Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

Veranderingen

Sterk waren de stagnatie verwekkende factoren die een aantal continuïteiten in stand hielden. Het was echter onvermijdelijk dat daarin verandering kwam en wel door de ontwikkeling van een aantal van diezelfde factoren die een verscherping van de maatschappelijke tegenstellingen teweeg moesten brengen; dit ondanks alle kanaliserende werkingen van traditionele structuren en tendenties. D. Levine heeft tegenover Benda’s soms al te globale benadrukking van het continuïteitsthema het veranderingsaspect sterk willen belichten, echter op zijn beurt weer iets te elementair-positief.[1] Zo kunnen de respectieve momentwaarden van continuïteit en verandering in het totale historische proces van langzame ontwikkeling van maatschappelijke tegenstrijdigheden in Indonesië, niet in hun onderlinge en ook contradictoire relaties worden gewogen. Ondanks enkele fluctuaties en onderbrekingen vormt de invloed van het buitenlandse kapitaal niet alleen de sterkste stagnatiefactor, maar tegelijkertijd ook de meest dynamische veranderingskracht:[2]
- door de penetratie van de geldeconomie tot in het meest afgelegen binnenland;
- door de ontwikkeling van de warenproductie en circulatie op de markt, vanaf lokaal niveau tot en met opname van Indonesië in de wereldmarktprocessen met alle fluctuaties daarvan;
- door de geleidelijke scheiding tussen producenten en hun productiemiddelen;
- door het stimuleren van een bezits- en klassendifferentiatie, niet alleen in de steden maar ook enigszins op het platteland, en het daarbij doen ontstaan van proletarische en semi-proletarische lagen die de meerderheid gaan uitmaken.

Alles bijeen een kracht die permanent traditionele structuren ondermijnt en een voortdurende verschuiving aanbrengt in de verhoudingen tussen kapitalistische en prekapitalistische productie en in de hybride tussenzones die de derde wereld typeren.

Dit economische proces van integratie in het kapitalistisch wereldsysteem werd begeleid, of ook wel voorbereid of eerst later gevolgd door een bestuurlijke penetratie en uitbouw. Daarmee was verbonden de opbouw van een infrastructuur (communicatiemiddelen enz.), een onderwijsapparaat en andere dienstverlenende instellingen; dat wil zeggen ook een technologische, wetenschappelijke, culturele en ideologische penetratie, die onder andere het ontstaan van westers opgeleide intellectuele en semi-intellectuele lagen tot gevolg had.[3] Indonesië werd een effectieve bestuurlijke eenheid met grotere mogelijkheden van circulatie van ideeën en mensen en het werd intensiever opgenomen in het internationale krachtenveld van invloeden en sociale tegenstellingen, dat niet alleen vanuit het Westen maar ook vanuit Azië werd gevoed.

In de buitenlandse economische en niet-economische invloed zijn een aantal golven te onderkennen: de opgang van het particuliere kapitaal in de liberale periode vanaf circa 1865-1870, en veel sterker nog in het klassiek imperialistisch tijdvak 1900-1914; de hausse van de late jaren twintig; en de nieuwe investeringsbeweging van na 1966.

De niet-economische invloeden die bijdragen tot de doorbreking van het isolement lopen daaraan niet geheel parallel. Wel is dat het geval met de hoogtij van de Ethiek 1900-1914, die een uitloper te zien gaf tot en met de tijd van de eerste wereldoorlog.[4] Maar de parallelliteit ontbreekt voor de revolutieperiode van 1945 en verder.[5] De politiseringsgolf rond de verkiezingen van 1955 en 1957 en de steile opgang van de PKI viel ook niet samen met versterkte economische penetratie.[6] De buitenlandse penetratie en beïnvloeding verliep zowel in de tijd als geografisch ongelijkmatig. De concentratie op Java vergrootte de reeds bestaande verschillen tussen het centrum en de “outer islands”, niet alleen op het vlak van economische stagnatie, maar ook op dat van een concentratie van moderne instellingen en ontwikkelingen: industrie, transport, handel, infrastructuur, overheids- en andere diensten, onderwijs.[7] Zoals overal had de Westerse penetratie in de derde wereld een verstoring van het relatieve demografische evenwicht tot gevolg, en wel sinds een heel vroeg tijdstip. Peper heeft terecht de onhoudbaarheid van vroegere nogal spectaculaire voorstellingen gecorrigeerd, maar gaat wellicht wat ver in zijn relativering van verschillende westerse invloeden.[8] De gestage bevolkingsgroei mondde tenslotte uit in een tendens tot acute overbevolking van delen van Midden- en Oost-Java, tot extreme grondversnippering, verpaupering, landvlucht en urbanisatie (ook al bleef de grote meerderheid der bevolking agrarisch of aan het platteland gebonden.[9] Ook werd het ontstaan of versterken van lokale, regionale en nationale minderheden en de toename van interetnische tegenstellingen door het westerse ingrijpen bevorderd.[10] Tegelijkertijd maakte dat ingrijpen ontwikkelingen gaande die een nieuwe nationale eenheid mogelijk maakten en bevorderden; onder andere door de vorming van een moderne nationale intelligentsia via een beperkt aantal, voornamelijk op Java gelegen onderwijscentra.[11]

In de Indonesische maatschappij werden in dit kader verschillende klassenkrachten die zich ontwikkelden, geactiveerd. Traditioneel was de meest dynamische factor de islamitische sector in engere zin: de santriwereld, gedragen door ondernemertjes en geestelijke voorgangers, oelama en kjai; het vroeg gefnuikte potentiële burgerdom van Indonesië. Het was ook de eerste kracht die als reactie op de opmars van het moderne westerse kapitalisme in de hele oosterse en islamitische wereld, in beweging kwam.

Evenals in de 16e en 17e eeuw de westerse opgang in Azië een uitdaging en stimulans vormde voor de expansie van de islam, ging er zoals gezegd, van de modern-kapitalistische expansie van het Westen in de oosterse wereld in de 19e en 2Oe eeuw opnieuw een krachtige impuls uit. Deze laatste expansie en intensieve exploitatie beperkte weliswaar de totale ruimte voor het autochtone kapitaal, maar vergrootte toch de betrekkelijk kleine marge van ontwikkelingsmogelijkheden van dat kapitaal enigszins, ondanks de Chinese concurrentie.[12]

De renaissance van de islam begon al vroeg in de 19e eeuw onder de impulsen van de eerste grote fundamentalistische hervormingsbeweging in de Arabische wereld, die de geestelijke inspiratiebron zou blijven. In zijn Islam observed tekent Geertz de fasen en elementen in deze opleving van wat eerst in moderner tijden de wereld der santri genoemd zou worden. In het kader van de in de tweede helft van de 19e eeuw sterk expanderende wereldhandel, en met de massale uitbreiding van de hadj, de bedevaart naar de heilige steden en ook de voortgezette islamitische studie in Mekka en Caïro, zien we een duidelijker van de indianiserende-syncretistische en adatsfeer afgegrensde islam naar voren komen, gedragen door een netwerk van contacten rond de instituten islamitisch internaat, binnenlands marktsysteem en de reeds genoemde hadj; een islam die onder de invloed van de hervormingsbeweging van al-Afghani en Mohammed Abdoe in het begin van de 20e eeuw in Indonesië ook een merkwaardig mengsel van radicaal fundamentalisme en vastbesloten modernisme ten aanzien van bepaalde elementen uit de westerse wetenschap, technologie enzovoort te zien zou geven.[13]

Het lag voor de hand dat voor deze nieuwe islamitische opgang, tevens tegenoffensief tegen de koloniale heersers en hun Indonesische bondgenoten en adatelites (prijaji’s en adathoofden) de Pasisir de krachtcentra en aanvoerlijnen leverde.

Daar komen de relatief sterkste kapitalistische elementen tot ontwikkeling; allereerst in de meer ontwikkelde zones van Sumatra, in enkele stedelijke centra van de Javaanse Pasisir en daarnaast van de vorstenlanden en van West-Java. Schrieke heeft waarschijnlijk wel als eerste gewezen op de betekenis van het nieuw opkomende moslimse ondernemerdom in de Minangkabau. Koch signaleerde nog voor hem de parallel tussen de rol van calvinisme en modernistische islam, bij alle verschillen die er zijn aan te wijzen.[14] Merkwaardig en wellicht op zichzelf van enige betekenis is het feit dat de bestudering van deze sociale klasse daarna tot op de huidige dag sterk verwaarloosd is. In het koloniale tijdperk hebben we allereerst de interessante studie van Van Mook over Kuta Gede (kunstnijverheid).[15] Daarnaast zijn van meer indirect belang de verschillende onderzoeken naar de toestand in Indonesische industrieën – batik, kretekstrootjes bijvoorbeeld – naar de economie van bepaalde gebieden en dergelijke.[16] Het beeld van de ondernemer blijft daarbij vaag; iets wat ook geldt voor de studies van de islam en zijn voornaamste dragers.[17] Na de oorlog heeft Geertz opnieuw de lijn van Schrieke opgenomen en de santrizakenman in Modjokuto (Parè) beschreven, terwijl Castles op een sociaalhistorisch zeer relevante wijze de sigarettenfabrikant te Kudus bestudeerde.[18] Het zo vitale Sumatraanse ondernemerdom, dat toch ook op Java al geruime tijd een rol speelt – zie bijvoorbeeld de studie over de Batakondernemer door mevrouw Clark – is in de moderne Indonesianistiek veel slechter uit de verf gekomen.[19] De studies van Taufik Abdullah en van Esmara over de Minangkabau leveren op dit punt weinig op, evenals de regionale overzichten in het Bulletin of Indonesian Economic Studies.[20] Geertz heeft voor Java enkele interessante processen aangegeven vanuit het laatkoloniale tijdperk naar de jaren ’50: enerzijds de tendens naar een gedeeltelijk samenkomen van het meer dynamische stedelijke santrikapitaal vanuit de Pasisirsfeer met het oude agrarische land- en geldkapitaal vanuit de dorpssfeer; en aan de andere kant een min of meer duidelijke differentiatie tussen grootsteeds (Pasisir) kapitaal met sterk modernistische neigingen, de santri-ondernemertjes in de Kauman van de provinciesteden en de ouderwets specifiek Javaans-orthodoxe grondbezittende santri op desaniveau. Een hoogtepunt bereikt deze ontwikkeling in de boom van de late jaren ’20. In de grote crisis blijkt duidelijk de buitengewone zwakte van het santrikapitaal op Java, dat krachtig door het Chinese achteruit gedrongen wordt.[21] Buiten Java houdt het zich veel beter staande. Hoewel het niet direct een sector is met kapitaalsinvesteringen van enige betekenis, is het toch interessant dat de rubberproductie van “smallholders” die van de Europese landbouwondernemingen dreigde te overvleugelen. Tijdens de crisis van de jaren ’30 kon zij slechts door discriminerende dwangmaatregelen in het kader van de rubberrestrictie enigszins worden teruggedrongen.[22] Nadere en liefst ook vergelijkende studie van het Indonesische kapitaal, met name in die gebieden waar van een iets minder dominante rol van het Chinese kapitaal sprake is, zou moeten worden verricht om een beter zicht te krijgen op de Indonesische ondernemer buiten de belastende Aziatische erfenis. Interessant is overigens dat vooral op West-Java tijdens de jaren ’30 het kleine ondernemerdom zich in de breedte uitbreidde.[23]

Door de uitschakeling, respectievelijk terugdringing van het buitenlandse kapitaal sinds 1942, kreeg het Indonesische iets meer speling. Sutter constateert een opgang in de particuliere Indonesische industrie in de periode 1950-1955.[24] De Indonesianiseringsgolf tijdens de Geleide Democratie heeft allerlei Indonesische ondernemingen in het leven geroepen die vaak meer in het verlengde liggen van bureaucratische machtsposities, dan dat zij een krachtige impuls gaven aan het particuliere niet-Chinese kapitaal.[25] Onder de Nieuwe Orde is deze sterke etatistische expansie enigszins ingeperkt.[26] De grote speelruimte voor het buitenlands kapitaal werkte echter nog nadeliger uit voor verschillende sectoren van het particulier Indonesisch bedrijfsleven.[27] Een opgaande lijn van de Indonesische particuliere industrie is niet te verwachten. Een grotere bijdrage tot de scheiding van arbeidskracht en productiemiddelen wordt geleverd door de verschillende typen overheidsondernemingen, de buitenlandse en de gemengde bedrijven. De huidige, veelal kapitaalintensieve, buitenlandse investeringen zullen weliswaar op korte termijn geen spectaculair effect sorteren in het proces van klassendifferentiatie; de werking zal als factor in het totale proces van penetratie der geldeconomie in de gehele Indonesische maatschappij met de sociale gevolgen daarvan, echter indirect, nu waarschijnlijk al, van grote betekenis zijn.[28]

Geruime tijd was de Maleis-Indonesische zone het meest intensief van buitenaf geëxploiteerde gebied van Zuidoost-Azië. Zeker in absolute kwantitatieve zin lag de stedelijke ontwikkeling hier boven het Zuidoost-Aziatisch gemiddelde. Dat is vooral het geval met Maleisië-Singapore. Hoewel de Indonesische urbanisering duidelijk daaronder valt, en relatief ook nog iets lager ligt dan in de Filipijnen (door de “primate city” Greater Manila), is met name de Javaanse stedelijke ontwikkeling in het kader van de gehele economische groei niet gering te noemen.[29] Op dat eiland concentreerden zich ook (op den duur) de industriële productiebedrijven, het transport, de handelsondernemingen en banken, de bedrijfskantoren, de overheidsdiensten en het onderwijs.

Bij de volkstelling van 1930 kon op Java en Madura een min of meer stedelijke miljoenenmassa worden geregistreerd: 3.549.103. Op een totaal van 14.438.434 Indonesische beroepsbeoefenaren waren er ruim 6.000.000 buiten de inheemse landbouw, veeteelt en visserij werkzaam, met 1.655.491 in de nijverheid (circa 11,5%) 26.858 in de mijnbouw en 992.151 in de grote landbouwondernemingen en het boswezen. Voor heel Indonesië telde men 2,1 miljoen in de nijverheid op een totaal van 20 miljoen beroepsbeoefenaren in 1930, terwijl Sitzen een decennium later op een totaal van 22.000.000 beroepsbeoefenaren schattingen deed van een 2.500.000 in kleine bedrijven, ruim 300.000 in fabrieken, 600.000 in de mijnbouw, naast 4.600.000 in handel, transport, administratieve en andere niet-agrarische beroepen.[30]

Gecombineerd met de reeds genoemde differentiatietendenties in de Indonesische landbouw geven deze cijfers een hoogtepunt weer van het effect der kapitalistische penetratie in het koloniale tijdperk (dat zeker boven het Zuidoost-Aziatisch gemiddelde zal hebben gelegen).

Terwijl de stedelijke ontwikkeling zich continu voortzette – 9.807.308 op Java en Madura in 1961 – was dit, zeker tijdelijk, minder het geval met de niet-agrarische productie en de daarbinnen tewerkgestelden.[31]

Het Report on labour force sample survey in Java and Madoera geeft voor 1958 op een stedelijk werkzame bevolking van 2.620.000, 610.000 in fabrieken, en 340.000 in het bouwbedrijf, de nutsbedrijven en het transport; en op een agrarisch werkzame bevolking van 23.945.000: 6.960.000 arbeiders, waarvan 2.675.000 niet-agrarisch werkzaam en 798.000 in de industriële productiesector (alle categorieën).[32]

De daling in de betekenis van de industriële sector liep zeker van de tweede wereldoorlog tot in de jaren ’60, waarna – vermoedelijk sinds circa 1966 – een nieuwe opgang inzette. In Sundrums vergelijking van de cijfers van 1961 en 1971 zien we een stijging van 1.463.000 in de industrie (ambachtelijke productie inbegrepen) op Java (heel Indonesië: 2.932.000 = 7,4%). Als bij de mijnbouw, de industrie en de nutsbedrijven ook nog het bouwbedrijf, het transport en andere communicatiemiddelen worden opgeteld, komt men op hogere cijfers (tegen de 2,5 miljoen voor 1961). De honderdduizenden arbeiders in de handel en de witteboordwerkers in de dienstensector (in 1961 meer dan 2.300.000) komen daar dan nog bij voor de massa der niet-agrarische loontrekkenden (vergelijk transport 207.225 en overheidsdiensten 376.881 in 1930).[33]

Sundrum wijst daarbij op het interessante verschijnsel van een sterke groei van het aantal industrieel werkzamen buiten de stedelijke zones; een tendens die een extra stimulans vormt voor de reeds genoemde ontwikkelingen op het platteland in de richting van een meerderheid van loonafhankelijken/niet-bezitters.[34]

De geschiedenis van de Javaanse en Indonesische arbeidersklasse in ruime zin, die nu het punt gaat naderen waar zij de meerderheid van de grote massa der werkenden gaat omvatten, moet nog worden geschreven. Daarbij zal de langdurige discrepantie opvallen tussen de betrekkelijk grote omvang voor Zuidoost-Aziatische verhoudingen en de zeer beperkte kracht om zich als afzonderlijke klasse te manifesteren. Dit hing samen met de sterke versnippering en de scheiding stad-land; met de bindingen aan het platteland; en met het feit dat een groot percentage arbeiders in de Indonesische industriële productie uit vrouwen bestond.[35] Verder woog en weegt het feit zwaar, dat een buitengewoon groot deel van alle grote bedrijven en andere instellingen met concentraties van arbeidskrachten, hetzij buitenlands of Chinees bezit waren of nog zijn, hetzij zich in handen van de overheid bevinden (of tegenwoordig ook een “gemengd” karakter hebben), terwijl de puur Indonesische particuliere sector nog een sterk ambachtelijke inslag heeft.[36] Ook vormde het groeiende arbeidsreserveleger een remmende factor.[37] De arbeidersklasse in engere zin liep geleidelijk over in groeiende massa’s van werklozen en paupers, van stedelijke plebeïsche elementen enerzijds en het agrarische semi- en subproletariaat aan de andere kant; massa’s die sneller in omvang toenemen dan de proletarische kern.[38] Wat het ontstaan van een belangrijk deel van de arbeidersklasse betreft, heeft Geertz voor “Modjokuto” het proces van overgang van niet meer aan de dorpsgemeenschap gebonden elementen, naar de status van volledige stadskampongbewoners, ambachtelijke werkers, loontrekkers bij de spoorwegen, koelies e.d. aangegeven; dat wil zeggen de genese van de kleinsteeds Indonesische arbeidersklasse.[39]

Bij de Javaanse elites, in de bureaucratische en intellectuele neoprijaji sfeer, deden zich ook belangrijke veranderingen voor. In de eerste plaats al wat de omvang van deze wereld betreft. In de gegeven specifieke maatschappelijke verhoudingen neigde de gehele apparatuur van de continu sterke staat in principe naar uitbreiding. De inperkingen door de crisisbezuinigingen in de jaren ’30 en de verschillende aantastingen van de positie van de pamong pradja (de bestuursdienst), vormden geen principiële doorbreking van deze tendens. Het Nederlandse gouvernement ontwikkelde een naar koloniale verhoudingen omvangrijk overheidsapparaat, dat sinds de onafhankelijkheid alleen maar in versneld tempo uitgroeide, zoals hierboven reeds werd aangegeven.

“Aziatische” en algemener aristocratische tradities, sterke vooroordelen tegen ondernemersactiviteit en arbeid van technische en manuale aard, alsook de zeer geringe perspectieven voor opklimming in de particuliere ondernemerssfeer werkten in de hand, dat de overweldigende meerderheid van het intellect op alle niveaus werd opgezogen door het overheidsapparaat en de daarmee min of meer verbonden politieke instellingen. De reeds prekoloniaal gegeven potentie tot hypertrofiëring van de staatsmacht, kwam na 1949 krachtig tot uitdrukking. Principieel onveranderd bleef daarbij het feit dat de beslissende sector van de Indonesische heersende (voor 1945 tijdelijk medebesturende) klassenlagen, zijn sociale basis vond in zijn bureaucratische, of in elk geval van de staat afhankelijke positie, en niet in zijn bezit aan kapitaal. De behoefte aan geschoolde Indonesische krachten werd in de eerste decennia van de 20e eeuw ingeperkt door het betrekkelijk grote aanbod van Nederlandse en Euraziatische krachten. Dit was een van de redenen waarom de ontwikkeling van het onderwijs voor Indonesiërs opvallend langzaam verliep. Op middelbaar en hoger vlak was die ontwikkeling, zowel in relatie tot de bevolkingsgrootte als vergeleken met de Filipijnen, Vietnam en Birma, nogal bescheiden. Niettemin nam de vraag naar westers opgeleide krachten sinds het begin van de imperialistische fase continu toe, waarmee een meer dan evenredig aanbod van min of meer intellectueel gevormden werd opgeroepen.[40] Binnen deze uitdijende wereld kunnen een aantal onderscheidingen worden aangebracht. De hogere prijaji’s bleven in het koloniale tijdperk de hogere functies in de Indonesische bestuursdienst beheersen en waren daarmee nauw gebonden aan het koloniale bestel.[41] Hun traditionele conservatisme verhinderde overigens niet dat zij vaak een grote souplesse aan de dag legden ten opzichte van de grote veranderingen in de machtsverhoudingen sinds 1942. Deze monopolisering van (goedbetaalde) bestuursposities door de regentengeslachten werkte in elk geval in de hand, dat de lagere prijaji’s zich als eerste Indonesische sociale laag op de nieuwe mogelijkheden van het westers onderwijs wierpen. Zij leverden de eerste lichtingen op van modern geschoolde kaders voor de groeiende en zich specialiserende overheidsdiensten, alsook in tweede instantie voor de particuliere witteboordsector en de vrije beroepen. Deze kringen brachten ook de eerste generaties van nationalistische politici voort.

Hoe beperkt ook de onderwijsfaciliteiten en nog meer de betrekkingen voor Indonesiërs waren, bleek er al spoedig, en wel reeds voor de Eerste Wereldoorlog, enige speling te bestaan voor ambitieuze jongeren uit lagere, te weten beter gesitueerde abanganmilieus (onder andere dorpsautoriteiten). Van hieruit werd geleidelijk aan een toenemende bijdrage aan de ontwikkeling van de intelligentsia in ruime zin geleverd.[42]

Enerzijds werd dit element min of meer geabsorbeerd in de sociaal-culturele sfeer van westers opgeleide (meest lagere) prijaji. Aan de andere kant werd op den duur het niet-aristocratische aandeel in de nieuwe intelligentsia zo groot, dat van een nieuwe laag van “neoprijaji” kon worden gesproken.[43]

Sinds de Japanse tijd en de revolutie drongen deze neoprijaji krachtig naar voren in de politieke en ook ambtelijke regionen, zonder daarmee overigens het oudere prijaji-element geheel te elimineren. De opbouw van de strijdkrachten in en na de revolutie vormde een nieuw stijgingskanaal voor abangan, die aan de top in een (neo)prijajiseringsproces werden opgenomen. Vooral sinds 1957/1958 en na 1965 dringt het leger als alternatief bestuursapparaat op. We zien dan een gedeeltelijke militarisering van het bestuur en een aantal andere overheidsdiensten; en tegelijkertijd een verburgerlijking of verbureaucratisering van militaire kaders in civiele functies.[44] Dit bracht een wijziging van de traditionele pamong pradja-opzet met zich mee, die nog moeilijk te schatten valt. Van Doorn noemt de parallel tussen de huidige militair-civiele combinatie en de koloniale neven- en onderschikking van Nederlands en Indonesisch binnenlands bestuur.[45]

Een zeer recent sociaal verschijnsel werd gevormd door de militaire en civiele managers van de sinds 1959 genationaliseerde (of na 1966 gedeeltelijk ontnationaliseerde) bedrijven; een materieel geprivilegieerde vleugel van de bureaucratische elite met zowel een comprador als een technocratische inslag.[46]

Andere onderscheidingen waren (en zijn) die in opleidingsniveau, graad van Javanistische en westerse oriëntering, en civiele of militaire positie. Aan de top van de scholingshiërarchie functioneerde, met name sinds de jaren ’20, het zeer kleine grootstedelijke wereldje van academisch, middelbaar of op daarmee vergelijkbaar niveau gevormden; zij zouden zeer lang, ook na de oorlog en in de revolutie een zeer grote rol in het politieke leven spelen.[47] De basis werd gevormd door alle overigen met enige westerse of daarmee enigszins gelijkstaande moderne scholing (boven het peil van de volksschool in de desa); een laag of lagen, die sinds de laatste periode van de Japanse bezetting een snel groeiend aantal kaders zou leveren voor de Indonesische staat en het leger. Dit laatste, overwegend uit abanganmilieu voortgekomen, was begrijpelijkerwijs voor een niet onaanzienlijk deel vrij sterk Javanistisch georiënteerd. De stijgende graad van opleiding betekende overigens niet een dienovereenkomstige verzwakking van het Javanisme ten gunste van een uitgesproken westerse oriëntering. Binnen de intelligentsia liep een heel scala tussen de uitersten van beide.

In dit spectrum zijn enkele raakvlakken aan te geven met de meer islamitisch georiënteerde intelligentsia op Java en daarbuiten en met de sociale lagen en klassen waarmee deze verbonden zijn. In de minder ontwikkelde, dunbevolkte en maatschappelijk opener streken van de buiteneilanden, bestonden beslist ook tegenstellingen tussen adathoofden/vorsten en islamitische leiders. Deze namen soms een veel heftiger en gewelddadiger vorm aan dan op Java.[48] Een sociaal-culturele dichotomie met de diepgang van de Kedjawèn was er, zoals reeds opgemerkt, niet. De traditionele hoofden en vorsten stonden iets minder ver van de moslimse voorgangers af dan de Javanistische prijaji van de kjai, terwijl de dragers van de islam een minder marginale positie innamen. De uit deze kringen en uit verwante welvarende (en modernistisch moslimse) milieus van grondbezitters en handelaars-ondernemertjes voortgekomen intelligentsia vertoont voor een deel een meer burgerlijk aandoende westerse oriëntering die ook voorkomt bij een minderheid van de (neo)prijaji intelligentsia; een minderheid die het sterkst vertegenwoordigd wordt op West-Java. Deze lagen vonden elkaar in organisaties als de Masjoemi en de Muhammadiyah die in de Minangkabau een sterk bolwerk hadden.[49] Daartegenover stond op Sumatra de traditionalistische moslimse elite, deels georganiseerd in de Perti, parallel aan de Javaanse organisatie van antimodernistische moslims (NU).[50] Waar de Javaanse Pasisir in het algemeen de schakel vormt tussen Java en de buiteneilanden, is dat met West-Java ook enigszins het geval; over het geheel genomen veel lichter geïndianiseerd en sterker geïslamiseerd dan de Kedjawèn, met als kern de Parahyangan, geen deel van de Pasisir zoals Banten, maar een betrekkelijk jong en tot in de 20e eeuw nog minder ontwikkeld “frontier”gebied, in sommige opzichten verwant aan bepaalde buiten-Javaanse “swidden”achterlanden van de Pasisir, zij het vanuit niet-Javanistische en niet-islamitische moderne centra als Jakarta en Bandung (bronnen voor het ontstaan ook van een ethnisch minder gebonden nationale intelligentsia) veel intensiever westers beïnvloed. Kortom, een voedingsbodem, niet alleen voor een wat opener bezitsdifferentiatie dan in de Kedjawèn maar ook voor het ontstaan van iets krachtiger quasi-burgerlijke lagen van modern islamitische zakenlieden en intellectuelen, alsook van een sterk seculiere, niet-Javanistische en niet-islamitische intelligentsia, waaruit het huidige type technocraat kon voortkomen: een moderne versie van Feith’s “administrators” zowel in civiele als in militaire gedaante.[51]

Al met al waren deze iets meer burgerlijk-westers geöriënteerde elementen te zwak om de traditioneel marginale positie van het (voornamelijk santri)particuliere kapitaal kwalitatief vooruit te helpen brengen. Van de voornamelijk door Javaanse (neo)prijaji-elementen beheerste staatsbureaucratie vielen in die zin geen krachtige impulsen te verwachten.

De nationalisaties van 1959 en 1962-63 versterkten alleen de bureaucratische elites, de politieke en vooral de militaire, zonder de afhankelijkheid van het buitenlandse kapitaal wezenlijk te verminderen.

Het streven om het vitale Chinese bedrijfsleven een Indonesischer karakter te geven, faalde. En voor zover vanuit het dominerende staatsapparaat krachtige beschermende maatregelen werden genomen in de formeel particulier Indonesische sfeer, leidde dit vaak tot het kunstmatig scheppen van niet productieve (met name import)ondernemingen en andere verregaand van de staat afhankelijke bedrijven; ruim genomen verlengstukken van de neoprijajibureaucratie, die samen met de genationaliseerde bedrijven een basis vormden voor de vorming van nieuwe compradorelementen, meestal zonder directe verbindingen met het oudere santri-ondernemerdom, soms wel gelieerd met het Chinese zakenleven, en vergaand afhankelijk van het buitenlands kapitaal. Hoewel de Pertaminamagnaat generaal Ibnu Sutowo een betrekkelijk eenzame top vormt, illustreren zijn faits et gestes wel de sociaalhistorische betekenis van dit nieuwe bureaucratisch compradorendom: het geeft eindelijk aan Indonesië een kristallisatiepunt, een zichtbare autochtone kern van een tegelijk heersende en bezittende klasse, die zolang ontbrak.[52]

Essentieel is hoe dit gehele veranderingsproces uitwerkt op het platteland. In het algemeen is in de meeste oorspronkelijk “Aziatische” gebieden een spectaculaire ontwikkeling van grootgrondbezit uitgebleven. Er zijn natuurlijk belangrijke verschillen, vooral tussen de bezitsconcentratie in Zuid-China (ook een sawahgebied) en Java. Dit contrast mag echter niet leiden tot een onderschatting van de betekenis van de langzame gang van de grondbezitdifferentiatie, zoals dat veelal voor 1965 het geval was. Om te beginnen is het proces van individualisering van communaal grondbezit in de Javaanse desa en de ontwikkeling van tegenstellingen tussen geprivilegieerde kerndorpers en overige boeren al ettelijke eeuwen oud. Dit proces zal zeker een impuls hebben ontvangen van de internationale moslimse handels- en geloofsexpansiegolven sinds de 14e/15e eeuw. Een duidelijk beeld van de agrarische ontwikkeling op dit punt is er echter niet voor de eerste eeuwen van voornamelijk handelskapitalistische beïnvloeding.[53]

In “De ontsluiting van Java’s binnenland voor het wereldverkeer” heeft Burger de penetratie van het Javaanse platteland sinds circa 1800 beschreven. Belastingheffing brengt verkoop van producten van de boer teweeg, waarbij desahoofden en Chinezen nog een grote rol spelen. Tijdens het cultuurstelsel werden wel dwangmethoden gebruikt als onder de VOC, maar men drong economisch en bestuurlijk veel dieper door in de Javaanse maatschappij; de late opbloei van de particuliere cultures wordt voorbereid. Europese ondernemers kregen direct contact met de bevolking en een begin werd gemaakt met de directe rekrutering van loonarbeid. Met de hervormingsperiode 1860-1870 zet een etappegewijze afschaffing van de herendiensten (overigens pas 1916 voltooid) in. De arbeid wordt vrijgemaakt door opname in het economisch verkeer. In de 20e eeuw gaan contractuele verhoudingen overheersen. Dorpshoofden blijven overigens een rol spelen. Een dergelijk proces doet zich ook voor ten aanzien van de grond. Verhuur en andere overeenkomsten worden geleidelijk in de 20e eeuw losgeweekt uit de traditionele gebondenheid. Vooral bij nieuw uitgegeven gronden worden individualistische rechten bevorderd. Deze opgaande lijn van economische penetratie wordt overigens door de crisis van de jaren ’30 wel doorkruist. Burgers beeld is veel te vloeiend en doortrokken van ethisch-liberale ontwikkelingsillusies, maar blijft bruikbaar als historisch overzicht van het penetratieproces. In dat kader moet dan wel de versnelling en verdieping in het tijdperk 1900-1914 zwaarder benadrukt. Wat de gevolgen betreft voor de Indonesische agrarische verhoudingen in termen van bezit en daarmee verbonden macht, hebben we eigenlijk geen overzichten, ook al heeft Utrecht veel waardevolle gegevens en literatuurverwijzingen bijeengebracht.

Mede op grond van de gegevens van het Eindresumé geeft Van Vollenhoven (1918) voor Java de volgende differentiatie: de kerndorpers, zij die woonerven en akkers bezitten, die ook lusten en lasten daarvan hebben; de bijwoners, zij die geen akkers bezitten, hetzij woonerfbezitters, met eigen huis op een anders erf; de kostgangers, of inwonenden die van lusten en lasten nagenoeg uitgesloten zijn.[54] Kennelijk een zeer oude tegenstelling. Het mindere-welvaartsonderzoek levert indicaties van tendenties naar middelgroot en grootgrondbezit, allereerst in de Parahyangan; toegeschreven aldaar aan “aankoop door landgenoten, voor een deel ook door ontginning door vrijwillige beplanting met koffie, door spoliatie en door het gebrekkige kredietwezen”; daarnaast in mindere mate ook in Ngawi en Jombang.[55]

De Parahyangan vertoonde tot in de 20e eeuw nog swiddentrekken. Het was, zoals gezegd, een ruim, open frontiergebied vergeleken met de Kedjawèn. Bovendien een gebied waar de westerse invloed veel vroeger het binnenland indrong, zij het met intens gebruik van de regenten die tijdelijk in hun positie werden versterkt. Communale verhoudingen waren hier zwak en particulier grondbezit reeds vroeg verbreid, net als in Atjeh.[56] Meyer Ranneft en Huender komen in hun onderzoek naar de belastingdruk (1926) met gegevens die een duidelijker licht op de situatie werpen (zie blz. 187).[57] Uitgaande van dezelfde indeling geeft het rapport Sumatra’s Westkust vergelijkbare gegevens voor een meer ontwikkeld deel van de “buitengewesten”: de Minangkabau.[58] Op grond van een vergelijking van de percentages personen die in relatie stonden tot de wereldmarkt, concludeerde Rutgers tot een grotere doorbreking van neokapitalistische structuren in West-Sumatra.[59] Aanknopend bij Schrieke en parallel aan Rutgers suggereert Geertz “This mentality (de economische mentaliteit van het vroege kapitalisme zoals door Weber en Sombart in Europa werd geconstateerd) has had its customary sociocultural accompaniments: increasing flexibility of landtenure, growth of individualism and slackening of extended family ties; greater class differences and conflict intensified opposition between young and old, modern and conservative, weakening of traditional authority and wavering of traditional social standards and even the growth of Protestant ethic religious ideologies”.[60]

Als we in overweging nemen dat de meeste grote sociale explosies sindsdien op Java plaatsvonden, ligt hier een contradictie. Gedeeltelijk is deze te wijten aan Geertz’ onderschatting van het objectieve klassendifferentiatieproces op Java die vooral af te lezen valt van het grote percentage dat toen al op weg was een nauwelijks iets bezittende massa te vormen. Deels ligt het ook aan zijn overschatting van de potenties van dat proces in de Minangkabau, dat we al eerder in een iets ander verband aan de orde stelden. Afgezien nog van de feitelijke absolute en kwalitatieve zwakte van de kapitalistische krachten ter plaatse, onderschatte Geertz ook de betekenis van de geringe omvang van de bevolking en de provinciaalse verhoudingen van het gebied. De geringe bevolkingsdichtheid en -groei (gedeeltelijk ook door de emigratietraditie van jongemannen) en de relatief grote ruimte hielpen een snelle verscherping van sociale tegenstellingen op het platteland en daarbuiten voorlopig nog voorkomen. Bovendien was de druk van de buitenlandse penetratie en van het centrale apparaat geringer dan op Java. Daar waren en zijn de objectieve tegenstellingen groter, evenals de sociale versluieringen daarvan. Het zou wellicht nuttig zijn met behulp van bijvoorbeeld de tegenstelling Kedjawèn – Minangkabau de verschillende gebieden van Indonesië op continua te plaatsen naar de criteria van: de doorwerking van communale resten (respectievelijk van genealogisch bepaalde boven individuele of boven de “nuclear family” uitgaande sociale structuren) vooral wat betreft het grondenrecht; en van de tendenties naar grondbezitsconcentratie en depossedering; en dat liefst op verschillende tijdstippen waarvoor materiaal ter beschikking ligt: bijvoorbeeld de jaren ’20 en de periode sinds de nieuwe agrarische basiswet van 1961. Nadere situering van een aantal belangrijke zones is vooral gewenst: de verschillende delen van de Kedjawèn (met zijn sterke territoriale basis in de dorpsgemeenschap), de “vorstenlanden” met hun combinatie van Aziatische achtergrond, extra zware vorstendruk, vroege uitholling van dorpsautonomie en communale rechten en tevens vroege penetratie van eerst santri en daarna westers kapitaal; de overige Kedjawèn, Midden-Java met zijn langdurige handhaving van de greep der prijaji’s op de dorpsmassa en aan de andere kant de gedeeltelijk recenter ontwikkelde Oost-Javaanse zone, waar ook nog enigszins de invloed voelbaar is van de in die provincie tot diep in het binnenland doordringende Pasisirzone. Vervolgens laatstgenoemde zone vanaf de specifieke “oosthoek” Besuki over de Pasisirkernen Pasuruan, Sidoarjo, Surabaya en Tuban naar de Middenjavaanse Noordkust tot en met het Ciribonse. Afzonderlijk komt dan het sinds de 17e eeuw krachtig opengebroken gebied rond Jakarta. Wat de Javaanse Pasisir betreft tenslotte Banten, dat tot op zekere hoogte een overgang vormt naar de buiten-Javaanse kernkustgebieden met hun “swidden”- en ladangachterland. Een hoofdstuk apart vormt de Parahyangan dat een combinatie van ecologische en maatschappij-historische trekken vertoont: Javaanse, swidden, Pasisir, intensieve westerse invloeden. Buiten Java zijn, afgezien van West-Sumatra, in elk geval essentieel: Atjeh, Centraal Sumatra en daarbinnen het oude Deli met zijn veelvoudige frontierkarakter en koloniaal- pluralistische erfenis; Zuid-Sulawesi en de Minahasa.[61]

We trekken hier slechts enkele ontwikkelingslijnen door naar Java. Na 1949 heeft Ten Dam de meest uitgesproken tendenties ten aanzien van grondbezit- en klassendifferentiatie in een deel van de Parahyangan geanalyseerd, die het tegendeel vertegenwoordigen van sociale involutie.[62] Ina Slamet en Ernst Utrecht gaven daarna bredere overzichten over agrarische ontwikkelingen op Java.[63]

Daaruit kunnen we allereerst de progressieve inkrimping en verdwijning zien van het oppervlak aan communale gronden (met vaste of wisselende aandelen). Voorts een verdergaande fragmentatie en een bezitsconcentratie in handen van personen die de grond zelf niet bewerken en die gedeeltelijk niet van lokale herkomst zijn. De desa wordt steeds meer opengebroken ook door benoemingen van autoriteiten van buitenaf.[64]

Paradoxaal genoeg vergemakkelijkt de nieuwe agrarische basiswet van 1961, die de koloniale wetgeving van 1870-1871 moet vervangen ter bescherming van de kleine boer, dit proces tot op zekere hoogte. Voor zover de landhervorming een rem op verdere bezitsconcentratie en onteigening vormde, werd dit na 1965 goeddeels ongedaan gemaakt.[65] Onder de Nieuwe Orde trad er een versnelling van het maatschappelijk differentiatieproces in onder nieuwe impulsen: technische en organisatorische vernieuwingen ter verhoging van arbeids- en bodemproductiviteit zoals het BIMAS-project (onder andere kunstmest enzovoort, pakketten op krediet), de invoering van de sikkel en de mechanisering van de hele rijstverwerking, nieuwe coöperatie-initiatieven, inschakelen van opkopers/middelaars bij de oogst. Deze vernieuwingen kwamen, samen met oudere tendenties naar grotere afhankelijkheid der zwakken door verschulding en dergelijke, in het algemeen de beter gesitueerde boeren en grotere grondbezitters en dorpsautoriteiten ten goede. Daartegenover nam niet alleen de massa van afhankelijke keuterboertjes en deelbouwers toe, maar ook die van niet-bezitters, landarbeiders, werklozen en paupers.[66] Penny en Singarimbun hebben voor het dorp Sriharjo even ten zuiden van Jogjakarta dit proces nader beschreven met het accent op de verpaupering. Booth deed dat voor Klaten in het Solose; waar de tegenstelling tussen landloosheid (30% van de agrarische gezinnen) en bezitsconcentratie meer gemarkeerd is.[67] Sajogyo’s beeld is eigenlijk nog somberder: door schuld gebonden kleine boeren beconcurreren landloze landarbeiders door voor beduidend lagere lonen te werken; het getal van een circa 7.000.000 gedeeltelijk werklozen groeit door het grote aantal dat jaarlijks aan het arbeidsleger wordt toegevoegd; het loonniveau vertoont een neiging om te dalen in termen van percentages van de oogstopbrengst.[67a]

Duidelijk is in elk geval dat de oude coöperatieve dorpsgemeenschap is verdwenen en ook de “shared poverty” van Geertz: “The farmers that can least afford to give the most (aan de oogstarbeiders) confirmation that while the poor are still good at sharing their poverty, the rich are no longer much good at sharing their wealth”, merkte een antropoloog op.[68]

Het zou onjuist zijn te suggereren dat met al deze ontwikkelingen de bodem wegvalt van de oude en telkens opnieuw bevestigde socioculturele en etnische tegenstellingen rond de centrale Javaanse dichotomie, santri en abangan (+ (neo)prijaji) en de bredere tegenstelling tussen moslimse Pasisir in ruime zin en Kedjawèn/Java; maar de objectieve voorwaarden worden geschapen voor een verzwakking van verticale bindingen van sociaal-culturele (inclusief religieuze, etnische en regionale) aard. Geertz heeft met materiaal uit het begin van de jaren ’50 een schematische indruk gegeven van de trias abangan – prijaji – santri in de vorm van een sociaal-hiërarchisch “paradigma”, (zie blz. 188).[69] Het veranderingsproces brengt geleidelijk een vereenvoudiging van de sociaal-culturele verhoudingen met zich mee, die we uiterst globaal zouden willen aangeven.

Tendentieel worden de horizontale sociale scheidslijnen belangrijker dan de verticale. Dit wordt niet alleen bevorderd door het objectieve maatschappelijke ontwikkelingsproces (met name de versnelling van de kapitalistische penetratie onder de Nieuwe Orde), maar in tweede instantie eigenlijk ook door de terugdringing van de politieke partijen en de aliranstructuren.[70]

Aan de top is er een verduidelijking ontstaan door de zichtbare concentraties van politieke, economische en militaire macht bij een kleine laag militaire en civiele bureaucratische compradoren (waarin santri’s zeer zwak vertegenwoordigd zijn). Dan volgen particuliere en militair- en civiel-bureaucratische middenlagen; particuliere, waarin de santri’s traditioneel sterk zijn maar vermoedelijk met een nu niet meer te verwaarlozen aandeel van christenen en Javanisten; en niet-particuliere, waar de santri’s (behalve op lokaal vlak) sterk in de minderheid zijn, verhoudingsgewijs.[71] In de min of meer proletarische onderlagen – de laatstgenoemden in de overheidssector horen natuurlijk ook tot de loontrekkende arbeidersklasse – bevinden zich in een proces van massavorming met op Java de abangan zeker niet minder als dominant element dan in Geertz’ Modjokutotijd.

Mede in het kader van een weliswaar langzaam maar onvermijdelijk voortgaande secularisatie zal zich de verdere ontwikkeling van de feitelijk proletarische massa als afzonderlijke sociale categorie vermoedelijk min of meer rond, en in elk geval in relatie met dit element, voltrekken. Daarbij onderschatten we de potentiële betekenis van de santrimassa die zeker niet eindeloos in een confessioneel-communalistisch isolement kan worden gehouden, niet. Een feit is wel dat de grote sociale tegenpool van alle geprivilegieerde lagen en klassen de abanganmassa was. Dit element heeft ook in 1965-1966 de grootste slagen moeten inkasseren.[72]

Een groot probleem voor de ontwikkeling van een autonome sociale identiteit voor deze kern van de Indonesische massa, was de gecompliceerde veelfrontenpositie waarop zij objectief en subjectief stond: tegenover de santrigrond- en kapitaalbezitters met hun kleineluidenaanhang; tegenover de prijaji en abangan bezitters in het dorp; tegenover de tegelijkertijd als paternalistische overheidsleiding traditioneel aanvaarde en als centrale onderdrukker ervaren (neo)prijaji bureaucraten (en de latere militaire autoriteiten); en vroeger ook nog tegenover de Chinese “middlemen”.[73]

De explosie van 1965 maakte duidelijk dat er zich al een kwalitatief sociaal vereenvoudigingsproces had voltrokken ondanks alle streven in tegenovergestelde richting; en wel rond de centrale Javaanse as: militaire- en civiel-bureaucratische elites (althans essentiële delen daarvan) met hun sociale bondgenoten (de confessionele middenstand) en de abanganmassa. Dit proces is daarop versneld. Anderson kon daarom in 1973 zeggen: “... we observe the articulation of a fully Indonesian class structure both in the countryside (with the abandonment of landreform and agrarian redistribution since 1965, landlordism and debt bondage have notably accelerated) and in the larger cities (where a weak, parasitic, but visibly prosperous indegenous middle class has emerged)”.[74] Geenszins zicht dus op een echt kapitalistische “growth”, maar wel op groei van maatschappelijke contradicties die een voorwaarde vormen voor veranderingen van kwalitatieve aard. Met dat al komt de externe veranderingsfactor op lange termijn – de invloed van internationale sociale en politieke polariseringstendenties – potentieel anders te liggen dan dat bij vorige fasen van hun inwerking het geval kon zijn.

_______________
[1] Levine, History, in: Indonesia, 7, April 1969, pp. 5-19.
[2] Allen and Donnithorne, Western enterprise; Boeke, Economie; Boeke, The evolution; Burger, De ontsluiting; Furnivall, The Netherlands Indies; Sitzen, Industrial development; Rutgers, Indonesië; Gonggrijp, Schets; Broek, Economic development; Paauw, From colonial to guided economy, in: Indonesia; pp. 155-247. Verder de regelmatig sinds 1956 in BIES verschijnende Survey of recent developments.
[3] De Kat Angelino, Staatkundig beleid, II; verschillende gedenkboeken als Gedenkboek van Nederlandsch-Indië, 1923; Nederlandsch-Indië, 2 dln, 1929; Hecht verbonden, 1946; Wat Indië ontving, 1946; Balans van een beleid, 1961; Verder: Vlekke, Nusantara; The effect of western influence; Wertheim, Indonesian society; Bastin and Benda, A history; Benda, Continuity. Voor het onderwijs: Brugmans, Geschiedenis van het onderwijs; Het onderwijsbeleid.
[4] Van Niel, The emergence, hfdst. 2.
[5] Voor de economie tijdens de jaren 1945-1949: Sutter, Indonesianisasi, I-II; Voor de revolutie: Kahin, Nationalism, hfdst. 5 e.v.; Wehl, The birth of Indonesia; Anderson, The pemuda revolution.
[6] Feith, The decline, hfdst. 9 e.v.; Lev, The transition; Hindley, The Communist Party.
[7] Paauw, From colonial to guided Indonesia, in: Indonesia, pp. 157 e.v.
[8] Peper, Grootte en groei, pp. 117-118. Voor kritiek op Peper, Wertheim, Critisch commentaar, in: Id., pp. 136-142. Verder Widjojo Nitisastro, Population trends, hfdst. 9 e.v. Zie ook de bespreking door Glassburner, in: Indonesia, 10, 0ct. 1970, pp. 183-189.
[9] Zie verderop in dit hoofdstuk.
[10] Zie hfdstn 3, 4 en 9 (over pluralisme).
[11] Hoewel in de literatuur de koloniale rol in de politieke eenwording van de nieuwe Aziatische staten in voorbereiding (Indonesië inbegrepen) wel wordt genoemd, krijgen de andere koloniale factoren die zekere voorwaarden hielpen scheppen voor de nationale eenheid, minder aandacht. Zie onder andere Fisher, Southeast Asia, pp. 263 e.v. Voor de overgang van een Javano-centrisch naar een meer Indonesische eenheidsoriëntering bij een deel van de opkomende intelligentsia op Java: Blumberger, De nationalistische beweging, pp. 197 e.v., 396 e.v.
[12] Burger, Structuurveranderingen, III; Wertheim is van mening dat deze concurrentietegenstellingen pas laat ontstonden, onder andere met de nieuwe opkomst van het santri-ondernemerdom sinds eind 19e eeuw. Wertheim, The trading minorities, in: East-West parallels, pp. 76 e.v. Na 1900 kwamen overal in Zuidoost-Azië anti-Chinese campagnes op in het kader van “a gradual breaking down of traditional occupational dividing lines”. Van Niel, The emergence, pp. 85 e.v.
[13] Geertz, Islam, pp. 67 e.v.
[14] Schrieke, The causes and effects of communism, in: Indonesian Sociological studies, I, pp. 128-129. Mededelingen omtrent enkele onderwerpen, 1920; Koch, Verantwoording, pp. 108-115.
[15] Van Mook, Kuta Gede, in: The Indonesian town, pp. 287 e.v.
[16] De Kat Angelino, “Batikrapport”, 3 dln; Soerachman, Het batikbedrijf; Darmawan Mangoenkoesoemo, Bijdrage tot de kennis van de kretekstrootjes industrie; Zie ook het oudere werk van Rouffaer, De voornaamste industrieën. Verder: Onderzoek naar de mindere welvaart; Huender, Overzicht; Verslag van den economische toestand der Inlandsche bevolking, 2 dln; Zeilinger, Kapitaal en Kapitaalvorming. Indirecte indicaties voor ondernemersactiviteiten en hun regionale spreiding vindt men onder andere in de werken over het volkscredietwezen (Cramer en Sumitro), over de belastingdruk en de inkomstenbelasting en over arbeidstoestanden. Opvallend is dat er nog zeer weinig literatuur bestaat over de Indonesische handel.
[17] Zie bijvoorbeeld de werken van Snouck Hurgronje: Id., De Atjehers; Id., Ambtelijke adviezen. Voor kritiek op Snouck: Siegel, The rope of God (weinig overtuigend); Wertheim, Elite, pp. 184-185. Vergelijk Van ’t Veer, De Atjeh-oorlog, pp. 190, 250-251, 297-298; Benda, Christiaan Snouck Hurgronje, in: Continuity, pp. 90 e.v.
[18] Geertz, Peddlers, pp. 28 e.v.; Id., The social history, pp. 89, 94; Castles, Religion. Zie verder ook: Hawkins, The batik-industry, en Higgins, Introduction, in: Entrepreneurship, pp. 39-74, en 1-38; Palmer and Castles, The textile industry, in: The economy of Indonesia, pp. 315 e.v. Zie ook Kuntowidjojo, Economic and religious attitudes, in: Indonesia, 12, Oct. 1971, pp. 47- 55 (metaalproducenten in Klaten).
[19] Clark, Batak entrepreneurship.
[20] Taufik Abdullah, Modernization in the Minagkabau world, in: Culture and politics, pp. 179-245; Id., Adat and Islam, in: Indonesia, 2, Oct. 1966, pp. 1 e.v.; Hendra Esmara, An economic survey, in: BIES, Vol. 7, No. 1, March 1971, 32-55. Verder ook: Pasaribu, An economic survey of North Sumatra. In: BIES, Vol. 5, no. 1, March 1969, pp. 34-48 (Noord Sumatra); Boediono, An economic survey of D.I. Aceh. In: BIES, Vol. 10, no. 2, July 1974, pp. 35-55. (Atjeh). Vergelijk voor de verdere outer islands: Makaliwe, An economic survey of South Sulawesi. In: BIES, Vol 5, no. 2, July 1969, pp. 17-36 (Zuid Sulawesi); Ward, An Economic Survey of West Kalimantan. In: BIES, Vol. 10, No. 3, Nov. 1974, pp. 26-53 (West-Kalimantan).
[21] Geertz, The social history, pp. 39 e.v., 49 e.v., 87-106.
[22] De landbouw, I, pp. 409 e.v.; Pelzer, The agricultural foundations, in: Indonesia, pp. 147 e.v.;
Allen and Donnithorne, Western enterprise, pp. 120 e.v.
[23] Wertheim, Indonesian society, pp. 143 e.v.
[24] Sutter, Indonesianisasi, pp. 58-59, 1238 e.v. en passim; Paauw, From colonial to guided economy, in: Indonesia, p. 179.
[25] Id., pp. 220 e.v.; Castles, The fate of the private entrepreneur, in: Sukarno’s Guided Indonesia, pp. 73-88. Het particuliere bedrijfsleven profiteert soms wel van het weinig efficiënt functioneren van overheidsinstanties. Zie bijvoorbeeld de distributie van kunstmest. Kolff, The distribution of fertilizer, in: BIES, Vol. 7, No. 1, March 1971, pp. 56-77.
[26] Zie voor de algemene lijnen van de nieuwe economische politiek: Pangleykim and Thomas, The new order, in: Indonesia, 3, pp. 73-120, en de viermaandelijkse Survey of recent development in het BIES.
[27] Grenville, Survey of Recent Developments. in: BIES, Vol. 9, No. 1, March 1973, pp. 22-23; McCawley, Survey of Recent Developments. In: BIES, Vol. 8, No. 3, Nov. 1972, pp. 31-32; Utrecht, Indonesië’s Nieuwe Orde, p. 98. Een bedrijfstak (waar het Chinese kapitaal een grote rol speelde) die het zwaar te verduren kreeg, was de textiel. Palmer and Castles, The textile industry, in: The economy of Indonesia, pp. 331 e.v.; Indonesië, Feiten en meningen, jrg. 1, nr. 2, april 1974, p. 5; Grenville, Survey of Recent Developments. in: BIES, Vol. 9, No. 1, March 1973, pp. 9-10. Boucherie (The textile industry, in: BIES, Vol. 5, No. 3, Nov. 1969, pp. 47-70) vermeldt alleen dat de handweverij het zeer moeilijk heeft.
[28] Higgins, Survey of Recent Developments. In: BIES, Vol. 8, No. 1, March 1972, p. 24.
[29] McGee, The Southeast Asian city; The population of Southeast Asia, pp. 46-47; The Indonesian town, pp. 1 e.v.; Wertheim, Indonesian society, pp. 170-194; Fryer, Emerging Southeast Asia, pp. 77-98; Indonesia, pp. 19 e.v., 38 e.v., 202 e.v. In 1930 was het percentage stedelijke bevolking op Java en Madura 8,9 en op de buitengewesten 5,2.
[30] Volkstelling 1930, VIII, tabel 18; Sitzen, Industrial development, pp. 39, 41, 56. Opmerkelijk is overigens het geringe percentage arbeiders in de stedelijke bevolking in Zuidoost-Azië in het algemeen, en het hoge percentage in de dienstensector (McGee, The Southeast Asian city, p. 88). McGee spreekt van een “pseudo urbanization” in de derde wereld. (Id., p. 17).
[31] Sensus penduduk 1961 seluruh Indonesia, p. 1.
[32] Report on labour force sample survey; Hawkins, Labor in transition, in: Indonesia, pp. 251-253.
[33] Sundrum, Manufacturing employment, in: BIES, Vol. 9, No. 1, March 1975, p. 59; Sensus penduduk 1961, p. 37a.
[34] Sundrum, Id., pp. 61 e.v.
[35] Castles, Religion, pp. 53 e.v.
[36] Hawkins, E.D. (1971) Labor in developing countries: Indonesia. In: The economy of Indonesia, p. 251.
[37] Hawkins, E.D. (1971) Labor in developing countries: Indonesia. in: The economy of Indonesia, p. 249; Arndt komt in 1968 op een schatting van 3 à 4.000.000 werklozen en 12 à 14.000.000 gedeeltelijk werklozen. Arndt, Survey of Recent Developments. Vol. 4, No. 11, Oct. 1968, pp. 26-27.
[38] Parsudi Suparlan, The gelandangan of Jakarta, in: Indonesia, 18, Oct. 1974, pp. 41-52.
[39] Geertz, The social history, pp. 106 e.v.
[40] Van Niel, The emergence, pp. 23 e.v., 50 e.v., 76 e.v. Voor statistische gegevens over Indonesiërs op Westerse onderwijsinstellingen: Het onderwijsbeleid, pp. 693-700.
[41] Palmier, The Javanese nobility, in CSSH, II, no. 2, Jan. 1960, pp. 197-227. Nuttig als dit artikel als historisch overzicht is, moeten we Palmiers soms wat merkwaardige verruiming van het begrip “nobility” in de 20e eeuw (gedeeltelijk ontleend aan Burger) afwijzen, evenals de irrelevante vergelijking met Mexico. Zie ook: Nagazumi, The origin and earlier years of the Budi Utomo, pp. 12 e.v.
[42] Id., hfdst. II e.v.; Van Niel, zie noot 40; Geertz, The religion, pp. 235 e.v.; Geertz, The social history, pp. 78-86, 121 e.v.; De stijging van abanganelementen via het onderwijs werd al vroeg in de hand gewerkt door het feit dat er enige tijd (begin 20e eeuw) vanuit prijajikringen weinig belangstelling was voor opleidingen, zeker buiten de bestuurssfeer. Ontwikkeling van het geneeskundig onderwijs, p. 43.
[43] Voor de historische aanloop van de opname in de min of meer aristocratische bovenlagen met name via ambtelijke weg: Burger, Structuurveranderingen, III, De bovendorpse sfeer, in: Indonesië, jrg. III, pp. 103 e.v. Verder: Verslag van de commissie tot bestudeering van staatsrechtelijke hervormingen, I, pp. 71-72; Wertheim, Indonesian society, pp. 147; Geertz, The social history, p. 122. Selosoemardjan (Social changes, pp. 128 e.v.) suggereert een veel te grote tegenstelling, waar hij spreekt over de verdringing van de oude “prijaji class” door de nieuwe intelligentsia. Het weer nader tot elkaar komen in de Japanse tijd en nog meer in de revolutie – waarop Anderson wijst, Java, pp. 65-66 – wordt zo onbegrijpelijk. Een aardige illustratie van het feit dat gematigde ambtelijke en nationalistische prijaji’s elkaar ook voor de oorlog geen kwaad deden, geeft Margono Djojohadikusumo, Herinneringen, pp. 97 e.v.
[44] Zie hfdst. 9, n. 24-26. Verder McVey, The postrevolutionary transformation, II, in: Indonesia, 13, April 1972, pp. 147 e.v., 159 e.v.; Van Doorn, Orde, pp. 66-73.
[45] Id., pp. 76-77.
[46] Zie ook hfdst. 9, n. 26 en hfdst. 4 voor het bredere Zuidoost-Aziatisch kader. Dit verschijnsel als essentiële sector van de bureaucratische compradoren – is nog hoogst onvoldoende bestudeerd. Te veel wordt de aandacht gericht op de “technocraten” in engere zin (zie: David Ransom, The Berkeley Mafia in: Ramparts, Vol. 9 no. 4, Oct. 1970, pp. 27-29, 40-44), op de corruptie (zie Smith, Corruption, in: Indonesia, 11, April 1971, pp. 21-40; Mackie, The Commission of Four, in: BIES, Vol. 6, No. 3, Nov. 1970, pp. 87-101) of Ibnu Sutowo en Pertamina. Een beperkt aspect werd belicht door Rieffel and Wirjasaputri, Military enterprises, in: BIES, Vol. 8, No. 2, July 1972, pp. 104-108. Een der weinige auteurs die er wel op in gaat is Mortimer (Indonesia, in: Showcase state, pp. 88 e.v.).
[47] Feith geeft voor de periode 1949-1957 een beeld van de nationale politieke elite (The decline, pp. 101 e.v.). Zie ook Anderson, Java, pp. 65-66.
[48] Zie bijvoorbeeld: Taufik Abdullah, Adat and Islam, in: Indonesia, 2, 0ct. 1966, pp. 13 e.v. (Padri oorlog).
[49] Alfian, Islamic modernism, pp. 388 e.v. (voor de Minangkabau); Deliar Noer, The modernist Muslim movement; Federspiel, The Muhammedijah, in: Indonesia, 10, Oct. 1970, pp. 57-59; Id., Persatuan Islam.
[50] De traditionalistische “kolot”vleugel van de Islam is minder onderzocht dan de “moderne” sector. Voor Java: Geertz, The Javanese kijaji, in: CSSH, II, no. 2, Jan. 1960, pp. 228-249.
[51] Voor de Parahyangan in het algemeen: ENI, III, pp. 503-508; De Haan, Priangan, I, III, pp. 212, 215 e.v.; Van Vollenhoven, Het adatrecht, I, pp. 695 e.v.; Burger, De ontsluiting, pp. 13-15, 159; Palmer; The Sundanese village, in: Local, ethnic, and national loyalties, pp. 42-51. Verder, Smail, Bandung, pp. 6 e.v.; Anderson, Java, pp. 17-20, 233 e.v.; McVey, The postrevolutionary transformation, I, in: Indonesia, 11, April 1971, pp 161; Id., II, in: Id., 13, April 1972, pp. 152-153; Feith, The decline, pp. 113 e.v.; Id., The Indonesian elections, pp. 67 e.v.; Feith (The decline, pp. 108-109) wijst erop dat er door interetnische huwelijken al een “considerable cultural homogeneity” bestond.
[52] Indonesië, Feiten en meningen, jrg. 1, no. 2, april 1974, p. 14; Id., no. 6, okt. 1974, p. 3; Showcase state, pp. 60 e.v., 87 e.v. Het is jammer dat Sutter – eigenlijk de enige die zich naast Castles op de bestudering van het Indonesische kapitaal heeft toegelegd – in zijn uitvoerig overzicht tot het midden van de jaren vijftig, te weinig duidelijk differentieert tussen het autonome particuliere kapitaal en de ondernemingen die grotendeels afhankelijk zijn van staatssteun, zoals de “Benteng”importeurs. Zo is het nu nog niet mogelijk zich een precies beeld te vormen van de etappegewijze ontwikkeling van de verschillende sectoren van het bureaucratisch of daarmee nauw verbonden compradorenkapitaal, sinds de machtsontplooiing van de PNI, versneld door de nationalisaties, en nu sterk gestimuleerd door de nauwe verbinding van de bureaucratische elite met het buitenlands kapitaal.
[53] De belangrijkste bron is nog steeds het driedelig Eindresumé van W.B. Bergsma (1876, 1880, 1896).
[54] Van Vollenhoven, Het adatrecht, I, pp. 524-526; Pelzer, Pioneer settlement, pp. 165 e.v. Vergelijk Villages, pp. 266-267.
[55] Hasselman, Algemeen overzicht, pp. 36 e.v.
[56] Van Vollenhoven, Het adatrecht, I, pp. 697 e.v.; Id., De Indonesiër, p. 5; Villages, pp. 303 e.v.; Kern, Priangsche toestanden, in: Indische Gids, 1911, pp. 1816 e.v. Zie ook n. 51. Voor de huidige verschillen tussen West-Java en de rest van Java: Sajogyo, Modernization, pp. 14 e.v., 28 e.v.
[57] Meyer Ranneft en Huender, Onderzoek naar den belastingdruk, p. 10.
Staat behorende bij noot 57, bewerkt naar Meyer Ranneft en Huender, Onderzoek naar den belastingdruk, p. 10.


% pers. in groep


         
Inkomen per ziel in elke groep


Groep

Platteland
kleine
gemeente
grote
gemeente


Platteland
kleine
gemeente
grote
gemeente
Overheidspersoneel 0,9 9,5 11
147,73 145,56 178,30
Desa-autoriteiten 2,7 1,7 0,7
95,19 133,65 218,61
Godsdienstbeambten en godsdienstleraren 0,4 0,5 0,7
55,96 98,26 176,32
Vaste arbeiders part. bedrijven 2,4 19,8 21,6
72,16 86,81 108,59
Rijke grondbezitters 2,5 0,2 0,1
129,82 161,02 573,22
Middelgr. Grondbezitters 19,8 3,3 3,6
48,36 75,03 120,90
Arme grondbezitters 27,1 6,4 2,1
29,53 18,19 69,88
Landloze deelbouwers 3,4 0,5 0,6
24,74 32,04 55,55
Arbeiders Ind. Landbouw 12,4 1,2 0,7
28,96 18,48 54,30
Ind. Ondernemers 0,3 0,4 0,2
176,56 207,28 577,05
Ambachtslieden, kleinhandelaren 5,9 16,1 21,6
50,70 62,02 111,63
Losse koelies 19,6 40,2 30,8
30,08 35,14 51,86

97,4 99,8 93,7




[58] Rapport van de Commissie van onderzoek, II, pp. 19-22.
[59] Rutgers, Indonesië, p. 119. Bewerking van gegevens uit het Rapport Sumatra’s Westkust, II, pp. 19-21, door Rutgers, Indonesië, p. 118.


in %
Beambten, Dorpsbestuurders, Godsdienstleraren 1,91
Vaste arbeiders in niet-inheemse ondernemingen 0,30
Rijke boeren
a. verbouw van voedingsgewassen 2,53
b. verbouw van handelsgewassen 0,90
Middelboeren
a. verbouw van voedingsgewassen 25,02
b. verbouw van handelsgewassen 6,87
Arme boeren
a. verbouw van voedingsgewassen 17,14
b. verbouw van handelsgewassen 4,35
Deelpachters zonder eigen land
a. verbouw van voedingsgewassen 4,55
b. verbouw van handelsgewassen 0,41
Landarbeiders in inheemse bedrijven 4,70
Inheemse groothandelaren en industriëlen 0,50
Kleinhandelaren en kleinbedrijven 11,01
Koelies 19,81

100,00


[60] Geertz, Agricultural involution, p. 120.
[61] Voor de nadere bepaling van deze indeling kunnen zowel de agrarische gegevens (Eindresumé; Onderzoek naar de mindere welvaart; Landbouwatlas van Java en Madoera, De landbouw in den Indischen archipel, 4 dln.) als die voor de adatrechtskringen worden gebruikt. Van Vollenhoven, Het adatrecht, I, pp. 133 e.v.; Id., De Indonesiër, pp. 5 e.v.; Ter Haar, Adat law, pp. 5-10. Zie onder andere voor Oost-Java: Van Vollenhoven, Het adatrecht, I, p. 509, waar de auteur het heeft over “anderen” die “Oost Java liever beperken tot Surabaya, Pasuruan en Besuki”, dat wil zeggen tot de Pasisir en haar uitstralingsgebied.
[62] Ten Dam, Cooperation, in: Indonesian economics, pp. 345-382.
[63] Ina Slamet, Dorpssamenleving; Utrecht, De onderbroken revolutie, hfdst. 5 e.v. Zie ook Lyon, Bases of conflict in rural Java.
[64] Utrecht, De onderbroken revolutie, pp. 39-40, 264.
[65] Id., pp. 238 e.v., 262.
[66] Collier, Gunawan Wiradi, Soentoro, Recent changes, in: BIES, Vol. 9, No. 2, July 1973, pp. 36-45; Widya Utami and Ihalauw, Some consequences, in: Id., pp. 46-56; Timmer, Choice of technique, in: Id., pp. 57-76; Collier, Colter, Sinarhadi, Shaw, Choice, in: Id., X, 1, March 1974, pp. 106-120; Timmer, Reply, in: Id., pp. 121-126. Utrecht (De onderbroken revolutie, p. 151) haalt het getuigenis aan van minister Sadjarwo die taxeerde dat er in 1959 op Java ruim 3.000.000 landloze boerengezinnen waren.
[67] Penny and Singarimbun, A casestudy, in: BIES, Vol. 8, No. 1, March 1972, pp. 79-88; Booth, Land ownership, in: Id., X, 3, Nov. 1974, pp. 135-140.
[67a] Sajogyo, Modernization without development, pp. 37-51.
[68] Collier, Gunawan Wiradi, Soentoro, Recent changes, in: BIES, Vol. 9, No. 2, July 1973, p. 38 n. 3. Vergelijk Sajogyo, Modernization, pp. 38, 39-40.
[69] Geertz, The social history, p. 140.

De intelligentsia           1. Nieuwe prijaji’s           2. Modernistisch islamitische intellectuelen
De literati 3. Oude prijaji’s 4. Conservatieve islamitische intellectuelen
De stadsmassa 5. Kampong abangans 6. Kampong santri’s
De dorpselite 7. Abangandorpsleiders 8. Santridorpsleiders
De plattelandsmassa 9. Abangansdorpelingen 10. Santridorpelingen


[70] Zie voor de aliran: hfdst. 11.
[71] Over de protestants-christelijke en rooms-katholieke minderheden als sectoren van de nationale “middenstand” bestaat nog geen literatuur. Recente werken over de Batakgebieden als van Liddle (Ethnicity) en Castles (The political life) leveren weinig op in deze. Zie ook Feith, The decline, p. 145; Thompson and Adloff, Minority problems, pp. 235-248.
[72] McVey, Nationalism, in: Soekarno. Nationalism, Islam and Marxism, p. 28. Zie voor de (nog niet onderzochte) maatschappelijke differentiatie in de santriwereld: hfdst. 12.
[73] Utrecht is een der weinige auteurs die zich met het probleem van de ontwikkeling van het klassenbewustzijn bezighouden (De onderbroken revolutie, pp. 186 e.v.). Hij neigt er alleen enigszins toe dit probleem vanuit een rechtlijnig ontwikkelingsperspectief te plaatsen, buiten de sociaalhistorische kaders van de dichotomie en de triasverhoudingen om.
[74] Anderson, Notes, in: Indonesia, 16, Oct. 1973, p. 79.