Leon Trotski
Stalin - De man en zijn invloed
Hoofdstuk 7


Het jaar 1917

Dit was het belangrijkste jaar in het leven van het land en van Jozef Djoegasjvili’s generatie van beroepsrevolutionairen. Als een toetssteen toetste dat jaar de ideeën, de partijen, de mensen.

In Petersburg, nu Petrograd genoemd, vond Stalin een stand van zaken die hij niet verwacht had. Het bolsjewisme had de arbeidersbeweging van voor het uitbreken van de oorlog beheerst, vooral in de hoofdstad. Maar in maart 1917 vormden de bolsjewieken in de sovjet een onbetekenende minderheid. Hoe was dat gebeurd? De impressieve massa, die deelgenomen had aan de beweging van 1911-1914, was eigenlijk niet meer dan een fractie van de arbeidersklasse. De revolutie had miljoenen en niet slechts honderdduizenden op de been gebracht. Wegens de mobilisatie bestond bijna veertig procent van deze arbeiders uit nieuwelingen. De ouderen waren aan het front, zij vervulden daar de rol van de revolutionaire gist; hun plaatsen in de fabrieken waren ingenomen door allerlei nieuwelingen van het platteland, door boerenjongens en boerenvrouwen. Deze nieuwelingen moesten dezelfde politieke ervaringen opdoen, hoewel in beknopter vorm, als de voorhoede van de voorafgegane periode. De Februarirevolutie in Petrograd werd geleid door klassebewuste arbeiders, meest bolsjewieken, maar niet door de bolsjewistische partij. De leiding door bolsjewieken van het gemiddelde soort kon aan de opstand de overwinning verschaffen, maar niet de politieke macht aan de partij.

Nog minder veelbelovend was de toestand in de provincies. De golf van vreugdevolle illusies en algemene verbroedering, gecombineerd met de politieke naïveteit van de juist ontwaakte massa’s, bracht de natuurlijke voorwaarden voor het bloeien van het bourgeois-socialisme, het mensjewisme en het populisme, met zich mee. De arbeiders – en ook de soldaten, aangevoerd door hun leiders – kozen voor de sovjet personen die, tenminste met woorden, niet alleen tegen de monarchie maar ook tegen de bourgeoisie waren. De mensjewieken en de populisten, met bijna alle intellectuelen aan hun zijde, beschikten over een ontelbaar aantal agitators, die allemaal de noodzakelijkheid van eenheid, broederschap en dergelijke aantrekkelijke burgerdeugden verkondigden. De sprekers voor het leger waren voor het merendeel sociaal-revolutionairen, de traditionele beschermers van de boerenstand, wat alleen al voldoende was om hun aanzien onder de nieuwbakken proletariërs te versterken. Vandaar dat de overheersing van de compromistenpartijen verzekerd scheen, tenminste in hun eigen ogen.

Het ergste van alles was, dat de gebeurtenissen de bolsjewistische partij in haar slaap overvallen hadden. Geen van haar ervaren en vertrouwde leiders was in Petrograd. Het Bureau van het Centraal Comité bestond daar uit twee arbeiders, Sjljapnikov en Zaloetski, en een schooljongen, Molotov. In het “manifest”, dat zij in naam van het Centraal Comité na de overwinning van februari uitgaven, riepen zij “de arbeiders van ondernemingen en fabrieken en de muitende troepen op, onmiddellijk hun vertegenwoordigers voor de voorlopige revolutionaire regering te kiezen”. De schrijvers van dit “manifest” hechtten echter zelf geen praktische betekenis aan deze oproep. Het was helemaal hun bedoeling niet, een onafhankelijke strijd om de macht te ontketenen. Zij waren integendeel reeds druk bezig zich voor te bereiden op het spelen van de meer bescheiden rol van linkse oppositie, en wel voor vele jaren.

Van het eerste begin af wilden de arbeiders niets weten van de liberale bourgeoisie, die in hun ogen niet verschilde van de adel en de bureaucratie. Het was bijvoorbeeld uitgesloten dat arbeiders of soldaten op een kandidaat van de constitutioneel-democraten zouden stemmen. De macht was geheel in handen van de socialistische compromisten, die het gewapende volk achter zich hadden. Maar door gebrek aan zelfvertrouwen stonden zij hun macht af aan de bourgeoisie. Deze laatste werd door het volk gehaat en stond politiek geïsoleerd. Het regime baseerde zich op een quid pro quo. De arbeiders, en niet alleen de bolsjewieken, beschouwden de Voorlopige Regering als hun vijand. Resoluties, die op het verleggen van de regeringsmacht naar de sovjets aandrongen, werden op fabrieksvergaderingen met bijna algemene stemmen aanvaard. De bolsjewiek Dingelstead, later een slachtoffer van de zuivering, heeft getuigd: “Er was geen enkele vergadering van arbeiders, die geweigerd zou hebben een door ons voorgestelde resolutie te aanvaarden...” Maar onder druk van de compromisten zette het Petrogradse comité van de bolsjewistische partij deze campagne stop. De meest geavanceerde arbeiders deden hun uiterste best om de voogdij aan de top van zich af te werpen, maar zij wisten niet hoe zij de geleerde argumenten over de burgerlijke aard van de revolutie moesten weerleggen. Verschillende meningsschakeringen vertoonden zich in het bolsjewisme zelf, maar de noodzakelijke gevolgtrekkingen uit de verschillende argumenten werden niet gemaakt. De partij verkeerde in een toestand van hopeloze chaos. “Niemand wist wat de leuzen van de bolsjewieken waren,” vertelt de vooraanstaande Saratovse bolsjewiek Antonov in zijn herinneringen. “Het was een buitengewoon onaangenaam schouwspel.”

De tweeëntwintig dagen die verliepen tussen Stalins aankomst uit Siberië [zondag 12/25 maart] en Lenins aankomst uit Zwitserland [maandag 3/16 april] zijn van zeer veel betekenis vanwege het licht dat zij werpen op Stalins politieke aard. Hij was plotseling in een uitgestrekt terrein van actie terechtgekomen. Noch Lenin noch Zinovjev was in Petrograd. Kamenev was er, een Kamenev die gecompromitteerd was door zijn gedrag voor de rechtbank en over het algemeen bekend was om zijn opportunistische neigingen. Er was ook de jonge Sverdlov, nog weinig bekend in de partij en dan nog meer als organisator dan als politicus. De heftige Spandarjan was er niet meer: hij was in Siberië gestorven. Evenals in 1912 was Stalin op dat ogenblik zo niet de enige, dan toch een van de twee leidende bolsjewieken in Petrograd. De uit haar koers geslagen partij verwachtte duidelijke instructies. Het was niet langer mogelijk gevolgen te ontlopen door zich stil te houden. Stalin moest antwoord geven op de meest dringende kwesties: over de sovjets, de regering, de oorlog, het land. Zijn antwoorden werden later gepubliceerd; zij spreken voor zich zelf.

Zo gauw hij Petrograd bereikte, dat in deze dagen één grote massavergadering was, ging Stalin naar het bolsjewistische hoofdkwartier. De drie leden van het Bureau van het Centraal Comité waren bezig, bijgestaan door verscheidene klerken, uit te maken wat de politieke kleur van de Pravda moest zijn. Ofschoon de leiding van de partij in hun handen berustte, gingen zij stuntelig te werk. Stalin liet het aan anderen over hun stemmen schor te praten op arbeiders- en soldatenbijeenkomsten, hijzelf verschanste zich op het hoofdkwartier. Meer dan vier jaren geleden, na de conferentie te Praag, was hij in het Centraal Comité gecoöpteerd. Sinds die tijd was er veel gebeurd. Maar de verbannene uit Koereika had de handigheid vast te blijven houden aan de partijmachine: hij beschouwde zijn oude mandaat als nog geldig. Geholpen door Kamenev en Moeranov ontzette hij eerst het “linkse” Bureau van het Centraal Comité en de redactiestaf van de Pravda uit hun macht. Hij ging nogal onbehouwen te werk, te meer daar hij geen tegenstand te vrezen had en zich haastte te tonen dat hij de baas was.

“De kameraden die kwamen,” schreef Sjljapnikov later, “waren kritisch en negatief in hun houding ten opzichte van ons werk.” Zij hadden geen aanmerkingen op de kleurloosheid en de besluiteloosheid, maar integendeel op hun voortdurende pogingen een lijn te trekken tussen zichzelf en de compromisten. Evenals Kamenev stond Stalin dichter bij de sovjetmeerderheid. De Pravda, overgegaan in handen van een nieuwe redactie, verklaarde reeds op 15 (28) maart, dat de bolsjewieken de Voorlopige Regering vastberaden zouden steunen “in zoverre zij vecht tegen reactie of contrarevolutie”. De paradox van deze verklaring lag in het feit, dat de enige belangrijke agent van de contrarevolutie de Voorlopige Regering zelf was. Stalins standpunt ten opzichte van de oorlog toonde dezelfde moed: zolang het Duitse leger onderdanig bleef aan zijn keizer, zou de Russische soldaat “standvastig op zijn post staan en kogel met kogel, salvo met salvo beantwoorden”. Alsof de keizer het hele probleem van het imperialisme was! Het artikel was van Kamenev, maar Stalin maakte er geen enkele aanmerking op. Als hij in deze dagen in iets van Kamenev verschilde, was het hierin, dat hij meer ontwijkend was. “Ieder defaitisme,” verklaarde de Pravda, “of liever dat wat de omkoopbare pers onder bescherming van de tsaristische censuur met die naam bestempelde, stierf op het ogenblik waarop het eerste revolutionaire regiment in de straten van Petrograd verscheen.” Dat was een rechtstreekse verloochening van Lenin, die buiten het bereik van de tsaristische censuur defaitisme gepredikt had, en tegelijkertijd een herbevestiging van Kamenevs verklaring tijdens het proces tegen de Doemafractie. Maar nu zette ook Stalin als het ware zijn handtekening er onder. Wat “het eerste revolutionaire regiment” betrof, al wat de verschijning daarvan betekende, was een stap van Byzantijns barbarisme naar imperialistische beschaving.

“De dag waarop de omgevormde Pravda verscheen...” vertelt Sjljapnikov, “was een dag van triomf voor de defensisten. Het gehele Tauridepaleis, van de zakenlieden van het Doemacomité tot het Uitvoerend Comité, het eigenlijke hart van de revolutionaire democratie, gonsde door slechts één nieuwtje: de zege van de gematigde en verstandige bolsjewieken over de extremisten. In het Uitvoerend Comité werden wij begroet met hatelijke glimlachjes... Toen dat nummer van Pravda de fabrieken bereikte, schiep het verwarring en verontwaardiging onder onze partijleden en de met ons sympathiserenden, boosaardige voldaanheid onder onze tegenstanders... De verontwaardiging in de buitendistricten was verbazingwekkend, en toen de proletariërs er achter kwamen dat de Pravda op sleeptouw was genomen door drie van zijn vroegere redacteuren, die kortgeleden uit Siberië teruggekomen waren, eisten zij de uitstoting van dezen uit de partij.”

Sjljapnikovs mededeling werd door hem in 1925 wat herzien en verzacht op aandringen van Stalin, Kamenev en Zinovjev, het driemanschap dat toen de partij regeerde. Toch belicht zij duidelijk Stalins eerste stappen in het strijdperk van de revolutie en de reactie daarop van de klassebewuste arbeiders. Het scherpe protest van de Viborgieten, dat de Pravda spoedig daarna in haar eigen kolommen moest opnemen, dwong de redactie er toe, voortaan haar opinies wat voorzichtiger te formuleren, maar kon haar politiek niet veranderen.

De sovjetpolitiek bestond voor het grootste gedeelte uit compromissen en draaierij. De grote massa had bovenal gebrek aan iemand die zwart ook werkelijk zwart noemde; dat is de inhoud en de kern van een revolutionaire politiek. Maar iedereen schrok daarvoor terug, uit angst de zwakke structuur van de tweeledige macht te doen uiteenvallen.

De grootste hoeveelheid onwaarheden hoopte zich op om de oorlog. Op 14 [27] maart stelde het Uitvoerend Comité de sovjet voor, het manifest “Aan de Volkeren der Wereld” uit te vaardigen. Dit geschrift riep de arbeiders van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije op te weigeren, “nog langer te dienen als een stuk gereedschap voor verovering en geweld in de handen van koningen, grondeigenaars en bankiers”. Maar de sovjetleiders zelf waren volstrekt niet van plan te breken met de koningen van Groot-Brittannië en België, de keizer van Japan of de bankiers en grondeigenaars, niet die van hun eigen land noch die van de geallieerde landen. De krant van de minister van Buitenlandse Zaken Miljoekov constateerde met voldoening, “dat de oproep leidt tot een ideologie, die door ons en onze bondgenoten onderschreven wordt”. Dat was geheel juist – en geheel in de geest van de Franse socialistische ministers sinds het uitbreken van de oorlog. In praktisch dezelfde uren schreef Lenin via Stockholm naar Petrograd, dat de revolutie bedreigd werd door het gevaar dat de oude imperialistische politiek gecamoufleerd werd achter nieuwe revolutionaire frasen. “Ik zal liever met iedereen in de partij breken dan toegeven aan sociaalpatriottisme...” Maar in die dagen hadden Lenins denkbeelden geen enkele voorvechter.

Behalve dat het een overwinning was van de imperialist Miljoekov over de kleinburgerlijke democraten, betekende de eenstemmige aanvaarding van het manifest door de Petrogradse sovjet de triomf van Stalin en Kamenev over de bolsjewieken van de linkervleugel. Allen bogen het hoofd voor de discipline van de patriottische schijnheiligheid. “Wij verwelkomen met ons gehele hart,” schreef Stalin in de Pravda, “de oproep van de sovjet van gisteren... Deze oproep zal, als hij de brede massa’s bereikt, ongetwijfeld honderden en duizenden arbeiders terugbrengen naar de vergeten leuze: Arbeiders van de wereld, verenigt U!” Er was werkelijk geen gebrek aan dergelijke oproepen in het westen, en alles wat zij uitrichtten was, de heersende klassen te helpen de luchtspiegeling van een oorlog voor de democratie te bewaren.

Stalins artikel over het manifest laat niet alleen duidelijk zien, hoe hij tegenover dit punt stond, maar het belicht ook zijn denkwijze in het algemeen. Zijn aangeboren opportunisme, door tijd en omstandigheden gedwongen tijdelijk schuil te gaan achter abstracte revolutionaire principes, maakte korte metten met deze principes, toen het op gevolgtrekkingen aankwam. Hij begon zijn artikel met een bijna letterlijke overname van Lenins argumentatie, dat zelfs na het omverwerpen van het tsaristisch regime Ruslands deelneming aan de oorlog imperialistisch zou blijven. Maar toen het er op aan kwam zijn praktische gevolgtrekkingen te maken, verwelkomde hij niettemin het sociaalpatriottisch manifest in voor tweeërlei uitleg vatbare bewoordingen, maar hij verwierp, in de lijn van Kamenev, de revolutionaire mobilisering van de massa’s tegen de oorlog. “Op de eerste plaats,” schreef hij, “is het niet te ontkennen dat de blote leuze ‘Weg met de oorlog!’ als praktische oplossing volkomen onaanvaardbaar is...” En de oplossing die hij voorstelde was: “Druk op de Voorlopige Regering met de eis dat zij zich onmiddellijk bereid verklaart vredesonderhandelingen te openen...” Met behulp van vriendelijke “druk” op de bourgeoisie, voor wie verovering het enige doel van de oorlog was, wilde Stalin de vrede bewerkstelligen “op grondslag van het zelfbeschikkingsrecht der naties”. Sedert het begin van de oorlog had Lenin juist zijn felste aanvallen gericht tegen dergelijke bekrompen utopieën. Geen enkele “druk”, hoe sterk ook, kan de bourgeoisie doen ophouden de bourgeoisie te zijn; zij moet omvergeworpen worden. Maar Stalin deinsde voor deze conclusie terug, louter uit vrees – precies zoals de compromisten.

Niet minder belangrijk was Stalins artikel “Over de Afschaffing van Nationale Beperkingen” [in de Pravda van 7 april (25 maart) 1917]. Zijn grondidee, dat hij uit propagandistische pamfletten uit zijn seminariumjaren in Tbilisi gehaald had, hield in, dat nationale onderdrukking een overblijfsel uit de middeleeuwen was. Het imperialisme te zien als een overheersing van zwakke naties door sterke was een gedachte, die ver buiten zijn gezichtskring lag. “De sociale basis van nationale onderdrukking,” schreef hij, “de macht die de onderdrukking inspireert, is de degenererende landbezittende aristocratie... In Engeland, waar de landbezittende aristocratie haar macht deelt met de bourgeoisie ... is de nationale onderdrukking milder, minder onmenselijk, mits wij natuurlijk niet de overweging in overweging nemen, dat de nationale onderdrukking tijdens de oorlog, toen de macht in handen van de landlords overging, aanmerkelijk toenam (vervolging van de Ieren, de Hindoes).” De onzinnige beweringen waarvan dit artikel vol is – dat gelijkheid van ras en nationaliteit in de democratie verzekerd zou zijn, dat in Engeland tijdens de oorlog de macht in handen van de landlords was overgegaan, dat de omverwerping van de feodale aristocratie de afschaffing van nationale onderdrukking zou betekenen zijn doortrokken van een geest van vulgair democratisme en bekrompen domheid. Geen woord over het feit dat het imperialisme verantwoordelijk was voor de nationale onderdrukking op een schaal waartoe het feodalisme met geen mogelijkheid in staat was, al was het alleen maar door zijn indolent provinciaal karakter. Theoretisch was Stalin sinds het begin van de eeuw geen stap vooruit gegaan; hij scheen zelfs zijn eigen werk over de nationale kwestie, dat hij in 1913 onder Lenins leiding geschreven had, volkomen vergeten te zijn.

“Voor zover de Russische revolutie heeft overwonnen,” besloot hij zijn artikel, “heeft ze reeds werkelijke voorwaarden [voor nationale vrijheid] geschapen door de heerschappij van feodalisme en lijfeigenschap te vernietigen...” Wat onze schrijver betrof was de revolutie reeds iets dat volkomen tot het verleden behoorde. Aan de orde waren, geheel in de geest van Miljoekov en Tsereteli, “het uitvaardigen van wetten” en “het bekrachtigen van hun bepalingen”. Toch was niet alleen de kapitalistische uitbuiting, aan welker omverwerping Stalin zelfs niet gedacht had, maar ook het landbezit van de landadel, iets wat hij zelf de basis van nationale onderdrukking had genoemd, nog onaangetast. De regering was in handen van Russische grootgrondbezitters zoals Rodzianko en vorst Lvov. Dát was – het is nu nauwelijks te geloven! – Stalins historische en politieke kijk nauwelijks tien dagen voordat Lenin de koers naar de socialistische revolutie zou afkondigen.

De Al-Russische Conferentie van Bolsjewieken, belegd door het Centraal Comité, werd geopend in Petrograd op 28 maart, tegelijk met de conferentie van afgevaardigden van Ruslands belangrijkste sovjets. Ofschoon er reeds een volle maand sinds de revolutie voorbijgegaan was, was de partij nog in de weeën van een volslagen verwarring, die door de leiding van de laatste twee weken nog was vergroot. De verschillende politieke stromingen hadden zich nog niet duidelijk kenbaar gemaakt. In ballingschap was dat indertijd gebeurd door de aankomst van Spandarjan; nu moest de partij wachten op de aankomst van Lenin. Verwoede chauvinisten, zoals Voitinski en Eli’ava bijvoorbeeld, bleven zich bolsjewieken noemen en namen deel aan de partijconferentie tezamen met mensen, die zich internationalisten noemden. De patriotten kwamen veel duidelijker en vrijmoediger voor hun gevoelens uit dan de semi-patriotten, die steeds maar bakzeil haalden en zich verontschuldigden. Daar de meerderheid van de afgevaardigden behoorde tot het Moeras [personen met onbestendige meningen, die de gulden middenweg bewandelden], was Stalin hun aangewezen woordvoerder. “De gevoelens van ons allen omtrent de Voorlopige Regering zijn dezelfde,” zei de Saratovse afgevaardigde Vassiljev. “Wat praktische maatregelen betreft zijn er geen verschillen tussen Stalin en Voitinski,” stemde Krestinski met genoegen in. Precies één dag daarna sloot Voitinski zich bij de mensjewieken aan en zeven maanden later voerde hij een Kozakkendetachement aan in de strijd tegen de bolsjewieken.

Het schijnt dat Kamenevs houding tijdens het proces nog niet vergeten was. Het is mogelijk dat er door de afgevaardigden onder elkaar ook gepraat werd over het geheimzinnige telegram aan de groothertog. Misschien gaf Stalin zich de moeite, anderen aan deze vergissingen van zijn vriend te herinneren. In ieder geval was het niet Kamenev, maar de veel minder bekende Stalin, die opdracht kreeg het voornaamste politieke rapport op te stellen over de politiek ten opzichte van de Voorlopige Regering. Het protocolexemplaar van dat rapport is bewaard gebleven; het is een onschatbaar document voor geschiedkundigen en levensbeschrijvers. Het onderwerp er van was het voornaamste probleem van de revolutie: de betrekkingen tussen de sovjets, rechtstreeks gesteund door de gewapende arbeiders en soldaten, en de bourgeoisregering, die alleen bestond bij de gratie van de sovjetleiders. “De regering,” zei Stalin onder andere, “is gesplitst in twee organen, die geen van twee de volledige heerschappij bezitten... De sovjet heeft inderdaad het initiatief tot revolutionaire veranderingen genomen; de sovjet is de enige revolutionaire leider van het oproerige volk; hij is het orgaan dat de Voorlopige Regering controleert. De Voorlopige Regering heeft zich tot taak gesteld datgene werkelijk te beveiligen, wat het revolutionaire volk zich heeft verworven. De sovjet mobiliseert de krachten en oefent controle uit, terwijl de Voorlopige Regering aarzelend en stuntelig op zich heeft genomen de rol van pleiter voor de rechten van het volk, hoewel het volk zich die rechten reeds heeft verschaft.” Dit uittreksel weegt op tegen een heel programma!

De rapporteur stelde de verhouding tussen de twee grondklassen van de maatschappij voor als een verdeling van arbeid tussen twee “organen”. De sovjets, dat wil dus zeggen de arbeiders en de soldaten, maken de revolutie; de regering, dat wil dus zeggen de kapitalisten en de liberale landadel, “beveiligen” die. In de jaren 1905-1907 schreef Stalin telkens en telkens weer, Lenin napratend: “De Russische bourgeoisie is tegen de revolutie; zij kan niet de stuwkracht, laat staan de leider van de revolutie zijn; zij is de gezworen vijand van de revolutie, en een taaie strijd moet tegen haar gestreden worden.” Het verloop van de Februarirevolutie had aan dit leidende politieke standpunt van het bolsjewisme niet het minste veranderd. Miljoekov, de leider van de liberale bourgeoisie, zei op de conferentie van zijn partij een paar dagen voor de opstand: “Wij wandelen op een vulkaan... Hoe ook de aard van de regering zij – of het nu goed is of slecht – wij hebben een sterke regering nodig, nu meer dan ooit.” Toen de opstand begon, ondanks de tegenwerking van de bourgeoisie, hadden de liberalen niets anders te doen dan zich op de door die opstand bereide grond te plaatsen. Het was niemand anders dan Miljoekov, die, nadat hij gisteren nog verklaard had dat een Raspoetinische monarchie beter was dan een vulkanische uitbarsting, nu aan het hoofd stond van de Voorlopige Regering, die, volgens Stalin, verondersteld werd de veroveringen van de revolutie te beveiligen, maar die in werkelijkheid haar uiterste best deed de revolutie de kop in te drukken. Voor de oproerige massa’s betekende de revolutie de afschaffing van de oude bezitsvormen, en juist die waren het, die de Voorlopige Regering verdedigde. Stalin stelde de onverzoenlijke klassenstrijd, die zich, alle inspanning van de compromisten ten spijt, van dag tot dag meer toespitste tot een burgeroorlog, als alleen maar een verdeling van werk tussen twee politieke machines voor. Zelfs Martov, van de linkervleugel van de mensjewisten, zou het niet zo geformuleerd hebben! Dit was zuiver de theorie van Tsereteli – en Tsereteli was het orakel van de compromisten – in haar meest platte vorm: “gematigde” en meer “vastberaden” krachten treden op in een arena, genoemd “democratie”, en verdelen de rollen onderling, de ene “veroverend” en de ander “beveiligend”. Hier ligt klaargemaakt vóór ons de formule van de toekomstige stalinistische politiek in China (1924-1927), in Spanje (1934-1939) zowel als van al zijn onder een slecht gesternte staande “volksfronten”.

“Het is niet voordelig voor ons, de loop der gebeurtenissen nu te forceren,” vervolgde de rapporteur, “de afscheiding van de burgerlijke lagen te verhaasten... Wij moeten tijd winnen door de afscheiding van de middenlagen van de bourgeoisie tegen te houden, teneinde ons gereed te kunnen maken voor de strijd tegen de Voorlopige Regering.” De afgevaardigden luisterden naar deze argumenten met een vaag argwaan. “Schrik de bourgeoisie niet af,” was altijd Plechanovs leuze geweest, en in de Kaukasus die van Jordania. Het bolsjewisme was rijp geworden in felle strijd met deze gedachtegang. Het is onmogelijk de “afscheiding” van de bourgeoisie “tegen te houden” zonder tegelijk de proletarische klassestrijd tegen te houden; het zijn eigenlijk slechts twee aspecten van hetzelfde proces. “Het gepraat over het niet afschrikken van de bourgeoisie...” had Stalin zelf in 1913 geschreven, kort voor zijn arrestatie, “verwekte slechts een glimlach, omdat het duidelijk was dat de taak van de sociaaldemocratie er niet uit bestond, die bourgeoisie ‘af te schrikken’, maar ze te verjagen in de persoon van haar advocaten, de constitutioneel-democraten.” Het is moeilijk te begrijpen hoe een oude bolsjewiek zó de veertien jaar oude geschiedenis van zijn factie kon vergeten, dat hij op het meest kritieke moment gebruik maakte van de meest afschuwelijke mensjewistische formules. De verklaring daarvoor is te vinden in Stalins denkwijze: hij is niet ontvankelijk voor algemene denkbeelden, en zijn geheugen houdt die niet vast. Hij gebruikte ze van tijd tot tijd, wanneer hij ze nodig heeft, en werpt ze opzij zonder wroeging, bijna werktuigelijk. In zijn artikel van 1913 doelde hij op de verkiezingen voor de Doema. De bourgeoisie “verjagen” betekende alleen de liberalen mandaten ontnemen. In dit rapport echter doelde hij op de revolutionaire omverwerping van de bourgeoisie. Dat was een taak, die Stalin naar een verre toekomst verwees. Voor het ogenblik achtte hij het, net als de mensjewieken, noodzakelijk, de bourgeoisie “niet af te schrikken”.

Na voorlezing van de resolutie van het Centraal Comité, die hij zelf had helpen opstellen, verklaarde Stalin nogal onverwacht, dat hij het er niet volledig mee eens was en liever de resolutie wilde steunen, die ingediend was door de Krasnojarskse sovjet. ‘De geheime betekenis van deze manoeuvre is niet duidelijk. Misschien heeft Stalin op zijn reis uit Siberië meegewerkt aan het opstellen van de resolutie van de Krasnojarskse sovjet. Misschien heeft hij gedacht, na de houding van de afgevaardigden gepeild te hebben, dat hij zich beter een beetje van Kamenev terug kon trekken. De Krasnojarskse resolutie was echter van nog slechter kwaliteit dan het Petersburgse document: “...volkomen duidelijk te maken, dat de enige bron voor de macht en het gezag van de Voorlopige Regering was de volkswil, waaraan de Voorlopige Regering zich volkomen onderwerpen moet, en de Voorlopige Regering te ondersteunen ... alleen voor zover zij volgt de koers van het volledig bevredigen van de eisen der arbeidersklasse en de revolutionaire boerenstand.” Het uit Siberië meegebrachte geneesmiddel bleek dus heel eenvoudig te zijn: de Voorlopige Regering “moet zich volkomen onderwerpen” aan het volk en “de koers volgen” van de arbeiders en de boeren. Enige weken later zou de formule van het ondersteunen der bourgeoisie “voor zover” onder de bolsjewieken het voorwerp van algemene bespotting vormen. Maar verscheidene afgevaardigden protesteerden reeds nu tegen ondersteuning van de regering van vorst Lvov; het hele denkbeeld druiste immers lijnrecht in tegen de hele traditie van het bolsjewisme. De volgende dag was de sociaaldemocraat Steklov, zelf een aanhanger van de “voor zover”-formule en als lid van de contactcommissie veel in aanraking met regeringskringen komend, zo onvoorzichtig op de conferentie van de sovjets zulk een treurig beeld van de werkelijke handelingen van de regering te geven – tegenstand tegen sociale hervormingen, inspanning ten gunste van de monarchie en annexaties – dat de conferentie van bolsjewieken zich ontsteld terugtrok van de formule tot steun. “Het is nu duidelijk,” zo drukte de gematigde afgevaardigde Nogin zijn eigen gevoelens en die van vele anderen uit, “dat wij het niet over steun moeten hebben maar over een tegenactie.” De afgevaardigde van de linkervleugel Skrypnik drukte dezelfde gedachte uit: “Veel is er veranderd sinds Stalins rapport van gisteren... De Voorlopige Regering smeedt plannen tegen het volk en tegen de revolutie ... maar de resolutie spreekt over steun.” De beteuterde Stalin, wiens waardering van de toestand zelfs de toets van vierentwintig uur tijds niet had kunnen doorstaan, ging er toe over “het comité opdracht te geven de clausule over steun te veranderen”. Maar de conferentie deed beter: “Met een meerderheid tegen vier werd besloten de clausule over steun uit de resolutie te schrappen.”

Men zou kunnen denken dat van toen af het gehele schema van de rapporteur omtrent de verdeling van arbeid tussen het proletariaat en de bourgeoisie aan de vergetelheid prijsgegeven werd. In feite werd de frase alleen geschrapt uit de resolutie, niet uit de gedachte. De vrees voor “het afschrikken van de bourgeoisie” bleef. In wezen was de resolutie een tot de Voorlopige Regering gerichte aansporing om “de meest energieke strijd te voeren voor de totale liquidatie van het oude regime” op een ogenblik dat zij druk bezig was “de meest energieke strijd” te voeren voor het herstel van de monarchie. De conferentie durfde niet verder gaan dan een vriendelijke druk op de liberalen. Over een onafhankelijke strijd voor het veroveren van de macht werd niet gesproken, al was het alleen maar om niet van ondemocratische gezindheid beschuldigd te worden. Alsof hij de werkelijke geest, die achter de aangenomen resoluties zat, in het onheilspellendste licht wilde zetten, verklaarde Kamenev op de conferentie van sovjets, die gelijktijdig gehouden werd, dat hij wat de kwestie van de macht betrof “blij” was de stem van de bolsjewieken te kunnen geven aan de officiële resolutie, die voorgesteld en onder de doop gehouden was door de rechtse mensjewiekenleider Dan. In het licht van deze feiten moet de splitsing van 1903, blijvend gemaakt door de Praagse conferentie van 1913, een puur misverstand geleken hebben.

Vandaar ook dat het geen toeval was dat de zitting van de bolsjewiekenconferentie van de volgende dag het voorstel van de rechtse mensjewiekenleider Tsereteli, om de twee partijen samen te voegen, in overweging nam. Stalin gaf blijk van veel sympathie: “Wij behoren dit te doen. Het is nodig dat wij onze voorstellen over de voorwaarden van de samenvoeging formuleren. Samenvoeging is mogelijk langs de lijn van Zimmerwald-Kienthal.” Hiermee doelde hij op de “lijn” van twee socialistische conferenties in Zwitserland, op welke conferenties gematigde pacifisten het overwicht hadden gehad. Molotov, die twee weken geleden nog voor zijn linkse houding was gestraft, kwam met aarzelende tegenwerpingen aandragen: “Tsereteli wil uiteenlopende elementen samenvoegen... Eenheid langs die weg is verkeerd...” Resoluter was het protest van Zaloetski: “Slechts een bekrompen burger kan gedreven worden door het blote verlangen naar eenheid, niet een sociaaldemocraat... Het is onmogelijk op grondslag van een oppervlakkige overeenstemming met Zimmerwald-Kienthal samen te gaan... Er moet een vast plan worden opgesteld.” Maar Stalin, die hier een bekrompen burger genoemd werd, greep naar de wapens: “Wij moeten niet vooruitlopen en onenigheden veronderstellen die er nog niet zijn. Partijleven is onmogelijk zonder onenigheden. Wij zullen in de partij dergelijke kleine onenigheden zelf te boven komen.” Men kan zijn ogen nauwelijks geloven: Stalin noemde de geschillen met Tsereteli, de bezieler van het heersende sovjetblok, kleine onenigheden, die men “te boven kon komen” in de partij. De discussie had plaats op 1 april (14 april, o.s.). Drie dagen later zou Lenin aan Tsereteli de oorlog op leven en dood verklaren. Twee maanden later zou Tsereteli bolsjewieken ontwapenen en arresteren.

De conferentie van maart 1917 is buitengewoon belangrijk voor het inzicht in de geestesgesteldheid van de leidende leden van de bolsjewistische partij onmiddellijk na de Februarirevolutie, en vooral die van Stalin na zijn terugkomst uit Siberië, waar hij immers vier jaar op zijn eigen gedachten aangewezen was geweest. Hij komt uit de sobere kroniek van de notulen naar voren als een plebejisch democraat en sullig provinciaal, die door de richting van de tijden gedwongen is geworden een marxistisch tintje aan te nemen. Zijn artikelen en redevoeringen van deze weken werpen een volkomen helder licht op zijn standpunt tijdens de oorlogsjaren: als hij tijdens zijn verblijf in Siberië Lenins denkbeelden ook maar enigszins nader gekomen was, zoals herinneringen, die twintig jaar later geschreven werden, zeggen, zou hij niet zo hopeloos in het moeras van opportunisme zijn vastgeraakt als in maart 1917. De afwezigheid van Lenin en de aanwezigheid van Kamenev maakten het Stalin bij het uitbreken van de revolutie mogelijk te tonen wat hij eigenlijk was; zijn het diepst gewortelde eigenschappen kwamen aan het licht: wantrouwen tegen de massa, volkomen gebrek aan voorstellingsvermogen, kortzichtigheid, een voorkeur voor de weg van de minste weerstand. Deze karaktertrekken bleven zich ook openbaren in later jaren, telkens wanneer Stalin gelegenheid had een belangrijke rol te spelen in belangrijke ontwikkelingen. Dat is de reden waarom de maartconferentie, waarop Stalin zich zo als politicus deed kennen, heden ten dage uit de geschiedenis van de partij geschrapt is en de verslagen van die conferentie zo veilig achter slot en grendel worden gehouden. In 1923 werden in het geheim drie kopieën gemaakt voor de leden van het “driemanschap”: Stalin, Zinovjev en Kamenev. Eerst in 1926, toen Zinovjev en Kamenev zich bij de oppositie tegen Stalin voegden, wist ik van hen dit merkwaardige document te verkrijgen, hetgeen mij in staat stelde het in het buitenland in het Russisch en in het Engels uit te geven.

Maar ten slotte verschilt dit verslag in geen enkel belangrijk opzicht van zijn artikelen in de Pravda, doch het ondersteunt deze slechts. Geen enkele verklaring, geen enkel voorstel of protest, waarin Stalin meer of minder duidelijk het standpunt van de bolsjewieken stelde tegenover dat van de kleine burgerlijke democraten, is uit die dagen tot ons gekomen. Een ooggetuige van die tijden, de linkervleugel-mensjewiek Soechanov – schrijver van het reeds genoemde manifest “Aan de Arbeiders van de Wereld” – schrijft in zijn waardevolle “Aantekeningen op de Revolutie”: “Behalve Kamenev hadden de bolsjewieken toen Stalin in het Uitvoerend Comité... Tijdens zijn zittingsperiode ... maakte [hij] – en niet alleen op mij – de indruk van een grijze vlek, die slechts zo nu en dan eens vaag zichtbaar werd en geen spoor achterliet. Er valt verder werkelijk niets méér over hem te zeggen.” Voor deze beschrijving, die inderdaad een beetje eenzijdig is, moest Soechanov later met zijn leven boeten.

Op 3 [16] april, na een reis door een oorlogvoerend Duitsland, overschreden Lenin, Kroepskaja, Zinovjev en anderen de Finse grens en kwamen zij in Petrograd aan... Een groep bolsjewieken onder leiding van Kamenev was naar Finland gegaan om Lenin daar te ontmoeten. Stalin was er niet bij, en dat kleine feit toont duidelijker dan wat dan ook aan, dat er niets wat ook maar in de verste verte leek op persoonlijke intimiteit bestond tussen hem en Lenin. “Hetzelfde moment waarop Vladimir Iljitsj de koets instapte en ging zitten,” vertelt Raskolnikov, een officier van de vloot en latere Sovjetdiplomaat, “begon hij al tegen Kamenev: ‘Wat hebben jullie in hemelsnaam in de Pravda geschreven? Wij hebben verscheidene nummers gezien en waren erg boos op jullie...’.” In de jaren dat hij met Lenin samengewerkt had was Kamenev wel aan zulke koude stortbaden gewend geraakt. Zij weerhielden hem er niet van, van Lenin te houden, hem zelfs te vereren; hij hield van alles wat Lenin betrof: zijn :hartstochtelijkheid, zijn diepte, zijn eenvoud, zijn geestigheden, om welke Kamenev al lachte voor zij waren gezegd, en zijn handschrift, dat hij onwillekeurig nabootste. Vele jaren later herinnerde zich iemand, dat Lenin onderweg naar Stalin had gevraagd. Dit logische feit (Lenin heeft ongetwijfeld naar alle leden van de oude bolsjewistische staf gevraagd) werd later het uitgangspunt van een scenario voor een Sovjetfilm.

Een oplettend en nauwgezet verslaggever van de revolutie schreef het volgende over Lenins eerste verschijning voor de vergaderde bolsjewieken: “Ik zal nooit die redevoering vergeten, die als een donderslag bij heldere hemel niet alleen mij trof en verwonderde, een ketter, die toevallig naar binnen gewandeld was, maar ook alle gelovigen. Stellig verwachtte niemand zoiets.”

Het ging hier niet om de oratorische donderslag, waarmee Lenin aankwam, maar om zijn hele gedachtegang. “Wij willen geen parlementaire republiek, wij willen geen burgerlijke democratie, wij willen geen andere regering dan de Sovjet van Arbeiders-, Soldaten- en Boerenafgevaardigden!” In de coalitie van de socialisten met de liberale bourgeoisie – dat wil zeggen in het “volksfront” van die dagen – zag Lenin niets dan verraad aan het volk. Hij dreef de spot met de modefrase “revolutionaire democratie”, die arbeiders en kleine bourgeoisie, populisten, mensjewieken en bolsjewieken tezamen bond. De compromistenpartijen, die in de sovjets de baas speelden, waren voor hem geen bondgenoten maar onverzoenlijke vijanden. “Dat alleen al,” merkte Soechanov op, “was in die dagen voldoende om de hoofden van de toehoorders te doen duizelen.”

De partij was even weinig voorbereid op Lenin als zij geweest was op de Februarirevolutie. Alle criteria, leuzen en slagzinnen, die gedurende vijf weken van revolutie dienst hadden gedaan, waren ineens van nul en generlei waarde geworden. “Vastberaden viel hij de tactiek aan van de leidende partijgroepen en van de afzonderlijke kameraden, die voor zijn komst de leiding hadden gehad,” schreef Raskolnikov, daarbij in de eerste plaats doelend op Stalin en Kamenev. “De meeste verantwoordelijke partijwerkers waren aanwezig. Zelfs voor hen was Lenins redevoering iets volkomen nieuws.” Er volgde geen discussie. Allen waren daarvoor te verbaasd. Niemand wilde zich blootstellen aan de slagen van deze desperate leider, maar in de hoeken fluisterden zij onder elkaar, dat Iljitsj te lang in het buitenland geweest was, dat hij de voeling met Rusland verloren had, dat hij de toestand niet begreep en, nog erger, dat hij naar het standpunt van het trotskisme was overgegaan. Stalin, de rapporteur van gisteren op de partijconferentie, hield zich koest. Hij besefte dat hij een vreselijke fout gemaakt had, veel erger dan indertijd op het congres te Stockholm, toen hij de landverdeling had verdedigd, of een jaar later, toen hij een tijdlang boycotist was geweest. Het was inderdaad het beste, voorlopig niet te laten merken dat hij er was. Niemand gaf er iets om, Stalins mening over de kwestie te vernemen. En als gevolg daarvan kon niemand zich bij het schrijven van memoires later herinneren wat Stalin deed tijdens de volgende weken.

Intussen deed Lenin wèl wat: hij bekeek de toestand met zijn scherpe ogen, kwelde zijn vrienden met vragen, polste de arbeiders. De volgende dag reeds bood hij de partij een kort overzicht van zijn zienswijzen aan. Dit zou later blijken het belangrijkste document van de revolutie te zijn en het werd bekend als “De Stellingen van de Vierde April”. Lenin was er niet alleen niet bang voor, de liberalen “af te schrikken”, maar ook niet de leden van het bolsjewistische Centraal Comité. Hij speelde geen verstoppertje met de pretentieuze leiders van de bolsjewistische partij. Hij legde de logica van een klassenoorlog bloot. De laffe en eigenlijk nietszeggende formule “voor zover” verwierp hij en in de plaats daarvan stelde hij de partij voor het feit, dat het haar taak was de regering over te nemen. Maar op de allereerste plaats was het noodzakelijk te weten wie nu eigenlijk de vijand was. De Zwarte Honderd-monarchisten, weggedoken in hun schuilplaatsen en schuilhoeken, waren van geen belang. De leiding van de burgerlijke contrarevolutie was in handen van het centrale comité van de constitutioneel-democraten en van de Voorlopige Regering, die onder hun invloed stond. Maar deze laatste bestond slechts bij de gratie van de sociaaldemocraten en de mensjewieken, die op hun beurt weer zich slechts konden handhaven door de lichtgelovigheid van de massa. Onder deze omstandigheden was er van het gebruik van revolutionair geweld geen sprake. Eerst moest de massa worden gewonnen. In plaats van zich te verenigen en te verbroederen met de populisten en de mensjewieken was het nodig hen voor de arbeiders, soldaten en boeren aan de kaak te stellen als agenten van de bourgeoisie. “De werkelijke regering is de sovjet van arbeidersafgevaardigden... Onze partij vormt een minderheid in de sovjet... Daar is niets aan te doen! Het is aan ons hun uit te leggen – geduldig, vasthoudend, stelselmatig – dat hun tactiek verkeerd is. Zolang wij een minderheid vormen is het onze taak kritiek uit te oefenen, om daardoor de massa de ogen te openen.” Iedere zin in dit programma was eenvoudig en vertrouwenwekkend, en iedere spijker was op de kop geslagen. Deze stellingen droegen slechts één ondertekening: “Lenin”. Noch het Centraal Comité van de partij, noch de redactie van de Pravda zouden een dergelijk heftig geschrift hebben ondertekend.

Op diezelfde vierde april verscheen Lenin voor dezelfde partijconferentie waarvoor Stalin zijn theorie over de vreedzame verdeling van arbeid tussen de Voorlopige Regering en de sovjets had ontvouwd. Het contrast was té fel. Om het wat te verzachten onderwierp Lenin de aangenomen resoluties tegen zijn gewoonte niet aan een nadere ontleding, maar hij keerde ze eenvoudig de rug toe. Hij bracht de conferentie op een veel hoger plan. Hij dwong haar, nieuwe perspectieven te zien, perspectieven waar de noodhulpleiders nooit aan gedacht hadden. “Waarom hebben jullie je niet van de macht meester gemaakt?” vroeg de nieuwe rapporteur, en hij begon de gangbare uitleggingen daarvoor op te sommen: de revolutie was vermoedelijk burgerlijk, zij was nog pas in haar beginstadium, de oorlog schiep onvoorziene omstandigheden, en zo meer. “Dat is allemaal onzin. De kwestie is, dat het proletariaat niet genoeg zelfbewust en niet voldoende georganiseerd is. Dat moet nu eenmaal worden toegegeven. De materiële macht is in handen van het proletariaat, maar de bourgeoisie is klaarwakker en gereed.” Lenin haalde de kwestie uit de sfeer van pseudo-tegenstand, waarin Stalin, Kamenev en anderen zich trachtten te verbergen voor de taken van de revolutie, naar de sfeer van besef en actie. Het proletariaat had zich in februari niet van de macht meester gemaakt, niet omdat het grijpen van de macht door de sociologische omstandigheden verboden werd, maar omdat hun nalatigheid de compromisten in staat had gesteld het proletariaat te misleiden in het belang van de bourgeoisie, en dat was alles! “Zelfs onze bolsjewieken,” ging Lenin voort, nog altijd zonder namen te noemen, “stellen vertrouwen in de regering. Dit kan alleen verklaard worden uit het feit dat zij verblind werden door de revolutie. Dit is het einde van het socialisme... Als dat werkelijk het geval is, kan ik verder niets doen. Ik zou dan liever in een minderheid blijven.” Het was voor Stalin en Kamenev niet moeilijk te begrijpen dat er op hen gedoeld werd. De gehele conferentie begreep wie er bedoeld werden. De afgevaardigden twijfelden er niet aan dat Lenin geen grapje maakte toen hij dreigde zich terug te trekken. Dit leek in de verste verte niet op de “voorzover”-formule en op de simpele huisbakken politiek van de voorafgaande dagen.

Het kernpunt van de oorlogskwestie werd niet minder resoluut verlegd. De Voorlopige Regering had half en half een republiek beloofd. Maar veranderde dit de aard van de oorlog? Frankrijk was al sinds lange tijd een republiek geweest, en zelfs meer dan eens. Toch bleef de deelname van Frankrijk aan de oorlog imperialistisch. De aard van de oorlog wordt bepaald door de aard van de heersende klasse. “Wanneer de massa verklaart, dat zij volstrekt geen veroveringen wil, dan geloof ik haar. Wanneer Goetsjkov en Lvov zeggen, dat zij volstrekt geen veroveringen willen, dan zijn zij leugenaars.” Dit eenvoudige criterium was diep wetenschappelijk en toch tegelijkertijd door iedere soldaat in de loopgraven te begrijpen. Lenin bracht toen een rechtstreekse slag toe, door de Pravda bij haar ware naam te noemen. “Het is onzin, een schreeuwende farce, van een regering van kapitalisten te eisen, dat zij van annexatie zou afzien...” Deze woorden waren rechtstreeks gericht tot Stalin. “Het is onmogelijk deze oorlog te beëindigen zonder een gewelddadige vrede, tenzij het kapitalisme omvergeworpen wordt.” Toch steunden de compromisten de kapitalisten, en de Pravda steunde de compromisten. “De oproep van de sovjet – geen woord er van lijkt ook maar enigszins op klassebewustzijn. Het is een en al frasenmakerij.” Dit slaat op het manifest, dat door Stalin was verwelkomd als de stem van het internationalisme. Pacifistische frasen waren, daar zij de oude allianties, de oude verdragen, de oude doeleinden lieten voor wat zij waren, alleen bedoeld om de massa te misleiden. “Wat enig is voor Rusland, is de ongelofelijk snelle overgang van oncontroleerbaar geweld naar de meest geslepen misleiding.” Drie dagen geleden had Stalin zich bereid verklaard een fusie aan te gaan met de partij van Tsereteli. “Ik hoor,” zei Lenin, “dat er in Rusland een neiging bestaat tot vereniging: vereniging met een defensist betekent echter verraad aan het socialisme. Ik denk dat het beter is alleen te blijven, zoals Liebknecht, één tegen honderdtien!” Het was niet langer toelaatbaar, ook maar dezelfde naam als de mensjewieken, de naam van sociaaldemocraten te dragen. “Ik voor mij stel voor dat wij de naam van de partij veranderen, dat wij onszelf noemen de Communistische Partij.” Maar geen enkele van de deelnemers aan de conferentie, zelfs niet Zinovjev, die zojuist met Lenin meegekomen was, ondersteunde dit voorstel, dat een heiligschennende breuk met hun eigen verleden scheen.

De Pravda, die onder leiding bleef van Kamenev en Stalin, verklaarde dat de stellingen van Lenin zijn persoonlijke mening vormden, dat het Bureau van het Centraal Comité zijn mening niet deelde en dat de Pravda zelf zijn oude politiek zou voortzetten. Deze verklaring was geschreven door Kamenev. Stalin ondersteunde haar in stilte. Hij zou lange tijd moeten blijven zwijgen. Lenins denkbeelden waren in zijn ogen slechts de droombeelden van een uitgewekene, daarom wachtte hij zijn tijd af om te zien hoe de partijmachine zou reageren. “Het moet openlijk erkend worden,” schreef later de bolsjewiek Angarski, die dezelfde evolutie had doorgemaakt als de anderen, “dat een groot aantal oude bolsjewieken ... de oude bolsjewistische opinies van 1905 ook handhaafden ten aanzien van de kwestie van het karakter van de revolutie van 1917 en dat het opgeven van deze opinies niet gemakkelijk verkregen kon worden.” In feite ging het hier niet om “een groot aantal oude bolsjewieken”, maar om allen zonder uitzondering. Op de maartconferentie, waarop de kaders van de partij uit het gehele land bijeenkwamen, was er niemand die voorstelde te trachten, de macht voor de sovjets te veroveren. Een ieder moest zichzelf heropvoeden. Van de zestien leden van het Petrogradse comité waren er slechts twee, die de stellingen ondersteunden, en zelfs zij deden het nog niet eens direct. “Vele kameraden wezen er op,” vertelde Tsichon in zijn herinneringen, “dat Lenin het contact met Rusland had verloren, dat hij geen acht sloeg op de huidige omstandigheden, en zo voort.” De provinciale bolsjewiek Lebedev vertelt, dat de bolsjewieken aanvankelijk afwijzend stonden tegenover Lenins agitatie, “die utopisch leek en te verklaren was uit het feit, dat hij gedurende lange tijd geen contact had gehad met het Russische leven”. Een van de inspirators van dergelijke oordelen was ongetwijfeld Stalin, die altijd op de “uitgewekenen” had neergekeken. Enige jaren later schreef Raskolnikov in zijn herinneringen, dat “de komst van Vladimir Iljitsj een scherpe Rubicon in de tactiek van onze partij had gelegd. Het moet worden erkend, dat er vóór zijn komst een grote chaos heerste in de partij... De taak om de macht van de staat aan zich te trekken werd beschouwd als een ver ideaal... Het werd als voldoende beschouwd de Voorlopige Regering, met inachtneming van de een of andere beperking, te steunen... De partij beschikte niet over een leider van voldoende formaat om haar tot een eenheid te maken en haar te leiden.” Nog in 1922 kon het Raskolnikov niet in de gedachte komen, Stalin te beschouwen als “een leider van voldoende formaat”. Markov, een arbeider uit de Oeral, die de revolutie achter zijn draaibank had aangetroffen, schreef: “Onze leiders tastten maar wat in het rond tot aan de komst van Vladimir Iljitsj... De positie van onze partij begon eerst duidelijk te worden bij het verschijnen van zijn beroemde stellingen.” “Herinnert u de ontvangst die te beurt viel aan Vladimir Iljitsj’ Aprilstellingen,” zei Boecharin kort na Lenins dood, “toen een gedeelte van onze eigen partij ze beschouwde als een ernstig verraad jegens de aanvaarde marxistische ideologie.” Dit “gedeelte van onze eigen partij” bestond uit de gehele leiding, zonder een enkele uitzondering. “Met Lenins aankomst in Rusland in 1917,” schreef Molotov in 1924, “begon onze partij vaste grond onder de voeten te voelen... Tot op dat ogenblik had zij aarzelend en voorzichtig haar weg gezocht... Het ontbrak de partij aan de klaarheid en de vastberadenheid, die het revolutionaire ogenblik vereisten...” Nog vroeger dan de anderen, nauwkeuriger en duidelijker, beschreef Loedmilla Stahl de verandering die had plaatsgehad: “Tot Lenins komst liepen alle kameraden in de duisternis...,” zei zij op 4 [17] april 1917, toen de crisis in de partij haar hoogste punt had bereikt. “Wij zagen het onafhankelijke scheppingsvermogen van het volk en konden niet nalaten daarmee rekening te houden... Onze kameraden waren tevreden met louter voorbereidingen voor de Wetgevende Vergadering volgens parlementaire methoden en namen de mogelijkheid om verder te gaan zelfs niet in overweging. Door Lenins leuzen te aanvaarden zullen wij dát doen, wat het leven zelf ons noodzaakt te doen.”

Door de herbewapening van de partij in april kreeg Stalins prestige een flinke duw. Hij was uit Siberië gekomen met het gezag van een oude bolsjewiek, met de rang van lid van het Centraal Comité, met de steun van Kamenev en Moeranov. Ook hij begon met zijn eigen soort “herbewapening”, met de politiek van de plaatselijke leiders als te radicaal te verwerpen, een aantal artikelen in de Pravda te schrijven, een rapport uit te brengen voor de conferentie van bolsjewieken en door de resolutie van de Krasnojarkse sovjet. Midden in deze werkzaamheden, uiteraard het werk van een leider, verscheen Lenin. Hij kwam op de conferentie als een schoolinspecteur in een klaslokaal. Na verscheidene zinnen te hebben aangehoord, draaide hij de leraar zijn rug toe en veegde met een spons al diens futiele gekrabbel van het bord. De gevoelens van verbazing en verontwaardiging onder de afgevaardigden veranderden in een gevoel van bewondering. Maar Stalin had geen bewondering aan te bieden. Hij voelde zich diep gekwetst, hulpeloos en afgunstig. Hij was vernederd voor de gehele partij, veel erger nog dan destijds op de besloten Krakause conferentie na zijn ongelukkig redacteurschap van de Pravda. Het was nutteloos er tegen te vechten. Ook hij zag nu horizonten, waarvan hij een dag te voren nog geen vermoeden had gehad. Het enige wat hij doen kon was: op zijn tanden knarsen en zich rustig houden. De herinnering aan de door Lenin in april 1917 teweeggebrachte revolutie bleef voor altijd in zijn bewustzijn gegrift. Het etterde. Hij kreeg de notulen van de Maartconferentie te pakken en trachtte die te verbergen voor de partij en voor de geschiedenis. Maar dat alleen was nog geen afdoende maatregel. De jaargang 1917 van de Pravda bleef in de bibliotheken bewaard. Bovendien werden die nummers van de Pravda later weer herdrukt – en Stalins artikelen spraken voor zichzelf. Gedurende de eerste jaren van het Sovjetregime vulden ontelbare herinneringen aan de Aprilcrisis de historische tijdschriften en de jaarlijkse herdenkingsnummers van de kranten. Dit moest later allemaal weer aan de circulatie onttrokken worden, vervalst en door nieuw materiaal vervangen. Het woord “herbewapening” van de partij, door mij in 1922 toevallig eens gebruikt, gaf aanleiding tot regelmatig terugkerende verwoede aanvallen door Stalin en zijn onderdanige geschiedkundigen.

Om eerlijk te zijn moet ik vermelden dat Stalin het, zij het pas in 1924, het verstandigst vond met alle verschuldigde toegevendheid aan zijn eigen persoon te erkennen, dat hij bij het begin van de revolutie een vergissing had begaan: “De partij...,” schreef hij, “accepteerde de politiek van druk door de sovjets op de Voorlopige Regering in de vredeskwestie en besloot, niet ogenblikkelijk een stap vooruit te doen ... naar de nieuwe leuze over de macht aan de sovjets... Dat was een volkomen verkeerd standpunt, want het deed de pacifistische illusies toenemen, was koren op de molen van het defensisme en verhinderde de revolutionaire opvoeding van de massa. Ik deelde indertijd dat verkeerde standpunt met andere kameraden van de partij en verliet het pas voorgoed in het midden van april, na de stellingen van Lenin te hebben aanvaard.” Deze openlijke erkenning, die nodig was om zijn eigen verleden te dekken in de strijd tegen het trotskisme, die toentertijd begon, bleek twee jaar later te ruiterlijk te zijn. In 1926 ontkende Stalin categorisch het opportunistisch karakter van zijn politiek in maart 1917 – Dit is niet waar, kameraden, dat zijn praatjes! – en gaf hij alleen toe dat hij “enige weifelingen” had gehad ... “maar wie onder ons had toen geen kortstondige weifelingen?” Vier jaar later werd Jaroslavski, die als geschiedkundige opmerkte dat Stalin bij het begin van de revolutie “een verkeerd standpunt” had ingenomen, van alle kanten verwoed en heftig aangevallen. Het vermelden zelfs van “tijdelijke weifelingen” was toen al niet meer toelaatbaar. De afgod van het prestige is een alverslindend monster! Ten slotte schrijft Stalin in de door hem zelf geredigeerde “geschiedenis” van de partij aan zich zelf het standpunt van Lenin toe, terwijl hij zijn vijanden zijn eigen opvattingen toebedeelt. “Kamenev en zekere werkers van de Moskouse organisatie, zoals bijvoorbeeld Rykov, Boebnov en Nogin,” zo verkondigt deze merkwaardige geschiedenis, “stonden op het semi-mensjewistisch standpunt van steun aan de Voorlopige Regering en aan de politiek van de defensisten. Stalin, die juist uit de ballingschap was teruggekeerd, Molotov en anderen, alsmede de grootste meerderheid van de Partij, verdedigden de politiek van wantrouwen ten opzichte van de Voorlopige Regering, streden tegen het defensisme,” en dergelijk fraais. Aldus werden de feiten langzamerhand tot verdichtsels gemaakt, op die manier werd zwart veranderd in wit. Deze methode, die Kamenev “leugens uitdelen” noemde, loopt door Stalins gehele levensbeschrijving en vindt haar hoogtepunt, en tegelijkertijd haar ineenstorting, in de Moskouse processen.

Toen ik in 1909 de grondideeën van de twee facties van de sociaaldemocratie analyseerde, schreef ik: “De antirevolutionaire aspecten van het mensjewisme zijn reeds in al hun kracht zichtbaar; de antirevolutionaire kenmerken van het bolsjewisme zijn alleen een zeer groot gevaar in geval van een revolutionaire overwinning.” In maart 1917, na de omverwerping van het tsarisme, brachten de oude kaders van de partij deze antirevolutionaire kenmerken tot hun meest volkomen uitdrukking: het eigenlijke verschil tussen het bolsjewisme en het mensjewisme bleek verloren gegaan te zijn. Een radicale herbewapening van de partij was noodzakelijk. Lenin, de enige die groot genoeg was voor die taak, bracht haar in de loop van april ten uitvoer. Stalin wilde blijkbaar niet openlijk tegen Lenin optreden. Maar hij kwam ook niet voor hem op. Zonder veel ophef maakte hij zich los van Kamenev, zoals hij tien jaar tevoren de boycotisten had verlaten, en zoals hij op de Krakause conferentie de verzoeningsgezinden aan hun lot had overgelaten. Het lag niet in zijn aard een denkbeeld te verdedigen dat geen onmiddellijk succes beloofde. De conferentie van de Petrogradse organisatie had plaats van veertien tot tweeëntwintig april. Ofschoon de invloed van Lenin reeds overheerste, waren de debatten af en toe aardig scherp. Tot hen die daaraan meededen behoorden Zinovjev, Tomski, Molotov en andere welbekende bolsjewieken. Stalin liet er zich zelfs niet zien. Klaarblijkelijk deed hij zijn best een poosje vergeten te worden.

De Al-Russische Conferentie kwam op vierentwintig april te Petrograd bijeen. Men verwachtte er van dat zij alle vraagstukken, die er na de Maartconferentie nog over konden zijn, zou oplossen. Ongeveer 1500 afgevaardigden vertegenwoordigden 79.000 partijleden, waarvan alleen al 15.000 in de hoofdstad. Dat was al met al geen slecht resultaat voor een antipatriottische partij, die eerst gisteren uit de ondergrondse was omhooggekomen. Lenins overwinning was van het begin af duidelijk bij de verkiezing van vijf leden voor het presidium, want tot de gekozenen behoorde noch Kamenev noch Stalin, het tweetal dat verantwoordelijk was voor de opportunistische politiek van maart. Kamenev had moed genoeg om te verzoeken op de conferentie een minderheidsrapport te mogen uitbrengen. “In aanmerking nemende, dat het klassieke overblijfsel van het feodalisme, het landbezit van de kleine adel, nog niet geliquideerd is ... is het nog te vroeg om te beweren dat de burgerlijke democratie al haar mogelijkheden heeft verbruikt.” Dat was de grondgedachte van Kamenev, van Rykov, van Nogin, Dzerzjinski, Angarski en anderen. “De stoot voor de sociale revolutie,” zei Rykov, “had uit het westen moeten komen.” De democratische revolutie was nog niet ten einde, hielden de sprekers van de oppositie vol, Kamenev steunende. Dat was inderdaad waar. De Voorlopige Regering was er echter niet op uit de revolutie te voltooien, maar haar in haar loop te stuiten. En hieruit volgde dat de democratische revolutie alleen onder de heerschappij van de arbeidende klasse voltooid kon worden. De debatten waren levendig maar vreedzaam, daar het resultaat in alle hoofdzaken reeds vaststond en Lenin al het mogelijke deed om zijn tegenstanders de terugtocht gemakkelijk te maken.

Tijdens de debatten legde Stalin een korte verklaring af tegen zijn medestanders van gisteren. In zijn minderheidsrapport had Kamenev gezegd, dat wij, daar wij niet de onmiddellijke omverwerping van de Voorlopige Regering eisten, controle over haar moesten verlangen; anders zou de massa ons niet begrijpen. Lenin stelde daar tegenover dat proletarische “controle” over een burgerlijke regering, vooral onder revolutionaire omstandigheden, óf fictief zou zijn óf zou uitlopen op gewone samenwerking. Stalin vond dit een goed moment om zijn breuk met Kamenev te demonstreren. Om een soort verklaring van zijn positieverandering te geven, gebruikte hij een briefje dat op 19 april door de minister van Buitenlandse Zaken Miljoekov was uitgegeven. Diens extreme imperialistische openhartigheid dreef de soldaten letterlijk de straten op en veroorzaakte een regeringscrisis. Lenins opvatting van de revolutie was gebaseerd op de onderlinge verhouding van de klassen, niet op het een of andere diplomatieke briefje, dat weinig verschilde van de andere handelingen van de regering. Maar Stalin stelde geen belang in algemene denkbeelden. Al wat hij nodig had was het een of andere voorwendsel om van richting te veranderen, zonder zijn waardigheid al te zeer te kwetsen. Hij “deelde” zijn terugtocht “uit”. Op de eerste plaats, zo zei hij, “was het de sovjet die het program moest aangeven, terwijl nu de Voorlopige Regering het doet”. Volgens het briefje van Miljoekov “wint de regering terrein op de sovjet, omdat de sovjet aan het terugtrekken is. Hierna van controle te spreken is onzin.” Het klonk geforceerd en vals. Maar de truc gelukte. Stalin wist zich op tijd los te maken van de oppositie, die bij de stemming slechts zeven stemmen verwierf.

In zijn rapport inzake de nationale minderheden deed Stalin wat hij kon om de kloof te overbruggen, die er lag tussen zijn rapport van maart, waarin hij als oorzaak van nationale onderdrukking alleen de landbezittende aristocratie zag, en het nieuwe standpunt, waartoe de partij nu bezig was te komen. “Nationale onderdrukking,” zei hij, zichzelf onvermijdelijk tegensprekend, “geschiedt niet alleen van de zijde der landbezittende aristocratie, maar ook van een andere zijde, nl. van die der imperialistische groepen, die de methode, welke zij in hun koloniën gebruiken om de daar wonende volkeren te knechten, ook in hun eigen land toepassen...” Bovendien wordt de grote bourgeoisie gevolgd door “de kleine bourgeoisie, een deel van de intellectuelen en een gedeelte van de arbeidersaristocratie, die ook de vruchten genieten van deze roverij.” Dit was hetzelfde thema waarop Lenin tijdens de oorlogsjaren zo dikwijls had gehamerd. “Zodoende,” gaat zijn rapport verder, “is er een heel koor van sociale krachten, dat op de hand is van nationale onderdrukking.” Teneinde aan deze onderdrukking een einde te maken was het nodig, “dat koor van het revolutionaire toneel weg te vagen”. Door het aan de macht brengen van de imperialistische bourgeoisie had de Februarirevolutie zeer zeker niet de grondslag gelegd voor de bevrijding van de nationale minderheden. Zo verzette de Voorlopige Regering zich bijvoorbeeld met alle kracht tegen iedere poging om de autonomie van Finland uit te breiden. “Wiens zijde moeten wij kiezen? Het is duidelijk, dat het de zijde van het Finse volk is...” De Oekraïner Pjatakov en de Pool Dzerzjinski verhieven hun stem tegen het program van nationale zelfbeschikking, daar dit volgens hen utopistisch en reactionair was. “Wij moeten de nationale kwestie niet naar voren brengen,” zei Dzerzjinski naïef, “daar zoiets het ogenblik van de sociale revolutie verdaagt. Ik zou daarom willen voorstellen, de kwestie betreffende de Poolse onafhankelijkheid uit de resolutie te schrappen.” “De sociale democratie,” antwoordde Stalin, “voor zover zij een direct op socialistische revolutie gerichte koers volgt, behoort de revolutionaire beweging van de nationaliteiten tegen het imperialisme te ondersteunen.” Hier zei Stalin voor het eerst in zijn leven iets over “een direct op socialistische revolutie gerichte koers”. De bladzijde van de Juliaanse kalender droeg die dag de datum 29 april 1917.

Nadat de conferentie de prerogatieven van een congres had aangenomen, werd een nieuw Centraal Comité gekozen, dat bestond uit Lenin, Zinovjev, Kamenev, Miloetin, Nogin, Sverdlov, Smilga, Stalin en Fedorov, met als plaatsvervangers Teodorovitsj, Boebnov, Glebov-Avilov en Pravdin. Van de 133 afgevaardigden namen er om de een of andere reden slechts 109 aan de geheime stemming deel; het is mogelijk dat een deel van de afgevaardigden de stad reeds had verlaten. Lenin kreeg 104 stemmen (was Stalin misschien een van de vijf afgevaardigden, die weigerden Lenin te steunen?), Zinovjev 101, Stalin 97 en Kamenev 95. Voor de eerste keer werd Stalin langs de normale partijweg in het Centraal Comité gekozen. Hij was toen bijna 38 jaar oud. Rykov, Zinovjev en Kamenev waren ongeveer 23 of 24, toen zij voor het eerst door partijcongressen in de bolsjewistische generale staf werden gekozen.

Op de conferentie werd een poging gedaan om Sverdlov buiten het Centraal Comité te houden. Lenin vertelde dat na Sverdlovs dood, en hij beschouwde het toen als een grote fout van hem zelf. “Gelukkig,” voegde hij er aan toe, “werden wij van beneden af gecorrigeerd.” Lenin kon nauwelijks een reden gehad hebben om tegen Sverdlovs kandidatuur te zijn. Hij kende hem alleen uit correspondentie als een onvermoeid beroepsrevolutionair. Het is niet ondenkbaar dat de tegenstand van Stalin kwam, die niet vergeten kon hoe Sverdlov de door hem in Petersburg in de war gestuurde dingen recht had moeten zetten en hoe hij de Pravda had gereorganiseerd; en hun gezamenlijk verblijf in Koereika had zijn vijandigheid nog maar aangewakkerd. Stalin vergaf nooit iets. Waarschijnlijk trachtte hij nu wraak te nemen en op de een of andere manier, we kunnen alleen maar veronderstellen hoe, gelukte het hem Lenins steun te verkrijgen. Maar zijn poging had geen succes. Zoals Lenin in 1912 de afgevaardigden tegenover zich vond, toen hij trachtte Stalin in het Centraal Comité te krijgen, zo ondervond hij nu niet minder weerstand nu hij trachtte Sverdlov er uit te houden. Van de leden van dit op de Aprilconferentie gekozen Centraal Comité speelde alleen Sverdlov het klaar een natuurlijke dood te sterven. Al de anderen – met uitzondering natuurlijk van Stalin zelf – zowel als de vier plaatsvervangers zijn ófwel officieel geëxecuteerd, ófwel op een onofficiële manier uit de weg geruimd.

Zonder Lenin zou niemand geweten hebben wat er in deze nog nooit voorgekomen situatie moest worden gedaan; allen waren slaven van de oude formules. Nu nog vasthouden aan de leuze van de democratische dictatuur betekende, zoals Lenin het uitdrukte, “werkelijk overgaan naar de kleine bourgeoisie”. Het kan zijn, dat Stalin op de anderen vóór had, dat hij van een overgang geen gewetenszaak maakte en bereid was tot toenadering tot de compromisten en tot fusie met de mensjewieken. Hij werd niet het minst gehinderd door eerbied voor oude formules. Ideologisch fetisjisme was hem vreemd. En dus verwierp hij zonder enig gewetensbezwaar de lang vastgehouden theorie betreffende de contrarevolutionaire rol van de Russische bourgeoisie. Zoals altijd handelde Stalin ook nu empirisch, onder de druk van het hem aangeboren opportunisme, dat hem er altijd toe had gedreven de weg van de minste weerstand te zoeken. Maar hij had niet alléén gestaan: in de loop van de drie weken voor Lenins komst had hij uitdrukking gegeven aan de verborgen overtuigingen van zeer vele “oude bolsjewieken”.

Men moet niet uit het oog verliezen dat de politieke machine van de bolsjewistische partij voor het grootste deel bestond uit de intelligentsia, die kleinburgerlijk was volgens afkomst en levensomstandigheden, en marxistisch volgens haar ideeën en haar betrekkingen met het proletariaat. Arbeiders, die beroepsrevolutionairen werden, sloten zich gaarne bij deze groep aan en gingen er tenslotte in op. De eigenaardige sociale structuur van de partijmachine en haar gezag over het proletariaat (die geen van beide toevallig zijn, maar voortvloeien uit een strikt historische noodzakelijkheid) waren meer dan eens de oorzaken van weifelingen in de partij en werden ten slotte de oorzaak van haar verval. De partij steunde op de marxistische leer, die de historische belangen van het proletariaat als geheel uitdrukte; maar de menselijke wezens van de partijmachine verwerkten slechts hier en daar een brok uit die leer, overeenkomende met hun eigen naar verhouding beperkte ervaring. Heel dikwijls, zo klaagt Lenin, leerden zij eenvoudig pasklaar gemaakte formules van buiten en sloten zij hun ogen voor de verandering in de omstandigheden. In de meeste gevallen ontbrak het hun aan een onafhankelijk dagelijks contact met de werkende massa en aan voldoende begrip voor de historische ontwikkeling. Zij bleven zodoende blootstaan aan de invloed van andere klassen. Tijdens de oorlog waren de hogeren in de partij op grote schaal besmet met compromistische tendensen, die van de burgerlijke kringen uitgingen, terwijl de gewone bolsjewistische arbeiders een veel groter weerstandsvermogen toonden tegen de golf van patriottische geestdrift, die over het land spoelde.

Omdat de revolutie een breed terrein van actie ontplooide voor allerlei democratische ontwikkelingen, was zij voor de “beroepsrevolutionairen” van alle partijen meer bevredigend dan voor de soldaten in de loopgraven, de boeren in de dorpen en de arbeiders in de munitiefabrieken. De min of meer duistere ondergrondse werkers van gisteren werden plotseling politieke persoonlijkheden. In plaats van parlementen hadden zij sovjets en daarin waren zij vrij om te redeneren en te regeren. Wat hen betrof schenen de klassentegenstellingen, die de revolutie veroorzaakt hadden, weg te smelten onder de stralen van de democratische zon. Dáárdoor kwam het dat bijna overal in Rusland de bolsjewieken en de mensjewieken de handen ineensloegen. Zelfs daar waar zij gescheiden bleven, zoals bijvoorbeeld in Petrograd, was er in beide organisaties een sterke drang naar éénwording. Tezelfdertijd kregen in de loopgraven, in de dorpen en in de fabrieken de blijvende tegenstellingen een steeds duidelijker en steeds heftiger karakter, en zij voorspelden burgeroorlog in plaats van eenheid. Zoals zo dikwijls gebeurt, ontwikkelde er zich een kloof tussen de in beweging zijnde klassen en de belangen van de partijmachine. Zelfs de kaders van de bolsjewistische partij, die een buitengewone revolutionaire scholing hadden gehad, waren er ten zeerste toe geneigd, om direct na het omverwerpen van de monarchie de massa te negeren en hun eigen persoonlijke belangen te identificeren met die van de machine. Wat zou men dan mogen verwachten van die kaders, wanneer zij plotseling een almachtige staatsbureaucratie werden? Het is onwaarschijnlijk dat Stalin hieraan enige gedachte wijdde. Hij was vlees van het vlees van de machine en de taaiste van haar beenderen.

Maar door welk wonder slaagde Lenin er dan in, in de loop van een paar weken de koers van de partij in geheel nieuwe banen te leiden? Het antwoord moet tegelijkertijd in twee richtingen worden gezocht: Lenins persoonlijke hoedanigheden en de objectieve situatie. Lenin was niet alleen sterk, omdat hij de wetten van de klassenstrijd kende, maar ook omdat hij feilloos ontvankelijk was voor de minste beweging van de massa. Hij vertegenwoordigde niet zozeer de partijmachine als wel de voorhoede van het proletariaat. Hij was er vast van overtuigd dat duizenden van díe arbeiders, die de ondergrondse partij vastberaden hadden gesteund, nu hém zouden steunen. De massa was op dat ogenblik meer revolutionair dan de partij, en de partij weer meer dan haar machine. Reeds in maart was de werkelijke houding van de arbeiders en de soldaten in vele gevallen stormachtig tot uitdrukking gekomen, en die verschilde hemelsbreed van de richtlijnen die door alle partijen, met inbegrip van de bolsjewieken, waren uitgevaardigd. Lenins gezag was niet absoluut, maar het was zeer groot, want alle ervaringen waren bevestigingen geweest van zijn vooruitziende blik. Anderzijds was het gezag van de partijmachine, evenals haar conservatisme, toentertijd nog pas in wording. Lenin oefende niet zozeer invloed uit als individu, maar omdat hij de invloed van de massa op de partij belichaamde, en die van de partij op haar machine. Onder zulke omstandigheden verloor een ieder, die nog tegenstand trachtte te bieden, spoedig alle grond onder de voeten. Weifelaars schaarden zich in één rij met de mannen van de voorste linie, de voorzichtigen voegden zich bij de meerderheid. Op die manier slaagde Lenin er in, met betrekkelijk geringe verliezen, de partij op het rechte spoor te helpen en haar voor te bereiden op de nieuwe revolutie.

Iedere keer als de bolsjewistische leiders iets moesten doen zonder Lenin, begingen zij een fout, gewoonlijk afdwalend naar rechts. Maar dan placht Lenin weer te verschijnen als een deus ex machina en de juiste weg weer aan te wijzen. Betekent dat dan, dat in de bolsjewistische partij Lenin alles was en de anderen niets? Een dergelijke gevolgtrekking, die in democratische kringen tamelijk wijd verbreid is, is totaal eenzijdig en dus foutief. Hetzelfde zou men kunnen zeggen met betrekking tot de wetenschap. Men zou denken dat de mechanica zonder Newton en de biologie zonder Darwin vele jaren lang niets tot stand gebracht hadden. Dit is zowel goed als fout. Duizenden geleerden waren nodig om de feiten te verzamelen, ze te ordenen, het probleem te stellen en de bodem te bereiden voor de allesomvattende oplossingen van een Newton of een Darwin. En die oplossingen brachten op hun beurt weer werk aan nieuwe duizendtallen geleerden. Genieën scheppen uit zichzelf geen wetenschap; zij verhaasten slechts het proces van het collectieve denken. De bolsjewistische partij nu beschikte over een geniaal leider. Dat was geen toeval. Een revolutionair van Lenins kaliber en capaciteiten kon slechts de leider zijn van de meest onverschrokken partij, die in staat was haar gedachten en handelingen tot hun logische conclusie te voeren. Maar het genie op zich zelf is de zeldzaamste van alle uitzonderingen. Een geniaal leider oriënteert zich sneller, doorziet de situatie beter, kijkt verder dan anderen. Het was onvermijdelijk dat er een grote gaping zou ontstaan tussen de geniale leider en zijn naaste medewerkers. Het moet zelfs toegegeven worden dat de kracht van Lenins visie in zekere zin remmend werkte op de ontwikkeling van het zelfvertrouwen bij zijn medewerkers. Maar dat betekent nog niet dat Lenin “alles” was en de partij zonder Lenin niets. Zonder de partij zou Lenin even hulpeloos zijn geweest als Newton en Darwin zonder collectief gemeenschappelijk werk. Het gaat dus bijgevolg niet om de speciale zonden van het bolsjewisme, voortkomende uit centralisatie, discipline en dergelijke, maar om het probleem van het genie in het historisch proces. Schrijvers, die trachten de verdiensten van het bolsjewisme te verkleinen, door er op te wijzen dat de bolsjewistische partij het grote voorrecht had over een geniaal leider te beschikken, tonen daarmee slechts hun geestelijke vulgariteit.

De leiders van het bolsjewisme zouden ook zonder Lenin misschien wel de juiste weg hebben gevonden, maar slechts langzaam en ten koste van veel wrijving en inwendige strijd. De klassenconflicten zouden de betekenisloze leuzen van de bolsjewistische oude garde hebben blijven veroordelen en verwerpen. Stalin, Kamenev en andere tweederangs figuren zouden voor de keuze gesteld zijn, vaste uitdrukking te geven aan de tendensen van de proletarische voorhoede, of eenvoudigweg over te lopen naar de andere zijde van de barricaden. We moeten niet uit het oog verliezen, dat Sjljapnikov, Zaloetski en Molotov reeds van het eerste begin van de revolutie af trachtten een meer linkse koers aan te nemen.

Dit wil echter niet zeggen, dat het juiste pad in ieder geval gevonden zou zijn. De tijdsfactor speelt een beslissende rol in de politiek, vooral in een revolutie. De klassenstrijd kan niet geduldig zijn tijd afwachten, tot de politieke leiders ontdekken wat er nu eigenlijk gedaan moet worden. De geniale leider is belangrijk omdat hij, door de leertijd door middel van aanschouwelijke lessen te verkorten, de partij in staat stelt op het juiste ogenblik invloed uit te oefenen op de loop der gebeurtenissen. Als Lenin in het begin van april niet was gekomen, zou de partij al tastende misschien wel haar weg gevonden hebben naar de in Lenins stellingen uitgestippelde koers. Maar zou iemand anders de partij op tijd hebben kunnen voorbereiden op de ontknoping van oktober? Deze vraag kan niet nadrukkelijk beantwoord worden. Eén ding is zeker: in deze situatie – die een vastberaden confrontatie van de trage partijmachine met de in beweging zijnde massa en ideeën vereiste – zou Stalin niet met het nodige scheppende initiatief hebben kunnen handelen en zou hij eerder een rem dan een propeller geweest zijn. Zijn macht begon pas wanneer het mogelijk was geworden de massa met behulp van de machine te gebruiken.

Het is moeilijk Stalins werkzaamheden gedurende de volgende twee maanden te achterhalen. Hij was plotseling naar een derderangspositie verwezen. Lenin zelf had nu dag in dag uit rechtstreeks de redactie van de Pravda in handen – nu niet slechts door controle vanuit de verte, zoals voor de oorlog – en de Pravda gaf de toon aan voor de gehele partij. Zinovjev was heer en meester op het gebied van de agitatie, maar Stalin sprak nog altijd niet op openbare vergaderingen. Kamenev, die de nieuwe politiek slechts half toegedaan was, vertegenwoordigde de partij in het Centrale Uitvoerende Comité van Sovjets en in de sovjet, terwijl Stalin praktisch gesproken van dat toneel verdween en zich zelfs nauwelijks te Smolny liet zien. Sverdlov nam de leiding op zich van de meest op de voorgrond tredende organisatorische werkzaamheden, gaf opdrachten aan de partijwerkers, hield zich bezig met de provincialen en legde allerlei conflicten bij, terwijl Stalin bij zijn gewone, weinig belangrijke werkzaamheden aan de Pravda en zijn aanwezigheid op de zittingen van het Centraal Comité slechts van tijd tot tijd wel eens opdrachten van administratieve, technische of diplomatieke aard kreeg. Die waren echter verre van talrijk. Van nature lui, kan Stalin alleen onder hoogspanning werken, wanneer zijn persoonlijke belangen er rechtstreeks bij betrokken zijn. Anders geeft hij er de voorkeur aan een pijp te roken en rustig zijn tijd af te wachten. Een tijdlang voelde hij zich erg onbehaaglijk. Overal werd hij voorbijgestreefd door belangrijker of begaafder personen. Zijn ijdelheid werd nog geprikkeld door de herinnering aan de dagen van maart en april. Hij deed daarom zijn eigen standvastigheid geweld aan en veranderde langzaamaan van gedachten. Maar het bleef uiteindelijk een verandering, die niet van ganser harte ging.

Tijdens de stormachtige “Aprildagen”, toen de soldaten te hoop liepen om te protesteren tegen de imperialistische nota van Miljoekov, hielden de compromisten zich zoals altijd bezig met het richten van aansporingen tot de regering en het doen van beloften aan de massa. Op 21 april zond het Centrale Uitvoerend Comité een van zijn herderlijke telegrammen, ondertekend door Tsjcheidze, naar Kronstadt en naar andere garnizoenen, waarin werd toegegeven dat Miljoekovs opzienbarende nota geen goedkeuring verdiende, maar waarin ook meegedeeld werd dat er “onderhandelingen, die echter nog niet tot een einde gekomen zijn, begonnen waren tussen het Uitvoerend Comité en de Voorlopige Regering” (uiteraard konden deze onderhandelingen nooit tot een einde komen). [Het telegram ging dan voort:] “het Uitvoerend Comité, zich bewust van het nadeel van ieder afzonderlijk en ongeorganiseerd openbaar optreden, verzoekt u dringend u van iedere actie te onthouden”, en zo voort.

Uit de officiële notulen zien wij, niet zonder verbazing, dat de tekst van het telegram was opgesteld door een commissie, dat uit twee compromisten en één bolsjewiek bestond, en dat die ene bolsjewiek Stalin was. Het is slechts een bescheiden gebeurtenis (wij vinden echter gedurende deze periode geen belangrijke gebeurtenissen, die met Stalin in verband staan), maar het is zonder twijfel een typerende. Het kalmerende telegram was een klein, maar treffend voorbeeld van die “controle”, die een onmisbaar element was in het mechanisme van de tweevoudige macht. Het geringste bolsjewistische contact met die beuzelachtige politiek werd door Lenin altijd heftig van de hand gewezen. Indien het openbaar optreden van de Kronstadters moest worden afgeraden, had de commissie dat moeten doen uit naam van de partij, in haar eigen woorden, en zij had geen verantwoordelijkheid op zich moeten nemen voor de “onderhandelingen” tussen Tsjcheidze en vorst Lvov. De compromisten gaven Stalin een plaats in de commissie, omdat alleen de bolsjewieken enig gezag hadden in Kronstadt. Dit had echter een reden te meer moeten zijn de benoeming niet te aanvaarden. Maar Stalin aanvaardde haar wel. Drie dagen na het kalmerende telegram sprak hij op de partijconferentie een rede uit, waarin hij tegen Kamenev in ging, en waarin hij als overtuigend bewijs van de nutteloosheid van “controle” juist het meningsverschil over Miljoekovs nota aanvoerde! Om logische tegenspraken bekommerde deze empirist zich nooit.

Op de conferentie van de bolsjewistische militaire organisaties rapporteerde Stalin, na de inleidende politieke redevoeringen van Lenin en Zinovjev, over “De nationalistische beweging in de nationale regimenten”. In het leger van 1917 had, beïnvloed door het ontwaken van de tot nu toe steeds onderdrukte nationaliteiten, een spontane hergroepering van de legereenheden plaats, in overeenstemming met de nationaliteiten. Op die manier ontstonden Oekraïense, mohammedaanse, Poolse regimenten en zo meer. De Voorlopige Regering bestreed deze “desorganisatie van het leger” openlijk, omdat ook hier de bolsjewieken zich opwierpen als de verdedigers der onderdrukte nationaliteiten. Stalins redevoering is niet bewaard gebleven, maar zij zal wel geen nieuwe gezichtspunten hebben bevat.

Het Eerste Al-Russische Congres van Sovjets, dat op 3 juni geopend werd, duurde bijna drie weken. De dertig à veertig bolsjewistische afgevaardigden uit de provincie, verloren in de grote massa compromisten, vormden een verre van homogene groep en stonden nog sterk onder invloed van de stemmingen van maart. Het was niet gemakkelijk deze mensen te leiden. Het was over dit congres, dat een ons reeds bekende populist, die Koba al eens in een Bakoese gevangenis had gadegeslagen, een interessante mededeling verstrekte. “Ik deed mijn uiterste best om de rol te begrijpen, die Stalin en Sverdlov in de bolsjewistische partij speelden,” schreef Veresjtsjak in 1928. “Terwijl Kamenev, Zinovjev, Nogin en Krylenko aan de tafel van de congresleiding zaten en Lenin, Zinovjev en Kamenev de voornaamste sprekers waren, waren Stalin en Sverdlov alleen maar de zwijgende leiders van de bolsjewistische fractie. Zij vormden de tactische kracht. Het was toen, dat ik voor de eerste keer de volle betekenis van de man besefte.” Veresjtsjak had het bij het rechte eind. Stalin was zeer waardevol achter de schermen, als hij de fractie op een verkiezing voorbereidde. Hij maakte daarbij wel niet altijd gebruik van principiële argumenten, maar had het in die kunst toch wel z6 ver gebracht, dat hij leiders van middelmatig formaat, vooral provincialen, kon overtuigen. Maar zelfs in deze functie kwam de eerste plaats niet toe aan hem, maar aan Sverdlov, die permanent voorzitter was van de bolsjewistische fractie op dit congres.

Intussen werd het leger “moreel” voorbereid op een offensief, welke maatregel echter verlammend werkte op de massa thuis zowel als aan het front. De bolsjewistische fractie protesteerde vastberaden tegen een dergelijk militair waagstuk en voorspelde een ramp. De meerderheid van het congres ondersteunde echter Kerenski. De bolsjewieken besloten te antwoorden met een straatbetoging, maar terwijl dit nog overwogen werd, rezen er meningsverschillen. Volodarski, de steunpilaar van het Petrogradse comité, was er niet zeker van, dat de arbeiders de straat op zouden gaan, en de vertegenwoordigers van de militaire organisaties beweerden, dat de soldaten niet zonder wapens naar buiten zouden komen. Stalin achtte het “een feit, dat het onder de soldaten gist, terwijl er niet zulk een vastberaden stemming is onder de arbeiders”; toch veronderstelde hij dat het nodig was, aan de regering weerstand te bieden. De demonstratie werd uiteindelijk vastgesteld voor zondag 10 juni. Maar de compromisten kwamen in opschudding en verboden de demonstratie in naam van het congres. De bolsjewieken gaven toe. Maar bevreesd door de slechte indruk die het verbod op de massa had gemaakt, riep het congres zelf een algemene demonstratie uit voor de achttiende juni. Het resultaat was heel anders dan men verwachtte: alle fabrieken en alle regimenten kwamen met bolsjewistische spandoeken voor de dag. Het gezag van het congres kreeg door deze demonstratie een onherstelbare knauw. De arbeiders en de soldaten van de hoofdstad bespeurden opeens hun eigen macht. Twee weken later trachtten zij daar voordeel uit te trekken. Dit leidde tot de “Julidagen”, de meest belangrijke scheidslijn tussen de twee revoluties.

Op 4 mei schreef Stalin in de Pravda: “De revolutie groeit in breedte en in diepte... De provincies marcheren aan het hoofd van de beweging. Zoals Petrograd in de eerste dagen van de revolutie in de eerste rij marcheerde, zo begint het nu achter te blijven.” Precies twee maanden later bewezen de “Julidagen”, dat de provincies juist ver bij Petrograd ten achter bleven. Wat Stalin op het oog had, toen hij dat oordeel neerschreef, waren de organisaties, niet de massa. “De sovjets van de hoofdstad,” bemerkte Lenin reeds tijdens de Aprilconferentie, “zijn politiek meer afhankelijk van de burgerlijke centrale regering dan de sovjets in de provincie.” Terwijl het Centrale Uitvoerende Comité zijn uiterste best deed om de macht in handen van de regering te concentreren, namen de sovjets in de provincie, bestaande uit mensjewieken en sociaal-revolutionairen, in vele gevallen de plaatselijke regeringen desnoods met geweld over en trachtten zij zelfs het economisch leven te regelen. Maar de achterlijkheid van de sovjetinstellingen in de hoofdstad kwam juist voort uit het feit dat het Petrogradse proletariaat al zó ver ontwikkeld was, dat hun radicale eisen de kleinburgerlijke democraten afschrikten. Toen de Julibetoging aan de orde kwam, voerde Stalin aan dat de arbeiders niet belust waren op de strijd. Dit argument werd echter weerlegd door de Julidagen zelf, toen het proletariaat het verbod van de compromisten en zelfs de waarschuwingen van de Communistische Partij ten spijt, de straat op stroomde, schouder aan schouder met het garnizoen. Beide vergissingen van Stalin zijn bepaald kenmerkend voor hem: hij ademde nooit de lucht van de arbeidersvergaderingen in, had geen contact met de massa, vertrouwde die niet. De inlichtingen, die hij nodig had, verkreeg hij via de partijmachine. Toch was de massa onvergelijkelijk meer revolutionair dan de partij, die op haar beurt weer meer revolutionair was dan haar comitémannen. Zoals bij alle andere gelegenheden gaf Stalin ook hier weer de conservatieve neigingen van de partijmachine weer, en niet de dynamische kracht van de massa.

In het begin van juli was Petrograd bijna geheel op handen van de bolsjewieken. De journalist Claude Anet, die de nieuwe Franse ambassadeur op de hoogte bracht van de nieuwe situatie in de hoofdstad, wees over de Neva heen naar de wijk Viborg, waar de grootste fabrieken dicht bij elkaar liggen. “Daar zijn Lenin en Trotski heer en meester.” De regimenten van het garnizoen waren óf bolsjewistisch, óf dicht er bij. “Als Lenin en Trotski zich van Petrograd zouden willen meester maken, wie zou hun dat verhinderen?” De toestand was hiermee goed gekenschetst. Maar het was nog niet mogelijk de macht aan zich te trekken, omdat, ondanks het artikel van Stalin van mei, de provincies nog aanzienlijk bij de hoofdstad ten achter bleven.

Op 2 juli verschenen op de stedelijke conferentie van de bolsjewieken, waar Stalin het Centraal Comité vertegenwoordigde, twee opgewonden mitrailleurs met de mededeling, dat hun regimenten hadden besloten onmiddellijk de straat op te gaan, volledig bewapend. De conferentie verklaarde zich tegen deze betoging en Stalin ondersteunde deze beslissing uit naam van het Centraal Comité. Dertien jaar later vertelde Pestkovski, nu een van Stalins medewerkers en een boetvaardig oppositionist, iets over de conferentie. “Daar zag ik voor het eerst Stalin. Het vertrek, waarin de conferentie plaats had, kon alle aanwezigen niet bevatten: een deel van het publiek stond in de gang en volgde de debatten door de open deur. Ik behoorde tot dat deel van het publiek en kon daarom het rapport niet zo goed volgen... Stalin trad op in naam van het Centraal Comité. Daar hij nogal zachtjes sprak kon ik in de gang niet veel opvangen van wat hij zei. Maar één ding merkte ik toch op: iedere zin van Stalin was scherp en op de man af, zijn uiteenzettingen vielen op door hun heldere formulering...”

De leden van de conferentie vertrokken en gingen naar hun fabrieken en hun regimenten teneinde de massa te weerhouden van een openbare betoging. “Om ongeveer vijf uur,” aldus rapporteerde Stalin na de gebeurtenis, “tijdens de zitting van het Centrale Uitvoerende Comité, verklaarde ik op de conferentie officieel uit naam van het Centrale Uitvoerende Comité, dat wij besloten hadden geen betoging te houden.” Maar desondanks begon de betoging om ongeveer zes uur. “Had de partij het recht haar handen in onschuld te wassen ... en zich afzijdig te houden?... Als de partij van het proletariaat hadden wij bij deze openbare betoging van het proletariaat tussenbeide moeten komen en haar een vreedzaam en georganiseerd karakter moeten geven, zonder op een gewapende poging om de macht te grijpen uit te zijn.” Enige tijd later vertelde Stalin op een partijcongres over de Julidagen: “De partij verlangde geen betoging, de partij wilde haar tijd afwachten, tot de politiek betreffende een offensief aan het front in diskrediet geraakt zou zijn. Maar desondanks had de elementaire betoging, veroorzaakt door de chaos in het land, door de bevelen van Kerenski en door het zenden van troepen naar het front, plaats.” Het Centraal Comité besloot de betoging een vreedzaam karakter te geven. “Op de door de soldaten gestelde vraag, of het toegestaan was gewapend de straat op te gaan, antwoordde het Centraal Comité ontkennend. Maar de soldaten zeiden dat het onmogelijk was ongewapend de straat op te gaan ... dat zij hun wapens alleen tot zelfverdediging mee wilden nemen.”

Op dit punt aangekomen stoten wij echter op de raadselachtige getuigenis van Djemjan Bjedny. Op triomfantelijke toon vertelde deze hofdichter in 1929, hoe Stalin op de kantoren van de Pravda werd opgebeld uit Kronstadt en hoe hij op de vraag, of men de straat op moest gaan zonder wapens of met wapens, ten antwoord gaf: “Geweren? ... Dat weten jullie immers zelf het best! ... Wij schrijvers nemen altijd onze wapens, de potloden, mee, waarheen wij ook gaan... Wat jullie en jullie wapens betreft, wel, dat weten jullie zelf het beste!...” Het verhaal is waarschijnlijk overdreven, maar men bespeurt er toch een korreltje waarheid in. In het algemeen was Stalin er toe geneigd, de bereidheid van de arbeiders en de soldaten om te vechten te onderschatten; hij had nu eenmaal nooit veel vertrouwen in de massa. Maar wanneer er dan toch een gevecht begon, of het nu op een plein in Tbilisi, in de Bakoese gevangenis of in de Petrogradse straten was, dan was hij er altijd op uit om dat gevecht zo hevig mogelijk te maken. En het besluit van het Centraal Comité? Wel, dat kon immers altijd nog met behulp van de gelijkenis van de potloden verdraaid worden. Maar ondanks alles moet men de betekenis van deze gebeurtenis niet overschatten. De vraag kwam waarschijnlijk van het Kronstadtse comité van de partij. De matrozen immers zouden in elk geval hun wapens hebben meegenomen.

Hoewel zich niet tot een opstand ontwikkelend, waren de Julidagen toch meer dan alleen maar een betoging. Vanuit ramen en vanaf daken werden schoten gelost, die de gemoederen nog meer opwonden. Gewapende botsingen, zonder enig doel of nut, deden zich voor en doodden of verwondden velen. De Peter- en Paulsvesting werd door toevallige omstandigheden voor de helft bezet door de Kronstadtse matrozen, het Tauridepaleis werd belegerd. De bolsjewieken bleken heer en meester te zijn in de hoofdstad, maar verwierpen de opstand na rijp beraad als te avontuurlijk. “Wij hadden op drie en vier juli de macht aan ons kunnen trekken,” zei Stalin op de Petrogradse conferentie. “Maar de fronten, de provincies en de sovjets zouden zich tegen ons hebben gekeerd. Zonder steun van de provincies zou onze regering geen handen en geen voeten hebben gehad.” De beweging begon te verlopen, nu er geen direct doel bleek te zijn. De arbeiders keerden terug naar hun fabrieken, de soldaten naar hun kazernes. Alleen het vraagstuk van de Peter- en Paulsvesting bleef nog over, want die werd nog steeds bezet gehouden door de Kronstadters. “Het Centraal Comité vaardigde mij af naar de Peter- en Paulsvesting,” heeft Stalin verteld, “waar het mij gelukte de matrozen er toe over te halen het niet op een gewapend treffen te laten aankomen... Als vertegenwoordiger van het Centrale Uitvoerende Comité ging ik met [de mensjewiek] Bogdanov naar [de bevelhebbend officier] Kozmin. Hij was gereed voor de strijd... Wij haalden hem er toe over niet tot wapengeweld over te gaan... Het werd mij duidelijk dat de rechtervleugel bloed wilde zien, om de arbeiders, soldaten en matrozen eens een ‘lesje’ te geven. Wij maakten het hun onmogelijk, deze wens in werkelijkheid om te zetten.” Alleen Stalin was in staat zulk een pijnlijke taak met succes ten uitvoer te brengen, omdat hij in de ogen der compromisten een aanvaardbare figuur was; hun haat richtte zich tegen andere figuren. Bovendien was hij als niemand anders er toe in staat, zich bij dergelijke onderhandelingen voor te doen als een bedaard en gematigd bolsjewiek, die excessen vermeed en steeds bereid was tot een compromis. Over zijn raad aan de matrozen wat de “potloden” betreft zal hij echter wel niet hebben gesproken.

De compromisten verklaarden de Julibetoging, in het licht van de feiten, tot een gewapende opstand en beschuldigden de bolsjewieken van samenzwering. Toen de beweging al reeds voorbij was, arriveerden er reactionaire troepen van het front. In de pers verscheen een bericht, steunend op documenten van de Minister van Justitie Pereverzev, dat Lenin en zijn medewerkers niets anders waren dan agenten van de Duitse generale staf. Toen begonnen de dagen van laster, vervolging en geweld. De kantoren van de Pravda werden vernield. De autoriteiten vaardigden een arrestatiebevel uit tegen Lenin, Zinovjev en anderen, die verantwoordelijk voor de “opstand” werden verklaard. De burgerlijke en de compromistische pers eisten, dat de schuldigen zich ter beschikking van de justitie zouden stellen. Er werd beraadslaagd in het Centraal Comité van de bolsjewieken: moest Lenin voor de autoriteiten verschijnen, om de laster openlijk te bestrijden, of moest hij zich verbergen? Zou men het tot een proces laten komen? Er was geen gebrek aan allerhande weifeling, een onvermijdelijk iets te midden van zulk een scherpe breuk in de toestand.

Het vraagstuk, wie Lenin “redde” in die dagen en wie hem zocht “ten val te brengen”, neemt geen kleine plaats in in de Sovjetliteratuur. Djemjan Bjedny vertelde enige tijd geleden, hoe hij zich per auto naar Lenin haastte en deze trachtte te overreden niet het voorbeeld te willen volgen van Christus, die “zich overleverde in de handen van zijn vijanden”. Bonch-Broejevitsj, de vroegere chef de bureau van de Sovnarkom [Raad van Volkscommissarissen], sprak zijn vriend volkomen tegen toen hij in de pers vertelde, hoe Djemjan Bjedny de kritieke uren doorbracht op zijn buitenverblijf in Finland. De logische gevolgtrekking, dat de eer Lenin te hebben gered “aan andere kameraden” toekomt, toont duidelijk aan dat Bonch genoopt werd zijn vriend af te vallen teneinde voldoening te geven aan iemand van meer invloed.

In haar herinneringen zegt Kroepskaja: “Op de 7e bezocht ik Lenin in de woning van de Alliloejevs, tezamen met Maria Iljinitsjna [Lenins zuster]. Het was juist op het ogenblik dat Iljitsj weifelde. Hij voerde argumenten aan ten gunste van de noodzakelijkheid voor het gerecht te verschijnen. Maria Iljinitsjna sprak hem heftig tegen. ‘Grigorii [Zinovjev] en ik hebben besloten te verschijnen. Ga dat aan Kamenev vertellen,’ zei Iljitsj tegen mij. Ik haastte mij. ‘Laten wij afscheid nemen,’ zei Vladimir Iljitsj, ‘misschien zien wij elkaar nooit meer.’ We omarmden elkaar. Ik ging naar Kamenev en bracht hem Vladimir Iljitsj’ boodschap over. Dezelfde avond overreedden Stalin en anderen Iljitsj, niet voor het gerecht te verschijnen, en daarmee redden zij zijn leven.”

Deze uren van beproeving zijn uitvoeriger beschreven door Ordzjonikidze. “Een wilde jacht op de leiders van onze partij begon... Sommige kameraden waren van mening dat Lenin zich niet moest verbergen, dat hij moest verschijnen... Vele vooraanstaande bolsjewieken redeneerden zo. Ik ontmoette Stalin in het Tauridepaleis. Samen gingen wij Lenin bezoeken...” Het eerste feit dat in het oog valt is, dat op dat ogenblik, toen “een wilde jacht op de leiders van onze partij” aan de gang was, Ordzjonikidze en Stalin elkaar rustig ontmoetten in het Tauridepaleis, het hoofdkwartier van de vijand, en dat zij het ongehinderd weer verlieten. In de woning van Alliloejev werden dezelfde argumenten weer naar voren gebracht: zich overgeven of verbergen? Lenin veronderstelde dat het niet tot een openbaar proces zou komen. Uitdrukkelijker dan ieder ander was Stalin tegen een overgave: “De Junkers [studenten van de krijgsschool] zouden je niet eens de gevangenis laten bereiken, maar je onderweg doden...” Op dat ogenblik kwam Stassova binnen met het nieuwste gerucht: Lenin was, volgens de documenten van het Politiedepartement, een provocateur. “Deze woorden maakten een ongelooflijk diepe indruk op Lenin. Een zenuwachtige trilling ging over zijn gezicht en hij verklaarde met de grootste beslistheid dat hij naar de gevangenis moest.” Ordzjonikidze en Nogin werden naar het Tauridepaleis gestuurd om te trachten, van de partijen die de macht in handen hadden, de garantie los te krijgen, “dat Iljitsj niet onderweg zou worden gelyncht ... door de Junkers”. Maar de angstig geworden mensjewieken zochten alleen maar garanties voor zich zelf. Stalin deelde op zijn beurt op de Petrogradse conferentie mede: “Ik vroeg persoonlijk aan Lieber en Anissimov [mensjewieken, leden van het Centrale Uitvoerende Comité van de Sovjets] een verklaring op te stellen, maar zij antwoordden dat zij geen waarborgen van welke aard ook konden geven.” Na deze poging in het kamp van de vijand werd besloten, dat Lenin Petrograd zou verlaten en zou onderduiken. “Stalin nam op zich Lenins vertrek te regelen.”

In hoeverre degenen, die er tegen waren, dat Lenin zich ter beschikking van de autoriteiten zou stellen, gelijk hadden, werd later bewezen door het verhaal van de commanderend officier, generaal Polovtsev. “De officier, die naar Terioki [Finland] ging in de hoop Lenin te grijpen, vroeg mij of ik dat heerschap heel of in stukken wilde ontvangen... Ik antwoordde glimlachend dat gearresteerde personen dikwijls trachten te ontsnappen.” Voor de organisators van de gerechtelijke farce ging het niet om de “gerechtigheid” maar om het grijpen en doden van Lenin, zoals dat twee jaar later in Duitsland geschiedde met Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg. Stalin was meer dan de anderen overtuigd van de onvermijdelijkheid van een bloedige weerwraak; een dergelijke oplossing was geheel in overeenstemming met zijn eigen gedachtegang. Bovendien was hij niet de man om er zich druk over te maken, wat de “openbare mening” er van zou zeggen. Anderen, waaronder Lenin en Zinovjev, weifelden. Nogin en Loenatsjarski werden in de loop van de dag tegenstanders van overgave, na er eerst vóór te zijn geweest. Stalin bleef standvastiger dan de anderen bij zijn mening en bleek later gelijk gehad te hebben.

Laten wij nu eens zien wat de Sovjet-Russische geschiedschrijving van de laatste jaren van deze dramatische periode heeft gemaakt. “De mensjewieken, de sociaal-revolutionairen en Trotski, die later een fascistisch bandiet werd,” zo schrijft een officiële publicatie van 1933, “eisten dat Lenin vrijwillig voor het hof zou verschijnen. Ook Kamenev en Rykov, die zich later als vijanden van het volk en fascistische huurlingen hebben ontpopt, waren er vóór. Stalin bestreed hen met hand en tand,” en zo voort. Het is een feit dat ik persoonlijk part noch deel had aan die conferenties, omdat ik zelf in die dagen genoodzaakt was mij te verbergen. Op 10 juli wendde ik mij schriftelijk tot de regering van mensjewieken en sociaal-revolutionairen; daarbij verklaarde ik mij volkomen solidair met Lenin, Zinovjev en Kamenev, en op 22 juli werd ik gearresteerd. In een brief aan de Petrogradse conferentie achtte Lenin het nodig speciaal te vermelden, dat “gedurende de moeilijke Julidagen (Trotski) tegen de situatie opgewassen bleek”. Stalin werd niet gearresteerd en zelfs niet formeel in staat van beschuldiging gesteld, om de eenvoudige reden dat hij politiek niet bestond voor de autoriteiten noch voor de openbare mening. Gedurende de felle vervolging van Lenin, Zinovjev, Kamenev, mijzelf en anderen werd Stalin nauwelijks genoemd in de pers, ofschoon hij redacteur was van de Pravda en zijn artikelen ondertekende. Niemand schonk echter ook maar de minste aandacht aan die artikelen en niemand interesseerde zich voor de schrijver er van.

Lenin hield zich eerst schuil in de woning van Alliloejev en verhuisde toen naar Sestroretsk, waar hij verbleef bij de arbeider Emeljanov, die hij onvoorwaardelijk vertrouwde en over wie hij in een van zijn artikelen met eerbied spreekt, zonder echter zijn naam te noemen. “Bij Vladimir Iljitsj’ vertrek naar Sestroretsk – dat plaats had op de avond van 11 juli -,” vertelt Alliloejev, “vergezelden kameraad Stalin en ik Iljitsj naar het station. Tijdens zijn verblijf in de tent te Razliw, en later in Finland, zond Lenin van tijd tot tijd via mij brieven aan Stalin. De brieven werden aan mijn woning bezorgd en daar het noodzakelijk was deze brieven onmiddellijk te beantwoorden, trok Stalin in de maand augustus bij mij in en woonde hij bij mij in dezelfde kamer, waarin Vladimir Iljitsj zich tijdens de Julidagen had schuil gehouden.” Daar ontmoette hij waarschijnlijk zijn toekomstige vrouw, Alliloejevs dochter Nadezjda, die toentertijd nog maar een aankomend meisje was. Een andere veteraan onder de bolsjewistische arbeiders, Rahia, een gerussificeerde Fin, vertelde in een geschrift hoe Lenin hem eens had opgedragen, “Stalin de volgende avond bij hem te brengen. Ik zou hem wel vinden op het kantoor van de Pravda. Zij spraken zeer lang.” Met Kroepskaja was Stalin gedurende die tijd een belangrijke schakel tussen het Centraal Comité en Lenin, die hem ongetwijfeld volkomen vertrouwde als een voorzichtig samenzweerder. Alle omstandigheden echter drongen Stalin als vanzelf in die rol: Zinovjev moest zich schuil houden, Kamenev en ik waren in de gevangenis, Sverdlov was belast met al het organisatorische werk. Stalin was dus vrijer dan de anderen en werd door de politie niet zo in het oog gehouden.

Gedurende de periode van reactie na de Julibeweging werd Stalins rol aanzienlijk belangrijker. Pestkovski schreef in zijn apologetische herinneringen over Stalins werk in de zomer van 1917: “De werkende massa van Petrograd kende Stalin toen nog slechts weinig. Hij zocht dan ook niet de bijval van het volk. Omdat hij geen oratorische talenten bezat, vermeed hij het zich tot massavergaderingen te wenden. Maar geen partijconferentie, geen belangrijke organisatorische bijeenkomst ging voorbij zonder een politieke redevoering van Stalin. En daardoor kenden de activisten van de partij hem goed. Toen het vraagstuk betreffende de Petrogradse bolsjewistische kandidaten voor de Wetgevende Vergadering aan de orde kwam, werd de kandidatuur van Stalin op initiatief van de partijactivisten op een van de bovenste plaatsen gezet.” Stalins naam prijkte op de Petrogradse lijst op de zesde plaats... Nog in 1930 werd het, om Stalins gebrek aan populariteit te verklaren, nodig geacht naar voren te brengen dat hij gespeend was van “oratorisch talent”. Momenteel zou een dergelijke uitdrukking een volslagen onmogelijkheid zijn: Stalin is immers tot de afgod van de Petrogradse arbeiders geproclameerd en tot een klassiek redenaar. Maar het is waar dat Stalin, ofschoon hij niet voor het volk trad, naast Sverdlov in juli en augustus buitengewoon belangrijk werk verrichtte op het hoofdkwartier, op bijeenkomsten en conferenties, bij contact met het Petersburgse comité, en zo meer.

Over de leiding van de partij tijdens deze periode schreef Loenatsjarski in 1923: “...Tot de Julidagen was Sverdlov om zo te zeggen belast met alles wat er op het voornaamste hoofdkwartier van de bolsjewieken gebeurde, samen met Lenin, Zinovjev en Stalin. Tijdens de Julidagen kwam hij aan de spits te staan.” Dat was waar. Midden in de wrede vernietiging, die de partij trof, deed dat donkere, gebrilde mannetje alsof er niets onaangenaams gebeurd was. Hij bleef de mensen taken aanwijzen, bemoedigde hen die bemoediging nodig hadden, gaf adviezen en, zo nodig, ook wel bevelen. Hij was de ware “secretaris-generaal” van de partij in het revolutionaire jaar, ofschoon hij niet die titel had. Maar hij was secretaris van een partij wier onaantastbare politieke leider, Lenin, ondergedoken was. Vanuit Finland zond Lenin artikelen, brieven en ontwerpen voor resoluties over alle grondkwesties van de politiek. Ofschoon het feit dat hij op een afstand verbleef, hem nogal eens tactische fouten deed begaan, stelde het hem er ook toe in staat de strategie van de partij des te zekerder te bepalen. De dagelijkse leiding echter kwam neer op Sverdlov en Stalin, als de meest invloedrijke nog in vrijheid zijnde leden van het Centraal Comité. De massabeweging was intussen aanmerkelijk zwakker geworden. De helft van de partij was ondergedoken. Het overwicht van de machine was in een zelfde mate toegenomen. En in de machine groeide de rol van Stalin automatisch. Deze wet werkt onveranderlijk door zijn gehele politieke levensbeschrijving en vormt daarvan als het ware de stuwende kracht.

Het waren de arbeiders en soldaten van Petrograd, die in juli de directe nederlaag leden. Het was uiteindelijk hun onstuimigheid, die te pletter gelopen was tegen de achterlijkheid van de provincies. De defaitistische geest was daarom in de massa van de hoofdstad veel dieper doorgedrongen dan elders. Maar dat duurde slechts enige weken. De openlijke agitatie werd reeds hervat in midden juli, toen er op kleine vergaderingen in verschillende delen van de stad drie moedige revolutionairen begonnen op te treden: Sloetski, die later in de Krim door wit-gardisten werd gedood, Volodarski, door de sociaal-revolutionairen in Petrograd gedood, en Jevdokimov, gedood door Stalin in 1936. Na hier en daar toevallige medestanders verloren te hebben, begon de partij aan het eind van de maand weer te groeien.

Op 21 en 22 juli werd in Petrograd een buitengewoon belangrijke bijeenkomst gehouden, die zowel bij de autoriteiten als bij de pers onopgemerkt bleef. Na de tragische mislukking van het avontuurlijke offensief kwamen er steeds meer afgevaardigden van het front naar de hoofdstad met protesten tegen de onderdrukking van de zojuist verworven vrijheden, en tegen de voortzetting van de oorlog. Zij werden echter niet bij het Centrale Uitvoerende Comité toegelaten, omdat de compromisten hun niets te zeggen hadden. De soldaten van het front maakten kennis met elkaar in de gangen en de ontvangzalen en wisselden er in kernachtige soldatentaal hun meningen uit over de grootheden van het Centrale Uitvoerende Comité. De bolsjewieken, die er slag van hadden overal munt uit te slaan, rieden de hevig teleurgestelde en verontwaardigde afgevaardigden aan, de toestand te bespreken met de arbeiders, soldaten en matrozen van de hoofdstad. De hieruit tot stand gekomen conferentie werd bijgewoond door vertegenwoordigers van 29 frontregimenten, 70 Petrogradse fabrieken, de Kronstadtse matrozen en verscheidene garnizoenen uit de omtrek. De frontsoldaten vertelden over het zinloze offensief, over het bloedvergieten en over de samenwerking tussen de compromistische commissarissen en de reactionaire officieren, die al weer een hoge borst begonnen op te zetten. Ofschoon de meeste frontsoldaten zich nog als sociaal-revolutionairen bleven beschouwen, werd de in scherpe bewoordingen gestelde bolsjewistische resolutie eenstemmig aanvaard. Van Petrograd gingen de afgevaardigden terug naar de loopgraven als weergaloze agitators voor een revolutie van arbeiders en boeren. Het ziet er naar uit dat de leidende rol in de organisatie van deze belangrijke bijeenkomst werd gespeeld door Sverdlov en Stalin.

De Petrogradse conferentie, die tevergeefs had getracht de massa van betogingen te weerhouden, duurde nog voort, zij het na een aanzienlijke onderbreking, tot de avond van 20 juli. Het verloop van haar werkzaamheden werpt een tamelijk goed licht op Stalins rol en zijn plaats in de partij. De organisatorische leiding berustte bij Sverdlov, die zonder pretenties en zonder een vals air van bescheidenheid de theorieën en belangrijke politieke vraagstukken aan anderen overliet. De conferentie hield zich voornamelijk bezig met het zoeken naar een juiste waardebepaling van de politieke toestand, zoals die zich na het bloedbad van juli ontwikkelde. Volodarski, een vooraanstaand lid van het Petrogradse comité, verklaarde reeds bij het eerste begin: “Op dit ogenblik kan alleen Zinovjev rapporteur zijn... Het zou goed zijn Lenin te horen...” Niemand noemde Stalin. De conferentie, afgebroken door de massabeweging, werd eerst op 16 juli weer hervat. Toen waren Zinovjev en Lenin echter ondergedoken en moest het politieke rapport worden uitgebracht door Stalin, die als plaatsvervanger voor Zinovjev optrad. “Het is mij duidelijk,” zo zei hij, “dat op dit ogenblik de contrarevolutie ons heeft overwonnen. Wij zijn in de steek gelaten door de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen, belogen...” De rapporteur ging voornamelijk uit van de overwinning der burgerlijke contrarevolutie. Het was echter een onzekere overwinning; zo lang de oorlog duurde, zo lang de economische crisis niet overwonnen was, zo lang de boeren nog geen land ontvangen hadden, “moeten er wel crisissen zijn, zal de massa steeds weer de straat op stromen, en, meer nog, zullen er nog heviger gevechten plaats vinden. De vredige periode van de revolutie is voorbij...” Vandaar ook, dat de leuze “Alle macht aan de sovjets” niet langer bruikbaar was. De compromistische sovjets hadden de militaristische burgerlijke contrarevolutie geholpen de bolsjewieken te overweldigen en de arbeiders en soldaten te ontwapenen, en op die manier hadden ze zelf alle werkelijke macht verspeeld. Gisteren nog hadden zij de Voorlopige Regering eenvoudigweg met een decreet opzij kunnen schuiven; in de sovjets hadden de bolsjewieken zich van de macht kunnen meester maken door gewone tussentijdse verkiezingen. Maar nu was dat niet meer mogelijk. Geholpen door de compromisten had de contrarevolutie zich gewapend. De sovjets dienden slechts als camouflage voor de contrarevolutie. Het zou dwaasheid zijn, voor deze sovjets de macht op te eisen! “Niet een instelling, maar de klassepolitiek die een instelling voert is van belang.” Een vreedzame verovering van de macht was nu uitgesloten. Er bleef niets anders meer over dan zich voor te bereiden op een gewapende opstand, die mogelijk zou worden, zodra de eenvoudige dorpelingen en met hen de soldaten aan de fronten zich bij de arbeiders zouden aansluiten. Maar dit vermetele strategische perspectief werd gevolgd door een uiterst voorzichtige richtlijn betreffende de voor de deur staande periode. “Het is onze taak, krachten te verzamelen, de bestaande organisaties te versterken en de massa te weerhouden van voorbarige betogingen... Dat is de algemene tactische lijn van het Centraal Comité.”

Dit rapport, ofschoon elementair van vorm, bevatte een diepgaande bepaling van de toestand, zoals die zich binnen enkele dagen had ontwikkeld. De debatten voegden betrekkelijk weinig toe aan dat wat de rapporteur had gezegd. In 1927 schreven de uitgevers van de notulen: “Over de voornaamste stellingen bestond volledige overeenstemming met Lenin en zij werden uitgewerkt aan de hand van Lenins artikel ‘Drie Crises’, dat nog niet in druk had kunnen verschijnen.” Bovendien wisten de meeste afgevaardigden, waarschijnlijk van Kroepskaja, dat Lenin voor de rapporteur speciale stellingen had geschreven. “De confererenden,” zo verklaren de notulen, “verlangden dat Lenins stellingen openbaar gemaakt zouden worden. Stalin zei dat hij die stellingen niet bij zich had...” Het verlangen van de afgevaardigden is maar al te begrijpelijk: de koersverandering was zó radicaal, dat zij de authentieke stem van hun leider wilden horen. Maar Stalins antwoord is onbegrijpelijk: als hij de stellingen eenvoudig thuis had gelaten, zou hij ze de volgende zitting hebben kunnen voorleggen; zij werden echter nooit voorgelegd. Op deze manier werd de indruk gevestigd dat zij voor de conferentie verborgen werden gehouden. Nog verbazingwekkender is echter het feit dat de “Julistellingen”, geheel anders dan alle andere geschriften, door Lenin in zijn onderduiktijd geschreven, tot de dag van vandaag nog nooit zijn gepubliceerd. En daar het enige exemplaar er van in Stalins bezit was, moeten wij aannemen dat hij ze verloren heeft. Hij zelf zei er echter niets van, dat hij ze verloren had. De uitgevers van de notulen veronderstellen dat Lenins stellingen door hem werden opgesteld in de geest van zijn artikelen “Drie Crises” en “Over Leuzen”, geschreven vóór de conferentie, maar eerst er na uitgegeven te Kronstadt, waar nog persvrijheid bestond. En het is een feit, dat een tekstvergelijking aantoont, dat Stalins rapport niet méér was dan een simpele weergave van deze twee artikelen, zonder dat er ook maar één oorspronkelijk woord door hem was toegevoegd. Waarschijnlijk had Stalin de artikelen zelf niet gelezen en vermoedde hij niet eens hun bestaan; maar hij gebruikte de stellingen, die in hun gedachtegang gelijk waren aan de artikelen, en deze omstandigheid verklaart voldoende waarom de rapporteur “vergat” Lenins stellingen mee te brengen naar de conferentie en waarom dat document niet bewaard is gebleven. Stalins karakter maakte deze veronderstelling niet slechts geoorloofd, maar zelfs onvermijdelijk.

In het conferentiecomité, waar een felle strijd gaande was, kreeg Volodarski, die weigerde toe te geven dat de contrarevolutie in juli een beslissende overwinning had behaald, een meerderheid op zijn hand. De resolutie, die nu uit het comité voortkwam, werd niet meer voor de conferentie verdedigd door Stalin, maar door Volodarski. Stalin vroeg niet om een minderheidsrapport en nam geen deel aan de debatten. Er was verwarring onder de afgevaardigden. Volodarski’s resolutie werd ten slotte aangenomen met 28 tegen 3 stemmen, en 28 onthoudingen. De Viborgse afgevaardigden verklaarden hun onthouding door het feit dat “Lenins stellingen niet openbaar gemaakt waren en de resolutie niet door de rapporteur verdedigd werd”. De toespeling op het onbehoorlijke verborgen houden van de stellingen was duidelijk genoeg. Stalin zei niets. Hij had een dubbele nederlaag geleden, daar hij ontevredenheid had gewekt door het achterhouden van de stellingen en er ook geen meerderheid voor kon verwerven.

Wat Volodarski betrof: hij bleef in hoofdzaak het bolsjewistische schema voor de revolutie van 1905 verdedigen: ten eerste de democratische dictatuur; dan de onvermijdelijke breuk met de boerenstand; en, in geval van een overwinning van het proletariaat in het westen, de strijd voor de socialistische dictatuur. Stalin, gesteund door Molotov en enige anderen, verdedigde Lenins nieuwe opvatting: slechts de dictatuur van het proletariaat, gesteund door de armste boeren, kan een vervulling van de taken der democratische revolutie verzekeren en tegelijkertijd het tijdperk van socialistische hervormingen openen. Stalin had gelijk, dat hij tegen Volodarski was, maar hij wist niet hoe hij dat bewijzen moest. Aan de andere kant had Volodarski gelijk, tegen zowel Lenin als Stalin in, waar hij weigerde te erkennen dat de burgerlijke contrarevolutie een beslissende overwinning had behaald. Het desbetreffende debat zou enige dagen later, op het partijcongres, weer opgenomen worden. De conferentie eindigde met het aannemen van een door Stalin geschreven motie “Aan al de zwoegers”, waarin o.a. te lezen was: “...De corrupte huurlingen en laffe lasteraars durven openlijk de leiders van onze partij van ‘verraad’ te beschuldigen... Nog nooit tevoren zijn de namen van onze leiders de arbeidersklasse zo dierbaar geweest als op het ogenblik, nu het onbeschaamde burgerlijke janhagel hen met modder gooit!” Behalve Lenin waren de voornaamste slachtoffers van laster en vervolging Zinovjev, Kamenev en ik zelf. Deze namen waren Stalin vooral dierbaar, “wanneer het burgerlijk janhagel” hen met modder gooide.

De Petrogradse conferentie was eigenlijk een soort repetitie voor het partijcongres, dat op 26 juli bijeenkwam. Op dat ogenblik waren bijna alle districtssovjets van Petrograd in handen van de bolsjewieken. In de hoofdkwartieren van de vakverenigingen zowel als in de fabrieks- en werkplaatscomités was de invloed van de bolsjewieken overheersend geworden. De organisatorische voorbereiding voor het congres was geconcentreerd in de handen van Sverdlov. De politieke voorbereiding werd door Lenin vanuit de ondergrondse geleid. In brieven aan het Centraal Comité en in de bolsjewistische pers, die weer begon te verschijnen, wierp hij van verschillende hoeken licht op de politieke toestand. Hij was het, die de ontwerpen schreef voor alle belangrijke resoluties voor het congres, na op clandestiene samenkomsten met de verschillende rapporteurs alle argumenten zorgvuldig te hebben overwogen.

Het congres werd “Verenigend” genoemd, omdat tijdens het congres de opneming in de partij zou plaatsvinden van de Petrogradse interdistrict-organisatie [Mezjrayonnaja], waartoe behoorden Joffe, Oeritski, Rjazanov, Loenatsjarski, Prokovski, Manoeïlski, Joerenev, Karachan en ik, alsmede andere revolutionairen, die op de een of andere manier hun intrede deden in de geschiedenis van de Sovjetrevolutie. “Tijdens de oorlogsjaren,” zo luidt een voetnoot in Lenins Werken, “stonden de interdistricters [Mezjrayontsy] dicht bij het bolsjewistische Petersburgse comité.” Ten tijde van het congres telde de organisatie ongeveer 4000 arbeiders.

Nieuws over het congres, dat semi-legaal in twee verschillende arbeiderswijken bijeenkwam, kwam in de kranten. In regeringskringen werd er over gesproken het uiteen te jagen. Maar toen het daar op aan kwam, besloot Kerenski dat het verstandiger was, het Viborgdistrict ongemoeid te laten.

Bij het grote publiek waren toen de namen van degenen die op het congres de leiding hadden, onbekend. Onder de later beroemd geworden bolsjewieken op het congres waren Sverdlov, Boecharin, Stalin, Molotov, Vorosjilov, Ordzjonikidze, Joerenev, Manoeïlski... Het presidium bestond uit Sverdlov, Olminski, Lomov, Joerenev en Stalin. Zelfs hier, waar de meest vooraanstaande figuren van het bolsjewisme ontbreken, staat Stalins naam op de laatste plaats. Het congres besloot groeten te zenden aan “Lenin, Trotski, Zinovjev, Loenatsjarski, Kamenev, Kollontaj en alle andere gearresteerde en vervolgde kameraden”. Zij werden gekozen tot erepresidium. De uitgave van 1938 maakt echter alleen melding van Lenins verkiezing.

Sverdlov rapporteerde over het organisatorische werk van het Centraal Comité. Sinds de Aprilconferentie was de partij gegroeid van 80.000 tot 240.000 leden, m.a.w. het ledental was verdriedubbeld. De groei, onder de stormvlagen van juli, was een gezonde groei. Verbazingwekkend in haar onbelangrijkheid was echter de totale oplage van de gehele bolsjewistische pers: slechts driehonderd en twintigduizend exemplaren voor een dergelijk reusachtig land! Maar een revolutionaire vonk springt over: de bolsjewistische denkbeelden vonden hun weg naar het bewustzijn van miljoenen.

Stalin herhaalde twee van zijn rapporten: dat over de politieke werkzaamheid van het Centraal Comité en dat over de toestand van het land. Sprekend over de gemeentelijke verkiezingen, waarbij de bolsjewieken in de hoofdstad ongeveer 20 % van de stemmen hadden veroverd, zei Stalin: “Het Centraal Comité ... deed zijn uiterste best, niet alleen de constitutioneel-democraten, de voornaamste steunpilaren van de contrarevolutie, maar tevens de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen, die nolens volens achter hen aan liepen, te bestrijden.” Er was veel water onder de brug doorgestroomd sinds de dagen van de Maartconferentie, toen Stalin de mensjewieken en sociaal-revolutionairen had beschouwd als een deel van “de revolutionaire democratie” en op de constitutioneel-democraten had gerekend om de veroveringen van de revolutie te “bevestigen”.

Tegen de gewoonte in werden de vraagstukken betreffende de oorlog, het sociaalpatriottisme, de ineenstorting van de Tweede Internationale en de groeperingen in de boezem van het wereldsocialisme uit het politieke rapport gelaten en de behandeling van deze vraagstukken opgedragen aan Boecharin, omdat Stalin van internationale aangelegenheden totaal geen verstand had. Boecharin betoogde dat de campagne voor vrede door middel van “druk” op de Voorlopige Regering en de andere regeringen van de Entente volkomen gefaald had en dat alleen de omverwerping van de Voorlopige Regering op korte termijn de mogelijkheid kon scheppen tot een democratische liquidatie van de oorlog. Na Boecharin rapporteerde Stalin over de taken van de partij. Er werd gedebatteerd over beide rapporten tezamen, hoewel het al spoedig duidelijk werd dat de twee rapporteurs het niet met elkaar eens waren.

“Enige kameraden hebben betoogd,” zo rapporteerde Stalin, “dat het utopistisch is, de kwestie van de socialistische revolutie te stellen, omdat het kapitalisme in ons land zich slechts weinig ontwikkeld heeft. Zij zouden gelijk gehad hebben als er geen oorlog was geweest, geen ineenstorting, als de grondslagen van de nationale economie niet waren uiteengevallen. Maar op de dag van vandaag worden deze kwesties over een ingrijpen in de economische sfeer in alle landen gesteld, daar het noodzakelijke kwesties zijn...” Bovendien, “nergens had het proletariaat zulke breed opgezette organisaties als de sovjets... Dit alles sluit de mogelijkheid uit dat de arbeidende massa van een ingrijpen in het economisch leven zou afzien. Daarin ligt de realistische grondslag voor het stellen van de kwestie der socialistische revolutie in Rusland”.

Verbazing wekt de duidelijke ongerijmdheid van zijn hoofdargument: als de zwakke ontwikkeling van het kapitalisme het program van de socialistische revolutie utopistisch maakt, zou de vernietiging van de productieve krachten door de oorlog het tijdperk van het socialisme niet dichterbij brengen, maar het integendeel verder verwijderen dan ooit. In feite is het streven de democratische revolutie in een socialistische om te vormen, niet gebaseerd op de vernietiging van de productieve krachten door oorlog, maar in de structuur van het Russische kapitalisme. Deze neiging zou vóór de oorlog kunnen worden geconstateerd – wat ook inderdaad geschiedde – en onafhankelijk er van. Het is waar dat de oorlog het revolutionaire proces in de massa verhaastte en het tempo er van belangrijk versnelde, maar hij bracht niet de minste verandering in het sociale gehalte van de revolutie. Er moet echter aan worden toegevoegd dat Stalin zijn argumentatie ontleende aan enige losse en onuitgewerkte opmerkingen van Lenin, wiens doel het was aan de oude kaders de noodzaak van een herbewapening duidelijk te maken.

Tijdens de debatten trachtte Boecharin ten dele het oude bolsjewistische schema te verdedigen: in de eerste revolutie marcheerde het Russische proletariaat schouder aan schouder met de boerenstand, in naam van de democratie; in de tweede revolutie – schouder aan schouder met het Europese proletariaat, in naam van het socialisme. “Wat is de zin van Boecharins perspectief?” wierp Stalin tegen. “Volgens hem werken wij in het eerste stadium voor een boerenrevolutie. Maar die moet immers ... samengaan met de arbeidersrevolutie. Het is onmogelijk dat de arbeidende klasse, die de voorhoede vormt van de revolutie, er van zou afzien te vechten voor haar eigen eisen. Daarom beschouw ik Boecharins schema als onbezonnen.” Dat was volkomen waar. De boerenrevolutie kon niet anders zegevieren dan door het proletariaat aan de macht te brengen. En het proletariaat kon de macht niet aanvaarden, zonder een aanvang te maken met de socialistische revolutie. Stalin maakte tegen Boecharin gebruik van dezelfde argumenten, die, voor het eerst ontvouwd in het begin van 1905, tot april 1917 werden gebrandmerkt als “utopistisch”. Maar Stalin zou de argumenten, die hij op het Zesde Congres liet horen, enige jaren later al weer vergeten; hij zou integendeel, tezamen met Boecharin, de formule betreffende de “democratische dictatuur” weer doen herleven, de formule die een belangrijke plaats zou innemen in het programma van de Komintern en die een noodlottige rol zou spelen in de revolutionaire beweging van China en van andere landen.

Het was de voornaamste taak van het congres, de stelling over een vreedzame overgang van de macht naar de sovjets te veranderen in een bereidheid tot de gewapende opstand. En om dat te doen was het allereerst noodzakelijk de verschuiving in de onderlinge krachtsverhouding te begrijpen, die had plaats gehad. De algemene richting van die verschuiving was duidelijk: van het volk naar de bourgeoisie. Het was echter veel moeilijker vast te stellen welke omvang die verandering had aangenomen: alleen in een nieuwe openlijke botsing tussen de klassen zou men de nieuwe verhouding der krachten kunnen meten. Deze proef kwam tegen het eind van augustus in de vorm van generaal Kornilovs oproer, hetwelk onmiddellijk aantoonde dat de bourgeoisie nog altijd niet gesteund werd door het volk of door het leger. De verschuiving van juli was bijgevolg slechts oppervlakkig en van voorbijgaande aard, maar desondanks was zij werkelijk genoeg. Bijgevolg was het echter ook ondenkbaar een vreedzame overgang van de macht naar de sovjets te veronderstellen. Toen Lenin de nieuwe koers formuleerde, was hij er vooral op uit de partij de veranderde krachtsverhouding zo resoluut mogelijk voor ogen te stellen. In zekere zin overdreef hij opzettelijk: het is gevaarlijker de krachten van de vijand te onder- dan te overschatten. Maar een te overdreven waardebepaling zou het congres hebben doen terugschrikken, zoals dat op de Petrogradse conferentie was gebeurd, vooral door Stalins al te simplistische weergave van Lenins denkbeelden.

“De toestand is duidelijk,” zei Stalin. “Niemand spreekt meer over tweevoudig gezag. De sovjets, die eens een werkelijke macht vormden, zijn nu nog slechts machteloze organen voor het bijeenbrengen van de massa.” Sommige afgevaardigden hadden volkomen gelijk met hun protest, dat de triomf van de reactie in juli tijdelijk was, dat de contrarevolutie niet had gezegevierd en dat tweevoudig gezag nog niet was afgeschaft ten voordele van de bourgeoisie. Stalin beantwoordde deze argumenten op dezelfde manier als hij dat had gedaan op de conferentie, nl. met de dooddoener: “Tijdens de revolutie bestaat er geen reactie.” In feite bestaat de gang van iedere revolutie uit bijzondere curven van rijzing en daling. Tegenstoten van de vijand, of voortkomend uit de achterlijkheid van de massa zelf, die het regime meer geschikt maken voor de behoeften van de contrarevolutionaire klasse, brengen reactie voort, zonder echter de machthebber te doen verdwijnen. Maar de overwinning van de contrarevolutie is iets heel anders: die is niet denkbaar zonder dat macht overgaat in handen van een andere klasse. In juli had er zulk een beslissende overgang niet plaats. Tot op de huidige dag blijven de Sovjet-Russische geschiedschrijvers en commentators Stalins formule van boek tot boek herhalen, zonder zich de vraag te stellen: als in juli de macht was overgegaan in handen van de bourgeoisie, waarom moest dan de bourgeoisie in augustus haar toevlucht nemen tot een opstand? Tot aan de Juligebeurtenissen, tijdens het regime van het tweevoudig gezag, was de Voorlopige Regering slechts een fantoom, terwijl de werkelijke macht berustte bij de sovjets. Na de Juligebeurtenissen ging een gedeelte van de werkelijke macht van de sovjets over naar de bourgeoisie, maar slechts een gedeelte: het tweevoudig gezag verdween niet. Dat was wat later het karakter van de Oktoberrevolutie bepaalde.

“Wanneer de contrarevolutionairen het zouden klaarspelen zich een of twee maanden te handhaven,” zei Stalin verder, “zou dat alleen geschieden omdat het coalitieprincipe nog niet was verworpen. Als de krachten van de revolutie zich ontwikkelen, zullen zich explosies voordoen, en het ogenblik zal komen waarop de arbeiders zich zullen verheffen en de arme boeren om zich zullen verzamelen, waarop zij de vaan van de arbeidersrevolutie ontplooien en het tijdvak van de socialistische revolutie inluiden in het westen.” Laten wij noteren: het is de zending van het Russische proletariaat, “het tijdvak van de socialistische revolutie in het westen” in te luiden. Dat was de partijformule voor de volgende jaren. In alle hoofdzaken geeft Stalins rapport de juiste waardering van de toestand en de juiste prognose – Lenins waardering en Lenins prognose. Maar zoals gewoonlijk zijn de in het rapport vervatte gedachten niet uitgewerkt. De redenaar verkondigt en beweert, maar nooit bewijst hij iets en nooit voert hij argumenten aan. Zijn waardebepalingen zijn gemaakt door de praktijk of klaargemaakt overgenomen; zij gaan niet door het laboratorium van het analytisch denken en er is geen aanwijzing te vinden voor het bestaan tussen hen van dat organisch verband, dat zelf al reeds de nodige argumenten, analogieën en illustreren voortbrengt. Stalin, een polemicus, heeft de gewoonte reeds tot uitdrukking gebrachte stellingen nog eens te herhalen, soms in de vorm van aforismen, die alles wat bewezen moet worden beschouwen als reeds bewezen. Dikwijls zijn de argumenten gekruid met onbeschoftheid, vooral in de peroratie, wanneer hij niet meer behoeft te vrezen voor tegenwerpingen van een tegenstander.

In een geschrift uit 1938 over het Zesde Congres lezen wij: “Lenin, Stalin, Sverdlov, Dzerzjinski en anderen werden gekozen als leden van het Centraal Comité.” Slechts drie, thans allen overleden mannen worden naast Stalin genoemd. De notulen van het congres vertellen ons echter dat er 21 leden en 10 plaatsvervangers werden gekozen voor het Centraal Comité. Met het oog op de slechts halve legaliteit van de partij werden de namen van de bij geheime stemming gekozen personen niet aan het congres bekend gemaakt, met uitzondering van de vier, die het grootste aantal stemmen hadden verworven: Lenin 133 (het maximum was 134), Zinovjev 132, Kamenev 131 en Trotski eveneens 131. Behalve dezen werden de volgenden gekozen: Nogin, Kollontaj, Stalin, Sverdlov, Rykov, Boebnov, Artem, Oeritski, Miloetin, Berzin, Dzerzjinski, Krestinski, Moeranov, Smilga, Sokolnikov en Sja’oemjan[1]. De namen zijn gerangschikt naar het aantal er op uitgebrachte stemmen. De namen van 8 plaatsvervangers zijn met zekerheid vastgesteld: Lomov, Joffe, Stassova, Jakovleva, Dzjaparidze, Kisselev, Preobrazhenski en Skrypnik.

Het congres eindigde op 3 augustus. De volgende dag kwam Kamenev uit de gevangenis vrij. Vanaf dat ogenblik sprak hij niet alleen geregeld in sovjetinstellingen, maar oefende hij tevens een onmiskenbare invloed uit op de algemene politiek van de partij en op Stalin persoonlijk. Ofschoon beiden zich, zij het in verschillende mate, bij de nieuwe koers hadden aangesloten, was het voor hen niet zo gemakkelijk zich van hun eigen geestesgewoonten los te maken. Waar het maar mogelijk was verwijderde Kamenev de scherpe hoeken van Lenins politiek. Stalin had daartegen geen bezwaar; hij trachtte eenvoudig buiten schot te blijven. Een openlijk conflict laaide op naar aanleiding van de socialistische conferentie te Stockholm, waarvoor het initiatief was uitgegaan van de Duitse sociaaldemocraten. De Russische patriotten en compromisten, bereid zich aan iedere strohalm vast te grijpen, zagen in die conferentie een belangrijk middel om “de vrede te bevechten”. Maar Lenin, die er van beschuldigd was in verbinding te staan met de Duitse generale staf, verhief vastberaden zijn stem tegen het deelnemen aan deze onderneming, die duidelijk door de Duitse regering op touw was gezet. Op de zitting van het Centrale Uitvoerende Comité van 6 augustus sprak Kamenev openlijk ten gunste van deelneming aan de conferentie. Het kwam niet in Stalin op, in de Proletariër (dat was toen de naam van de Pravda) de positie van de partij te verdedigen. Integendeel. Stalin hield een scherp artikel van Lenin tegen Kamenev achter, waardoor dat eerst tien dagen later verscheen en dan nog slechts op aanhoudend aandringen van de schrijver, die zich gesterkt voelde door zijn beroep op de andere leden van het Centraal Comité. Maar niettemin steunde Stalin zelfs toen Kamenev niet openlijk.

Onmiddellijk na Kamenevs vrijlating werd er door de democratische Minister van Justitie in de pers een gerucht gelanceerd hetwelk inhield dat hij zekere connecties had gehad met de tsaristische geheime politie. Kamenev verlangde een onderzoek. Het Centraal Comité droeg aan Stalin op “met Gotz [een van de leiders der sociaal-revolutionairen] te spreken over een commissie voor het geval-Kamenev”. Soortgelijke opdrachten waren hem in het verleden al meer gegeven: met de mensjewiek Bogdanov het geval van de Kronstadters “te bespreken”, met de mensjewiek Anissimov garanties voor Lenin “te bespreken”. Omdat Stalin steeds achter de schermen bleef, was hij meer dan wie ook bruikbaar voor allerlei delicate opdrachten. Bovendien was het Centraal Comité er zeker van, dat Stalin zich tijdens discussies met tegenstanders nooit zand in de ogen zou laten strooien.

“Het slangachtig gesis van de contrarevolutie,” aldus schreef Stalin op 13 augustus naar aanleiding van de laster tegen Kamenev, “wordt weer luider. Het afzichtelijk serpent van de reactie steekt zijn giftige tong weer om de hoek. Het zal bijten en dan terugkruipen in zijn donker hol...” en zo voort, in de typische stijl van zijn Tbilisise “kameleons”. Maar het artikel is niet alleen stilistisch van belang. “Het laaghartig gesar, het bacchanaal van leugen en laster, het schaamteloos bedrog, de minderwaardige verdichtsels en vervalsingen,” zo vervolgt de schrijver, “nemen tot nu toe in de geschiedenis ongekende afmetingen aan... Eerst trachtten zij de naam van de beproefde revolutionaire strijders te bezoedelen door hen als Duitse spionnen af te schilderen, en nu dat niet gaat willen zij hen uitmaken voor tsaristische spionnen. Zo trachten zij degenen die hun hele leven gewijd hebben aan de zaak van de revolutionaire strijd tegen het tsaristisch regime, te brandmerken als ... tsaristische dienstknechten... De politieke betekenis van dat alles is duidelijk: de heren van de contrarevolutie zijn er op uit Kamenev ten koste van alles onschadelijk te maken en hem als een van de erkende leiders van het revolutionaire proletariaat uit te schakelen.” Het is jammer dat dit artikel niet voorkomt in het materiaal van de openbare aanklager Vysjinski tijdens het proces tegen Kamenev in 1936.

Op 30 augustus publiceerde Stalin zonder één woord van voorbehoud een niet ondertekend artikel van Zinovjev, “Wat niet te doen”, dat duidelijk gericht was tegen voorbereidingen voor de opstand. “Het is noodzakelijk de waarheid onder ogen te zien: in Petrograd zijn op het ogenblik veel omstandigheden gunstig voor het uitbreken van een opstand, van hetzelfde soort als de Parijse Commune van 1871.” Zonder Zinovjev te noemen schreef Lenin op 3 september: “Het verwijzen naar de Commune is zeer oppervlakkig en zelfs dwaas... De Commune kon het volk niet opeens alles aanbieden wat de bolsjewieken het kunnen aanbieden als zij de regering overnemen, nl. land voor de boeren en onmiddellijke vredesvoorstellen.” De zijdelingse slag naar Zinovjev trof eveneens de redacteur van de krant. Maar Stalin zweeg. Hij was bereid anoniem iedere polemiek van de rechtervleugel tegen Lenin te ondersteunen, maar hij zorgde er voor er zelf niet in betrokken te raken. Bij het eerste teken van gevaar ging hij opzij.

Er is praktisch niets te zeggen over Stalins werk aan de krant tijdens dat tijdvak. Hij was redacteur van het centrale orgaan, niet omdat hij een geboren schrijver was, maar omdat hij geen spreker was en eenvoudigweg niet geschikt voor welke openbare activiteit dan ook. Hij schreef geen enkel opmerkelijk artikel, stelde geen enkel nieuw vraagstuk ter discussie, bracht geen enkele leuze in omloop. Zijn commentaren op gebeurtenissen waren onpersoonlijk en strikt binnen de omlijsting van de gangbare gedachten in de partij. Hij was een bij een dagblad geaccrediteerde partijfunctionaris, niet een revolutionair publicist.

De herleving van de massabeweging en de terugkeer tot activiteit van die leden van het Centraal Comité, die er tijdelijk van waren losgescheurd, wierpen Stalin uit de vooraanstaande positie, die hij tijdens het Julicongres had ingenomen. Van toen af werkte hij in het donker, onbekend bij de massa, onopgemerkt door de vijand. In 1924 publiceerde de Commissie voor Partijgeschiedenis een omvangrijke kroniek van de revolutie, uit verscheidene delen bestaande. De 422 bladzijden van het vierde deel, handelend over augustus en september, vermelden alle gebeurtenissen, voorvallen, twisten, resoluties, redevoeringen en artikelen, die op enigerlei wijze de opmerkzaamheid waard zijn. Sverdlov, toen praktisch onbekend, wordt in dat deel 3 maal vermeld; Kamenev 46 maal; ik zelf, die augustus en het begin van september in de gevangenis doorbracht, 31 maal; Lenin, die ondergedoken was, 16 maal; Zinovjev, die Lenins lot deelde, 6 maal; Stalin wordt zelfs geen enkele maal genoemd. Stalins naam staat zelfs niet in de ongeveer 500 namen bevattende index. Met andere woorden: gedurende deze twee maanden nam de pers geen notie van enige handeling van hem of van enige door hem uitgesproken rede, en niet één van de meer of minder vooraanstaande deelnemers aan de gebeurtenissen van die dagen noemt zijn naam ook maar éénmaal.

Gelukkig is het mogelijk Stalins rol in het leven van de partij of, beter gezegd, van haar hoofdkwartierstaf, wat meer van nabij te volgen door middel van de notulen van het Centraal Comité over zeven maanden (augustus 1917 tot februari 1918), die wel bewaard gebleven zijn maar – dit is inderdaad waar – onvolledig. Tijdens de afwezigheid van de politieke leiders werden Miloetin, Smilga en Glebov, figuren met weinig invloed maar beter dan Stalin geschikt om in het openbaar op te treden, afgevaardigd naar de verschillende conferenties en congressen. Stalins naam komt zelden in de partijbesluiten voor. Oeritski, Sokolnikov en Stalin werden aangewezen om een comité te vormen voor de verkiezingen voor de Wetgevende Vergadering. Hetzelfde drietal werd aangewezen om de resolutie over het Stockholmse congres te ontwerpen. Stalin werd aangewezen om met een drukkerij te onderhandelen over het weer stichten van een centraal orgaan. Van nog een andere commissie voor het opstellen van een resolutie maakte hij deel uit, en zo meer. Na het Julicongres werd Stalins motie om het werk van het Centraal Comité te organiseren op grondslag van een “strikte verdeling van functies” aangenomen. Die motie was echter gemakkelijker te schrijven dan uit te voeren: de loop der gebeurtenissen zou nog enige tijd het door elkaar lopen van functies en het in de war sturen van beslissingen met zich mee brengen. Op 2 september benoemde het Centraal Comité redacties voor het weekblad en het maandblad en in beide werd Stalin opgenomen. Op 6 september – na mijn vrijlating uit de gevangenis – werden Stalin en Rjazanov in de redactie van het theoretisch tijdschrift vervangen door Kamenev en mij. Maar ook die beslissing bleef slechts in de notulen. In feite kwam er van beide tijdschriften slechts één nummer uit, en de werkelijke redactie verschilde totaal van de aangewezene.

Op 5 oktober benoemde het Centraal Comité een commissie om voor de komende conventie een ontwerp van partijprogramma voor te bereiden. Dat comité bestond uit Lenin, Boecharin, mij zelf, Kamenev, Sokolnikov en Kollontaj. Stalin werd er niet in opgenomen, niet omdat er enige tegenstand was tegen zijn kandidatuur, maar eenvoudig omdat zijn naam nooit iemand in de gedachte kwam wanneer het ging om het ontwerpen van een partijdocument van enig belang. Het programmacomité is echter nooit bijeen geweest – zelfs niet één keer. Heel andere taken waren aan de orde. De partij trad zegevierend uit de opstand naar voren en kwam aan de macht zonder een voltooid programma. Zelfs in zuivere partijaangelegenheden deelden de gebeurtenissen niet altijd de mensen die rol toe, die overeenkwam met de vooruitziendheid en de plannen van de partijhiërarchie. Het Centraal Comité benoemde redacties, comités, groepen van drie, van vijf, van zeven personen, die, voor zij bijeen konden komen, alweer in de war gegooid werden door de gebeurtenissen, en iedereen vergat de beslissing van gisteren. Bovendien werden de notulen uit veiligheidsoogpunt zorgvuldig verborgen, en niemand verwees er ooit naar.

Tamelijk vreemd was Stalins betrekkelijk veelvuldige afwezigheid. Hij ontbrak op 6 van de 24 zittingen van het Centraal Comité in augustus, september en de eerste week van oktober. De deelnemerslijsten van nog 6 zittingen ontbreken. Dit gebrek aan stiptheid is in Stalins geval nog minder te verontschuldigen, omdat hij niet deelnam aan het werk van de sovjet en het Centraal Uitvoerend Comité er van, en ook nooit sprak op openbare vergaderingen. Hij hechtte waarschijnlijk zelf aan zijn deelname aan de zittingen van het Centraal Comité niet zoveel belang als er tegenwoordig aan wordt toegeschreven. In een aantal gevallen is zijn afwezigheid ongetwijfeld verklaarbaar uit gekwetste gevoelens en geraaktheid: wanneer hij zijn zin niet kan doordrijven is hij geneigd zich mokkend terug te trekken en te dromen over wraak. Opmerkelijk is de volgorde, waarin de aanwezigheid van de leden van het Centraal Comité op de zittingen er van werd vermeld in de notulen: 13 september: Trotski, Kamenev, Stalin, Sverdlov e.a.; 15 september: Trotski, Kamenev, Rykov, Nogin, Stalin, Sverdlov e.a.; 20 september: Trotski, Oeritski, Boebnov, Boecharin e.a. (Stalin en Kamenev afwezig); 21 september: Trotski, Kamenev, Stalin, Sokolnikov e.a.; 23 september: Trotski, Kamenev, Zinovjev, enz. (Stalin afwezig). De volgorde van de namen was natuurlijk niet vastgesteld en men ging daarbij dikwijls willekeurig te werk. Toch is zij niet toevallig, vooral wanneer wij in aanmerking nemen dat Stalins naam in de voorafgaande periode, toen Trotski, Kamenev en Zinovjev afwezig waren, geregeld bovenaan op de lijst voorkomt. Dit zijn natuurlijk slechts kleinigheden. Maar er is met betrekking tot Stalin niets groters te vinden; en bovendien weerspiegelen deze kleinigheden onpartijdig het partijleven van dag tot dag, en Stalins plaats daar in.

Hoe groter de vaart van de beweging, des te kleiner is Stalins plaats er in en des te moeilijker is het voor hem onder de gewone leden van het Centraal Comité in het oog te vallen. In oktober, de beslissende maand van het beslissende jaar, was Stalin nog minder vermeldenswaard dan ooit. Het verminkte Centraal Comité, zijn enige wezenlijke basis, was zelf grotendeels verstoken van het nodige zelfvertrouwen. De besluiten er van werden te dikwijls door initiatief van buitenaf tenietgedaan. Over het geheel genomen voelde de partijmachine zich nooit stevig verankerd in de revolutionaire woeling. Hoe uitgebreider en dieper de invloed werd van de bolsjewistische leuzen, des te moeilijker werd het voor de comitémannen, de beweging te grijpen. Hoe meer de sovjets onder de invloed kwamen van de partij, des te minder vond de machine een plaats voor zich zelf. Dat is een der paradoxen van de revolutie.

Vele geschiedkundigen, zelfs zeer nauwgezette, stellen het, wanneer zij overgaan tot het bespreken van de omstandigheden van 1917 – die eerst aanzienlijk veel later tot kristallisatie kwamen, toen het water van de vloedgolf al weer in zijn bedding was teruggestroomd – zó voor alsof het Centraal Comité rechtstreeks de politiek geleid had van de Petrogradse sovjet, die omstreeks het begin van september bolsjewistisch werd. Maar in feite was dat niet het geval. Uit de notulen blijkt met zekerheid dat, met uitzondering van enige plenaire zittingen waaraan Lenin, Zinovjev en ik deelnamen, het Centraal Comité geen politieke rol speelde. Het nam in geen enkel belangrijk geval het initiatief. Vele besluiten van het Centraal Comité van die tijd bleven in de lucht hangen, omdat zij botsten met de besluiten van de sovjet. De belangrijkste besluiten van de sovjet werden al in werkelijkheid omgezet voor het Centraal Comité tijd had gehad ze in overweging te nemen. Eerst na het veroveren van de macht, het einde van de burgeroorlog en de vestiging van een duurzaam regime zou het Centraal Comité er mee beginnen, beetje voor beetje de leiding over de activiteit van de sovjets in zijn eigen handen te concentreren. Dan zou Stalin aan de beurt komen.

Op 8 augustus zette het Centraal Comité een heftige campagne in tegen de regeringsconferentie, die door Kerenski in Moskou bijeengeroepen was en die op grove wijze de belangen van de bourgeoisie in de hand werkte. De conferentie begon op 12 augustus, onder de druk van de algemene proteststaking van de Moskouse arbeiders. De bolsjewieken, niet toegelaten tot de conferentie, wisten op doeltreffende manier van hun macht blijk te geven. De bourgeoisie was bevreesd en tevens woedend. De opperbevelhebber Kornilov begon, na Riga op 21 augustus aan de Duitsers te hebben overgegeven, op 25 augustus zijn tocht naar Petrograd, teneinde een persoonlijke dictatuur te vestigen. Kerenski, teleurgesteld in zijn verwachtingen van Kornilov, verklaarde de opperbevelhebber tot “een verrader van het vaderland”. Zelfs op dat kritieke ogenblik, op 27 augustus, verscheen Stalin niet in het Centrale Uitvoerende Comité van de sovjet. Sokolnikov verscheen daar in naam van de bolsjewieken. Hij verklaarde dat de bolsjewieken bereid waren tot een vergelijk te komen met de organen van de sovjetmeerderheid aangaande de militaire maatregelen. De mensjewieken en sociaal-revolutionairen aanvaardden het aanbod met dank en tandengeknars, want de soldaten en de arbeiders volgden nu de bolsjewieken. De snelle en onbloedige liquidatie van Kornilovs muiterij herstelde volkomen de macht, die de sovjets in juli gedeeltelijk hadden verloren. De bolsjewieken deden de leuze “Alle macht aan de sovjets!” weer herleven. In de pers stelde Lenin de compromisten een overeenkomst voor: laat de sovjets de macht in handen nemen en volkomen vrijheid van propaganda waarborgen, dan zouden de bolsjewieken zich geheel en al stellen op de grondslag van de sovjetlegaliteit. De compromisten verwierpen echter krijgszuchtig een overeenkomst met de bolsjewieken. Zij bleven zich hun bondgenoten slechts aan de rechterzijde zoeken.

De op hoge toon gestelde weigering van de compromisten versterkte slechts de bolsjewieken. Zoals in 1905 smolt het overwicht, dat de eerste revolutionaire golf de mensjewieken had opgeleverd, spoedig weg in de atmosfeer van de steeds feller wordende klassenstrijd. Maar anders dan in de eerste revolutie beantwoordde de groei van het bolsjewisme nu meer aan de stijging dan aan de daling van de massabeweging. Hetzelfde essentiële proces nam in de dorpen een andere vorm aan: een linkervleugel scheidde zich af van de sociaal-revolutionaire partij, die onder de boerenbevolking de overmacht had, en trachtte met de bolsjewieken in één pas te lopen. De garnizoenen van de grote steden waren bijna allemaal op de hand van de arbeiders. “Inderdaad werkten de bolsjewieken hard en onvermoeibaar,” getuigt Soechanov, een mensjewiek van de linkervleugel. “Zij stonden tussen de massa, aan de draaibank, dagelijks, voortdurend... De massa leefde en ademde met de bolsjewieken. Zij was in handen van de partij van Lenin en Trotski.” Zij was in handen van de partij, maar niet in handen van de partijmachine.

Op 31 augustus nam de Petrogradse sovjet voor het eerst een politieke resolutie van de bolsjewieken aan. De compromisten, die zich niet gewonnen wilden geven, besloten tot een nieuwe krachtproef. Negen dagen later werd de kwestie in de sovjet ronduit aan de orde gesteld. Het oude presidium en de coalitiepolitiek verkregen 414 stemmen, met 519 tegen en 67 onthoudingen. De mensjewieken en sociaal-revolutionairen oogstten hiermee het resultaat van hun politiek van samengaan met de bourgeoisie. De sovjets begroetten de nieuwe coalitieregering, die zij vormden, met een door mij, als hun nieuwe president, voorgestelde resolutie. “De nieuwe regering ... zal in de geschiedenis van de revolutie ingaan als de regering van de burgeroorlog... Het Al-Russische Congres van Sovjets zal een waarlijk revolutionaire regering vormen.” Dat was een regelrechte oorlogsverklaring aan de compromisten, die onze “overeenkomst” hadden verworpen.

De zogenaamde Democratische Conferentie, bijeengeroepen door het Centrale Uitvoerende Comité van de sovjet, ogenschijnlijk als een tegenhanger van de regeringsconferentie maar in werkelijkheid om diezelfde oude door en door rotte coalitie te bekrachtigen, werd in Petrograd op 14 september geopend. De compromisten begonnen zenuwachtig te worden. Enige dagen tevoren was Kroepskaja in het geheim op reis gegaan naar Lenin in Finland. In een spoorwagon vol met soldaten ging het gesprek niet over coalitie, maar over opstand. “Toen ik Iljitsj vertelde waarover de soldaten het hadden gehad, werd zijn gezicht peinzend en die peinzende trek bleef ook verder op zijn gezicht, onverschillig welke kwestie er werd besproken. Het was duidelijk dat hij het ene zei en dacht aan het andere – de opstand en hoe zich er het best op voor te bereiden.”

Op de dag dat de Democratische Conferentie – het meest dwaze van alle pseudo-parlementen van de democratie – geopend werd, schreef Lenin aan het Centraal Comité van de partij zijn beroemde brieven “De bolsjewieken moeten de macht grijpen” en “Het marxisme en de opstand”. Deze keer eiste hij onmiddellijke actie: het in beweging brengen van regimenten en fabrieken, de arrestatie van de regering en de Democratische Conferentie, het grijpen van de macht. Natuurlijk kon dat plan niet die zelfde dag nog worden uitgevoerd, maar het leidde het denken en doen van het Centraal Comité in nieuwe banen. Kamenev drong aan op een uitdrukkelijke verwerping van Lenins voorstel – omdat het rampspoedig was! Vrezende dat deze brieven door de hele partij en door het hele Centraal Comité zouden circuleren, bracht Kamenev zes stemmen bijeen ten gunste van zijn plan, alle exemplaren te vernietigen, behalve een voor de archieven. Stalin stelde voor, “de brieven aan de belangrijkste organisaties toe te zenden, opdat zij er over zouden kunnen beraadslagen”. Het jongste commentaar verklaart dat het doel van Stalins voorstel was “de invloed van de plaatselijke partijcomités op het Centraal Comité te organiseren en hen er toe te brengen Lenins richtlijnen ten uitvoer te brengen”. Als dat het geval was geweest, zou Stalin Lenins voorstellen ronduit hebben verdedigd en Kamenevs resolutie hebben gepareerd met – een resolutie van hem zelf! Maar zoiets kwam niet in hem op. De meeste comitémannen in de provincie waren nog meer rechtsgezind dan het Centraal Comité. Aan hen Lenins brieven te zenden zonder er bij aan te tekenen dat het Centraal Comité het er mee eens was, zou gelijkstaan met een openlijke afkeuring van hun inhoud. Stalins voorstel werd gedaan om tijd te winnen en om in geval van een conflict te kunnen aantonen, dat de plaatselijke comités weigerden. Het Centraal Comité was verdeeld en aarzelde. Er werd uiteindelijk besloten de kwestie aangaande Lenins brieven tot de volgende zitting uit te stellen. Ondertussen wachtte Lenin popelend van ongeduld. Maar Stalin verscheen niet eens op de volgende zitting, die eerst vijf dagen later werd gehouden, en de kwestie van de brieven stond niet eens op de agenda. Hoe verhitter de atmosfeer, des te kouder Stalins handelwijze.

De Democratische Conferentie besloot, tezamen met de bourgeoisie een soort van vertegenwoordigend lichaam te stichten, waaraan Kerenski beloofde raadgevende bevoegdheden te verlenen. Het werd dadelijk een kritiek punt van tactiek bij de bolsjewieken, wat de bolsjewistische houding tegenover deze Raad van de Republiek of Voor-parlement moest zijn: zouden zij er aan deelnemen, of zouden zij er geen acht op slaan op hun weg naar de opstand? Als rapporteur van het Centraal Comité op de komende partijfractie van de Democratische Conferentie, stelde ik het idee van een boycot voor. Het Centraal Comité, waarin de meningen aangaande deze kwestie ongeveer gelijkelijk verdeeld waren (negen vóór de boycot en acht er tegen), verwees haar ter beslissing naar de fractie. Om de tegenstrijdige opvattingen tegen elkaar af te wegen, “werd het uitbrengen van twee rapporten voorgesteld: een van Trotski en een van Rykov”. “In feite,” beweerde Stalin in 1925, “waren er vier rapporteurs: twee voor boycot van het Voor-parlement (Trotski en Stalin) en twee voor deelname er aan (Kamenev en Nogin).” Dit is bijna waar: toen de fractie besloot de debatten te sluiten, besloot zij dat er voor elk van de twee partijen nog een afgevaardigde mocht spreken: Stalin aan de kant van de boycotisten en Kamenev (niet Nogin) voor de voorstanders van deelname. Rykov en Kamenev kregen 77 stemmen, Stalin en ik 50. De nederlaag van de boycottactiek was te danken aan de provincialen, wier afscheiding van de mensjewieken in vele delen van het land eerst van recente datum was.

Oppervlakkig gezien zou men kunnen opmerken dat de geschillen slechts van ondergeschikt belang waren. Maar er aan ten grondslag lag de vraag, of de partij er zich op moest voorbereiden, de rol van oppositie te spelen in een burgerlijke republiek, of dat zij zich tot taak moest stellen de macht stormenderhand te veroveren. Stalin kwam later op zijn rol als rapporteur terug vanwege het belang dat dit tijdvak had verkregen in de officiële geschiedschrijving. De onderdanige redacteur voegde er voor eigen rekening aan toe, dat ik “een middenwegpositie” had voorgestaan. En in een volgende uitgave werd mijn naam maar helemaal weggelaten. De nieuwe geschiedenis verklaart: “Stalin trad vastberaden op tegen deelname aan het Voor-parlement.” Maar als een aanvulling van het getuigenis der notulen is er ook nog Lenins getuigenis. “Wij moeten het Voor-parlement boycotten,” schreef hij op 23 september. “Wij moeten gaan ... naar de massa. Wij moeten haar een duidelijke en juiste strijdkreet geven: trap de bonapartistische Kerenski-bende en zijn verraderlijke Voor-parlement er uit.” Dan een voetnoot: “Trotski was vóór de boycot. Bravo, kameraad Trotski!” Maar het Kremlin heeft natuurlijk officieel opdracht gegeven, al dergelijke zinnen te schrappen uit de nieuwe uitgave van Lenins Werken.

Op 7 oktober verliet de bolsjewistische fractie demonstratief het Voor-parlement. “Wij doen een beroep op het volk. Alle macht aan de Sovjets!” Dit stond gelijk met een oproep tot opstand. Dezelfde dag werd in de zitting van het Centraal Comité besloten een Inlichtingenbureau voor het Bevechten van de Contrarevolutie op te richten. De opzettelijk onduidelijke naam diende als beschutting van een concrete taak: het terrein te verkennen voor de opstand en deze voor te bereiden. Sverdlov, Boebnov en ik werden aangewezen om dat bureau te organiseren. Door de laconieke toon van de notulen en het ontbreken van andere documenten is de schrijver genoodzaakt op dit punt uit zijn eigen geheugen te putten. Stalin weigerde aan het bureau mee te werken en stelde voor Boebnov, iemand met weinig gezag, in zijn plaats te nemen. Zijn houding was gereserveerd, zo niet sceptisch, ten opzichte van het plan. Hij was wel voor een opstand, maar hij geloofde niet dat de arbeiders en de soldaten gevechtsklaar waren. Hij leefde geïsoleerd niet alleen van de massa, maar zelfs van haar vertegenwoordiger, de sovjet, en stelde zich tevreden met de verzwakte indrukken van de partijmachine. Wat echter de massa betrof, aan haar waren de gebeurtenissen van juli niet voorbijgegaan zonder een spoor na te laten. Blinde pressie was verdwenen, voorzichtigheid was er voor in de plaats gekomen. Anderzijds was het vertrouwen in de bolsjewieken alreeds vermengd met onzekere voorgevoelens: zouden zij in staat zijn te doen wat zij hadden beloofd? De bolsjewistische agitators klaagden er af en toe over dat de massa enigszins de schouders voor hen ophaalde. Het was inderdaad waar dat de massa vermoeid raakte van het wachten, van de besluiteloosheid, van altijd maar woorden. Maar in de machine werd deze vermoeidheid vaak geregistreerd als “afwezigheid van vechtlust”. Vandaar dat vele comitémannen enigszins sceptisch waren. Bovendien hebben zelfs de dappersten een ietwat raar gevoel in hun maag vlak voor een opstand. Daar wordt wel niet altijd rekening mee gehouden, maar toch is het zo. Stalin zelf was in een onzekere stemming. Hij vergat nooit april, toen zijn wijsheid als “practico” zo wredelijk te schande was gemaakt. Anderzijds vertrouwde Stalin veel meer op de machine dan op het volk. Bij alle belangrijke gelegenheden stelde hij zich veilig door net zo te stemmen als Lenin. Maar hij toonde geen initiatief om de in stemming gebrachte resoluties te ondersteunen, onthield er zich van een beslissende actie op touw te zetten, beschermde de bruggen waarover hij zich eventueel zou kunnen terugtrekken, beïnvloedde anderen door te temperen en miste ten slotte de Oktoberrevolutie omdat hij zich op een raaklijn bevond.

Het is waar, dat er van het Bureau voor het Bevechten van de Contrarevolutie niets kwam, maar dat was niet de schuld van de massa. Op 9 oktober geraakte Smolny in een nieuw hevig conflict gewikkeld met de regering, die opdracht had gegeven revolutionaire troepen van de hoofdstad naar het front te verplaatsen. Het garnizoen schaarde zich dichter dan ooit om zijn beschermer, de sovjet. Opeens kreeg de voorbereiding voor de opstand een concrete basis. Degene die gisteren de stoot had gegeven tot het oprichten van het bureau richtte nu al zijn aandacht op het scheppen van een militaire staf in de sovjet zelf. De eerste stap werd nog die zelfde dag genomen, op 9 oktober. “Als tegenactie tegen de pogingen van de Generale Staf, de revolutionaire troepen uit Petrograd te verwijderen” besloot het Uitvoerende Comité, het Militaire Revolutionaire Comité op te richten. Aldus nam de opstand een aanvang in de sovjetarena, door de logica der dingen, zonder enige beraadslaging in het Centraal Comité, bijna onverwacht, en onmiddellijk begon hij zijn sovjet-generale staf te vormen, die veel doeltreffender was dan het Bureau van de Zevende October.

De volgende zitting van het Centraal Comité, waarop Lenin vermomd aanwezig was, had plaats op 10 oktober. Zij kreeg historische betekenis. Het kardinale punt van de discussie was Lenins motie, die een gewapende opstand voorstelde, als de meest dringende praktische taak. Maar de moeilijkheid, zelfs voor de meest overtuigde voorstander van de opstand, was de kwestie van de tijd. Reeds tijdens de Democratische Conferentie had het compromistische Centrale Uitvoerende Comité, onder druk van de bolsjewieken, 20 oktober bepaald als datum voor het congres van de sovjets. Nu was er volkomen zekerheid over een bolsjewistische meerderheid op dat congres. Op zijn minst in Petrograd moest de opstand dus plaats hebben voor de twintigste, anders zou het congres niet in staat zijn de teugels van het bewind te grijpen en zou het bovendien gevaar lopen te worden uiteengejaagd. Er werd op de zitting van het Centraal Comité besloten – zonder dit echter schriftelijk vast te leggen – de opstand in Petrograd te beginnen omstreeks de vijftiende. Daarom waren er nog ongeveer vijf dagen over om voorbereidingen te treffen. Iedereen voelde dat dit niet genoeg was. Maar de partij was een gevangene van de datum die zij zelf de compromisten bij een andere gelegenheid had afgedwongen. Mijn opmerking, dat het Uitvoerende Comité besloten had zelf een eigen militaire staf te organiseren, maakte geen grote indruk, omdat dat meer een plan dan een feit was. De aandacht van iedereen was geconcentreerd op het twistgesprek met Zinovjev en Kamenev, die vastberaden tegen de opstand waren. Het schijnt dat Stalin tijdens deze gehele zitting óf in het geheel niet sprak óf zich beperkte tot een korte opmerking; in ieder geval is er in de notulen geen spoor te vinden van iets wat hij kon hebben gezegd. De motie werd aangenomen met tien tegen twee stemmen. Maar angstige voorgevoelens omtrent de datum bleven alle deelnemers bij.

Tegen het einde van de zitting, die tot na middernacht duurde, werd op vrij toevallig initiatief van Dzerzjinski besloten, “voor de politieke leiding van de opstand een bureau te stichten, bestaande uit Lenin, Zinovjev, Kamenev, Trotski, Stalin, Sokolnikov en Boebnov”. Deze belangrijke beslissing leidde echter tot niets: Lenin en Zinovjev bleven ondergedoken en Zinovjev en Kamenev bleven zich onverzoenlijk keren tegen het besluit van 10 oktober. “Het Bureau voor de Politieke Leiding van de Opstand” kwam zelfs geen enkele keer bijeen. Alleen de naam er van is bewaard gebleven in een met inkt geschreven postscriptum bij de vluchtig met potlood geschreven notulen. Onder de verkorte naam “de zeven” deed dit spookbureau zijn intrede in de officiële wetenschap der geschiedenis.

Het organiseren van het Militaire Revolutionaire Comité van de sovjet ging snel voort. Natuurlijk sloot de langzaam werkende machinerie van de sovjetdemocratie een spurt uit. Toch was er nog slechts weinig tijd over voor het congres. Niet zonder reden was Lenin bevreesd voor uitstel. Op zijn verzoek werd een tweede zitting van het Centraal Comité gehouden op 16 oktober, waarop de belangrijkste Petrogradse organisators aanwezig waren. Zinovjev en Kamenev bleven tegenstanders. Op het oog was hun positie sterker dan ooit geworden: zes dagen waren reeds verlopen en de opstand was nog niet begonnen. Zinovjev vroeg de beslissing uit te stellen tot het Congres van Sovjets bijeenkwam, ten einde met de afgevaardigden uit de provincie te kunnen “confereren”: diep in zijn hart hoopte hij op hun steun. De gemoederen raakten verhit tijdens het debat. Voor het eerst nam ook Stalin deel aan deze discussie. “Doortastendheid moet de dag van de opstand bepalen,” zei hij. “Dat alleen is de zin van de revolutie... Dat wat Kamenev en Zinovjev voorstellen zal in werkelijkheid de contrarevolutie gelegenheid geven zich te organiseren; als wij door blijven gaan, ons steeds maar weer terug te trekken, zullen wij de revolutie verliezen. Waarom zouden wij niet zelf de dag en de omstandigheden bepalen en zodoende de contrarevolutie de gelegenheid ontnemen zich te organiseren?” Hij verdedigde dus het abstracte recht van de partij, zelf het ogenblik voor haar slag te kiezen – wanneer het een probleem was, een definitieve datum te bepalen. Wanneer het Congres van Sovjets zou blijken niet in staat te zijn op een gegeven plaats en tijd de teugels van het bewind in handen te nemen, zou het de leuze “Alle macht aan de Sovjets!” tot een holle frase en daarmee te schande hebben gemaakt. Zinovjev hield vol: “Wij moeten ons zelf eerlijk voorhouden dat wij gedurende de eerstvolgende vijf dagen geen opstand kunnen wagen.” Kamenev stuurde op hetzelfde aan. Stalin ging hier niet rechtstreeks op in; integendeel, hij eindigde met de verrassende woorden: “De Petrogradse sovjet heeft de weg tot de opstand reeds ingeslagen door haar goedkeuring aan de verplaatsing der troepen te onthouden.” Hij herhaalde eenvoudig de met zijn abstracte redevoering niets te maken hebbende formule, die onlangs was aangevoerd door de leiders van het Militaire Revolutionaire Comité. Maar wat bedoelde hij met “heeft de weg tot de opstand reeds ingeslagen”? Was het een kwestie van dagen of van weken? Stalin was wel zo voorzichtig niets naders daaromtrent te zeggen. Hij was het met zich zelf niet eens over de toestand.

De resolutie van de tiende oktober werd aangenomen met 20 stemmen vóór en 2 tegen, met 3 onthoudingen. Niemand had echter de kritieke vraag beantwoord of de beslissing, dat de opstand in Petrograd nog voor 20 oktober moest plaats hebben, nog van kracht was. Het was dan ook moeilijk daar een antwoord voor te vinden. Politiek gezien was het besluit, dat de opstand nog vóór het congres moest komen, volkomen juist. Maar er was te weinig tijd om het ten uitvoer te brengen. De zitting van 16 oktober slaagde er niet in deze tegenspraak weg te nemen. Maar toen brachten de compromisten redding: de volgende dag besloten zij uit eigen beweging de opening van het congres, dat zij helemaal niet hadden gewenst, tot 25 oktober uit te stellen. De bolsjewieken ontvingen dit onverwachte uitstel met een openlijk protest maar tevens met een geheime voldoening. Vijf extra dagen losten volkomen alle moeilijkheden van het Militaire Revolutionaire Comité op.

De notulen van het Centraal Comité en de nummers van de Pravda van de laatste paar weken voor de opstand geven een voldoende duidelijk beeld van Stalins politieke loopbaan tegen de achtergrond van de opstand. Zoals hij zich voor de oorlog had geschaard aan de kant van Lenin en tegelijkertijd de steun van de verzoeningsgezinden had gezocht tegen de uitgewekene, “die op de muur kroop”, zo stelde hij zich ook nu op één lijn met de officiële meerderheid van het Centraal Comité en steunde hij tezelfdertijd de rechtse oppositie. Zoals altijd ging hij voorzichtig te werk; de gang van de gebeurtenissen en de scherpte van de conflicten dwongen hem echter zo nu en dan zich verder te wagen dan hij wel zou hebben gewild.

Op 11 oktober publiceerden Zinovjev en Kamenev in Maxim Gorki’s krant een brief tegen de opstand. Opeens werd de toestand onder de leiders van de partij buitengewoon acuut. Lenin raasde en tierde in zijn schuilplaats. Ten einde zijn handen vrij te hebben voor het verspreiden van zijn standpunten ten aanzien van de opstand trad Kamenev uit het Centraal Comité. Op de zitting van 20 oktober werd de kwestie besproken. Sverdlov maakte Lenins brief openbaar, waarin hij Zinovjev en Kamenev geselde als onderkruipers en hun uitstoting uit de partij eiste. De crisis werd onverwachts nog gecompliceerder door het feit dat die zelfde morgen de Pravda een verklaring publiceerde van de redactie ter verdediging van Zinovjev en Kamenev: “De scherpte van toon van kameraad Lenins artikel verandert niets aan het feit dat wij in hoofdzaak zijn mening blijven delen.” Het centrale orgaan achtte het passend, meer “de scherpte” van Lenins protest te laken dan het openlijk stellingnemen tegen de beslissing van de partij over de opstand door twee leden van het Centraal Comité, en sprak bovendien nog zijn solidariteit met Zinovjev en Kamenev “op fundamentele punten” uit. Alsof er op dat moment ook maar iets was van fundamenteler aard dan de kwestie van de opstand! De leden van het Centraal Comité wreven hun ogen uit van verbazing.

Stalins enige medewerker in de redactie was Sokolnikov, later Sovjetdiplomaat en nog later slachtoffer van de “zuivering”. Sokolnikov verklaarde echter dat hij totaal niets te maken had gehad met de redactionele terechtwijzing van Lenin en dat hij het er niet mee eens was. Dus was het alleen Stalin, die – in oppositie tegen het Centraal Comité en tegen zijn eigen mederedacteur – Kamenev en Zinovjev tot vier dagen voor de opstand nog steunde. Het Centraal Comité hield zijn verontwaardiging alléén in omdat het bang was de crisis nog groter te maken.

Steeds manoeuvrerend tussen de voor- en tegenstanders van de opstand diende Stalin een motie in tegen het aanvaarden van Kamenevs ontslagname, waarbij hij aanvoerde dat “onze gehele situatie inconsequent is”. Met 6 stemmen tegen die van Stalin en nog twee anderen werd Kamenevs ontslag aanvaard. Met 6 stemmen tegen wederom die van Stalin werd een resolutie aangenomen, waarin het aan Kamenev en Zinovjev werd verboden strijd te voeren tegen het Centraal Comité. De notulen vermelden: “Stalin verklaarde dat hij uit de redactie trad.” In zijn geval betekende dat het verlaten van de enige post die hij onder revolutionaire omstandigheden kon vervullen. Het Centraal Comité weigerde echter Stalins aftreden te aanvaarden en voorkwam daarmee een nieuwe kloof.

Stalins gedrag zou in het licht van de om hem geweven legende onverklaarbaar kunnen lijken, maar in feite is het volkomen in overeenstemming met zijn innerlijke gesteldheid. Wantrouwen in de massa en argwanende voorzichtigheid noodzaken hem, zich op ogenblikken, waarin historische beslissingen moeten worden genomen, op de achtergrond terug te trekken, zijn tijd af te wachten en zich, zo mogelijk, vrijheid van komen en gaan te verzekeren. Zijn verdediging van Zinovjev en Kamenev kwam zeer zeker niet voort uit gevoelsoverwegingen. In april had Stalin wel zijn officiële standpunt, maar niet zijn innerlijke gesteldheid verwisseld. Ofschoon hij stemde zoals Lenin, stond hij in zijn gevoelens veel dichter bij Kamenev. Bovendien dreef zijn ontevredenheid over zijn eigen rol hem er natuurlijk toe, zich op één lijn te stellen met andere ontevredenen, zelfs als hij het politiek niet volkomen met hen eens was.

De gehele laatste week voor de opstand manoeuvreerde Stalin tussen Lenin, Sverdlov en mij aan de ene, en Kamenev en Zinovjev aan de andere kant. Op de zitting van het Centraal Comité van 21 oktober herstelde hij het kort tevoren verstoorde evenwicht door voor te stellen, dat Lenin zou worden aangewezen om de stellingen en ik om het politieke rapport voor het aanstaande Congres van Sovjets voor te bereiden. Beide moties werden zonder hoofdelijke stemming aanvaard. Als er toen onenigheden hadden bestaan tussen mij en het Centraal Comité – een enige jaren geleden uitgevonden canard – zou het Centraal Comité mij dan op voorstel van Stalin hebben belast met het uitbrengen van het meest belangrijke rapport op het meest kritieke ogenblik? Na zich aldus aan de linkerzijde veilig te hebben gesteld, trok Stalin zich weer in de schaduw terug en wachtte hij zijn tijd af.

Een biograaf kan, zelfs met de beste wil van de wereld, niets vertellen over de deelname van Stalin aan de Oktoberrevolutie. Nergens vindt men zijn naam vermeld – noch in de documenten, noch in de talrijke herinneringen. Ten einde deze leegte enigszins op te vullen, laat de officiële geschiedschrijver hem aan de opstand deelnemen door die te verbinden met een of ander geheimzinnig partij-“centrum”, dat de opstand zou hebben voorbereid. Er is echter niemand die ons iets vertelt over het werk van dat “centrum”, de plaats en tijd van zijn bijeenkomsten, de middelen die het gebruikte om de opstand te leiden. En dat is geen wonder: zulk een “centrum” heeft nooit bestaan. Maar de geschiedenis van deze legende is vermeldenswaard.

Op de op 16 oktober gehouden bijeenkomst van het Centraal Comité met enige van de voornaamste Petrogradse partijorganisators werd besloten “een militair revolutionair centrum” te stichten, bestaande uit vijf leden van het Centraal Comité. “Dit centrum,” zegt de door Lenin haastig in een hoek van de zaal geschreven resolutie, “zal een deel worden van het Revolutionaire Sovjetcomité.” Dus was “het centrum”, in de rechtstreekse zin van het besluit, niet bestemd om onafhankelijk de opstand te leiden, maar om te dienen als aanvulling van de Sovjetstaf. Zoals echter zovele andere improvisaties van die koortsachtige dagen was ook dit denkbeeld gedoemd nooit werkelijkheid te worden. Tijdens dezelfde uren, waarin het Centraal Comité, in mijn afwezigheid, op een stukje papier een nieuw “centrum” organiseerde, richtte de Petrogradse sovjet, onder mijn voorzitterschap, definitief het Militaire Revolutionaire Comité op, dat vanaf het ogenblik van zijn ontstaan volledig belast was met alle voorbereidingen voor de opstand. Sverdlov, wiens naam als eerste verscheen (en niet die van Stalin, zoals valselijk wordt beweerd in Sovjetuitgaven van de laatste tijd) op de lijst van leden van het “centrum”, werkte zowel voor als na de resolutie van 16 oktober nauw samen met de voorzitter van het Militaire Revolutionaire Comité. Drie andere leden van het “centrum”, Oeritski, Dzerzjinski en Boebnov, werden, ieder afzonderlijk en eerst op 24 oktober, alsof de resolutie van 16 oktober nooit was aangenomen, in het werk van het Militaire Revolutionaire Comité betrokken. Stalin onthield er zich, geheel in overeenstemming met zijn politieke gedragslijn van die dagen, hardnekkig van, zich bij het Uitvoerend Comité van de Petrogradse sovjet of bij het Militaire Revolutionaire Comité aan te sluiten, en hij verscheen op geen van de bijeenkomsten. Al deze omstandigheden zijn gemakkelijk op grond van de officieel uitgegeven notulen te constateren.

Op de bijeenkomst van het Centraal Comité van 20 oktober werd verondersteld, dat het eerst vier dagen geleden opgerichte “centrum” een rapport zou uitbrengen over zijn werk of ten minste zou mededelen dat het met zijn werk was begonnen: slechts vijf dagen had men nog vóór het Congres van Sovjets zou beginnen en de opstand werd verondersteld nog aan de opening van het congres vooraf te gaan. Maar Stalin had het daarvoor te druk. Daar hij Zinovjev en Kamenev verdedigde, diende hij op diezelfde bijeenkomst zijn aanvraag tot ontslag uit de redactie van de Pravda in. Maar ook geen van de andere op die bijeenkomst aanwezige leden van het “centrum” – Sverdlov, Dzerzjinski en Oeritski – roerden dat onderwerp ook maar eventjes aan. De notulen van de bijeenkomst van 16 oktober waren schijnbaar, om alle sporen van Lenins “illegale” deelname er aan te verbergen, zorgvuldig opgeborgen, en in de vier volgende dramatische dagen werd het “centrum” des te gemakkelijker vergeten, omdat de behoefte aan een dergelijke aanvullende instelling door de intense activiteit van het Militaire Revolutionaire Comité volkomen werd uitgesloten.

Op de volgende bijeenkomst, die van 21 oktober, waarop Stalin, Sverdlov en Dzerzjinski aanwezig waren, was er wederom geen rapport van het “centrum” en werd het zelfs niet genoemd. Het Centraal Comité deed alsof er nooit enige resolutie over een “centrum” was geweest. Toevallig was het op deze bijeenkomst dat werd besloten tien vooraanstaande bolsjewieken, waaronder Stalin, een plaats te geven in het Uitvoerend Comité van de Petrogradse sovjet, ten einde de activiteit daarvan te bevorderen. Maar ook dit was een resolutie die niet verder kwam dan het papier.

Toch hadden de voorbereidingen voor de opstand geregeld voortgang, maar langs geheel andere kanalen. De eigenlijke leider van het garnizoen van de hoofdstad, het Militaire Revolutionaire Comité, zocht naar een voorwendsel om openlijk met de regering te breken. En dat voorwendsel werd op 22 oktober aan de hand gedaan door de officier, die het bevel had over de troepen van het district, toen hij weigerde zijn staf te laten controleren door commissarissen van het Comité. Wij moesten het ijzer smeden toen het heet was. Het Bureau van het Militaire Uitvoerende Comité, waarvan Sverdlov en ik deel uitmaakten, besloot de breuk met de staf van het garnizoen als een voldongen feit te beschouwen en tot het offensief over te gaan. Stalin was niet op deze bijeenkomst aanwezig. Het kwam bij niemand op hem te roepen. Nu het er om ging alle bruggen achter zich te verbranden, maakte niemand meer melding van het zogenaamde “centrum”.

De bijeenkomst van het Centraal Comité, die de opstand rechtstreeks op gang bracht, werd gehouden te Smolny, dat nu in een vesting is veranderd, in de ochtenduren van 24 oktober. Reeds dadelijk bij het begin werd een motie van Kamenev[2] aangenomen: “Geen lid van het Centraal Comité mag vandaag Smolny verlaten zonder speciale toestemming.” Het rapport van het Militaire Revolutionaire Comité stond op het programma. Op het ogenblik waarop de opstand begon werd nergens melding gemaakt van het zogenaamde “centrum”. De notulen luiden: “Trotski stelde voor twee leden van het Centraal Comité ter beschikking te stellen van het Militaire Revolutionaire Comité, ten einde het contact te onderhouden met de postbeambten en de telegrafisten en met de spoorwegmannen; alsmede een derde lid om een oogje te houden op de Voorlopige Regering.” Dzerzjinski werd aangewezen voor de postbeambten en telegrafisten, Boebnov voor de spoorwegmannen. Sverdlov werd afgevaardigd om een waakzaam oog te houden op de Voorlopige Regering. Verder: “Trotski stelde voor een reservestaf in de Peter- en Paulsvesting te vestigen, en voor dat doel een lid van het Centraal Comité aan te wijzen. Besloten: ‘Sverdlov aangewezen om een voortdurend contact met de vesting te onderhouden’.” Aldus werden drie leden van het “centrum” voor het eerst ter onmiddellijke beschikking gesteld van het Militaire Revolutionaire Comité. Zoiets zou natuurlijk niet nodig zijn geweest, indien het “centrum” had bestaan en bezig was geweest met het voorbereiden van de opstand. De notulen vermelden nog dat een vierde lid van het “centrum”, Oeritski, enige praktische voorstellen deed. Maar waar was het vijfde lid, Stalin?

Het meest verbazingwekkende feit van alles is, dat Stalin niet op deze beslissende bijeenkomst aanwezig was. De leden van het Centraal Comité verplichtten zich er toe Smolny niet te verlaten, maar Stalin was er zelfs niet eens verschenen! Dat feit wordt onweerlegbaar bewezen door de in 1929 uitgegeven notulen. Stalin heeft zijn afwezigheid nooit verklaard, noch mondeling, noch schriftelijk. Niemand maakte er ooit een strijdpunt van, waarschijnlijk om geen onnodige last te veroorzaken. Alle meest belangrijke besluiten aangaande het leiden van de opstand werden genomen zonder Stalin, zonder zelfs de minste ook maar indirecte deelneming van hem. Toen de rollen voor het drama onder de diverse acteurs werden verdeeld, was er niemand die Stalin noemde, of voorstelde hem iets op te dragen. Hij verdween eenvoudig van het toneel. Bestuurde hij misschien zijn centrum vanuit de een of andere geheime schuilplaats? Maar alle andere leden van het “centrum” bleven voortdurend in Smolny.

Toen de openlijke opstand al was begonnen richtte Lenin, die in zijn afzondering brandde van ongeduld, een oproep tot de districtsleiders: “Kameraden! Ik schrijf deze regels in de avond van de vierentwintigste... Ik verzeker jullie uit alle macht, dat nu alles aan een zijden draadje hangt, dat wij nu tegenover kwesties staan die niet kunnen worden opgelost door conferenties of door congressen (zelfs niet door sovjetcongressen), maar uitsluitend door de strijd van de gewapende massa...” Uit deze brief blijkt overduidelijk dat zelfs op de avond van de vierentwintigste oktober Lenin nog niets wist van het door het Militaire Revolutionaire Comité ingezette offensief. Het contact met Lenin werd voornamelijk onderhouden door Stalin, omdat hij een van degenen was waarvoor de politie niet de minste belangstelling toonde. En onvermijdelijk is de gevolgtrekking dat zijn wegblijven van de bijeenkomst van het Centraal Comité in de morgen en van Smolny gedurende de rest van de dag voortkwamen uit het feit dat Stalin eerst laat in de avond tot de ontdekking kwam, dat de opstand reeds begonnen en in volle gang was. Niet dat hij een lafaard was. Er is totaal geen reden om Stalin van lafheid te beschuldigen. Hij hield alleen op politiek gebied gaarne een slag om de arm. De voorzichtige plannensmeder gaf er de voorkeur aan zich op het kritieke moment gedekt te houden. Hij wachtte af om te zien, hoe de opstand zich zou ontwikkelen, voordat hij een standpunt koos. Wanneer het mislukte, kon hij tegen Lenin en mij en onze aanhangers zeggen: “Het is allemaal jullie schuld!” Men moet zich de roodgloeiende stemming van die dagen duidelijk voor de geest halen om ’s mans koude vastberadenheid of, zo men wil, arglistigheid, op haar juiste waarde te kunnen schatten.

Neen, het was niet Stalin die de opstand leidde – noch persoonlijk noch via het een of ander “centrum”. In de notulen, herinneringen, de talloze documenten, naslawerken en geschiedkundige handboeken uit de tijd toen Lenin nog leefde, en zelfs nog daarna, wordt het zogenaamde “centrum” nergens vermeld en wordt Stalins naam nooit genoemd als die van een leider van of belangrijk deelnemer in enige andere functie aan de opstand. De herinnering van de partij ging aan hem voorbij. Eerst in 1924 diepte het Comité voor Partijgeschiedenis, op zoek naar allerlei gegevens, de minuten op van de bijeenkomst van 16 oktober, met de tekst van de resolutie tot het organiseren van een praktisch “centrum”. De strijd tegen de linkse oppositie en tegen mij persoonlijk, die toen aan de gang was, verlangde een nieuwe lezing van de geschiedenis van de partij en van de revolutie. Ik herinner mij, dat Serebrjakov, die overal vrienden en relaties had, mij eens vertelde dat er op Stalins secretariaat grote vreugde heerste over de ontdekking van het “centrum”.

“Van welke betekenis zou dat dan kunnen zijn?” vroeg ik verbaasd.

“Zij gaan iets om dat klosje heen winden,” antwoordde de uitgekookte Serebrjakov.

Maar toch ging zelfs toen de “centrum”-zaak niet verder dan een herdruk van een herdruk van de notulen en vage verwijzingen er naar. De gebeurtenissen van 1917 lagen nog te vers in ieders gedachten. De deelnemers aan de revolutie waren nog niet geliquideerd. Dzerzjinski en Boebnov, die ook op de lijst stonden als leden van het “centrum”, leefden nog. Dzerzjinski was natuurlijk, uit louter factisch fanatisme, zeer goed in staat aan Stalin verdiensten toe te schrijven, die deze zich niet had verworven, maar hij was niet in staat zulke verdiensten ook aan zichzelf toe te schrijven; dat lag buiten zijn macht. Maar Dzerzjinski stierf op tijd. Een van de redenen waardoor Boebnov in ongenade viel en geliquideerd werd, was ongetwijfeld zijn weigering om valse getuigenis af te leggen. Niemand anders herinnerde zich iets over het bestaan van het “centrum”. De schim van de notulen bleef rustig zijn papierenbestaan voortzetten – zonder beenderen of vlees, zonder oren of ogen.

Dat verhinderde echter niet dat het tot kernpunt werd gemaakt van een nieuwe lezing van de Oktoberrevolutie. In 1925 betoogde Stalin reeds: “Het is vreemd dat kameraad Trotski, de ‘inspirator’, ‘voornaamste figuur’ en ‘enige leider’ van de opstand geen lid was van het praktische centrum, dat gesticht was om de opstand te leiden. Hoe is het mogelijk dat in overeenstemming te brengen met de gangbare mening over de bijzondere rol van kameraad Trotski?” Het argument was duidelijk onlogisch: volgens de letterlijke zin van de resolutie moest het “centrum” deel gaan uitmaken van hetzelfde Militaire Revolutionaire Comité waarvan ik voorzitter was. Stalin liet duidelijk merken dat het zijn bedoeling was een nieuwe geschiedenis van de opstand om die notulen te “winden”. Hij legde echter niet uit wat de bron was van “de gangbare mening over de bijzondere rol van kameraad Trotski”. Toch zou het de moeite waard zijn, daarover eens na te denken.

Het volgende staat bij mijn naam in de noten bij de eerste uitgave van Lenins Werken: “[Trotski] werd, nadat de Petersburgse sovjet in de handen van de bolsjewieken was overgegaan, gekozen tot president ervan en hij organiseerde en leidde als zodanig de opstand van 25 oktober.” De “legende” had dus een plaats gekregen in Lenins Werken nog tijdens het leven van de auteur er van. En tot 1925 toe bracht niemand daar iets tegenin. Bovendien had Stalin zelf één keer zijn cijns betaald aan deze “gangbare mening”. In het artikel bij de eerste verjaardag, in 1918, schreef hij: “Al het werk voor de praktische organisatie van de opstand werd verricht onder de directe leiding van de president van de Petrogradse sovjet, kameraad Trotski. Het mag met zekerheid worden gezegd, dat de partij de snelle overgang van het garnizoen naar de kant van de sovjet en de stoutmoedige uitvoering van het werk van het Militaire Revolutionaire Comité voornamelijk en bovenal te danken heeft aan kameraad Trotski. De kameraden Antonov en Podvoiski waren kameraad Trotski’s voornaamste helpers.” Heden ten dage klinken deze woorden als een lofrede. Maar in werkelijkheid ligt er aan ten grondslag de bedoeling, de partij er aan te herinneren, dat er in de dagen van de opstand behalve Trotski ook nog een Centraal Comité bestond, waarvan Stalin lid was. Maar om zijn artikel ten minste een schijn van objectiviteit te geven was Stalin genoopt in 1918 te zeggen wat hij zei. In ieder geval schreef hij op de eerste verjaardag van de Sovjetregering “de praktische organisatie van de opstand” aan Trotski toe. Maar waaruit bestond dan de mysterieuze rol van het “centrum”? Stalin noemde het zelfs niet, maar het was dan ook nog 6 jaar voor de ontdekking van de notulen van 16 oktober.

In 1920 noemde hij Trotski niet, maar toen schoof hij Lenin tegen het Centraal Comité naar voren, als de auteur van het verkeerde plan voor de opstand. In 1922 herhaalde hij dit, maar verving Lenins naam door “een deel van de kameraden” en liet voorzichtig doorschemeren dat hij (Stalin) iets te maken had gehad met het redden van de opstand van dat verkeerde plan. Weer verliepen twee jaren, en dan schijnt het, dat het Trotski was, die boosaardig de canard aangaande Lenins verkeerde plan had verzonnen; de waarheid echter was, dat Trotski zelf het verkeerde plan had voorgesteld, maar gelukkig was het door het Centraal Comité verworpen. Tenslotte stelde de in 1938 uitgegeven “Geschiedenis” van de partij Trotski voor als een verwoed tegenstander van de Oktoberrevolutie, die in werkelijkheid door Stalin was geleid. Parallel met dit alles werden ook alle kunsten gemobiliseerd: poëzie, schilderkunst, theater en bioscoop ontdekten plotseling in zich de drang om het mythische “centrum” leven in te blazen, ofschoon de ijverigste geschiedkundigen er zelfs met een vergrootglas geen spoor van konden vinden. Heden ten dage figureert Stalin op de filmdoeken van de wereld als de leider van de Oktoberrevolutie, om maar niet eens te spreken van alle Kominternuitgaven.

Op dezelfde manier, ofschoon misschien niet zo flagrant, werden alle historische feiten aangaande alle oude bolsjewieken telkens en telkens weer herzien en in overeenstemming gebracht met de veranderende politieke omstandigheden. In 1917 verdedigde Stalin Zinovjev en Kamenev, in een poging hen tegen Lenin en mij te gebruiken en ter voorbereiding van zijn toekomstig “triumviraat”. In 1924, toen het “triumviraat” alreeds de politieke machine beheerste, betoogde Stalin in de pers dat de meningsverschillen met Zinovjev en Kamenev aan de vooravond van de Oktoberrevolutie slechts van voorbijgaande en secondaire aard waren geweest. “De meningsverschillen duurden slechts enkele dagen, omdat Zinovjev en Kamenev- rasechte leninisten, rasechte bolsjewieken waren, en alleen daarom.” Maar nadat het “triumviraat” was uiteengevallen werd het gedrag van Zinovjev en Kamenev gedurende een reeks van jaren de belangrijkste reden om hen uit te maken voor “agenten van de bourgeoisie”, totdat het tenslotte werd opgenomen in de fatale aanklacht, die hen beiden voor het vuurpeleton bracht.

Men wordt als vanzelf gedwongen zich te verbazen over een dergelijk koud, geduldig en tegelijkertijd wreed doorzettingsvermogen, gericht op één onveranderlijk persoonlijk doel. Zoals de jeugdige Koba eens in Batoem voortdurend had gewroet tegen de leden van het Tbilisise comité, die toch zijn meerderen waren, zoals hij in gevangenschap en in verbanning lichtgelovigen had opgehitst tegen zijn mededingers, zo was hij ook nu in Petrograd rusteloos in de weer met mensen en omstandigheden, ten einde een ieder, die hem op de een of andere manier kwetste of in de weg trad, opzij te duwen, te vernederen, te blameren.

Natuurlijk heeft de Oktoberrevolutie, als oorsprong van het nieuwe regime, de voornaamste plaats ingenomen in de ideologie van de nieuwe regerende kringen. Hoe gebeurde dat allemaal? Wie leidde het centrum en de vertakkingen? Stalin had praktisch twintig jaar nodig om het land een historisch panorama bij te brengen, waarin hij de werkelijke leiders van de opstand andere plaatsen had toebedeeld en hun rollen had toegeschreven van verraders van de revolutie. Het zou echter niet juist zijn te denken dat hij de veldtocht voor zijn persoonlijke verheerlijking begon met een voltooid plan de campagne. Buitengewone historische omstandigheden gaven zijn eerzucht een vaart die zelfs hem ontstelde. En in één opzicht bleef hij onveranderlijk zichzelf: zonder zich ergens anders om te bekommeren buitte hij iedere concrete situatie uit om zijn eigen positie te versterken ten koste van zijn kameraden – stap voor stap, steen voor steen, geduldig, zonder hartstocht, maar ook zonder mededogen! Het is in het ononderbroken weven van intriges, in het voorzichtig omzeilen van waarheid en leugen, in het organisch ritme van zijn falsificaties, dat Stalin het best weerspiegeld wordt als mens en als leider van de nieuwe bevoorrechte clique, die, op welke manier dan ook, nieuwe levensbeschrijvingen voor zich zelf in elkaar moet zetten.

Na een slecht begin in maart, waarvan hij zich in april niet had hersteld, bleef Stalin gedurende het gehele revolutiejaar achter de schermen. Hij stond nooit in rechtstreekse verbinding met de massa en voelde zich nooit verantwoordelijk voor het lot van de revolutie. Op bepaalde ogenblikken was hij lid van de generale staf, maar nooit opperbevelhebber. Daar hij zich gaarne rustig hield liet hij het initiatief over aan anderen, lette op hun zwakheden en fouten, en bleef zelf achter de ontwikkeling aan lopen. Hij had om te slagen enigszins stabiele omstandigheden en veel tijd nodig. De revolutie echter beroofde hem van het een zowel als van het ander.

Stalin, die nooit de problemen van de revolutie heeft behoeven te analyseren onder die geestelijke druk die ontstaat, wanneer men zich onmiddellijk verantwoordelijk gevoelt, is er nooit toe gekomen de inherente logica van de Oktoberrevolutie ten volle te begrijpen. Daarom zijn de herinneringen, die hij er aan heeft, zo empirisch, zo onsamenhangend; daarom zijn de latere beoordelingen van de strategie van de opstand zo tegenstrijdig; daarom zijn de fouten in een aantal latere revoluties (Duitsland, China, Spanje) zo enorm. Revolutie is inderdaad niet het element van deze vroegere “beroepsrevolutionair”!

Niettemin was 1917 toch een belangrijk stadium in de ontwikkeling van de toekomstige dictator. Zelf zei hij later, dat hij in Tbilisi leerling was geweest, in Bakoe gezel was geworden en in Petrograd meester. Na vier jaren politieke en intellectuele overwintering in Siberië, waar hij tot het peil van de links-mensjewieken afdaalde, was het revolutiejaar, waarin hij onder directe leiding stond van Lenin en verkeerde in de kring van uiterst bekwame kameraden, van zeer grote betekenis voor zijn politieke ontwikkeling. Voor het eerst had hij nu de gelegenheid veel te leren, wat tot nu toe buiten het gebied van zijn ervaring was gebleven. Hij luisterde en keek met een kwaad gezicht, maar scherp en op zijn hoede. Het machtsprobleem stond in het middelpunt van het politieke leven. De Voorlopige Regering, gesteund door de mensjewieken en de populisten, zijn kameraden van gisteren uit ondergrondse, gevangenschap en verbanning, stelde hem in staat meer van dichtbij een kijkje te nemen in dat geheimzinnige laboratorium, waar het, zoals iedereen weet, geen goden zijn die de potten glazuren. De onoverbrugbare kloof, die in het tsaristische tijdvak de ondergrondse revolutionairen van de regering scheidde, kromp ineen tot niets. De regering werd iets van nabij, iets vertrouwds. Koba wierp veel van zijn provincialisme van zich af, zo niet in gewoonten dan toch in zijn manier van politiek denken. Hij voelde – scherp, pijnlijk – wat aan zijn persoonlijkheid ontbrak, maar tegelijk zag hij de macht van een nauw verbonden schare begaafde en ervaren revolutionairen, die bereid waren tot het bittere einde te vechten. Hij werd een erkend lid van de generale staf van de partij, die de massa bezig was naar de macht te voeren. Hij hield op, Koba te zijn. Hij werd nu definitief Stalin.

_______________
[1] Boecharins naam ontbreekt op deze lijst. – C.M.
[2] Kamenev was intussen weer aangenomen als lid van het Centraal Comité. – L.T.