Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

Inleiding

[Hoofdlijnen van de Kritiek van de Politieke Economie]

[Eind augustus – half september 1857]

1. Productie, consumptie, distributie, ruil (circulatie)

1. Productie

a) Het huidige onderwerp is allereerst de materiële productie.
Individuen die produceren in de maatschappij – dus maatschappelijk gedetermineerde productie door individuen is natuurlijk het uitgangspunt. De individuele en geïsoleerde jager en visser, waarmee Smith en Ricardo beginnen, behoort tot de fantasieloze wanen van de 18e eeuw. Robinsonades die geenszins, zoals cultuurhistorici veronderstellen, alleen maar een afkeer uitdrukken tegen oververfijning en een terugkeer naar een fout begrepen natuurlijk leven. Evenmin als Rousseau’s Contrat social, dat de van nature onafhankelijke subjecten in een verhouding en contact brengt door middel van een contract, gebaseerd is op een dergelijk naturalisme. Dit is schijn en louter de esthetische schijn van de kleine en grote robinsonaden. Het is veeleer de anticipatie van de “burgerlijke maatschappij”, die zich sinds de 16e eeuw voorbereidde en in de 18e grote stappen naar volwassenheid heeft gezet. In deze maatschappij van vrije concurrentie lijkt het individu los te staan van de natuurlijke banden enz. die hem in vorige historische tijdperken tot een aanhangsel maken van een bepaald, beperkt menselijk conglomeraat. De profeten van de 18e eeuw, op wier schouders Smith en Ricardo nog steeds staan, hebben dit individu van de 18e eeuw – het product enerzijds van de ontbinding van de feodale maatschappijvormen en anderzijds van de nieuwe productiekrachten ontwikkeld sinds de 16e eeuw – voor ogen als een ideaal waarvan het bestaan voorbij is. Niet als een historisch resultaat, maar als het uitgangspunt van de geschiedenis. Omdat het natuurlijke individu, passend bij hun opvatting van de menselijke natuur, er niet een is die historisch ontstaat, maar die door de natuur is bepaald. Tot nu toe is dit bedrog eigen aan elk nieuw tijdperk. Steuart, die in sommige opzichten contrasteert met de 18e eeuw en als aristocraat meer historisch geworteld is, heeft deze dwaasheid vermeden.

Hoe verder wij in de geschiedenis teruggaan, hoe meer het individu, en dus ook het producerende individu, als niet-zelfstandig verschijnt, als deel uitmakend van een groter geheel: eerst nog op een heel natuurlijke manier in het gezin en het tot de stam uitgebreide gezin; later in de gemeenschap die ontstaat uit de oppositie en versmelting van de stammen in hun verschillende vormen. Pas in de 18e eeuw, in de “burgerlijke maatschappij”, werden de verschillende vormen van maatschappelijke samenhang geconfronteerd met het individu als louter een middel voor zijn particuliere doeleinden, als uitwendige noodzaak. Maar het tijdperk dat dit standpunt voortbrengt, dat van het geïsoleerde individu, is juist dat van de meest ontwikkelde maatschappelijke (vanuit dit standpunt algemene) verhoudingen tot nu toe. De mens is in de meest letterlijke zin een zoön politikon [gemeenschapswezen], niet alleen een maatschappelijk dier, maar een dier dat zich alleen in de maatschappij kan individualiseren. De productie van het geïsoleerde individu buiten de maatschappij – een zeldzame uitzondering die zich kan voordoen wanneer een beschaafd persoon in wie de sociale krachten reeds actief aanwezig zijn, door het toeval in de wildernis wordt geworpen – is net zo een onding als de ontwikkeling van de taal zonder individuen die samenleven en samen spreken. Het is niet langer nodig hierbij stil te staan. Het zou zelfs niet hoeven aangeroerd te worden, indien de flauwiteit, die bij mensen van de 18e eeuw zinnig en redelijk was, niet opnieuw door Bastiat, Carey, Proudhon, enz. ernstig en centraal werd genomen in de moderne economie. Voor Proudhon e.a. is het natuurlijk aangenaam om de oorsprong van een economische verhouding, waarvan hij de historische genese niet kent, in termen van historische filosofie te ontwikkelen door te mythologiseren dat Adam of Prometheus een klaar en afgerond idee hadden, waarna het werd ingevoerd, enz. Niets is zo saai en droog als een verzonnen locus communis [gemeenplaats].

Wanneer wij dus over productie spreken, hebben wij het altijd over productie in een bepaald stadium van maatschappelijke ontwikkeling – over de productie van maatschappelijke individuen. Het lijkt er dus op dat wij, om zelfs maar van productie te kunnen spreken, ofwel het historische ontwikkelingsproces in zijn verschillende fasen niet moeten volgen, ofwel van meet af aan moeten verklaren dat wij te maken hebben met een bepaald historisch tijdperk, bv. de moderne burgerlijke productie, die in feite ons eigenlijke onderwerp is. Maar alle tijdperken van de productie hebben bepaalde kenmerken gemeen, gemeenschappelijke regels. De productie in het algemeen is een abstractie, maar een begrijpelijke abstractie, in zoverre dat zij werkelijk het gemeenschappelijke benadrukt en vastlegt, en ons dus de herhaling bespaart. Maar dit algemene, of het gemeenschappelijke, afgescheiden door vergelijking, is zelf een veelvoudige geleding, uiteenlopend in verschillende bepalingen. Een deel ervan behoort tot alle tijdperken; andere zijn gemeenschappelijk. [Sommige] bepalingen zullen het modernste tijdperk gemeen hebben met het oudste. Geen enkele productie is denkbaar zonder deze gemeenschappelijkheid; maar zoals de meest ontwikkelde talen wetten en bepalingen gemeen hebben met de meest onontwikkelde, dan is juist het verschil met dit algemene en gemeenschappelijke het kenmerk van hun ontwikkeling. De regels van toepassing op de productie in het algemeen moeten gescheiden worden, juist om het wezenlijke verschil met de eenheid niet te vergeten – dat reeds blijkt uit het feit dat het subject, de mensheid, en het object, de natuur, hetzelfde zijn. In dit vergeten ligt bijvoorbeeld alle wijsheid van de moderne economen, die de eeuwigheid en harmonie van de bestaande maatschappelijke verhoudingen bewijzen. Zo is er geen productie mogelijk zonder een productie-instrument, zelfs al zou dit instrument alleen de hand zijn. Geen enkele is mogelijk zonder eerder geaccumuleerde arbeid, ook indien deze arbeid slechts de vaardigheid zou zijn die door herhaalde oefening in de hand van de wilde is geaccumuleerd en geconcentreerd. Kapitaal is, onder andere, ook een productie-instrument, ook eerdere geobjectiveerde arbeid. Kapitaal is dus een algemene, eeuwige natuurlijke verhouding; dat wil zeggen, als ik juist dat specifieke ding weglaat, dat “productie-instrument”, de “geaccumuleerde arbeid”, dat wat het in de eerste plaats tot kapitaal maakt. De hele geschiedenis van de productieverhoudingen verschijnt dus, bv. in Carey’s werk, als een vervalsing, kwaadwillig opgevoerd door de regeringen.

Als er geen productie in het algemeen bestaat, bestaat er ook geen algemene productie. Productie is altijd een bijzondere productietak, bv. landbouw, veeteelt, industrie, enz. – of het is een totaliteit. Maar de politieke economie is geen techniek. De verhouding van de algemene bepalingen van de productie op een gegeven maatschappelijk niveau tot de bijzondere productievormen zijn elders te ontwikkelen (later).

Tenslotte is de productie niet geïsoleerd. Het is altijd een bepaald maatschappelijk lichaam, een maatschappelijk subject, dat actief is in een meer of mindere totaliteit van productietakken. Ook de verhouding van de wetenschappelijke uiteenzetting tot de reële beweging hoort hier evenmin thuis. Productie in het algemeen. Bijzondere productietakken. Totaliteit van de productie.

Het is mode om een economisch werk in te leiden met een algemeen deel – en precies dit deel komt voor onder de titel “productie” (zie bv. J. St. Mill) – waarin de algemene voorwaarden van alle productie worden behandeld. Dit algemene deel bestaat, of wordt verondersteld te bestaan: 1. uit de voorwaarden zonder welke productie niet mogelijk is. Dat is in feite niets anders dan de essentiële momenten van alle productie te vermelden. In feite wordt dit echter, zoals wij zullen zien, gereduceerd tot enkele zeer eenvoudige vaststellingen en geformuleerd in oppervlakkige tautologieën; 2. de omstandigheden die meer of minder bevorderlijk zijn voor de productie, zoals Adam Smiths progressieve en stagnerende staat van de maatschappij. Om dit, dat bij hem zijn waarde als aperçu heeft, een wetenschappelijke betekenis te geven, zou onderzoek nodig zijn naar de perioden van de productiviteitsgraden in de ontwikkeling van de afzonderlijke volkeren – een onderzoek dat buiten de eigenlijke grenzen van het onderwerp ligt, maar dat, voor zover het daar thuishoort, moet worden toegepast op de ontwikkeling van concurrentie, accumulatie, enz. In de gebruikelijke formulering komt het antwoord neer op de algemene stelling dat een industrieel volk het hoogtepunt van zijn productie bereikt op het moment dat het in het algemeen zijn historische hoogtepunt bereikt. Feitelijk. Het industriële hoogtepunt van een volk wanneer zijn voornaamste zorg nog niet winst is, maar eerder winnen. Dus de Yankees op de Engelsen. Of, ook, dat bv. bepaalde rassen, locaties, klimaten, natuurlijke omstandigheden zoals havens, bodemvruchtbaarheid enz. gunstiger zijn voor de productie dan een andere. Ook dit komt neer op de tautologie dat rijkdom gemakkelijker tot stand komt waar de elementen ervan subjectief en objectief in grotere mate aanwezig zijn.

Maar dat is niet waar economen zich in dit algemene deel echt mee bezighouden. De productie wordt veeleer voorgesteld – zie bv. Mill – in tegenstelling tot de distributie, enz., als gekaderd in eeuwige natuurwetten die onafhankelijk zijn van de geschiedenis, en bij die gelegenheid worden de burgerlijke verhoudingen dan heel slinks in abstracto als onveranderlijke natuurwetten van de maatschappij ondergeschoven. Dit is het min of meer bewuste doel van de hele procedure. Bij de distributie daarentegen zou men zich allerlei willekeur hebben veroorloofd. Afgezien van de ruwe scheiding tussen productie en distributie en hun werkelijke verhouding, moet van meet af aan duidelijk zijn dat, hoe verschillend de distributie ook mag zijn op verschillende niveaus van de maatschappij, het evengoed mogelijk moet zijn gemeenschappelijke regelingen aan het licht te brengen als bij de productie, en evenzeer mogelijk moet zijn alle historische verschillen in algemene menselijke wetten te verwarren of uit te wissen. Bv., de slaaf, de horige, de loonarbeider, allen ontvangen een hoeveelheid voedsel die hen in staat stelt te bestaan als slaaf, als horige, als loonarbeider. De veroveraar die leeft van een tribuut, of de ambtenaar die leeft van de belasting, de landeigenaar die leeft van pacht, of de monnik van aalmoezen, of de leviet van tienden, allen ontvangen een quotum van de maatschappelijke productie, bepaald door andere wetten dan die van de slaaf, enz. De twee hoofdpunten die alle economen onder deze noemer plaatsen, zijn: 1. eigendom; 2. bescherming daarvan door justitie, politie, enz. Het antwoord hierop moet heel kort zijn:

1. Alle productie is toe-eigening van de natuur door het individu binnen en door middel van een bepaalde maatschappijvorm. In die zin is het een tautologie te zeggen dat eigendom (toe-eigening) een voorwaarde is voor productie. Maar het is belachelijk om van dit alles een sprong te maken naar een bepaalde vorm van eigendom, bv. privé-eigendom. (Wat bovendien een tegengestelde vorm veronderstelt, niet-eigendom). De geschiedenis toont dat het gemeenschappelijk bezit (bv. bij de indianen, Slaven, oude Kelten, enz.) de oorspronkelijke vorm was, een vorm die nog lange tijd een belangrijke rol heeft gespeeld in de vorm van gemeenschappelijk bezit. De vraag of rijkdom zich beter ontwikkelt onder deze of gene vorm van eigendom is hier niet eens aan de orde. Maar het is een tautologie dat er geen productie, dus geen maatschappij, kan zijn waar er geen vorm van eigendom is. Een toe-eigening die niets tot het zijne maakt is een contradictio in subjecto [een ongerijmdheid].

2. Beveiliging van het verworvene enz. Wanneer deze trivialiteiten tot hun werkelijke inhoud worden teruggebracht, zeggen zij meer dan hun verkondigers weten. Namelijk dat elke vorm van productie zijn eigen rechtsverhoudingen, regeringsvorm, enz. voortbrengt. De ruwheid en het gebrek aan begrippen ligt juist in het feit dat wat organisch bij elkaar hoort, willekeurig met elkaar in verband wordt gebracht, in een loutere context van reflectie. De bourgeois economen denken slechts dat met de moderne politie beter kan worden geproduceerd dan met bijvoorbeeld het vuistrecht. Zij vergeten dat het vuistrecht ook een recht is en dat het recht van de sterkste in een andere vorm voortleeft in hun “rechtsstaat”.

Wanneer de maatschappelijke omstandigheden die met een bepaalde productiefase overeenkomen, zich voor het eerst voordoen, of wanneer zij reeds vergaan zijn, treden er van nature productieverstoringen in, zij het in verschillende mate en met verschillende effecten.

Om samen te vatten: er zijn bepalingen die alle productiestadia gemeen hebben, en die door het denken als algemeen worden begrepen; maar de zogenaamde algemene voorwaarden van alle productie zijn niets anders dan deze abstracte momenten, waarmee geen enkel werkelijk historisch productiestadium wordt gevat.

2. De algemene verhouding van de productie tot distributie, ruil, consumptie

Alvorens over te gaan tot een verdere analyse van de productie, moeten we stilstaan bij de verschillende rubrieken die de economen ernaast plaatsen.

Het voor de hand liggende idee: met de productie eigenen de leden van de maatschappij zich de producten van de natuur toe (voortbrengen, vorm geven) in overeenstemming met de menselijke behoeften; de distributie bepaalt de verhouding waarin het individu aan deze producten deelneemt; de ruil geeft hem de producten waarin hij het quotum wil omzetten, verkregen door die distributie; tot slot, bij de consumptie worden de producten voorwerpen van genot, van individuele toe-eigening. De productie brengt de voorwerpen voort die overeenkomen met de behoeften; de distributie verdeelt ze volgens de maatschappelijke wetten; de ruil verdeelt opnieuw wat reeds verdeeld is volgens de individuele behoefte; in de consumptie komt uiteindelijk het product uit deze maatschappelijke beweging te voorschijn, wordt het rechtstreeks voorwerp en dienaar van de individuele behoefte en bevredigt die in het genot. De productie verschijnt dus als uitgangspunt, de consumptie als eindpunt, distributie en de ruil als middelpunt, dat zelf dubbel is, in die zin dat de distributie bepaald wordt als het moment dat uitgaat van de maatschappij, de ruil als het moment dat uitgaat van de individuen. Bij de productie wordt de persoon geobjectiveerd, bij de consumptie wordt het ding gesubjectiveerd; bij de distributie neemt de maatschappij de bemiddeling tussen productie en consumptie op zich in de vorm van algemene, dominante bepalingen; in de ruil worden de twee bemiddeld door de toevalligheden van het individu.

De distributie bepaalt de verhouding (de hoeveelheid) waarin de producten aan de individuen toevallen; de ruil bepaalt de producten waarin het individu het hem door de distributie toegewezen aandeel opeist.

Productie, distributie, ruil, consumptie vormen aldus een reguliere conclusie; productie is de algemeenheid, distributie en ruil is de bijzonderheid, en consumptie de bijzonderheid waarin het geheel verenigd is. Dit is zeker een samenhang, maar een oppervlakkige. De productie wordt bepaald door de algemene natuurwetten; de distributie door het maatschappelijk toeval, en kan dus een min of meer bevorderend effect hebben op de productie; de ruil zit er als formele maatschappelijke beweging tussenin, en de afsluitende handeling, de consumptie, die niet alleen wordt opgevat als een eindpunt maar ook als een doel op zich, ligt feitelijk buiten de economie, behalve in zoverre zij op haar beurt reageert op het beginpunt en het hele proces opnieuw in gang zet.

De tegenstanders van de politieke economen – zowel binnen als buiten haar domein – die hen ervan beschuldigen op barbaarse wijze zaken uit elkaar te rukken die bij elkaar horen, hebben ofwel hetzelfde standpunt als zij, ofwel een lagere positie dan zij. Niets komt vaker voor dan het verwijt dat de politieke economen de productie te veel als een doel op zich beschouwen, dat de distributie even belangrijk is. Dit verwijt berust juist op de economische opvatting dat de sferen van distributie en productie onafhankelijk en autonoom naast elkaar staan. Of dat deze momenten niet in hun eenheid zijn begrepen. Alsof deze breuk niet vanuit de werkelijkheid in de leerboeken terecht was gekomen, maar vanuit de leerboeken in de realiteit, en alsof de taak bestond uit het dialectisch in evenwicht brengen van begrippen en niet om het vatten van de werkelijke verhoudingen!

[Productie en Consumptie]

Productie is direct ook consumptie. Dubbele consumptie, subjectief en objectief: het individu, dat zijn bekwaamheden ontwikkelt in de productie, besteedt ze ook, verbruikt ze in de handeling van de productie, net zoals de natuurlijke voortplanting een verbruik van levenskrachten is. Ten tweede: verbruik van productiemiddelen, die door het gebruik verslijten en gedeeltelijk (bv. bij verbranding) weer in hun bestanddelen worden opgelost. Hetzelfde geldt voor het verbruik van grondstoffen die niet in de natuurlijke vorm en toestand blijven, maar geconsumeerd. De productie zelf is dus in al haar momenten ook een consumptiedaad. Maar dit geven de economen toe. Productie als direct identiek met consumptie, consumptie als direct samenvallend met productie, noemen zij productieve consumptie.

Deze identiteit van productie en consumptie komt neer op Spinoza’s stelling: determinatio est negatio [determineren is ontkenning].

Maar deze definitie van productieve consumptie wordt alleen gegeven om de consumptie, die identiek is met de productie, te scheiden van de eigenlijke consumptie, die veeleer wordt beschouwd als de destructieve antithese van de productie. Laten we daarom kijken naar de echte consumptie.

Consumptie is direct ook productie, net zoals in de natuur het verbruik van elementen en chemische stoffen productie van de plant is. Het is duidelijk dat bijvoorbeeld de mens met zijn voedsel, een vorm van consumptie, zijn eigen lichaam produceert. Maar dit geldt ook voor elke vorm van consumptie die op de een of andere manier de mens in een bepaald opzicht produceert. Consumptieve productie. Maar, zegt de economie, deze productie, die identiek is met de consumptie, is de tweede, die voortvloeit uit de vernietiging van het eerste product. In het eerste geval objectiveert de producent zichzelf; in het tweede geval personifieert het ding dat hij creëert zichzelf. Deze consumptieve productie – hoewel zij een onmiddellijke eenheid vormt tussen productie en verbruik – is dus wezenlijk verschillend van de werkelijke productie. De onmiddellijke eenheid waarin de productie samenvalt met de consumptie en consumptie met productie laat hun in deze directe dualiteit.

Dus productie is direct consumptie, consumptie is direct productie. Elk is direct zijn tegenpool. Tegelijkertijd is er echter een bemiddelende beweging tussen de twee. De productie bemiddelt de consumptie, waarvan zij het materiaal realiseert, dat zonder haar objectloos zou zijn. Maar de consumptie bemiddelt ook de productie, in die zin dat zij voor de producten eerst het subject schept waarvoor zij producten zijn. Het product krijgt zijn definitieve voltooiing pas in de consumptie. Een ongebruikte spoorweg, die niet wordt versleten, die niet wordt geconsumeerd, is slechts potentieel een spoorweg, niet feitelijk. Zonder productie is er geen consumptie; maar ook zonder consumptie is er geen productie, want productie zou dus zinloos zijn. De consumptie produceert tweemaal de productie, 1. in die zin dat pas bij consumptie het product een echt product wordt. Zo wordt een jurk pas echt een jurk door de handeling van het dragen; een huis dat niet bewoond wordt, is in feite geen echt huis; zo bewijst het product, in tegenstelling tot een louter natuurlijk voorwerp, dat het pas een product is, een product wordt, door consumptie. Slechts door de decompositie van het product geeft de consumptie het product de finaliteit; want het product is de productie niet als geobjectiveerde activiteit, maar alleen als object voor het actieve subject; 2. De consumptie schept de behoefte aan nieuwe productie, d.w.z. de ideale, interne stuwende motivatie voor de productie, die haar voorwaarde is. Consumptie schept de productiedrang; zij schept ook het actieve object als bepalend doel in de productie. Als het duidelijk is dat de productie het voorwerp van de consumptie uiterlijk presenteert, dan is het even duidelijk dat de consumptie het voorwerp van de productie denkbeeldig plaatst, als een innerlijk beeld, als een behoefte, als een impuls en als een doel. Het creëert de productieobjecten in nog subjectieve vorm. Zonder behoefte, is er geen productie. Maar consumptie reproduceert behoefte.

De productie van haar kant 1. levert het materiaal en het object voor de consumptie. Consumptie zonder object is geen consumptie; in dit opzicht schept de productie dus consumptie, brengt consumptie voort. 2. Maar het voorwerp is niet het enige dat de productie voor de consumptie schept. Het geeft ook aan de consumptie haar definitief karakter, haar voltooiing. Net zoals de consumptie het product zijn voltooiing als product gaf, geeft de productie de voltooiing aan de consumptie. Ten eerste is het object geen object in het algemeen, maar een specifiek object dat op een specifieke manier moet worden geconsumeerd op een manier die opnieuw wordt bemiddeld door de productie zelf. Honger is honger, maar honger die wordt gestild met gekookt vlees dat met vork en mes wordt gegeten, is een andere honger dan de honger gestild met rauw vlees met behulp van de hand, nagels en tanden. Niet enkel het consumptieobject, maar ook de wijze van consumptie wordt dus door de productie tot stand gebracht, niet alleen objectief, maar ook subjectief. Productie creëert dus de consument. 3. Productie voorziet niet alleen in een materiaal voor de behoefte, maar ook in een behoefte aan het materiaal. Wanneer de consumptie uit haar eerste natuurlijke ruwheid en directheid te voorschijn komt – en, als het in dat stadium zou blijven, zou dat zijn omdat de productie zelf daar was gestopt – wordt zij zelf als motivatie bemiddeld door het object. De behoefte die het voelt, wordt gecreëerd door de perceptie ervan. Het kunstvoorwerp schept – net als elk ander product – een publiek dat in staat is van kunst en schoonheid te genieten. De productie produceert dus niet alleen een object voor het subject, maar ook een subject voor het object. De productie brengt dus de consumptie voort, 1. door er het materiaal voor te creëren; 2. door de wijze van consumptie te bepalen; 3. door eerst producten te vervaardigen als objecten, in de vorm van een door de consument gevoelde behoefte. Zij produceert dus het voorwerp van consumptie, de wijze van consumptie, de motivatie tot consumptie. Evenzo brengt de consumptie de investering van de producent voort door deze behoeften expliciet te maken als een doel.

De identiteit tussen consumptie en productie is dus drievoudig:
1. directe identiteit: productie is consumptie; consumptie is productie. Consumptieve productie. Productieve consumptie. De politieke economen noemen beide productieve consumptie. Maar ze maken nog steeds een onderscheid. Het eerste wordt beschouwd als reproductie, het tweede als productieve consumptie. Alle studies over het eerste gaan over productieve of niet-productieve arbeid; die over het tweede over productieve of niet-productieve consumptie.
2. Dat elk verschijnt als het middel van de ander; erdoor bemiddeld wordt; wat tot uitdrukking komt als hun wederzijdse afhankelijkheid; een beweging waardoor zij op elkaar betrokken zijn en wederzijds onmisbaar voor elkaar lijken, maar toch extern aan elkaar blijven. Productie creëert het materiaal als een extern object voor consumptie; consumptie creëert behoefte als een intern object, als een doel voor productie. Zonder productie is er geen consumptie; zonder consumptie is er geen productie. [Dit] komt in de economie in vele vormen voor.
3. Productie is niet alleen direct consumptie en consumptie direct productie; noch is productie alleen het middel voor consumptie en consumptie het doel voor productie, d.w.z. dat elk van de anderen zijn object levert, productie extern aan consumptie, consumptie de beoogde productie; maar elk van hen is niet alleen onmiddellijk het andere, noch het andere slechts bemiddeld, maar elk van de twee, in het voltrekken van zichzelf, schept het andere; zichzelf als het andere. De consumptie voltooit de handeling van de productie slechts door het product als product te voltooien, door het om te zetten, door de zelfstandige objectieve vorm erin te consumeren; in die zin dat de vaardigheid die in de eerste productieve handeling is ontwikkeld, door de noodzaak van herhaling tot vaardigheid wordt verheven; het is dus niet alleen de laatste handeling waardoor het product een product wordt, maar ook waardoor de producent een producent wordt. Anderzijds brengt de productie de consumptie voort door de bijzondere wijze van realiseren van de consumptie, en vervolgens door de stimulans van de consumptie, het vermogen tot consumptie zelf als een behoefte. Deze laatste identiteit, onder punt 3, wordt in de economie vaak verklaard uit de verhouding tussen vraag en aanbod, tussen voorwerpen en behoeften, tussen door de maatschappij geschapen behoeften en natuurlijke behoeften.

Daarna is voor een hegeliaan niets eenvoudiger dan productie en consumptie als identiek te stellen. En dit is niet alleen gedaan door socialistische belletristen, maar ook door prozaïsche economen, bv. Say; in de vorm dat, als men een volk bekijkt, zijn productie zijn consumptie is. Of ook de mensheid, abstract gezien. Storch bewees het ongelijk van Say, in die zin dat een volk bv. niet alleen zijn product consumeert, maar ook de productiemiddelen, vast kapitaal, enz. schept. De maatschappij als één enkel subject beschouwen is het verkeerd beschouwen; speculatief. Met één subject verschijnen productie en consumptie als momenten van één handeling. Het is belangrijk hier te benadrukken dat, of men productie en consumptie nu beschouwt als activiteiten van één subject of van vele individuen, zij in elk geval verschijnen als momenten van een proces waarin de productie het eigenlijke uitgangspunt is en dus ook het overkoepelende moment. Consumptie als noodzaak, als behoefte, is zelf een intrinsiek moment van productieve activiteit. Maar dit laatste is het beginpunt van de verwezenlijking en dus ook het overkoepelende moment ervan, de handeling waarin het hele proces zich opnieuw voltrekt. Het individu produceert een voorwerp en keert tot zichzelf terug door de consumptie ervan, maar als een productief en zichzelf reproducerend individu. De consumptie verschijnt dus als een moment van de productie.

In de maatschappij echter is de verhouding van de producent tot het product, zodra het klaar is, een externe, en de terugkeer ervan tot het subject hangt af van zijn verhouding tot andere individuen. Het wordt niet onmiddellijk toegeëigend. Evenmin is de onmiddellijke toe-eigening het doel als het maatschappelijk geproduceerd is. Tussen de producent en de producten komt de distributie, en het aandeel in de wereld van de producten wordt bepaald door maatschappelijke wetten tussen productie en consumptie.
Staat de distributie nu als een onafhankelijke sfeer naast en buiten de productie?

b) Productie en distributie

Wanneer men naar normale economieën kijkt, is het eerste wat opvalt, dat alles daarin dubbel is. Zo figureren bijvoorbeeld grondrente, lonen, interest en winst onder de distributie, terwijl grond, arbeid en kapitaal figureren onder de productie als productiemiddelen. Nu is het met kapitaal van meet af aan duidelijk dat het dubbel is, 1. als productieagent; 2. als bron van inkomsten; als bepalend voor bepaalde vormen van distributie. Rente en winst maken dus ook als zodanig deel uit van de productie, voor zover zij vormen zijn waarin het kapitaal toeneemt, groeit, dat wil zeggen momenten van zijn productie zelf. Rente en winst als vormen van distributie veronderstellen dat kapitaal een productiemiddel is. Het zijn distributiewijzen die kapitaal als productiemiddel vooronderstellen. Het zijn ook reproductiemethoden van het kapitaal.

Ook de looncategorie is dezelfde als die welke onder een andere noemer als loonarbeid wordt onderzocht: de eigenschap die de arbeid hier als agent van de productie bezit, verschijnt als een eigenschap van de distributie. Indien de arbeid niet als loonarbeid zou worden bepaald, zou de wijze waarop zij in de producten participeert, niet als loonarbeid verschijnen, zoals bijvoorbeeld in de slavernij. Tenslotte gaat de grondrente, om de meest ontwikkelde vorm van distributie te nemen, waarin de grondeigendom deelneemt aan de producten, uit van het grootgrondbezit (eigenlijk de grote landbouw) als productieagent, en niet van de aarde als zodanig, evenmin als het loon uitgaat van de arbeid als zodanig. De distributieverhoudingen en -wijzen verschijnen dus slechts als de keerzijde van de productieagenten. Een individu dat deelneemt aan de productie in de vorm van loonarbeid, neemt in de vorm van het arbeidsloon [klemtoon v.d. vertaler] deel aan de producten, het resultaat van de productie. De structuur van de distributie wordt volledig bepaald door de structuur van de productie.

De distributie is zelf een product van de productie, niet alleen in haar object, omdat alleen de resultaten van de productie kunnen worden verdeeld, maar ook volgens de vorm, omdat de specifieke deelname aan de productie de specifieke vormen van distributie bepaalt, d.w.z. het patroon van deelneming aan de distributie. Het is een hele illusie om de grond te plaatsen bij de productie, de grondrente bij de distributie, enz.

Economen zoals Ricardo, die er vaak van beschuldigd worden alleen de productie voor ogen te hebben, hebben dus uitsluitend de distributie tot voorwerp van de economie gemaakt, omdat zij instinctief de distributievormen begrepen als de meest definitieve uitdrukking waarin de productieagenten zich in een gegeven maatschappij fixeren.

Voor het afzonderlijke individu verschijnt de verdeling natuurlijk als een maatschappelijke wet die zijn positie bepaalt binnen het productiesysteem waarbinnen hij produceert, dat dus voorafgaat aan de productie. Het individu komt op de wereld zonder kapitaal of grond. Vanaf de geboorte is het aangewezen op de loonarbeid door de maatschappelijke distributie. Maar deze situatie is zelf een gevolg van het bestaan van kapitaal en grondbezit als onafhankelijke productieagenten.

Wat de gehele maatschappij betreft, lijkt de distributie aan de productie vooraf te gaan en deze in nog een ander opzicht te bepalen, bijna alsof het een voor-economisch feit is. Een veroverend volk verdeelt de grond onder de veroveraars en legt zo een bepaalde verdeling en eigendomsvorm van de grond op en bepaalt zo de productie. Of het maakt de veroverden tot slaven, en maakt zo slavenarbeid tot basis van de productie. Of een volk breekt, door revolutie, het grootgrondbezit in percelen op en geeft zo, door de nieuwe distributie, de productie een nieuw karakter. Of de wetgeving bestendigt het grondbezit in bepaalde families of verdeelt de arbeid als een erfelijk voorrecht en legt het zo vast per kaste. In al deze gevallen, en zij zijn alle historisch, lijkt de distributie niet te worden gestructureerd en bepaald door de productie, maar omgekeerd de productie door de distributie.

Distributie in de meest oppervlakkige opvatting verschijnt als de distributie van producten en dus ver weg van, en quasi onafhankelijk, van de productie. Maar voordat distributie een distributie van producten is, is er: 1. distributie van de productie-instrumenten, en 2. wat een verdere bepaling van dezelfde verhoudingen is, distributie van de leden van de maatschappij over de verschillende soorten productie. (Subsumptie van de individuen onder specifieke productieverhoudingen.) De distributie van de producten is klaarblijkelijk slechts het resultaat van deze distributie en opgenomen in het productieproces zelf, die de verdeling van de productie bepaalt. De productie is, afgezien van de distributie die er deel van uitmaakt, natuurlijk een lege abstractie, terwijl omgekeerd de distributie van producten uit zichzelf gegeven is met deze distributie, die oorspronkelijk een moment van productie vormt. Ricardo, die zich bezighield met het begrijpen van de moderne productie in haar bijzondere maatschappelijke structuur, en bij uitstek de econoom van de productie is, verklaart juist om deze reden dat niet de productie maar de distributie het eigenlijke onderwerp van de moderne economie is. Hieruit blijkt weer eens de onbekwaamheid van die economen die de productie als een eeuwige waarheid afschilderen en de geschiedenis verbannen naar het rijk van de distributie.

Hoe deze distributie, die ook de productie zelf bepaalt, zich verhoudt tot de productie, is uiteraard een vraag die binnen de productie zelf valt. Als men zou zeggen dat, aangezien de productie moet voortkomen uit een zekere distributie van de productie-instrumenten, de distributie in die zin aan de productie voorafgaat, haar voorwaarde vormt, dan is het antwoord dat de productie wel degelijk haar voorwaarden en beperkingen heeft, die er de momenten van vormen. Deze kunnen op het eerste gezicht natuurlijk lijken. Door het productieproces zelf veranderen zij van natuurlijk in historisch, en als zij voor de ene periode de natuurlijke vooronderstelling van de productie zijn, zijn zij voor een andere periode het historische resultaat ervan. Binnen de productie zelf worden zij voortdurend gewijzigd. Zo heeft de toepassing van machines de distributie van zowel de productie-instrumenten als de producten veranderd. Het moderne grootgrondbezit is zelf het resultaat van zowel de moderne handel en de moderne industrie als van de toepassing van de laatste op de landbouw.

De hierboven gestelde vragen lossen in laatste instantie allemaal op in de vraag hoe algemeen-historische verhoudingen een rol spelen in de productie en de verhouding tot de historische beweging in het algemeen. De vraag behoort uiteraard tot de discussie over en de ontwikkeling van de productie zelf.

In de triviale vorm waarin zij hierboven aan de orde zijn gesteld, kunnen zij net zo kort worden behandeld. Bij alle veroveringen zijn drie dingen mogelijk. De veroveraars onderwerpen de overwonnenen aan hun productiewijze (bv. de Engelsen in Ierland in deze eeuw, en tot op zekere hoogte in India); of zij laten de oude bestaan en zijn tevreden met een tribuut (bv. Turken en Romeinen); of er ontstaat een wisselwerking waarbij iets nieuws ontstaat, een synthese (tot op zekere hoogte bij de veroveringen van de Germanen). In alle gevallen bepaalt de productiewijze, zij het die van het veroverende volk, zij het die van de overwonnenen, zij het het resultaat uit de samensmelting van de twee, de nieuwe distributie. Hoewel dit een voorwaarde lijkt voor de nieuwe productiefase, is zij dus zelf weer een product van de productie, niet alleen van de historische productie in het algemeen, maar van de specifieke historische productie.

De Mongolen bijvoorbeeld, met hun verwoestingen in Rusland, handelden naar hun productie, het weiden van vee, waarvoor grote onbewoonde stukken grond de hoofdvoorwaarde waren. De Germaanse barbaren, die geïsoleerd op het land leefden en voor wie de landbouw met slaven de traditionele productie was, konden deze voorwaarden des te gemakkelijker opleggen aan de Romeinse provincies, omdat de concentratie van het grondbezit die daar had plaatsgevonden, de vroegere landbouwverhoudingen reeds volledig had omvergeworpen.

Het is een gangbare mening dat in bepaalde perioden mensen alleen van roof leefden. Maar om te kunnen roven moet er iets zijn dat geroofd kan worden, dus productie. En de wijze van roven wordt op zijn beurt weer bepaald door de wijze van produceren. Een volk van effectenmakelaars kan bijvoorbeeld niet op dezelfde manier worden beroofd als een volk van veehoeders.

Met de slaaf wordt het instrument van productie rechtstreeks geroofd. Maar dan moet de productie van het land waarvoor hij geroofd wordt zodanig gestructureerd zijn dat slavenarbeid mogelijk is, of (zoals in Zuid-Amerika enz.) moet een productiewijze worden gecreëerd passend bij de slaaf.

Wetten kunnen een productie-instrument, bv. grond, in bepaalde families vereeuwigen. Deze wetten krijgen pas economische betekenis wanneer grootgrondbezit in harmonie is met de maatschappelijke productie, zoals bijvoorbeeld in Engeland. In Frankrijk werd kleinschalige landbouw bedreven ondanks grootgrondbezit, dat uiteindelijk door de revolutie de kop werd ingedrukt. Maar vereeuwiging van de verkaveling, bijvoorbeeld door wetten? Ondanks deze wetten is het bezit opnieuw geconcentreerd. De invloed van de wetten op de handhaving van de distributieverhoudingen en dus op de productie moet specifiek worden vastgesteld.

c) Ten slotte de ruil en de circulatie

De circulatie zelf is een bepaald moment van de ruil of ook de ruil beschouwd in zijn totaliteit.

In zoverre de ruil slechts een bemiddelingsmoment is tussen de productie en de daardoor bepaalde distributie met de consumptie; maar in zoverre deze laatste zelf verschijnt als een moment van de productie, is de ruil klaarblijkelijk ook in deze laatste begrepen als een moment.

In de eerste plaats is het duidelijk dat de ruil van activiteiten en vaardigheden die in de productie zelf plaatsvindt, er rechtstreeks toe behoort en haar in wezen vormt. Hetzelfde geldt, in de tweede plaats, voor de ruil van producten, voor zover dit het middel is om het voor onmiddellijke consumptie bestemde eindproduct te vervaardigen. In zoverre de ruil zelf een handeling is die deel uitmaakt van de productie. Ten derde wordt de zogenaamde ruil tussen ondernemers en ondernemers in haar organisatie volledig bepaald door de productie als is zij zelf een producerende activiteit. Alleen in de eindfase, waarin het product rechtstreeks wordt geruild voor consumptie, lijkt de ruil onafhankelijk van en onverschillig tegenover de productie te staan. Maar 1. geen ruil zonder arbeidsdeling, of deze nu natuurlijk is of zelf al een historisch resultaat; 2. particuliere ruil veronderstelt particuliere productie; 3. de intensiteit van de ruil wordt, evenals de uitbreiding en de aard ervan, bepaald door de ontwikkeling en de verdeling van de productie. Bv. ruil tussen stad en platteland; ruil op het platteland, in de stad, enz. De ruil is dus in al zijn vormen hetzij rechtstreeks in de productie begrepen, hetzij erdoor bepaald.

Het resultaat, waar we op uitkomen, is niet dat productie, distributie, ruil, consumptie identiek zijn, maar dat zij alle deel zijn van een totaliteit, verschillen binnen een eenheid. De productie heerst niet alleen over zichzelf, in de antithetische definitie van productie, maar ook over de andere momenten. Het proces keert altijd terug naar de productie om opnieuw te beginnen. Dat ruil en consumptie niet dominant kunnen zijn, dat spreekt vanzelf. Hetzelfde geldt voor de distributie als distributie van de producten. Maar als distributie van de productieagenten is zij echter zelf een productiemoment. Een bepaalde productie bepaalt dus een bepaalde consumptie, distributie, ruil en bepaalde verhoudingen van deze verschillende momenten tot elkaar. De productie, in haar eenzijdige vorm, wordt echter weer bepaald door de andere momenten. Wanneer bijvoorbeeld de markt zich uitbreidt, d.w.z. de ruil, neemt de productie in volume toe en verdiept zij zich. Met veranderingen in de distributie verandert de productie; bv. met de concentratie van kapitaal, een verschillende distributie van de bevolking in stad en land, enz. Uiteindelijk bepalen de consumptiebehoeften de productie. Er is interactie tussen de verschillende momenten. Dit is het geval met elk organisch geheel.

3. De methode van de politieke economie

Wanneer we een bepaald land politiek-economisch bekijken, beginnen we met de bevolking, de verdeling in klassen, stad, grond, zee, de verschillende productietakken, export en import, jaarlijkse productie en consumptie, de prijzen van de goederen, enz.

Het lijkt juist om te beginnen bij het reële en concrete, het echte criterium, dat wil zeggen, in de economie, bij de bevolking, basis en subject van de hele maatschappelijke productiehandeling. Bij nader onderzoek blijkt dit echter onjuist te zijn. De bevolking is een abstractie als ik bijvoorbeeld de klassen waaruit zij bestaat buiten beschouwing laat. Deze klassen zijn weer een leeg woord als ik niet weet op welke elementen zij zijn gebaseerd. Bv. loonarbeid, kapitaal, enz. Deze veronderstellen ruil, arbeidsdeling, prijzen, enz. Kapitaal bijvoorbeeld is zonder loonarbeid niets, zonder waarde, geld, prijs, enz. is het niets. Dus als ik begin met de bevolking, zou dat een chaotische opvatting van het geheel zijn, en door nadere definiëring zou ik analytisch steeds meer tot eenvoudiger begrippen komen; van het ingebeelde concrete tot steeds dunnere abstracten, totdat ik tot de eenvoudigste bepalingen zou zijn gekomen. Van daaruit zou ik weer terug moeten gaan tot ik uiteindelijk terug bij de bevolking aankom, maar deze keer niet als een chaotisch idee van een geheel, maar als een rijke totaliteit van vele determinaties en verhoudingen. De eerste weg is de weg die de economie bij haar ontstaan historisch is gegaan. De economen van de 17e eeuw bv., beginnen altijd met het levende geheel, de bevolking, de natie, de staat, meerdere staten, enz.; maar uiteindelijk vinden zij altijd, door analyse, enkele bepalende abstracte, algemene verhoudingen, zoals arbeidsdeling, geld, waarde, enz.

Zodra deze afzonderlijke momenten min of meer vastlagen en geabstraheerd waren, begonnen de economische systemen, die opklommen van het eenvoudige, zoals arbeid, arbeidsdeling, behoefte, ruilwaarde, tot het niveau van de staat, de ruil tussen naties en de wereldmarkt. Dit laatste is duidelijk de wetenschappelijk correcte methode. Het concrete is concreet omdat het de samenvatting is van vele bepalingen, d.w.z. de eenheid van de veelheid. In het denken verschijnt het dus als een proces van samenvatting, als een resultaat, niet als een uitgangspunt, hoewel het het werkelijke uitgangspunt is en dus ook het uitgangspunt van conceptie en denken. Op de eerste manier is de volledige conceptie verdampt in een abstracte bepaling; op de tweede manier leiden de abstracte bepalingen tot de reproductie van het concrete in de manier van denken. Op deze manier is Hegel in de illusie verzeild het reële op te vatten als het product van het denken dat zich concentreert, zichzelf verdiept en zichzelf, uit zichzelf, ontvouwt, terwijl de methode om van het abstracte naar het concrete te stijgen slechts de manier is waarop het denken zich het concrete toe-eigent en het als het concrete in de geest reproduceert. Maar helemaal niet het proces van het ontstaan van het concrete zelf. De eenvoudigste economische categorie, bv. ruilwaarde, veronderstelt bevolking, bevolking die in bepaalde verhoudingen produceert; ook bepaalde typen familie-, of gemeenschaps-, of staatssystemen enz. Zij kan nooit bestaan behalve als een abstracte, eenzijdige relatie van een reeds gegeven concreet, levend geheel. Als categorie leidt de ruilwaarde echter een antediluviaans bestaan. Voor het bewustzijn – en zo is het filosofische bewustzijn bepaald, dat het begrijpende denken, de werkelijke mens en de begrepen wereld verschijnt als de werkelijke, dus de beweging van de categorieën als de werkelijke productiehandeling – die slechts, helaas, een por van buitenaf krijgt – waarvan het resultaat de wereld is; en dit is – maar dit is opnieuw een tautologie – juist, voor zover de concrete totaliteit als een totaliteit van het denken, als een concreet denken, in feite een product is van het denken, van het begrijpen; maar geenszins van een waarneming en denkbeeld van buitenaf en zichzelf voortbrengt, maar van de verwerking van de waarneming en het denkbeeld tot een begrip. De totaliteit zoals die in het hoofd verschijnt, als een totaliteit van gedachten, is een product van een denkend hoofd, dat zich de wereld toe-eigent op de enige manier die het kan, een manier die verschilt van de artistieke, religieuze, praktische en mentale toe-eigening van deze wereld. Het werkelijke subject blijft buiten het hoofd onafhankelijk bestaan; zolang het hoofd zich slechts speculatief, slechts theoretisch ertoe verhoudt. Daarom moet ook in de theoretische methode het onderwerp, de maatschappij, steeds als vooronderstelling voor ogen worden gehouden.

Maar hebben deze eenvoudige categorieën niet ook een onafhankelijk historisch of natuurlijk bestaan vóór de concrete categorieën? ça dépend [Dat hangt ervan af]. Hegel bv. begint De filosofie van het recht terecht met de eigendom, als de eenvoudigste juridische verhouding van het subject. Maar er bestaat geen eigendom vóór er sprake is van familie of heer- en knechtverhoudingen, die veel concreter zijn. Anderzijds is het juist om te stellen dat er families en stammen bestaan die alleen bezit hebben, geen eigendom. De eenvoudige categorie verschijnt dus als een verhouding van eenvoudige familie of stamgenoten met betrekking tot eigendom. In de hogere maatschappij verschijnt zij als de eenvoudige verhouding van een ontwikkelde organisatie. Maar het meer concrete substraat, waarvan de verhouding bezit is, wordt altijd voorondersteld. Men kan zich een afzonderlijke wilde voorstellen die bezit heeft. Maar bezit is dan geen juridische verhouding. Het is onjuist dat bezit zich historisch ontwikkelt bij de familie. Bezit veronderstelt veeleer altijd deze “concretere juridische categorie”. Er zou echter altijd nog dit overblijven, namelijk dat de eenvoudige categorieën de uitdrukkingen zijn van verhoudingen, waarbinnen het minder ontwikkelde concrete zich reeds gerealiseerd kan hebben, voordat het de meer veelzijdige samenhang of verhouding, die mentaal in de meer concrete categorie wordt uitgedrukt, heeft geponeerd; terwijl het meer ontwikkelde concrete dezelfde categorie als een ondergeschikte verhouding bewaart. Geld kan bestaan en heeft historisch bestaan voordat er kapitaal bestond, voordat er banken bestonden, voordat er loonarbeid bestond, enz. Aldus kan men zeggen dat de eenvoudige categorie de heersende verhoudingen van een onontwikkeld geheel, of ondergeschikte verhoudingen van een ontwikkeld geheel, kan uitdrukken, die historisch reeds bestonden voordat het geheel zich ontwikkelde volgens de concrete categorie. In dit opzicht zou het verloop van het abstracte denken, dat opklimt van het eenvoudigste tot het gecombineerde, overeenstemmen met het werkelijke historische proces.

Aan de andere kant kan worden gezegd dat er zeer ontwikkelde, maar historisch onvolgroeide samenlevingsvormen zijn met de hoogste vormen van economie, bv. coöperatie, ontwikkelde arbeidsdeling, enz., zonder dat er geld bestaat, bv. Peru. Ook in de Slavische gemeenschappen komt het geld en de ruil die het bepaalt niet, of slechts in beperkte mate, voor binnen de afzonderlijke gemeenschappen, maar aan hun grenzen, in hun omgang met anderen, zoals het over het algemeen onjuist is om de ruil in het midden van een gemeenschap te plaatsen als het oorspronkelijke constituerende element. In het begin komt het eerder tot uiting in de verhouding van de verschillende gemeenschappen tot elkaar dan voor de leden binnen één en dezelfde gemeenschap. Hoewel geld al heel vroeg en overal een rol speelt, wordt het in de oudheid slechts een heersend element binnen bepaalde eenzijdige naties, handelsnaties. En zelfs in de meest ontwikkelde delen van de antieke wereld, de Grieken en de Romeinen, verschijnt de volledige ontwikkeling van het geld, die in de moderne burgerlijke maatschappij wordt verondersteld, pas in de fase van ontbinding. Deze zeer eenvoudige categorie komt dus pas in haar volle omvang tot uiting in de meest ontwikkelde maatschappelijke omstandigheden. Geenzins doorgedrongen in alle economische omstandigheden. In het Romeinse Rijk bijvoorbeeld, op het hoogste punt van ontwikkeling, bleven de belastingen en de betalingen gebeuren in natura. Het geldsysteem ontwikkelde zich daar eigenlijk pas volledig in het leger. Het heeft ook nooit de totaliteit van de arbeid in zijn greep gekregen. Hoewel de eenvoudiger categorie dus historisch vóór de concretere kan hebben bestaan, kan zij in haar volledige intensieve en extensieve ontwikkeling juist tot een gecombineerde maatschappijvorm behoren, terwijl de concretere in een “minder ontwikkelde” maatschappijvorm vollediger tot ontwikkeling kwam.

Arbeid lijkt een zeer eenvoudige categorie. Het algemene idee ervan – arbeid als zodanig – is ook oeroud. Niettemin is “arbeid”, in deze eenvoud economisch opgevat, net zo’n moderne categorie als de verhoudingen die deze eenvoudige abstractie voortbrengen. Het monetaire systeem, bijvoorbeeld, plaatst rijkdom nog steeds objectief als een ding los van zichzelf in het geld. Vergeleken met dit standpunt was het een grote vooruitgang toen de manufactuur of het handelsstelsel, de commerciële en de manufactuurarbeid – de bron van rijkdom – uit het object in de subjectieve activiteit plaatste, maar deze activiteit zelf nog slechts in haar beperktheid als geldmakerij opvatte. Tegenover dit systeem staat het fysiocratische systeem, dat een bepaald soort arbeid – de landbouw – als schepper van rijkdom plaatst, en het voorwerp zelf verschijnt niet meer in een monetaire vermomming, maar als het product in het algemeen, als het algemene resultaat van de arbeid. Dit product blijft, zoals het de beperktheid van de activiteit betaamt, altijd een natuurlijk bepaald product – het product van de landbouw, het product van de aarde bij uitstek.

Het was een enorme stap voorwaarts voor Adam Smith om elke definitie van rijkdom scheppende activiteit overboord te gooien – arbeid bij uitstek, noch fabrieks-, noch handels-, noch landbouwarbeid, maar zowel het een als het ander. Met de abstracte algemeenheid van de rijkdom scheppende activiteit hebben we nu de algemeenheid van het object dat als rijkdom wordt gedefinieerd, het product als zodanig of opnieuw de arbeid als zodanig, maar de arbeid als verleden, geobjectiveerde arbeid. Hoe moeilijk en groot deze overgang was, blijkt uit het feit dat Adam Smith zelf van tijd tot tijd nog terugvalt in het fysiocratische systeem. Nu kan het lijken alsof dit slechts de abstracte uitdrukking is voor de eenvoudigste en oudste verhouding waarin mensen – in welke maatschappijvorm dan ook – produceren. Dat is enerzijds correct, anderzijds niet. Onverschilligheid ten opzichte van een bepaald soort arbeid veronderstelt een zeer ontwikkeld geheel van daadwerkelijke soorten arbeid, waarvan er niet een overheerst. Zo ontstaan de meest algemene abstracties slechts in de rijkste concrete ontwikkeling, waar één ding gemeenschappelijk blijkt voor velen, gemeenschappelijk voor allen. Dan stopt het om er alleen in een bepaalde vorm aan te kunnen denken. Aan de andere kant is deze abstractie van de arbeid als zodanig niet enkel het mentale product van een concrete totaliteit van arbeid. De onverschilligheid voor bijzondere arbeid komt overeen met een maatschappijvorm waarin de individuen gemakkelijk van de ene arbeid naar de andere overgaan en de bijzondere soort arbeid voor hen toevallig is, dus onverschillig. Hier is arbeid, niet alleen in de categorie, maar in werkelijkheid, het middel geworden om rijkdom als zodanig te scheppen, en is het niet langer organisch verbonden met bepaalde personen in een specifieke vorm. Een dergelijke conditie is het meest ontwikkeld in de modernste vorm van de burgerlijke maatschappijen – de Verenigde Staten. Hier wordt dus de abstractie van de categorie “arbeid”, “arbeid in het algemeen”, arbeid sans phrase, het uitgangspunt van de moderne economie, pas praktisch waar. De eenvoudigste abstractie dus, die de moderne economie bovenaan plaatst en die een eeuwenoude verhouding uitdrukt die geldt voor alle maatschappijvormen, blijkt in deze abstractie praktisch waar als een categorie van de modernste maatschappij. Men zou kunnen zeggen dat wat in de Verenigde Staten een historisch product lijkt, bij de Russen bv. – deze onverschilligheid tegenover een bepaalde arbeid – als een natuurlijke aanleg verschijnt. Alleen is er het duivelse verschil, of de barbaren de aanleg hebben voor alles bruikbaar te zijn, of dat de beschaafde mensen zich voor alles laten gebruiken. En in het geval van de Russen komt deze onverschilligheid tegenover een bepaalde arbeid er praktisch op neer dat door traditie, zij vast zitten in een bepaalde arbeid, waaruit zij slechts door invloeden van buitenaf kunnen loskomen.

Dit voorbeeld toont treffend aan hoe zelfs de meest abstracte categorieën, ondanks hun geldigheid juist door hun abstractie – voor alle tijdperken, niettemin in de bepaling van deze abstractie zelf evenzeer het product zijn van historische verhoudingen en hun volle geldigheid alleen bezitten voor en binnen deze verhoudingen.

De burgerlijke maatschappij is de meest ontwikkelde en meest diverse historische organisatie van de productie. De categorieën die hun verhoudingen uitdrukken, het begrip van hun structuur, verschaffen dus tegelijk inzicht in de structuur en de productieverhoudingen van alle te gronde gegane maatschappijvormen met wier ruïnes en elementen zij zich heeft opgebouwd, waarvan deels nog onoverwonnen restanten in haar voortleven, waarvan de nuances alleen al een expliciete betekenis hebben ontwikkeld, enz. De anatomie van de mens is een sleutel tot de anatomie van de aap. De toespelingen op het hogere in de ondergeschikte diersoorten kunnen daarentegen alleen worden begrepen als het hogere zelf reeds bekend is. Zo biedt de burgerlijke economie de sleutel tot de oudheid, enz. Maar helemaal niet op de wijze van die economen, die alle historische verschillen doen vervagen en in alle maatschappijvormen de burgerlijke zien. Men kan de cijns, tienden, enz. begrijpen, als men de grondrente begrijpt. Maar men hoeft ze niet te identificeren. En aangezien de burgerlijke maatschappij zelf slechts een tegenstrijdige vorm van ontwikkeling is, zullen de verhoudingen van vroegere vormen er vaak slechts in een zeer rudimentaire vorm in terug te vinden zijn of zelfs getravesteerd. Bv. gemeenschappelijk eigendom. Als het waar is dat de categorieën van de burgerlijke economie een waarheid bezitten voor alle andere maatschappijvormen, dan moet dit slechts cum grano salis [met een korrel zout] worden opgevat. Zij kunnen deze bevatten in een ontwikkelde, een verstarde, of een karikaturale vorm enz., maar altijd met een essentieel verschil. De zg. historische ontwikkeling berust in het algemeen op het feit dat de jongste vorm de voorgaande vormen ziet als etappes naar zichzelf, en aangezien hij zelden en slechts onder zeer bepaalde voorwaarden in staat is zichzelf te bekritiseren – wij spreken hier natuurlijk niet van historische periodes die duidelijk periodes van verval zijn – deze altijd partijdig bekijkt. De christelijke godsdienst was pas in staat bij te dragen tot een objectief begrip van de vroegere mythologieën, zodra haar zelfkritiek tot op zekere hoogte was voltooid, als het ware potentieel. Zo kwam de burgerlijke economie pas tot het begrip van de feodale, de antieke, en oosterse, zodra de zelfkritiek van de burgerlijke maatschappij aanving. Voor zover de burgerlijke economie zich niet louter mythologiserend met het verleden identificeerde, leek haar kritiek op de vroegere, met name feodale systemen, waarmee zij nog steeds rechtstreeks te kampen had, op de kritiek die het christendom uitoefende op het heidendom of het protestantisme op het katholicisme.

Zoals in het algemeen bij elke historische, maatschappelijke wetenschap moet bij de economische categorieën steeds worden opgemerkt dat, zowel in de realiteit als in het denken, het subject, hier de moderne burgerlijke maatschappij, gegeven is en dat de categorieën dus bestaansvormen, bestaansbepalingen uitdrukken, die vaak slechts partijdige kanten van deze bepaalde maatschappij, van dit subject, uitdrukken en dat het dus geenszins pas wetenschappelijk begint waar er nu als zodanig over gesproken wordt. Dit moet voor ogen worden gehouden omdat het onmiddellijk doorslaggevende informatie geeft over de indeling. Zo lijkt niets natuurlijker dan te beginnen met de grondrente, de grondeigendom, daar dit gebonden is aan de aarde, de bron van alle productie en alle bestaan, en aan de eerste productievorm van alle redelijk stabiele maatschappijen – de landbouw. Maar niets zou meer fout zijn. In alle maatschappijvormen is het een bepaalde productie die rang en invloed geeft aan al de rest, en haar verhoudingen dus met al de rest. Het is een algemeen licht [Beleuchtung] waarin alle andere kleuren baden en die hen in hun bijzonderheid wijzigt. Het is een bijzondere ether die het specifieke gewicht bepaalt van al het bestaan daarin. Bijvoorbeeld in het geval van herdersvolkeren (louter jagers- en vissersvolkeren liggen buiten het punt waar de echte ontwikkeling begint). Bij hen is er, sporadisch, een bepaalde vorm van landbouw. Het grondbezit wordt hierdoor bepaald. Het is gemeenschappelijk en handhaaft min of meer deze vorm, afhankelijk van het feit of deze volkeren nog min of meer vasthouden aan hun traditie, bv. het gemeenschappelijk bezit bij de Slaven. Bij volkeren met een dominante gevestigde landbouw – wat al een grote stap is – zoals in de oudheid en in de feodaliteit, heeft zelfs de industrie, tezamen met haar organisatie en de eigendomsvormen die ermee overeenkomen, een min of meer grondbezit-karakter; is er ofwel volledig afhankelijk van, zoals bij de oude Romeinen, of imiteert, zoals in de middeleeuwen, binnen de stedelijke verhoudingen, de organisatie van de grond. Het kapitaal zelf in de middeleeuwen – voor zover het geen zuiver geldkapitaal is – als traditioneel werktuig van het ambacht, enz., heeft het karakter van de grondeigendom. In de burgerlijke maatschappij is het precies andersom. Landbouw wordt meer en meer een gewone tak van de industrie en wordt volledig beheerst door kapitaal. Eveneens de grondrente. In alle vormen waar de grondeigendom heerst, overheerst nog steeds de verhouding tot de natuur. Daar waar het kapitaal heerst, heerst het maatschappelijk, historisch gecreëerde element. De grondrente kan niet worden begrepen zonder kapitaal. Kapitaal kan echter worden begrepen zonder de grondrente. Het kapitaal is de allesoverheersende economische macht van de burgerlijke maatschappij. Het moet zowel begin- als eindpunt zijn en vóór de grondeigendom aan bod komen. Nadat beide afzonderlijk zijn beschouwd, moet hun onderlinge verband behandeld worden.

Het zou dus onbegrijpelijk en verkeerd zijn de economische categorieën elkaar te laten opvolgen in de volgorde waarin zij historisch bepalend waren. Hun volgorde wordt veeleer bepaald door de verhouding die zij tot elkaar hebben in de moderne burgerlijke maatschappij, die precies het omgekeerde is van wat hun natuurlijke volgorde lijkt te zijn of overeenkomt met de historische ontwikkeling. Het gaat niet om de verhouding die de economische betrekkingen historisch gezien innemen in de opeenvolging van de verschillende maatschappijvormen. Nog minder over hun volgorde “in de idee” (Proudhon), (een vage opvatting van de historische beweging). Maar eerder hun geleding binnen de moderne burgerlijke maatschappij.

De zuiverheid (abstracte bepaaldheid) waarin de handelsvolkeren – Feniciërs, Carthagers – in de oude wereld voorkomen, wordt juist bepaald door de overheersing van de agrarische volkeren. Kapitaal als handels- of geldkapitaal verschijnt juist in deze abstractie, waar kapitaal nog niet het heersende element van de maatschappij is. De Longobarden en de joden nemen dezelfde positie in ten opzichte van de middeleeuwse agrarische maatschappijen.

Een ander voorbeeld van de verschillende posities die eenzelfde categorie in verschillende maatschappelijke stadia kan innemen: een van de laatste vormen van de burgerlijke maatschappij: de naamloze vennootschappen. Zij verschijnen echter ook, in het begin, in de grote, bevoorrechte monopolistische handelsmaatschappijen.

Het begrip nationale rijkdom is bij de economen van de zeventiende eeuw zo binnengeslopen – een opvatting die nog ten dele voortleeft bij die van de achttiende – in de opvatting dat rijkdom alleen wordt gecreëerd om de staat te verrijken, en dat de staatsmacht evenredig is aan deze rijkdom. Dit was nog een onbewust hypocriete vorm, waarin de rijkdom en haar productie zich uitriepen tot het doel van de moderne staten en deze slechts beschouwden als een middel voor de productie van de rijkdom.

Klaarblijkelijk moet de indeling zo zijn dat 1. de algemene abstracte bepalingen, die dus min of meer tot alle maatschappijvormen behoren, maar in de zin van hierboven; 2. de categorieën die de interne geleding van de burgerlijke maatschappij vormen en waarop de fundamentele klassen zijn gebaseerd. Kapitaal, loonarbeid, grondeigendom. Hun betrekking tot elkaar. Stad en grond. De drie grote maatschappelijke klassen. Ruil tussen hen. Circulatie. Krediet (privé); 3. groepering van de burgerlijke maatschappij in de vorm van de staat. In relatie tot zichzelf. De “onproductieve” klassen. Belastingen. Staatsschuld. Overheidskrediet [öffentlicher Kredit]. De bevolking. Kolonies. Emigratie; 4. internationale productieverhoudingen. Internationale arbeidsdeling. Internationale ruil. Uitvoer en invoer. Wisselkoers; 5. De wereldmarkt en crisissen.

4. Productie

Productiemiddel en productieverhoudingen
Productieverhoudingen en verkeersverhoudingen
Staats- en bewustzijnsvormen in verhouding tot de productie- en verkeersverhoudingen
Juridische verhoudingen. Familieverhoudingen

Nota bene in verband met de punten die hier moeten worden vermeld en niet vergeten:

1. Oorlog eerder ontwikkeld dan vrede; de manier waarop, door oorlog en in legers, enz., bepaalde economische verhoudingen, zoals loonarbeid, machines, enz. zich eerder ontwikkelden dan binnen de burgerlijke maatschappij. Ook de verhouding tussen productiekracht en verkeersverhoudingen is bijzonder duidelijk [anschaulich] in het leger.

2. De verhouding van de vroegere ideale geschiedschrijving tot de echte. Namelijk de zogenaamde culturele geschiedenissen, die allemaal geschiedenissen van religies en staten zijn. (Bij deze gelegenheid kan ook iets worden gezegd over de verschillende manieren waarop tot nu toe geschiedenis is geschreven. Zgn. objectieve. Subjectieve (morele enz.). Filosofische).

3. Secundaire en tertiaire, over het algemeen afgeleide, overgedragen, niet oorspronkelijke productieverhoudingen. Invloed [einspielen] hier van internationale verhoudingen.

4. Verwijten over het materialisme van deze opvatting. Verhouding tot het naturalistisch materialisme.

5. Dialectiek van de begrippen productiekracht (productiemiddel) en productieverhoudingen, een dialectiek waarvan de grenzen moeten worden vastgesteld en die het werkelijke verschil niet opheft.

6. De ongelijke verhouding van de ontwikkeling van de materiële productie tot bv. de artistieke productie. In het algemeen kan het begrip vooruitgang niet in de gebruikelijke abstractie worden gevat. Bij kunst enz. is de wanverhouding nog niet zo belangrijk en moeilijk te vatten als binnen de praktisch-maatschappelijke verhoudingen zelf. Bv. onderwijs. De verhouding van de Verenigde Staten tot Europa. Het echt moeilijke punt om hier te bespreken is echter hoe de productieverhoudingen als juridische verhoudingen in een ongelijke ontwikkeling terechtkomen. Bijvoorbeeld de verhouding van het Romeinse privaatrecht (minder inzake strafrecht en publiekrecht) tot de moderne productie.

7. Deze opvatting lijkt een noodzakelijke ontwikkeling te zijn. Maar rechtvaardiging van het toeval. Hoe. (Ook van vrijheid o.a.) (Invloed van het communicatiemiddel. Wereldgeschiedenis heeft niet altijd bestaan; geschiedenis als wereldgeschiedenis resultaat).

8. Het uitgangspunt, natuurlijk, is de determinatie van de natuur; subjectief en objectief. Stammen, rassen, enz.

1. In het geval van de kunsten is het bekend dat bepaalde bloeiperioden in geen enkele verhouding staan tot de algemene ontwikkeling van de maatschappij en dus ook niet tot de materiële basis, het skelet als het ware, van haar organisatie. Bv. de Grieken vergeleken met de modernen, of zelfs Shakespeare. Men erkent zelfs dat bepaalde kunstvormen, bv. het epos, niet meer in hun wereldbepalende, klassieke gestalte kunnen worden voortgebracht zodra de kunstproductie als zodanig begint; dat wil zeggen dat bepaalde betekenisvolle vormen binnen het domein van de kunsten alleen mogelijk zijn in een onontwikkeld stadium van artistieke ontwikkeling. Als deze verhouding het geval is tussen de verschillende soorten kunst binnen de kunsten zelf, is het al minder raadselachtig dat dit het geval is met de verhouding van de kunst tot de algemene ontwikkeling van de maatschappij. De moeilijkheid bestaat alleen in de algemene formulering van deze tegenstellingen. Zodra zij gespecificeerd zijn, zijn zij reeds opgehelderd.

Neem bv. de verhouding van de Griekse kunst en dan Shakespeare tot het heden. Het is bekend dat de Griekse mythologie niet alleen het arsenaal van de Griekse kunst is, maar ook haar grond. Is de zienswijze op de natuur en de maatschappelijke verhoudingen die aan de Griekse fantasie en dus aan de Griekse [kunst] ten grondslag ligt, mogelijk met automaten [selfactors (de Spinning Mule)], spoorwegen, locomotieven en telegrafie? Waar is Vulcanus tegenover Roberts en co, Jupiter tegen de bliksemafleider en Hermes tegen het Crédit mobilier? Alle mythologie overwint en overheerst en vormt de natuurkrachten in en door de verbeelding; zij verdwijnt dus met de komst van het werkelijke meesterschap over hen. Wat gebeurt er met Fama naast Printinghouse square? [Een plein met de drukkerij van The Times] De Griekse kunst veronderstelt de Griekse mythologie, d.w.z. de natuur en de maatschappelijke vormen die reeds op een onbewuste artistieke manier door de volkse verbeelding zijn verwerkt. Dat is het materiaal. Niet zomaar een mythologie, d.w.z. niet zomaar een onbewust kunstzinnige verwerking van de natuur (hier inclusief alles wat objectief is, d.w.z. inclusief de maatschappij). De Egyptische mythologie kon nooit de grond of de schoot van de Griekse kunst zijn. Maar in ieder geval was het een mythologie. Met andere woorden, in geen geval een maatschappelijke ontwikkeling die elke mythologische verhouding tot de natuur, elke mythologiserende verhouding tot de natuur uitsluit; met andere woorden, die van de kunstenaar een verbeelding eist die onafhankelijk is van de mythologie.

Aan de andere kant: is Achilles mogelijk met kruit en lood? Of zelfs de “Ilias” met de drukpers en de boekdrukkunst? Verdwijnen het lied, het epische gedicht, de muzen niet noodzakelijkerwijs voor de typograaf, verdwijnen niet de noodzakelijke voorwaarden van de epische poëzie?

Maar de moeilijkheid ligt niet in het inzicht dat de Griekse kunst en epiek verbonden zijn met bepaalde vormen van maatschappelijke ontwikkeling. De moeilijkheid ligt in het feit dat zij ons nog steeds kunstgenot gunnen en in sommige opzichten worden beschouwd als de norm en onbereikbaar voorbeeld.

Een man kan niet opnieuw een kind worden, of hij wordt kinds. Maar verheugt de naïviteit van het kind hem niet en moet hij zelf niet opnieuw op een hoger niveau streven naar de weergave van zijn waarheid? Komt het ware karakter van elk tijdperk niet tot leven in de aard van zijn kinderen? Waarom zou de historische kindertijd van de mensheid, de mooiste ontplooiing ervan, als een nooit meer terugkerend toneel, niet een eeuwige bekoring uitoefenen? Er zijn onhandelbare kinderen en vroegrijpe kinderen. Vele oude volkeren behoren tot deze categorie. De Grieken waren normale kinderen. De charme van hun kunst is voor ons niet in tegenspraak met het onontwikkelde stadium van de maatschappij waarin zij opgroeiden. [Zij] is veeleer het resultaat ervan en is onlosmakelijk verbonden met het feit dat de onrijpe maatschappelijke voorwaarden waaronder zij ontstond, en alleen kon ontstaan, nooit meer kunnen terugkeren.