Karl Marx
Het Kapitaal, boek 3
Hoofdstuk 19


Het geldhandelskapitaal

De zuiver technische geldbewegingen in het circulatieproces van het industrieel en, zoals we nu kunnen toevoegen, het warenhandelskapitaal (aangezien het een deel van de circulatie van het industriële kapitaal als een eigen en kenmerkende beweging overneemt), worden functioneel zelfstandig voor sommige kapitalen, die zij, en zij alleen, als specifieke activiteit verrichten, en dit kapitaal in geldhandelskapitaal verandert. Een deel van het industrieel kapitaal, meer precies ook het warenhandelskapitaal, bestaat niet alleen steeds in de geldvorm, als algemeen geldkapitaal, maar als geldkapitaal betrokken in deze technische functies. Een duidelijk deel van het totale kapitaal scheidt zich nu van de rest af in de vorm van geldkapitaal, waarvan de kapitalistische functie uitsluitend bestaat in het uitvoeren van deze operaties voor de gehele klasse van industriële en handelskapitalisten. Zoals bij het warenhandelskapitaal scheidt zich een deel van het industriële kapitaal, betrokken in het circulatieproces, in de vorm van geldkapitaal van de rest af en verricht de operaties van het reproductieproces voor al het andere kapitaal. De bewegingen van dit geldkapitaal zijn daarom, eens te meer slechts bewegingen van een verzelfstandigd deel van het industriële kapitaal betrokken in zijn reproductieproces.

Alleen als, en voor zover er nieuw kapitaal geïnvesteerd is – en dat is ook het geval bij accumulatie – is het kapitaal in geldvorm het beging- en eindpunt van de beweging. Maar voor alle kapitalen betrokken in het proces, verschijnen de eerste en laatste punten als overgangen. Omdat, zoals we gezien hebben bij de eenvoudige warencirculatie, vanaf het moment dat de productie verlaten wordt tot het moment van haar terugkeer, het industrieel kapitaal de metamorfose W’ – G – W doormaakt, in feite is G het eindresultaat van een fase van de metamorfose, en het uitgangspunt van de omgekeerde fase, dat er complementair aan is. En hoewel W – G van het industrieel kapitaal altijd G – W – G voor het handelskapitaal is, eenmaal ingeschakeld, is het werkelijke proces voortdurend W – G – W. Maar het handelskapitaal maakt echter gelijktijdig de handelingen W – G en G – W door. Dit wil niet zeggen dat er slechts één kapitaal in de fase W – G is, terwijl een ander in de fase G – W is, maar dat hetzelfde kapitaal voortdurend koopt en verkoopt op één en hetzelfde moment omwille van de continuïteit van het productieproces, het bevindt zich gelijktijdig in de beide fasen. Terwijl een deel in geld verandert en later opnieuw wordt omgezet in waren, verandert een ander gelijktijdig in waren, om opnieuw te worden omgezet in geld.

Het hangt af van de vorm van de warenruil, of het geld hier dient als circulatiemiddel of als betaalmiddel. In beide gevallen heeft de kapitalist aan vele personen voortdurend geld te betalen, en voortdurend van vele personen geld te ontvangen. Deze zuiver technische operatie van uitbetalen en ontvangen is op zichzelf arbeid die, zo lang het geld een betaalmiddel is, balansberekeningen en betaling van tegoeden noodzaakt. Deze arbeid is een circulatiekost, geen waarde scheppende arbeid. Het wordt daarom ingeperkt tot een speciaal departement agenten, of kapitalisten, werkend voor de overige kapitalistische klasse.

Een bepaald deel van het kapitaal moet voortdurend als een schat voorhanden zijn, als potentieel geldkapitaal – een reserve van middelen voor aankopen, een reserve voor betalingen, en werkloos kapitaal, in de vorm van geld, wachtend om actief te worden; en een deel van deze kapitalen stroomt voortdurend in deze vorm terug. Dit maakt, afgezien van ontvangen, betalen en boekhouding, de bewaring van de schat noodzakelijk, wat op zich weer een speciale operatie is. Het is inderdaad een continue omzetting van de schat in circulatie- en betaalmiddelen, en het herstel ervan door middel van geld uit de verkoop en van verschuldigde betalingen; deze constante beweging van het deel van het kapitaal bestaande als geld, losgekoppeld van de kapitaalsfunctie zelf, deze zuiver technische operatie veroorzaakt speciale arbeid en kosten, de circulatiekosten.

De arbeidsdeling houdt in dat deze technische operaties, afhankelijk van de kapitaalfuncties, zoveel mogelijk moeten uitgevoerd worden voor de gehele kapitalistische klasse, door speciale agenten of kapitalisten, als hun exclusieve functie, of dat deze operaties bij hen geconcentreerd worden. Wij hebben hier, zoals bij het handelskapitaal, arbeidsdeling in een tweevoudige zin. Het wordt een gespecialiseerd bedrijf, en omdat het als een gespecialiseerd bedrijf het geldmechanisme regelt van de gehele klasse, is het geconcentreerd en uitgevoerd op grote schaal. Een verdere arbeidsdeling vindt er binnen nog plaats, zowel door splitsing in verschillende onafhankelijke takken, als door de ontwikkeling van het werk binnen deze takken (grote kantoren, talloze boekhouders en kassiers, en verregaande arbeidsdeling). Betalen en ontvangen van geld, balansrekeningen, beheer van lopende rekeningen, bewaren van geld, etc. – dit alles, gescheiden van de handelingen waardoor deze technische operaties nodig werden, maakt het voorgeschoten kapitaal, voor deze functies, tot geldhandelskapitaal.

De verschillende operaties, waarvan de verzelfstandiging in specifieke bedrijven de geldhandel laat ontstaan, komt uit de verschillende bepalingen van het geld en de geldfuncties, welke het kapitaal in zijn geldvorm daarom verrichten moet.

Ik heb al eerder er op gewezen dat het geldwezen oorspronkelijk is ontwikkeld in de ruil van producten tussen de verschillende gemeenschappen.[42]

De geldhandel, handel met geldwaren, ontwikkelde zich voor het eerst in de internationale handel. Zodra er verschillende nationale munten bestaan, hebben de handelaren, die in het buitenland kopen, hun nationale munt omgezet in de lokale munt en vice versa, of ook verschillende munten omgezet in ongemunt zuiver zilver of goud als wereldgeld. Vandaar dat de wisselhandel wordt beschouwd als een der natuurlijke fundamenten van de moderne geldhandel.[43] Daaruit ontwikkelde zich de wisselbanken, waar het zilver (of goud) dient als wereldgeld – nu bankgeld of handelsgeld – verschillend van de standaardmunt. De wisselhandel, in de zin van louter betaalopdrachten van reizigers aan een wisselagent van het ene land voor een wisselaar in een ander land, is ontstaan in Rome en Griekenland uit de oorspronkelijke wisselhandel.

De handel in goud en zilver als waren (grondstoffen voor het maken van luxeartikelen) vormt de natuurlijke basis van de handel in goud- en zilverstaven (bullion trade), of de handel die de functies van het geld als wereldgeld tot stand brengt. Deze functies zijn dubbel, zoals eerder toegelicht (boek 1, hoofdstuk 3, 3, c): het heen en weer gaan tussen de verschillende nationale circulatiesferen voor het vereffenen van internationale betalingen en in verband met het verplaatsen van kapitaal voor rente; daarnaast beweging van de productie van edele metalen, over de wereldmarkt en de verdeling daarvan over de verschillende nationale circulatiesferen. In Engeland functioneerden de goudsmeden voor het grootste deel van de 17e eeuw, als bankiers. We laten volledig buiten beschouwing hoe de vereffening van internationale betalingen zich ontwikkelde in de wisselhandel enz., alles betreffende transacties met waardepapieren, kortom alle speciale vormen van het kredietstelsel, gaat ons hier niets aan.

Als wereldgeld ontdoet het nationale geld zich van zijn lokaal karakter; een nationale munt wordt uitgedrukt in een andere, en zo allen teruggebracht tot hun gehalte in goud of zilver, terwijl de laatsten tegelijk, als twee waren die circuleren als wereldgeld, worden gereduceerd tot hun onderlinge waardeverhouding, die voortdurend verandert. Het is deze bemiddeling dat de geldhandelaar tot zijn specialiteit maakt. Wisselhandel en handel in goud en zilver zijn dus de oorspronkelijke vormen van de geldhandel en ontstaan uit de dubbele functie van het geld: nationaal geld en wereldgeld.

Uit het kapitalistisch productieproces, net als de handel trouwens, zelfs onder de voorkapitalistische productiewijze, is er:

Ten eerste, de accumulatie van geld als een schat, d.w.z., een deel van het kapitaal dat altijd voorhanden moet zijn in de geldvorm, als reservefonds van middelen ter betaling en aankopen. Dit is de eerste vorm van een schat, zoals die opnieuw verschijnt in de kapitalistische productiewijze en gevormd wordt met het ontstaan en ontwikkeling van het handelskapitaal. Beide zijn van toepassing op zowel de nationale als internationale circulatie. De schat is continu in beweging, gaat onophoudelijk in en uit de circulatie. De tweede vorm van de schat is die van onbenut, onmiddellijk werkloos kapitaal in de geldvorm, waartoe ook het nieuw geaccumuleerde, nog niet geïnvesteerde geldkapitaal behoort. De functies die voortvloeien uit deze schatvorming zijn vooral bewaring, boekhouding, enz.

Ten tweede echter, dit betekent uitgaven voor aankopen, ontvangen van geld uit verkopen, betaling en ontvangen van betalingen, vereffening van betalingen, enz. De geldhandelaar verricht al deze diensten in eerste instantie als een eenvoudige kassier van de handelaars en de industriële kapitalisten.[44]

Volledig ontwikkeld is de geldhandel, zelfs in de eerste stadia, zodra de gewone functies compleet zijn met het opnemen en verstrekken van leningen en krediet. Hierover meer in de volgende afdeling, het rentegevende kapitaal.

De handel in zilver- en goudstaven zelf, de overdracht van goud of zilver van het ene land naar het andere, is slechts het resultaat van de warenhandel, bepaald door de wisselkoers, die de stand van de internationale betalingen en de rentevoeten in de verschillende markten weerspiegelt. De ingotshandelaar als zodanig bemiddelt alleen de resultaten.

Bij de beschouwing van het geld en de manier waarop de bewegingen en vormelementen zich uit de eenvoudige warencirculatie ontwikkelen, hebben we gezien (boek 1, hoofdstuk 3) dat de beweging van de geldhoeveelheid, dat circuleert als aankoop- en betaalmiddel, bepaald is door de warenmetamorfose, door het volume en de snelheid ervan, dat, zoals wij nu weten, maar een moment is van het totale reproductieproces. Wat betreft de aanschaf van de geldmaterialen – goud en zilver – uit de productie, dat lost zich op in de onmiddellijke warenruil, een ruil van goud en zilver als waar voor andere waren, dus is het zelf evengoed een moment in de warenruil als de aanschaf van ijzer of van andere metalen. Maar wat de beweging van de edele metalen op de wereldmarkt betreft (we zien hier af van de beweging, voor zover het geleende kapitaaltransfers betreft, transfers die ook gebeuren in de vorm van warenkapitaal), zij zijn net zo bepaald door de internationale warenruil, als zij zijn door de geldbeweging van de nationale koop- en betaalmiddelen door de binnenlandse warenruil. De in- en uitstroom van edele metalen uit een nationale circulatiesfeer naar een andere, in zoverre dit slechts veroorzaakt is door ontwaarding van de nationale munt, of door een dubbele standaard, is vreemd aan de geldcirculatie als zodanig en is alleen een willekeurige correctie van door de staat veroorzaakte afwijkingen. Tot slot, wat betreft de schatvorming van reservefondsen voor koop- en betaalmiddelen, zij het voor binnen- of buitenlandse handel, en eveneens voor zover het voorlopig alleen een vorm van werkloos kapitaal is, ze zijn beide een noodzakelijk gevolg van het circulatieproces.

Als de totale geldcirculatie in omvang, vorm en beweging puur een gevolg is van de warencirculatie, vanuit kapitalistisch standpunt, op zijn beurt alleen het circulatieproces van het kapitaal is (inbegrepen de ruil van kapitaal voor inkomsten, en inkomsten voor inkomsten, in zoverre het uitgeven van de inkomsten wordt gerealiseerd in de kleinhandel), spreekt het vanzelf dat de geldhandel niet alleen maar resultaat en fenomeen is van de warencirculatie die de geldcirculatie bevordert. Deze geldcirculatie zelf, is een moment van de warencirculatie, is gegeven. Wat het bevordert zijn de technische operaties die het concentreert, verkort en vereenvoudigt. De geldhandel vormt niet de schat, maar levert de technische middelen om deze schatvorming, voor zover deze vrijwillig is (en dus niet de uitdrukking van onbenut kapitaal of een storing in het reproductieproces), tot een economisch minimum te beperken, omdat de reservefondsen voor koop- en betaalmiddelen, indien beheerd voor de hele kapitalistische klasse, niet zo groot hoeven te zijn als voor elke kapitalist afzonderlijk. De geldhandel koopt niet de edele metalen, maar distribueert ze, zodra de warenhandel ze heeft gekocht. De geldhandel vergemakkelijkt de vereffening van de balansen, voor zover het geld dient als een betaalmiddel en de benodigde geldhoeveelheid vermindert door het kunstmatig mechanisme van deze vereffeningen. Maar ze bepaalt niet de samenhang, noch de omvang van de wederzijdse betalingen. Wisselbrieven en cheques bv., die in banken en Clearing houses, tegen elkaar worden geruild, stellen geheel onafhankelijke transacties voor, zijn het resultaat van gegeven operaties, en het gaat slechts om een betere technische vereffening van deze resultaten. Voor zover het geld circuleert als een middel voor aankopen, is de omvang en het aantal kopen en verkopen compleet onafhankelijk van de geldhandel. Het kan slechts de technische operaties, die ze begeleiden, verkorten, waardoor de geldhoeveelheid contant geld, nodig voor het om te zetten, vermindert.

De geldhandel in pure vorm, die wij hier beschouwen, d.w.z., gescheiden van het kredietstelsel, heeft dus alleen te maken met de techniek van een moment van de warencirculatie, namelijk de geldcirculatie en de daaruit voortvloeiende verschillende geldfuncties.

Dit onderscheidt wezenlijk de geldhandel van de warenhandel, die de metamorfose van de waren en hun ruil tot stand brengt, of zelfs dit proces van het warenkapitaal de schijn geeft van een proces te zijn van een kapitaal naast het industriële kapitaal. Daarom, als het warenhandelskapitaal zijn eigen circulatie heeft, G – W – G, waar de waar tweemaal van plaats verandert en zo het geld terugvloeit, in tegenstelling tot W – G – W, waar het geld tweemaal van plaats verandert en daarmee de warenruil bemiddelt, is er geen dergelijke speciale vorm voor het geldhandelskapitaal.

Voor zover het geldkapitaal in deze technische bemiddeling van de geldcirculatie door een speciale klasse van kapitalisten werd voorgeschoten – een kapitaal dat op kleinere schaal het extra kapitaal voorstelt, dat de handelaars en industriële kapitalisten anders zelf hadden voor te schieten – is de algemene vorm van het kapitaal, G – G’, ook hier aanwezig. Door het voorschot G, wordt G + ΔG voor de geldschieter geproduceerd. Maar G – G’ betreft hier niet het feitelijke, maar alleen het technische moment van de metamorfose.

Het is duidelijk dat de massa van het geldkapitaal waarmee de geldhandelaars werken, het geldkapitaal is van handelaars en industriële kapitalisten in het circulatieproces en dat de operaties die ze verrichten, slechts operaties zijn, waarin zij optreden als tussenpersonen.

Het is ook duidelijk dat hun winst slechts een aftrek is van de meerwaarde, omdat het te maken heeft met de reeds gerealiseerde waarde (zelfs gerealiseerd in de vorm van schuldvorderingen).

Net als in de warenhandel is er hier een verdubbeling van de functies, omdat een deel van de technische operaties, verbonden met geldcirculatie, moeten verricht worden door de warenhandelaars en de warenproducenten.

_______________
[42] Zur Kritik der Pol. Oekon., p. 27.
[43] “Reeds uit de grote verscheidenheid in munten met de afbeeldingen van vele heersers en steden met het voorrecht een munt te hebben, was het noodzakelijk een munt te hebben voor zakelijke transacties en overal bruikbaar. Omwille van contante betalingen, voorzagen de handelaren, als zij naar een buitenlandse markt reisden, zich van puur ongemunt zilver, wellicht ook goud. Net zo ruilden ze het ontvangen geld voor ongemunt zilver of goud bij het begin van de terugreis. De wisselhandel, het wisselen van ongemunt edel metaal tegen lokaal geld, en omgekeerd, werd dus wijdverspreid en winstgevend.” (Hüllmann, Städtewesen des Mittelalters, Bonn 1826-1829, I, p. 437, 438.) “De wisselbank heeft haar naam niet ... van wissel, wisselbrief, maar van het wisselen van geldmunten. Lang vóór de oprichting van de Amsterdamse Wisselbank in 1609, had men in de Nederlandse handelssteden al geldwisselaars en wisselhuizen, zelfs wisselbanken ... De handel van deze geldwisselaars bestond in het ruilen van de talrijke verschillende munten van de buitenlandse handelaren, tegen de gangbare wettelijke munt. Geleidelijk breidde hun werkkring uit ... Ze werden de kassiers en bankiers van hun tijd. Maar in het samensmelten van kassieren en de wisselhandel zag het Amsterdamse bestuur een gevaar en om dat tegen te gaan, besloot men tot de oprichting van een grote instelling, die zowel het kassieren als wisselen met openbare volmacht zou verrichten. Deze instelling was de beroemde Amsterdamse Wisselbank van 1609. Op dezelfde wijze danken de wisselbanken van Venetië, Genua, Stockholm en Hamburg hun ontstaan aan de voortdurende noodzaak van geld om te wisselen. Van al deze, is Hamburg nog de enige die bestaat, omdat de behoefte aan een dergelijke instelling in deze handelsstad, die geen eigen munt had, nog steeds tastbaar is, enz.” (S. Vissering, Handboek van Praktische Staathuishoudkunde, Amsterdam 1860, I, p. 247, 248.)
[44] “De kassiersinstelling heeft waarschijnlijk nergens zo zuiver het oorspronkelijke en zelfstandige karakter bewaard als in de Nederlandse handelssteden” (zie: Over de oorsprong van de incassering in Amsterdam, E. Luzac, Hollands Rijkdom, deel III). “Hun functies komen deels overeen met die van de oude Amsterdamse Wisselbank. De kassier ontvangt van de handelaars, die gebruik maken van zijn diensten, een bepaalde hoeveelheid geld, waarvoor hij voor hen een “krediet” in zijn boeken opent, bovendien sturen ze hem hun schuldvorderingen, die hij verzamelt en voor hen int en daarvoor crediteert, op hetzelfde moment voert hij betalingen uit (kassiersbriefjes) en debiteert hun lopende rekening met die bedragen. Voor deze ontvangsten en betalingen rekent hij een kleine provisie aan, die enkel voldoende is door de omvang van de omzetten. Als er betalingen worden vereffend tussen twee handelaren, die beide met dezelfde kassier werken, dan zijn dergelijke betalingen eenvoudig door de wederzijdse vermelding in de boeken, terwijl de kassiers hun wederzijdse vorderingen van dag tot dag vereffenen. In deze regeling der betalingen bestaat de kassierderij; dus sluit het industriële ondernemingen, speculatie en blancokrediet uit; want de regel is dat de kassier, voor degene waarvoor hij een rekening opende, geen betaling doet boven zijn tegoed.” (Vissering, l.c.p. 243, 244.) De kasverenigingen van Venetië: “De behoeften en de locatie van Venetië, waar het meenemen van contanten minder handig was dan op andere plaatsen, voerden de groothandelaars van die stad kasverenigingen in, met garanties op waarborgen, toezicht en beheer, storten de leden van zulke verenigingen bepaalde bedragen, waarmee zij hun schuldeisers vergoeden, waarna het betaalde bedrag in mindering gebracht wordt van de schuldenaar, in het boek gereserveerd voor dat doel. Dit is het vroegste begin van de zogenaamde girobanken. Deze verenigingen zijn oud. “Maar als men ze verplaatst naar de 12e eeuw, worden ze verward met het instituut voor de Staatslening, in 1171 opgericht.” (Hüllmann, l.c.p. 453, 454.)