Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

Ervaringen

LEERMEESTERS

Leermeester, het woord raakt me, brengt me in opwinding. Ze vragen me naar de bronnen van mijn voelen en handelen, denk ik onthutst.

Je leermeester kan je vader of moeder zijn, je broer of een verre nicht. Een tuinman of schrijver, een schilder of een boer. Niet altijd denken aan een onderwijzer of een leraar, want veel van die gezagdragers hebben weinig invloed en de meeste echte meesters hebben met de school niets te maken.

Een leermeester is een tovenaar, hij doet de snaren van je ziel trillen. Hij formeert je gedrag, je waarderingen, je kennis van de werkelijkheid. Ik beperk me hier tot dat weten. Leermeesters zijn mensen die inwerken op je intellectuele vorming. Ze veranderen je visie op de dingen diepgaand, openen je ogen, trekken je uit het moeras van de onverschilligheid en onwetendheid. Ze doen je anders denken, soms flitsend via een vondst, soms langzaam aan, gestadig. Telkens geven ze je een kick omdat ze een stap voor zijn. Je raakt ze niet kwijt, sleept ze jarenlang mee zonder het altijd te beseffen. Vaak weten we niet wie de kern van ons wezen heeft gevormd.

Niet alle leermeesters zijn constructief; er zijn er positieve en negatieve. De negatieve, dikwijls autoritair, sturen je in de verkeerde richting. De echt goede dwingen niet, je hoeft ze niet slaafs te volgen, maar je moet wel bereid zijn iets te leren en daarna proberen ze te overtreffen om niet afhankelijk te blijven.

Echte magisters overlijden, maar blijven in hun volgelingen voortbestaan. Hun invloed kan zo groot worden, dat de leerlingen zich moeten verzetten om hun identiteit te bewaren. Passieve volgzaamheid is voor geen enkel denken gunstig. Er zijn geen goden, slechts voorbeelden. Mijn eerste leermeester was mijn grootvader uit Rotterdam. Hij was al bejaard toen ik hem voor het eerst ontmoette en ik herinner me er nauwelijks wat van. Maar later las ik zijn publicaties en hij was de eerste die me ertoe bewoog zelf iets op papier te zetten. In mijn familie zijn er weinig auteurs. Ik herinner me dat ik op een plechtig moment, zo’n jaar of acht geleden, tegen mijn vrouw zei: ‘Praten en doceren doe ik te veel, schrijven te weinig.’ Mijn grootvader blijf ik dankbaar omdat hij mij de eerste impuls in die richting gaf.

Op de Burgemeester Marnixschool in Antwerpen heb ik geen leermeesters gekend. Het was een protestantse lagere school waar de godsdienst niet meer was dan een oppervlakkig ritueel zonder innerlijke overtuigingskracht. Het onderricht in de Lange Winkelstraat was vooral bedoeld voor kinderen van Nederlandse ouders, die zich niet wilden integreren in het Antwerpse onderwijs. Ik herinner me een nijdig schoolhoofd, de Heer Both, die slecht viool speelde en juffrouw Cornette, die altijd zo op een schoolbank ging zitten dat we haar kruis uren konden bewonderen.

Op de ‘middelbare school’ heb ik welgeteld drie leermeesters gehad. Leo Michielsen op het atheneum van Antwerpen, die op een ongelooflijk knappe manier over macrosociale geschiedenis sprak. Hij gooide alles wat ik bij de protestanten over het verleden van onze samenleving had geleerd omver. Van de bekrompen kleinburgerlijkheid waarin men mij had opgesloten, liet hij niets heel. De eerste leraar die me echt fascineerde omdat hij mijn inzicht verbreedde en verdiepte. Ik was te jong om het allemaal te beseffen, maar begreep nadien dat hij me als knaap links heeft gemaakt. De lessen van Leo Michielsen duurden maar enkele maanden want hij werd in 1942 naar een concentratiekamp gedeporteerd. Later werd hij hoogleraar in de moderne geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Brussel. Ik onderhoud met hem nog steeds zeer positieve contacten.

Mijn tweede leermeester was Clement Vanderpoorten, leraar klassieke talen aan het atheneum te Berchem, waar ik van 1943 tot 1947 studeerde. Hij bracht me in contact met poëzie, drama, tragedie. Zijn lessen over Homerus, Sophocles, Vergilius en Tacitus brachten onze klas in trance. Onbegrijpelijk knap. Vanderpoorten was ook een uitmuntend muziekkenner, hij leerde me de strijkkwartetten van Bela Bartok en de kamermuziek van de oude Beethoven kennen. Na 1947 heb ik nooit meer iets van hem gehoord. Op dat atheneum, waar een vervelende prefect Spinnox de sfeer verknoeide, was er nog een man die ik bewonderde: E. De Ridder, leraar Nederlands. Hij las met ons Vondel en Huygens, Gezelle en Couperus, Streuvels en Buysse, was vol lof over het literair talent van mijn klasgenoot Roger De Belser, die later als Ward Ruyslinck naam zou maken. De eerste lesgever, die me zei dat ik filosofie moest gaan studeren.

De meest indrukwekkende geleerde, die ik op de universiteit in Gent heb ontmoet, was de historicus Jan Dhondt. Bij de studenten geschiedenis waren toen de grote namen Ganshof en Van Werveke, maar hun colleges vond ik saai, niet inspirerend. Veel vakkennis, maar weinig verrassende inzichten.

Jan Dhondt, kort en dik, was een anticonformist pur sang. Ongelooflijk slordig, zelfs zijn broek vergat hij regelmatig dicht te doen. Op de bodem van een la in zijn bureau vond ik eens een brij van honing, die er al maanden fermenteerde. Jan was bliksemsnel, ik kon hem als assistent niet bijhouden. Hij viel al pratend over zijn eigen woorden en werkte aan drie publicaties tegelijk. Terwijl de andere hoogleraren boek per boek aankochten, bestelde hij voor zijn dienst krantencollecties per vrachtwagen. Ik zie ze nog voor ons seminarie staan. Het gebeurde dat Jan twaalf uur aan een stuk op zijn kamer werkte. Op één dag dicteerde hij me eens een artikel van meer dan vijfentwintig velletjes. Jan Dhondt hield van grote discussies en nieuwe inzichten. Hij was voortdurend origineel en stuurde zijn leerlingen op onbetreden paden. Dat hij in 1969 de studentenrevolte niet steunde en zowaar conservatieve denkbeelden begon te verdedigen, heeft ons van elkaar verwijderd. Een paar jaar was hij rector van een universiteit in Zaïre. ‘Werk voor het weekend,’ legde hij me uit. Zijn wilde manier van leven bracht hem als vijftiger ten val. Hij stierf aan een hartaanval op het vliegveld van Beiroet; de ets die hij voor me uit China meebracht, hangt in mijn werkkamer.

Andere mensen, werkzaam aan de universiteit in Gent die me wezenlijke inzichten bijbrachten, waren de classicus Leemans, de mediëvist Strubbe, de socioloog Haesaert en de jurist Dekkers. Dekkers was tijdens de periode 1950-1970 de belangrijkste man van de Gentse rechtsfaculteit en zijn colleges waren ‘hors concours’. Hij bezat een ongeëvenaard vermogen om complexe rechtsconstellaties intellectueel te beheersen, bood zijn studenten synthesen aan waarbij onderliggende bindingen werden blootgelegd zonder de rijke diversiteit van de concrete juridische fenomenen geweld aan te doen. Zijn ‘Précis’ is daarvan een overtuigend bewijs. Ik zie hem nog doceren, in 1949 was het. Aan het bord, op en neer lopend, kalm en geconcentreerd, een uur lang zonder papier één enkele redenering ontwikkelend. Groots. We hebben later nog gecorrespondeerd en ik bewaar zijn brieven met veel respect.

Na mijn studie in Gent ging ik naar Parijs waar ik nieuwe leermeesters vond: Jean-Paul Sartre, Eric Weil, Maurice Merleau-Ponty. Sartre gaf geen les maar domineerde via allerlei artikelen, boeken, toneelstukken en uitspraken in de pers, het Parijse geestesleven van die tijd. Eric Weil besprak in zijn college aan de Ecole des Hautes Etudes voor een tiental toehoorders de rechtsfilosofie van Hegel. Van hem leerde ik hoe je een fundamentele tekst moet analyseren. Merleau-Ponty sprak wekelijks voor driehonderd studenten over de methoden van de psychologische observatie. Een indrukwekkende verschijning. Zijn inaugurele rede over Socrates, na zijn benoeming aan het Collège de France, voor liefst twee zalen, vergeet ik nooit. Hoewel ik eraan moet toevoegen dat Merleau meer schrijver dan redenaar was.

Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik slechts af en toe les volgde bij Piaget. In een overvolle zaal, waar de meesten weinig konden verstaan. De lessen over pedagogie boeiden me slechts matig. Pas later drong het tot me door welke geleerde van wereldformaat er voor me had gestaan.

Er zijn nog andere mensen, die ik mijn leermeesters noem: de Noor Johan Galtung, de Franse éminence René Dumont en de Amerikanen Wallerstein en Chomsky. In Nederland Jan Romein en de Indonesiëkenner Wim Wertheim met wie ik heb samengewerkt in de redactie van De Nieuwe Stem. Verder in eigen land Ernest Mandel en Leo Apostel. En dan zijn er uiteraard de groten uit vervlogen tijden, die je slechts via hun geschriften kunt ontmoeten: Socrates, Plato, Aristoteles, Spinoza, Kant, Hegel, Marx, Darwin, Freud, Elias.

Zijn er ook morele leidsmannen? Zeker. Christus, Rosa Luxemburg, Lumumba, Guevara, Castro, ik noem er maar enkele.

Christus? Ja, hij heeft me ethisch diep geraakt, hoewel ik volstrekt ongelovig ben. En weet u welke mensen me ook achtervolgen? Glenn Gould als hij Bach speelt en de Freek de Jonge van jaren terug met zijn penetrante cultuurkritiek. En ik mag Bartok niet vergeten en Messiaen en Paul Klee en Modigliani.

In een authentieke leerverhouding wordt de leerling de leermeester van zijn leermeester en laatstgenoemde de leerling van zijn leerling. Ik heb van mijn beste leerlingen veel geleerd en denk onder anderen aan Hugo Van den Enden, Ronald Commers, Koen Raes, Freddy Mortier, Walter Van Dongen en Wim De Temmerman.

Ben ik niet wat te vrijgevig met mijn lange lijst? Waarom zou ik niet blij zijn dat zoveel mensen mij stuwen en corrigeren? Ik ben geen eclecticus die zomaar hier en daar wat uitpikt, het zijn allemaal denkers die in dezelfde of een analoge richting wijzen.

Ik heb veel leermeesters, denk ik het ene ogenblik. Ik heb er eigenlijk geen enkele, vind ik op een ander moment, ik heb ze allemaal verbrijzeld. Geen nood, ook na hun transformatie blijven ze in me leven. Slechte leerlingen apen na, goede houden niet van een knieval en vinden, vaak tegen de wil van hun meester in, nieuwe dingen die zonder hem nooit waren ontstaan.

Welke denker me uiteindelijk het meest heeft beïnvloed, weet ik niet. In laatste instantie vertrouw ik niet op de zienswijze van een of andere autoriteit, maar op mijn eigen oordeelsvermogen. Dat is geen pretentie maar een opdracht.

Tekst voor de VPRO, programma De Vlaamse Connectie
Uitgezonden op 2 juli 1991
Herziene versie