. Daarop wijst het feit, dat Engels zijn bijdrage, die niet veel meer dan een vel besloeg, aanstonds opschreef en zeer verwonderd was, toen hij hoorde, dat Marx het geschrift tot twintig vel druks uitbreidde; hij vond het “curieus” en “komiek” dat bij de geringe omvang van zijn aandeel zijn naam mee op het titelblad stond en nog wel voorop. Marx zal het werk op zijn grondige manier aangepakt en daarbij zal het hem, naar het bekende slechts al te ware woord, aan tijd ontbroken hebben, kort te zijn; misschien heeft hij de stof ook gerekt om zich de censuurvrijheid te verzekeren, die boeken van over de twintig vel genoten.

Overigens kondigden de schrijvers deze polemiek slechts aan als voorloper van de zelfstandige geschriften, waarin zij — ieder voor zich — stelling zouden nemen tegenover de nieuwste filosofische en sociale leerstukken. Hoe zeer het hun daarmee ernst was, bleek uit het feit, dat Engels het eerste van die zelfstandige geschriften reeds in handschrift had voltooid, toen hij het eerste gedrukte exemplaar van De Heilige Familie ontving.

Een socialistische grondslag

Dat geschrift was: De toestand van de arbeidende klasse in Engeland, dat in de zomer van 1845 bij Wigand in Leipzig verscheen, de voormalige uitgever van de Duitse Jaarboeken, die enkele maanden geleden Stirners Eenling had doen verschijnen. Was Stirner als een laatste uitloper van de hegeliaanse filosofie in de platte wijsheid der kapitalistische concurrentie verzeild geraakt, Engels legde in zijn boek de grond voor die Duitse theoretici, die — en dat waren ze bijna allen — door Feuerbachs oplossing der hegeliaanse bespiegeling tot communisme en socialisme waren gekomen. Hij schilderde de toestanden der Engelse arbeidersklasse in hun afgrijselijke, maar voor de heerschappij der bourgeoisie typische werkelijkheid.

Toen Engels zijn werk bijna vijftig jaar later opnieuw uitgaf, noemde hij het een fase in de embryonale ontwikkeling van het moderne internationale socialisme. Hij voegde erbij: zoals het menselijk embryo in zijn vroegste ontwikkeling de kieuwspleten van onze voorvaderen, de vissen, nog steeds opnieuw vertoont, zo verried mijn boek overal de sporen van de afstamming van het moderne socialisme uit een van zijn voorvaderen, de Duitse klassieke filosofie. Dat is evenwel slechts met deze beperking juist, dat deze sporen veel zwakker zijn dan ze nog in de opstellen waren, die Engels in de Duits-Franse Jaarboeken had gepubliceerd; noch Bruno Bauer noch Feuerbach worden meer genoemd, en “vriend Stirner” slechts een paar maal om hem een beetje voor ’t lapje te houden. Mits men er niet een nog achterlijk, maar een beslist voortstuwend element onder verstaat, kan men van een wezenlijke invloed der Duitse filosofie op het boek spreken.

Zijn eigenlijk zwaartepunt lag niet in de schildering der proletarische ellende, zoals zij in Engeland onder de heerschappij der kapitalistische productiewijze was ontstaan. Daarin had Engels menig voorloper gehad; Buret, Gaskell en anderen, die hij rijkelijk citeert. Ook het echte verzet tegen een maatschappelijk systeem, dat de arbeidende massa’s het vreselijkste lijden bracht, het diepe en waarachtige medelijden met hun offers, gaf het geschrift niet zijn bijzondere kleur. Het bewonderenswaardigste ervan en tegelijk historisch het meest betekenende was de scherpte, waarmee de vierentwintigjarige schrijver de geest van de kapitalistische productiewijze begreep en daaruit niet slechts de opkomst, maar ook het verval der bourgeoisie, niet slechts de ellende, maar ook de redding van het proletariaat wist te verklaren. De kern van het geschrift was, aan te tonen, hoe de grote industrie de moderne arbeidersklasse schept als een ontmenst ras, intellectueel en moreel tot beest verlaagd en lichamelijk gebroken, maar hoe de moderne arbeidersklasse zich volgens een historische dialectiek, waarvan de wetten en bijzonderheden worden aangetoond, tot het omverwerpen van haar schepper ontwikkelt en ontwikkelen moet. In de versmelting van arbeidersbeweging en socialisme zag het de heerschappij van het proletariaat over Engeland.

Tot een dergelijke prestatie was echter slechts in staat, wie de dialectiek van Hegel in vlees en bloed opgenomen had en haar van de kop waarop zij stond, op de voeten wist te zetten. Hierdoor werd het geschrift een socialistische grondslag, wat het volgens de bedoeling van de schrijver ook moest wezen. De grote indruk echter, die het bij zijn verschijnen teweegbracht, berustte niet hierop, maar louter op de feiten die er in vermeld werden; als het — zoals een academische pruik met vermakelijke zelfoverschatting zei — het socialisme “geschikt” gemaakt heeft “voor de universiteit”, dan toch slechts in die zin, dat deze of gene professor er een roestige lans op brak. Inzonderheid zette de geleerde kritiek een keel op, toen de revolutie niet kwam, die Engels reeds voor de poorten van Engeland zag. Hij zelf mocht vijftig jaar later gelaten zeggen, dat het wonderlijke niet was, dat deze en andere profetieën, die hij in zijn “jeugdig vuur” had gedaan, niet uitgekomen waren, maar dat er zoveel wel in vervulling gegaan waren, al had zij ze dan ook eerst in “veel te nabije toekomst” gezien.

Tegenwoordig is het “jeugdig vuur”, dat allerlei in “veel te nabije toekomst” zag, niet de minste bekoring van het baanbrekend boek. Zonder schaduw zou zijn licht niet denkbaar zijn. De geniale blik, die uit het heden de toekomst weet te onderkennen, ziet de komende dingen scherper, maar daarom ook dichterbij, dan het gezonde mensenverstand, dat moeilijker aan de voorstelling kan wennen, dat nu juist niet altijd de soep om twaalf uur op tafel hoeft te worden gezet. Aan de andere kant zagen toen behalve Engels nog veel anderen de Engelse Revolutie voor de deur, zoals zelfs de Times, het voornaamste blad van de Engelse bourgeoisie; maar de angst van het boze geweten vreesde in de revolutie slechts brand en moord, terwijl de sociale zienersblik nieuw leven op de ruïnes zag ontluiken.

Niet echter alleen in dit geschrift werd Engels gedurende de winter van 1844 op 1845 door “jeugdig vuur” gedreven; terwijl hij dit nog op het aambeeld smeedde, had hij reeds nieuw ijzer in het vuur: naast het vervolg, want het moest slechts een enkel hoofdstuk uit een omvangrijker werk over de sociale geschiedenis van Engeland worden, ook nog een socialistisch maandblad, dat hij gezamenlijk met Mozes Hesz wou uitgeven, een bibliotheek van socialistische schrijvers uit het buitenland, een kritiek op List en andere dingen. Onvermoeid zette hij Marx, met wie hij meer dan eens in zijn plannen overeenstemde tot even hard werken aan. “Maak, dat je met je economisch werk gereed komt, al zou je ook zelf met veel niet tevreden zijn, dat komt er niet op aan, de gemoederen zijn rijp en wij moeten het ijzer smeden, zolang het heet is... Nu is het hoog tijd. Maak dus dat je voor april klaar bent, doe als ik, stel je een tijd waarbinnen je beslist klaar wilt zijn en zorg voor een spoedige druk. Kan je het daar niet laten drukken, laat het dan in Mannheim, Darmstadt of zo drukken. Maar komen moet het gauw.” Zelfs over de “verwonderlijke” uitbreiding van De Heilige Familie troostte Engels zich met te zeggen, dat het goed was zo; er komt op die manier nu al veel aan de man, dat anders nog wie weet hoe lang in je schrijftafel was blijven liggen”. Hoe vaak zou hij nog in de komende tientallen jaren een dergelijke roepstem doen horen! Maar ofschoon een ongeduldig maner, was hij tegelijk de geduldigste helper, wanneer het genie in zijn zware worstelingen met zichzelf nog door de ellendige noden van het dagelijks leven in het nauw werd gebracht. Zodra het bericht naar Barmen kwam, dat Marx uit Parijs was verdreven, vond Engels het nodig terstond een inschrijving te openen “om de daardoor veroorzaakte extrakosten over ons allen communistisch te verdelen”. Aan zijn bericht over de “goede voortgang” der intekeningen voegde hij toe: “Daar ik overigens niet weet of dit volstaan zal om je inrichting in Brussel voor elkaar te krijgen, spreekt het vanzelf dat mijn honorarium voor het eerste Engelse ding, dat ik naar ik hoop gauw althans ten dele uitbetaald krijg en voor het ogenblik kan missen, daar mijn ouwe me maar lenen moet, met het grootste genoegen tot je beschikking staat. De honden zullen tenminste niet het plezier hebben je door hun onbeschaamdheid in geldverlegenheid te brengen”. En ook in het beschermen van zijn vriend tegen “dat plezier van de honden” is Engels een mensenleeftijd lang onvermoeid gebleven.

Luchtig en vaardig, zoals Engels zich in deze jeugdbrieven betoont, was hij toch allesbehalve lichtvaardig. Zeventig jaren hebben nu het “eerste Engelse ding”, waarvan hij zo losjes sprak, gewogen en van zwaar gehalte bevonden; het was een werk, dat een nieuw tijdvak inluidde, het eerste, grote document van het wetenschappelijk socialisme. Engels telde vierentwintig jaar, toen hij het schreef en er zelfs het stof der academische pruiken mee opdwarrelen deed. Maar hij was geen vroegrijp talent, dat in de zwoele lucht van de kas snel gedijde om sneller te verwelken; zijn “jeugdig vuur” ontsprong aan het echte zonnevuur van een grote gedachte, dat zijn ouderdom nog verwarmde, zo goed als het zijn jeugd had bestraald.

Ondertussen leefde hij in het huis van zijn ouders “een stil en rustig leven in alle godzaligheid en eerbaarheid”, zoals “de schitterendste filister” het maar verlangen kon. Maar hij kreeg er gauw genoeg van en slechts door de “bedrukte gezichten” van zijn oudjes liet hij zich overhalen, het nog één keer met de negotie te proberen. Met het voorjaar wilde hij in ieder geval weg, allereerst naar Brussel. Zijn “familiekibbelarijen” werden er vooral niet minder op door een communistische propaganda in Barmen-Elberfeld, waar hij levendig aan deelnam. Hij deed Marx verslag van drie communistische vergaderingen, waarvan de eerste 40, de tweede 130, de derde 200 deelnemers had geteld. “Het zaakje trekt geweldig. Ze spreken van niets anders dan van communisme en elke dag krijgen wij er aanhangers bij. Het communisme van Wupperdal is een verité, een feit, ja bijna reeds een macht.” Deze macht verstoof weliswaar op een eenvoudig bevel van de politie en het zag er ook overigens zonderling genoeg mee uit; Engels zelf berichtte, dat slechts het proletariaat zich buiten deze communistische beweging had gehouden, waarmee het domste, luiste, filisterachtigste volk, dat zich voor niets ter wereld interesseerde, bijna begon te dwepen.

Dat klopte slecht met wat Engels tegelijkertijd over de vooruitzichten van het Engelse proletariaat schreef. Maar zo was hij eenmaal: een prachtkerel, van top tot teen, steeds in de voorhoede, fris, scherpziend, onvermoeibaar en niet zonder die beminnelijke dwaasheid, die de geestdriftige en dappere jeugd zo goed staat.