Antoon Roosens

Diensten, waarde en meerwaarde


Geschreven: maart 1996
Bron: VMT - Vlaams Marxistisch Tijdschrift, 30ste jrg., maart 1996, nr. 1
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, juli 2008

Laatste bewerking: 8 juli 2008


Zie ook van Karl Marx:
Productieve en onproductieve arbeid

1. De economische realiteit

Een van de belangrijkste economische transformaties van de laatste decennia, naast de mondialisatie van de industriële productie, was de grondige wijziging in de verhouding tussen de industrie en de diensten. Sinds 1960 stelt men in de gehele industriële wereld een spectaculaire stijging vast van het aandeel van de tertiaire sector zowel in de tewerkstelling als in de vorming en de besteding van het nationaal inkomen. Deze expansie van de diensten ging gepaard met een overeenstemmende daling van het aandeel van de nijverheid. Het relatief economisch gewicht van beide sectoren werd omgekeerd.

Daarentegen was het voornaamste effect — en wellicht het beoogde doel — van de internationale transformatie van het munt- en kredietstelsel, ondernomen in de jaren 1980, dat de industrieën, meer bepaald de hoog technologische, mondiale oligopolies — een even spectaculaire uitbreiding kenden van de kapitalen waarover zij op de gemondialiseerde kapitaalmarkt konden beschikken voor de financiering van hun snelle expansie. Enerzijds was dit het gevolg van de deregulatie van de kapitaalmarkten, zo nationaal als internationaal. Daardoor kregen de transnationale ondernemingen toegang tot de reusachtige financiële middelen die, onder vorm van “sociale reserves” en spaargelden van particulieren, sinds de crisis van de dertiger jaren niet konden circuleren in het industrieel-financieel circuit. Anderzijds was er de exponentiële groei van de zgn. eurodollarmarkt waar het volume van de circulerende kapitalen — zonder enige rem op de multiplicator — toenam van ongeveer 60 miljard dollar in 1960, tot 3.600 miljard dollar in 1991.[1] Dat volume verdubbelt ongeveer om de drie jaar.[2]

Hierdoor ontstond een toenemende contradictie ingevolge, enerzijds, de afremming van de groei van tewerkstelling en welvaart in de tertiaire sector en, anderzijds, een versnelde expansie van het gemondialiseerd industrieel kapitaal, met opnieuw een negatief effect op de tewerkstelling en de creatie van welvaart.

2. De probleemstelling

Deze contradictie is cruciaal voor elke discussie omtrent een mogelijke oplossing van de huidige, structurele crisis van de wereldeconomie. Aan de basis van de strategie, thans gevolgd door alle nationale en supranationale beleidsinstanties, ligt de uitgesproken overtuiging dat alléén een nog snellere expansie van de (multinationale) industrie op termijn kan leiden tot een ommekeer in de huidige spiraal van groeiende bestaansonzekerheid en dalende welvaart voor steeds bredere bevolkingslagen. Impliciet steunt de gehele neoliberale strategie op de fundamenteel marxistische opvatting dat creatie van waarde en meerwaarde slechts mogelijk is binnen de kapitalistische warenproductie. Een wel ironisch aspect van de “onderhuidse” triomf van het marxisme?

Dit noopt ons tot een heropening van het oude debat in marxistische kringen over het al of niet productief karakter van de arbeid in de dienstensector.

3. De theorie

Om ons te beperken tot eigen land, zijn daar o.m. Ludo Cuyvers,[3] Leo Michielsen,[4] Pierre Joye[5] en Jacques Gouverneur,[6] die allen overhellen naar de mening dat (de meeste) diensten productief (kunnen) zijn en waarde creëren. Zij proberen, op diverse wijze, deze opvatting in te kaderen in de marxistische analyse. Anderzijds is er de schitterende repliek van Jacques Nagels[7] die aantoont, o.i. op zeer overtuigende wijze, dat die opvatting onverzoenbaar is met de fundamentele visie van Marx.

Nagels betoogt dat, in de analyse van Marx, een noodzakelijke band bestaat tussen de creatie van waarde en meerwaarde. Opdat de menselijke arbeid waarde zou creëren, is in de eerste plaats vereist dat deze arbeid gericht is op de transformatie van de natuur tot een voor de mens (meer) bruikbare materie. Deze omvorming van de natuur heeft slechts plaats wanneer de arbeid gericht is op een onderdeel van de natuur, op een object.[8] Maar aangezien in een kapitalistische economie “de gehele sfeer van de materiële productie onderworpen is aan de kapitalistische productiewijze”,[9] kan de arbeid slechts productief zijn indien hij verricht wordt binnen de sfeer van de productie van materiële goederen, en dus ipso facto is ingeschakeld in de relatie arbeid — kapitaal, waardoor hij niet alleen waarde maar ook meteen meerwaarde produceert. Er is m.a.w. een eenheid tussen de creatie van waarde en meerwaarde, binnen de kapitalistische economie. Bijgevolg is de arbeid, verricht in de diensten, nooit productief. Natuurlijk met de klassieke uitzondering, door Marx zelf gemaakt, van de “voortzetting” van de productieve arbeid in de sfeer van de circulatie van de goederen, zoals in sommige delen van vervoer en distributie.

4. De contradictie

De interne logica van de hierboven uiteengezette, marxistische visie op de relatie tussen de creatie van waarde en meerwaarde, is onaanvechtbaar.

Wanneer men vaststelt dat, de afgelopen decennia, het aandeel van de diensten in de vorming van het nationaal product overal is gestegen tot bijna 70 %, kan dat alleen verklaard worden door een verschuiving in de toe-eigening van de waarde — per definitie geschapen in de sector van de materiële warenproductie — ten gunste van het inkomen uit diensten en ten nadele van het inkomen uit industrie.

Maar daarnaast stelt men eveneens vast dat tijdens dezelfde periode ook het globaal nationaal product en inkomen, gecorrigeerd voor inflatie, onophoudend is gestegen (enkele “incidents de parcours” zoals in 1993 niet te na gesproken).

Dus ook het inkomen geproduceerd in de industrie is, in absolute termen, blijven stijgen waardoor de globaal te herverdelen waarde tussen inkomen uit industrie en inkomen uit diensten, is blijven toenemen.

Hier stuiten wij op een contradictie. De globale hoeveelheid van de gecreëerde waarde is een directe afgeleide van de hoeveelheid van de arbeidskracht, tewerkgesteld in de industrie. Wij spreken hier wel van waarde en niet van meerwaarde. Immers, het inkomen uit arbeid in de warenproductie komt niet uit de meerwaarde, maar uit de waarde. Alleen het inkomen van de kapitalist zelf vertegenwoordigt een (relatief klein) deel van de meerwaarde.

Nu tonen alle beschikbare cijfergegevens aan dat de tewerkstelling in de warenproductie tijdens die periode lineair en onophoudend is gedaald; niet slechts proportioneel tegenover de diensten, maar ook in absolute cijfers, en dit op een soms spectaculaire wijze. In de landen van de Europese Gemeenschap is het aandeel van de industrie in de totale tewerkstelling gedaald van 40,3 % in 1965 tot 31,2 % in 1991, een vermindering met bijna 1/4. Deze 31,3 procent stemt overeen met nog slechts 19,1 % van de actieve bevolking. Tijdens dezelfde periode steeg het aandeel van de diensten in de tewerkstelling van 43,3 % tot 62,3 %, een groei van bijna 50 %.[10] In de VSA ging de trend in dezelfde richting, alleen was daar de verschuiving nog groter.

Indien er een eenheid is tussen de creatie van waarde en meerwaarde, indien alleen de arbeid in de industrie productief is en dus inkomen creëert, en indien de arbeid gepresteerd in de industrie is gedaald, hoe verklaart men dan deze aanhoudende stijging van het globaal inkomen ? De stijging van de productiviteit is geen antwoord, want bij een gelijk volume van ingezette arbeidskracht blijft de globale waarde van de toegenomen productie eveneens gelijk.

Men is dus verplicht een aantal stellingen, die het hypothetisch kader vormen waarbinnen de marxistische logica sluit als een bus, aan een oneerbiedig kritisch onderzoek te onderwerpen.

5. De kritiek

a. De dominerende positie van het industrieel-kapitalistisch productieproces.

De orthodoxe marxistische analyse gaat uit van de hypothese dat de kapitalistische productiewijze de gehele warenproductie omvat, en dat het kapitalisme de dominerende productiewijze is binnen het geheel van de economie. J. Nagels, in zijn strikte betoogtrant, onderstreept dit uitdrukkelijk.[11]

Anderzijds heeft Marx echter aangetoond dat een historisch dominerende productiewijze slechts verdwijnt nadat, binnen de door haar gedomineerde economie, reeds een nieuwe productiewijze is tot stand gekomen die, in een latere fase, het centrale proces zal worden waardoor de mens zijn bestaan produceert en reproduceert. Ook de kapitalistische industrie en op basis daarvan de gehele kapitalistische economie en samenleving zijn ontstaan en hebben een begin van ontwikkeling gekend “in de schoot zelf” van de agrarisch-feodale economie en maatschappij.

Daaruit volgt — tenzij men de onmarxistische zienswijze verdedigt dat het kapitalisme geen historische productiewijze zou zijn, die niet alleen een begin maar ook een einde moet kennen — dat men de hedendaagse economische realiteit ook moet onderzoeken vanuit de hypothese, dat het kapitalisme niet meer de dominerende productiewijze zou zijn. Zou het niet mogelijk zijn de vastgestelde anomalie te verklaren door het feit dat wij ons precies op een historisch scharnierpunt bevinden waar een nieuwe productiewijze — niet langer gesteund op de industriële warenproductie — bezig is de tot hier toe dominerende kapitalistische productie te verdringen als centraal economisch proces? Vele tekenen wijzen erop dat wij reeds (gedeeltelijk) leven, niet alleen in een post-industriële, maar zelfs in een post-kapitalistische economie.

Indien deze nieuwe hypothese juist zou zijn, vervalt de contradictie die precies voortvloeit uit de noodzakelijke eenheid tussen de productie van waarde en meerwaarde, die Marx terecht erkend heeft in het industrieel-kapitalistisch productieproces.

b. De transformatie van de materie als enige vorm productieve arbeid.

Het marxisme gaat uit van de stelling dat de arbeid, om (gebruiks-) waarden te scheppen, moet gericht zijn op de omvorming van de natuur. Dat lijkt ons evident.

De marxistische hypothese reikt echter verder. Zij stelt dat de arbeid, om productief te zijn, moet “vergegenständlicht” worden, zich moet uitoefenen op een object, een materie. Dit is minder evident.

Waarom de “natuur” beperken tot de levenloze materie (en eventueel ook tot het dierenrijk, sinds de veeteelt een industrieel proces is geworden)? Ook de mens maakt deel uit van de natuur. Hij is tegelijk subject en object van de transformatie van de natuur.

Daaruit volgt dat ook als productief dient beschouwd, de arbeid die gericht is op de verandering van de mens zelf, op zijn omvorming tot een verstandiger, sterker, gezonder, evenwichtiger, sociaal meer gedisciplineerd... enz., organisme dat hem beter geschikt maakt dan de primitieve natuurmens, om deel te nemen aan het collectieve arbeidsproces waardoor hij, als mens, zijn bestaan produceert. De arbeid is niet alleen een proces dat zich voltrekt tussen de mens en de levenloze materie. Het is ook een proces tussen de mens en de mens, de mens en de maatschappij, en de individuele mens in en tegenover zichzelf.

De omvorming van de primitieve natuurmens tot het ontwikkeld en gedisciplineerd sociaal wezen, vereist voor het functioneren van een hoogtechnologische beschaving, heeft honderdduizenden jaren van volgehouden en intense arbeid vereist. En deze inspanning moet, voor een groot deel, door elke generatie opnieuw worden overgedaan om van elk pasgeboren kind een sociaal mens van deze tijd te maken.

Eens dat men de mens zelf als een integraal onderdeel erkent van de door de arbeid te omvormen natuur, worden alle diensten gericht op de ontwikkeling van de menselijke arbeidskracht tot een bruikbaar sociaal productiemiddel, even productief als de activiteit gericht op de omvorming van de levenloze materie tot een volmaakter instrument van materiële productie, of tot een voor consumptie geschikt object. Trouwens, Marx zelf klasseert de arbeidskracht als koopwaar én productiemiddel.

Naarmate het wetenschappelijk en technisch niveau van het productieproces — en dus van de samenleving in haar geheel — toeneemt is steeds meer collectieve arbeid vereist om de mens als individu en de maatschappij als menselijk samenwerkingsverband toe te laten te functioneren op het bereikte niveau van technische ontwikkeling. Naarmate de beschaving vordert, ontstaan voortdurend nieuwe en grotere behoeften aan diensten gericht op de ontwikkeling van de mens zelf en op de beheersing van het menselijk interactieproces.

Arbeidskracht geïnvesteerd in bv. de beoefening van wetenschap, kennis, vaardigheid en kunst, het gehele opvoedingssysteem, de gezondheidszorg en alle lichamelijke en geestelijke verzorgingsactiviteiten, de recreatie en de vrijetijdsbesteding, de sociale relaties, het gehele netwerk van privé-diensten die het maatschappelijk leven vandaag inkaderen en begeleiden, tot en met de eigenlijke overheidsdiensten zelf, dat alles is een sociaal nuttige en noodzakelijke arbeid die beantwoordt aan reële sociale behoeften. Dus productieve arbeid die nieuwe waarden creëert, waarden die in aanmerking komen voor betaling, d.i. voor ruil in monetaire vorm tegen andere diensten of materiële goederen. En die op zichzelf inkomen schept, zonder enige verhouding met de in industrie en landbouw geproduceerde waarde en meerwaarde.

Er is dus een perfect evenwichtige economie mogelijk, gesteund in de eerste plaats op de productie en de ruil van immateriële diensten, naast producten van landbouw en industrie die — in de steeds voortschrijdende technologische innovatie — steeds minder arbeidskrachten vragen.

6. Enkele gevolgtrekkingen

a. De kapitalistische accumulatie in de diensten.

De dienstensector vormt geen homogeen geheel. Een deel ervan situeert zich, geheel of gedeeltelijk, in de sfeer van de circulatie van het kapitaal, hetzij de goederencirculatie, hetzij de geldcirculatie. De klassieke voorbeelden zijn het goederenvervoer en de banken. Doch eens dat men aanvaardt dat alle diensten op zichzelf waarde produceren (steeds op voorwaarde dat de erin geïnvesteerde arbeid sociaal nuttig blijkt), heeft het geen belang meer in elk afzonderlijk geval te onderzoeken of die precieze dienst al dan niet moet worden beschouwd als een (noodzakelijk) onderdeel van het eigenlijke productieproces van materiële goederen, en dus al of niet participeert in de productie van de waarde. Daarmee verdwijnt een van de grootste kopzorgen van de marxistische doctrine, die reeds tonnen inkt deed vloeien.

Anderzijds worden een aantal diensten, die niet of moeilijk te situeren zijn in die sfeer van de circulatie van het kapitaal, toch uitgebaat op kapitalistische basis. Er wordt loonarbeid verricht en een deel van het daar geproduceerde surplusproduct wordt omgezet in meerwaarde, en vormt aldus de basis voor kapitalistische accumulatie. In al deze ondernemingen blijft de band tussen waarde en meerwaarde bestaan.

Het kapitalistisch productieproces bestrijkt dus, in onze tijd, een ruimer veld dan dat van de eigenlijke warenproductie. Het is overigens in essentie niets anders dan een historische vorm van kapitaalaccumulatie. En daarbij is het onverschillig of de sociaal nuttige arbeid, bron van de meerwaarde, geïncorporeerd wordt in een materieel product dan wel in een immateriële dienst.

Toch blijven er, vanuit het oogpunt van de kapitalistische accumulatie, belangrijke verschilpunten bestaan tussen de diensten en de industrie. Eén ervan is de productiviteit. Een individuele ondernemer maakt zich, bij de keuze van zijn investeringsterrein, geen enkele zorg over de grotere of kleinere productie van waarde en zelfs meerwaarde. Hem interesseert uitsluitend de winst, dat deel van de globale meerwaarde, geproduceerd in de kapitalistische sector als geheel, dat hij zich kan toe-eigenen. De winst van de individuele onderneming hangt niet af van de aldaar geproduceerde waarde, of zelfs meerwaarde. Maar wel van de productiviteit van de onderneming, van de hoeveelheid van de koopwaar — goederen of diensten — geproduceerd met een gegeven waarde aan arbeidskracht. Hoe kleiner het aandeel van de arbeidskracht in het totaal van de in de onderneming ingezette productiemiddelen, hoe kleiner de geproduceerde waarde (en meerwaarde, ceteris paribus), maar hoe groter de winst.

Nu is het een feit dat, ondanks alle nieuwe technologieën, de mogelijkheid tot verhoging van de productiviteit in de dienstensector steeds kleiner zal blijven dan in de industrie.

Integendeel, naarmate de technische innovatie voortschrijdt, zal het relatieve productiviteitsverschil tussen industrie en diensten steeds groter worden. Dit alléén reeds zal steeds een rem blijven op de penetratie van de kapitalistische exploitatie in de tertiaire sector. Niettegenstaande deze penetratie zullen de diensten, die zich niet lenen tot een rendabele kapitalistische exploitatie, blijven aangroeien naarmate het globaal maatschappelijk proces een hoger niveau van techniciteit bereikt.

b. De verificatie van het “sociaal nut” van de arbeid in de diensten.

In de marxistische optiek moet de arbeid, om productief te zijn, niet alleen worden geïncorporeerd in een materiële koopwaar. Hij moet bovendien “sociaal nuttig” zijn. Dit sociaal nut wordt geverifieerd “post factum”, op de markt. Vindt de koopwaar geen afzet, dan is het bewijs geleverd dat de erin geïnvesteerde arbeid sociaal nutteloos was.

Hetzelfde principe geldt, in onze optiek, voor de diensten geproduceerd in de kapitalistische sfeer, evenals voor alle diensten geproduceerd buiten deze sfeer, maar toch bestemd voor de markt, o.m. de diensten gepresteerd door het steeds groeiende aantal zelfstandige arbeiders en éénmanszaken in de dienstensector.

Daarnaast zijn er de diensten, geproduceerd door de overheid, ofwel door autonome ondernemingen die door de overheid worden gesubsidieerd. Deze diensten worden ter beschikking gesteld van de verbruiker, ofwel kosteloos, ofwel tegen een prijs die slechts een deel van de reële waarde dekt. Tot die categorie behoren niet alleen alle eigenlijke overheidsdiensten, maar ook een zeer ruime waaier van diensten zoals vervoer en communicatie, onderwijs, gezondheidszorg, cultuur, enz. Ook marxistische auteurs die bereid zijn om de arbeid in de diensten, onder zekere voorwaarden, als productief te beschouwen, trekken hier de lijn. Deze diensten erkennen zij niet als “koopwaar”.

Bij nader toezien blijkt evenwel dat ook voor deze diensten wordt betaald, en dat het dus koopwaren zijn. Zoals president Reagan zei, toen in de VSA het debat begon omtrent de vermindering van de welfare-bestedingen en o.m. over het al dan niet behouden van kosteloze schoolmaaltijden: “There doesn’t exist such a thing as a free meal”. Inderdaad, indien de directe individuele verbruiker er niet voor betaalt, dan wordt die dienst toch betaald door de collectieve verbruiker via zijn belastingsgelden. Het enige verschil is dat de beslissing om een deel van het beschikbaar inkomen aan deze dienst te besteden, het resultaat is van een “a priori” en politiek gearbitreerde beslissing, en niet van een “a posteriori” genomen beslissing door een menigte, los van elkaar staande, individuele verbruikers. Het sociaal nut van de in een dienst geïnvesteerde arbeid wordt, in een gesocialiseerde economie, niet alleen door de markt bepaald, maar ook door rationeel collectief overleg.

Dit is slechts één van de vele manifestaties van het toenemend sociaal karakter van het economisch proces in deze tijd van het ontluikende postkapitalisme.

7. Politieke slotbeschouwing

De tweede helft van deze eeuw zag dus het ontstaan van een nieuwe, historische productiewijze. De volgende eeuw wordt dan die van de strijd tussen de vertegenwoordigers van de nieuwe en die van de oude productiewijze, om de (politieke) heerschappij over de beschikbare (financiële) middelen.

Zoals steeds, behouden de exponenten van de oude productiewijze de politieke macht, nog lang nadat hun voorbijgestreefd systeem in feite reeds opgehouden heeft de drijvende kracht te zijn van het globale, economische en maatschappelijk bestel. De oude productieverhoudingen worden een rem op de ontwikkeling van de nieuwe productiekrachten. Dan breekt een periode aan van economische stagnatie en politieke revolutie.

De oude productiewijze vindt haar voornaamste exponent in de leiders van de multinationale, industrieel-financiële oligopolies. Zij beheersen het politieke terrein : binnen elke natie, in alliantie met de topgroep van de oude bourgeoisie; internationaal, in de nieuwe supranationale instellingen — van het IMF tot het Europa van Maastricht — waar hun neoliberale technocraten alléén de lakens uitdelen. Zij zijn erin geslaagd, met de hervorming van het muntstelsel en de deregulatie van de kapitaalmarkten, alle beschikbare hulpbronnen te kanaliseren naar de ongebreidelde expansie van het mondiaal kapitaal.

Doch precies omdat dit kapitalisme niet meer de centrale economische kracht is, kan de verdere expansie ervan nog slechts geschieden ten koste van de groeimogelijkheden van de nieuwe productiewijze, de diensten. Dit is de economische wetmatigheid die ten grondslag ligt aan de grauwe actualiteit van elke dag : besparingen in de diensten, met zijn onvermijdelijke nasleep van werkloosheid, loonmatiging, afbouw van de sociale zekerheid, politieke chaos en destabilisatie van de maatschappelijke cohesie, wereldwijd.

Wie de exponenten van de nieuwe productiewijze zullen zijn, is nog niet duidelijk. Een nieuwe hegemonische klasse ontwikkelt zich slechts geleidelijk, doorheen de strijd met de oude maatschappelijke krachten om de politieke controle van de economische hefbomen: de kapitaalstromen.

Een voorafbeelding van deze nieuwe klasse zag men reeds, in december 1995, in de straten van Parijs. De arbeiders van de grote openbare diensten — en zij alléén — gingen de strijd aan tegen “de normen van Maastricht”, dus tegen het mondiaal kapitalisme.

Maar het is zeker dat zij niet alleen staan. Voor het eerst in de sociale geschiedenis bleek dat de publieke opinie, het grote “middenveld”, solidair bleef met de nieuwe Franse arbeidersklasse. Het mondiaal kapitalisme bedreigt immers de welvaart en de ontwikkelingsmogelijkheden van brede maatschappelijke geledingen, in alle Westerse landen. Naast de nieuwe arbeidersklasse uit de grote openbare diensten, zijn er ook de nieuwe middenklassen, zelfstandigen en kleine ondernemers, die de laatste decennia zijn gegroeid in de ruimere dienstensector. En zelfs binnen de industrie ontstaat een toenemend belangenconflict tussen de multinationale, hoogtechnologische giganten, en de kleine, meer traditionele industrietakken die gericht zijn op de nationale of continentale markt.

De klassenstrijd zal nieuwe en scherpere vormen aannemen, naarmate de gevolgen van de onoplosbare contradicties zich duidelijker laten voelen en, vooral, beter begrepen worden. Op dit laatste terrein heeft ook de marxistische linkerzijde een belangrijke taak te vervullen.

_______________
[1] Cijfers van Prof. Joh. Witteveen, gewezen directeur-generaal van het IMF, in een gesprek met De Standaard d.d. 25.11.94.
[2] François Chesnais, “La mondialisation du capital”, Syros — Paris 1994, p. 217.
[3] Ludo Cuyvers, “Beschouwingen bij een theorie van het economisch surplus”, VMT 1971, n. 2.
[4] Leo Michielsen, “Neokapitalisme”, Fond. Jacquemotte Brussel, 1969.
[5] Pierre love, “La révolution scientifique en technique et le nouveau rôle des intellectuels”, in Cahiers Marxistes 1969, n. 3.
[6] Jacques Gouverneur, “Les fondements de l’économie capitaliste”, L’Harmattan — Paris, 1995.
[7] Jacques Nagels, ‘Travail Collectif et Travail Productif’, Editions U.L.B., 1979.
[8] J. Nagels, op. cit., p. 254.
[9] J. Nagels, op. cit., p. 238.
[10] Pierre Blaise, Pierre Desmarez en Khalid Sekkat “Le marché du tavail dans la Communauté européenne”, CRISP, Courrier Hebdomadaire 1992, n. 1377-1378.
[11] J. Nagels, op. cit, pp. 238 en 245.