Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

[Vast kapitaal en de ontwikkeling van de productiekrachten van de samenleving]

“Indeling van machines in 1. machines die gebruikt worden om vermogen te produceren; 2. machines die gewoon bedoeld zijn om vermogen over te brengen en het werk uit te voeren.” (Babbage [pp. 20/21], Notitieboek, p. 10) [Marx verwijst naar een ongedateerd en ongenummerd Brussels notitieboek van ongeveer september 1845.]

Fabriek betekent het samenwerken van arbeiders van verschillende leeftijden, volwassenen en niet-volwassenen, die met bekwaamheid en stiptheid een mechanisch productiesysteem volgen dat voortdurend door een centrale kracht wordt aangedreven, en sluit elke fabriek uit waarvan het mechanisme geen continu systeem is of niet door één enkel aandrijfprincipe wordt bepaald. Voorbeelden van deze laatste categorie zijn textielfabrieken, kopergieterijen, enz. – In de meest strikte versie van deze term ontwikkelt zich het idee van een grote automaat, bestaande uit talrijke mechanische en verstandelijke organen die in overleg en zonder onderbreking naar één en hetzelfde doel werken, waarbij al deze organen ondergeschikt zijn aan een drijfkracht die zichzelf beweegt.” (Ure [pp. 18/19], 13) [Marx verwijst naar een ongedateerd en ongenummerd Brussels notitieboek van ongeveer september 1845.]

Kapitaal dat zichzelf verbruikt in het productieproces, of vast kapitaal, is in emfatische zin een productiemiddel. In een ruimere betekenis is het gehele productieproces en elk van haar onderdelen, zoals de circulatie – wat het materiële aspect betreft – alleen een productiemiddel voor het kapitaal, waarvoor alleen de waarde als doel op zich bestaat. Gezien als een materiële substantie is de grondstof zelf een productiemiddel voor het product, enz.

Maar de vaststelling van de gebruikswaarde van het vaste kapitaal als verbruikt in het productieproces, is identiek aan het feit dat het slechts als middel in dit proces wordt gebruikt en zelf slechts bestaat als middel voor de transformatie van de grondstof tot een product. Als zodanig een productiemiddel, kan het zijn dat zijn gebruikswaarde de technologische voorwaarde is voor het beloop van het proces (de plaats waar het productieproces plaatsvindt), zoals gebouwen, enz., of dat het een directe voorwaarde is voor de werking van de eigenlijke productiemiddelen, zoals alle matières instrumentales [hulpmiddelen voor de productie]. Beiden zijn op hun beurt alleen de materiële vooronderstellingen voor het productieproces in het algemeen, of voor het gebruik en behoud van de arbeidsmiddelen. Deze echter fungeren eigenlijk alleen in en voor de productie en hebben geen andere gebruikswaarde.

Oorspronkelijk, toen we de ontwikkeling van waarde naar kapitaal onderzochten, was het arbeidsproces eenvoudig in het kapitaal inbegrepen, en gezien zijn materiële voorwaarden, zijn materiële bestaan, was kapitaal het geheel van de voorwaarden van dit proces, en overeenkomstig verdeelde het zich in een aantal kwalitatief verschillende delen, arbeidsmateriaal (dit, niet grondstof, is de juiste uitdrukking van het begrip), arbeidsmiddelen, en levende arbeid. Enerzijds was het kapitaal verdeeld in deze drie elementen, in overeenstemming met de materiële samenstelling ervan; anderzijds was het arbeidsproces (of het opgaan van deze elementen in elkaar tijdens het proces) hun bewegende eenheid, het product hun statische [ruhende] eenheid. Onder deze vorm waren de materiële elementen – arbeidsmateriaal, arbeidsmiddel en levende arbeid – enkel de essentiële ogenblikken van het arbeidsproces zelf, dat het kapitaal zich toe-eigent. Maar dit materiële aspect – of zijn karakter als gebruikswaarde of als werkelijk proces – viel niet volledig samen met zijn vormfunctie. In deze verschenen,
1) de 3 elementen, waaruit het bestaat voor de ruil met het arbeidsvermogen, voor het werkelijke proces, enkel kwantitatieve verschillende delen van zichzelf, als een hoeveelheid waarde, waarvan het zelf als som de eenheid vormt. De materiële vorm, de gebruikswaarde, waarin deze verschillende delen bestonden veranderde op geen enkele wijze hun formele identiteit. Voor zover het hun vormfunctie betrof waren ze slechts kwantitatieve onderverdelingen van het kapitaal;
2) tijdens het proces zelf, wat betreft de vorm, waren de arbeidselementen en de twee andere alleen in zo verre verschillend dat de laatste nader bepaald werden als constante waarden, en de eerste als waarde-aanbrengend [wertsetzend]. Maar voor zover het hun onderscheid als gebruikswaarde, hun materiële aspect betrof, viel het geheel buiten de vormfunctie van het kapitaal. Nu echter, met het onderscheid tussen circulerend kapitaal (grondstof en product) en vast kapitaal (arbeidsmiddelen), wordt het verschil van de elementen als gebruikswaarden gelijktijdig gesteld als het verschil van het kapitaal als formfunctie van het kapitaal. De verhouding tussen de factoren, die zuiver kwantitatief waren, komen nu voor als een kwalitatief verschil in het kapitaal zelf, en als een beslissende factor voor de totale beweging (omzet) daarvan. Het materiaal van de arbeid en het product van de arbeid, geneutraliseerd precipitaat van het arbeidsproces, als grondstof en product, zijn ook al niet meer materieel bepaald als materiaal en product van de arbeid, maar als gebruikswaarde van het kapitaal in verschillende fasen.

Zolang het arbeidsmiddel in de eigenlijke zin van het woord, arbeidsmiddel blijft, zoals het rechtstreeks, historisch, door het kapitaal in zijn valorisatieproces wordt genomen [hereingenommen], ondergaat het slechts een formele verandering in die zin dat het nu niet alleen in zijn materieel aspect als arbeidsmiddel verschijnt, maar tegelijkertijd als een speciale bestaanswijze van het kapitaal, bepaald door het totale proces van het kapitaal – als vast kapitaal.

Maar in het kapitalistisch productieproces ondergaat het arbeidsmiddel verschillende gedaanteverwisselingen, waarvan de laatste de machine is, of liever een automatisch systeem van machines (machinaal systeem; het automatische is de meest volmaakte adequate vorm ervan en verandert de machine pas in een systeem), in beweging gezet door een automaat, een bewegende kracht die zichzelf beweegt; deze automaat bestaat uit talrijke mechanische en intellectuele organen, zodat de arbeiders zelf slechts de bewuste schakels zijn. Bij de machine, en nog meer bij de machinerie als automatisch systeem, wordt de gebruikswaarde, dat is de materiële kwaliteit van het arbeidsmiddel, omgevormd tot een bestaan dat aangepast is aan het vast kapitaal en het kapitaal als zodanig; en de vorm waarin het was opgenomen in het productieproces van het kapitaal, het directe arbeidsmiddel, wordt vervangen door een vorm die door het kapitaal zelf gesteld is en daaraan beantwoordt. Op geen enkele wijze is de machine het arbeidsmiddel van de individuele arbeider. Haar differentia specifica is er helemaal niet, zoals bij het arbeidsmiddel, om het werk van de arbeider op het object te bemiddelen; maar deze actie is veeleer zo ingesteld dat zij slechts bemiddelt – toezicht houdt – op het machinewerk, haar actie op de grondstof, en deze behoed tegen storingen. Niet zoals in het geval van een instrument, dat de arbeider bezielt en tot zijn orgaan maakt met zijn vaardigheid en activiteit en het hanteren ervan afhangt van zijn virtuositeit. Eerder is het de machine die bekwaamheid en kracht bezit in plaats van de arbeider, ze is zelf de virtuoos, met een eigen ziel waardoor de wetten van de mechanica werken; en ze verbruikt kolen, olie, enz. (matières instrumentales), juist zoals de arbeider voedsel verbruikt, om haar voortdurende beweging in stand te houden. De activiteit van de arbeider, die teruggebracht is tot een zuivere abstractie van activiteit, wordt bepaald en geregeld door de beweging van de machinerie, en niet omgekeerd. De wetenschap, die de zielloze onderdelen van de machinerie, door hun constructie, dwingt doelmatig te werken als een automaat, bestaat niet in het bewustzijn van de arbeiders maar werkt eerder op hem in als een vreemde macht, als de macht van de machine zelf.

De toe-eigening van levende arbeid door geobjectiveerde arbeid – van de kracht of activiteit die waarde voortbrengt door de op zich bestaande waarde – wat in het begrip van het kapitaal ligt, dat wordt gesteld in een productie die op machinerieën berust, als het kenmerk van het productieproces zelf, inbegrepen de materiële elementen en de materiële beweging ervan. Het productieproces is niet langer een arbeidsproces in de betekenis van een proces dat door de arbeid gedomineerd en geregeld wordt. Het verschijnt als een bewust orgaan, op vele punten van het mechanische systeem in individuele levende arbeiders; verspreid, ondergeschikt aan het totale proces van de machine zelf, slechts een lid van het systeem waarvan de eenheid niet bestaat in de levende arbeiders maar in de levende (actieve) machine, die tegenover de individuele, onbeduidende activiteit verschijnt als een enorm organisme. Bij de machinerie staat geobjectiveerde arbeid tegenover de levende arbeid in het arbeidsproces als de macht die het regelt; een macht, die als de toe-eigening van levende arbeid, de kapitaalsvorm is. Het aangaan van het arbeidsproces als louter een moment in het valorisatieproces van het kapitaal wordt ook materieel bepaald door de transformatie van de arbeidsmiddelen in machines en van de levende arbeid in louter levend toebehoren aan deze machines; als middel van de activiteit ervan.

De groei van de productieve arbeidskracht en de grootst mogelijke ontkenning van de noodzakelijke arbeid is de voornaamste tendens van het kapitaal zoals we hebben gezien. De omvorming van arbeidsmiddelen in machinerie is de verwezenlijking van deze tendens. Bij de machinerie staat geobjectiveerde arbeid materieel tegenover levende arbeid als een heersende macht en als een actieve onderwerping van de laatste onder zich, niet alleen door die toe te eigenen, maar ook in het werkelijke productieproces zelf; de verhouding van kapitaal als waarde, die zich de waardescheppende activiteit toe-eigent, is, bij vast kapitaal dat uit machinerieën bestaat, tegelijk gesteld als de verhouding van de gebruikswaarde van kapitaal tot de gebruikswaarde van het arbeidsvermogen; verder komt de geobjectiveerde waarde in de machinerie voor als een veronderstelling waartegenover de waardescheppende kracht van het individueel arbeidsvermogen een oneindig kleine, verdwijnende grootheid is; de productie van enorme massale hoeveelheden, die mechanisch gemaakt worden, vernietigt elke band tussen het product en de directe behoefte van de producent, en daardoor met de directe gebruikswaarde; het is al aangenomen in de vorm van de productie van het product en in de verhoudingen waarin het geproduceerd is, dat het alleen als waardeoverdracht geproduceerd is, en de gebruikswaarde ervan is enkel een doel op zich. Bij de machinerie komt de geobjectiveerde arbeid niet alleen voor in de vorm van het product of in het product gebruikt als arbeidsmiddel, maar ook in de vorm van de productiekracht zelf. De ontwikkeling van arbeidsmiddelen in machinerieën is geen toevalligheid van het kapitaal, maar is eerder de historische herschepping van de traditionele, overgeleverde arbeidsmiddelen in een vorm die aangepast is aan het kapitaal. De accumulatie van kennis en vakbekwaamheid van de algemene productieve krachten van het maatschappelijk intellect, wordt zo door het kapitaal geabsorbeerd, in tegenstelling tot arbeid, en komt daardoor voor als een kenmerk van het kapitaal, en meer specifiek van vast kapitaal, voor zover het als productiemiddel in het productieproces terechtkomt. Machinerie is daarom de meest geschikte vorm voor vast kapitaal en vast kapitaal, voor zover het de onderlinge betrekkingen van het kapitaal betreffen, is de meest geschikte vorm voor het kapitaal als zodanig. In een ander opzicht echter, voor zover vast kapitaal veroordeeld is tot een bestaan binnen de grenzen van een specifieke gebruikswaarde, beantwoordt het niet aan de opvatting van het kapitaal, dat als waarde onverschillig staat tegenover iedere specifieke vorm van gebruikswaarde en elk daarvan kan aannemen of afschudden als gelijkwaardige incarnaties. In dit opzicht, volgens de externe betrekkingen van het kapitaal, is het circulerende kapitaal de adequate vorm van kapitaal in vergelijking met het vaste kapitaal.

Voor zover de machinerie ontwikkeld wordt door de accumulatie van wetenschap in de samenleving, van de productiekracht in het algemeen, verschijnt de algemene maatschappelijke arbeid niet in de arbeid maar in het kapitaal. De productiekracht van de maatschappij wordt afgemeten aan het vast kapitaal, bestaat daar in haar objectieve vorm; en omgekeerd groeit de productiekracht van het kapitaal met deze algemene vooruitgang, dat het kapitaal zich gratis toe-eigent. Het is hier niet de plaats om in detail in te gaan op de ontwikkeling van de machinerie; eerder alleen op het algemeen aspect daarvan; voor zover het arbeidsmiddel, materieel, zijn directe vorm verliest en vast kapitaal wordt en materieel tegenover de arbeider als kapitaal staat. Kennis verschijnt in de machine als vreemd, los daarvan; en levende arbeid valt onder de zelfstandig handelende geobjectiveerde. De arbeider lijkt overbodig, voor zover zijn handelen niet wordt bepaald door de behoeften [van het kapitaal].

[Hier is de tekst verloren door papierbeschadiging.]

De gehele ontwikkeling van het kapitaal vindt daarom alleen plaats – of het kapitaal heeft de productiewijze tot stand gebracht die met haar overeenkomt – als de arbeidsmiddelen niet alleen de economische vorm van vast kapitaal hebben aangenomen, maar ook opgeheven zijn in hun directe vorm, en als vast kapitaal aan en tegenover de arbeider in het productieproces verschijnt als een machine; en het gehele productieproces niet langer onderworpen is aan de directe vakkundigheid van de arbeider, maar meer de technologische toepassing van de wetenschap is. [Het is] daarom de tendens van het kapitaal de productie een wetenschappelijk karakter te geven; directe arbeid [wordt] teruggebracht tot een louter moment van dit proces. Zoals bij de verandering van waarde in kapitaal, zo blijkt het uit de verdere ontwikkeling van het kapitaal, dat ze een zeker gegeven historische ontwikkeling van de productieve krachten enerzijds veronderstelt – ook wetenschap [behoort] tot deze productieve krachten – en, anderzijds hen gedwongen verder vooruit drijft.

Zo wijst de kwantitatieve omvang en de werkzaamheid (intensiteit), waartoe kapitaal als vast kapitaal ontwikkeld is, het algemene niveau aan waartoe kapitaal als kapitaal ontwikkeld is, als macht over levende arbeid, en waartoe ze het productieproces als zodanig veroverd [unterworfen] heeft. Ook in de betekenis dat ze de accumulatie van geobjectiveerde productiekrachten tot uitdrukking brengt en insgelijks de geobjectiveerde arbeid. Terwijl kapitaal zich haar aangepaste vorm als gebruikswaarde binnen het productieproces alleen in de vorm van machinerieën en andere materiële uitingen van vast kapitaal geeft, zoals spoorwegen enz. (waarop we later zullen terugkomen) betekent dit echter geenszins dat deze gebruikswaarde – de machinerie als zodanig – kapitaal is, of dat het bestaan van machinerieën identiek is met het bestaan van kapitaal; goud zou niet langer gebruikswaarde hebben als het niet langer geld was. Machinerieën verliezen hun gebruikswaarde niet zodra ze niet langer kapitaal zijn. Omdat machinerieën de meest geschikte vorm van de gebruikswaarde van vast kapitaal zijn, volgt daaruit geenszins dat daarom de onderwerping aan de maatschappelijke kapitaalsverhouding de meest aangepaste en laatste maatschappelijke productieverhouding is voor de toepassing van machinerieën.

In de mate dat de arbeidstijd – de zuivere hoeveelheid arbeid – door het kapitaal gesteld wordt als het enige bepalende element, in die mate verdwijnt directe arbeid en haar hoeveelheid als het bepalend productieprincipe – de voortbrenging van gebruikswaarden – en wordt zowel kwantitatief teruggebracht tot een kleiner aandeel, als kwalitatief als een, weliswaar, onmisbaar maar ondergeschikt moment, versus de algemene wetenschappelijke arbeid, technologische toepassing van natuurwetenschappen enerzijds, en met de algemene productiekracht, die opkomt uit de maatschappelijke rangschikking [Gliederung] in de totale productie anderzijds – een rangschikking die een natuurlijk voortbrengsel blijkt te zijn van maatschappelijke arbeid (hoewel ze een historisch product is). Kapitaal werkt dus aan de eigen ontbinding als de dominerende productievorm.

Als zo enerzijds de transformatie van het productieproces van een eenvoudig arbeidsproces in een wetenschappelijk proces, dat de natuurkrachten onderwerpt en ze zo in dienst stelt van de menselijke behoeften, als eigenschap van het vast kapitaal ten opzichte van de levende arbeid, als dat zo verschijnt; als individuele arbeid als zodanig helemaal niet meer productief lijkt, maar slechts productief is in de gemeenschappelijke arbeid die de natuurkrachten aan zich ondergeschikt maakt, en deze verheffing van de onmiddellijke arbeid tot maatschappelijke arbeid verschijnt als een herleiding van de individuele arbeid tot hulpeloosheid tegenover de geconcentreerde gemeenschappelijkheid, in het kapitaal vertegenwoordigd; zo verschijnt aan de andere kant de instandhouding van de arbeid in de ene productietak door gelijktijdige arbeid in een andere, als een eigenschap van het circulerende kapitaal. In de kleinschalige circulatie verschaft het kapitaal de arbeider het loon, dat de laatste ruilt tegen noodzakelijke producten voor zijn consumptie. Het geld dat hij krijgt heeft deze mogelijkheid alleen omdat anderen tegelijk met hem werken; en het kapitaal kan hem in de vorm van geld recht geven op het werk van anderen, alleen omdat het zijn arbeid heeft toegeëigend. De ruil van iemands arbeid met de arbeid van iemand anders komt hier niet voor als bemiddeld en bepaald door het gelijktijdige bestaan van de arbeid van anderen, maar door het voorschot van het kapitaal. De mogelijkheid van de arbeider om substanties te ruilen die noodzakelijk zijn voor zijn consumptie gedurende de productie, is te danken aan een eigenschap van een deel van het circulerende kapitaal, betaald aan de arbeider, en van het circulerende kapitaal in het algemeen. Het is geen ruil van substanties tussen de gelijktijdige arbeidskrachten, maar het metabolisme [Stoffwechsel] van het kapitaal; het bestaan van circulerend kapitaal. Zo worden alle arbeidskrachten getransponeerd in kapitaalkrachten; de productieve arbeidskracht in vast kapitaal (die er los van staat en er als onafhankelijk (zakelijk) van bestaat); en enerzijds in het circulerend kapitaal, nl. het feit dat de arbeider zelf de voorwaarden heeft geschapen voor de herhaling van zijn arbeid, en dat de ruil hiervan, zijn arbeid, bemiddeld wordt door de co-existerende arbeid van anderen, dat verschijnt zo, dat het kapitaal hem een voorschot geeft en de gelijktijdigheid van de arbeidstakken stelt. (Deze laatste twee aspecten behoren feitelijk tot de accumulatie). Kapitaal in de vorm van circulerend kapitaal plaatst zich als bemiddelaar tussen de verschillende arbeiders.

Vast kapitaal produceert, naar haar karakter als productiemiddel, waarde, met de meest geëigende vorm, de machines, d.w.z., het doet de waarde van het product in slechts twee aspecten toenemen: 1) voor zover het waarde heeft, d.w.z. een product van arbeid is, een zekere hoeveelheid arbeid in geobjectiveerde vorm; 2) voor zover het de verhouding van surplusarbeid tot de noodzakelijke arbeid verhoogt, in zoverre zij de arbeid in staat stelt, door haar productiekracht te vergroten, in kortere tijd een grotere massa producten te scheppen die nodig zijn voor de instandhouding van het levende arbeidsvermogen. Het is daarom een tamelijk absurde burgerlijke bewering, dat de arbeider gelijk opdeelt met de kapitalist, omdat de laatste, wiens vast kapitaal (dat zelf voor zover dat mogelijk is, een arbeidsproduct is, en van vreemde arbeid hoofdzakelijk door het kapitaal toegeëigend) zijn arbeid gemakkelijker maakt (meer nog, hij ontneemt het elk zelfstandige en aantrekkelijke karakter door middel van de machine), of zijn arbeidstijd verkort. Het kapitaal gebruikt de machine vrijwel alleen in die mate dat ze de arbeider in staat stelt een groter deel van zijn tijd voor het kapitaal te werken, een groter deel van zijn tijd te krijgen die hem niet toebehoort, langer voor een ander te werken. Door dit proces wordt de hoeveelheid arbeid die nodig is voor de productie van een gegeven voorwerp inderdaad herleid tot een minimum, maar alleen om een maximum aan arbeid met een maximum aantal dergelijke voorwerpen te verwezenlijken. Het eerste aspect is belangrijk, omdat het kapitaal hier – zeker onbewust – menselijke arbeid, energieverbruik, tot een minimum herleidt. Dit zal bijdragen ten voordele van bevrijde arbeid, en is de voorwaarde voor die bevrijding.

Uit wat gezegd is blijkt de absurditeit van Lauderdale wanneer hij van het vast kapitaal een zelfstandige bron van waarde wil maken, onafhankelijk van de arbeidstijd. [Marx behandelt deze opvatting van Lauderdale in Theorieën over de meerwaarde] Het is zulk een bron alleen voor zover het zelf geobjectiveerde arbeidstijd is, en voor zover het surplusarbeidstijd mogelijk maakt. Het gebruik van machinerie veronderstelt zelf – zie hierboven, Ravenstone – historisch overtollige arbeiders. [Piercy Ravenstone, Thoughts on the funding System, and its effects, London 1824, pp. 11, 13, 45 en 46. Marx verwijst naar zijn Londens notitieboek IX van 1851.] Machinerieën worden alleen ingezet waar er een overvloed aan arbeidskrachten is. Alleen in de verbeelding van economen leidt dit tot een hulpmiddel voor de individuele arbeider. Het kan alleen doeltreffend zijn met massa’s arbeiders, hun concentratie tegenover het kapitaal is een van de historische voorwaarden daarvoor, zoals we hebben gezien. Ze komt niet om gebrek aan arbeidskracht te vervangen, maar eerder om massaal voorhanden arbeidskracht tot de noodzakelijke hoeveelheid te reduceren. Alleen waar het arbeidsvermogen massaal voorhanden is, doen machines hun intrede. (Hierop terugkomen.)

Lauderdale denkt dat hij een grote ontdekking deed, dat de machinerie de arbeidsproductiviteit niet doet toenemen, omdat dit veeleer de laatste vervangt, of doet wat arbeid op eigen kracht niet kan. Het behoort tot de opvatting van het kapitaal, dat de toegenomen productiekracht van de arbeid meer als een toename van een kracht buiten zich om wordt voorgesteld, en als een verzwakking [Entkräftung] van de eigen arbeid. Het arbeidsmiddel maakt de arbeider zelfstandig – maakt van hem een bezitter. Machinerieën – als vast kapitaal – maken hem afhankelijk, eigenen zich hem toe. Dit effect van de machinerie gaat alleen op, zolang het ingedeeld is in de rol van vast kapitaal, en dit alleen omdat de arbeider zich daarmee als loonarbeider verhoudt, en het werkende individu in het algemeen verhoudt zich daartoe als een arbeider.

Terwijl tot nu toe vast en circulerend kapitaal alleen verschenen als verschillende voorbijgaande aspecten van het kapitaal, zijn ze nu verhard tot twee specifieke bestaanswijzen en komt het vast kapitaal gescheiden naast het circulerende kapitaal. Het zijn nu twee bijzondere kapitaalsoorten. Wanneer kapitaal in een afzonderlijke productietak onderzocht wordt, blijkt het in deze twee delen verdeeld te zijn, of splitst het zich in deze twee kapitaalsoorten in zekere verhoudingen op.

De verdeling binnen het productieproces, oorspronkelijk tussen arbeidsmiddel en arbeidsmateriaal, en tenslotte arbeidsproduct, is nu circulerend kapitaal (de laatste twee) en vast kapitaal [het eerste]. De scheiding binnen het kapitaal met betrekking tot het zuiver fysieke aspect daarvan maakt nu deel uit van de vorm zelf en geeft dit een verschillende ontwikkeling.

Vanuit het standpunt zoals dat van Lauderdale, enz. die zou willen dat kapitaal als zodanig, gescheiden van arbeid, waarde schept en dus ook surpluswaarde (of winst), is vast kapitaal – nl. dat kapitaal waarvan de fysieke aanwezigheid of gebruikswaarde de machinerie is – de vorm, die hun oppervlakkige dwaalbegrippen nog de meeste schijn van waarheid geeft. Het antwoord aan hen, bv. in Labour Defended, is dat de wegenbouwer (de winst) zou kunnen delen met de weggebruiker, maar de ‘weg’ zelf dat niet kan. [Marx verwijst hier naar de volgende passage uit Thomas Hodgskins anonieme paper Labour defended against the Claims of Capital ..., London 1825, p. 16: “Het is gemakkelijk te begrijpen waarom ... de bouwer van de weg iets moet ontvangen van de winst die alleen de gebruiker van de weg eruit haalt. Maar ik begrijp niet waarom de hele winst naar de weg zelf moet gaan, en toegeëigend moet worden door een aantal personen die de weg niet maken of gebruiken, onder de naam van winst voor hun kapitaal.” Marx behandelt de opvattingen van Hodgskin in detail in Theorieën over de meerwaarde.]

Circulerend kapitaal – veronderstellend dat het werkelijk zijn verschillende fasen doorloopt – brengt de vermindering of toename, de kortheid of lengte van de circulatietijd, de gemakkelijkere of moeilijkere voltooiing van de verschillende etappes van circulatie, een vermindering van de surpluswaarde teweeg, die in een gegeven tijdsduur zonder deze onderbrekingen zouden tot stand gebracht kunnen worden – ofwel omdat het aantal reproducties kleiner wordt, ofwel omdat de hoeveelheid kapitaal dat voortdurend ingeschakeld is in het productieproces gecontraheerd is. In beide gevallen is dit niet een vermindering van de beginwaarde, maar een vermindering van het groeitempo. Vanaf het ogenblik echter dat het vast kapitaal tot een zeker punt ontwikkeld is – en dit punt is, zoals we aantoonden de mate van ontwikkeling van de grootindustrie in het algemeen – van dan af groeit vast kapitaal in verhouding tot de ontwikkeling van de productiekracht van de grootindustrie – is het zelf de objectivering van deze productiekracht, als voorondersteld product – vanaf dat ogenblik werkt elke onderbreking van het arbeidsproces als een directe vermindering van het kapitaal, van haar veronderstelde waarde. De waarde van het vast kapitaal wordt alleen gereproduceerd voor zover het opgebruikt wordt in het productieproces. Door niet-gebruik verliest het zijn gebruikswaarde zonder dat die waarde overgaat op het product. Vandaar dat, hoe groter de schaal is, waarin het vast kapitaal zich ontwikkelt, in de betekenis waarin wij het hier bezien, des te meer wordt de continuïteit van het productieproces of de constante overvloed aan reproductie een externe dwingende voorwaarde voor de productiewijze die op kapitaal gebaseerd is.

De toe-eigening van de levende arbeid door het kapitaal krijgt direct een realiteit met de machinerie: het is, ten eerste, de analyse en toepassing van mechanische en chemische wetten, direct uit de wetenschap ontstaan, die de machine in staat stelt hetzelfde werk uit te voeren dat vroeger door de arbeider werd uitgevoerd. De ontwikkeling van de machinerie langs deze weg gebeurt echter alleen als de grootindustrie al een hoger stadium bereikt heeft en alle wetenschappen in dienst van het kapitaal staan; en als, ten tweede, de beschikbare machinerie zelf al grote mogelijkheden ontplooit. Uitvinden wordt dan een bezigheid, en de toepassing van de wetenschap voor de directe productie zelf wordt een vooruitzicht dat dit bepaalt en opwekt. Maar dit is niet de weg waarlangs machinerie over het algemeen ontstond, en nog minder de weg waarlangs ze in het bijzonder vooruitgaat. Deze weg is eerder ontleding [Analyse] – door de arbeidsdeling, die geleidelijk de handelingen van de arbeider omvormt tot meer en meer mechanische handelingen, zodat op een zeker punt een mechanisme in hun plaats kan komen. [Zie onder economie van het vermogen.] Zo blijkt de specifieke werkwijze hier direct overgebracht te zijn van de arbeider naar het kapitaal in de vorm van de machine, en zijn eigen arbeidsvermogen is daardoor in waarde verminderd. Vandaar de strijd van de arbeiders tegen de machines. Wat de werkzaamheid van de levende arbeider was wordt het werk van de machine. Zo confronteert de toe-eigening van de arbeid door het kapitaal de arbeider in een ruwe zintuiglijke vorm; kapitaal absorbeert arbeid – “alsof zijn lichaam door liefde werd bezeten” [Goethe, Faust, deel 1, scene 5, Auerbach’s Keller in Leipzig].

De ruil van levende arbeid tegen geobjectiveerde arbeid, – d.w.z. het stellen van maatschappelijke arbeid in de vorm van de tegenstelling tussen kapitaal en loonarbeid – is de laatste ontwikkeling van de waardeverhouding en van de productie die op waarde berust. De vooronderstelling is – en blijft – de hoeveelheid directe arbeidstijd, de hoeveelheid gebruikte arbeid, als de bepalende factor in de productie van rijkdom. Maar naarmate de grootindustrie zich ontwikkelt zal de voortbrenging van echte rijkdom minder afhangen van de arbeidstijd en de hoeveelheid gebruikte arbeid, dan van het vermogen van de instellingen die in beweging gebracht worden tijdens de arbeidstijd, wier ‘indrukwekkende doeltreffendheid’ op hun beurt buiten iedere proportie staan vergeleken met de directe arbeidstijd aan hun productie besteed, maar hangt veeleer af van de algemene toestand van de wetenschap en de vooruitgang van de technologie, of de toepassing van deze wetenschap op de productie. (De ontwikkeling van deze wetenschap, vooral de natuurwetenschap, en alle andere met de laatste, zijn zelf op hun beurt verbonden met de ontwikkeling van de materiële productie). De landbouw bv. wordt zuiver de toepassing van de wetenschap van het materiële metabolisme, de regulering daarvan komt het meest ten goede aan het hele maatschappelijke systeem. Echte rijkdom treedt aan de dag – en de grootindustrie bewijst dit – zowel in de monsterlijke wanverhouding tussen de toegepaste arbeidstijd en het product daarvan, als in het kwalitatieve gebrek aan evenwicht tussen de arbeid, die tot een pure abstractie is teruggebracht, en de macht van het productieproces dat het controleert. Arbeid ligt niet langer zozeer opgesloten in het productieproces; maar de mens verhoudt zich tot het productieproces zelf, als bewaker en regelaar. (Wat voor machinerieën geldt, geldt eveneens voor de combinatie van de menselijke activiteiten en de ontwikkeling van menselijke omgang.) Het is niet langer de arbeider die het gewijzigde natuurlijke object invoegt als een middel tussen het object en hemzelf; maar hij voegt het natuurlijke proces, dat hij omvormt tot een industrieel proces, in als een middel tussen hemzelf en de anorganische natuur waarvan hij zich meester maakt. Hij gaat naast het productieproces staan, in plaats daarvan de belangrijkste bewerker te zijn. In deze omvorming is het niet de directe menselijke arbeid, die hij verricht, noch de tijdsduur van zijn arbeid, maar eerder de toe-eigening van zijn eigen algemene productievermogen, zijn begrijpen van de natuur en het beheersen daarvan door middel van zijn aanwezigheid als maatschappelijk persoon – het is in één woord de ontwikkeling van het maatschappelijk individu dat de belangrijkste eerste grondslag blijkt te zijn van productie en rijkdom. De diefstal van de arbeidstijd van iemand anders, waarop de huidige rijkdom gebaseerd is, lijkt een rampzalige grondslag tegenover deze nieuwe, die door de grootschalige industrie zelf is voortgebracht. Zodra arbeid in zijn directe vorm niet langer de grote bron van rijkdom is, is arbeidstijd niet langer de maatstaf daarvoor en mag dat ook niet langer zijn, en mag daardoor ruilwaarde niet langer de maatstaf zijn voor gebruikswaarde. De surplusarbeid van de massa is niet langer de voorwaarde voor de ontwikkeling van de algemene welvaart, juist zoals het niet-werken van enkelen voor de ontwikkeling van het algemene vermogen van het menselijk denken. Daardoor valt de productie die op ruilwaarde gebaseerd is ineen, en het directe, materiële productieproces wordt ontdaan van gebrek en tegenstelling. De vrije ontwikkeling van individualiteiten en daardoor niet het reduceren van de noodzakelijke arbeidstijd om surplusarbeid te hebben, maar eerder de algemene reductie van de noodzakelijke arbeid van de maatschappij tot een minimum, wat dan overeenstemt met de kunstzinnige, wetenschappelijke enz., ontwikkeling van de individuen in de vrijgemaakte tijd, en met de middelen voor hen allen voortgebracht.

Het kapitaal is zelf een handelende [prozessierende] tegenstrijdigheid [door] te streven naar een minimum aan arbeidstijd, terwijl het aan de andere kant arbeidstijd als enige maatstaf en bron van rijkdom stelt. Daarom vermindert ze de arbeidstijd noodzakelijkerwijze om de overtolligheid te doen toenemen; daarom stelt ze het overtollige in groeiende mate als een noodzakelijke voorwaarde – een kwestie van leven of dood. Enerzijds roept het dus alle krachten van wetenschap en natuur, alsook van maatschappelijke combinatie en maatschappelijke omgang op, om de creatie van rijkdom (relatief) onafhankelijk te maken van de arbeidstijd die ervoor wordt ingezet. Anderzijds wil ze de arbeidstijd gebruiken als maatstaf voor de gigantische maatschappelijke krachten die daardoor zijn voortgebracht, en om hen beperkt te houden binnen de grenzen die nodig zijn om de al voortgebrachte waarde als waarde te handhaven. Productiekrachten en maatschappelijke verhoudingen – twee verschillende kanten aan de ontwikkeling van het maatschappelijk individu – blijken voor het kapitaal enkel middelen te zijn, en zijn enkel middelen voor haar om op die bekrompen basis te produceren. In feite zijn zij echter de materiële voorwaarden om ze te laten exploderen.

“Waarlijk rijk is een natie als de werkdag 6 uur in plaats van 12 uur duurt. Rijkdom is niet het commando hebben over surplusarbeidstijd, (echte rijkdom), maar eerder beschikbare tijd buiten de tijd die nodig is voor de directe productie voor elk individu en de gehele maatschappij.” (The source and remedy of the national difficulties, 1821, p. 6)

De natuur bouwt geen machines, geen locomotieven, spoorwegen, elektrische telegrafen, selfacting mules [automatische spinmachines]. Dit zijn producten van de menselijke industrie, natuurlijk materiaal omgevormd tot organen van de menselijke wil over de natuur of van het menselijk aandeel in de natuur. Ze zijn organen van het menselijk brein, geschapen door menselijke handen; de kracht van geobjectiveerde kennis. De ontwikkeling van het vast kapitaal toont aan tot welke mate algemene maatschappelijke kennis een directe productiekracht is geworden, en tot welke graad daardoor de voorwaarden van de vooruitgang van het maatschappelijk leven zelf onder de controle van het algemeen intellect zijn komen te staan en overeenkomstig omgedraaid zijn. Tot welke graad de mogelijkheden van de maatschappelijke productie geproduceerd zijn, niet alleen in de vorm van kennis, maar ook als onmiddellijke organen van de maatschappelijke praktijk, van het werkelijke levensproces.

De ontwikkeling van het vast kapitaal toont nog in een ander opzicht de ontwikkelingsgraad van rijkdom in het algemeen of van het kapitaal. Het object van de productie dat rechtstreeks gericht is op gebruikswaarde en even rechtstreeks op ruilwaarde is het product zelf, dat bestemd is voor consumptie. Het deel van de productie, direct gericht op de productie van vast kapitaal, dat produceert niet direct voorwerpen voor individueel genot, evenmin directe ruilwaarden; tenminste geen ruilwaarden die direct te verwezenlijken zijn. Daarom kan alleen wanneer een bepaalde productiviteitsgraad al bereikt is – zodat een deel van de productietijd voldoende is voor de onmiddellijke productie – een altijd groter wordend deel worden gebruikt voor de productie van de productiemiddelen. Dit vereist dat de maatschappij in staat is te wachten; dat een groot deel van de al voortgebrachte rijkdom zowel van het directe verbruik als van de productie voor het directe verbruik kan worden teruggetrokken, om dit deel aan arbeid te besteden dat niet direct productief is, (binnen het materiële productieproces zelf). Dit vereist een zeker niveau van productiviteit en van betrekkelijke overvloed, meer speciaal een niveau dat direct verbonden is met de verandering van circulerend kapitaal in vast kapitaal. Zoals de grootte van de relatieve surplusarbeid afhangt van de productiviteit van de noodzakelijke arbeid, zo hangt de grootte van de arbeidstijd – zowel levende als geobjectiveerde – die gebruikt wordt voor de productie van vast kapitaal af van de productiviteit van de arbeidstijd die besteed wordt aan de directe productie van producten. Overbevolking (vanuit dit standpunt) evenals overproductie [Surplusproduktion] is hiervoor een voorwaarde. Dat wil zeggen dat het resultaat van de tijd besteed aan directe productie relatief te groot moet zijn om het direct nodig te hebben voor de reproductie van het kapitaal dat actief is in deze industrietakken. Hoe kleiner de directe voortbrengselen uit het vast kapitaal zijn, hoe minder het tussenkomt in het directe productieproces, des te groter moet deze betrekkelijke overbevolking en overproductie zijn; daarom is er dan meer geld om spoorwegen, kanalen, waterleiding, telegrafie, enz. te bouwen, dan voor de machinerieën die onmiddellijk actief zijn in het directe productieproces. Vandaar – een onderwerp waarop we later terugkomen – dat de voortdurende onder- en overproductie van de moderne industrie ontstaat – de constante schommelingen en convulsies uit de wanverhouding, wanneer soms te weinig, dan weer te veel circulerend kapitaal wordt omgezet in vast kapitaal.

{De creatie van een grote hoeveelheid beschikbare tijd naast de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd in het algemeen en van elk lid (d.w.z. ruimte voor de ontwikkeling van de volledige productiekracht van de individuen, dus ook die van de maatschappij), deze creatie van niet-arbeidstijd verschijnt vanuit het standpunt van het kapitaal, zoals in alle voorgaande stadia, als niet-arbeidstijd, als vrije tijd voor enkelen. Wat het kapitaal daaraan toevoegt, is dat het de surplusarbeidstijd van de massa doet toenemen met al de middelen van wetenschap en kundigheid, omdat haar rijkdom direct bestaat uit de toe-eigening van de surplusarbeidstijd; omdat waarde het directe doel is, niet gebruikswaarde. Het is dus, ondanks zichzelf bevorderlijk om de middelen voort te brengen van maatschappelijk beschikbare tijd, om de arbeidstijd van de gehele maatschappij tot een dalend minimum te brengen en zo de tijd van iedereen vrij te maken voor de eigen ontwikkeling. Maar ze heeft altijd de neiging om enerzijds beschikbare tijd voort te brengen en anderzijds die om te zetten in meerarbeid. Als het in het eerste geval goed slaagt, lijdt het onder overproductie, en dan wordt de noodzakelijke arbeid onderbroken, omdat er geen surplusarbeid kan benut worden door het kapitaal. Hoe meer deze tegenstelling zich ontwikkelt, des te meer blijkt dat de groei van de productiekrachten niet langer gebonden is aan de toe-eigening van andermans meerarbeid, maar dat de werkende massa zelf zich haar meerarbeid moet toe-eigenen. Eens dat zij dat gedaan hebben – en beschikbare tijd daardoor niet langer een antithetisch bestaan heeft – dan zal enerzijds de noodzakelijke arbeidstijd afgemeten worden aan de behoeften van het maatschappelijk individu, en anderzijds zal de ontwikkeling van de maatschappelijke productiekracht zo snel toenemen dat, hoewel de productie nu berekend is op de voorspoed voor allen, de beschikbare tijd voor iedereen zal toenemen. Omdat echte voorspoed de ontwikkelde productiekracht van alle individuen is. De maatstaf van rijkdom is dan niet langer, op geen enkele wijze de arbeidstijd, maar meer de beschikbare tijd. Arbeidstijd als maatstaf voor waarde stelt de rijkdom voor gebaseerd op armoede, en beschikbare tijd bestaat dan in en door de tegenstelling met de surplusarbeidstijd; ofwel de volledige tijd van het individu wordt voorgesteld als arbeidstijd, en zijn verlaging daardoor tot louter een arbeider, ondergeschikt aan de arbeid. De meest ontwikkelde machinerie dwingt dus de arbeider langer te werken dan de wilde of zelfs hijzelf met de eenvoudigste, ruwste werktuigen.}

“Indien alle arbeid van een land voldoende was om de bevolking te onderhouden, dan zou er geen surplusarbeid zijn en bijgevolg niets dat als kapitaal kan accumuleren. Als in één jaar de mensen voldoende produceren voor twee jaar moet de consumptie van een jaar vergaan, of moeten de mensen een jaar ophouden met productieve arbeid. Maar de eigenaren van het meerproduct of kapitaal zetten de bevolking in voor iets dat niet direct en onmiddellijk productief is, zoals het bouwen van machines. En zo gaat het verder”. (The Source and Remedy of the National Difficulties, p. 4)

{Zoals met de ontwikkeling van de grootindustrie de basis waarop zij berust, de toe-eigening van vreemde arbeidstijd, ophoudt rijkdom te vormen of te scheppen, zo houdt daarmee ook de onmiddellijke arbeid op, als zodanig, de basis van de productie te zijn, en wordt deze enerzijds omgezet in een meer controlerende en regulerende activiteit; maar anderzijds ook omdat het product niet langer het product is van geïsoleerde directe arbeid, maar de combinatie van maatschappelijke activiteit, die verschijnt als producent.

“Zodra de arbeidsdeling zich ontwikkelt, is bijna elke arbeid van één individu een deel van een geheel dat op zichzelf geen waarde of nut heeft. Er is niets waarop de arbeider beslag kan leggen: dit is mijn product, dit houdt ik voor mijzelf”. (Labour Defended, pp. 25, 1, 2, XI.) [Marx citeert hier uit het anonieme document van Thomas Hodgskin Labour defended against the Claims of Capital ..., London 1825, p. 25. Hij verwijst naar zijn Londens Notitieboek XI van 1851.]

In de directe ruil verschijnt de directe individuele arbeid als gerealiseerd in een bepaald product of een deel van het product, en zijn gemeenschappelijk maatschappelijk karakter – zijn karakter als objectivering van de algemene arbeid en bevrediging van de algemene behoefte – wordt alleen bepaald door die ruil. Daarentegen is in het productieproces van de grootindustrie, enerzijds de tot een automatisch proces ontwikkelde productiekracht van de arbeidsmiddelen, de onderwerping van de natuurkrachten aan het maatschappelijk intellect een voorwaarde, anderzijds is de arbeid van het individu in zijn onmiddellijke bestaan gesteld als een opgeheven individu, d.w.z. als maatschappelijke arbeid. Zo valt de andere basis van deze productiewijze weg.}

De arbeidstijd die in de productie van vast kapitaal wordt aangewend, verhoudt zich tot de aangewende arbeidstijd in de productie van circulerend kapitaal, binnen het productieproces van kapitaal zelf, zoals de meerarbeid tot de noodzakelijke arbeidstijd. In de mate dat de productie gericht op de bevrediging van de onmiddellijke behoefte productiever wordt, kan een groter deel van de productie geleid worden naar de productie zelf, of de productie van productiemiddelen. Voor zover de productie van vast kapitaal, zelfs in haar fysieke aspect, onmiddellijk is gericht niet op de productie van directe gebruikswaarden, of op de productie van waarden die nodig zijn voor de directe reproductie van het kapitaal – d.w.z. die zelf weer gebruikswaarde vertegenwoordigen in het proces van waardecreatie – maar op de productie van middelen voor waardecreatie, dat wil zeggen niet op waarde als onmiddellijk object, maar op waardecreatie, op middelen voor valorisatie, als onmiddellijk object van productie – de productie van waarde die fysiek in het productieobject zelf aanwezig is, als het doel van de productie, de objectivering van de productiekracht, de waardeproducerende kracht van het kapitaal – in zoverre is het bij de productie van vast kapitaal dat het kapitaal zichzelf als doel in zichzelf stelt en actief verschijnt als kapitaal, in hogere mate dan bij de productie van circulerend kapitaal. Vandaar, ook in dit opzicht, is de dimensie ingenomen door het vast kapitaal, met de productie in de totale productie, de maatstaf voor de ontwikkeling van rijkdom, gegrond in de kapitalistische productiewijze.

“Het aantal arbeiders hangt evenzeer af van het circulerende kapitaal als van de hoeveelheid producten van co-existente arbeid, die de arbeiders vermogen te [dürfen] consumeren.” (Labour Defended, p. 20)

In alle uittreksels, hierboven van diverse economen aangehaald, is het vaste kapitaal beschouwd als het deel van het kapitaal dat in het productieproces is opgenomen.

“Circulerend kapitaal wordt verbruikt; vast kapitaal grotendeels gebruikt in het grote productieproces”. (Economist, VI, 1.) [Fixes and floating Capital, in The Economist (London), 6 november 1847. Marx verwijst naar zijn Londens Notitieboek VI van 1851]

Dit is fout en geldt slechts voor een deel van het circulerende kapitaal dat zelf door het vast kapitaal, de matières instrumentales wordt verbruikt. Het enige dat “in het grote productieproces” wordt verbruikt, beschouwd als het directe productieproces, is vast kapitaal. De consumptie binnen het productieproces is, hoe dan ook, in feite gebruik, slijtage. Voorts moet de grotere bestendigheid van vast kapitaal niet als zuiver fysieke kwaliteit worden opgevat. Het ijzer en het hout van het bed waarin ik slaap, of de bakstenen van het huis waarin ik leef, of het marmeren standbeeld dat een paleis verfraait, zijn even duurzaam als ijzer en hout, enz., gebruikt voor de machines. Maar bestendigheid is een voorwaarde voor het instrument, het productiemiddel, niet alleen om de technische reden dat metalen enz. het belangrijkste materiaal zijn van alle machines, maar veeleer omdat het instrument bestemd is om voortdurend dezelfde rol te spelen in herhaalde productieprocessen. Als productiemiddel wordt de bestendigheid ervan rechtstreeks vereist door de gebruikswaarde. Hoe vaker het moet vervangen worden, hoe duurder het is; hoe groter het deel van het kapitaal er nutteloos aan besteed zou worden. Zijn duurzaamheid is zijn bestaan als productiemiddel. Zijn duur is een verhoging van zijn productieve kracht. Bij circulerend kapitaal daarentegen, voor zover het niet wordt omgezet in vast kapitaal, is de bestendigheid op geen enkele wijze verbonden met de productie zelf en dus geen conceptueel gesteld moment. Onder de artikelen die in het consumptiefonds worden geworpen zijn er sommige die op hun beurt als vast kapitaal worden gekarakteriseerd omdat zij langzaam worden verbruikt en door vele individuen achtereen verbruikt worden, dit houdt verband met andere bepalingen (verhuur in plaats van verkoop, rente enz.) waarmee wij nu nog niets te maken hebben.

“Sinds de algemene introductie van zielloze mechanismen in de Britse manufacturen, zijn mensen, met zeldzame uitzonderingen, behandeld als secundaire en ondergeschikte machines. Veel meer aandacht is gegeven aan de perfectie van grondstoffen als hout en metalen dan aan die van lichaam en geest”. (p. 31. Robert Owen: Essays on the Formation of the Human Character, 1840, London)

{De reële economie – besparen – bestaat uit het besparen van arbeidstijd; (minimum (en vermindering tot het minimum) van de productiekosten); maar deze besparing is identiek met de ontwikkeling van de productiekracht. Dus helemaal geen verzaking van consumptie, maar ontwikkeling van kracht, van vermogen om te produceren, dus zowel het vermogen als de middelen om te consumeren. Het vermogen om te consumeren is de voorwaarde ervoor, dus het eerste middel ervoor, en dit vermogen is de ontwikkeling van een individuele aanleg, productiekracht. De besparing van arbeidstijd komt overeen met een toename van vrije tijd, d.w.z. tijd voor de volledige ontwikkeling van het individu, dat zelf, als grootste productieve kracht, terugwerkt op de arbeidsproductiviteit. Vanuit het standpunt van het onmiddellijke productieproces kan het worden beschouwd als de productie van vast kapitaal; dit vaste kapitaal is de mens zelf. Het spreekt voor zich dat de directe arbeidstijd niet in een abstracte tegenstelling tot de vrije tijd kan blijven – zoals het lijkt vanuit het standpunt van de burgerlijke economie. Arbeid kan geen spel worden, zoals Fourier [pp. 245-252] het wil, die de grote verdienste heeft de afschaffing , niet van de distributie, maar van de productiewijze zelf in een hogere vorm als einddoel te hebben uitgesproken. Vrije tijd, die zowel vrije tijd als tijd voor hogere activiteit is – heeft de bezitter ervan op een natuurlijke wijze getransformeerd in een ander subject, en als dit andere subject treedt hij vervolgens ook toe tot het onmiddellijke productieproces. Dit is tegelijk discipline, beschouwd met betrekking tot de wordende mens, als oefening, experimentele wetenschap, materieel creatieve en objectiverende wetenschap met betrekking tot de wordende mens, in wiens hoofd de verzamelde kennis van de maatschappij bestaat. Voor beide geldt dat, voor zover het werk praktische handvaardigheid [Handanlegen] en vrije beweging vereist, zoals in de landbouw, er tegelijkertijd beweging is.

Naarmate het systeem van de burgerlijke economie zich geleidelijk ontwikkelt, ontwikkelt zich ook de ontkenning van zichzelf, dat het uiteindelijke resultaat ervan is. We zijn nog steeds bezig met het directe productieproces. Als we de burgerlijke maatschappij in haar geheel bekijken, verschijnt de maatschappij zelf, d.w.z. de mens zelf in zijn sociale relaties, altijd als het laatste resultaat van het maatschappelijke productieproces. Alles wat een vaste vorm heeft, zoals een product, enz., verschijnt als een moment, een verdwijnend moment in deze beweging. Het onmiddellijke productieproces zelf verschijnt hier als een moment. De voorwaarden en objectiveringen van het proces zijn zelf gelijkmatige momenten ervan, en alleen de individuen verschijnen als de subjecten ervan, maar individuen met betrekkingen tot elkaar, die hen evenzeer reproduceren als opnieuw hun eigen bestendig bewegingsproces voortbrengen, waarin zij zichzelf evenzeer vernieuwen als de wereld van rijkdom die zij scheppen.}

(In zijn Six lectures delivered at Manchester, 1837, spreekt Owen over het verschil dat het kapitaal juist door zijn groei (en wijdverspreide verschijning, en dit laatste verkrijgt het alleen bij een grootschalige industrie, die samenhangt met de ontwikkeling van het vaste kapitaal) teweegbrengt tussen arbeiders en kapitalisten; maar [hij] formuleert de ontwikkeling van het kapitaal als een noodzakelijke voorwaarde voor de herschepping van de maatschappij, en vertelt over zichzelf:

“Het was als gevolg van de geleidelijke vooruitgang van het onderwijs bij het oprichten en leiden van enkele van deze grote” (fabricage) “instellingen, dat uw spreker” (Owen zelf) “de grote fouten en nadelen leerde begrijpen van de vroegere en huidige pogingen om het karakter en de situatie van zijn medemensen te verbeteren.” (p. 58)

Wij geven hier het hele fragment weer, om het bij een andere gelegenheid te gebruiken.

“De producenten van ontwikkelde rijkdom kunnen worden onderverdeeld in arbeiders in zachte en arbeiders in harde materialen, onder de directe leiding van meesters die als doel hebben geld te verdienen met de arbeid van degenen die zij in dienst hebben. Vóór de invoering van het chemische en mechanische fabricagesysteem werden de bewerkingen op beperkte schaal uitgevoerd; er waren vele kleine meesters, elk met een paar knechten, die te zijner tijd verwachtten ook kleine meesters te worden. Zij aten gewoonlijk aan dezelfde tafel en leefden samen; er heerste een geest en een gevoel van gelijkheid tussen hen. Sinds de periode waarin wetenschappelijke kracht over het algemeen werd ingezet in de productiesector, heeft er in dit opzicht een geleidelijke verandering plaatsgevonden. Bijna alle industrieën, om succesvol te zijn, moeten nu op grote schaal en met een groot kapitaal worden gerund; kleine meesters met kleine kapitalen hebben slechts weinig kans op succes, vooral in de productie van zachte materialen, zoals katoen, wol, vlas enz. en het is nu inderdaad duidelijk, dat zolang de huidige indeling van de maatschappij en de wijze van leiding geven aan het bedrijfsleven voortduurt, de kleine meesters steeds meer verdrongen zullen worden door hen die grote kapitalen bezitten, en dat de vroegere relatief gelukkiger gelijkheid onder de producenten plaats moet maken voor de grootste ongelijkheid tussen meester en arbeider, zoals nog nooit eerder in de geschiedenis van de mensheid is voorgekomen. De grootkapitalist is nu verheven tot de positie van heerser, die de gezondheid, leven en dood van zijn slaven, indirect, naar eigen goeddunken beheert. Deze macht verkrijgt hij door zich te verenigen met andere grootkapitalisten, die hetzelfde belang nastreven als hij, en zo effectief degenen die hij in dienst heeft naar zijn hand zet. De grootkapitalist zwemt nu in rijkdom, waarvan hij het juiste gebruik niet heeft geleerd en niet kent. Hij heeft macht verworven door zijn rijkdom. Zijn rijkdom en macht verblinden zijn geest; en wanneer hij anderen op een gruwelijke manier onderdrukt, denkt hij dat hij gunsten verleent ... Zijn bedienden, zoals ze genoemd worden, in feite zijn slaven, zijn gereduceerd tot de meest hopeloze verloedering; de meerderheid is beroofd van gezondheid, van huiselijk comfort, van vrije tijd en gezonde genoegens in de open lucht van vroeger. Door overmatige uitputting van hun krachten, veroorzaakt door langdurige, monotone bezigheden, worden zij verleid tot gewoonten van onmatigheid en ongeschikt gemaakt voor denken of nadenken. Zij kunnen geen ander lichamelijk, intellectueel of moreel vermaak hebben dan van de slechtste soort; alle echte geneugten van het leven zijn ver van hen verwijderd. Het leven dat een zeer groot deel van de arbeiders onder het huidige systeem leidt, is in één woord niet de moeite waard.

Maar de veranderingen waarvan dit het resultaat is, kunnen de individuen niet worden verweten; zij verlopen in de regelmatige orde van de natuur en zijn voorbereidende en noodzakelijke etappes naar de grote en belangrijke sociale revolutie die aan de gang is. Zonder grote kapitalen kunnen geen grote instellingen worden opgericht; men kan de mensen niet doen inzien dat het mogelijk is om nieuwe combinaties tot stand te brengen, teneinde iedereen een hoger karakter te geven en jaarlijks meer rijkdom voort te brengen dan door iedereen kan worden verbruikt; en die rijkdom moet ook van een hogere soort zijn dan die welke tot nu toe algemeen werd voortgebracht.” (l.c. 56, 57)

“Het is dit nieuwe chemische en mechanische fabriekssysteem dat nu de menselijke vermogens uitbreidt en de mensen voorbereidt om andere principes en praktijken te begrijpen en aan te nemen, en zo de meest heilzame verandering in zaken te bewerkstelligen die de wereld ooit heeft gekend. En het is dit nieuwe productiesysteem dat nu de noodzaak schept voor een andere en hogere classificatie van de maatschappij.” (l.c. 58)