Ernest Mandel
De crisis 1974-1983 - De feiten, hun marxistische interpretatie
Hoofdstuk 23


Een nieuwe zone van “deelname in de welvaart” in Oost-Azië?

Tijdens de Tweede Wereldoorlog had het Japanse imperialisme in Oost-Azië zijn veroveringstocht gevoerd onder het motto een “zone van deelname in de welvaart” te scheppen. Deze propagandistische slogan was slechts een cynische dekmantel voor de overuitbuiting waaraan de volkeren van de bezette landen onderworpen werden. De onderliggende idee was, dat het Japanse kolonialisme als Aziatische macht voor de volkeren van Oost-Azië weldadiger zou uitvallen dan het kolonialisme der oude Europese grootmachten of dat van de Verenigde Staten.

Tijdens de jongste twintig jaar lijkt het Japanse imperialisme langs vreedzame weg, d.i. via commerciële en financiële penetratie, het merendeel van de economische doeleinden te bereiken, die het zich met zijn militaire veroveringen gesteld had en die het op het ogenblik van zijn nederlaag in 1945 verloren had. Het is de voornaamste uitvoerder geworden naar nagenoeg het ganse bekken van de Stille Oceaan, Australië inbegrepen. Zijn initiatieven strekken zich uit van Mexico tot Chili en laten zich zelfs voelen op de westkust van Canada en van de Verenigde Staten. Na twee decennia van imperialistische expansie lijkt er in Oost-Azië inderdaad iets als een “zone van deelname in de welvaart” op te komen.

Terwijl de gemiddelde groeivoeten voor de internationale kapitalistische economie in haar geheel dalen, stijgen ze voor een reeks landen in Oost- en Zuid-Oost-Azië. Terwijl in 1980-1982 de quasi-totaliteit van de geïndustrialiseerde of halfgeïndustrialiseerde kapitalistische landen een recessie gekend heeft, hebben de landen van Oost-Azië en een paar landen in Zuid-Oost-Azië tijdens diezelfde jaren een snelle expansie aangehouden. Dit blijkt uit de cijfers in tabel 59.

Bij nader inzicht wordt het beeld genuanceerder. Zuid-Korea heeft in 1980 een zware recessie gekend: het is geen toeval dat het hier precies het sterkst geïndustrialiseerde van de acht vernoemde landen betreft. De textiel en nog een paar andere nijverheidstakken in Hong Kong kennen in 1981 een recessie gevolgd door een ineenstorting van de beurs (Far Eastern Economic Review, 29/7 en 2/10/1981; Croissance des jeunes nations, 12/1981). Het feit dat landen zoals Indonesië, Thailand of de Filippijnen onderontwikkeld en in wezen nog landbouwstaten zijn, maakt dat hun cijfers inzake bnp en de groei ervan moeilijk onderling meetbaar zijn met die van geïndustrialiseerde of halfgeïndustrialiseerde landen.


Tabel 59
Groei van het bnp in %

198019811982
(Officiële
voorspellingen)
Hong Kong 9 8 7
Singapore 10,2 9,7 10,0
Zuid-Korea -5,7 7,1 7,0
Taiwan 6,7 5,5 7,3
Maleisië 7,6 6,9 7,2
Indonesië 9,6 6,5 6,5
Filippijnen 5,4 6,5 5,5
Thailand 6,4 7,8 6,9

(De nummers van 1 en 8 januari, 19 en 26 februari en 21 mei 1982 van de Far Eastern Economic Review)

Bovendien kent de economische groei op de Filippijnen een ernstige vertraging, met bijna een verdubbeling van het tekort op de betalingsbalans tussen 1979 en 1981, een buitenlandse schuld die steeg van 5,5 miljard dollar in 1976 tot 15,5 miljard dollar in 1981 om waarschijnlijk in 1982 19 miljard US$ te bereiken, en een reeks spectaculaire ineenstortingen van bedrijven uit de mijn- en banksector (Far Eastern Economic Review, 11/12/1981, 4/9/1981; The Economist, 12/12/1981; Financial Times van 21/1/1982).

Wat Taiwan betreft, kan men in een reeks nijverheidssectoren van een ware recessie gewagen, wat tot massale afdankingen geleid heeft (Far Eastern Economic Review, 26/2/1982).

Maar ondanks al dat voorbehoud, blijft het niet minder waar dat de economische groei in Oost-Azië ver boven het gemiddelde ligt. In die mate zelfs dat auteurs zoals Jacques Attali in die opgang één van de sleutelfactoren zien voor een herstructurering van het kapitaal op wereldvlak.[153] Men moet onwillekeurig denken aan een oude voorspelling van Friedrich Engels die, bijna een eeuw geleden, gesproken had van een verplaatsing van het zwaartepunt van de wereldeconomie van de Atlantische naar de Stille Oceaan, nadat het kapitalisme in China zou binnengedrongen zijn. Heeft de expansie van de kapitalistische economie in Oost-Azië werkelijk een stuwende invloed op de internationale kapitalistische economie in haar geheel? Hoe dient ze verklaard, ondanks de veralgemeende recessie en in het kader van de “lange golf met stagnerende grondtoon” die de internationale kapitalistische economie tijdens de decennia 1970 en 1980 meemaakt?

Het gewicht van de economie van de acht vernoemde landen in de internationale kapitalistische economie is veel te gering om de globale dynamiek ervan te kunnen wijzigen. De optelsom van hun invoer bedraagt voor 1981 135 miljard dollar of 6,1 % van de wereldinvoer, minder dus dan die van Groot-Brittannië en Canada samen. Hun gezamenlijk bnp is amper groter dan dat van Italië. En men begrijpt wel dat Italië (of Groot-Brittannië) alléén geen ommezwaai in de internationale conjunctuur kunnen bepalen.

Aan de oorzaken van de boom in Oost-Azië valt er niets mysterieus te bespeuren. Ze zijn in wezen het gevolg van de afwezigheid (in Hong Kong en Singapore) of van de gedeeltelijke oplossing (in Taiwan en Zuid-Korea) van het landbouwvraagstuk en van de overuitbuiting van de arbeidskrachten in de nijverheid, die op haar beurt mogelijk gemaakt wordt door hun overvloedige voorradigheid (plattelandsvlucht, Chinese vluchtelingen) en door de despotische wijze waarop ze onder controle gehouden worden (geen vrije vakbonden, autoritaire politieke regimes, bloedige repressie) en van het aanvoeren van buitenlands kapitaal in de gedaante van bankkrediet (veeleer dan van rechtstreekse beleggingen), hetgeen een industrialisering toelaat die de imperialistische landen die deze fondsen verstrekken rechtstreeks beconcurreert.[154] Dit verwijst naar de belangrijke rol van de staat in het industrialiseringsproces, zoals dit trouwens in Mexico, Argentinië en Brazilië het geval geweest is.[155]

Het landbouwvraagstuk is evenwel slechts op zeer partiële wijze opgelost geworden. Daaruit volgt, dat de binnenlandse markt zeer beperkt blijft en dat de economische groei voornamelijk door de uitvoer gedragen wordt. Zo is het dus paradoxalerwijze niet zozeer de bijzondere opgang van de Oost-Aziatische economie die de internationale kapitalistische economie naar een herstructurering en een nieuwe lange fase van versnelde groei kan stuwen. Het is integendeel het langlopende groeiritme van de internationale kapitalistische economie dat het lot van de boom in Oost-Azië zal bepalen.

Ondanks de schijn heeft die boom tot op heden de productie en tewerkstelling in West-Europa en in de imperialistische landen in het algemeen eerder ondersteund dan schade berokkend. Er heeft zich in die landen hoogstens een verplaatsing voorgedaan van de investeringen en de tewerkstelling in de textiel, het schoenbedrijf, de elektronische montage, het uurwerk- en het speelgoedbedrijf naar de mechanische en elektrische bouw en naar de nijverheid die kant en klare bedrijven aflevert. Maar nu bevindt men zich op een keerpunt, dat geïllustreerd wordt door het tweede “multivezel”-akkoord dat de afzet van de Aziatische textielnijverheid in Europa beperkingen oplegt (Far Eastern Economic Review, 111/1981). De mogelijkheden slinken om strategische punten op de wereldmarkt te gaan bezetten. Het is weinig waarschijnlijk dat de acht betrokken landen, met inbegrip van Zuid-Korea, dat voor het ogenblik de gunstigste positie inneemt, het Japanse spoor (textiel, montage, staal en scheepsbouw, automobielnijverheid, elektrische constructie en toestellenbouw, puntsectoren) tot het einde zal kunnen volgen, ondanks het feit dat ze die weg reeds opgegaan zijn.[156]

Het geval van de scheepsbouw en van de automobielnijverheid is in dat verband betekenisvol. Zuid-Korea had een grote inspanning gedaan om een machtige scheepsbouw te ontwikkelen (met zijn lopende productie bekleedt het in de kapitalistische wereld de tweede plaats). Maar Taiwan is onmiddellijk gevolgd. In 1981 kende de scheepsbouw evenwel in zijn geheel een teruggang t.o.v. 1980. Volgens het Lloyds Register of Shipping hebben de bestellingen in gans de wereld in 1981 slechts 17 miljoen ton bereikt tegen 19 miljoen in 1980. De orderboekjes hielden eind december 1981 nog maar voor 35 miljoen ton bestellingen in tegen 37,5 miljoen ton eind juni 1981. De mogelijkheid dat de scheepsbouw in Zuid-Korea en Taiwan nieuwe vooruitgang boekt wordt hierdoor ten zeerste beperkt (zie tabel 60).

De toestand in de automobielnijverheid is nog duidelijker. In Zuid-Korea bestaat er een productiecapaciteit van 280.000 particuliere voertuigen. De regering voorziet de bouw van een grote fabriek die er nog 30.000 meer kan produceren. Maar de lopende productie bedroeg in 1980 slechts 58.000 stuks en heeft in 1981 dat niveau amper overtroffen. Daarenboven zijn de uitvoermogelijkheden zeer beperkt (Neue Zürcher Zeitung, 912/1982).


Tabel 60
Scheepsbouw in duizenden ton per jaar

1980 1981
Japan 13.070 12.650
Zuid-Korea 2.488 2.977
Spanje 2.172 2.247
Brazilië 1.799 1.662
Polen 1.544 1.428
Verenigde Staten 1.631 1.304
Groot-Brittannië 858 1.140
West-Duitsland 863 938
Denemarken 829 896
Joegoslavië 954 870
Frankrijk 1.013 847
Zweden 844 764
Finland 624 706
Roemenië 438 640
België 602 520
Noorwegen 561 487
India 443 483
Italië 640 454

(La Libre Belgique, 2 maart 1982)

_______________
[153] Jacques Attali, Les Trois Mondes, Parijs, Fayard, 1981.
[154] Zo kan het elektronisch montagebedrijf in Taiwan, Singapore en Hong Kong, dikwijls gefinancierd met Japans bankkapitaal, de Japanse elektronikatrusts beconcurreren. Dit is nog meer het geval voor de staalnijverheid en de scheepsbouw in Zuid-Korea.
[155] Zie de studies van Patrick Tissier in het nr. 14 (nieuwe serie) van Critiques de l’économie politique (jan.-maart 1981) en het boek van Pierre Salama en Patrick Tissier, L’Industrialisation dans le sous-développement, Maspero, Parijs, 1982.
[156] Noteer dat het volgende economisch ontwikkelingsplan in Zuid-Korea voor 1982 een groei met 7 % voorziet, maar dat de productieve investeringen in 1981 (dat nochtans een jaar van economische heropleving was) nog met 5 % daalden (The Economist, 9/1/1982). Tegelijkertijd gooit Singapore zich op zijn beurt op de ontwikkeling van nijverheden met “hoge kapitaalsintensiteit”.