Leo Michielsen
Geschiedenis van de Europese arbeidersbeweging
Hoofdstuk 2 van deel 3 - B


Duitsland

Hier vermelde titels raadplegen?
Meer weten over een onderwerp? Ga naar de tabel: Algemeen archief
of de: Zoekpagina

In december 1929 nam het aantal werklozen in Duitsland plots met 800.000 eenheden toe. Het land werd getroffen door de economische crisis.

De Duitse industrie had zich sinds 1924 degelijk gemoderniseerd. Haar technische uitrusting was grondig vernieuwd en haar productie bereikte de tweede plaats in de wereld (na de USA); 12 % van de nijverheidsproductie in de wereld kwam uit de Duitse fabrieken. Maar zelfs in de periode van de hoogconjunctuur – 1927/28 – werd de productiecapaciteit slechts voor 2/3 benut, wat verklaart waarom zelfs in die jaren nog een hoog werklozencijfer aanhield. Overigens, al waren de lonen in Duitsland sinds 1924 wel aanzienlijk verbeterd, zij bleven toch lager dan in de meeste andere hoogontwikkelde landen. De binnenlandse markt was in Duitsland dus relatief beperkt, wat zich zou wreken zodra de export door de crisis werd getroffen ... en die uitvoer daalde in 1930/31 met 60 %.

De hoogconjunctuur had in Duitsland in zoverre een kunstmatig karakter vertoond, dat ze haast uitsluitend op peil werd gehouden door het ononderbroken binnenstromen van vreemde (vooral Amerikaanse en Engelse) kapitalen. Maar na de Wall Street krach hield die “inflow” plots op. Integendeel, vreemde kapitalen werden teruggetrokken. Heel dikwijls betrof het geld dat slechts op korte termijn was geleend, maar in Duitsland langlopend werd vastgelegd. Kwam daarbij de Duitse verplichting om zware herstelbetalingen te verrichten, zodat ook het staatsbudget – nu minder inkomsten uit de economische bedrijvigheid binnenvloeiden – erg in de knel raakte.

Eind januari 1930 waren er 3,2 miljoen werklozen. In tegenstelling tot de vorige jaren daalde dat aantal maar weinig in de zomer. Het schommelde rond de 3 miljoen, steeg tot 3,7 miljoen in december 1930, tot haast 5 miljoen in februari 1931 en tot 6 miljoen in de winter 1931/32. Bij deze getallen, die de volledige werkloosheid uitdrukken, moet men nog de vele honderdduizenden “Kurzarbeiter” tellen. In de winter 1931/32 leefden 18 miljoen mensen in Duitsland van lage werklozensteun, terwijl 20 miljoen personen het met een loon moesten stellen dat sinds 1929 tot bijna de helft was teruggevallen. Niet alleen de industrie, maar ook de landbouw en de handel kenden een zeer diepe inzinking. Niet alleen handarbeiders, ook bedienden, kaders, ingenieurs en afgestudeerden van de universiteit werden massaal werkloos. De kleine boeren en de stedelijke middenstand – die in 1923 reeds zo zwaar werden getroffen – stonden nu opnieuw aan de rand van het bankroet.

Zodra de eerste tekenen van de crisis opdoken, reageerde het Duitse kapitaal. Op het congres (december 1929) van het “Reichsverband der Deutschen Industrie” werden volgende eisen gesteld: – vermindering van de bedrijfsbelastingen; – vermindering van de sociale bijdragen; – verlaging van de lonen.[456] Zonder deze tegemoetkomingen, zo stelde het patronaat, was de Duitse industrie niet in staat de concurrentie op de internationale markt het hoofd te bieden. De patroons wensten dus de lasten van de crisis op de rug van de arbeidersklasse af te wentelen. Het lag voor de hand dat hieruit een verscherpte klassenstrijd zou voortvloeien. In een staking te Hartmannsdorff (bij Chemnitz) vielen al direct 5 doden onder de kogels van de politie. In vele steden hielden werklozen verbitterde demonstraties. Het “Reichsverband der Deutschen Industrie” kwam op voornoemd congres dan ook tot het besluit dat zijn programma niet met parlementaire middelen door te voeren was, dat “Notverordnungen” waren aangewezen en dat zekere democratische vrijheden onhoudbaar werden, wilde men het verzet van de arbeidersklasse breken.

Door de eisen van het Duitse patronaat raakte de toen zetelende coalitieregering van de socialist MULLER weldra in de knel. De SPD-ministers hadden de patronale eisen wel graag ingewilligd, maar hun kiezers en de vakbonden dreigden niet te volgen. Toen Müller de werklozensteun wilde verminderen, ontbrandde protest in de vakbonden en weigerden de sociaaldemocratische mandatarissen in te stemmen. Op 27 maart 1930 kwam de regering Müller ten val.

BRUNING, voorzitter van de Zentrum-fractie in de Reichstag, vormde een soort “Presidialregierung”, d.i. een regering die haast uitsluitend bij de gratie van Hindenburg bestond. De Reichstag werd gedurende enkele maanden in toom gehouden met de presidentiële bedreiging van ontbinding en toepassing van artikel 48. Brünings politiek was er een van deflatie. Niet alleen was dat een antisociale politiek; het was ook een onzinnig beheer: deflatie verergert de crisis. Zodra de Reichstag begon verzet aan te tekenen, voerde Brüning zijn bedreiging uit: op 18 juli 1930 werd het parlement ontbonden. In afwachting van de verkiezingen werd geregeerd door middel van “Notverordnungen”.

De verkiezingen van september 1930 brachten een verschuiving naar links (van SPD naar KPD) en een verschuiving naar rechts (van DVP en DNVP naar NSDAP).[457] Maar de verschuiving naar rechts was veel sensationeler dan die aan de linkerkant. DE OVERWINNING VAN DE NAZIPARTIJ WAS HET BESLISSENDE FEIT: 6,4 miljoen stemmen, haast 1/5 van het aantal kiezers, 107 mandaten.

* * *

Afkortingen
ACV — Algemeen Christelijk Vakverbond (België)
ADB — Algemene Diamantbewerkersbond van België
ADGB — Allgemeiner Deutscher Gewerkschaftsbund
AFL — American Federation of Labor
AR — Algemene Raad (van de BWP)
ARP — Antirevolutionaire Partij (Ned.)
BWP — Belgische Werklieden Partij (POB, Parti Ouvrier Belge)
CEDA — Confederacion Española de las Derechas Autonomas
CFTC — Confédération Française des Travailleurs Chrétiens
CGT — Confédération Générale du Travail (Frankr.)
CGTU — Confédération Générale du Travail Unitaire (com.)
CHU — Christelijk Historische Unie (Ned.)
CNT — Confederacion Nacional del Trabajo
CNV — Christelijk Nationaal Verbond (Ned.)
CPGB — Communist Party of Great Britain
CPH — Communistische Partij van Holland (sinds 1935: CPN)
CVIA — Comité de Vigilance des Intellectuels Antifascistes
DNVP — Deutschnationale Volkspartei
DVP — Deutsche Volkspartei
EKKI — Executief Komitee van de Kommunistische Internationale
FAI — Federación Anarquista Iberica
ILP — Independent Labour Party
IVV — Internationaal Verbond van Vakverenigingen
KI — Kommunistische Internationale, Komintern, Derde Internationale
KPB — Kommunistische Partij van België
KPD — Kommunistische Partei Deutschlands
LP — Labour Party
NAS — Nationaal Arbeidssecretariaat (Ned.)
NSB — Nationaal Socialistische Beweging (Ned.)
NSDAP — Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei
NVC — Nederlandse Vak Centrale
NVV — Nederlands Verbond van Vakverenigingen
OSP — Onafhankelijke Socialistische Partij (Ned.)
PCE — Partido Comunista Español
PCF (SFIC) — Parti Communiste Français (Section Française de l’Internationale Communiste)
PCI — Partito Communista Italiano
POUM — Partido Obrero de Unificación Marxista
PS (SFIO) — Parti Socialiste (Section Française de l’Internationale Ouvrière)
PSI — Partito Socialista Italiano
PSUC — Partido Socialista Unificado de Catalunya
RFB — Rote Frontkämpferbund (com.)
RGO — Revolutionaire Gewerkschaftsopposition
RKSP — Rooms Katholieke Staatspartij (Ned.)
RKWV — Rooms Katholieke Werklieden Verbond (Ned.)
RSP — Revolutionaire Socialistische Partij (Ned.)
RVI — Rode Vakbonds Internationale (ook Profintern)
RVO — Rode Vakbonds Oppositie (Ned.)
SAI — Socialistische Arbeiders Internationale (Tweede Internationale)
SAP (D) — Sozialistische Arbeiterpartei Deutschlands
SDAP — Sociaal Democratische Arbeiderspartij (Ned.)
SDAP — Sozialdemokratische Arbeiterpartei (Oostenrijk)
SDP — Sociaal Democratische Partij (Ned.)
SK — Syndicale Kommissie (later BVV, Belgisch Vakverbond)
SPD — Sozialdemokratische Partei Deutschlands
TUC — Trade Union Congress
UGT — Union General de Trabajadores

In de Weimarrepubliek kwamen twee reactionaire stromingen aan bod. Er was de stroming waarvan de Freikorps destijds deel uitmaakten en waartoe de officieren van de Reichswehr behoorden, evenals de meeste magistraten en diplomaten, vele ambtenaren en het gros van professoren en studenten. Het was de stroming die haar belichaming vond in president maarschalk Paul von Hindenburg. Het was de stroming die op parlementair vlak haar vertegenwoordiging vond in de DNVP, de partij van de zware industrie en het grootgrondbezit. Haar voorman A. HUGENBERG had de leiding van de paramilitaire oud-strijdersorganisatie de STAHLHELM. In mei 1927 hield de Stahlhelm een optocht waaraan 400.000 mensen deelnamen. De stroming was chauvinistisch, militaristisch en monarchistisch. Ze was van een traditioneel-aristocratische tonaliteit. Men kon haar de “klassieke” rechterzijde noemen.
De tweede stroming – een nieuw verschijnsel – werd belichaamd door de NSDAP van Hitler; het was de meer plebejische beweging van het brutaal geweld. Zolang de hoogconjunctuur aanhield, had de nazipartij een eerder beperkte aanhang. Ten bewijze: de verkiezingen van 1928 die de nazi’s 810.000 stemmen opbrachten. In augustus 1929 telde de NSDAP 176.000 leden, niet onbeduidend, maar ook niet aanzienlijk. De massale toevloed zou zich maar voordoen met de economische crisis.

Einde 1929 kwamen de twee stromingen samen: Hugenberg en Hitler sloten een pact voor de organisatie van een volksraadpleging tegen het Young-plan. Zij behaalden 6 miljoen stemmen. Dat was lang niet genoeg om het Young-plan ongedaan te maken, maar het was toch een massasucces voor Hitler, die bovendien door deze operatie meer “salonfähig” werd. Natuurlijk was het Hugenbergs plan de Hitler-bende te integreren. Maar daartoe was Hitler niet bereid en daarvoor had zijn beweging reeds te veel dynamiek.

Steeds meer magnaten van de Duitse monopolies – speciaal die van de zware industrie van Rijn en Ruhr – begonnen rond die tijd de Hitler-kaart te spelen. Hun vrees was dat de economische crisis revolutionaire krachten in de arbeidersklasse zou ontketenen. Zeker, sinds lang was de Duitse arbeidersbeweging niet meer in het offensief; maar dat kon verkeren. Het lag in de bedoeling van het grootkapitaal de arbeiders alle verworvenheden – nog dagtekenend uit de eerste jaren na de oorlog – af te nemen en de uitbuiting te verscherpen. Het kwam er op aan het gebeurlijk verzet daartegen radicaal te breken. Daartoe konden de traditionele reactionaire formaties als DNVP en Stahlhelm niet volstaan. Zij misten voldoende massabasis. Alles wees erop dat Hitler die wel kon bezorgen. Naarmate zijn massabasis groeide, nam de financiële steun van het grootkapitaal toe, werden de banden nauwer aangehaald en werden de afspraken preciezer.[458]

De fascistische massabasis bleef – tot ná Hitlers machtsgreep begin 1933 – gesitueerd buiten de arbeidersklasse (in de strikte zin van het woord: de direct productieve arbeiders van de industrie). Inderdaad, het gros van de arbeidersklasse bleef trouw aan de socialistische en communistische partijen.

Maar alle daarbuiten liggende sociale groepen werden meegesleurd in de politieke wervelwind van het nazisme. Dat geldt voor de boeren, ook voor de kleine boeren en zelfs een deel van de landarbeiders. Dat geldt voor de stedelijke middenstandslagen: winkeliers, kleine ondernemers, zelfstandige ambachtslieden, renteniers, vrije beroepen... Dat geldt voor de gesalarieerde bedienden en kaders alsook voor de lagere ambtenaren. Dat geldt ten slotte voor een deel van de werklozen en vooral voor diegenen die door lange uitschakeling tot “Lumpenproletariat” waren verloederd. Door toetreding tot de SA verwierf men soldij en overigens werd door menig patroon – bij de aanwerving – de lidkaart van de SA geëist.

Uitgangspunt voor de nazi-agitatie was de verbittering, de vertwijfeling en ellende van brede volkslagen, de uitzichtloze situatie waarin miljoenen Duitsers waren terecht gekomen. Hitler wist hierop in te spelen, doordat zijn propaganda direct aansloot bij de overheersende traditionele ideologie, een typisch Bismarcks’ mengsel van feodale en bourgeoisideologie. De nazi’s bouwden voort op al wat reactionair, obscurantistisch, mythisch en primair (maar tevens overheersend) was in de Duitse geesteshouding.[459] Het nazisme slaagde erin de revolte op te vangen met leuzen van morele verontwaardiging, die tevens een geradicaliseerde formulering waren van de traditionele ideologie. Hitler en zijn demagogen slaagden erin de wanhoop en frustratie van hun aanhangers om te zetten in actieve haat tegen de “schuldigen”. Schuldigen kunnen aanwijzen beantwoordt aan de behoefte van primaire geesten. Hitler organiseerde zijn volgelingen in knokploegen en terreurorganisaties, in STURMABTEILUNGEN (SA) en SCHUTZSTAFFELN (SS). Hierin kon de geslagene en getrapte ongestraft, want met de medeplichtigheid van de “Schupo” en de rechter – en overigens nog tegen betaling – zijn frustraties in sadistische brutaliteit afreageren.

Schuldigen waren de Versailles-mogendheden. Hen werd weerwraak beloofd. Schuldigen waren de Joden, de sociaaldemocraten, de communisten. Schuldig waren ook de Weimarrepubliek, de partijen, het parlement, “het systeem”. Iedere “schuldige” beantwoordde aan diepingewortelde tradities: militarisme, antisemitisme, anticommunisme, antiparlementarisme... Zeker, er leefden – in Duitsland zoals elders – ook antikapitalistische gevoelens, niet alleen bij de arbeidersklasse, naar ook bij de middenstand. Maar ook dat vond zijn weerklank in de nazi fraseologie, want er werden soms krachtige antikapitalistische leuzen geroepen. Overigens heette de partij Nationaal-SOCIALISTISCHE ARBEIDERS Partij.

Deze demagogie misleidde de massa’s, maar verontrustte de heren van het monopoliekapitaal niet. Zij hadden de nodige waarborgen dat tegen hun economische machtsposities niets zou ondernomen worden. Dat was hen door Hitler zelf verzekerd in besloten vergadering. Dat vonden zij bevestigd in het nazi-onderscheid tussen “schaffendes” en “raffendes” kapitaal. Sinds 1927 wisten Krupp, Thyssen, Kirdorf, Mannesmann en cie. dat hun kapitaal “scheppend” was. Een ruime waarborg erkenden de heren ook in de krachtdadige nationaalsocialistische veroordeling van de klassenstrijd; alle klassen behoorden immers tot de ene Duitse “Gemeinschaft”. Daarom ook zouden de vakbonden “gleichgeschaltet” worden. Ten slotte was het toch bijzonder geruststellend dat alle nazi thema’s culmineerden in anticommunisme en antimarxisme.[460]

In de beoordeling omtrent de vraag welke politieke krachten tegen haar en welke voor haar in het krijt treden, vergist de bourgeoisie zich nooit. Hetzelfde kan noch van de arbeidersklasse, noch van de kleinburgerij worden gezegd.

Het antisemitisme werd door het Duitse nazisme getheoretiseerd tot een racisme, dat de gefrustreerde sukkelaar compenseerde door de overtuiging dat hij tot het “Herrenvolk” behoorde. “Herrenvolk”, “Blut und Boden”, “Lebensraum” waren de thema’s waarmee het agressieve imperialisme gestoffeerd werd. Het greep allemaal perfect in elkaar.

Maar het zou allemaal niet die enorme weerklank gevonden hebben, het zou niet zulke vaart genomen hebben, als er niet bovendien die wonderlijke figuur van ADOLF HITLER was geweest om bezieling te geven aan de beweging. De geschiedenis van Duitsland is na 1933 niet te begrijpen zonder er de unieke rol van het Hitler-personage bij te betrekken. Een authentiek fascisme kan niet zonder het charisma van de leider. Hitler moge dan nog tekenen van misdadige krankzinnigheid vertonen, hij beschikte over enorme politieke capaciteiten.

Maar zowel zijn capaciteiten als zijn massabasis zouden niet volstaan hebben om de macht te grijpen. Beslissend is de steun geweest van de gevestigde machten. Er was de steun van de monopolieheren, van de bankiers en het grootgrondbezit, van de camarilla rond Hindenburg en van de Reichswehr; er was de steun van een aantal politici die behoorden tot de “klassieke” rechterzijde. Natuurlijk was het de bedoeling van de meesten Hitler voor hun belangen en inzichten te gebruiken, hem in te schakelen als een gedwee instrument. Dat is het niet geworden. De staatsmacht die Hitler veroverde, bevestigde wel de bestaande productieverhoudingen, beveiligde wel de kapitalistische winstmakerij en het grootgrondbezit, werkte wel de hegemonie van het monopolistisch grootkapitaal in de hand enz.; maar het zou onjuist zijn Hitler en zijn nazi-staat als een onderworpen knecht, als een uitvoerende agent zonder meer van genoemde sociale krachten te kenmerken. De staat – ook de fascistische staat – vertoont altijd een RELATIEVE AUTONOMIE ten overstaan van de heersende klassen die hij vertegenwoordigt. De staat kan nooit totaal exclusief SLECHTS de belangen en verlangens van één klasse of één fractie van een klasse behartigen. De staat is ook verzoener van klassentegenstellingen, heeft als opdracht het economisch bestel IN ZIJN GEHEEL functionerend te houden, heeft tot taak de samenhang VAN DE HELE MAATSCHAPPIJ veilig te stellen. Om die functies te kunnen vervullen, moet de staat zich in zekere mate los, zelfstandig, onafhankelijk kunnen opstellen ten aanzien van de klassenformatie waarmee hij nochtans innig is verbonden.

* * *

Na de verkiezingen van september 1930 bleef de regering BRUNING de meerderheid in de Reichstag behouden dankzij de stemmen van de SPD (143 mandaten), die wel geen deel uitmaakte van het kabinet, maar toch meende het te moeten “tolerieren” als zijnde “het kleinste kwaad”. Wel een twijfelachtige politiek. als men bedenkt dat het beleid van Brüning over heel de lijn onbetwistbaar reactionair was.[461]

Een reeks schikkingen werden getroffen om de Reichstag uit te schakelen. Deze kwam nog slechts af en toe voor enkele dagen samen.[462] In feite was de parlementaire democratie reeds zo goed als verdwenen voor Hitler aan de macht kwam. Deze verregaande ontbinding van de Weimarrepubliek zou de nazi’s toelaten de macht te grijpen met “legale” middelen.

Het regime werd meer en meer “presidial”. Vandaar dat de presidentsverkiezingen van 1932 van uitzonderlijk belang waren. Mede dankzij de sociaaldemocratische steun werd HINDENBURG (in de tweede ronde, op 10 april 1932) herkozen (53 % van de stemmen). Hitler had zich kandidaat gesteld, niet in de hoop verkozen te worden, maar om zijn groeiende aanhang tot uitdrukking en gelding te brengen.[463]

Ondertussen werden de terreuractiviteiten van de SA en de SS met de dag erger. Het aantal politieke moorden nam toe. Er vielen duizenden gekwetsten. De politie liet de hitleriaanse benden in feite ongehinderd begaan, in zoverre zij niet rechtstreeks meehielp. De arbeiders waren aldus slachtoffer van een dubbele terreur.[464]

Wel is het zo dat, op initiatief van generaal GROENER, minister van de Reichswehr, de regering Brüning om redenen van buitenlandse politiek overging tot verbod van de SA (13 april 1932). Maar het verzet hiertegen vanwege de Reichswehr, van de camarilla rond de president en van de Hugenberg pers was zo heftig dat Groener zich tot ontslag gedwongen zag (12 mei 1932).

Kort daarop zou ook de regering Brüning ten val worden gebracht. Inderdaad, de uiterst rechtse zijde – reeds ontstemd over het verbod van de SA – kwam heftig in beroering over Brünings plan om de exploitatie van zekere grote, totaal deficitaire domeinen aan boeren toe te vertrouwen. Men sprak over “Agrarbolschewismus”. Ten slotte werd Brüning nog verweten dat hij te veel rekening hield met de sociaaldemocraten, die hem parlementair steunden. Kortom, deze regering was niet rechts genoeg. Daarom verving Hindenburg haar door het KABINET VON PAPEN (31 mei 1932).

De groep die Franz von Papen rond zich verenigde, werd wel eens de “regering van de baronnen” genoemd.[465] Zij bereidde de machtsgreep van de nazi’s actief voor. De linkse krachten zagen hun vrijheid van pers, vergadering en betoging haast vernietigd worden, maar het verbod tegen de SA werd opgeheven en de NSDAP kreeg toegang tot de radio. De Pruisische regering, nog steeds in handen van de sociaaldemocraten, mocht dan nog zo inschikkelijk zijn, zij bleef niettemin een sociaaldemocratische en dus voor von Papen een onaanvaardbare macht. Op 20 juli 1932 voerde von Papen een staatsgreep door. De wettelijke regering van Pruisen werd afgesteld en het grootste “Land” van Duitsland werd direct onder het gezag van von Papen als “rijkscommissaris” geplaatst. Te Berlijn en in Brandenburg werd de staat van beleg uitgeroepen.

von Papen ontbond het parlement en er kwamen nieuwe verkiezingen. De economische crisis bereikte toen haar dieptepunt. Er werd honger geleden in Duitsland. De electorale resultaten lagen in de lijn van de voorgaande verkiezingen[466]: het Zentrum hield perfect stand en boekte zelfs winst; aan de linkerzijde ging de verschuiving van SPD naar KPD verder; aan de rechterzijde zette de verschuiving ten gunste van Hitler zich nogmaals door. De nieuwe vooruitgang bracht de NSDAP-fractie 230 zetels op. De nazi’s werden de eerste partij in het land en in de Reichstag; zij behaalden 37,3 % van de stemmen.

Hitler begon onderhandelingen met vertegenwoordigers van de “klassieke” rechterzijde. Die waren wel bereid de nazi’s een zekere plaats in de regering toe te kennen, maar voelden er niets voor Hitler zonder meer alle macht toe te spelen. Het was hun plan het nationaalsocialisme in hun systeem in te schakelen. Dat aanvaardde Hitler niet. Met minder dan de sleutelposities was hij niet tevreden. GORING werd voorzitter van de Reichstag, maar de nazi-fractie bleef in de oppositie.

De regering von Papen regeerde nog enige tijd verder door middel van decreten. Aandacht verdienen de decreten van 4 en 5 september 1932 “ter heropbeuring van het economische leven”. Hierbij bekwamen de kapitalisten bijzondere premies voor het in dienst nemen van arbeiders.[467] Verder mochten de patroons lonen betalen die van 20 tot 50 % beneden de tarieven van de collectieve arbeidsovereenkomsten lagen. Deze aanslag op het arbeidersbestaan werd beantwoord met een golf van stakingen. Tussen 5 september en 1 december telde men in Duitsland 1100 stakingen, dankzij dewelke de loonsverminderingen in de meeste gevallen konden worden tegengehouden.

Toen de nieuwe Reichstag op 12 september 1932 voor de eerste maal bijeenkwam en von Papen het vertrouwen weigerde, werd het parlement alweer ontbonden. De verkiezingen van 6 november[468] bevestigden de reeds genoteerde tendensen. OP DEZE BELANGRIJKE AFWIJKING NA, dat voor de eerste maal DE NSDAP ACHTERUITGING: zij verloor 2 miljoen stemmen. Als een fascistische partij in volle opmars niet snel tot een machtsgreep komt, brokkelt ze onvermijdelijk weer af. Dat dreigde met Hitlers partij te gebeuren.

De regering von Papen kon ook in de nieuw verkozen Reichstag geen meerderheid achter zich krijgen. Het voortbestaan van deze bewindsploeg hing uitsluitend af van de instemming van Hindenburg. Het lag voor de hand dat allerlei invloeden (van de Reichswehr, de industrie, het bankwezen en de Junkers) zich bij de oude, half versufte maarschalk lieten gelden. De hofintrige trad in de plaats van het parlementaire spel.

Zo kwam von Papen ten val en kwam generaal Kurt VON SCHLEICHER aan het hoofd van de nieuwe regering. Von Schleicher spande zich in als “sociaal” generaal te verschijnen. Hij deed enige toegevingen aan de arbeiderseisen, hij onderhandelde met de SDP en de ADGB. Hij trachtte ook een scheuring bij de nazi’s teweeg te brengen en onderhandelde daarover met GREGOR STRASSER, de leider van de “linkse” tendens in de NSDAP.

De nazipartij stond er een ogenblik heel slecht voor. De verkiezingen in Thüringen bevestigden de snelle electorale achteruitgang van een paar maanden voordien. De partijkas was totaal leeg en nu dreigde Gregor Strasser met een scheuring. Maar Strasser gaf de strijd op en verliet de partij. Enkele persoonlijkheden – zoals de industriëlen Thyssen en Kirdorf, de bankier Schroeder, de financier Hjalmar Schacht en von Papen (die tot de hofhouding van Hindenburg behoorde) – slaagden erin een precies akkoord tussen Hitler en het grootkapitaal tot stand te brengen. Op slag waren daarmee de kasmoeilijkheden van de nazipartij opgelost. Bovendien werd een plan ontworpen om Hitler, in samenwerking met de “klassieke” rechterzijde, de macht toe te spelen. Het kwam er nu alleen op aan rond de persoon van Hindenburg zo te intrigeren dat Schleicher de baan voor Hitler zou ruimen. von Papen, Oskar von Hindenburg (zoon van de president), Meissner (secretaris van de president), Hugenberg, generaal Von Stulpnagel en de Pruisische Junker Oldenburg vormden de kern van het complot. Op 28 januari 1933 trad Schleicher af. Op 30 januari werd Hitler Rijkskanselier, von Papen vicekanselier. De klassieke rechterzijde beheerde negen departementen, de nazi’s slechts drie. Wat aanvankelijk als een compromis verscheen, zou heel snel de macht van één enkele groep worden.

* * *

Hoe heeft de Duitse arbeidersbeweging zich opgesteld ten aanzien van deze ontwikkeling?

Het is een gevestigde traditie de Duitse communisten te verwijten dat zij de eenheid met de SPD niet hebben nagestreefd. Het verwijt is op zichzelf juist en mag niet geminimaliseerd worden. Maar wie zich tot deze eenzijdige kritiek beperkt, doet de historische waarheid geweld aan. Want ook de houding van de SPD was rampzalig.

De sociaaldemocraten verleenden parlementaire steun aan de Brüning-regering. In naam van de politiek van het “kleinste kwaad” aanvaardden zij de systematische afbraak van de parlementaire democratie. De SPD-leiding stelde het alternatief aldus: ofwel Brüning, ofwel de nazi’s. Zij ONDERGING de ene of de andere oplossing; zij nam zelf geen historisch initiatief, hoewel ze daartoe de middelen bezat: een partij van ruim één miljoen leden, een vakbond van bij de vijf miljoen aangeslotenen, een militie en de “Reichsbanner” van 3 miljoen leden. Zelfs als men er mee rekent (gezien de dubbeltellingen) dat het niet opgaat deze miljoenen tot één som samen te voegen, dan nog blijft het feit dat de SPD over een enorm potentieel beschikte..., te meer daar zij een indrukwekkend aantal posities in het staatsapparaat bekleedde. Maar de sociaaldemocraten hebben hun beschikbare krachten passief gehouden. Dat gold voor de partij, voor de vakbonden en voor de Reichsbanner. Dat was geen voorbijgaande tactiek, maar een fundamentele optie: liever Brüning dan Hitler. MAAR IN GEEN GEVAL DE COMMUNISTEN.

Deze houding werd theoretisch onderschraagd door een foutieve visie op het kapitalisme en het fascisme.

Op de partijdag van de SPD in 1929 gold de stelling “dass wir eigentlich nicht mehr in Kapitalismus leben, sondern in der Zeit, wo der Kapitalismus sick zum Sozialismus umbildet.” Op de partijdag van 1931 werd hetzelfde thema van het “georganiseerde kapitalisme” nogmaals ontwikkeld. De monopolisering werd als socialisering voorgesteld. Betoogd werd dat het kapitalisme reeds de “starke Fundamenten und tragende Konstruktionen für den sozialistischen Bau der Zukunft” omvatte. Even foutief was de sociaaldemocratische visie op het nazisme: zij meende het fascisme als uitdrukking van het kleinburgerlijke radicalisme te moeten interpreteren: zij erkende het niet als gangmaker van het monopolistische imperialisme.

Eenheidsfront met de communisten werd telkens zeer uitdrukkelijk afgewezen. Op een massameeting te Berlijn (22 februari 1931) liet O. Hörsing weten dat de strijd “tegen Hakenkruis en Sovjetster” ging. OTTO WELS[469] beweerde: “Bolschewismus und Faschismus sind Brüder”. Van nu af kwam de uitdrukking “Nazi-Bolschewismus” in gebruik. In december 1931 werd het “IJzeren Front” gevormd dat de SPD, de Reichsbanner, de vakbonden en zelfs zekere tot het Zentrum behorende arbeidersorganisaties omvatte. Bedoeling was – ongetwijfeld – een dam tegen het fascisme op te werpen, maar men droeg er toch zorg voor er aan toe te voegen dat de strijd “op twee fronten” zou worden gevoerd.

Bij de presidentsverkiezing van 1932 steunde de SPD de kandidatuur van Hindenburg. De oproep van het patronagecomité, getekend door Noske en Leipart, liet als argument gelden: “Die naam (van Hindenburg) is omstraald door de glorie van de overwinning der Duitse legers op vreemd grondgebied”. Eenmaal herkozen, drong Hindenburg aan op de ontbinding van de Reichsbanner ... die zich zo had ingezet voor zijn kandidatuur. De Reichsbanner werd wel niet ontbonden, maar onder toezicht geplaatst van generaal Groener, toenmalig minister van de Reichswehr.

De machtsgreep van von Papen tegen de sociaaldemocratisch geleide Pruisische regering (20 juli 1932) stuitte op geen verzet vanwege de SPD. BRAUN, SEVERING, GRZESINSKY, respectievelijk eerste minister, minister van binnenlandse zaken en politieprefect van Pruisen, gaven hun posities zonder slag of stoot prijs en spanden zich in ieder verzet bij de basis te verhinderen. C. Severing beschikte over een korps van 90.000 politiemannen, omkaderd door sociaaldemocraten. Met dit korps en de steun van een massabeweging zou zegerijk verzet beslist mogelijk zijn geweest.

Van de ene capitulatie naar de andere kon het niet anders of demoralisatie en defaitisme zouden de arbeidersklasse steeds ernstiger verlammen.

De SPD begon bij de verkiezingen aanzienlijk terrein te verliezen. Deze achteruitgang werd echter volledig door de winsten van de KPD gecompenseerd.[470] Wellicht heeft deze omstandigheid ertoe bijgedragen de communisten ervan te overtuigen dat ze op de goede weg waren. Electoraal hadden ze beslist de wind in de zeilen, en dat in de mate waarin de SPD terrein moest prijsgeven. Was dat geen aanduiding dat men bezig was de “agent van de bourgeoisie in de arbeidersbeweging” het gras onder de voeten weg te maaien? Tevens ging het ledental van de KPD opwaarts.[471] En ook de syndicale invloed van de communistische militanten nam aanzienlijk toe. De KPD had het gevoelen in de aanval en op weg naar de overwinning te zijn. Zij gaf ook blijk van veel dynamisme en strijdbaarheid. Maar de premissen die aan de basis van de communistische aanpak lagen, waren grotendeels vals. De KPD liet zich leiden door de richtlijnen van de Komintern en het was de Komintern die zich grondig vergiste. Ongetwijfeld heeft de KPD tegen het nazisme hard en moedig gevochten zeker heeft zij zware offers in deze strijd gebracht. Maar lange tijd, al te lange tijd, onderschatte de KPD het fascistische gevaar en meende zij de strijd in de eerste plaats tegen de sociaaldemocratie te moeten richten. Tot laat in het jaar 1932 gaven de communisten er zich onvoldoende rekenschap van dat de strijd tegen het fascisme helemaal CENTRAAL moest staan, dat die strijd niet alleen een thema maar HET thema moest worden, waaraan ALLES diende ondergeschikt te worden gemaakt dat de arbeidersbeweging zich sinds lang IN HET DEFENSIEF bevond en dat haar opdracht toen niet de proletarische revolutie was, maar wel het behoud van de burgerlijke democratie, dat daartoe de eenheid van de arbeidersklasse nodig was, zoals die alleen door een EENHEIDSFRONT, d.i. EEN BONDGENOOTSCHAP MET DE SPD kon verwezenlijkt worden. Naarmate het gevaar zich dreigender toespitste, werden zekere pogingen in die richting ondernomen. Maar het was ondertussen te laat, de betrekkingen tussen SPD en KPD waren te zeer verzuurd geraakt. De verbittering over de politionele repressie vanwege de sociaaldemocratische overheden had te diep ingevreten bij de communisten.[472] Anderzijds hielden de communistische beledigingen aan de sociaaldemocratie in haar geheel de geesten langs die kant in vijandschap gesloten. Het sektarisme zat aan beide zijden diep geankerd.
Op syndicaal vlak verdedigde de reformistische leiding de stelling dat in crisistijd stakingen uitzichtloos waren, dat men het stakersgeld beter als steun voor de werklozen kon aanwenden, dat de arbeiders er overigens belang bij hadden de bedrijven “konkurrenzfähig” te houden door loonsverlagingen te aanvaarden. De door de communisten geleide “Rote Gewerkschafts Opposition” (RGO) was tegelijkertijd een georganiseerde fractie in de schoot van de ADGB en een vakbond daarbuiten, en als dusdanig hoofdzakelijk samengesteld uit duizenden uitgesloten revolutionaire vakbondsmilitanten. In principe trachtten de communisten binnen de sociaaldemocratische vakbonden te ageren. Maar de leiding van de Rode Vakbonds Internationale (RVI) oordeelde dat de RGO een onbevredigende strijdvorm was. Op het congres van de RVI (15-30 augustus 1930) werd aangedrongen op volledige scheuring en op de vorming van nieuwe, revolutionaire vakbonden tegen de bestaande organisaties. Dat was wel tegen de mening van de Duitse afvaardiging te Moskou, maar de discipline moest nu eenmaal geëerbiedigd worden. Het sektarisme in de KPD was in ruime mate van Moskouse oorsprong.

Een paar maanden nadien (14-31 oktober 1930) kwamen 130.000 Berlijnse metaalarbeiders op initiatief van de RGO in verzet tegen loonsvermindering e.d. De vakbondsleiding erkende de staking, maar begon onmiddellijk te manoeuvreren om de strijd te doen stranden op een archislecht compromis. Daarover heerste veel ontevredenheid aan de basis. Daarvan maakten de communisten gebruik om een aparte “eenheidsvakbond” op te richten ... die zich echter niet tot een massale organisatie ontwikkelde. Enig resultaat was, dat de revolutionaire elementen van de grote massa werden afgesneden.

Een staking (2-9 januari 1931) van 75.000 mijnwerkers in het Ruhrgebied werd niet erkend door de vakbondsleiding die, samen met de politie van de sociaaldemocratische overheid en met de knokploegen van de SA, de arbeiders dwong, na aftrok van 6 %, terug aan het werk te gaan. Weer werd een aparte revolutionaire “eenheidsvakbond” gesticht. Het werd evenmin een succes.

Sindsdien kwam het niet meer tot de vorming van aparte syndicale organisaties. Er werd met de RGO in de bestaande vakbonden gemiliteerd, zij het steeds in een sektaire geest. In de regel waren de RGO-militanten wel in staat strijd te ontketenen, maar slechts zelden slaagden zij erin deze tot een overwinning door te voeren.[473]

Op politiek vlak was het sektarisme wellicht nog sterker geaccentueerd. De term “sociaalfascisme” (waarmee de sociaaldemocratie werd bedoeld) deed zijn intrede in het Duitse communistische taalgebruik einde 1929. Toonaangevend was de uitspraak van Stalin: “Het fascisme is de strijdorganisatie van de bourgeoisie, die daarbij actieve ondersteuning geniet van de sociaaldemocratie... Deze organisaties (fascistische en sociaaldemocratische) sluiten elkaar niet uit. Ze zijn geen antipoden, maar tweelingbroeders.” H. NEUMANN stelde het in 1930 zo: “Het probleem van de bourgeoisie is niet fascisme OF sociaaldemocratie, maar TEGELIJKERTIJD fascisme MET sociaaldemocratie.” In maart 1930 verklaarde H. REMMELE: “Het is duidelijk dat er met de sociaalfascisten geen eenheid kan zijn.” De “Rote Fahne” van 24 augustus 1930 publiceerde een plechtige “Programmërklärung” van de KPD. Hierin kwamen de voornaamste twee fouten van de toenmalige communistische politiek goed tot uitdrukking: – de revolutie, de instelling van de proletarische dictatuur, het socialisme (naar Sovjetmodel) werden direct op de dagorde gesteld, i.p.v. de verdediging en de uitbreiding van de democratische rechten; – de aanvallen waren even zeer tegen de sociaaldemocraten als tegen de nazi’s gericht, i.p.v. een front met de SPD na te streven. In december 1930 werd door de KPD een brochure uitgegeven onder de titel “Volksrevolution gegen Faschismus”. Door zo direct een revolutionair perspectief te stellen – dat in werkelijkheid niet voorhanden was – werd de bourgeoisie een wapen in de hand gespeeld. De “Rote Fahne” van maart 1931 schreef: “De sociaalfascisten weten dat voor ons geen enkele samenwerking mogelijk is... Geen enkele communist heeft de illusie dat het fascisme met de hulp van het sociaalfascisme zou kunnen bestreden worden.” Sinds einde 1931 beklaagde Thälmann er zich over “dat in onze rijen tendensen tot uitdrukking komen om op een liberale manier een onderscheid te maken tussen de partij van Hitler en het sociaalfascisme... Er zijn mensen die het bos van de sociaaldemocratie niet zien door de bomen van het nationaalsocialisme.” In januari 1932 schreef Thälman: “Ook in geval de nazi’s tot de regering toetreden, zal de bourgeoisie de samenwerking van de sociaaldemocratie willen behouden om de fascistische dictatuur te verwezenlijken.” In “Die Internationale” van juni 1932 kan men van de hand van Thälman lezen: “zolang ze zich niet bevrijd hebben van de invloed der sociaalfascisten, zijn die miljoenen arbeiders verloren voor de antifascistische strijd”. In hetzelfde orgaan van de volgende maand betoogde Thälman: “Doordat de nationaalsocialisten een belangrijk electoraal succes behaalden, onderschatten sommige kameraden het belang van onze strijd tegen het sociaalfascisme... Dat is ongetwijfeld een aanduiding omtrent afwijkingen van onze politieke lijn, die erin bestaat de strijd in hoofdzaak tegen de SPD te richten... Alle krachten van de partij moeten in de strijd tegen de sociaaldemocratie worden geworpen.”

Het was in toepassing van dergelijke stellingen dat de KPD de Braun-Severing regering van Pruisen als de slechtst mogelijke bestempelde en de zware vergissing beging zich in de volksraadpleging (9 augustus 1930) voor ontbinding van de Landrat uit te spreken. De bedoeling was nieuwe verkiezingen uit te lokken en daarmee de sociaaldemocratische regering Braun-Severing ten val te brengen. Het initiatief was uitgegaan van het Stahlhelm en werd ondersteund door de NSDAP, door de DNVP en de DVP. De communisten sloten zich hierbij aan! Het aantal stemmen (9,8 miljoen) was niet voldoende om tot ontbinding van de Pruisische Landtag te leiden.

Hoe was het mogelijk dat de communisten bij deze gelegenheid in bondgenootschap met de zwartste reactie optraden? De leiding van de KPD had aanvankelijk besloten niet aan de volksraadpleging in Pruisen deel te nemen. Maar Neumann, voorman van de meest gauchistische strekking in het CC deed beroep op het EKKI. En zo kwam uit Moskou de dringende aanbeveling – vooral op aandringen van Stalin en Molotov – toch het referendum bij te treden. Het bestuur van de KPD achtte zich verplicht te gehoorzamen. Thälman deed nog een poging de houding van zijn partij te verbeteren. Aan Severing stelde hij voor dat de KP tegen het referendum zou stelling nemen, op voorwaarde dat de Pruisische regering de democratische vrijheden (vrijheid van pers, vergadering en betoging, alsmede opheffing van verbod tegen RFB) zou herstellen. Severing sloeg dat af en liet op 21 juli het Karl Liebknechthuis, de centrale zetel van de KPD, door zijn politie bezetten. Dan eerst besloot de KP het referendum te ondersteunen. Achteraf erkenden de communisten dat ze hier een zware vergissing hadden begaan.[474]

Trouwens, in de loop van het jaar 1932 kwam de KP-leiding wel degelijk tot het inzicht dat HET gevaar het Hitler-fascisme was en dat alles aan de bestrijding daarvan ondergeschikt diende gemaakt. Meermaals gebeurde het dat socialistische en communistische militanten, in harde straatgevechten met SA-bendes verwikkeld, als vanzelf werden samengedreven. Eenheidsfront werd ten slotte het thema van de communistische oproepen. Maar de communisten zagen de verwezenlijking ervan nog steeds niet van organisatie tot organisatie, van KPD tot SPD (incluis van top tot top). Zij zagen het eenheidsfront uitsluitend als een massabeweging aan de basis. Dat werd de ANTIFASCHISTISCHE AKTION, die in de zomer van 1932 tot brede ontplooiing kwam en waarin, naast communisten, ook sociaaldemocraten, leden van de SAP,[475] partijloze democraten, leden en basisgroepen van de Reichsbanner e.d. samen actief waren.

In de tweede helft van 1932 tekende zich binnen de KPD een tendens af tot rechtstreekse samenwerking met de SPD.[476] Maar dit samengaan werd enerzijds gehinderd door de richtlijnen van het EKKI, terwijl anderzijds in de SPD-leiding niet de minste bereidheid tot verstandhouding met de communisten te bespeuren viel. Hoever het langs sociaaldemocratische zijde in deze richting ging, werd door de parlementaire gebeurtenissen van Pruisen bewezen. Daar kwam in juni 1932 het voorzitterschap van de Landtag ter sprake. De communistische fractie stelde aan SPD en Zentrum voor, dat zij ten gunste van het bestaande Landtagspresidium zou stemmen, op voorwaarde dat de “Notverordnung”, op 14 juli door de Reichsregering uitgevaardigd (waardoor vrijheid van pers, vergadering en betoging werd geschorst), in Pruisen niet zou worden toegepast. Dat voorstel werd afgewezen. De communisten herhaalden dan hun aanbod, zonder enige voorwaarde te stellen.[477] Beide partijen lieten weten dat zij de communistische stemmen niet waardeerden. Het Zentrum maakte dan de verkiezing mogelijk van een nazi als voorzitter van de Landtag.

Als kort daarop W. PIECK, namens de KP, in de Pruisische Landtag voorstelde een stemming te houden tegen het verbod van “Vorwärts” (sociaaldemocratisch orgaan) en “Kölnische Zeitung” (Zentrum orgaan), weigerden SPD en Zentrum aan de stemming deel te nemen.

Bij de staatsgreep van 20 juli 1932 tegen de Pruisische regering richtte de KPD zich andermaal tot de SPD- en ADGB-leidingen om samen het verzet te mobiliseren. Zij stelde de algemene staking voor. In tientallen bedrijven bereidden de arbeiders zich reeds voor op de strijd. Toen kwam het sociaaldemocratisch antwoord: geen staking! Wij richten ons tot het Staatsgerechtshof!

Zeker, de communistische pogingen tot toenadering met de SPD-LEIDING kwamen vrij laat. Maar de kern van de zaak is toch dat het SPD-bestuur de strijd eenvoudig NIET WILDE OF NIET DURFDE leveren. Ten overstaan van de bedreiging bleef de sociaaldemocratie passief. Wat de communisten betreft, men kan hen niet verwijten dat ze de strijd niet gevoerd hebben. Wel kan men de vraag stellen of hun politiek van aard was de ruimst mogelijke massa’s te mobiliseren. Zij leverden strijd, maar te geïsoleerd. Tussen 11 en 24 januari 1933 werden 11 antifascisten gedood en 300 gekwetst; allen behoorden zij tot of streden zij met de KPD. Op 15, op 22 en op 25 januari marcheerden telkens meer dan honderdduizend Berlijners, hongerend in de ijzige koude. Het waren geen sociaaldemocraten. Op 30 januari – de dag waarop Hitler aantrad – richtte de KPD zich tot het centraal bestuur van SPD en ADGB om door een algemene staking Hitler de weg te versperren. Trouw aan zichzelf weigerde de SPD beslist.
Zo ging de Weimarrepubliek ten onder, roemloos.

* * *

De regering die op 30 januari 1933 tot stand kwam, vertoonde op het eerste zicht het beeld van een coalitiekabinet. Maar vanaf de eerste dag berustte de beslissing uitsluitend bij Hitler en tegen het einde van 1933 was deze erin geslaagd zijn dictatoriale macht compleet te vestigen.
Op 1 februari werd de Reichstag ontbonden de nieuwe verkiezingen zouden op 5 maart plaatsgrijpen. Hitler wilde door een grootscheepse electorale overwinning zijn massabasis verbreden. Daarom moest alvast de propaganda van communisten, socialisten en antifascisten worden uitgeschakeld. Een golf van terreur ging over het land: de politie kreeg opdracht “rücksichtslos” op de communisten te schieten en in samenwerking met de SA en SS op te treden. Verscheidene antifascisten werden vermoord; talloze overvallen geschiedden op lokalen, boekhandels en redactiebureaus van communisten; tientallen aanhoudingen grepen reeds plaats. Op 23 februari werd het Karl Liebknechthuis door politie en SA bezet; gebouw en inhoud werden in beslag genomen. Op 26 februari verscheen het laatste legale nummer van de “Rote Fahne”. Op 27 februari stond de Rijksdag in brand. Brandstichters waren de nazi’s zelf. Het was een grootscheepse provocatie door Göring georganiseerd. De zaak werd voorgesteld als een poging tot staatsgreep vanwege de communisten en daarmee kon de communistenjacht op grote schaal worden ingezet. Onmiddellijk werd (krachtens art. 48) een noodverordening uitgevaardigd, de eerste van een reeks van 460 decreten, die in de loop van enkele maanden de persoonlijke vrijheid, de vrijheid van pers, van vereniging, van vergadering, van betoging, het briefgeheim, de onschendbaarheid van de woning ... kortom, alle democratische vrijheden zou vernietigen. Op 3 maart werd Thälmann gearresteerd.[478] Op voorstel van SCHACHT hadden de grote monopolies (Krupp, I.G. Farben, Vereinigte Stahlwerke...) een som van 3 miljoen Reichsmark voor Hitlers verkiezingsfonds ter beschikking gesteld. De uitslag van de verkiezingen was een groot, maar geen onverdeeld succes voor Hitler.[479] In de Reichstag beschikte hij niet over de 2/3 meerderheid nodig om een “Ermächtigungsgestz” (Volmachtenwet) te doen bekrachtigen die ook GRONDWETTELIJKE BESCHIKKINGEN kon wijzigen. De zaak werd opgelost door de 81 Rijksdagmandaten van de KP te vernietigen.[480] Daardoor veranderde de situatie in de Rijksdag niet alleen rekenkundig maar ook psychologisch: de Zentrumgroep nam al gauw een instemmende houding aan. Op 21 maart vergaderde de Rijksdag voor de eerste maal in de beroemde historische Garnizoenskerk te Potsdam. De bedoeling was tijdens een pompeuze plechtigheid het akkoord der van ouds gevestigde machten aan de parvenu Hitler te betuigen. Hindenburg sprak hier een rede in die zin uit. Op de Rijksdagzitting van 23 maart werd in de Berlijnse opera de “Ermächtigung” (ook door het Zentrum) gestemd, zodat van nu af ALLE wetgevende macht aan de Rijksregering behoorde. Zo werden de laatste resten van het parlementaire regime opgeruimd. Het DERDE RIJK werd gevestigd.

Al direct werd de macht verder gecentraliseerd: de regeringen en de parlementen van de Länder werden buiten spel gezet. In ieder Land kwam de macht aan een REICHSSTATTHALTER, in de regel de GAULEITER van de NSDAP in dat Land. Administratie, politie en gerecht werden uitgezuiverd: op de sleutelposities werden antifascisten door nazi’s vervangen.

Op 2 mei werden de vakbonden vernietigd: hun lokalen en bureaus werden bezet, hun secretarissen aangehouden, hun zeer aanzienlijk vermogen in beslag genomen. Dan moest de SPD eraan geloven: op 22 juni werden al haar mandaten in de Rijksdag, de Landtage en de gemeenteraden vernietigd; alle bezittingen van de SPD en aanverwante organisaties (pers, Reichsbanner, enz.) werden aangeslagen: 3000 sociaaldemocratische mandatarissen werden (althans kortstondig) aangehouden.

Dat maakte voldoende indruk om de leidingen van de burgerlijke partijen van de Weimarrepubliek (achtereenvolgens DNVP, Deutsche Staatspartei, DVP, Beierse Volkspartij en Zentrum) tot het besluit te brengen zichzelf te ontbinden en de Hitler-heerschappij “vrijwillig” te erkennen. In juni versmolt de Stahlhelm met de nazipartij, zodat ten slotte de NSDAP de enige politieke partij werd, zoals op 14 juli 1933 bij wet werd bepaald.

De terreur werd immer massaler: tijdens de “Blutwoche” van Berlijn – Köpenick in juni werden hij een overval van de SA 500 communisten, socialisten en antifascisten meegesleurd en gruwelijk mishandeld; 91 werden vermoord.

De geheime staatspolitie (GESTAPO) werd opgericht en SONDERGERICHTE (bevoegd inzake politieke tegenstanders) werden ingesteld. In augustus had een eerste proces plaats dat leidde tot de onthoofding van vier antifascisten. Einde 1933 zaten reeds vele duizenden tegenstanders in tuchthuizen, in gevangenissen, in SA- en SS-kazernen en in concentratiekampen. Een groot kamp, dat van DACHAU (prototype van de latere kampen Buchenwald, Mauthausen, Sacksenhausen, Ravensbrück...) was reeds volledig uitgebouwd. Eind 1933 ontstond in het kleinere kamp BORGERMOOR het aangrijpende “Lied der Moorsoldaten”.

Voor 1933 moeten nog vermeld worden:
- De oprichting van het DEUTSCHE ARBEITSFRONT, de dwangorganisatie die ervoor moest zorgen dat de arbeiders in het gareel bleven lopen;
- De oprichting van KRAFT DURCH FREUDE, de organisatie die de vrijetijdsbesteding onder controle bracht;
- Het afsluiten van een CONCORDAAT met de Katholieke Kerk die in Duitsland “gleichgeschaltet” werd[481];
- De eerste grote BOEKENVERBRANDING, waarbij marxistische, republikeinse, democratische, humanistische, progressistische en Joodse literatuur werd vernietigd;
- De eerste aanvallen op de Joden, o.a. hun verwijdering uit academies, universiteiten, instituten en openbare ambten en de boycot tegen Joodse winkels. De Jodenvervolging zou steeds erger worden in de volgende jaren.

Het enrégimenteren van alle bevolkingsgroepen werd systematisch tot het uiterste doorgezet. Niet alleen de arbeiders hadden hun dwangorganisaties, maar ook de boeren (Reichsnährstand), de jeugd (Hitlerjugend), de vrouwen (Nationalsozialistische Frauenschaft), de wetenschapslui en kunstenaars (een reeks Reichskammern). Overigens werden pers en radio ondergebracht bij het door GOEBBELS geleide ministerie van propaganda. De censuur die hiervan uitging, kende geen grenzen. De dictatuur werd TOTALITAIR, omvatte alle levensuitingen en drong door tot in de huiskamer, want ook daar was de vrijheid van spreken onbestaande geworden. Men moest dat horen, dit zien, dit lezen, dat zeggen, dit schrijven, dit denken en toejuichen wat Hitler en de Partij beslisten. De allerminste uiting van voorbehoud kon naar het concentratiekamp leiden, dat functioneerde als een uitroeiingsoord.[482] De verklikking was erg verbreid. De foltering door de Gestapo was dagelijkse praktijk. De terreur was onontkoombaar. Nergens was er enige ruimte eraan te ontsnappen.

In 1934 deden zich twee belangrijke episoden voor, waardoor de Hitler-dictatuur een nog persoonlijker karakter verwierf.

Er was vooreerst de “nacht van de lange messen”, de nacht van 30 juni. Op bevel van Hitler, onder leiding van Göring en Himmler en in akkoord met de Reichswehrleiding, werden door de SS 1.076 personen vermoord. Onder de slachtoffers ERNST ROEHM, commandant van de SA en een ganse reeks SA-leiders. Onder de slachtoffers ook GREGOR STRASSER. In feite betrof het de uitschakeling van de “linkse” tendens in de beweging. De SA telde twee miljoen leden. Velen waren van proletarische oorsprong. Hitler had inderdaad massa’s werklozen in zijn “Sturmabteilungen” ingelijfd. Dat in dit milieu een antikapitalistische haat levendig was, lag voor de hand. Misleid door de demagogie van de NSDAP, hadden vele SA’ers verwacht dat, na de vernietiging van de Weimarrepubliek, in een tweede etappe ook met het kapitalisme zou afgerekend worden. Gregor Strasser ging zelfs zo ver zekere socialistische verwachtingen uit te spreken. Maar Hitler had duidelijk gemaakt dat “de Duitse revolutie beëindigd” was en overigens bleek maar al te duidelijk dat er aan de kapitalistische orde niet werd getornd, maar dat integendeel de positie van de kapitalist werd geconsolideerd. Zich steunend op de gefrustreerdheid van hun manschappen, begonnen de SA-leiders plannen uit te broeden om niet langer als knokploeg een ondergeschikt instrument te blijven, maar om als overheersende macht op te treden. Dat zat de Reichswehr dwars, dat beviel ook de monopolieheren niet en dat werd Hitler duidelijk gemaakt. De reusachtige moordpartij betekende de uitschakeling van de SA ten gunste van de SS en was tevens de vernietiging van de “socialiserende” tendens. Maar bovendien vielen ook nog slachtoffers uit een heel ander milieu: generaal KURT VON SCHLEICHER en zijn echtgenote, generaal Von BREDOW en BOSE, eerste secretaris van vicekanselier von Papen. Het betrof mensen die op de een of andere manier Hitler hinderden. Het betrof tegelijkertijd personaliteiten van de “klassieke” rechterzijde, personaliteiten uit het milieu van de traditionele machten. Met hun executie wilde Hitler zich duidelijker als onafhankelijke macht vestigen.

Een tweede belangrijke episode in 1934 had te maken met de dood van president Hindenburg op 2 augustus. Hitler trok de functie van president naar zich toe en nam van nu af de titel aan van “Führer und Kanzler”. De WEHRMACHT – nieuwe naam voor de Reichswehr – zwoer de eed van trouw en “onvoorwaardelijke gehoorzaamheid” aan de Führer. Daarmee was ook het leger “gleichgeschaltet”.

De nazidictatuur was hierdoor uniek dat de quasi-totaliteit van de bevolking het regime aanhankelijk werd, in de Führer geloofde, hem in blinde vervoering volgde. Dat is tot op heden in geen enkel land in die mate het geval geweest. Nergens heeft ooit een dictatoriaal regime een zo ruime massabasis gehad. Geen enkele dictatuur is erin geslaagd de quasi-totaliteit van de bevolking dermate te fanatiseren, te “hysteriseren” als in nazi-Duitsland.

Het Duitse naziregime werd gekenmerkt[483] als “openlijke, terroristische dictatuur van de meest reactionaire, meest chauvinistiche, meest imperialistische elementen van het financiekapitaal.”[484] Hiermee wordt het meest essentiële van het regime aangeduid. Vanzelfsprekend kunnen niet alle aspecten van een zo complex historisch verschijnsel in die enkele woorden worden vervat. We herinneren eraan dat de staatsmacht iets meer is dan het politieke agentschap van de economisch heersende groep, dat tussen deze groep en de staat dialectische verhoudingen spelen, dat de staat als een enigszins “verzelfstandigde” macht optreedt en dat de staat, hoewel in dienst van een bepaalde klasse, toch dictatoriaal kan optreden tegen INDIVIDUEN van die klasse. Al deze aspecten zijn van belang voor het juiste begrip van de Hitler-dictatuur.

Dat het grootkapitaal Hitler een som van 3 miljoen RM voor de verkiezingen van 1933 schonk, werd reeds meegedeeld. Op 14 juni daaropvolgend sloten de leiders van de Duitse zakenwereld een akkoord af om hun hulp aan de nazipartij te bestendigen: zij verbonden er zich toe als “Adolf Hitler Spende” 0,5 % op de uitbetaalde lonen te storten. In de loop der jaren hebben zij aldus het reusachtige bedrag van 700 miljoen RM voor de NSDAP samengebracht. Dat was overigens een goede belegging...

De bestaande sociale verhoudingen werden o.a. door het Deutsche Arbeitsfront beveiligd. Deze organisatie verenigde arbeiders en patroons. Want arbeiders en patroons moesten een “Gemeinschaft” vormen, binnen dewelke er geen klassenstrijd mocht zijn. Stakingen waren dan ook verboden. De bedrijfsraden werden afgeschaft. In iedere onderneming was de patroon de “Führer”. Hij alleen had gezag inzake bedrijfsbeheer. Een onderneming werd opgevat als een militaire structuur, waarin de kapitalist onbeperkte bevelhebbersmacht uitoefende. De leiding van het Arbeitsfront – eveneens op basis van het “Führerprinzip” aangeduid – waakte erover dat de arbeiders zich voldoende inspanden. Tekortkomingen bij de arbeid werden niet als schade aan de patronale belangen voorgesteld, maar als “sabotage van de nationale opbouw door de Führer.” Het werkboekje werd ingesteld, waardoor de arbeider het bedrijf niet kon verlaten zonder instemming van zijn patroon. In ieder bedrijf kwamen er vertrouwensmannen, door de arbeiders verkozen uit een door de patroon in overeenstemming met de nazipartij opgestelde kandidatenlijst.

In 1935 werd de RIJKSARBEIDSDIENST opgericht, waarbij alle jonge lieden gedurende zes maanden verplicht werden deel te nemen aan een gemilitariseerde arbeidsdienst. Het oogmerk was dubbel: 1) goedkope arbeidskrachten inzetten voor openbare werken; 2) de jeugd indoctrineren, “chauvinistische verhetzen”.

Hitler benadrukte dat hij het kapitalisme wilde behouden; in maart 1933 verklaarde hij voor de Rijksdag: “wij zullen geen geëtatiseerde economie toepassen: wij zullen het privé-initiatief maximaal aanmoedigen en wij erkennen de eigendomsrechten.” Wel kan de economie van het Derde Rijk als “georganiseerd kapitalisme” bestempeld worden, nl. georganiseerd door en ten gunste van het grootkapitaal. Reeds op 15 juli 1933 werd een “Generalrat der Deutschen Wirtschaft” ingesteld, die 17 leden telde: vertegenwoordigers van de grootindustrie, van de grootfinanciën, van de groothandel, van het grootgrondbezit en een paar topfiguren van de nazibureaucratie.[485] Door de wet van 27 november 1934 werd een nieuw organisatieschema van toepassing: een “Reichswirtschaftskammer”, verticaal onderverdeeld in zes groepen (industrie, ambachten, handel, bankwezen, verzekering, energie), die ieder nog eens regionaal onderverdeeld waren... Aan het hoofd van deze groepen stonden vertegenwoordigers van de machtigste Konzerne. Nog verschillende reorganisaties werden doorgevoerd, maar de sleutelposities bleven steeds in handen van de machtigste kapitaalgroepen. Geen wonder dat onder het Derde Rijk de centralisatie van het kapitaal met rasse schreden vooruitging: de inherente tendens van het kapitalisme werd door allerlei wettelijke beschikkingen versneld. De groten werden groter, vele kleinen verdwenen.

Men kan de economie van het Derde Rijk reeds staatsmonopoliekapitalisme noemen. De staat voerde inderdaad een ingrijpende economische politiek, erop berekend de conjunctuur terug op peil te brengen. Geïnspireerd door de vindingrijke financier HJALMAR SCHACHT, voedde de overheid het zakenleven met grote hoeveelheden kredietgeld. Anderzijds werd de bedrijvigheid aangewakkerd door een politiek van openbare werken. De “Autobahnen” hadden een strategisch en een conjunctureel doel. Hetzelfde kan worden gezegd van de massale bewapening. Heel deze politiek leidde tot een formidabele ophoping van de schulden. In feite trok men steeds zwaardere wissels op de toekomst. Maar dat werd als minder erg beschouwd, vermits het hele proces toch op oorlog (dus op roof bij andere volkeren) zou uitdraaien.

Het moment van Hitlers machtsgreep viel overigens samen met de aanvang van de conjunctuurverbetering in de meeste landen. Zodat de positieve resultaten van Schachts economische politiek ook nog door de algemene situatie in de hand werden gewerkt. In 1939 overschreed de industrieproductie die van het jaar 1929 met 1/3. Na het zeer diepe dieptepunt van 1932 verscheen dat als een merkwaardige prestatie.

Resultaat van deze economische heropleving was de opslorping van de werkloosheid.[486] Het was een resultaat dat propagandistisch intens werd geëxploiteerd en diepe indruk maakte. De groeiende populariteit van het regime hing voor een deel hiermee samen. Voor de bedienden en het overheidspersoneel verminderde, de koopkracht, maar voor de industriearbeiders was er een lichte stijging van het uurloon (van 1933 tot 1939 verhoogde het nominaal uurloon met 14 %, maar hiervan moesten 6 % prijsstijging en verhoogde belastingen worden afgetrokken). Doordat echter meer uren werd gearbeid (verplichte 10 uren en menige overuren), steeg het weekloon voelbaar, zonder het peil van 1929 te overschrijden. Om de arbeidersklasse te verdelen, werd het verschil tussen de laagste en de hoogste looncategorieën aanzienlijk vergroot. Met dat alles nam de relatieve uitbuiting toe, vermits de winsten van 1933 tot 1938 met 127 % stegen. Het Hitlerbewind beantwoordde perfect aan de imperialistische neigingen van het Duitse kapitalisme. Hitler zette alles op de voorbereiding van de oorlog. Maar vóór het zover kwam, behaalde hij een reeks verbluffende diplomatieke en territoriale successen: hereniging van het Saargebied, bezetting van het Rijnland. Anschluss, Münchenakkoord, overrompeling van Tsjecho-Slowakije... Stom verbaasd keken de Duitsers toe. Wild enthousiasme greep hen aan.

* * *

De avond van 30 januari 1933 marcheerden de SA-troepen in triomfantelijke fakkeltochten door de Duitse steden. Ongetwijfeld was reeds een aanzienlijk deel van de bevolking met hen. Maar het gros van de arbeidersklasse bleef uitgesproken vijandig en in alle gewesten wachtten de arbeiders gespannen het ordewoord van de algemene staking af. Dat ordewoord kwam echter niet. De sociaaldemocratische leiding – die de nacht van 30 januari vergaderde – volgde BREITSCHEIDS betoog: er is geen machtsgreep gepleegd; er werd een nieuwe, volkomen grondwettelijke coalitieregering gevormd, met daarin een minderheid van nationaalsocialisten; de rechtsstaat werd geen geweld aangedaan en ook wij moeten ons aan de rechtsregels houden; we mogen de regering niet provoceren, laten we voorzichtig zijn. De arbeiders werden dan ook aangemaand niet in strijd te gaan, niet “ongedisciplineerd” met aparte groepen op te treden. Van zijn kant betoogde de syndicale leider LEIPART: “het ordewoord op dit moment is niet te manifesteren, maar te organiseren.” Overigens beweerde hij “dat Hindenburg de beste waarborg uitmaakt dat de grondwet niet zal worden verkracht.” Deze demobiliserende houding van de sociaaldemocratische leiding volstond om de arbeidersklasse te ontredderen.

Daarentegen deed de KPD op 30 januari een dubbele oproep tot algemene staking: een oproep rechtstreeks tot de arbeidersklasse en een boodschap door W. ULBRICHT, namens het CC, aan de SPD-leiding overgemaakt. Maar het SPD-bestuur wees elke eenheid van actie af. En ALLEEN was de KPD – ondanks haar miljoenen stemmen – niet in staat een algemeen offensief te ontketenen. Vooreerst had ze geen vat op de sociaaldemocratische massa’s. Anderzijds was haar impact op de arbeiders in de bedrijven nog op een andere wijze beperkt: de KPD was in hoofdzaak een partij van werklozen geworden. Slechts een ruime 10 % van de partijleden was nog werkzaam in de bedrijven.[487]

Wel deden zich enkele werkonderbrekingen en talloze, soms machtige[488] manifestaties voor. Maar van een algemene staking was geen sprake. Niet de houding van de communisten, wel die van de sociaaldemocratische leiding was hier beslissend. En deze houding was er een van capitulatie zonder grenzen. Het verbod van hun pers, de aanhouding van een reeks socialistische volksvertegenwoordigers, het vermoorden van socialistische militanten, de Rijksdagbrand en het verbod van de KPD, dat alles volstond niet om de SPD van houding te doen veranderen. Ergens leefde in de sociaaldemocratische leiding de hoop niet het lot van de KP te zullen ondergaan, maar zich als partij en vakbond wettelijk (zij het binnen enge perken) te kunnen handhaven. Toen na de verkiezingen van 5 maart de KPD voorstelde “alle aanvallen op de sociaaldemocratie stop te zetten” om gezamenlijk de strijd tegen het fascisme aan te binden, werd dat afgeslagen. De SPD hield vast aan de gedachte dat Hitler snel politiek zou mislukken, zodat de baan weer vrijkwam voor een of andere centristische regeringsformule: samengaan met de communisten zou die mogelijkheid compromitteren.

Op de plechtige openingszitting van de Reichstag in de Garnizoenskerk bleef de SPD-fractie weg. Bij de bekrachtiging van de volmachtenwet (23 maart) stemde de SPD-fractie tegen. Daartoe was moed nodig, want gewapende SA-lieden stonden dreigend achter hen. Maar overigens vond OTTO WELS het nodig zijn akkoord te betuigen met Hitlers eis van “Gleichberechtigung” (d.i. het recht voor Duitsland, zoals voor andere naties, op onbeperkte bewapening). Otto Wels steunde ook Hitlers – onzinnige – bewering dat de “herstelbetalingen oorzaak van de catastrofe van de wereldeconomie” waren. “Ten slotte getuigde Wels dat de persberichten in het buitenland omtrent de gruweldaden van de nazi’s overdreven waren.

De sociaaldemocraten bleven zich vastklampen aan de illusie dat hun inschikkelijke houding de nazi’s zou weerhouden de socialistische organisaties te vernietigen. Als toepassing daarvan trad Otto Wels uit het bureau van de SAI en desavoueerde hij de heftige antinazi-uitlatingen van de buitenlandse socialistische partijen. Om die reden werden ook groepen van de Berlijnse socialistische jeugd, die illegale activiteiten wilden bedrijven, uitgesloten. Om dezelfde reden werd gebroken met de groep partijleiders, die in Praag een emigrantenbestuur van de SPD hadden gevormd. Als toepassing van dezelfde politiek werden ten slotte de Joden uit de socialistische partijleiding verwijderd.

Zo mogelijk nog erger was het gesteld met de houding van de vakbondsleiding. Leipart hoopte de nazi’s milder te stemmen door te verklaren (10 maart) dat de syndicaten geen stelling hoefden te nemen in politieke aangelegenheden. Leipart schreef Hitler brieven (21 en 29 maart) om tot samenwerking te komen. In de “Gewerkschafts Zeitung” van 25 maart 1933 schreef Leipart: “Wij hoeven zeker onze vaandels niet te strijken om te erkennen dat de overwinning van het nationaalsocialisme ook onze eigen overwinning betekent, zelfs indien deze behaald werd in een strijd tegen de partij die wij beschouwden als de belichaming van de socialistische gedachte. Vandaag wordt de socialistische opdracht door de hele natie gedragen.”
Begin april trachtte Leipart met de nazistische bedrijfscellen onderhandelingen aan te knopen met het oog op de organisatorische samenvoeging. Ten slotte riep de syndicale leiding haar leden op deel te nemen aan het nazistische “feest van de nationale arbeid” op 1 mei. De arbeiders zouden “standesbewusst” (sic) mee opstappen in de hitleriaanse parade.

Het heeft allemaal niet mogen baten: de vakbonden werden op 2 mei, de SPD op 22 juni opgedoekt.

De KPD heeft integendeel niet gecapituleerd.

Na de aanhouding van Thälmann werd de leiding van het partijwerk in Duitsland o.a. waargenomen door JOHN SCHEHR en WALTER ULBRICHT. De partijactiviteiten in de emigratie werden vanuit Parijs geleid door een comité waartoe o.a. Fr. DAHLEM, Wilh. FLORIN en Wilh. PIECK behoorden. Ulbricht verliet Duitsland in oktober 1933: Schehr viel een paar weken later in handen van de Gestapo, werd gefolterd en met drie andere communisten afgemaakt.
In feite werden nog slechts achterhoedegevechten geleverd. De laatste, belangrijke episode was het sensationele proces van de Rijksdagbrand (21 september-23 december 1933). Van der Lubbe, een halvegare, die als instrument van de nazi’s, mee het vuur aan de lont had gestoken en zich op het proces als een gedrogeerde sufferd gedroeg, werd ter dood veroordeeld. Maar voor de rechtbank verschenen ook TORGLER, voorzitter van de KPD-Rijksdagfractie en de Bulgaren DIMITROV, POPOV en TANEV. Torgler ging door de knieën en capituleerde. Maar de Bulgaarse beschuldigden gedroegen zich ongemeen kranig. Speciaal Dimitrov, vertegenwoordiger van de Komintern, verbaasde de wereld door zijn brio en strijdvaardigheid. Gezien de internationale aandacht voor het proces hielden de nazi’s eraan deze zaak volgens de rechtsregels te laten verlopen. Dimitrov maakte van deze gelegenheid gebruik om als striemende beschuldiger op te treden. De communistische militanten werden vrijgesproken.

Dat was echter de laatste maal dat de communisten in Duitsland over enige legale mogelijkheden beschikten. Nog zeer vele communisten werden achteraf voor het nazi-gerecht gebracht. In de regel was hun houding moedig, ja heldhaftig. Maar de mogelijkheid daaraan publiciteit te geven en politieke invloed uit te stralen, was niet langer gegeven.

De KPD bleef voortbestaan, zij het in de meest strikte illegaliteit en mits zware offers. Tot midden 1935 hield een centrale operatieve leiding in Duitsland stand. Dan werd tot decentralisatie overgegaan: de plaatselijke groepen opereerden zelfstandig. Wel onderhielden ze sporadisch verbinding met instructeurs, die van over de grenzen richtlijnen van de geëmigreerde partijleiding overbrachten. Deze partijleiding bevond zich aanvankelijk in Parijs, nadien in Praag, en ten slotte in Moskou.

De leiding van de SPD had zich in Praag gevestigd. Ook binnen de grenzen van het Reich bleven SPD-groepen bestaan, maar hun samenhang met de Praagse leiding was heel twijfelachtig. Overigens waren de SPD-groepen minder talrijk, minder actief en minder politiek eensgezind dan de afdelingen van de KPD.

Grote resultaten konden uiteraard niet bereikt worden. De Gestapo sloeg te hard en te veelvuldig toe. De maatregelen om zich te beveiligen namen negentienden van de energie in beslag. De strijd tegen het nazisme was in Duitsland veel moeilijker dan het verzet in de bezette landen tijdens de oorlog. In de door nazi-Duitsland overrompelde gebieden bewogen de verzetslieden zich te midden van een bevolking die in grote meerderheid vijandig stond tegen Hitler. Totaal anders was de situatie in Duitsland. Het is dan ook verbazend dat in het CC van de KPD een minderheid nog een lange tijd weigerde te erkennen dat de Duitse arbeidersklasse een beslissende en totale nederlaag had geleden. Niet een veldslag, zoals zij beweerden, maar een oorlog was verloren. Niet zien dat het fascisme zich geconsolideerd had, in de verwachting leven dat al heel snel de revolutionaire ommekeer zou aanbreken, dat was pure illusie. Verbazend is ook (na de Anschluss) in een richtlijn van de KP-leiding te lezen “dass die Deutsche Arbeiterklasse und das Deutsche Volk mit der fascistischen Kriegspolitik nichts gemein haben”. Het is duidelijk dat de Duitse communisten in volslagen isolatie, met inzet van hun vrijheid en hun leven, een strijd voerden zonder veel perspectief. Comités werden gevormd, door de Gestapo vernietigd, opnieuw gevormd. Midden 1935 kende men plaatselijke leidingen, die voor de achtste maal aan hernieuwing toe waren. Midden 1935 waren er – sinds januari 1933 – van de 422 leidende KP-figuren 219 aangehouden en 24 vermoord. Nam men op dat moment de KPD in haar geheel, dan telde men 393 vermoorde partijleden, 29 die op de uitvoering van de doodstraf wachtten, 21 die tot levenslange tuchtstraf en 860 die samen tot meer dan 4000 jaar gevangenisstraf waren veroordeeld. Daarnaast waren er velen die zonder enige vorm van proces in concentratiekampen opgesloten zaten. In 1936 werden 11.678 communisten en 1.374 sociaaldemocraten aangehouden. In 1936 telde men 8.608 aanhoudingen bij de communisten en 733 bij de socialisten.

Alleen al het illegaal verspreiden van bladen, brochures en vlugschriften was een heel moeilijke en gewaagde onderneming. Hoeveel verspreid werd, is niet geweten. We hebben enkel gegevens over het aantal communistische en socialistische druksels die in handen van de politie vielen.[489] Welke hoeveelheid raakte verspreid? Hoe groot was de weerklank? Men weet het niet. Maar men ontkomt niet aan de stellige indruk dat veel in de woestijn werd gepredikt. Want het verzet tegen Hitler groeide niet. Het nam af. Dat bewijzen de verkiezingen voor de “Vertrauensräte” in de bedrijven. In april 1934 brachten slechts 40 % van de kiesgerechtigden hun stem uit en over het algemeen behaalden de nazi-kandidaten niet meer dan 25 %. Bij de bedrijfsverkiezingen van april 1935 behaalden de nazi-kandidaten 83 % van de stemmen.[490]

Toch slaagden de communisten erin, heel sporadisch, korte stakingen uit te lokken om zeer directe eisen (loon, werktijd, arbeidsvoorwaarden). Het gebeurde zelfs dat de eisen enigszins moesten worden ingewilligd. Maar de repressie sloeg dan zo hard en zo snel toe, dat iedere uitbreiding van de beweging de pas werd afgesneden. Het doorzetten van massa-acties was niet mogelijk in Hitler-Duitsland.

Tot in de concentratiekampen zetten de communisten hun strijd voort. Zij vormden illegale partijcellen en slaagden erin, door zeer harde strijd, de innerlijke administratie (door de SS aanvankelijk aan gevangenen van gemeenrecht toevertrouwd) in handen te krijgen. Menig politiek gevangene heeft zijn overleving aan deze omstandigheid te danken gehad.

De politieke emigratie bestond uit communisten, socialisten en een groot aantal intellectuelen. Deze emigratie heeft in de buurlanden wel enige rol gespeeld. De Duitse (na 1937 ook Oostenrijkse) politieke militanten en die schitterende schare van Duitse geleerden, schrijvers, journalisten, componisten, kunstschilders, regisseurs enz., hadden beslist een zekere uitstraling. Er ging een stimulans uit van deze bannelingen. Het staat vast dat het verzet in de Europese landen, die achteraf door Hitler onder de voet werden gelopen, voor een deel gevoed werd door de Duitse politieke emigratie. Haar invloed op de vorming van een antifascistische stroming in de buurlanden van Duitsland is aanzienlijk geweest.

Ongetwijfeld zou deze invloed nog belangrijker zijn geweest, als het tussen communisten en sociaaldemocraten tot een hechte samenwerking was gekomen. Van communistische zijde heeft het niet aan pogingen in die richting ontbroken. Na de grote nederlaag begonnen de communisten een serieuze autokritiek. En ze gingen steeds verder in die richting. Aanvankelijk viel het hen nog moeilijk hun sektaire beoordeling van de reformistische sociaaldemocratie volledig prijs te geven. Maar zij overwonnen deze hinderpaal. Inderdaad, de “Brusselse Conferentie”[491] van de KPD (oktober 1935) besloot dat de communisten ten allen prijzen tot eenheid met de sociaaldemocraten moesten trachten te komen, niet alleen aan de basis, maar ook aan de top. De KPD voerde daarmee niet alleen de besluiten uit van het VIIe Kominterncongres, want in feite was dat – al sinds een paar jaar – de politiek van de Duitse communisten. Voorstellen tot samenwerking werden aan de sociaaldemocratische partijleiding te Praag gedaan, herhaald, nogmaals hernomen, bij iedere gelegenheid, volgens alle mogelijke modaliteiten, in de vriendelijkste termen, met uiterste aandrang. Het mocht allemaal niet baten. De SPD-leiding wilde zelfs geen begin van toenadering, laat staan een eenheidsfront. Rudolf Hilferding verklaarde nog op de zitting van de Tweede Internationale, in januari 1939, dat de beslissende opgave voor de sociaaldemocratie was haar samengaan met de Westerse democratieën “bei kompromisslosen Kampf gegen die Kommunisten und gegen diejenige Kräfte in der eigenen Partei, die zur Einheitsfront bereit waren”.

Niettemin kwam het in Duitsland tussen basisgroepen van KPD en SPD menigmaal tot akkoorden van samenwerking. Men was dermate lotgenoot, dermate slachtoffer van dezelfde meedogenloze vijand, dat men als vanzelf naar elkaar werd gedreven.

Ook in de emigratie werd af en toe, hier en daar, samenwerking bereikt tussen de KPD en groepen of personaliteiten van de SPD. Maar blijvende resultaten kwamen niet tot stand; het sociaaldemocratisch voorbehoud bleef steeds remmend werken.

De politiek van de KPD beoogde overigens niet alleen de vorming van een EENHEIDSFRONT (communisten en socialisten), maar ook van een VOLKSFRONT (communisten + socialisten + antifascisten). Telkens weer ontmoet men in de richtlijnen van de KPD de gedachte dat het mogelijk moet zijn ook de “Mittelschichten”, dit zijn “de arbeidende boeren en de stedelijke middenstand”, tot aansluiting bij het Volksfront te bewegen. Dat was pure utopie, dat was een complete miskenning van de psychologie van de middenstanders. Slechts één enkele groep – als men die bij de kleinburgerij wil rekenen – kwam in aanmerking voor het antifascistisch Volksfront: het was de intelligentsia. De geëmigreerde Duitse intelligentsia was zeer belangrijk; zij omvatte praktisch alles wat Duitsland aan scheppend genie bezat, mensen die de geestelijke dwang, de cultuurbarbaarsheid en de antihumanistische instelling van de nazidictatuur ontvluchtten. Deze antifascistische intellectuelen speelden meestal een bemiddelende rol tussen socialisten en communisten. Bijzonder duidelijk bleek dat bij de vorming, in juni 1936 te Parijs, van het “comité ter voorbereiding van het Duitse Volksfront”, dat onder het voorzitterschap van HEINRICH MANN stond.

Een volksfront van Duitsers kwam reëel tot stand in de Spaanse burgeroorlog. Gezien de rechtstreekse hulp van Hitler aan Franco, was voor de Duitse antifascisten de inzet aan de zijde van de Republikeinse regering niet alleen een plicht van internationale solidariteit, maar ook een frontale strijd met het Duitse fascisme. Haast 5.000 Duitsers traden toe tot de Internationale Brigades. Zij vormden bataljons, genoemd naar ERNST THALMANN en EDGAR ANDRE,[492] en batterijen met de naam van GEORG DIMITROV en KARL LIEBKNECHT. In deze formaties waren communisten, socialisten en antifascisten verenigd. Hun innige eenheid werd in verklaringen en manifesten zeer uitdrukkelijk beklemtoond. De verliezen van de Duitse afdelingen der Internationale Brigades waren bijzonder zwaar: men telde bij de 3000 gesneuvelden.

Naarmate de jaren vorderden, legde de KPD steeds meer nadruk op het oorlogsgevaar dat van Hitler-Duitsland uitging. Het kan vandaag onwaarschijnlijk klinken, maar in deze aangelegenheid namen de communisten een eerder unieke positie in. In de regel werden hun waarschuwingen weggewimpeld. De communisten betoogden daarbij dat de Sovjet-Unie het voornaamste bolwerk was tegen de opmars van de Hitler-macht, waarin zij beslist nog gelijk hadden ook.

Maar de KPD was – zoals alle communistische partijen – in de jaren ’30 toe aan de positie van de “onvoorwaardelijke” verdediging en verheerlijking van al wat met de Sovjet-Unie te maken had. Het waren de jaren waarin de stalinistische “personencultus” werd gevestigd, onwaarschijnlijke afmetingen aannam en alle zin voor kritische beoordeling vernietigde. De communistische partijen, die zich op het marxisme-leninisme beriepen – ongetwijfeld een hij uitstek rationele geesteshouding – werden meegesleurd in een blinde verering voor de Sovjet-Unie en haar leider. De Moskouse processen werden niet in twijfel getrokken, de grootscheepse achtervolging van communistische militanten werd als opruiming van contrarevolutionaire elementen geïnterpreteerd. Zelfs toen de Stalinterreur ook een aantal leden en verantwoordelijke voormannen van de KPD trof, veranderde dat niets aan deze visie. Men heeft dat de communisten zwaar verweten. Men vergeet daarbij dat, om een bittere strijd te kunnen volhouden, men behoefte heeft zijn hoop in iets concreets te belichamen.

_______________
[456] “Wenn bei uns so viel Arbeitskraft unverkäuflich bleibt, so liegt es daran, dass der Preis hierfür zu hoch ist” betoogde het “Verband”.
[457] Verkiezingen

Mei 1928September 1930 (5 miljoen kiezers meer dan in 1928)
KPD3.285.00010,6 %4.590.00013,1 %
SPD9.153.00029,8 %8.576.00024,6 %
Zentr.4.658.00015,1 %5.186.00014,8 %
DVP2.680.0008,7 %1.577.0004,5 %
DNVP4.382.00014,2 %2.458.0007.0 %
NSDAP810.0002,6 %6.407.O0018.3 %


[458] Achteraf zou blijken dat het naziregime nog in andere opzichten interessant was voor het grootkapitaal: 1. Niet alleen werd de heerschappij van de bourgeoisie in haar geheel door het fascisme versterkt; maar in de bourgeoisie kwam nu, veel meer dan voordien, de politieke hegemonie in handen van het grootkapitaal; m.a.w. er voltrok zich een zekere machtsverschuiving tussen de verschillende fracties van de bourgeoisie. 2. Zoals het monopoliekapitaal dat vergt, werd met het fascistisch regime de (nooit volledig waargemaakte) staatsafzijdigheid ten opzichte van het economisch proces verlaten en werd overgeschakeld naar een systematische staatsinterventie. 3. Het agressief imperialistische optreden van het nazisme beantwoordde volkomen aan de strevingen van het Duitse monopoliekapitaal.
[459] Zin voor hiërarchie, ontzag voor het gezag, bewondering voor het uniform, apolitisme e.d., behoorden in hoge mate tot de typisch Duitse geesteshouding. Op de spits doorgedreven doet dat het leidersprincipe aanvaarden.
[460] In de Landtage ondersteunden de nazi-mandatarissen alle maatregelen ten gunste van de prinsen. Even systematisch bestreden ze iedere belasting op het kapitaal.
[461] Elementen van deze politiek waren: loonsverlaging, vermindering van werklozensteun en andere sociale uitkeringen, afschaffing van subsidies voor sociale woningbouw, verlichting van de belastingen ten gunste van de zakenlieden, staatssteun aan kapitalistische ondernemingen in nood, opkopen van aandelen van failliete bedrijven (socialisatie van het verlies). “Osthilfe” (d.i. financiële steun aan Pruisische grootgrondbezitters), aanzienlijke inkrimping van alle posten van het staatsbudget, behalve voor de militaire uitgaven... die verhoogden.
[462] In 1930 van 13 tot 18 oktober en van 3 tot 12 december; in 1931 van 3 februari tot 26 maart en van 13 tot 16 oktober; in 1932 van 23 tot 27 februari en van 9 tot 12 mei.
[463] Aantal stemmen door Hitler behaald:
- bij de verkiezingen van 30 september 1930 — 6.407.000
- in eerste ronde van de presidentsverkiezing — 11.338.000
- in tweede ronde van de presidentsverkiezing — 13.420.000 of 36,8 %
Enige dagen nadien (24 april 1932), bij de Landtagverkiezingen in Anhalt, Beieren, Hamburg en Pruisen behaalden de nazi’s verbluffende resultaten. In de Pruisische Landtag steeg hun aantal mandaten van 9 naar 162!
[464]

Aantal dodenin 1930in 1931in 1932
vanwege politie365181
vanwege nazi’s4149139


In 1911 werden 40.000 arbeidersmilitanten vervolgd; einde 1931 zaten er 7000 in de gevangenis. In 1932 werden 33.686 antifascisten in 7.316 processen betrokken. In 1931 werd de “Rote Fahne” gedurende 100 dagen verboden. In 1932 werden de 37 communistische dagbladen samen voor 3.384 dagen verboden. In november 1931 werd CARL VON OSSIETZKY, uitgever van de beroemde “Weltbühne” tot 11/2 jaar veroordeeld.
[465] De sociale aftakeling ging nu heel snel. De werkloosheidssteun werd met 23 % verminderd. De periode van volle steun werd van 26 op 6 weken gebracht. Dan verviel men in een categorie die 15 % minder ontving. Een paar maanden later kwam men in een nog minder bedeelde categorie terecht.
[466] Verkiezingen van 31 juli 1932:
KPD — 5.370.000
SPD — 7.960.000
Zentrum — 5.792.000
DVP — 436.000
DNVP — 2.187.000
NSDAP — 13.779.000
[467] Deze premies hadden de vorm van belastingkwijtingen, waarmee de belastingen van 1934 konden worden betaald. In afwachting konden dergelijke kwijtingen als pand voor kredietaanvragen worden aangewend.
[468] Verkiezingen van 6 november 1932:
KPD — 5.980.000
SPD — 7.251.000
Zentrum — 5.327.000
DVP — 661.000
DNVP — 2.187.000
NSDAP — 11.737.000
[469] OTTO WELS kan als een van de meest typische figuren uit de toenmalige Duitse sociaaldemocratie worden beschouwd. In 1873 te Berlijn geboren: had arme ouders en werd behanger; trad op 14 jaar in de beweging en werd in 1906 vrijgestelde in de vakbond van de behangers. In 1907 werd hij provinciaal secretaris van de SPD in Brandenburg. Hij steeg op in de partijbureaucratie en trad in 1913 toe tot het executief van de SPD. Tijdens de oorlog behoorde hij tot de meerderheidssocialisten. In 1918 trad hij als commandant van Berlijn zo provocerend op tegen de mariniers, dat die in opstand kwamen. Hij verliet het militaire ambt en werd copresident van het SPD-executief, welke functie hij tot 1933 behield. Hij was een perfecte partijbons; een toegewijd, hard werkend, bekwaam administrator, maar overigens ruw en een man zonder visie.
[470]

VerkiezingenSPDKPDTotaal
mei 19289.153.0003.285.00012.438.000
sept. 19308.576.0004.590.00013.166.000
juli 19327.960.0005.370.00013.330.000
nov. 19327.250.0005.980.00013.231.000


[471] Aantal leden van de KPD:
maart 1930 — 135.000
maart 1931 — 195.000
maart 1932 — 287.000
dec. 1932 — 360.000
[472] Tussen sociaaldemocraten en communisten was bloed gevloeid. Zoals in vorig hoofdstuk over Duitsland wordt meegedeeld, werden er bij de betoging van 1 mei 1929 31 communistische manifestanten doodgeschoten door de Berlijnse politie, die onder sociaaldemocratisch bevel stond.
[473] De syndicale organisaties verloren overigens terrein. De ADGB die einde 1929 bij de 5 miljoen leden had, telde einde ’31 nog slechts 4,1 miljoen aangeslotenen. Die vermindering was te wijten aan de talrijke uitsluitingen van oppositionelen, aan de ontevredenheid van de leden en aan de verarming (betaling van het lidgeld werd te zwaar). Ook de christelijke vakbonden verloren leden: van eind 1929 tot eind ’31 daalde het bestand van 793.000 tot 580.000. Twee derden van de arbeiders waren niet georganiseerd.
[474] De houding van de communisten inzake de staking van de Berlijnse verkeersarbeiders (3 tot 7 november 1932) mag niet – zoals sommigen het voorstellen – als een tweede gelijkaardig samengaan met de nazi’s worden gezien. De verhoudingen waren totaal anders. Onder impuls van de RGO waren 22.000 arbeiders tegen verdere loonsvermindering in staking gegaan. Tot ieders verrassing besloten de nazi’s, die normaal als stakingsbrekers optraden, ditmaal mee te doen. De vakbondsleiding weigerde de staking te erkennen en de leiding kwam in handen van een stakerscomité waarin o.a. ook vertegenwoordigers van de nazigroep zetelden. Het stakerscomité was samengesteld uit: bestuursleden van ADGB, militanten van RGO, communisten, sociaaldemocraten en 2 bij de nazibond georganiseerde arbeiders. Op 7 november liep de beweging uit op een mislukking; de helft van de arbeiders ging terug aan het werk en de strijd moest worden opgegeven.
[475] SAP. In september 1931 werden linkse socialisten, o.w. K. Rosenfeld en M. Seydewitz, uit de SPD gesloten. Zij vormden begin oktober een nieuwe partij, de SOZIALISTISCHE ARBEITERPARTEI DEUTSCHLANDS, die in maart 1932 rond de 27.000 leden telde, maar het toch niet verder dan een splinterpartij bracht. De SAP-aanhangers waren meestal voorstanders van samenwerking met de KP; als uitgeslotenen en afgescheurden van de SPD waren zij uiteraard sektair ingesteld tegenover hun vroegere partij.
[476] In de gemeenteraad van Braunschweig zorgden de communisten ervoor dat een sociaaldemocraat i.p.v. een nazi tot burgemeester werd verkozen. Maar het was een uniek voorbeeld. Van belang was wel dat op het partijcongres van de KPD in oktober 1932 de links-sektaire groep van H. Neumann werd uitgeschakeld.
[477] Dat hiermee de Duitse communisten de aanbevelingen van het EKKI te buiten gingen, blijkt uit een brief van W. Pieck aan de vertegenwoordiger van de KPD in het EKKI. In deze brief lezen we: “Es ist zwar richtig, dass unser Vorgehen nicht ganz den Vereinbarungen mit unseren Freunden entsprach...” W. Pieck meent echter dat men in Moskou de Duitse communisten geen “opportunistische Abweichungen ... zum Vorwurf machen kann.”
[478] Hij zou in 1944 in Buchenwald worden vermoord.
[479] Belangrijkste verkiezingsresultaten:

miljoen stemmenmandaten
KPD4,881
SPD7,2120
Zentr.5,292
DNVP3,152
NSDAP17,3288


[480] Ook alle communistische mandaten in de Landtage en de gemeenteraden werden vernietigd. Alle mandatarissen die men te pakken kreeg, werden opgesloten.
[481] Op 27 januari 1934 legden ook de evangelische bisschoppen een verklaring van trouw af. Alleen een kleinere protestantse groep (Bekenntniskirche) onder leiding van dominee Niemüller nam stelling tegen de barbaarsheid.
[482] In 1939 hadden reeds één miljoen Duitsers met opsluiting kennis gemaakt. Voor dit jaar registreerde de Gestapo 162.734 “Haftlinge” in de concentratiekampen en 112.432 politieke gevangenen in tuchthuizen.
[483] Deze omschrijving, voor het eerst door het EKKI in december 1933 opgesteld, werd door Dimitrov hernomen in zijn rapport voor het VIIe wereldcongres van de Komintern in 1935.
[484] Voor commentaar op zekere aspecten van deze omschrijving, zie geschiedenis van de Komintern in het hoofdstuk over de Internationales.
[485] In deze “Generalrat” zetelden o.a.: F. Böhringen van het Flick Konzern, C. Bosch van I.G. Farben, G. Krupp von Bohlen und Halbach, F. Reinhardt van de Commerz- und Privatbank, Freiherr von Schroeder, bankier C.F. von Siemens, F. Thyssen en A. Vögler van de Vereinigte Stahlwerke.
[486] Jaarlijks gemiddelde aantal werklozen:

19325.579.00019361.592.010
19334.733.0001937912.000
19342.657.0001938429.000
19352.151.0001939 (juli)38.000


Bij het beschouwen van deze cijfer, moet men er wel rekening mee houden:
- dat ongeveer 250.000 jeugdigen in arbeidsdienst werden ingeschakeld;
- dat vanaf 1935 700.000 jonge lieden voor legerdienst werden opgeroepen.
[487] Einde 1932 waren er van de 360.000 KP-leden 40.000 in de bedrijven actief.
[488] Op 7 februari waren te Berlijn 200.000 manifestanten in de Lustgarten aanwezig.
[489]
1934 — 1.238.000
1935 — 1.670.000
1936 — 1.643.000
1937 — 927.000
Het grootste deel van deze druksels kwam van de communisten.
[490]
Er waren 7.147.802 stemgerechtigden
6.539.298 uitgebrachte stemmen
5.296.108 stemmen ten gunste van de nazi-kandidaten, d.i. 83 %.
In de volgende jaren werden in de bedrijven geen verkiezingen meer gehouden.
[491] Deze conferentie ging niet in Brussel maar in Moskou door. Ze werd ook bijgewoond door vertegenwoordigers van partijgroepen uit Duitsland. Om de Gestapo te misleiden werd, na afloop van de conferentie, meegedeeld dat de ontmoeting in Brussel had plaatsgegrepen. De naam “Brusseler Konferenz” bleef in de geschiedenis van de KPD behouden, evenals de naam “Berner Konferenz” (jan. 1939), die in feite in Frankrijk plaatsgreep.
[492] Edgar ANDRE, leider van RFB te Hamburg, op 5 maart 1933 aangehouden en op 4 november 1936 door de nazi’s onthoofd.