Willem van Ravesteyn
De wording van het communisme in Nederland 1907-1925
Hoofdstuk 5


De Tribune dagblad

Aan de kop van het nieuwe dagblad prijkten die maandag 17 april 1916, ofschoon de fusie met de RSV formeel nog niet had plaats gevonden, de namen van H. Roland Holst en twee redacteuren van het weekblad reeds samen. Mevrouw Roland Holst was al de laatste nummers van het weekblad vast medewerkster. J. C. Ceton en Gorter waren daarentegen als redacteuren afgetreden. Een nieuw drietal verving dus het vroegere viertal. Ceton trad af, omdat hij als onderwijzer zo het schijnt niet meer aan de redactie van een dagblad verbonden kon zijn, al kon dit dagblad zo min als het weekblad zijn hoofdredacteuren bezoldigen. Daartoe ontbrak het geld volkomen. De inkomsten van het blad gedoogden hoogstens een armzalig weekloon voor een paar mannen, wie de zware taak te beurt viel het blad in elkaar te zetten en het met de berichten, berichtjes enz. te voorzien, zonder welke het niets dan een uitgebreider weekblad zou zijn gebleven en niet in staat om als “dagblad” in enig gezin te fungeren. Tot die berichtgeving — hoe onvolledig ze ook mocht zijn in een orgaan, dat slechts vier bladzijden kon beslaan — het is waar: in de aanvang en ook nog jaren later haast zonder advertenties, waardoor er wel wat meer ruimte was, maar ook des te minder inkomsten! — behoorde toch in ieder geval een minimum “nieuws” iedere dag, dat natuurlijk uit de grote bladen moest worden overgenomen en zelfs enig nieuws van plaatsen buiten de hoofdstad. Dat dit “nieuws” altijd onvolledig bleef en een beetje achter de gebeurtenissen aanhinkte — al gaf het blad uitvoerig weer wat er in de revolutionaire arbeidersbeweging al zo voorviel — zal niet veel toelichting behoeven. De man, die in het begin zo goed als alleen — later met behulp van nog enige, waaronder een Twents arbeider Van ‘t Reve en A. Wins, een Amsterdamse diamantbewerkerszoon, die zich goed ontwikkelden — dit zware en ondankbare werk verrichtte, was een zekere Nutters, een van die verdienstelijke onbekenden, wie bij zoveel ondernemingen een even onmisbare als naar buiten weinig dankbare rol ten deel valt. Gorters naam verdween, omdat hij zich al niet meer in staat voelde geregelde arbeid te verrichten, die aan de hoofdredactie van een dagblad toch in ieder geval verbonden was.

Het blad trad in de plaats van het syndicalistische Volksblad waarvan het de abonnees zoveel mogelijk trachtte te behouden. Als vaste medewerkers vermeldde het Ceton, Gorter, A. Pannekoek, Joh. Visscher, L. de Visser, Ds. M. C. van Wijhe, maar ook twee syndicalistische voormannen: B. Lansink Jr. (niet te verwarren met zijn vader) en G. J. A. Wesselingh. Het blad stelde nu de SDP in ieder geval in staat om dagelijks, ook buiten de gelederen van de revolutionairen van alle gading, haar stem te doen horen.

Naast het politieke voordeel, wijl het een veel sterker wapen was dan het weekblad, bracht de min of meer geïmproviseerde en in ieder geval nog vrij plotselinge stichting een nieuwe zware last voor de goed 700 leden van de kleine partij, die er bleken te zijn na de samensmelting met Mevrouw Holsts RSV, de bruiloft, die op het congres eind mei plaats vond. Want die 700 leden moesten er nu voortaan voor zorgen dat het blad ook bleef bestaan als dagblad. Terugkeer op de eenmaal ingeslagen weg was, zo al niet onmogelijk, dan toch politiek ongewenst, ja misschien noodlottig. Financiën, een kapitaal was er niet. In de drukkerij “De Strijd”, die het blad drukte — in een enigszins gammel en bouwvallig huis aan de Amstel — had de partij inderdaad wel de macht in handen. Doch slechts door personen, d.w.z. door een drukkerijcommissie, die toezicht had op de directie, d.w.z. de directeur Hamming. Dat dit tot wrijving, tot strubbelingen aanleiding moest geven, stond, zo al niet van de aanvang af, vast, was in ieder geval hoogstwaarschijnlijk. Drukkerij en administratie van De Tribune stonden organisatorisch niet in enig verband. Ceton zelf had dit zo gewild. En toen de drukkerij dus, in april 1916, de veel omvangrijker taak kreeg, een dagblad in plaats van een weekblad te drukken, kwam zij, d.w.z. haar directeur, niet alleen voor veel grotere financiële moeilijkheden te staan, maar werd het ook moeilijker vast te stellen wie nu eigenlijk baas zou zijn: de drukkerij of de administrateur. Wanneer men daarbij nog bedenkt dat beiden, Hamming en Ceton, wat men noemt kerels met een kop waren, behoeft men er zich niet over te verbazen dat er al spoedig na de oprichting van het dagblad ruzie ontstond. In mei reeds kwam die tot uitbarsting.

Hamming werd, op volgens hem onrechtvaardige wijze, door de drukkerijcommissie ontheven van de administratie, die hij geruime tijd had waargenomen. Ceton nam daarop de administratie weer over, moest dit werk natuurlijk, evenals Hamming trouwens, in zijn vrije tijd — hij was onderwijzer, herinnert men zich — verrichten en stond nu ook onmiddellijk voor de moeilijkheid, de tekorten te dekken, die de exploitatie van drukkerij en blad — de redactiekosten beliepen f 100 per week en het hele personeel bestond uit 20 personen — onvermijdelijk meebracht. Het gevolg was, dat er telkens een beroep moest worden gedaan op de ietwat gegoede, partijgenoten en de enkele geestverwanten of sympathiserende buiten de partij, die zij zich langzamerhand had verworven. Dit is ook in de volgende jaren steeds, zij het met veel moeite, inspanning en soms op het kantje af, gelukt. Vooral Cetons onvermoeide arbeid, maar niet minder die van Wijnkoop, van de aanvang af voorzitter van de drukkerijcommissie, heeft dit mogelijk gemaakt.

De vijandige buitenwereld zal zich in die jaren 1916 en 1917 wel eens erover verbaasd hebben hoe de kleine partij het klaar speelde een dagblad te exploiteren dat, bijna zonder advertenties, en met slechts enige duizenden abonnees, bleef verschijnen in een tijd, toen de prijzen van alle benodigdheden snel stegen. Degene die toen achter de schermen kon kijken, wist van hoeveel persoonlijke offers, niet alleen aan geld, maar ook aan tijd en rust dit afhing.

Niettemin: de partij ging nu met een nieuw wapen de jaren 1916 en 1917 in, die haar nieuwe mogelijkheden tot expansie brachten. Reeds in 1916 werd de levensmiddelenvoorziening, vooral door de grote uitvoer naar Duitsland, in het voorjaar precair voor de arbeidersbevolking van de grote steden. Het Revolutionair-Socialistisch Comité, uit het Demonstratief Congres van april 1916 voortgekomen, trachtte zoveel mogelijk agitatie te wekken, speculerend op het gebrek aan aardappelen, belegde vele vergaderingen, ook voor vrouwen alleen, organiseerde straatdemonstraties, enz. Kortom poogde, wat men de “massa” noemde, in beweging te brengen en scheen hier ook wel tot op zekere hoogte in te slagen. Maar eerst het jaar 1917 gaf een nieuwe sterke stoot door de Russische gebeurtenissen, de val van het tsarisme, in het vroege voorjaar. Het einde van 1916 had echter voor de SDP nog iets anders gebracht: voor het eerst openbaarde zich het verschil over de zin en de ontwikkeling van de wereldoorlog duidelijk, dat, zoals wij zagen, van de aanvang af, zij het ook nog verborgen, had bestaan tussen de leidende figuren in de redactie en in het PB enerzijds, Dr. A. Pannekoek en Dr. Herman Gorter aan de andere zijde. De aanleiding tot dit nu openlijk aan de dag tredend geschil was het zogenaamd “vredesaanbod” van Duitsland, of liever van de Duitse legerleiding, met Kerstmis 1916, toen de Duitse legers Eerste SDP congres 1909 ook Roemenië onder de voet hadden gelopen en Duitsland op het toppunt van zijn macht scheen te staan. Het gevolg van dit “vredesaanbod” was, dat sommige elementen in de partij, waarvan de bekendste het lid van het PB, B. Luteraan, die nooit tot de kleine vriendschapskring van de redactie van De Tribune was doorgedrongen, de mening verkondigden, dat de partij nu de plicht had om te gaan ijveren voor een onmiddellijke vrede. Daartegenover stond die van de Tribuneredactie en dus van het PB, dat het Duitse vredesaanbod niets was dan een Duits manoeuvre, en dat er inderdaad in dat jaar niets was gebeurd dat de beslissing nader kon brengen. Het was de conclusie, waarmee Van Ravesteyns oorlogsartikelen in De Nieuwe Tijd, in dat najaar afzonderlijk als boek verschenen,[1] in de zomer van 1916 waren geëindigd en die hij nog eens uitvoerig formuleerde in een artikel: Wat is er van de nacht? van 15 december in de januari aflevering van De Nieuwe Tijd, welks secretariaat hij tegelijkertijd had aanvaard. In haar oorlogsartikelen — bv. dat van 16 december 1916 — verdedigde de redactie van De Tribune de mening, dat het Duitse vredesaanbod een bewijs was, dat het Groot-Duitse imperium, zich nu van Zevenaar tot Bagdad uitstrekkend, inderdaad tot stand was gekomen, dat onze bourgeoisie wel wist, dat, indien dit bleef bestaan, ons land ook onvermijdelijk onder Duitse hegemonie zou geraken of liever blijven, doch dat zij daar ook in het geheel geen bezwaar tegen had, mits Duitsland haar het Indisch bezit kon blijven garanderen, en hoonde het Troelstra en Het Volk, omdat zij het Duitse vredesaanbod met aandoening hadden ontvangen en de hoop uitgesproken dat Engeland en Frankrijk - wat men toen de “Entente” noemde — erop in zouden gaan. B. Luteraan en een enkele andere opposant in de SDP, zoals een zekere Sieuwertsz van Reesema, die in de aanvang van de oorlog de partij had verlaten, maar er daarna weer was teruggekeerd, een vijand van Wijnkoop geworden en die ook nog andere grieven tegen de leiding had, stelden zich praktisch tegenover het Duitse vredesaanbod op hetzelfde standpunt als Troelstra. Hier had men inderdaad een diep en om zo te zeggen tot de bodem der overtuigingen reikend verschil, dat moest worden uitgevochten en zou worden uitgevochten. Voorlopig gebeurde dit ook reeds op het eerste congres dat de SDP in 1917 hield, haar 8ste reeds. Hier botsten beide meningen scherp op elkaar: die van de redactie — ook H.R.H. stond op dat moment nog geheel aan de zijde van haar beide mederedacteuren, al trad zij, wegens vermoeidheid naar het heette, spoedig daarna af — en die van een kleine minderheid, waar B. Luteraan en Van Reesema de voornaamste woordvoerders van waren. De redactie, die vasthield aan het verschil tussen de beide “imperialismen”, het Duitse, en het Engels-Franse. De opposanten, die beide gelijk stelden en de redactie verweten dat zij een voorkeur betoonde voor de Westerse. Achter deze beide tweederangsfiguren echter — en dat maakte het geschil belangrijk en in zekere zin tragisch — stonden de grote dichter en de astronoom-mathematicus, Gorter en Pannekoek.

Van dit moment af zou de kwestie: vóór of tegen Duitsland — want daar kwam zij tot haar eenvoudigste gedaante herleid op neer — in de SDP niet meer verdwijnen, en toen deze van naam veranderde en twee jaar later zich Communistische Partij noemde, bleef zij bestaan. In het voorjaar en als gevolg ,van de Russische omwenteling had dit geschil trouwens nog een andere gedaante aangenomen, namelijk van een strijd over al of niet deelneming aan de conferentie te Stockholm, waar meerderheidssocialisten bijeen kwamen om over een mogelijke vrede te praten. De Tribune beschouwde deze conferentie eenvoudig als een Duitse manoeuvre of intrige, hoonde Troelstra en de andere leiders van de SDAP, die er heen gingen, als knechten van Scheidemann en de Duitse keizerlijke regering en zond daarentegen een telegram aan Lenin, die, zoals men weet, uit Zwitserland door de Duitse machthebbers naar Petrograd was vervoerd en in een open brief aan de Zwitserse arbeiders geen doekjes had gewonden om hetgeen hij daar hoopte tot stand te brengen. Waar nu de opposanten in de SDP mede een gang naar Stockholm hadden verdedigd, kan men begrijpen, hoe ze de wind van voren kregen. Op het mei-congres van 1917 bleken zij een kleine minderheid, ook wat dit vraagstuk betreft. Maar natuurlijk hield de strijd hiermee niet op. B. Luteraan, Van Reesema, en o.a. de juist in dat jaar tot hoogleraar benoemde mathematicus G. Mannoury, bleven, naarmate de Russische Revolutie in die zomer zich ontwikkelde, hun houding in de krant verdedigen. Zij gingen zich nu vooral op de uitingen van Lenin, Radek en andere voormannen van de Russische revolutionaire sociaaldemocraten of bolsjewisten, zoals zij toen reeds genoemd werden, beroepen, daar dezen, naar zij beweerden, voor een onmiddellijke vrede waren. De redactie stelde hier in een onderschrift o.a. tegenover, dat deze opposanten net deden of wij hier in Rusland zaten, terwijl wij inderdaad onder Duitse druk leefden. Het was het verschil tussen een politiek, die, meer realistisch, in de eerste plaats rekening hield met eigen land en de omstandigheden van het eigen proletariaat en ene, die zich meer van algemene frasen bediende. En de leiding van de kleine partij en haar dagblad had juist na het congres reden tot enige tevredenheid, daar de deelneming van de partij, in verbond met de Bond van Christen-Socialisten, aan de algemene verkiezingen een succes bracht, dat tot grotere verwachtingen aanleiding gaf. Bij deze verkiezingen, nodig geworden door de aanneming van de grondwetsherziening, die het A.K. voor mannen bracht, met gelijkstelling van het openbaar en het bijzonder onderwijs — reden, waarom de SDP haar heftig had bestreden — verhinderde zij in een aantal districten — zevenendertig van de honderd —, dat de aftredende kamerleden zonder stemming werden gekozen en verenigde daarbij op de gezamenlijke revolutionaire kandidaten 21.408 stemmen. Er was over het algemeen, ook in de 51 districten, waar wel een verkiezing moest plaats vinden, tengevolge van het optreden van revolutionaire en enige zogenaamde anti-grondwetkandidaten, benevens van nog enkele dissidenten, slecht gestemd. Van de 609.430 kiezers in deze 51 districten hadden zich 169.492 vóór de grondwetsherziening verklaard, 53.904 tegen en 368.034 niet gestemd, d.w.z. zich onthouden. Men kon, ook met de beste wil, hieruit niet veel geestdrift voor deze grondwetsherziening afleiden, waar zowel de SDAP als de pers van de rechterzijde zich toch zo druk voor hadden ingespannen. Daarentegen waarborgde het cijfer van 17.000 stemmen alleen reeds op de kandidaten van de SDP haar intree in de Kamer bij de eerste verkiezing onder het Algemeen Kiesrecht. En, hoe ook beschouwd, de vooruitgang sedert 1913 vooral was uitermate hoopgevend. In Amsterdam was het stemmenaantal gestegen tot 3725, in de tweede stad des lands tot 3578. Wijnkoop en Van Ravesteyn hadden ieder in een van de districten, waar zij kandideerden, meer dan 1000 stemmen gehaald. De SDP was eensklaps in de ogen van heel het politieke land een serieuze factor geworden. Juist het feit dat er in de 51 districten zo slecht was gestemd, wierp op de vertienvoudiging van de stemmen van de kleine partij in een tijdsverloop van slechts 4 jaar, een scherper licht. De verkiezingen voor de raad, die kort daarop volgden, bevestigden dit succes nog eens duchtig: in Amsterdam verenigde de SDP 5822 stemmen op haar lijsten. In de weinige plaatsen, waar zij deelnam, verwierf zij in het geheel 11.684 stemmen. Vergelijkt men dit met de 2214, die zij nog in 1913, en de 4000, die zij in 1915 haalde, dan zag men ook hier een zeer grote stijging in 2 jaar, met ongeveer 200 procent. Het was duidelijk dat de SDP de electorale vruchten ging plukken van de volharding, waarmee zij gedurende de oorlog het reformisme had bestreden en de door de oorlog gewekte gevoelens wist te exploiteren.

Zij profiteerde ook van de omstandigheden en buitte die, zoals gezegd, goed uit. Vooral de aardappelrelletjes van die zomer, die tot zelfs in de internationale pers doordrongen, de Engelse gezant aanleiding gaven tot een vertoog en nog weer eens aantoonden hoe slecht de regering van Cort van der Linden, de oude tovenaar, zoals De Tribune hem betitelde, en inzonderheid de boerenminister Posthuma er voor zorg hadden gedragen dat er althans aan dit aller-noodzakelijkste volksvoedsel geen gebrek zou zijn, gaven het blad aanleiding tot een felle campagne tegen de regering en tegen de SDAP in de hoofdstad, waar inmiddels twee “socialistische” wethouders Vliegen en Wibaut onder een zeer democratische burgemeester, Tellegen, aan het bewind waren gekomen. De relletjes gaven zelfs aanleiding tot het rekwireren van troepen; er werd geschoten en er vielen enige slachtoffers. Een waar buitenkansje voor De Tribune, die een onafgebroken snelvuur van spot, hoon en sarcasme, inzonderheid op de socialistische bestuurders van de hoofdstad opende. Het blad deinsde daarbij, mag men zeggen, voor niets terug. Misschien is nooit in ons land heftiger in de pers geschreven dan in dat jaar 1917. Men zou uit de artikelen van dat jaar een bloemlezing van invectieven kunnen samenstellen. De felste waren misschien die van de Rotterdamse redacteur, die in Rotterdam bleef. Maar ook die zijn vriend W. L. Brusse, de bekende uitgever, onder een pseudoniem publiceerde: “Disteltjes uit de Hof” waren niet mis. Het zou de moeite waard zijn, van dit proza thans nog eens het een en ander weer te geven.

In oktober vond het congres van het NAS plaats, dat toen ongeveer 23.000 leden omvatte en bij de toenmalige verhouding van de vakbewegingscentrales geen te verwaarlozen macht was. De Tribune bevatte er natuurlijk een uitgebreid verslag van, daar de SDP immers in het Rev. Soc. Comité met bijna alle syndicalistische vakorganisaties samenwerkte en er nauw contact mee hield. En tegelijkertijd bijna kon het blad zijn 10-jarig bestaan gedenken, wat o.a. de reeds langjarige trouwe medewerker K. van Langeraad — vriend van Van Ravesteyn — aanleiding gaf tot een enthousiast artikel. Ook Wijnkoop wierp een terugblik op de afgelopen 10 jaar en kon met enig recht de jongeren, die langzamerhand de kleine schare waren komen versterken, terwijl zo velen van de eerste oprichters en sympathiserende waren afgevallen, tonen, dat blad en partij reden hadden om, gezien de Hollandse omstandigheden, niet ontevreden te zijn. Diezelfde maand bracht ook weer gebeurtenissen, die koren op de tribunistische molen brachten. De eerste was de aankondiging van een wetsontwerp op de burgerlijke dienstplicht, dat gelegenheid bood tot een nieuwe verwoede aanval op het Nederlandse militarisme, de regering van de door de SDAP gesteunde Cort van der Linden, en de dreigende toenemende “verslaving”, zoals het blad dit kwalificeerde. De tweede was de zeer blijkbare mislukking van de Stockholmse Conferentie, waarmee het blad heel de zomer de draak had gestoken als een van tevoren veroordeelde Duitse intrige. In een triomfantelijk artikel: De spullenbaas van Stockholm terug, werd de terugkeer van Troelstra, een van haar vooraanstaande instigators, aangekondigd. En begin november — eind oktober Russische stijl — kwam ten slotte het grote gebeuren in Moskou de door het blad gevolgde tactiek om zo te zeggen bevestigen. De Tribune had juist een groot artikel van Lenin overgenomen, Het militaire program van de proletarische revolutie, waarin de leider van de Russische sociaaldemocratische fractie of “sekte” — zoals ook de SDP volgens Troelstra immers was — de ontwapenaars en antimilitaristen fel bestreed en een pleidooi leverde voor datzelfde programpunt, waarover reeds sinds jaren ook in de kleine Hollandse partij verschil had bestaan: volkswapening in plaats van het staande leger. Enkele weken later bewees de wereldgeschiedenis de juistheid van zijn opvatting: door gewapende arbeiders slaagden de “maximalisten” erin zich van de staatsmacht meester te maken. De Tribuneredacteuren — het tweetal, dat nu nog slechts de hoofdredactie uitmaakte — kon er zich terecht op beroemen, dat zij in deze materie het aan het rechte eind had gehad, zoals de overweldigende gebeurtenissen in Rusland nu aantoonden.

De overwinning van de “maximalisten” — zoals zij nog meestal genoemd werden — bracht voor blad en partij enerzijds nieuw élan en nieuwe kracht, anderzijds echter ook nieuwe moeilijkheden. De “oppositie” in de kleine partij, die in de Amsterdamse, de grootste en gewichtigste afdeling, nogal wat aanhang had, en verder in Den Haagse, waar zij zelfs tijdelijk de meerderheid verwierf, putte uit het Russische gebeuren evenzeer nieuwe kracht, zo al geen argumenten, als de partijleiding. Een van haar stokpaardjes was, dat in een van de regelmatig verschijnende oorlogsartikelen — van de hand van de Rotterdamse redacteur — over het juli-offensief van de Kerenski regering, een laatste en wanhopige poging van de Voorlopige Regering om de Russische legers, sedert maart in staat van ontbinding, nog eens te activeren, een passage voorkwam, die kon worden uitgelegd als een goedkeuring van dit offensief. Als middel dan om de Duitse revolutionaire beweging, die maar niet op gang wilde komen, kracht te geven. De opposanten — en zij werden hierin, zij het ook op bezadigde en academische wijze, gesteund door iemand met het gezag van Dr. Pannekoek — verdedigden de stelling dat op de Russische Revolutie, en inzonderheid de maximalisten, thans geen andere taak rustte dan de oorlog te beëindigen, ten koste van alles, desnoods ook van een Duitse overwinning over de gehele linie, waarvoor de vrees in die zomer en herfst ook in Nederlandse anti-Duitse kringen zeer groot was. De Tribune wijdde de 15e november zelfs een apart artikel aan die vrees, onder de titel Paniek, dat zich hiermee bezig hield, o.a. door Mr. J. A. van Hamel in de Groene Amsterdammer tot uiting gebracht. Het blad meende dat er geen aanleiding voor bestond. Want de beide redacteuren, inzonderheid Van Ravesteyn, bleven de mening toegedaan dat Duitsland de oorlog zou verliezen, een mening nog versterkt sinds Amerika’s intrede in de oorlog aan de zijde van de Westerse mogendheden. Zij waren en bleven in alle omstandigheden daarvan overtuigd, ook in dat najaar van 1917, toen het Groot-Duitse imperium inderdaad wel op het toppunt van zijn macht scheen te staan, een rijk veel groter dan het napoleontische. Ja zelfs, toen een half jaar later, het laatste grote offensief in het Westen losbrak, dat ten doel had de Engelse en Franse legers van elkaar te scheiden en de kanaalhavens te veroveren, mochten zij — ik herinner het mij nog goed — een ogenblik enige angst gevoelen, hun verstand en algemeen inzicht overwon spoedig weer. Niet alzo bij de “oppositie”. Voor hen stond — wij zagen het reeds — de Duitse nederlaag niet alleen in het geheel niet vast; zij wensten die ook niet of meenden haar althans niet noodzakelijk uit een revolutionair oogpunt. De overwinning van Lenin en de zijnen maakte al de problemen, die hiermee samenhingen of er uit voortvloeiden, nog veel acuter. Men weet, dat in de Russische partij zelf, onder de bolsjewieken zelf, verschil van mening heerste over de in dit opzicht te volgen tactiek. Voorlopig kwam het alras tot een wapenstilstand aan het Oostelijk front, waaruit ten slotte in het voorjaar van 1918 de moeizame onderhandelingen volgden, die tot de vrede van Brest in Litauen leidden, waarbij onder dwang Rusland zich neerlegde bij een afstand van al zijn westelijke provincies en van grote gebieden aan Duitslands satelliet, Turkije. Onder de Nederlandse “revolutionairen”, die vogels van zo diverse pluimage omvatten, van zuivere antimilitaristen, voorstanders van dienstweigering, anarchisten, revolutionair socialisten, als Kolthek en vele syndicalisten, tot Christen-Socialisten toe, die nu alle in De Tribune een gemeenschappelijk orgaan en, tot op zekere hoogte, een blad hadden, waarmee zij sympathiseerden, kon niet anders dan een heksenketel van gevoelens ten opzichte van het ontzaglijke gebeuren in Rusland bestaan, waarvan niemand, zelfs de geschoolde marxisten van de redactie, toen nog de volle draagwijdte kon overzien. En zo moest het blad wel naar vele richtingen polemisch en kritiserend optreden. Soms geschiedde dit uiterst kalm, bedaard, bezadigd, zoals in een viertal artikelen, waarin het aan de bekwame redactrice van het orgaan van de Christen-Socialisten, bondgenoten, met wie men reeds in de zomer gezamenlijk ter stembus was getrokken, de onvermijdelijke rol van het geweld in de klassenstrijd trachtte duidelijk te maken. Soms ook met een scherpte, die misschien niet altijd evenredig was aan het belang van de personen. Zo, om een voorbeeld te noemen, in een artikel Een ezeltje of een schavuitje, waarin het zich wendde tegen Dr. P. Endt, zelf partijgenoot (later als schrijver bekend geworden onder de nom de plume Coenraads en nog later bestuurder van de Wereldbibliotheek), die zich in een pacifistisch Frans blaadje Demain onder redactie van een zekere Guilbeaux, vereenzelvigd had met meningen en uitingen van de Hollandse oppositie. Niet zo verwonderlijk trouwens: deze heftigheid bij bepaalde gelegenheden, daar tactische redenen van partijbelang verhinderden, dat de redacteuren de volle laag van hun geschut op de partijgenoten in de afdelingen richtten, hoe bont deze het ook soms maakten, door de redactie met zoveel woorden voor verraders van de klassenstrijd en de revolutie, ja voor een soort naar bloed dorstigen te verklaren. De polemiek richtte zich trouwens niet enkel tegen Nederlandse afwijkingen. Van Ravesteyn weerlegde ook vrij uitvoerig de mening van Radek, die te kennen had gegeven dat hij, nu Rusland als oorlogsmacht was uitgeschakeld, een compromisvrede tussen Engeland en Duitsland verwachtte. Dit was belangrijk, ten eerste omdat Radek, die in Zweden vertoefde — althans tot november — reeds eind oktober zich met De Tribune in verbinding had gesteld met het verzoek om directe opneming van het Manifest van de Russische revolutionaire Oostzeevloot naar aanleiding van de dreigende beweging van de Duitse vloot in de Golf van Riga.

Hiermee was het directe contact tussen De Tribune als het enige maximalistische blad in geheel West-Europa, en de nieuwe Russische machthebbers hersteld of liever gevestigd. Enige weken later bereikte het blad een verzoek van de nieuwe Russische regering om geregelde toezending van telegrafische inlichtingen omtrent de toestand in de Westerse landen. Hiermee was De Tribune dus tot een officiële voorpost, een soort orgaan van de Russische Revolutie in haar nieuwe gedaante erkend. De Tribuneredacteuren waren niet van zins om hieruit een andere consequentie te trekken, dan dat zij in grote trekken het optreden en de politiek van hun Russische geestverwanten moesten en konden verdedigen. Maar de polemiek met Radek bewees bv., dat zij geenszins geneigd waren alles, wat men in Petrograd — zoals het toen nog heette — op het stuk van wereldpolitiek meende, te aanvaarden. In gematigde vorm toonde Van Ravesteyn bv. aan dat het een absurd denkbeeld was te menen, dat Engeland in dit tijdsgewricht geneigd zou zijn het met Duitsiand op een akkoord te gooien, daar dit accoord nooit iets anders zou kunnen zijn dan, in feite, een Duitse overwinning. De mening van Radek op dit punt getuigde van een niet genoegzame kennis van de Westerse wereld, van Amerika en Engeland in de eerste plaats, een gebrek, dat ook later in de opvattingen en de politiek van de nieuwe Russische machthebbers is blijven bestaan, dat zelfs, mag men zeggen, nu nog voort bestaat, na de Tweede Wereldoorlog, maar dat zeker ook in de jaren na 1918 duidelijk viel te constateren. Niet alleen bij Radek, die toch ongetwijfeld een van de bekwaamste Russische penvoerders was, ofschoon geen Rus, en dit nog jaren bleef, maar ook bij de zuiver Russische machthebbers, zijn tijdgenoten en die na hem kwamen.

Doch keren wij weer terug tot de meer bijzondere lotgevallen van de kleine partij, die nu het orkaanachtige jaar 1918 tegemoet ging.

Het zette, wat de inwendige toestand betrof, in met een reeks artikelen van Gorter, die sedert 1917 in Zwitserland vertoefde en daar veel omgang gehad had met Lenin en diens omgeving, over het Duitse en het Engelse imperialisme, waarin de grote dichter, nu geheel los van elke verplichting tegenover het kleine Hollandse partijtje, dat hij zelf mede had helpen stichten, zich op het terrein van de wereldpolitiek waagde met een soort poëtische vrijmoedigheid, die een gemis aan genoegzame kennis van de werkelijke verhoudingen niet kon vergoeden. Hier gold helaas de scherpe karakteristiek, die zijn oude vriend, de vroegere redactiesecretaris van De Nieuwe Tijd, reeds in het voorjaar van 1916 had geoefend, toen hij in het slot van zijn artikel, Nogmaals Gorter, imperialisme en de echt-marxistische tactiek, de dichter en zijn politiek met deze woorden schetste: “Het algemene, toegepast waar het ‘oordeel des onderscheids’ verstompt door gebrek aan of zelfs door vermijding van kennis van het bijzondere, wordt het onpraktische, dit onpraktische, agitatorisch voorgestaan, het excessieve...” Inderdaad hier lag vooral Gorters zwakheid, in gebrek aan of zelfs vermijding van kennis van het bijzondere. Op de bodem van een overtuiging, die, zoals reeds vermeld is, van 1914 af, niet georiënteerd was naar een noodzakelijke, in elk opzicht noodzakelijke, Duitse nederlaag, moest dit tot beschouwingen leiden, die met de werkelijkheid in dat tijdsgewricht bijna niets meer gemeen hadden. Zij kwamen in hoofdzaak hierop neer, dat er in de eerste plaats geen verschil was tussen de verschillende “imperialismen” — het Duitse dus en het Angelsaksische, Amerikaans-Britse, terwijl het Franse als quantité négligeable werd behandeld — ten tweede, dat het voor het revolutionaire proletariaat lood of oud ijzer was, welke dezer twee overwon, maar dat zij trouwens feitelijk één waren.

Gorter constateerde op dat moment nog slechts een verschil van mening met de redactie van De Tribune. Hij ging zover niet, haar te verwijten, dat zij de zijde koos van één van de imperialismen, het Westerse, en daardoor de revolutie verried, een consequentie, die zijn al te ijverige adepten in Nederland zelf al hadden geformuleerd. Dit verwijt zou later komen en maakte de breuk, die er helaas toch al tussen de dichter en zijn vroegere vrienden was ontstaan, geheel ongeneeslijk.

De redactie daartegenover bepaalde zich in dit stadium er nog slechts toe in een reeks artikelen over de vredesvoorwaarden en de gevolgen van de wereldoorlog als haar mening uit te spreken, dat de oorlog zeer blijkbaar een grotere differentiatie van de grote worstelende wereldmachten en zelfs van de kleinere meebracht. Kortom: zij kwam tot conclusies, die met die van Gorter in lijnrechte tegenspraak waren.

Inmiddels was er werk genoeg aan de winkel, want de algemene verkiezingen naderden snel en na de uitslag in 1917 mocht men hopen, dat de partij, dank zij de evenredige vertegenwoordiging — waar zij zich overigens principieel tegen had verklaard — in de Kamer zou doordringen. In februari werd op een speciaal verkiezingscongres, onder de invloed van de Russische Revolutie vooral en terwijl onder sanguinische gemoederen, waarvan Henriette Roland Holst een voorbeeld was, het gevoel reeds heerste dat de wereldoorlog bezig was over te gaan in de wereldrevolutie, een nieuw strijdprogram geïmproviseerd — anders kan men het niet noemen — waarmee men de verkiezingen in zou gaan. Het was voor een belangrijk deel een kopie van wat in Rusland aan de hand was en bevatte niets minder dan:
1. Verzekering van een gelijke minimumuitkering aan alle arbeiders en daarmee gelijk te stellen personen, ook voor de werklozen, tijdelijk of duurzaam invaliden, vrouwen, jeugdige arbeiders en ouden van dagen (60 jaar en daarboven).
Extra-uitkering aan vrouwen met kinderen beneden 18 jaar en aan zwangere vrouwen, te beginnen minstens 3 maanden vóór de geboorte van het eerste kind.
2. Sterk progressieve belasting uitsluitend op de hoge inkomens, het kapitaal en de kapitaalsvermeerdering, met overgang naar staatserfrecht.
Annulering van de staatsschulden.
Confiscatie van de oorlogswinsten.
Nationalisatie van de grond ook om de mogelijkheid te scheppen van woningbouw op grote schaal.
Inbeslagneming van de overtollige woningruimte en distributie daarvan onder hen, die daaraan gebrek lijden.
Bevordering van de productieve landbouwassociatie door landarbeiderorganisaties, gemeenten, enz.
3. Algemene staatszorg voor de lichamelijke en geestelijke opvoeding van het kind op de grondslag van het verplichte neutrale, kosteloze openbare onderwijs tot het 18e jaar met vrije leermiddelen, voeding, kleding en verzorging.
In het algemeen kosteloze openstelling van alle inrichtingen van openbaar onderwijs met verstrekking van financiële steun wegens derving van loon.
4. Maximum arbeidsdag van 8 uur om te komen tot de zesurendag; 1 1/2 rustdag per week.
Verbod van loonarbeid voor kinderen tot het 18e jaar.
5. Grondwetsherziening om te geraken tot onmiddellijke invoering van gelijke politieke rechten voor alle mannen en vrouwen van het 18e jaar af.
Democratisering van alle vertegenwoordigende, besturende, beherende en rechterlijke lichamen.
Republikeinse regeringsvorm.
Afschaffing van de Eerste Kamer. Afschaffing van alle standsverschillen.
Invoering van het volksinitiatief, het volksreferendum en het recht tot onmiddellijke terugroeping van alle lasthebbers. Scheiding van kerk en staat.
6. Volledige openbaarheid van de buitenlandse betrekkingen. Vervanging van de beroepsdiplomatie door consulaire agentschappen en arbeidersdelegaties.
Zo nauw mogelijke aaneensluiting van alle democratische machten ter bevordering van samenwerking tussen de volken en wegneming van de oorzaken, die tot de oorlog voeren.
7. Afschaffing van het militaire stelsel.
Volksbewapening tegen het imperialisme.
Opheffing van de militarisering van alle verkeer en bedrijf.
8. Indië los van Holland.
Volledig en vrij zelfbeschikkingsrecht voor alle overzeese bezittingen en koloniën.
9. Volledige opheffing van alle wetten en bepalingen, die de vrijheid van drukpers, het recht van verenigen, vergaderen en de stakingsvrijheid beperken of belemmeren, ook voor militairen en personen in dienst van openbare lichamen.
10. Algemeen verbod van uitvoer van de nodige levensmiddelen voor mens en dier. Inventarisatie en inbeslagneming van die levensmiddelen en beschikbaarstelling hoogstens tot de prijzen van juli 1914. Distributie door de klasseorganisaties van het proletariaat.

Het zou de moeite waard zijn aan te tonen, hoe dit program — zeer blijkbaar een mengelmoes — tot stand kwam. Het was, als alles, ten slotte een compromis, waarbij het PB, welks woordvoerder vooral Van Ravesteyn was, matigend moest optreden tegen degenen die in hun revolutionaire ijver verder wilden gaan en aan dit alles nog meer fraais toe wilden voegen. Maar als men het nu beziet in het licht van een dertigjarige geschiedenis, kan men niet zeggen dat het geheel utopisch was en buiten de werkelijkheid en de mogelijkheden van een toekomstige ontwikkeling stond, men mocht die goed- of afkeuren. De 8-urendag is bv. werkelijkheid geworden en de werkdag van 6 uur hier en daar reeds actueel. Van “inbeslagneming van de overtollige woningruimte” hebben wij in deze dagen wel horen gewagen. Ja zelfs: confiscatie van de oorlogswinsten klinkt ons niet vreemd in de oren.

Het verkiezingscongres verenigde zich, ondanks enige oppositie, die dus ten slotte toch niet van veel belang bleek, met de door het PB voorgestelde lijst van kandidaten voor de verkiezing in juli, waarbij de voorzitter Wijnkoop No. 1 kwam, zijn mederedacteur Van Ravesteyn No. 2, de propagandist L. de Visser No. 3, een reeds sedert 10 jaar in de partij werkzame oude socialiste, Mevouw R. Vos-Stel uit Groningen, No. 4, J. C. Ceton No. 5 en G. Sterringa, een onderwijzer uit Groningen, lid van het PB, No. 6. Verder werd besloten deze lijst te combineren met die van de Christen-Socialisten.

Bijna gelijktijdig met dit verkiezingscongres werd een soort van concurrerende partij opgericht, die zich Socialistische Partij tout court noemde, door een aantal syndicalistische voormannen, die het toch niet konden nalaten nu van de gelegenheid gebruik te maken om aan de verkiezingen deel te nemen en het dogma opzij te zetten, dat in hun kringen totnogtoe de deelneming aan parlementaire strijd en arbeid had verboden. De inspiratie van deze groepering was de nogal sterk Frans-syndicalistisch georiënteerde redacteur en leider van het NAS, H. Kolthek Jr., die ook als kandidaat voor de Kamer werd aangewezen. De Tribune, wel verre van zich over deze concurrentie te verbazen of te ergeren, begroette de nieuwe formatie met een zekere sympathie en beschouwde haar als een stap in de goede richting.

Scherp stak hierbij de toon af, die tegen Het Volk werd aangeslagen, een toon, feller, naarmate de verkiezingen naderden en, in dat voorjaar van 1918, de levensmiddelen schaarser werden. De SDAP en het NVV organiseerden, onder de invloed van de wassende nood, mede grote demonstraties en Troelstra, teruggekeerd uit Stockholm, sprak in de Kamer zelfs dreigende taal. Maar De Tribune verweet de SDAP, dat zij door haar pro-Duitse politiek het enige middel verhinderd had om de Nederlandse arbeidersklasse voor een dreigende hongersnood te behoeden, namelijk door een beroep te doen op de Verenigde Staten, die alleen in staat waren om ons het nodige graan te verschaffen. De Unie, thans een van de oorlogvoerende machten, verlangde daarvoor echter de beschikking over de Nederlandse schepen, die werkloos in de Amerikaanse havens lagen. De regering van Cort van der Linden wilde of durfde de Ver. Staten niet de beschikking over die schepen geven. De SDAP werd hiervoor mede verantwoordelijk gesteld. “Arbeiders,” heette het, “knoopt deze hoofdzaken in uw oren en vergeet ze geen ogenblik! De leiders van de arbeiderspartij en het NVV zijn de hoofdschuldigen, dat het thans reeds zover met u is gekomen, dat gij gebrek lijdt aan alles.” “Omdat zij sinds 1914 de revolutionairen hebben gehoond en bestreden, die de enige politiek verdedigden, welke dit had kunnen voorkomen, namelijk strenge verboden van uitvoer van alle levensmiddelen, die ons volk behoeft. Omdat zij de aan het Duitse imperialisme verknochte en de Pruisische regeerders naar de ogen ziende Hollandse regering gedurende drie jaar hebben gesteund en geholpen in haar infame uithongeringspolitiek van eenzijdige uitvoer. Omdat zij daardoor mede schuldig staan aan het feit, dat ons land door zijn onneutrale, eenzijdige politiek, in het verdomboekje is geraakt bij de wereldmachten, die het op de duur alleen maar hadden kunnen voorzien van die levensmiddelen (graan en veevoeder vooral), welke hier niet in genoegzame mate groeien. En thans zijn diezelfde schavuiten en domkoppen, onder leiding van hun meester Troelstra, die openlijk en onbeschaamd bewezen heeft te arbeiden voor de koning van Pruisen, nog niet van zins in deze hoofdzaak ook maar enigszins van de totnogtoe gevolgde gedragslijn af te wijken.[2]” Op deze toon waarin een goed verstaander 18-eeuwse geluiden hoort doorklinken, geluiden van een Mirabeau en van de Hollandse “patriotten”, was heel de campagne gestemd, die het blad die winter en de volgende maanden voerde. Een campagne, waarbij door middel van het Rev. Soc. Comité geen middel werd versmaad: werkstaking zomin als propaganda onder de soldaten, die zover ging, dat men ze in andere tijden zeker als opruiing zou hebben gestraft.

De justitie echter durfde zeer blijkbaar het blad en de leiding van de SDP niet goed opnieuw aan te pakken, nadat een poging om het hele PB in staat van beschuldiging te stellen, fiasco had geleden. Slechts één man werd — behalve Ds. Van Wijhe, vervolgd wegens ondertekening van het Manifest van de Dienstweigeraars en daarvoor tot een straf van 3 maanden cel veroordeeld — vervolgd en opgesloten, namelijk de propagandist L. de Visser. Wat Wijnkoop betreft, hem trof slechts het verbod tot verblijf — en dus spreken — in de provincies, waar de staat van oorlog heerste.

Eind februari begon het blad met de wekelijkse uitgave van een Russische bijlage, waarin zoveel berichten en stukken, als mogelijk was, uit de Russische bladen werden overgenomen. Zo kon De Tribune zijn lezers en het Hollandse publiek authentieke inlichtingen verschaffen over de strijd, die in de Russische partij aan de orde was over de vraag of de oorlog na de wapenstilstand moest worden hervat of beëindigd. Men weet, dat Lenin tot het laatste besloot, maar niet voordat de oorlog was hervat en de Duitse opmars opnieuw begonnen. Voortaan kon het blad dus als officieus orgaan van de Russische regering gelden, wat de redactie echter in het geheel niet belette om uitvoerig in een reeks van artikelen over de vredesvoorwaarden, die President Wilson in het algemeen had geformuleerd, aan te tonen, dat de oorlogsdoeleinden van de Westerse mogendheden fundamenteel verschilden van de Duitse. Een andere belangrijke taak trad in die maanden steeds meer op de voorgrond, de verbinding met en de steun aan de Duitse revolutionairen, die zich naar ons land hadden begeven. De drukkerij van De Tribune drukte reeds het Duitse blad Der Kampf onder redactie van een zekere Minster, die door de Duitse regering zelfs zo gevaarlijk werd geacht dat ze hem, bij een bezoek aan Limburg, op Duits grondgebied lokte en liet ontvoeren. En in begin maart sprak in Amsterdam op een vergadering voor Duitsers de leider van de Duitse links-marxisten, W. Pieck, die kort geleden over de grens was gekomen. Deze zelfde man zou 30 jaar later nog als een van de hoofdleiders van het “communisme”, d.w.z. stalinisme in het verwoeste en door de Russen bezette Berlijn fungeren. In deze tijd beginnen ook de connecties met een vertegenwoordiger van het Deuxième Bureau van de Franse Generale Staf, Crozier, door deze beschreven in zijn gedenkschriften: “En mission chez l’ennemi”.[3] Het was er om te doen om met alle middelen, waarbij geen enkel mocht worden versmaad, de revolutionaire beweging, die in Duitsland bezig was zich te ontwikkelen en die voor het eerst in februari 1918 tot uitbarsting kwam de grote stakingen te Berlijn en elders, te steunen en te bevorderen.

Begin april kwam het zelfs tot een poging, althans een oproep tot algemene staking en wat de burgerlijke pers “relletjes” noemde, waarvan het gevolg ten minste was dat de uitvoer van levensmiddelen (met consenten, zoals het toen heette, waarmee zeer was geknoeid, zó zelfs, dat kamerleden er door in opspraak waren gekomen), tijdelijk werd stopgezet. De Tribune kon dit als een soort resultaat van haar politiek en de verwekte agitatie registreren, terwijl zij tegelijk de regering met hoon en haat achtervolgde. “De oude Tovenaar” (bedoeld werd de grijze Minister-President) wil bloed,” heette het. Ja, het blad ging zover, dat het zeer duidelijk en onbewimpeld ophitste tot aanslagen op bijzonder gehate persoonlijkheden onder zijn tegenstanders, zo op het kamerlid A. B. Kleerekoper, die, met zijn collega Duys, tot de meest gediskwalificeerde behoorde.

Het grote Duitse offensief van de maand maart, dat enige weken lang zo gevaarlijk scheen voor allen, die ook in ons land een Duitse overwinning vreesden, bracht de Tribuneredactie niet van haar stuk, zomin als vroegere Duitse zegepralen. Het viel toevalligerwijze samen met de ook nu nog, in het licht ener dertigjarige geschiedenis van onmetelijke veranderingen, belangwekkende afrekening met de man, die tot diepe smart van zijn beide vroegere mederedacteuren thans hun voornaamste tegenstander was geworden. De Tribune van 22 maart bevatte Gorters artikel Proletarisch wapengeweld, waarin hij tegen zekere opvattingen van zijn vriend A. Pannekoek, maar hoofdzakelijk tegen de Tribuneredactie nogmaals zijn standpunt verdedigde dat voor het proletariaat de worstelende wereldmachten gelijkwaardig waren. De redactie antwoordde enige dagen later met een artikel De eenheid van het proletariaat, waarin zij Gorters opvattingen “tournooien in de blauwe lucht” noemde, voorspellingen omtrent toekomstmogelijkheden die ver buiten de realiteit lagen, voor zover wij die konden voorzien. Inderdaad lag hier het verschil. Gorter, door zijn dichterlijke verbeelding meegesleept, zag reeds mogelijkheden opdoemen waarvoor de ontwikkeling van de wereld tot dusverre geen aanleiding gaf. De redactie, koeler en meer politiek aangelegd, trachtte slechts het naaste grote doel in het oog te houden: de Duitse nederlaag en daardoor de Duitse revolutie. Tussen die twee geestesgesteldheden was inderdaad geen verzoening of overeenstemming meer mogelijk. Enkele jaren later zou zijn dichterlijke verbeelding Gorter zelfs in botsing brengen met de realistische politiek van Lenin.

De verkiezingen naderden intussen met rasse schreden. Zij eisten behalve een enorme arbeid door de weinige propagandisten, waarover het partijtje beschikte — vooral nu een van de sterkste, Louis de Visser, was gevangen gezet — ook een grote financiële inspanning. Het PB deed daartoe een oproep tot het bijeen brengen van een fonds van f 20.000, nodig mede om het blad te behouden, dat met grote materiële moeilijkheden (papiernood, rantsoenering van elektriciteit enz.) te kampen had. Met kunst- en vliegwerk gelukte het zowat deze som bijeen te harken.

De partij zou nu, in verbinding met de SP, kandidaten stellen — één lijst — in alle 18 kieskringen, waarin het land verdeeld was. De Christen-Socialisten, wier lijstaanvoerder de predikant Kruyt was, hadden ditmaal geweigerd hun lijst met die van de SDP te verbinden, zoals zij ook weigerachtig waren, toe te treden tot het Revolutionair-Socialistisch Comité. De reden hiervan lag natuurlijk in hun afkeer van, ja totale verwerping van alle “geweld” in de klassenstrijd, die zij overigens erkenden, een verschilpunt, waarover reeds veel vroeger, in het begin van de oorlog, uitvoerige, schoon zeer vriendschappelijke polemieken waren gevoerd tussen de beide organen, het weekblad De Tribune en het weekblad van de Christen-Socialisten, welks bekwaamste redacteur de toen reeds zeer bekende pacifist, de predikant B. de Ligt, was. Een episode uit die woordenwisseling was bv. de reeks van artikelen in De Tribune onder de op het eerste gezicht bevreemdende titel: De dochter van Jefta, waarin Van Ravesteyn het marxistische standpunt verdedigde tegen de Tolstojaanse kritiek van De Ligt op Liebknecht. De Christen-Socialisten gingen dus op hun eigen houtje de verkiezingen tegemoet met de risico, dat zij, door hun lijst niet te verbinden, niet alleen zouden verhinderen, dat er een revolutionaire fractie in de Kamer mogelijk werd — voorwaarde voor een parlementaire werkzaamheid, die iets zou betekenen — maar zelfs, dat zij beneden het stemmencijfer zouden blijven, nodig om althans één afgevaardigde gekozen te krijgen. Het was eigenaardig en kenmerkend voor de stemming, die de leiding van de SDAP beheerste, die, nu de verkiezingen naderden, en onder de invloed van de toenemende ontevredenheid van de arbeiders, meer en meer een oppositionele houding tegenover het Kabinet Cort van der Linden aannam, maar aan de andere kant geen twijfel liet aan haar “ministerialisme”, d.w.z. haar bereidheid om eventueel deel uit te maken van een nieuwe regering, dat zij telkens voorgaf eigenlijk alleen de kansen van de SP, het nieuwe pas opgerichte syndicalistische partijtje van Kolthek, ernstig te nemen. Vliegen, thans senator en meer dan ooit een van de machtigste mannen in de arbeiderspartij, deed dit uitdrukkelijk in een artikel waarin hij een soort prognose stelde omtrent de te verwachten uitslag van de verkiezingen. Prognose, waarin hij overigens zeer terecht constateerde, dat de grote winnaar bij deze verkiezingen waarschijnlijk de rechterzijde en vooral de Katholieke Staatspartij zou blijken. Deze houding was typerend voor de diepe kloof, die er niet alleen in de bijna 10 jaar sinds Deventer verlopen tussen de beide partijen, de grote moeder en de nog altijd kleine, maar thans springlevende, vurige en lastige dochter op theoretisch gebied was ontstaan, maar ook voor het feit, dat deze verwijdering langzamerhand tot haat, ja tot haast fysieke afkeer aanleiding had gegeven. In Troelstra’s Gedenkschriften, hoezeer ze van vele jaren nadien dateren, treft men daar nog de duidelijke bewijzen van aan. Maar de Tribuneredacteuren gaven van hun kant ook alle aanleiding. In het begin van juni reageerde het blad op een artikel van Vliegen o.a. met een soort dreigement, dat de intree van de SDP-leiding in het parlement misschien Troelstra niet alleen de politieke maar ook de fysieke dood zou brengen. M.a.w. dat zij, eenmaal in de Kamer, hem wel zo dwars zouden zitten, dat hij, wiens zenuwen immers hem bij allerlei gelegenheden begaven, er niet tegen bestand zou zijn. En in een van gif druipend artikel de volgende dag, waarin Troelstra weer eens als “knecht van de Pruisische Koning” werd gekwalificeerd, resumeerde de schrijver heel het enorme onderscheid, dat ertussen de SDAP en de SDP thans bestond, nog eens met deze woorden:

“Inderdaad, hij heeft hier — Troelstra had zich laten interviewen — weer eens zijn ziels- of althans gemoedsinhoud binnenste buiten gekeerd op een wijze, waarvoor wij hem slechts dankbaar kunnen zijn.

En hij toont het weer ten volle als wat het is, een zonderlinge mengeling van waarlijk jezuïtische bedrieglijkheid en boers-Friese stompzinnigheid.

Waar komt deze hele fraaie redenatie op neer?

Hierop, dat de internationale situatie en de buitenlandse politiek van ons land beheerst wordt door het bezit van de overzeese bezittingen en de vraag, hoe deze te behouden zijn. Een juiste premisse, maar waaruit de man conclusies trekt, die precies lijnrecht indruisen tegen de werkelijkheid en de feiten op hun kop zetten.

De positie is — wij hebben het talloze malen uiteengezet — zó: onze bourgeoisie is overwegend pro-Duits, juist omdat zij voor de toekomst in een machtig, overwinnend Duitsland, met het oog vooral op Japan, de enige garant ziet voor het behoud van Indië.

Tal van economische oorzaken van de meest verschillende aard, van directe handelsbelangen tot verder strekkende overwegingen toe, komen deze beslissende factor versterken. Ideologische stromingen werken in dezelfde richting. Maar het resultaat is zeer helder en zeer duidelijk: de overwegende meerderheid van onze burgerlijke partijen is uitgesproken of verholen, bedekt of onbeschaamd, aan het Duitse imperialisme verknocht.

De pers is de trouwe afspiegeling van deze economische werkelijkheid. Zij vertoont nuanceringen, maar het zijn slechts de nuanceringen, die er bestaan tussen de straatdeern, die zich openlijk aanbiedt en een genre van vrouwen, dat dit bescheiden doet. De Standaard bv. loopt met haar schande te koop; bladen als de NRC proberen een zeker fatsoen te bewaren.

Zie nu, hoe Mr Troelstra deze werkelijkheid op perfide wijze in haar tegendeel weet om te zetten. Hij stelt het zo voor, alsof zekere Amsterdamse en andere exploitanten van de koloniën — die hij meer in het bijzonder kwalificeert als onze Nederlandse imperialisten — die vóór alles het behoud van de koloniën voorop stellen, elk ogenblik bereid zouden zijn ter wille van die koloniën... een oorlog met Duitsland te beginnen, en alsof de overwegend anti-Duitse gezindheid van het Nederlandse volk hun daarbij een bijzonder gunstige bodem zou bieden om dit, hun streven, door te zetten. Een oorlog met Duitsland, voortvloeiend uit een “bedekt of openlijk bondgenootschap met de Entente. En dat, terwijl nota bene volgens de man zelf, het enige gevolg van zulk een bedekt of openlijk bondgenootschap zou kunnen zijn: 1. het verlies van onze onafhankelijkheid; 2. het verlies van onze koloniën.

Nog eens: men bewonderen het jezuïtisme van deze redenatie.

Zij veronderstelt immers dat zulk een bondgenootschap met de Entente aangegaan, let wel door onze “imperialisten” (de zogenaamd anti-Duitsgezinde Amsterdamse kooplieden) tot behoud van de koloniën, en desnoods op kosten van onze onafhankelijkheid, ons niet alleen de onafhankelijkheid, maar bovendien de koloniën zou kosten.

M.a.w., dat onze bondgenoten, die dan Engeland en Amerika zouden zijn, tot dank voor dit bondgenootschap, meteen maar de hand op Indië en de andere bezittingen zouden leggen en onze kapitalisten daarvan zouden beroven. Onze onafhankelijkheid zouden wij dan kwijt zijn aan Duitsland, de koloniën aan... Engeland.

Mr. Troelstra veronderstelt hier dus, afgezien van al het andere, bij Engeland een politiek, zo perfide, dat alle, mede door hem, Troelstra, afgekeurde gedragingen van Duitsland gedurende deze oorlog daarbij vergeleken, kinderspel zouden zijn.

En met zulke, deels uit de lucht gegrepen, deels expres leugenachtige voorstellingen rechtvaardigt hij zijn politiek, die, zoals men weet, hierop is neer gekomen, dat hij op een van de kritische momenten in de geschiedenis van ons volk tijdens deze oorlog, namelijk toen het er om ging of de Nederlandse regering al of niet het aanbod van de Verenigde Staten en Engeland zou aanvaarden om in ruil voor scheepsruimte hier levensmiddelen heen te zenden, die ons volk dringend nodig had, instemde met het nationalistisch, door puur Duits belang ingegeven geschreeuw, dat onze grote kapitalistische pers en een laf parlement aanhieven, ten einde de regering te beletten, zulk een overeenkomst te sluiten.”

Het artikel, dat verder weer inhield, dat onze neutraliteit geen ogenblik gevaar kon hebben gelopen, omdat Duitsland het grootste belang had, in elk opzicht, bij de handhaving van die neutraliteit, d.w.z. zowel van ons land, als van ons Rijk, eindigde dan ook met de uitroep: “Een vuile imperialistenknecht en een verrader des volks. Dat is hij.”

De dag des oordeels brak dan eindelijk aan en schonk de SDP inderdaad voldoening. In het gehele land verenigden de “revolutionaire” kandidaten meer dan 50.000 stemmen op hun beide lijsten — meer zelfs dan een andere nieuwe partij, de Economische Bond, door Mr. Treub, de oudminister, opgericht om de middenstand te verzamelen, en bijna evenveel als de Vrij-Liberalen, de kern van de vroeger zo machtige Liberale partij. In de hoofdstad vooral was het succes groot: de SDP had daar meer dan 14.000 stemmen, waarbij de nog geen 4000 van de syndicalisten enigszins mager afstaken, geheel tegen de verwachting van de leiders van de SDAP in. De kleine partij had daarmee in het intellectuele en economische centrum van het land reeds bijna de helft van het stemmenaantal bereikt, dat de SDAP behaalde (33.400). En de partijleiding van de arbeiderspartij moest zelf erkennen, dat dit gelijk stond met een zware slag, zo al geen nederlaag, en kon zich alleen troosten met de gedachte, dat de Amsterdamse arbeiders slechts onder de invloed van de nood hun stem aan de “hysterische schreeuwers” van de SDP, aan de gehate Wijnkoop hadden gegeven. Ook kon het bij enig nadenken moeilijk een troost voor de grote partij zijn, dat zij in de tweede stad des lands, in wat wel eens het grote Brabantse dorp werd genoemd, met haar over het algemeen veel onontwikkelder bevolking, alle andere partijen verre de baas was geworden met haar bijna 40.000 stemmen, waartegenover de SDP slechts een kleine 3400 en de SP slechts even 400 had opgebracht. Rotterdam te winnen en Amsterdam, zo al niet te verliezen, dan toch het verlies van Amsterdam in de toekomst mogelijk te zien, waarlijk, het ene woog niet op tegen het andere.

De SDP echter, die zelfs een ogenblik kon hopen recht te hebben op 3 zetels, had nu ten minste haar beide hoofdleiders in de Kamer gebracht en kon bovendien min of meer vast rekenen op de medewerking van de twee afgevaardigden, die de SP en de Bond van Christen-Socialisten in de Kamer kregen: Kolthek en Kruyt. Zij had bovendien — wat misschien van even veel waarde was — nu overal in het gehele land aanknopingspunten gekregen, in alle provincies, van Limburg, Brabant en Zeeland tot het Noorden toe. Zelfs in Brabantse plaatsen als Helmond en Tilburg had het revolutionair-socialistische woord het eerst geklonken. De kleine partij met haar goed 700 leden kon met voldoening op deze eerste verkiezingscampagne terugzien.

_______________
[1] Wereldoorlog. Thieme en Cie, 1916.
[2] De Tribune vond voor deze politiek een stevige steun vooral ook in de uitvoerige rekesten en adressen van een deskundige, de Amsterdamse makelaar in granen, Gerhard Polak.
[3] In Mes Missions secrètes, 1915-1918, édition documentaire définitive (Payot, 1933), waarin Joseph Crozier zijn twee vroeger verschenen geschriften met herinneringen heeft samengevat — zij maken deel uit van de grote “Collection de Mémoires, Etudes et Documents pour servir l’histoire de la Guerre Mondiale” — wijdt de schrijver een heel hoofdstuk: “Au camp des révolutionaires” aan zijn verbindingen met de Nederlandse leiders van de revolutionaire sociaaldemocratie en door hen met Duitse en Russische leiders. Hij zegt o.a.: “Pierre Desgranges — dit was de naam, waaronder hij te Rotterdam in oliën en vetten handelde — zag in Holland de Duitse Revolutie geboren worden, zoals hij er de Russische had zien ontstaan daar hij een daadwerkelijk aandeel had genomen aan bijeenkomsten van Hollanders, Russen en Duitsers was hij aanwezig bij de oorsprong van de beweging en maakte deel uit van het eerste revolutionaire Duitse comité.”
Verder merkt hij op: “Nederland werd het knooppunt van de revolutionaire situatie in de wereld. De revolutie kwam, evenals de oorlog, haar geheime bijeenkomsten houden in het kleine land, dat naar zijn traditie in dienst stond van de vrijheidsideeën.”
Hij verhaalt verder, hoe hij in Wijnkoops woning de organisatoren van de Duitse Revolutie, vooral Pieck, ontmoette en hoe hij er daardoor in slaagde zich gedurende de februaristakingen van 1918 te Berlijn op te houden en daar zijn actieve hulp aan die beweging te verlenen.
Ook wat hij verder van zijn relaties met de redacteuren van De Tribune verhaalt — ook na hun verkiezing tot lid van de Tweede Kamer — is zeer interessant en toont in ieder geval aan, dat zij geen middel versmaadden om de revolutionaire beweging in Duitsland wind in de zeilen te blazen. Indien de “oppositie” in de SDP of Het Volk iets van deze relaties had geweten, zou, begrijpt men, dit een kostbaar wapen voor deze beiden zijn geweest.
Uit een wereldhistorisch oogpunt is het de moeite waard te noteren dat Joseph Crozier, die in november 1918 ongetwijfeld, door zijn connecties met de spartacisten, over de middelen beschikte om de overtocht van de Duitse legers over de Rijn te beletten, weerhouden is dit te doen door de Franse regering, d.w.z. Clemenceau, toen zo iets als dictator, zelf, en wel uit vrees, dat de bolsjewistische revolutie Duitsland zou overstromen. De opmars van de Franse legers naar Berlijn werd door Clemenceau en Foch verhinderd. Wie weet of het lot van Europa op dat ogenblik niet werd beslist.