Michael Bakoenin
Over anarchisme, staat en dictatuur
Hoofdstuk 6


VI De Commune van Parijs en het staatsbegrip [15]

Zoals alle overigens weinig talrijke geschriften die ik tot nu toe gepubliceerd heb, is ook dit werk een product van de gebeurtenissen. Het is natuurlijke voortzetting van mijn Lettres Ó un Franšais [16] (september 1870), waarin ik de simpele en droevige eer genoot vooruitzichten en voorspellingen te geven over de verschrikkelijke rampen die Frankrijk en met haar de gehele beschaafde wereld momenteel treffen; rampen waartegen slechts één remedie bestond en nu nog steeds bestaat: DE SOCIALE REVOLUTIE.

Het bewijs leveren voor deze van nu af onaantastbare waarheid door de historische ontwikkeling van de maatschappij en door de feiten die zich zelf onder onze ogen in Europa voordoen, zodat zij aanvaard wordt door alle mensen die te goeder trouw zijn en oprecht de waarheid zoeken; en vervolgens openlijk, zonder terughoudendheid of dubbelzinnigheden een uiteenzetting te geven van de filosofische beginselen en de praktische doeleinden die om zo te zeggen de drijvende kracht, de gronddag en het doel vormen van wat wij de sociale revolutie noemen — dat is de bedoeling van het onderhavige geschrift.

De taak die ik mij heb opgelegd is niet gemakkelijk, ik weet het, en men zou mij van verwaandheid kunnen betichten, wanneer ik in dit werk ook maar de minste persoonlijke pretentie aanvoerde. Daar is echter geen sprake van. ik kan het de lezer verzekeren. Ik ben geen geleerde of filosoof of zelfs schrijver van beroep. Ik heb in mijn leven zeer weinig geschreven en ik heb het nooit gedaan dan om zo te zeggen uit noodweer en slechts wanneer een hartstochtelijke overtuiging mij dwong mijn instinctieve afkeer van iedere vertoning van mijn eigen ik in het openbaar te overwinnen.

Wie ben ik dan en wat drijft mij ertoe dit werk nu te publiceren? Ik ben een hartstochtelijk zoeker naar de waarheid en een niet minder verbitterd vijand van de kwaadaardige ficties waarvan de partij van de orde — die officiële, bevoorrechte vertegenwoordiger. die belang heeft bij alle religieuze, metafysische, politieke, gerechtelijke, economische en sociale schanddaden uit verleden en heden — zich nog heden ten dage meent te kunnen bedienen om de wereld dom te houden en te onderwerpen. Ik ben een fanatiek minnaar van de vrijheid en beschouw haar als het enige klimaat waarin het begrip, de waardigheid en het geluk der mensen zich kunnen ontwikkelen en uitbreiden; niet die strikt formele vrijheid, door de staat als gunst verleend, met mondjesmaat toegediend en gereglementeerd, die eeuwige leugen die in werkelijkheid nooit iets anders voorstelt dan het privilege van enkelen gebaseerd op de slavernij van allen: niet die individualistische, egoïstische, bekrompen en hersenschimmige vrijheid zoals die gepredikt wordt door de school van J.-J. Rousseau en alle andere scholen van het burgerlijk liberalisme en die het zogeheten recht van allen, vertegenwoordigd door de staat, als de beperking van ieders persoonlijk recht beschouwen, wat noodzakelijkerwijs steeds neerkomt op de reductie van ieders recht tot nul.

Nee, ik bedoel de enige vrijheid die deze naam werkelijk waardig is, de vrijheid die bestaat in de volledige ontwikkeling van alle materiële, intellectuele en morele krachten die bij iedereen als verborgen mogelijkheden aanwezig zijn; de vrijheid die geen andere beperkingen kent dan ons door de wetten van onze eigen natuur zijn voorgeschreven, zodat er eigenlijk gesproken geen beperkingen bestaan. Die wetten zijn ons immers niet door een of andere wetgever die zich naast of boven ons bevindt, opgelegd: zij zijn ons immanent en inherent, vormen de grondslag zelf van ons bestaan, zowel materieel als intellectueel en moreel — in plaats van ze dus een beperking op te leggen, moeten wij ze beschouwen als de werkelijke condities en de wezenlijke redenen van onze vrijheid.

Ik bedoel die vrijheid van iedereen die verre van halt te houden voor de vrijheid van de ander als voor een grens, er integendeel haar bevestiging en uitbreiding tot in het oneindige vindt; de onbegrensde vrijheid van een ieder door de vrijheid van allen, de vrijheid door solidariteit, de vrijheid in gelijkheid; de vrijheid die triomfeert over de brute kracht en het autoriteitsbeginsel dat nooit anders dan de ideële uitdrukking van die kracht was; de vrijheid die alle hemelse en aardse afgoden omver zal werpen en vervolgens een nieuwe wereld grondvest en opbouwt: de wereld van de solidaire mensheid, op de ruines van alle kerken en staten.

Ik ben een overtuigd voorstander van de sociale en economische gelijkheid, omdat ik weet dat zonder die gelijkheid en vrijheid, gerechtigheid, menselijke waardigheid, moraliteit, het welzijn der mensen en welvaren van de naties nooit iets anders zullen zijn dan even zovele leugens. Maar omdat ik onder alle omstandigheden voorstander van de vrijheid ben, eerste voorwaarde voor de mensheid, ben ik van mening dat de gelijkheid in de wereld moet ontstaan door de spontane organisatie van de arbeid en het collectief eigendom in producerende associaties die vrij in communes georganiseerd en gefederaliseerd zijn, en door de even spontane federatie van de communes, maar niet door de opperste bevoogding van de staat.

Dit vormt het voornaamste twistpunt tussen de revolutionaire socialisten of collectivisten en de autoritaire communisten die voorstanders zijn van het absolute staatsinitiatief [17]. Hun doel is hetzelfde; beide partijen willen gelijkelijk de schepping van een nieuwe sociale orde, die uitsluitend gebaseerd is op de organisatie van de collectieve arbeid — onder de dwang der gebeurtenissen aan ieder en allen onvermijdelijk opgelegd, met voor allen gelijke economische condities — en op de collectieve inrichting van de arbeidsmiddelen.

Maar de communisten stellen zich voor dit te bereiken door ontwikkeling en organisatie van de politieke macht der arbeidersklassen en voornamelijk van het proletariaat uit de steden, met behulp van het burgerlijke radicalisme — de revolutionaire socialisten, vijanden van iedere dubbelzinnige vermenging en verbinding, zijn daarentegen van mening dat zij dit doel slechts kunnen bereiken door ontwikkeling en organisatie van niet de politieke maar de sociale en bijgevolg antipolitieke macht van de arbeidersmassa’s, zowel uit de steden als van het platteland en met inbegrip van alle goedwillenden uit de hogere klassen die oprecht met hun verleden zouden willen breken, zich bij hen voegen en hun program volledig aanvaarden.

Vandaar: twee verschillende methoden. De communisten geloven de arbeiderskrachten te moeten organiseren om zich meester te maken van de politieke macht der staten. De revolutionaire socialisten organiseren zich met het oog op de vernietiging of zo men een netter woord wil, de uitschakeling van de staten. De communisten zijn voorstanders van beginsel en praktijk van de autoriteit, de revolutionaire socialisten stellen slechts rouwen in de vrijheid. Terwijl beide evenzeer voorstander zijn van de wetenschappelijke methoden, zouden eerstgenoemden deze willen opleggen, terwijl de anderen zich zullen beijveren ze te propageren opdat de overtuigde groepen mensen zich spontaan en vrij, van beneden naar boven organiseren en federaliseren, uit eigen beweging en overeenkomstig hun werkelijke belangen, maar nimmer volgens een plan dat van te voren is opgesteld en aan de onwetende massa’s door enkele superieure breinen wordt opgelegd.

De revolutionaire socialisten menen dat er veel meer praktisch inzicht en geestkracht schuilt in de instinctieve aspiraties en werkelijke behoeften van de volksmassa’s dan in de diepzinnige intelligentie van alle geneesheren en opvoeders der mensheid die na zoveel mislukte pogingen om haar gelukkig te maken nog steeds beweren hun inspanningen te vergroten.

Daartegenover zijn de revolutionaire socialisten van mening dat de mensheid zich lang genoeg, té lang heeft laten regeren en dat de bron van haar ongeluk niet in deze of gene regeringsvorm ligt, maar in het beginsel en bestaan van de regering zelf, hoe die verder ook is.

Dit is dan uiteindelijk de reeds historisch geworden tegenstelling tussen het wetenschappelijk door de Duitse school ontwikkelde communisme enerzijds, dat ook gedeeltelijk door de Amerikaanse en Engelse socialisten is overgenomen, en aan de andere kant het ver ontwikkelde en tot zijn uiterste consequenties doorgevoerde proudhonisme, dat door het proletariaat uit de Latijnse landen (Het wordt eveneens — en in toenemende mate — geaccepteerd door het wezenlijk apolitieke instinct van de Slavische volken) wordt aangehangen. Het revolutionair socialisme heeft zich onlangs voor het eerst schitterend in de praktijk pogen te manifesteren in de Commune van Parijs.

Ik ben een aanhanger van de Commune van Parijs, die ondanks het feit dat zij is afgeslacht en in haar bloed gesmoord door de beulen van de monarchale en klerikale reactie, in de verbeelding en het hart van het proletariaat uit Europa slechts levendiger en machtiger is geworden. Vooral steun ik haar omdat zij een stoutmoedige en uitgesproken ontkenning van de staat is geweest.

Het is een geweldig historisch feit dat deze ontkenning van de staat zich juist in Frankrijk heeft voorgedaan, tot nu toe het land van de politieke centralisatie bij uitstek, en dat het juist Parijs geweest is, de historische leider en schepper van die grote Franse beschaving, dat het initiatief ertoe genomen heeft. Parijs, dat zich ontkroonde en met geestdrift van zijn eigen rechten vervallen verklaarde om vrijheid en leven te schenken aan Frankrijk, aan Europa, aan de gehele wereld; Parijs dat opnieuw zijn historische energie bevestigde door alle in slavernij gehouden volken (en welke volksmassa’s zijn geen slaven?) de enige weg naar vrijheid en heil te wijzen; Parijs, dat om dodelijke slag toebracht aan de politieke tradities van het burgerlijke radicalisme en een werkelijke grondslag gaf aan het revolutionair socialisme! Parijs dat zich opnieuw de vervloeking van de gehele reactionaire bende van Frankrijk en Europa waardig toonde!

Parijs, dat zich in haar bouwvallen bedolf om plechtig de triomferende reactie te logenstraffen; dat door zijn rampspoed de eer en toekomst van Frankrijk redde en aan de getrooste mensheid bewees dat het leven, de intelligentie, de morele kracht energiek en vol toekomst bewaard worden in het proletariaat, wanneer zij aan de hogere klassen zijn onttrokken! Parijs, dat het nieuwe tijdvak inluidde. het tijdvak van de definitieve en volledige bevrijding van de volksmassa’s en van hun van nu af wezenlijke solidariteit doorhéén en ondanks de grenzen der staten; Parijs dat het patriottisme de doodsteek toebracht en op zijn ruïnes de religie der mensheid stichtte; Parijs, dat zich humanitair en atheïst verklaarde en de goddelijke hersenschimmen verving door de grote werkelijkheden van het maatschappelijk leven en het geloof in de wetenschap, dat in plaats van de leugens en onrechtvaardigheden van de godsdienstige, politieke en juridische moraal de beginselen van vrijheid, gerechtigheid, gelijkheid en broederschap stelt, de eeuwige grondslagen van iedere menselijke moraal! Het heroïsche, het rationele en gelovende Parijs, dat zijn krachtig vertrouwen in de toekomst van de mensheid bevestigde door zijn eervolle val, zijn dood, en de veel energieker en levendiger nalatenschap aan de komende generaties! Parijs, verdronken in het bloed van zijn grootmoedigste kinderen — het is de mensheid gekruisigd door de internationale en verbonden reactie van Europa, met als onmiddellijke inspirators alle christelijke kerken en de hogepriester der onrechtvaardigheid, de Paus; maar de komende internationale solidaire revolutie van de volkeren zal de wederopstanding van Parijs betekenen.

Dat is de werkelijke betekenis, dat zijn de geweldige, weldadige gevolgen van het twee maanden bestaan en de onvergetelijke val van de Commune van Parijs. De Commune van Parijs heeft niet lang genoeg geduurd en is te zeer in haar interne ontwikkeling belemmerd door de dodelijke strijd die zij heeft moeten leveren tegen de reactie uit Versailles, dan dat zij in staat zou zijn geweest haar socialistisch program ook maar theoretisch uit te werken, laat staan in toepassing te brengen. Overigens moet men wel erkennen dat de meerderheid der Communeleden eigenlijk geen socialist waren, en wanneer zij zich zo gedroegen komt dit doordat zij onweerstaanbaar werden meegesleept door de onoverwinnelijke dwang der gebeurtenissen, de aard van hun omgeving, de behoeften van hun positie, en niet door hun innerlijke overtuiging. De socialisten, met aan het hoofd natuurlijk onze vriend Varlin [18], vormden in de Commune slechts een zeer kleine minderheid; zij waren bij elkaar met zo’n veertien of vijftien leden. De rest bestond uit jacobijnen. Maar begrijpen wij elkaar goed, er zijn jacobijnen en jacobijnen.

Er zijn doctrinaire jacobijnse pleitbezorgers ik de heer Gambetta, wiens positivistische (Zie zijn brief aan Liltré in Le Progres, Lyon), laatdunkende, despotische en formalistische republikeinse gezindheid het oude revolutionaire geloof heeft verloochend en van het jacobinisme slechts de verering voor eenheid en autoriteit behouden heeft — dat het Frankrijk van het volk aan de Pruisen en later aan de inheemse reactie uitleverde; en er zijn de oprecht revolutionaire jakobijnen, de helden, de laatste eerlijke vertegenwoordigers van het democratisch geloof uit 1793, die liever bereid zijn hun zeer beminde eenheid en autoriteit op te offeren voor de behoeften van de Revolutie dan hun geweten te buigen voor de onbeschaamdheid van de reactie. Deze grootmoedige jakobijnen, met aan het hoofd natuurlijk Delescluze [19], een grote geest en een groot mens, wensen de zege van de Revolutie vóór alles; en omdat er geen revoluties plaatsvinden zonder volksmassa’s en deze massa’s tegenwoordig hij uitstek een socialistisch instinct hebben en geen andere revolutie kunnen maken dan een economische en sociale. laten de oprechte jakobijnen zich steeds meer meeslepen door de logica van de revolutionaire beweging en worden zij tenslotte ondanks zichzelf socialisten.

Dit was precies de toestand van de jakobijnen die aan de Commune van Parijs deelnamen. Delescluze en talrijke anderen met hem tekenden programs en verklaringen die naar hun algemene strekking stellig socialistisch waren. Maar omdat zij ondanks al hun goede trouw en goede wil veel meer door de omstandigheden meegesleepte dan innerlijk overtuigde socialisten waren, omdat zij niet de tijd of de mogelijkheden hadden om bij zichzelf een massa burgerlijke vooroordelen, die in tegenspraak waren met hun recente socialisme, te overwinnen en onderdrukken, valt het te begrijpen dat zij zich. door deze innerlijke strijd verlamd, nooit uit algemeenheden konden losmaken of een van die beslissende maatregelen nemen die voor altijd hun solidariteit en al hun betrekkingen met de burgerlijke wereld zouden verbreken.

Dit was voor de Commune en voor henzelf een grote ramp; zij werden erdoor verlamd en verlamden de Commune; maar men kan het hen niet als een fout aanrekenen. De mensen veranderen niet van de ene dag op de andere en wisselen niet naar willekeur van aard of gewoonten. Zij hebben hun oprechtheid bewezen door in de strijd voor de Commune te vallen. Wie tal meer van hen durven verlangen?

Zij zijn des te meer te verontschuldigen daar het volk van Parijs, onder wiens invloed zij hebben gedacht en gehandeld, zelf veel meer uit instinct socialist was dan uit idee of overwogen overtuiging. Het hele streven van het volk is in de hoogste graad en uitsluitend socialistisch; maar zijn ideeën of liever zijn traditionele voorstellingen zijn nog ver van deze hoogte verwijderd.

Er zijn nog veel jakobijnse vooroordelen, veel gedachten over dictaturen en regeringen bij het proletariaat uit de grote steden in Frankrijk en zelfs in Parijs. De wortels van de autoriteitscultus, noodlottig product van de religieuze opvoeding die historische bron van alle rampen, bederf en slaafsheid van het volk , zijn in zijn rangen nog niet volledig uitgeroeid. Deze uitspraak gaat zozeer op dat zelfs de intelligentste kinderen van het volk, de meest overtuigde socialisten, er nog niet in geslaagd zijn zich hier volledig van te ontdoen. Graaf in hun bewustzijn en u zult er de jakobijn terugvinden, de regeringspartizaan, inderdaad in een zeer duister en bescheiden hoekje teruggedreven, maar niet helemaal dood.

De positie van het kleine aantal overtuigde socialisten dat van de Commune deel uitmaakte was overigens bijzonder moeilijk. Zij voelden zich niet voldoende ondersteund door de grote massa van de Parijse bevolking en terwijl daarnaast de organisatie van de Internationale Arbeiders Associatie, — die trouwens nauwelijks enkele duizenden personen omvattend — en moesten een dagelijkse strijd tegen de jakobijnse meerderheid leveren. En onder wat voor een omstandigheden! Zij moesten arbeid en brood verschaffen aan enkele honderdduizenden arbeiders, hen organiseren en bewapenen en tezelfdertijd een toeziend oog houden op de reactionaire intriges in een geweldige stad als Parijs, belegerd, door honger bedreigd en uitgeleverd aan alle smerige ondernemingen van de reactie die zich met toestemming en bij de gunst van de Pruisen in Versailles had kunnen inrichten en handhaven. Zij moesten een revolutionaire regering en een revolutionair leger stellen tegenover regering en leger van Versailles, dat wil zeggen dat zij, om de monarchale en klerikale reactie te overwinnen de grondbeginselen van het revolutionaire socialisme op zij moesten zetten om zich te organiseren als een jacobijnse reactie.

Is het dan in dergelijke omstandigheden niet natuurlijk dat de jakobijnen, die door hun meerderheid in de Commune de sterkste waren en bovendien in een oneindig superieure graad het politiek instinct, de traditie en de praktijk van de regeringsorganisatie bezaten, geweldige voordelen op de socialisten hadden? Waar men zich over moet verbazen is dat zij er niet veel meer van geprofiteerd hebben, dat zij aan de Parijse opstand geen uitsluitend jakobijns karakter hebben gegeven en zich daarentegen door een sociale revolutie lieten meeslepen.

Ik weet dat vele socialisten die zeer consequent zijn in hun theorie, aan onze vrienden in Parijs verwijten dat zij zich onvoldoende socialist betoond hebben in hun revolutionaire praktijk, terwijl alle blaffers van de burgerlijke pers hen er daarentegen van beschuldigen het socialistisch program maar al te trouw gevolgd te hebben. Wij zullen de erbarmelijke denucianten van die pers voor het ogenblik terzijde laten! Tegenover de strenge theoretici van de bevrijding van het proletariaat wil ik erop wijzen dat zij tegenover onze Parijse broeders onrechtvaardig zijn; want tussen de meest juiste theorieën en hun praktische verwezenlijking ligt een geweldige afstand die men niet in enkele dagen overbrugt. Wie bijvoorbeeld het voorrecht gehad heeft Varlin te kennen om slechts hem te noemen, wiens dood vaststaat — weet hoe hartstochtelijk en tegelijk bezonken en ingeworteld de socialistische overtuiging bij hem en zijn vrienden was. Dat waren mannen wier brandend vuur, toewijding en goede trouw door hen die ze ontmoet hebben nooit in twijfel konden worden getrokken. Maar juist omdat zij te goeder trouw waren, zaten zij vol wantrouwen tegenover zichzelf bij het geweldige werk waaraan zij hun denken en leven hadden gewijd: zij achtten zich zo gering! Zij waren trouwens de mening toegedaan dat, zoals in ieder op- in tegenstelling tot de politieke revolutie, — in de sociale revolutie de individuele actie vrijwel niets was, de spontane acties van de massa’s alles moesten zijn.

Alles wat individuen kunnen doen is het uitwerken, verklaren en propageren van de ideeën die overeenkomen met het volksinstinct, en daarenboven door onophoudelijke Inspanningen bijdragen aan de revolutionaire organisatie van de natuurlijke kracht der massa’s — maar verder niets; al het overige moet en kan slechts door het volk gedaan worden. Anders zou men tenslotte een politieke dictatuur instellen, dat wil zeggen het herstel van de staat, de privileges, ongelijkheden, alle verdrukkingen van de staat, en men zou langs een zijdelingse maar logische weg uiteindelijk terechtkomen op een wederinstelling van de politieke, sociale, economische slavernij van de volksmassa’s.

Als alle oprechte socialisten en in het algemeen alle arbeiders die in het volk zijn geboren en grootgebracht. deelden Varlin en al zijn vrienden tot in de hoogste mate de overigens geheel gewettigde vooringenomenheid tegen het voortdurende initiatief van dezelfde personen. tegen de door superieure persoonlijkheden uitgeoefende overheersing: en omdat zij vóór alles rechtvaardig waren, koesterden zij deze voorzorg, dit wantrouwen evenzeer tegen zichzelf als tegen alle andere personen. In tegenstelling tot die mijns inziens volkomen foutieve opvatting van de autoritaire communisten dat een sociale revolutie gedecreteerd en georganiseerd kan worden door een dictatuur of een uit een politieke revolutie voortgekomen wetgevende vergadering, waren onze vrienden, de socialisten van Parijs, de mening toegedaan dat zij slechts door de spontane en voortdurende actie van de volksmassa’s, groepen en associaties gemaakt en tot volle ontplooiing gebracht kon worden.

Onze Parijse vrienden hebben duizend maal gelijk gehad. Want waar is het brein, hoe geniaal ook — of, als men van een collectieve dictatuur wil spreken, desnoods door verscheidene honderden met superieure capaciteiten begiftigde personen gevormd: waar zijn de hersenen die machtig en omvattend genoeg zijn om de oneindige veelheid en verscheidenheid te bevatten van de werkelijke belangen, aspiraties, wensen en behoeften die gezamenlijk de collectieve wil van een volk vormen, en om een maatschappelijke organisatie uit te vinden die iedereen kan bevredigen? Die organisatie zal niets anders zijn dan een Procrustesbed waarop de ongelukkige maatschappij gedwongen zal worden zich uit te strekken door het min of meer optredende staatsgeweld.

Zo is het tot nu toe steeds gelopen en juist aan dit ouderwetse systeem van organisatie met geweld moet de sociale revolutie een eind maken door de massa’s, groepen, communes, associaties, de personen zelf hun volle vrijheid te geven en eens en vooral de historische oorzaak van alle geweld te vernietigen, de macht en het bestaan van de staat zelf. die in haar val alle onbillijkheden van het juridisch recht met alle leugens van de verschillende erediensten moet meeslepen, omdat dit recht en deze erediensten nooit iets anders geweest zijn dan de ideale en reële verplichte inzegening van al het door de staat vertegenwoordigde, gewaarborgde en gemonopoliseerde geweld.

Het is duidelijk dat alleen dan vrijheid aan de mensheid zal worden geschonken, dat alleen dan de werkelijke belangen van de maatschappij, van alle groepen, plaatselijke organisaties en personen die de maatschappij vormen werkelijke bevrediging kunnen vinden, wanneer er geen staten meer zullen zijn. Het is duidelijk dat alle zogenaamde algemene belangen van de maatschappij die de staat verondersteld wordt te vertegenwoordigen en in werkelijkheid niets anders zijn dan de algemene en voortdurende ontkenning van de positieve belangen van gewesten, communes, associaties en het grootste aantal der personen die aan de staat zijn onderworpen, een abstractie. een hersenschim, een leugen vormen. De staat lijkt veel meer op een uitgestrekte slagerij en een onmetelijk kerkhof waar onder bescherming en voorwendsel van deze abstractie alle werkelijke aspiraties, alle levende krachten van een land zich edelmoedig en vroom komen laten afslachten en in een doodskleed wikkelen. En omdat geen enkele abstractie ooit op zichzelf of om zichzelf bestaat, omdat zij geen benen heeft om op te lopen of armen om scheppingen te verrichten of een maag om die massa slachtoffers te verteren die men haar te verslinden geeft, is het duidelijk dat -evenals de religieuze of hemelse abstractie, God, in werkelijkheid de heel stellige, heel rede belangen van een bevoorrechte kaste, de clerus, vertegenwoordigt — dat zo ook haar aardse complement, de politieke abstractie, de staat, de niet minder stellige en reële belangen vertegenwoordigt van de tegenwoordig hoofdzakelijk, zo niet uitsluitend uitbuitende klasse, de bourgeoisie, die de neiging vertoont alle andere klassen op te slokken. En zoals de clerus overal verdeeld is en tegenwoordig tendeert naar een nog verdergaande verdeling in een zeer machtige en rijke minderheid en een zeer ondergeschikte en tamelijk ellendige meerderheid, zo vergaat het ook de bourgeoisie en haar verschillende sociale en politieke organisaties in industrie, landbouw, bankwezen en handel, evenals in alle administratieve, financiële, juridische, universitaire, politiële en militaire werkingen van de staat: zij tendeert naar een dagelijks verder gaande scheiding in een werkelijk heersende oligarchie en een ontelbare massa min of meer verwaande en aan lager wal geraakte schepselen die in een voortdurende illusie leven maar onvermijdelijk en steeds meer in het proletariaat worden teruggeworpen. door de onweerstaanbare kracht van de huidige economische ontwikkeling. Hun rol wordt gereduceerd tot een blind instrument van deze almachtige oligarchie.

De afschaffing van kerk en staat moet de eerste onmisbare voorwaarde voor de werkelijke bevrijding van de maatschappij vormen; pas hierna kan en moet deze op een andere wijze georganiseerd worden, maar met van boven naar beneden en volgens een ideaal door enkele wijlen of geleerden gedroomd plan, of gedecreteerd door de een of andere dictatoriale macht of zelfs door een nationale vergadering die op grond van het algemeen kiesrecht is gekozen. Een dergelijk systeem zou, zoals ik al gezegd heb, onvermijdelijk tot de stichting van een nieuwe staat leiden en bijgevolg tot de vorming van een regeringsaristocratie, dat wil zeggen van een hele klasse mensen die niets gemeen heeft met de volksmassa en zeker zou beginnen deze weer uit te buiten en te onderwerpen onder voorwendsel van het algemeen welzijn of om de staat te redden.

De toekomstige maatschappelijke organisatie moet louter van onder naar boven worden opgebouwd door de vrije associatie of federatie van arbeiders, eerst in associaties, vervolgens in communes, gewesten, naties en uiteindelijk in een grote internationale en universele Organisatie. Alleen dan zal de waarachtige en levendmakende orde van vrijheid en algemeen welzijn worden verwezenlijkt, de orde die de belangen van personen en maatschappij, verre van ze te verloochenen, integendeel bevestigt en onderling in overeenstemming brengt.

Men zegt dat de universele overeenstemming en solidariteit van individuele en maatschappelijke belangen nooit feitelijk bereikt zal kunnen worden, omdat deze belangen tegengesteld zijn en niet in staat elkaar in evenwicht te houden of tot welke schikking ook te komen. Op een dergelijke tegenwerping antwoord ik dat zo die belangen tot nu toe nooit en nergens in onderlinge overeenstemming zijn geweest, dit zijn oorsprong vond in de staat die de belangen van de meerderheid opofferde ten gunste van een bevoorrechte minderheid. Daarom is die beruchte onverzoenlijkheid en strijd van de individuele belangen met die van de maatschappij niets minder dan politiek bedrog en leugen, voortgekomen uit de theologische leugen die de erfzonde uitvond om de mens te onteren en het bewustzijn van zijn eigen waarde in hem te vernietigen. Ditzelfde valse idee van het ongelijke huwelijk van belangen werd mede voortgebracht door de dromen van de metafysica die zoals men weet nauw aan de theologie verwant is. Omdat de metafysica de sociabiliteit van de menselijke aard negeert, beschouwt zij de maatschappij als een mechanische en zuiver kunstmatige opeenhoping van personen die plotseling uit naam van een of ander formeel of geheim verdrag verbonden zijn, dat vrijwillig of onder invloed van een hogere macht gesloten is. Voordat deze personen zich in een maatschappelijk verband aaneensloten. konden zij zich, met een soort onsterfelijke ziel begiftigd, in een volledige vrijheid verheugen.

Maar als de metafysici vooral degenen die in de onsterfelijkheid van de ziel geloven verklaren dat de mensen buiten de maatschappij vrije wezens zijn, dan komen we onvermijdelijk tot de conclusie dat de mensen zich slechts tot een maatschappij kunnen aaneensluiten op voorwaarde van een verloochening van hun vrijheid en natuurlijke onafhankelijkheid, en van een opoffering van hun belangen, eerst de individuele, vervolgens de plaatselijke. Een dergelijke verloochening en opoffering van zichzelf moet aldus des te gebiedender worden naarmate de maatschappij veelomvattender en haar organisatie complexer is. In zo’n geval is de staat de manifestatie van alle persoonlijke offers. Terwijl zij in een dergelijke abstracte en tegelijk gewelddadige vorm voortbestaat, gaat zij vanzelfsprekend voort de individuele vrijheid steeds meer te verdrukken uit naam van de leugen die men ‘algemeen welzijn’ noemt, hoewel dit duidelijk uitsluitend het belang van de heersende klasse vertegenwoordigt. Zo blijkt ons de staat een onvermijdelijke ontkenning en vernietiging van iedere vrijheid, ieder belang, zowel persoonlijk als algemeen.

Hier ziet men dat in de metafysische en theologische systemen alles met elkaar verbonden is en zichzelf verklaart. Daarom kunnen en moeten de logische verdedigers van deze systemen zelfs met een rustig geweten voortgaan de volksmassa’s uit te buiten door middel van kerk en staat. Zij proppen hun zakken vol en vieren hun lage lusten bot, en tegelijkertijd kunnen zij zich troosten niet de gedachte dat zij zwoegen voor de ere Gods, de zege van de beschaving en het eeuwig heil van het proletariaat.

Wij daarentegen, die niet in God geloven of in de onsterfelijkheid van de ziel of in de eigen vrije wil, wij verklaren dat de vrijheid in haar volledigste en ruimste betekenis dient te worden begrepen als doel van de historische voortgang der mensheid. Door een vreemde hoewel logische contradictie nemen onze idealistische tegenstanders uit de theologie en metafysica het beginsel van de vrijheid als basis en grondslag van hun theorieën, om heel eenvoudig tot de onontkoombaarheid van de menselijke slavernij te besluiten. Wij echter, materialisten in theorie, streven ernaar in de praktijk een rationeel en edel idealisme te scheppen en in stand te houden. Onze vijanden, goddelijke en transcendentale idealisten, vervallen in de praktijk in laag en bloeddorstig materialisme volgens dezelfde logica die iedere ontwikkeling in het tegendeel van zijn grondbeginsel doet verkeren. Wij zijn ervan overtuigd dat de gehele rijkdom aan intellectuele, morele en materiële ontwikkeling van de mens, evenals zijn schijnbare onafhankelijkheid — dat dit alles het product is van het leven in maatschappelijk verband.

Buiten dat verband zou de mens niet alleen niet vrij zijn, maar zelfs niet tot een ware mens omgevormd worden, dat wil zeggen tot een wezen dat zich bewust is van zichzelf, dat voelt, denkt en spreekt. Alleen het samengaan van intelligentie en collectieve arbeid hebben de mens kunnen dwingen de toestand van wilde en onbeschaafde te verlaten die zijn eerste natuur vormde of het uitgangspunt van zijn verdere ontwikkeling. Wij zijn van deze waarheid diep overtuigd: dat het hele leven der mensen — belangen, bedoelingen, behoeften, illusies, zelfs dwaasheden, evenals geweld, onrechtvaardigheid en alle daden die de schijn hebben vrijwillig te zijn slechts het gevolg is van de onweerstaanbare krachten van het leven in maatschappelijk verband. De mensen kunnen de idee van wederzijdse onafhankelijkheid niet erkennen zonder de onderlinge invloed en correlatie van de uitingen der natuur te loochenen.

In de natuur zelf wordt deze wonderlijke correlatie en samenhang van de verschijnselen zeker niet zonder strijd bereikt. In tegendeel, de harmonie der natuurkrachten treedt juist slechts te voorschijn als het ware resultaat van deze voortdurende strijd die de voorwaarde is van leven en beweging. In de natuur en ook in de maatschappij geldt: orde zonder strijd is de dood.

Wanneer de orde in het heelal natuurlijk en mogelijk is. wordt dit uitsluitend veroorzaakt doordat dit heelal niet bestuurt wordt volgens enig tevoren uitgedacht en door een opperste wil opgelegd systeem. De theologische hypothese van een goddelijke wetgeving leidt tot een duidelijke absurditeit en niet alleen tot de ontkenning van iedere orde maar van de natuur zelf. De natuurlijke wetten zijn slechts reëel in zoverre zij aan de natuur inherent zijn, dat wil zeggen niet door enige autoriteit vastgesteld. Die wetten zijn slechts eenvoudige manifestaties of voortdurende modaliteiten van de ontwikkeling der dingen en van de combinaties van deze zeer gevarieerde, voorbijgaande, maar reële feiten. Het geheel vormt wat wij natuur’ noemen. De menselijke intelligentie en haar wetenschap onderwerpen deze feiten aan een onderzoek, controleren ze experimenteel, systematiseren ze en noemen ze wetten. Maar de natuur zelf kent geen wetten. Zij werkt onbewust, vertegenwoordigt uit zichzelf de oneindige verscheidenheid van verschijnselen, verschijnt en herhaalt zich op een vast bepaalde wijze. Daarom kan de universele orde bestaan en bestaat zij ook dank zij deze onvermijdelijke processen.

Een dergelijke orde treedt ook op in de menselijke maatschappij die zich in schijn op een zogenaamd tegennatuurlijke wijze ontwikkelt, maar zich in werkelijkheid aan de natuurlijke en onvermijdelijke loop der dingen onderwerpt. Slechts de superioriteit van de mens over de andere dieren en het vermogen tot denken dragen een bijzonder element in zijn ontwikkeling bij, een volkomen natuurlijke zaak zij in het voorbijgaan opgemerkt, in die zin dat de mens als al het bestaande het materiële product vormt van eenheid en wederzijdse beïnvloeding der krachten. Dit bijzondere element is het redenerend vermogen ofwel het vermogen tot veralgemenisering en abstractie, waardoor de mens zich door het denken kan projecteren, onderzoeken en beschouwen als een uitwendig en vreemd object. Door zich op ideëel plan boven zichzelf en de hem omringende wereld te verheffen, bereikt hij de voorstelling van de volmaakte abstractie, het absolute niets. Dit is al de uiterste grens van het hoogste abstractieniveau der gedachte; dit absolute niets is God. Dit is de betekenis en grondslag van iedere theologische leer. Omdat die eerste mensen in maatschappelijk verband leefden en geen inzicht hadden in de aard en materiële oorzaken van hun eigen gedachten, zich geen rekenschap gaven van de natuurlijke omstandigheden en wetten die hieraan eigen zijn, konden zij zeker niet bevroeden dat hun absolute begrippen slechts het resultaat waren van hun abstraherend vermogen. Daarom beschouwden zij deze aan de natuur ontkende ideeën als werkelijke objecten waarin de natuur zelf geen rol speelde. Vervolgens begonnen zij hun ficties, hun onmogelijke absolute begrippen te verafgoden en hogelijk te vereren.

Maar men moest de abstracte idee van het niets of van God op de een of andere manier verbeelden en tastbaar maken. Tot dat doel bliezen zij hun godsbegrip op en begiftigden het bovendien met alle goede en slechte eigenschappen en krachten die zij maar in natuur en maatschappij aantroffen.

Dat was de historische oorsprong en ontwikkeling van alle religies. te beginnen met het fetisjisme en te eindigen met het christendom.

Het ligt niet in onze bedoeling ons in de geschiedenis van de religieuze, theologische en metafysische absurditeiten te verdiepen en nog minder te spreken over de verdere ontwikkeling van alle goddelijke incarnaties en visioenen die door eeuwen van barbarij zijn voortgebracht. Het is een ieder bekend dat het bijgeloof altijd verschrikkelijke rampen heeft voortgebracht en stromen bloed en tranen deed vergieten. Wij wijzen er slechts op dat al deze weerzinwekkende dwalingen van de arme mensheid onvermijdelijke historische feiten waren in de normale groei en ontwikkeling van de sociale organismen.

Dergelijke dwalingen veroorzaakten in de maatschappij die fatale idee die de verbeelding der mensen overheerst, dat het heelal zogenaamd door een bovennatuurlijke kracht en wil geregeerd wordt. Eeuwen en eeuwen verliepen en de verschillende samenlevingen wenden zich zozeer aan deze idee dat tenslotte iedere tendens naar een verdere vooruitgang en iedere mogelijkheid die te bereiken erin gedood werden.

De eerzucht van eerst enkele personen, daarna van enkele sociale klassen, verhief slavernij en verovering tot levensbeginsel en deed meer dan al het andere deze verschrikkelijke godsidee wortel schieten. Van toen af werd iedere maatschappij onmogelijk zonder de grondslag van die twee instituten: kerk en staat. Deze sociale plagen worden door alle doctrinaire verdedigd.

Nauwelijks verschenen deze instellingen in de wereld, of terstond ontwikkelden zich twee kasten: die der priesters en die der aristocraten, die er onverwijld zorg voor droegen het onderworpen volk onmisbaarheid, nut en heiligheid van kerk en staat diep in te prenten.

Dit alles had tot doel de beestachtige slavernij om te zetten in een slavernij die door de wil van het Opperwezen gewettigd, voorbeschikt en geheiligd was.

Maar geloofden priesters en aristocraten oprecht in deze instellingen die zij in hun eigen belang uit alle macht steunden? Waren zij slechts leugenaars en bedriegers? Nee, ik geloof dat zij tegelijkertijd gelovigen én bedriegers waren.

Ook zij waren gelovigen want zij hadden natuurlijk en onvermijdelijk deel aan de dwalingen van de massa en eerst later, ten tijde van het verval der oude wereld. werden zij schaamteloze sceptici en bedriegers. Er is nog een reden waarom de stichters der stalen als oprechte mensen beschouwd mogen worden. De mens gelooft altijd gemakkelijk in wat hij wenst en wat zijn belangen niet in de weg staat. Of hij nu intelligent en geschoold is maakt geen enkel verschil: uit eigenliefde en door zijn verlangen met zijn medemensen te leven en hun aanzien te genieten zal hij steeds geloven in wat hem aangenaam en nuttig is. Ik ben er bijvoorbeeld Thiers en de regering van Versailles zich er tot iedere prijs van trachtten te overtuigen dat zij Frankrijk redden door in Parijs enkele duizenden mannen, vrouwen en kinderen te doden.

Maar al konden de priesters, auguren, aristocraten en bourgeois van vroeger en nu oprecht geloven, daarom bleven zij nog wel oplichters. Men kan werkelijk niet aannemen dat zij alle absurditeiten van geloof en politiek voor waar hielden. Ik spreek nog niet eens van de tijd toen volgens Cicero’s woorden ‘geen twee auguren elkaar in de ogen konden kijken zonder te lachen’. Het is ook later, zelfs in de tijd van algemene onwetendheid en bijgelovigheid, moeilijk aan te nemen dat de uitvinders van de dagelijkse wonderen van de werkelijkheid van die wonderen overtuigd zijn geweest. Men kan over de politiek hetzelfde zeggen, wat in deze stelling samen te vatten is: ‘Men moet het volk het juk zodanig opleggen en het zodanig plunderen dat het zich niet al te zeer over zijn lot beklaagd, niet vergeet zich te onderwerpen en geen tijd heeft om aan weerstand en revolte te denken’. Hoe kan men zich nu dan nog voorstellen dat degenen die de politiek tot een vak gemaakt hebben waarvan het doel hen bekend is — dat wil zeggen de onrechtvaardigheid, het geweld, de leugen, het verraad, de massale en enkelvoudige moord —, dat zij oprecht konden geloven aan de ars politica en de wijsheid van de staat als oorsprong van het maatschappelijk geluk? Zij kunnen ondanks hun wreedheid niet zo’n graad van domheid bereikt hebben. Kerk en staat zijn te allen tijde grote leerscholen voor ondeugden geweest. De geschiedenis is er om van hun misdaden te getuigen; overal en altijd zijn priester en staatsman de bewuste, systematische, onverzoenlijke en bloeddorstige vijanden en beulen der volkeren geweest.

Maar hoe dan twee schijnbaar zo tegenstrijdige zaken met elkaar te verzoenen: bedriegers en bedrogenen, leugenaars en gelovigen? Logisch gesproken lijkt dat moeilijk; toch gaan deze hoedanigheden feitelijk, dat wil zeggen in de praktijk van het leven, zeer dikwijls samen.

In overgrote meerderheid levende mensen in tegenspraak en voortdurend misverstand met zichzelf; zij bemerken dit in het algemeen niet; totdat een uitzonderlijke gebeurtenis hen uit hun gewone apathie sleurt en hen dwingt een blik te werpen in en rond zichzelf.

Zowel in politiek als religie zijn de mensen slechts machines in handen van de uitbuiters. Maar dieven en bestolenen, verdrukkers en verdrukten leven naast elkaar, door een handvol personen geregeerd die men als de werkelijke uitbuiters dient te beschouwen. Dit zijn dezelfde mensen die vrij van alle politieke en religieuze vooroordelen bewust mishandeling en onderdrukking plegen. In de 17e en 18e eeuw, tot het uitbreken der grote revolutie, heersen zij in Europa als in onze dagen en handelen zij vrijwel naar goeddunken. Het laat zich aanzien dat hun overheersing niet lang meer zal voortduren.

Terwijl de belangrijkste leiders in volk bewustzijn de volkeren bedriegen en te gronde richten, wijden hun dienaren of de creaturen van kerk en staat zich vol vuur aan de handhaving van heiligheid en zuiverheid van deze verfoeilijke instellingen. Zoals de kerk naar zeggen van de priesters en de meeste staatslieden noodzakelijk is voor het zielenheil, zo is de staat op zijn beurt nodig voor het bewaren van vrede, orde en gerechtigheid, en de doctrinairen van alle stelsels roepen uit: ‘Zonder kerk en regering, geen beschaving en vooruitgang’.

Wij behoeven het probleem van het eeuwig heil niet aan te snijden, want wij geloven niet in de onsterfelijkheid van de ziel. Wij zijn ervan overtuigd dat de kerk de schadelijkste zaak voor de mensheid, voor de waarheid, voor de vooruitgang is. En kan het ook anders? Neemt niet de kerk de zorg op zich om de jonge generaties, vooral de vrouwen, te bederven? Is zij het niet die door haar dogma’s en leugens, haar stompzinnigheid en smaad de logische redeneertrant en de wetenschap poogt te doden? Doet zij geen afbreuk aan de waardigheid van de mens door zijn begrip van rechten en gerechtigheid te vervormen? Maakt zij het levende niet tot lijk, vernietigt zij niet de vrijheid, preekt zij niet de eeuwige slavernij der massa’s ten bate van tirannen en uitbuiters? Is zij het niet, de onverzoenlijke kerk, die de heerschappij van de duisternis, de onwetendheid, de ellende en de misdaad poogt te laten voortduren?

Als de vooruitgang van onze eeuw geen leugenachtige droom is, moet met de kerk worden afgerekend.

_______________
[15] Van 5 tot 23 juni 1871 schreef Bakoenin een beschouwing als voorwoord voor het tweede deel van zijn l’Empire Knouto-Germanique. Het werk verscheen echter niet. Onder de indruk van de heroïsche strijd en de val van de Commune betrok hij deze ook in zijn beschouwing, die echter bedoeld was als inleiding voor zijn theoretisch-historische werk. Uit zijn nagelaten manuscripten publiceerde Elisée Reclus dit manuscript in 1878, in een enigszins bewerkte vorm onder de titel De Commune van Parijs en het staatsbegrip in het anarchistische tijdschrift Le Travailleur. Volgens deze versie en onder deze titel is de tekst in vele talen herhaaldelijk gedrukt. Het is hier vertaald naar de correcte tekst van de Oeuvres 1907.
[16] De Lettres a un Franšais sur la crise actuelle verschenen in een door James Guillaume bewerkte tekst anoniem in september 1870. Hierin zette Bakoenin zijn opvatting uiteen, dat er na de Duitse militaire overwinningen voor Frankrijk geen ander heil bestond dan een sociale revolutie en een volksoorlog tegen het Duitse leger. Frankrijk kan alleen gered worden, schreef hij reeds 27 augustus, door een onmiddellijke niet politieke opstand van het volk.
[17] Met revolutionaire socialisten of collectivisten bedoelt Bakoenin hier de anarchisten. Met autoritaire communisten: de aanhangers van Marx.
[18] Louis-Eugene Varlin (1839-1871), een van de organisatoren van de Eerste Internationale in Frankrijk. Sinds 1868 behoorde hij tot de intieme vriendenkring van Bakoenin. Hij was lid van de Commune van Parijs; bij de verovering door de troepen van Thiers werd hij op 28 mei in de straten van Parijs gedood.
[19] Louis-Charles Delescluze (1809-1871), revolutionair democraat, een der leiders van de ‘jacobijnse’ meerderheid in het Comité van de Commune van Parijs. Hij viel bij de laatste barricade op 27 mei 1871.