Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

Inleiding

Inleiding tot “Het Kapitaal I”

Inleiding door Ernest Mandel (1976)[0]

Toen Deel 1 van Het Kapitaal voor het eerst gepubliceerd werd, leek de kapitalistische industrie, hoewel overheersend in een paar West-Europese landen, toch een geïsoleerd eiland omringd door een zee van onafhankelijke boeren en ambachtslui die de hele wereld omspande, met inbegrip zelfs van het grootste deel van Europa. Marx’ Het Kapitaal verklaarde niettemin de rusteloze en onweerstaanbare impuls om te groeien wat de productie voor het persoonlijke profijt karakteriseerde, en het gebruik van de winst voor de accumulatie van kapitaal. Sinds Marx dit schreef, verspreidde de kapitalistische technologie en industrie zich inderdaad over de gehele wereld. En zo groeiden niet alleen de materiële welvaart en de mogelijkheden om de mensheid definitief te bevrijden van zinloos, repetitief en mechanisch werk, maar ook de polarisatie in de maatschappij tussen minder en minder bezitters van kapitaal enerzijds, en meer en meer hand- en hoofdarbeid anderzijds, verplicht om de arbeidskracht te verkopen aan die bezitters. De concentratie van rijkdom en macht bij een klein aantal gigantische industriële en financiële corporaties bracht een toenemende veralgemeende strijd tussen Kapitaal en Arbeid met zich mee.

Regelmatig dachten de ideologen van de burgerlijke klasse dat ze de steen der wijzen gevonden hadden; ze voelden zich in staat om bijgevolg het einde aan te kondigen van de crisissen en van de socio-economische tegenstellingen in het kapitalistische systeem. Maar ondanks de keynesiaanse technieken, om niet te spreken van alle pogingen om de arbeidersklasse in het kapitalistische systeem te integreren, blijkt al meer dan een decennium dat het systeem meer crisisgevoelig is dan toen Marx Het Kapitaal schreef. Van de Vietnamese oorlog tot de onrust van het globale monetaire systeem; van de opleving van radicale arbeidersstrijd in West-Europa sinds 1968 tot het verwerpen van burgerlijke waarden en cultuur door een groot aantal jonge mensen over de gehele wereld; van de ecologische rampen en de energiecrisissen tot de weerkerende economische recessies: het is niet nodig om erg ver te zoeken naar feiten die erop wijzen dat het kapitalisme over zijn hoogtepunt heen is. Het Kapitaal verklaart waarom het verscherpen van de tegenstellingen van het systeem even onvermijdbaar was als zijn onstuimige groei. Op die manier is Marx, in tegenstelling tot wat algemeen aangenomen wordt, veel meer een econoom van de twintigste dan van de negentiende eeuw. Vandaag staat de Westerse wereld veel dichter bij het ‘zuivere’ model van Het Kapitaal dan destijds.

1. Het doel van Het Kapitaal

In Het Kapitaal wilde Marx vooral de bewegingswetten bloot leggen die de oorsprong, de groei, de ontwikkeling, de neergang en het verdwijnen van een gegeven maatschappelijke vorm van economische organisatie sturen: de kapitalistische productiewijze. Hij zocht geen algemene wetten van economische organisatie. Een van de belangrijkste theses van Het Kapitaal is dat dergelijke algemene wetten niet bestaan. Voor Marx zijn er geen economische wetten die geldig blijven voor al de fundamenteel verschillende maatschappijvormen (behalve voor trivialiteiten zoals de formule die zegt dat geen enkele maatschappij meer kan consumeren dan wat ze produceert zonder haar voorraad rijkdom aan te tasten – zij het de natuurlijke fertiliteit van het land, de totale bevolking, de massa van de productiemiddelen, of verschillende van die elementen samen). Elke specifieke maatschappelijke vorm van economische organisatie heeft haar eigen specifieke economische wetten. Het Kapitaal beperkt er zich toe deze te onderzoeken die de kapitalistische productiewijze beheersen.

Het Kapitaal is dus zeker geen ‘zuiver’ economische theorie. Voor Marx, is een ‘zuiver’ economische theorie, dat is een economische theorie die abstractie maakt van een specifieke maatschappelijke structuur, onmogelijk. Het zou gelijk staan met een ‘zuivere’ anatomie die abstractie maakt van de specifieke soorten die onderzocht worden. We kunnen de analogie voortzetten. Alhoewel de comparatieve anatomie zeker een tak van de natuurwetenschappen is, kan ze slechts een bijproduct zijn van de ontwikkeling van anatomisch inzicht in concreet bestaande soorten. Op dezelfde manier bevat Marx’ theorie van het historisch materialisme inderdaad een comparatieve economische analyse – bijvoorbeeld een onderzoek naar de ontwikkeling van menselijke arbeid, van de productiviteit van menselijke arbeid, van het maatschappelijk surplusproduct en economische groei, van de slavenmaatschappij over het feodalisme tot aan het kapitalisme. Maar een dergelijke vergelijking kan alleen voortkomen uit de analyse van specifieke productiewijzen, met elk hun eigen economische logica en hun eigen bewegingswetten. Die kunnen niet opzij gezet worden of opgaan in ‘eeuwige’ economische wetten. We kunnen de analogie ook nog verder doordenken tot aan haar uiteindelijke conclusie. Als iemand een algemene grondregel in ‘alle’ anatomie wil vinden, dan verlaat hij die specifieke wetenschappelijke discipline en stapt hij een andere binnen: biologie of biochemie. Als iemand op dezelfde manier de fundamentele werkhypotheses tracht te ontdekken die werkzaam zijn in ‘alle’ economische systemen, dan stapt hij over van de economische theorie naar de wetenschap over de maatschappelijke structuren: historisch materialisme.

Op die manier steunen Marx’ economische theorie en het uiteindelijke Het Kapitaal op een inzicht in de relativiteit, de maatschappelijke bepaaldheid en historische beperktheid van alle economische wetten. In de socio-economische ontwikkeling van de mensheid komen de warenproductie, de markteconomie of de verdeling van de maatschappelijke hulpbronnen tussen de verschillende productietakken via ‘objectieve economische wetten’ werkzaam ‘achter de rug van de producenten’, niet overeen met de ‘menselijke natuur’, en hebben ze niet altijd bestaan en zullen ze niet altijd blijven bestaan. Het Kapitaal verklaart de oorsprong van de kapitalistische productiewijze, en verwijst naar de onvermijdelijke historische neergang en het verval van dit maatschappelijk systeem. Een economische theorie gebaseerd op de historische relativiteit van elk economisch systeem, haar strikte begrenzing in de tijd, herinnert er de heren kapitalisten, hun meelopers en hun apologeten plots aan dat het kapitalisme zelf een product is van de geschiedenis. Het zal na verloop van tijd verdwijnen, net zoals het gekomen is. Een nieuwe maatschappelijke vorm van economische organisatie zal de plaats innemen van het kapitalisme: dat zal functioneren volgens andere wetten dan deze die de kapitalistische economie sturen.

Toch gaat Het Kapitaal niet enkel over de kapitalistische productiewijze, niettegenstaande de ontdekking van de wetten die deze productiewijze sturen, zijn belangrijkste doel is. Kapitalistische productie is veralgemeende warenproductie. Veralgemeende warenproductie ontplooit de trends en de tegenstellingen die latent aanwezig zijn in elk van haar fundamentele ‘cellen’, de waren. Het is niet toevallig dat Marx in Deel 1 van Het Kapitaal niet start met een analyse van ‘de kapitalistische productiewijze’, noch met kapitaal of met loonarbeid, of zelfs niet met de verhoudingen tussen loonarbeid en kapitaal. Want het is niet mogelijk om eender welke van die fundamentele concepten of categorieën – die overeenkomen met de fundamentele structuur van de kapitalistische maatschappij – wetenschappelijk, volledig en adequaat te analyseren, zonder een voorafgaande analyse van waarde, ruilwaarde en meerwaarde. Maar die laatste categorieën hangen af van de analyse van de waar en van de arbeid die de waren produceert.

Net zoals meerwaarde en kapitaal logisch voortvloeien uit de analyse van waarde en ruilwaarde, zo vloeit de kapitalistische productiewijze historisch voort uit de groei van de warenproductie: zonder eenvoudige warenproductie kan kapitalisme niet ontstaan. Het Kapitaal, De Grundrisse en andere belangrijke economische geschriften van Karl Marx omvatten daarom heel wat analyses van eenvoudige warenproductie, een productiewijze die op uiteenlopende manieren bestond gedurende 10.000 jaar voor de geboorte van het moderne kapitalisme, maar die slechts volledig tot bloei kwam tussen de dertiende en zeventiende eeuw in de Lage Landen, Noord-Italië, en later in Brittannië (en in mindere mate in Japan voor de Meiji revolutie).

Tegenwerpingen werden naar voor geschoven – door vroege Russische marxistische auteurs zoals Bogdanov, door latere commentatoren zoals Rubin en door hedendaagse marxisten zoals Lucio Colletti en Louis Althusser[n1] – tegen de opvatting, ontstaan bij Engels en gevolgd door Rosa Luxemburg, en die ik onderschrijf,[n2] dat Het Kapitaal van Marx niet enkel een fundamentele analyse van de kapitalistische productiewijze geeft, maar ook een belangrijk commentaar bevat op de hele historische periode met inbegrip van essentiële facetten van de eenvoudige warenproductie. Die kritieken zijn echter gebaseerd op een dubbele verwarring. Het is waar dat de kapitalistisch productiewijze de enige maatschappelijke organisatie van de economie is die een veralgemeende warenproductie heeft. Het zou dus volledig verkeerd zijn om bijvoorbeeld de Hellenistische slavenmaatschappij of het klassieke Islamitische Rijk – twee maatschappijvormen met een sterk ontwikkelde eenvoudige warenproductie, een geldeconomie en internationale handel – te bekijken als gestuurd door de ‘waardewet’. Warenproductie in deze prekapitalistische productiewijzen is innig verbonden met, en is in laatste analyse ondergeschikt aan productiewijzen (in de eerste plaats landbouwproductie), die duidelijk niet-kapitalistisch van natuur zijn en die een andere economische logica volgen dan deze die de ruil tussen waren of de accumulatie van kapitaal regelt.

Maar dat impliceert niet dat in een maatschappij waar de kleine warenproductie al de overheersende productiewijze geworden is (dat is waar de meerderheid van de producenten vrije boeren en vrij ambachtslui zijn, die de producten van hun arbeid bezitten en ruilen), de wetten die de ruil van waren en de omloop van geld regelen, de economische dynamiek niet sterk zouden beïnvloeden. Inderdaad, juist de ontplooiing van de waardewet leidt in die maatschappij tot de scheiding van de directe producenten van hun productiemiddelen, alhoewel een hele reeks van maatschappelijke en politieke ontwikkelingen het geboorteproces van het moderne kapitalisme beïnvloeden, versnellen, vertragen, of het verbinden met trends die in verschillende richtingen gaan.

Aan de andere kant, als het waar is dat een volgroeide ‘economische verrekening gebaseerd op hoeveelheden van maatschappelijk geëgaliseerde arbeid’ tot stand komt onder het kapitalisme, en dit alleen als een objectieve economische wet en niet als bewuste beslissingen van de bezitters van de waren, dan volgt daar helemaal niet uit dat ‘verrekening van arbeidshoeveelheden’ zich al begint voor te doen in prekapitalistische maatschappijen waar warenproductie een normale geplogenheid is. Inderdaad, het is precies wanneer eenvoudige warenproductie al ruim ontwikkeld is, maar tegelijkertijd verbonden is met traditionele vormen van een ‘natuurlijke’ economische organisatie, wat de bewuste toewijzing inhoudt van economische middelen en maatschappelijke arbeid tussen verschillende productiewijzen (door gewoontes, gebruiken, rites, godsdiensten, beslissingen van de ouderen, samenkomsten van de deelnemers, enz.), dat de nood voor een bewuste toewijzing van ‘arbeidshoeveelheden’ kan en moet ontstaan, om de fundamentele onrechtvaardigheden en ongelijkheden in de maatschappelijke organisatie die nog steunt op een hoge graad van sociale gelijkheid en samenhang, te vermijden. Ik heb getracht om met empirische data te bewijzen dat dit het geval was in verschillende historische periodes, in verschillende delen van de wereld.[n3]

Dat betekent niet dat de ‘waardewet een product is van de prekapitalistische maatschappij’. Het betekent ook niet dat die relatief primitieve maatschappijen geplaagd werden door de zelfde manische drang voor materiële beloning, of de verrekening van de benodigde arbeidstijd in fracties van seconden zoals de onze; want dat zijn inderdaad ‘zuivere’ producten van de burgerlijke maatschappij. Het betekent alleen dat de embryonale vormen van de ‘waardewet’ ontdekt kunnen worden in de embryonale ontwikkelingen van de warenproductie, net zoals de ‘elementaire cel’ van kapitaal, de waar, op een embryonale wijze al de innerlijke kwaliteiten en tegenstellingen van die maatschappelijke categorie bevat. Die historische dimensie van Marx’ analyse ontkennen is van de oorsprong van het kapitalisme een onoplosbaar mysterie maken.

Men zou kunnen argumenteren dat dit een eerder betwistbaar punt is voor economen, en enkel interessant is voor antropologen, ethologen of historici. Maar de implicaties zijn in werkelijkheid erg belangrijk. Als men beweert dat de analyse van de bewegingswetten die de kapitalistische productiewijze sturen, tenminste enkele essentiële elementen moet bevatten van een analyse van economische fenomenen, die geldig zijn voor de gehele historische periode met economische organisaties waarin er warenproductie is, dan breidt men de geldigheid van stukken van Het Kapitaal van Marx niet alleen uit naar het verleden maar ook naar de toekomst. Want verschijnselen van warenproductie overleven klaarblijkelijk, ten minste gedeeltelijk, in de maatschappijen waar de heerschappij van het kapitaal al overwonnen is, maar die nog niet volledig klasseloos zijn, dat is socialistisch: de USSR en de volksrepublieken van Oost-Europa, China, Noord-Vietnam, Noord-Korea en Cuba. Het Kapitaal is net zomin een handboek om de bewegingswetten van die maatschappijen te begrijpen, als een handboek om de bewegingswetten van de ontwikkelde laatmiddeleeuwse maatschappij gebaseerd op kleine warenproductie te begrijpen. Maar het vertelt ons veel over de dynamiek (en de desintegrerende logica) van de warenproductie en de geldeconomie in dergelijke niet-kapitalistische maatschappijen, en over de tegenstellingen die het binnen brengt in de specifieke en ‘zuivere’ bewegingswetten van die niet-kapitalistische maatschappijen.

Als Het Kapitaal geen verhandeling is over eeuwige economische wetten, dan bevat het tenminste toch een wetenschap over de kapitalistische economie? Sommige marxisten, in de eerste plaats de Duitser Karl Korsch, hebben dit ontkend.[n4] Voor hen – net als voor zovele burgerlijke critici van Marx – is Het Kapitaal in essentie een instrument voor de revolutionaire omverwerping van het kapitalisme door het proletariaat. Volgens hen is het onmogelijk om de ‘wetenschappelijke’ inhoud van Het Kapitaal te scheiden van zijn ‘revolutionaire’ bedoeling, zoals de Duits-Oostenrijkse marxist Rudolf Hilferding trachtte te doen.[n5] Die visie ziet een belangrijk onderscheid over het hoofd dat Marx en Engels zagen tussen utopisch en wetenschappelijk socialisme. Marx bleef inderdaad een revolutionair gedurende zijn gehele leven na 1843. Maar hij vond het essentieel om het socialisme (communisme) te gronden op een wetenschappelijke basis. De wetenschappelijke analyse van de kapitalistische productiewijze was de hoeksteen van deze fundering, en toont waarom en hoe het kapitalisme door zijn eigen ontwikkeling, de economische, materiële en maatschappelijke voorwaarden creëert voor een maatschappij van geassocieerde producenten. Juist met die bedoeling, streefde Marx zeker niet naar een contradictie, maar naar een analyse van het kapitalisme op een objectieve en strikt wetenschappelijke manier. Met andere woorden, hij verwoordde daarmee niet enkel een agressieve vijandigheid tegenover een particuliere vorm van economische organisatie, omwille van revolutionaire passie of medelijden met de verdrukten en de onderdrukten; evenmin, het is onnodig dit te vermelden, was hij gemotiveerd door persoonlijke haat, materiële mislukking of psychotische onevenwichtigheid. Marx wilde de objectieve bewegingswetten blootleggen. Er was niemand – zelf de typische burgerlijke Spiesser [kleinburger] niet – die hij meer minachtte dan de man met wetenschappelijke pretenties die toch vrijwillig empirische data verdraait of onderzoeksresultaten vervalst om een bepaald subjectief doel te dienen. Precies omdat Marx er van overtuigd was dat de zaak van het proletariaat van doorslaggevend belang was voor de hele toekomst van de mensheid, wilde hij geen berooid platform van retorisch schelden of wishful thinking afleveren, maar een fundering van de wetenschappelijke uit steen gehouwen waarheid.

2. De Methode van Het Kapitaal

De bedoeling van Het Kapitaal brengt de kennismethode die Marx toepast in dit hoofdwerk, duidelijk naar buiten: de methode van het dialectisch materialisme. Marx liet er geen twijfel over bestaan wat hijzelf van zijn werk dacht. In een brief aan Maurice Lachâtre, de uitgever van de eerste Franse editie van Het Kapitaal Deel 1, benadrukte hij dat hij de eerste persoon was om die methode toe te passen op de studie van economische problemen.[n6] En in zijn eigen nawoord voor de tweede Duitse editie van Het Kapitaal Deel 1, benadrukte Marx dat het gebruik van de dialectische methode de differentia specifica was die Het Kapitaal onderscheidde van alle andere economische analyses.[n7]

Als de dialectische methode toegepast wordt op de studie van de economische problemen, dan worden economische fenomenen niet elk afzonderlijk bekeken, bij stukjes en beetjes, maar in hun interne verbondenheid als een geïntegreerde totaliteit, gestructureerd rond en door een fundamenteel overheersende productiewijze. Die totaliteit wordt geanalyseerd in al haar aspecten en manifestaties, zoals ze bepaald zijn door bepaalde gegeven bewegingswetten die ook verband houden met haar oorsprong en haar onvermijdelijke ondergang. Die bewegingswetten van de gegeven productiewijze blijken niets anders te zijn dan het zich ontplooien van de interne contradicties van die structuur, contradicties die haar ware natuur uitmaken. De gegeven economische structuur blijkt tezelfdertijd bepaald te worden door de eenheid van die tegenstellingen en door hun strijd, die beide de constante veranderingen bepalen die ze ondergaat. De (kwantitatieve) veranderingen die constant plaats vinden in de gegeven productiewijze, door aanpassing, integratie van hervormingen en zelfverdediging (evolutie), verschillen van de (kwalitatieve) veranderingen die met abrupte sprongen een andere structuur, een nieuwe productiewijze veroorzaken (revolutie).

Marx plaatst zijn eigen dialectische methode van onderzoek en kennis tegenover die van Hegel, niettegenstaande hij nooit aarzelt om zijn dankbare schatplichtigheid te erkennen tegenover de Duitse filosoof die aangemoedigd door de Franse Revolutie, de dialectische gedachte terug in de moderne wereld katapulteerde. De dialectiek van Hegel was idealistisch; de fundamentele beweging was die van de Absolute Idee; de materiële werkelijkheid was enkel de uiterlijke schijn van een ideële essentie. Voor Marx, integendeel, was de dialectiek materialistisch, ‘het ideële is slechts de materiële wereld gereflecteerd in het brein van de mens, en vertaald in vormen van gedachten’.[n8] De fundamentele bewegingswetten van de geschiedenis zijn die van concrete mensen, die hun eigen materieel bestaan produceren binnen een gegeven maatschappelijk kader. De ontwikkeling van het denken komt in de uiteindelijke analyse overeen met die fundamentele beweging, en weerspiegelt ze, zij het via vele bemiddelingen. Het wetenschappelijk denkproces waarmee Marx de mechanismes van de kapitalistische productiewijze kon begrijpen, was op zichzelf een product van die productiewijze, van de burgerlijke maatschappij en van haar tegenstellingen. Slechts in tweede instantie is het te zien als een product van de ontwikkeling van de vele menswetenschappen en ideologieën; Franse geschiedschrijving en politieke wetenschappen; premarxiaans socialisme. Enkel de groei van de burgerlijke maatschappij en haar tegenstellingen, vooral de strijd tussen kapitaal en arbeid, liet Marx toe om die wetenschappen te assimileren, te combineren en om te vormen op de specifieke manier en in de specifieke richting zoals hij deed. En alhoewel de materialistische dialectiek Hegels (idealistische) dialectiek is die ‘terug op zijn voeten gezet werd’, toch hebben beide gemeenschappelijke kenmerken. Dialectiek als de logica van de beweging veronderstelt dat alle beweging, zowel van de natuur, van de maatschappij als van het menselijk denken, bepaalde algemene vormen aanneemt die ‘dialectisch’ genoemd worden.[n9] Zowel Engels als Lenin zagen in de opbouw van Het Kapitaal Deel 1 een opvallende toepassing van die algemene dialectische methode; zo schreef Lenin dat alhoewel Marx nooit een geplande korte verhandeling over dialectiek geschreven had, hij ons toch Het Kapitaal had nagelaten, dat de toepassing is van de materialistische dialectiek op de economische fenomenen.[n10]

Precies omdat Marx’ dialectiek materialistisch is, start ze toch niet bij intuïtie, vooronderstellingen of mystificerende schema’s, maar bij een volledige assimilatie van de wetenschappelijke gegevens. De onderzoeksmethode moet verschillen van de voorstellingsmethode. Empirische gegevens moeten eerst worden verzameld, de bestaande toestand van de kennis moet volledig worden begrepen. Slechts dan kan een dialectisch herordening van het materiaal ondernomen worden met de bedoeling om de gegeven totaliteit te vatten. Als dat succesvol verloopt, is het resultaat een ‘reproductie’ van de materiële totaliteit in het denken: de kapitalistische productiewijze.

Het grootste gevaar voor iedere wetenschapper bij de studie van maatschappelijke fenomenen is dat men eender wat voor waar aanneemt, is ‘probleemblindheid’. Het onderscheid tussen verschijning en essentie, dat Marx erfde van Hegel[n11] en dat een onvervreemdbaar onderdeel is van de dialectische onderzoeksmethode, is niet meer dan een constante poging om verder en verder door te dringen in de opeenvolgende lagen van fenomenen, tot aan de bewegingswetten die verklaren waarom die fenomenen zich ontplooien in een bepaalde richting en volgens bepaalde wegen. Onophoudelijk vragen zoeken – in vraag stellen! – waar anderen enkel kant en klare antwoorden en vulgaire ‘evidentie’ zien: dit is zeker één van Marx’ belangrijkste verdiensten als revolutionaire vernieuwer van de economische wetenschap.

Maar voor Marx, de materialistische dialecticus, impliceert het onderscheid tussen ‘essentie’ en ‘verschijning’ geenszins dat ‘verschijning’ minder ‘reëel’ is dan ‘essentie’. Waardebewegingen bepalen in laatste instantie prijsbewegingen; maar Marx, de materialist, zou gelachen hebben met eender welke ‘marxist’ die zou suggereren dat de prijzen ‘onwerkelijk’ zijn omdat ze in laatste instantie bepaald zijn door waardebewegingen. Het onderscheid tussen ‘essentie’ en ‘verschijning’ verwijst naar verschillende lagen van bepaaldheid, wat in laatste instantie naar het kennisproces verwijst, niet naar verschillende graden van realiteit. Om de kapitalistische productiewijze in zijn totaliteit te verklaren is het absoluut ontoereikend om enkel de ‘basisessentie’, de ‘waardewet’ te begrijpen. Het is noodzakelijk om ‘essentie’ en ‘verschijning’ te integreren doorheen al de tussenliggende bemiddelende schakels, om te verklaren hoe en waarom een gegeven ‘essentie’ verschijnt in bepaalde concrete vormen en niet in andere. Want deze ‘verschijningen’ zelf zijn niet toevallig noch zelf-evident. Ze stellen ons voor problemen, die op hun beurt verklaard moeten worden, en die verklaring helpt om door te dringen in nieuwe lagen van mysteries, en brengt ons nader bij een volledig inzicht in de specifieke vorm van de economische organisatie die we willen begrijpen. Ontkennen dat ‘essentie’ en ‘verschijning’ terug geïntegreerd moeten worden is even weinig dialectisch en even mystificerend als de ‘verschijningen’ accepteren zoals ze zijn, zonder te kijken naar de essentiële krachten en tegenstellingen die de verschijningen neigen verborgen te houden voor de oppervlakkige en empiricistische waarnemer.

De manier waarop Het Kapitaal start met een analyse van de fundamentele categorieën van de warenproductie, met de ‘basiseenheid’ (de fundamentele cel) van het kapitalistisch economisch bestel, de waar, werd dikwijls aangehaald als een voorbeeld voor die materialistische dialectiek. Marx zelf maakt duidelijk dat hij niet begint bij een basisconcept – waarde – maar bij een elementair materieel fenomeen – de waar – die de basis is van het kapitalisme, de enige economische organisatie gebaseerd op veralgemeende warenproductie.[n12] Het is dus strikt genomen correct maar onvolledig om te beweren dat Marx’ methode bestaat uit het ‘opstijgen van het abstracte naar het concrete’[n13] Eigenlijk begint hij bij de elementen van het materieel concrete om naar het theoretisch abstracte te gaan, wat hem dan helpt om de concrete realiteit te reproduceren in zijn theoretische analyse. In zijn volledige rijkdom en ontwikkeling, is het concrete altijd een samenstelling van ontelbare theoretische ‘abstracties’. Maar het materieel concrete, dat is de reële burgerlijke maatschappij, bestaat voor die totale wetenschappelijke onderneming, en bepaalt ze in laatste instantie, en blijft een constant praktisch referentiepunt om de geldigheid van de theorie te testen. Slechts als de reproductie van deze concrete totaliteit in het menselijk denken dichter komt bij de reële materiële totaliteit, is het denken echt wetenschappelijk. Op het eerste gezicht, verschijnt de beweging die Het Kapitaal Deel 1 stuurt, als een beweging van economische ‘categorieën’, van de waar en haar innerlijke tegenstelling, tot aan de accumulatie van kapitaal en zijn ondergang. De vraag werd dikwijls gesteld: is die beweging enkel een abstracte synopsis van de ‘essentie’ van het kapitalisme, of is het een erg gesimplificeerde voorstelling van de werkelijke economische ontwikkeling, dat is, de werkelijke geschiedenis die gaat van de eerste verschijning van de warenproductie tot de volgroeide kapitalistische productie in het Westen, ontdaan van alle secundaire en gecombineerde vormen die enkel de fundamentele natuur van deze beweging zouden versluieren?

Het is onmogelijk om op deze vraag met een simpel ‘ja’ of ‘neen’ te antwoorden. Waren die toevallig geproduceerd werden in prekapitalistische maatschappijen, aan de uiterste grens van de essentiële processen van productie en consumptie, kunnen de opmerkelijke en verschrikkelijke logica van de ‘waardewet’ die Marx magistraal ontwikkelt in Het Kapitaal, niet in gang hebben gezet. Warenproductie als de fundamentele en overheersende eigenschap van het economisch leven veronderstelt kapitalisme, dat is een maatschappij waarin de arbeidskracht en de arbeidsmiddelen zelf waren geworden zijn. In die betekenis is het juist dat de analyse in Deel 1 van Het Kapitaal logisch is (gesteund op de dialectische logica), en niet historisch.

Maar dialectiek impliceert dat elk fenomeen een oorsprong en een einde heeft, dat niets eeuwig, voor eens en voor altijd afgewerkt is. Dus is de historische cel van het kapitaal tezelfdertijd de sleutel voor de logische analyse van het kapitaal: fylogenese en embryologie kunnen niet volledig gescheiden worden. Binnen de accumulatie van kapitaal in het huidige dagelijkse kapitalistische leven, worden sommige aspecten van de primitieve kapitaalaccumulatie herhaald: zonder die primitieve kapitaalaccumulatie, zou er geen kapitalistisch productiewijze zijn. Dus de logische analyse weerspiegelt dus toch sommige elementaire trends van de historische ontwikkeling. De eenvoudigste verschijningsvormen van de ‘economische categorieën’ (die enkel vormen van materieel bestaan zijn, of materiële werkelijkheid waargenomen en vereenvoudigd door de menselijke rede) zijn dikwijls ook hun primitieve, dat is hun originele, vorm. Hoe controversieel die interpretatie ook moge zijn, het is moeilijk om te ontkennen dat die eenheid van historische en logische analyse de manier is waarop Marx en Engels hun eigen methode begrepen.[n14]

Een hele literatuur werd geproduceerd, van Bernstein tot Popper en tot aan de hedendaagse academische economen, over de ‘nutteloze’, ‘metafysische’ of zelfs de ‘mystificerende’ natuur van de dialectische methode die Marx overnam van Hegel.[n15] De positivistische eenzijdigheid qua inzicht van deze critici is op zichzelf een sprekend bewijs van het tegendeel, van het brede historische inzicht en de doortastende luciditeit die Marx bereikte met de dialectische methode. Dank zij die methode, wordt Het Kapitaal een reus vergeleken met alle daaropvolgende en hedendaagse economische analyses. Het was nooit bedoeld als een handboek om regeringen te helpen bij het oplossen van problemen zoals balans- of betalingstekorten, en ook niet als een erudiete, enigszins platvloerse, uitleg van alle uitzonderlijke gebeurtenissen in de marktplaats wanneer Mr. Smith geen koper vindt voor de laatste 1.000 ton staal. Het was bedoeld als een verklaring voor wat er zal gebeuren met de arbeid, de machines, de technologie, de grootte van de bedrijven, de maatschappelijke structuur van de bevolking, de discontinuïteit van de economische groei, en de verhoudingen tussen arbeiders en werk, als de kapitalistische productiewijze al zijn verschrikkelijk potentieel ontwikkelt. Vanuit dat standpunt is de prestatie echt opmerkelijk. Het is juist omwille van Marx’ capaciteit om de bewegingswetten van de kapitalistische productiewijze op lange termijn te ontdekken, los van de duizenden ‘onvolmaaktheden’ en de secundaire aspecten, dat deze lange termijn voorspellingen – de accumulatiewetten van het kapitaal, grotere technologische vooruitgang, versnelde groei in productiviteit en intensiteit van arbeid, groeiende concentratie en centralisatie van kapitaal, omvorming van de grote meerderheid van de economisch actieve mensen in verkopers van arbeidskracht, dalende winstvoet, stijgende meerwaardevoet, periodieke weerkerende recessies, onvermijdbare klassenstrijd tussen Kapitaal en Arbeid, stijgende revolutionaire pogingen om het kapitalisme omver te werpen – zo treffend werden bevestigd door de geschiedenis.[n16]

Dat oordeel werd algemeen in twijfel getrokken op twee manieren. De eerste manier van Marx’ critici is gewoonweg ontkennen dat de bewegingswetten van de kapitalistische productiewijze die hij ontdekt had, zelfs niet minimaal bevestigd werden. Dit gebeurde meestal met enkele foutief geciteerde en erg gesimplificeerde formuleringen (zie verder): ‘voortschrijdende verarming van de arbeidersklasse’ en ‘steeds erger wordende economische crisissen’.[n17] Een meer gesofisticeerd verwijt werd naar voor geschoven door Karl Popper, die de mogelijkheid zelf, of liever de wetenschappelijke natuur, van zulke ‘wetten’ ontkende, en ze ‘onvoorwaardelijke historische voorspellingen’ noemde die duidelijk onderscheiden moesten worden van ‘wetenschappelijke voorspellingen’. ‘Gewone voorspellingen in de wetenschap’, zegt Popper, ‘zijn voorwaardelijk; ze beweren dat sommige veranderingen (zoals de temperatuur van water in een ketel) gepaard zullen gaan met andere veranderingen (zoals het koken van het water).’[n18] Popper ontkent de wetenschappelijk natuur van Het Kapitaal door te beweren dat, in tegenstelling tot wetenschappelijke theorieën, Marx’ hypotheses niet wetenschappelijk getest kunnen worden.[n19]

Dat steunt overduidelijk op een misvatting over de natuur zelf van de materialistische dialectiek, die zoals Lenin inzag, een constante verificatie doorheen de praktijk vereist om haar kennisinhoud te verhogen.[n20] Het zou eigenlijk erg gemakkelijk zijn om te ‘bewijzen’ dat Marx’ analyse fout is, indien de ervaring bijvoorbeeld had getoond dat hoe meer de kapitalistische industrie zich ontwikkelt, des te kleiner en kleiner het gemiddelde bedrijf wordt, des te minder het afhankelijk is van nieuwe technologie, des te meer kapitaal wordt geleverd door de arbeiders zelf, des te meer de arbeiders eigenaar worden van hun bedrijven, des te kleiner het deel van de lonen gespendeerd aan consumptiegoederen wordt (en des te groter wordt het deel van de lonen gebruikt voor het kopen van eigen productiemiddelen door de arbeiders). Als er bovendien decennia waren geweest zonder economische fluctuaties en een volledige verdwijning van vakbonden en van associaties van werkgevers (alles voortvloeiend uit het verdwijnen van de tegenstellingen tussen Kapitaal en Arbeid, voor zover dat de arbeiders meer en meer de controle krijgen over hun eigen productiemiddelen en -voorwaarden), dan zou men inderdaad kunnen zeggen dat Het Kapitaal een erge rotzooi was en erbarmelijk faalde in het voorspellen van wat er een eeuw na zijn publicatie zou gebeuren in de echte kapitalistische wereld. Het is voldoende om de echte geschiedenis sinds 1867 aan de ene kant te vergelijken met wat Marx voorspelde dat ze zou zijn, en aan de andere kant met eender welke alternatieve ‘bewegingswetten’, om te begrijpen hoe opmerkelijk Marx’ theoretische prestatie was en hoe sterk ze standhoudt tegenover de proefondervindelijke test van de geschiedenis.[n21]

3. Het plan van Het Kapitaal

Het Kapitaal was niet het resultaat van een spontane opwelling noch van een plotse interesse van Marx in economische problemen. Nadat deze doctor in de filosofie (Jena, 1841) communist was geworden in de jaren achttienhonderdveertig onder druk van zijn persoonlijke ervaring met maatschappelijke problemen (de behandeling van houtdieven in de Rijnprovincies van Pruisen; de opstand van de Silezische textielarbeiders; de stakingen in Engeland; de klassenstrijd in Frankrijk), hield hij zich bezig met economische studies. Maar zijn eerste kennismaking met de moderne politieke economie (wat leidde tot de Economisch-filosofische manuscripten, De armoede van de filosofie, Loonarbeid en kapitaal en Het Communistisch Manifest) werd onderbroken onder druk van externe gebeurtenissen. Actief betrokken bij de politiek, keerde Marx van Parijs terug naar Duitsland toen de revolutionaire beweging in 1848 losbrak. Daar stichtte en leidde hij een dagblad. Toen de revoluties afnamen en de contrarevolutionaire reactie Europa overspoelde, emigreerde hij naar Londen en werkte hij als journalist om in zijn levensonderhoud te voorzien. Die druk, samen met de last als politiek emigrant in Londen, vertraagde de systematische uitwerking van zijn economische theorie met zeker tien jaar.

Enkel toen een uitgever omwille van Lassalle erop aandrong zijn economische opvattingen op een afgeronde manier uit te leggen, keerde hij terug naar een omvattende studie van Adam Smith en Malthus, Ricardo en J.B.Say, Simonde de Sismondi en Tooke, samen met de alom bekende Blue Books van de Britse regering, een onschatbare bron van feitenmateriaal over de toestanden van de Britse industrie, de handel en het leven van de arbeidersklasse. De systematische studie van economische feiten en opvattingen over het kapitalisme, mondde rond 1857 uit in de volgende werken:

(a) een eerste ruwe versie van Het Kapitaal, postuum gepubliceerd onder de titel Grundrisse der Kritik der politischen Oekonomie (Foundations of the Critique of Political Economy), geschreven in 1857-8;

(b) het onafgewerkte boek Zur Kritik der politischen Oekonomie (A contribution to the Critique of Political Economy), gepubliceerd in 1859;

(c) De 1861-3 manuscripten, drieëntwintig enorme schriften, waaruit Kautsky Theories of Surplus-Value (ook gekend als Deel 4 van Het Kapitaal) haalde. Dit betreft echter enkel de schriften VI-XV inbegrepen. Schriften I-V behandelen materie die algemeen aan bod komt in Het Kapitaal Deel 1; schriften XVI;XVII en XVIII behandelen materie die in Het Kapitaal Deel 3 verwerkt is; schriften XIX-XXIII verwerken opnieuw zaken de verband houden met Het Kapitaal Deel 1, en omvat een lange verhandeling over de geschiedenis van technieken en het gebruik van machines in het kapitalisme;

(d) een manuscript van 1864-65, grotendeels punten die in Het Kapitaal Deel 3 aan bod komen;

(e) vier manuscripten geschreven tussen 1865 en 1870, waaruit Engels het meeste materiaal voor Het Kapitaal Deel 2 haalde;

(f) de finale versie van Het Kapitaal Deel 1, geschreven in 1866-7.

Van de zes belangrijke werken van de volwassen Marx is enkel Deel 1 afgewerkt en uitgegeven door de auteur zelf. Van dat werk verzorgde hij gecorrigeerde uitgaves in het Duits en het Frans.[n22] Delen 2 en 3 van Het Kapitaal bleven onafgewerkt en werden postuum en moeizaam uitgegeven door Marx’ levenslange vriend Friedrich Engels. Theories of Surplus-Value werd herschikt en uitgegeven door Kautsky. De Grundrisse werd slechts in 1939 voor het eerst aan het publiek voorgesteld. Een belangrijk deel van de 1861-3 manuscripten is nog steeds niet uitgegeven.

Het oorspronkelijke plan van Het Kapitaal was in 1857 uitgewerkt; het uiteindelijke plan dateert van 1865-6. Tussen die twee data liggen negen jaar intense studie, meer bepaald in het British Museum onder erg moeilijke omstandigheden. Marx had constant financiële problemen; door de ziekte en de dood van drie van zijn kinderen, waaronder zijn dierbare zoon Edgar; en door zijn groeiende betrokkenheid in actuele politieke en maatschappelijke studies, meer bepaald door zijn activiteiten in de Internationale Arbeidsassociatie (de zogenaamde Eerste Internationale). De noodzaak om te antwoorden op een scherpe en lasterlijke aanval van een Duitse politieke opponent, een zekere Herr Vogt, kostte Marx bijna een half jaar vertraging voor het afwerken van Het Kapitaal Deel 1. Uiteindelijk werden ziekte en slechte gezondheid meer en meer een obstakel. Hijzelf sprak sarcastisch over zijn ‘karbonkels’, het gevolg van iets dat de burgerij niet vlug zou vergeten. Maar uiteindelijk is het eerder zijn erg stoïcijnse opstelling tegenover de miserie rondom hem, dan een of andere verbitterdheid door zijn materiële ontbering, die doordringt in zijn volwassen werk.

Van bij de aanvang wilde Marx een omvattende analyse van het kapitalisme in zijn totaliteit maken. Getuige het oorspronkelijk plan van Het Kapitaal dat er als volgt uit ziet:

1. Deel over Kapitaal

(a) Kapitaal in het algemeen

(1) Productieproces van het kapitaal
(2) Circulatieproces van het kapitaal
(3) Winst en interest

(b) Concurrentie

(c) Krediet

(d) Bedrijven met aandelen

2. Deel over landeigendom

3. Deel over loonarbeid

4. Deel over de Staat

5. Deel over de internationale handel

6. Deel over de wereldmarkt en crisissen[n23]

De versie van 1865-6 van Het Kapitaal telt echter slechts vier delen:
Deel 1: Productieproces van het kapitaal
Deel 2: Circulatieproces van het kapitaal
Deel 3: Vormen van het proces in zijn totaliteit
Deel 4: Geschiedenis van de theorie

Roman Rosdolsky, die een uitgebreide studie maakte van dit probleem, vond niet minder dan veertien verschillende versies van het plan voor Het Kapitaal tussen september 1857 en april 1868.[n24]

Twee vragen over die aanpassingen dringen zich op. Ten eerste, waarom veranderde Marx zijn initieel plan, en welke gevolgen hadden die aanpassingen voor een goed begrip van Marx’ methode en voor de inhoud van Het Kapitaal? Ten tweede, houdt de versie van 1865-6 in dat de vier delen die we nu hebben, het volledige werk – alhoewel onuitgegeven met uitzondering van het eerste deel – voorstellen dat Marx oorspronkelijk in gedachten had? Het antwoord op die beide vragen heeft veel interessante implicaties voor zowel de discussies over Marx’ economische theorie zelf, als voor het licht dat het werpt op bijdragen van sommige van zijn meest getalenteerde volgelingen en discipelen.

Wat we nu Het Kapitaal noemen, is de derde poging van Marx om zijn visie over de kapitalistische productiewijze als totaliteit, uit te werken. De eerste poging, de Grundrisse van 1857-8, volgt volledig het oorspronkelijk plan van Het Kapitaal, maar stopt aan punt 1 (a) (3). De tweede poging van 1861-3 is nog steeds niet gepubliceerd, met uitzondering van het deel over Theories of Surplus-Value. De derde poging is die van 1865-6, waarvan we de delen 1-4 hebben. We weten dat Marx al in januari 1863 beslist had om landrente te behandelen als een onderdeel van de verdeling van de totale meerwaarde onder de verschillende sectoren van de leidende klassen. Toch leek hij toen vast te houden aan een afzonderlijk deel over loonarbeid, een afzonderlijk deel over landeigendom, en afzonderlijke delen over krediet, concurrentie en bedrijven met aandelen.[n25] De logica van het plan toont de wil om de fundamentele sociale klassen van de burgerlijke maatschappij afzonderlijk te behandelen: eerst de industriële kapitalisten; dan de landeigenaars; tenslotte het proletariaat. Het impliceert ook de wil om de problemen over de productie van waarde, meerwaarde en kapitaal, strikt te scheiden van de problemen over de kapitalistische productie, die enkel begrepen kunnen worden als uitvloeisel van het proces van de verdeling van eerder geproduceerde meerwaarde.

Alhoewel dat originele plan duidelijk een noodzakelijke opstap was voor een uiteindelijke analyse van de kapitalistische productiewijze, toch werd het naarmate Marx’ analyse vorderde, meer en meer een obstakel voor een nauwkeurige en samenhangende exposé van de bewegingswetten van de productiewijze. Daarom moest het uiteindelijk verworpen worden. Het deel over loonarbeid werd geïntegreerd in Deel 1, ‘Het Productieproces van het Kapitaal’. Het bleek onmogelijk om loonarbeid afzonderlijk en gescheiden van de meerwaarde te behandelen, dus van het kapitalistische productieproces (Marx wilde waarschijnlijk de fluctuaties van de lonen behandelen in Deel 6 over de wereldmarkt en de crisissen). Het deel over landeigendom werd geïntegreerd, samen met dat over winst en interest, concurrentie en bedrijven met aandelen, in het nieuwe Deel 3, dat de essentiële vormen onderzocht van de kapitalistische productiewijze als totaliteit, vanuit het gezichtspunt van de herverdeling van de totale geproduceerde meerwaarde over de verschillende sectoren van de bezittende klasse.

Als we naar die wijziging van het initiële plan van Het Kapitaal kijken, kunnen we wel begrijpen wat er niet veranderde. Delen 1 en 2 van Het Kapitaal kunnen nog steeds onder de hoofding ‘Kapitaal in het algemeen’ geplaatst worden. Enkel Deel 3 valt net zoals de oorspronkelijk geplande delen 4, 5 en 6 die nooit geschreven werden, onder de hoofding ‘vele kapitalen’. Dit betekent concreet dat een aantal problemen, zoals bijvoorbeeld het probleem over de oorsprong en de afwikkeling van de ‘handelscyclus’ (van kapitalistische overproductiecrisissen) geen plaats krijgt in Delen 1 en 2, en enkel kan behandeld worden als we afdalen van het hoogste abstractieniveau, waar het kapitaal behandeld wordt in zijn globale verhouding met loonarbeid, naar een onderzoek over de interacties van verschillende kapitalen onder elkaar. Omdat Rosa Luxemburg geen rekening hield met de specifieke structuur van de opeenvolgende delen van Het Kapitaal, was het methodologisch verkeerd om Marx ervan te beschuldigen dat hij de reproductieschema’s van Deel 2 uitgewerkt had zonder het ‘probleem van de realisatie’ op te lossen of zonder een crisistheorie uit te werken.[n26] Ik kom terug op dit interessant probleem in de inleiding voor Deel 2 van Het Kapitaal.

Joan Robinson maakt een gelijkaardige vergissing in haar inleiding van de tweede uitgave van An Essay on Marxian Economics, waar ze een tegenstelling ziet tussen de aannames over het reële loon in Deel 1 en die in Deel 3 van Het Kapitaal. In Deel 1 zegt ze dat Marx aanneemt dat een stijgende arbeidsproductiviteit tot een grotere exploitatiegraad gaat, terwijl hij in Deel 3 aanneemt dat een stijgende arbeidsproductiviteit, bij een stabiele exploitatiegraad, kan leiden tot een stijging van de werkelijke lonen en een dalende winstvoet.[n27] Joan Robinson begrijpt niet dat Delen 1 en 3 van Het Kapitaal zich afspelen op verschillende abstractieniveaus, verschillende vragen beantwoorden, en verschillende aannames maken om klaar te zien in de specifieke dynamiek zodat die vragen een antwoord kunnen krijgen.

In Deel 1 onderzoekt Marx de relaties tussen Kapitaal en Arbeid in het algemeen, en maakt hij abstractie van de invloeden van concurrentie tussen kapitalisten voor wat betreft de verdeling van de meerwaarde en de veranderingen in het werkelijke loon. Hij gaat daarom eerst uit van stabiele werkelijke leeflonen, met de bedoeling om te tonen via welke bewegingen de meerwaarde geproduceerd, vermeerderd en toegeëigend wordt door het kapitaal. In Deel 3 onderzoekt hij het effect van kapitalistische concurrentie op de verdeling en de herverdeling van de meerwaarde tussen kapitalisten, en daarvoor moet hij de effecten van die concurrentie op de exploitatiegraad (bijvoorbeeld in periodes van expansie, met een hoge tewerkstellingsgraad) integreren. Om de fundamentele antwoorden op die vragen uit te werken, is het perfect logisch om in Deel 3 eerst een stabiele exploitatiegraad aan te nemen, maar daarna deze vereenvoudigende hypotheses achterwege te laten (Deel 1, Hoofdstuk 17; Deel 3, Hoofdstuk 14).

Uiteindelijk maken de vele opmerkingen doorheen het manuscript van Deel 3 duidelijk dat Marx vasthield aan zijn bedoeling om Het Kapitaal te vervolledigen met delen over de staat, de buitenlandse handel, de wereldmarkt en de crisissen, alhoewel hij deze problemen duidelijk buiten het definitieve plan van Het Kapitaal zelf plaatste.[n28] Slechts als het ongepubliceerde manuscript van 1861-3 beschikbaar wordt, zullen we weten of er ergens een ruwe versie bestaat van wat hij wilde ontwikkelen in die boeken, of dat het bedoeld was als een volledig nieuwe en verdere ontwikkeling van zijn studie over de burgerlijke maatschappij.

Als we naar die wijzigingen in het totale plan van Het Kapitaal kijken, is de definitieve versie van het plan van Deel 1 erg opmerkelijk. We mogen niet vergeten dat Deel 1, geredigeerd door Marx, grotendeels van latere datum is dan de originele en onvolledige ruwe versie van Delen 2 en 3 die later door Engels geredigeerd werden.[n29] Daarom geeft Deel 1 ons het beste beeld van Marx’ kijk op het kapitalisme.

Als we naar de plaats kijken die Deel 1 inneemt in het totale plan van Het Kapitaal, kunnen we onmiddellijk antwoorden op twee misvattingen over Marx’ economische theorie die steeds weer opduiken. Het is waar dat volgens Marx en Engels kapitalisten hun waren niet ruilen tegen hun waarde, terwijl de ruil van waren bij de kleine [toevallige] warenproductie hoofdzakelijk wel gebeurt tegen hun waarde.[n30] Maar daaruit volgt geenszins dat Het Kapitaal Deel 1, dat aanneemt dat de waren volgens hun waarde geruild worden, over de prekapitalistische warenproductie en -ruil gaat, en dat we enkel in Deel 3 starten met het onderzoek naar de kapitalistische warenproductie. Integendeel, Marx maakt in Deel 1 abstractie van het probleem van de verdeling van de meerwaarde tussen kapitalisten in concurrentie – dat is, het probleem van de vereffening van de winstvoet – precies met de bedoeling om de wetten van de kapitalistische productiewijze en circulatie te isoleren en ze te tonen in hun ‘meest zuivere’ en meest fundamentele vorm.

Het is dus fout om te veronderstellen dat Deel 1 slechts handelt over de ‘essentie’ of over ‘abstracties’, en het ‘concrete’ kapitalisme slechts geanalyseerd wordt in Deel 3. Niets kan ‘concreter’ zijn en dichter bij de onmiddellijk waargenomen economische data (‘verschijning’) staan dan de analyse in Deel 1 van de werkdag of de lonen en de machinerie. Commentatoren verwarren het type vragen dat opgelost wordt in Deel 1 met de methode van antwoorden. Deel 1 maakt abstractie van de kapitalistische concurrentie, van de ongelijke en gecombineerde ontwikkeling, en daarom van de productieprijzen en de egalisering van de winstvoet en zelfs van de marktprijzen, met de bedoeling om de fundamentele oorsprong van de meerwaarde in het productieproces, dat het consumptieproces is van arbeidskracht door het kapitaal, bloot te leggen. Maar dit probleem wordt behandeld door een combinatie van theoretisch inzicht en empirische verificatie, door een onophoudelijke poging om de bemiddelende verbanden te ontdekken tussen ‘essentie’ en ‘verschijning’ via een diepgaande analyse over hoe en waar de ‘essentie’ (de waarde van de arbeidskracht) zichzelf manifesteert doorheen de ‘verschijningen’ (de fluctuaties van de reële lonen).

4. Het Plan van Deel 1

Deel 1 van Het Kapitaal heeft een strikt logische opbouw. We starten bij de elementaire vorm van kapitalistische rijkdom – de waar – en haar interne contracties – de tegenstelling tussen gebruikswaarde en ruilwaarde. Omdat die geproduceerd wordt door private arbeid, waarvan het maatschappelijk karakter niet langer automatisch en onmiddellijk herkend kan worden door de maatschappij, kan de waar enkel bestaan samen met een noodzakelijke consequentie, geld als een universeel ruilmiddel. Maar de analyse van de circulatie van waren samen met de circulatie van geld, leidt tot een ontplooiing van de innerlijke mogelijkheden en tegenstellingen van geld: de mogelijkheid van ruilwaarde belichaamd in geld, om een autonome economische persoon te worden; van geld dat verschijnt als begin- en als eindpunt, en niet louter bemiddelend bij een circulatieproces; van geld omgebogen voor de vermeerdering van geld, dat is van kapitaal.

In prekapitalistische maatschappijen verschijnt kapitaal buiten de productiesfeer, en komt het nauwelijks voor binnen die sfeer. Het parasiteert op het maatschappelijke product dat geproduceerd en oorspronkelijk toegeëigend wordt door niet-kapitalistische klassen. Een fundamenteel verschil tussen kapitalistische en prekapitalistische productiewijzen is dat onder het kapitalisme kapitaal zich niet enkel de meerwaarde toe-eigent; het produceert meerwaarde. Omdat Marx dit fundamenteel achtte voor een begrip van alle aspecten van de burgerlijke maatschappij – sporadisch niet enkel het economische maar ook het politieke, begint hij Het Kapitaal met een volledig deel gewijd aan een lange analyse van het productieproces. Voor de kapitalist is het productieproces tegelijkertijd een productieproces van waarde, een productieproces van meerwaarde, een productieproces van kapitaal, en een proces van productie en constante reproductie van de fundamentele antagonistische maatschappelijke verhoudingen; de relatie tussen loonarbeid en kapitaal, de dwang voor het proletariaat om zijn arbeidskracht te verkopen aan de kapitalisten, de dwang voor de kapitalisten om kapitaal te accumuleren en om de afpersing van meerwaarde van de arbeiders te maximaliseren.

Deel 1 van Het Kapitaal is opgebouwd rond Marx’ fundamentele ontdekking, de verklaring van het ‘geheim’ van de meerwaarde. Er bestaat slechts één waar, namelijk arbeidskracht, waarvan de gebruikswaarde aan de kapitalist de mogelijkheid biedt om nieuwe waarde te produceren die groter is dan haar ruilwaarde. Het ‘productieproces’ dat Marx analyseert in Deel 1 is daarom vooral het productieproces van meerwaarde.

De productie van meerwaarde kan echter maar op een meer gedetailleerde wijze onderzocht worden als het kapitaal zelf opgedeeld wordt in constant kapitaal en variabel kapitaal. Constant kapitaal is dat deel van de rijkdom van de kapitalistische klasse waarmee het monopolie verkrijgt en behoudt voor eigendom van en toegang tot de materiële productiemiddelen. Daarvoor ontneemt het de arbeidersklasse elke mogelijkheid om op een onafhankelijk manier in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Het is de noodzakelijke voorwaarde voor de productie van meerwaarde. Maar dat produceert op zichzelf die meerwaarde niet. Enkel de arbeidskracht van levende arbeid produceert bijkomende waarde, inclusief meerwaarde.

De volgende stap in de analyse is het onderscheid tussen de productie van absolute en van relatieve meerwaarde. Absolute meerwaarde wordt geproduceerd door het verlengen van de werkdag bovenop het aantal uren nodig om de waarde te produceren die overeenkomt met het inkomen van de arbeider. Relatieve meerwaarde wordt geproduceerd door de stijging van de arbeidsproductiviteit in de industriële sector van de loon-waren, wat de arbeider toelaat om het equivalent van zijn loon in een kleiner deel van de werkdag te produceren, zodat er een stijging van de meerwaarde is zonder een verlenging van de werkdag. Marx merkt op dat terwijl de productie van absolute meerwaarde overheerste in de eerste eeuwen van de kapitalistische productiewijze (in Engeland ruwweg tussen de zestiende eeuw en de eerste helft van de negentiende eeuw), de productie van relatieve meerwaarde overheersend wordt eens de logica van de industriële revolutie (van de ontwikkeling van de machinerie) en de logica van klassenstrijd tussen arbeid en kapitaal zich volledig ontwikkelt.

Een cruciaal onderdeel van Afdeling Vier van Deel 1 (‘De Productie van Relatieve Meerwaarde’) bestaat uit een lange en gedetailleerde analyse van de manufactuur en het moderne bedrijf (Hoofdstukken 14 en 15). Daar krijgt de productie van meerwaarde een bijkomende belangrijk dimensie. In een industrie op basis van de manufactuur haalt het kapitaal voordeel uit arbeidsproductiviteitsstijgingen die steunen op steeds meer geavanceerde vormen van arbeidsdeling. Maar de productietechnieken blijven fundamenteel onveranderd. Arbeid wordt opgesplitst volgens de verdeling van het eindproduct per manufactuur. Maar behalve deze onderverdelingen verandert er niets in het arbeidsproces. Het belangrijkste voor de kapitalist in de periode van de manufactuur is dus de constante directe controle van het kapitaal over de arbeid om bij een gegeven technisch niveau een maximale uitpersing van meerarbeid te verzekeren. Het is zoals een armenhuis waar de arbeiders hun vrijheid verliezen om hun eigen werkritme te bepalen, waar arbeid onvrij wordt, wat vanuit dit standpunt eveneens gedwongen arbeid is. Vele oorspronkelijke manufactuurconcerns waren inderdaad letterlijk armenhuizen gevuld met arbeiders die in verschillende mate hun individuele vrijheid kwijt waren.

Met de industriële revolutie en de opkomst van het moderne bedrijf, steunt dit proces van onderwerping van de arbeid aan het kapitaal tijdens de productie niet enkel op de hiërarchische vormen van de arbeidsorganisatie, maar in hoge mate op het productieproces zelf. Voor zover de productie gemechaniseerd wordt, wordt ze gereorganiseerd rond de machinerie. Het arbeidsritme en de werkinhoud van levende arbeid wordt ondergeschikt aan de mechanische eisen van de machinerie zelf. Vervreemding van de arbeid is niet enkel meer vervreemding van het arbeidsproduct, maar vervreemding van de vormen en de inhoud van het werk zelf.

De explosieve mogelijkheden van de moderne machinerie worden door Marx tegelijkertijd in drie verschillende richtingen onderzocht. Machines zijn de belangrijkste wapens van het kapitaal om de arbeid te onderwerpen aan het kapitaal tijdens het productieproces. Onophoudelijk geprikkeld door het accumulatieproces van kapitaal, zijn machines het belangrijkste wapen om de productie van relatieve meerwaarde te vergroten. Arbeidsbesparende machines zijn het belangrijkste wapen voor het creëren en in stand houden van het industriële ‘reserveleger van arbeid’, waardoor de lonen blijven fluctueren rond de waarde van de waar arbeidskracht, en de toe-eigening van meerwaarde normaal gegarandeerd blijft voor de kapitalisten.

Daarom integreert Marx de ontwikkeling van de klassenstrijd tussen kapitaal en arbeid logisch in zijn analyse van de productie van meerwaarde, voor zover hij die klassenstrijd ziet als het resultaat van dat productieproces. De afpersing van meerwaarde van levende arbeid betekent een strijd van de kapitalisten om de arbeidsdag te verlengen, om de werklast van de arbeiders te verhogen zonder de lonen te verhogen, het toe-eigenen door het kapitaal van alle baten van de stijgende arbeidsproductiviteit. Daartegenover betekent de strijd tegen de kapitalistische uitbuiting voor de arbeiders een strijd om de arbeidsdag te verkorten zonder een verlaging van de lonen, een strijd om de werklast te verminderen, een strijd voor hogere reële lonen. Hoe deze klassenstrijd tegen de onmiddellijk aspecten van de kapitalistische uitbuiting zichzelf omvormt in een strijd voor de omverwerping van het kapitalistisch systeem, wordt kort behandeld in op het einde van Deel 1. De accumulatie van kapitaal, het doel van de infernale logica die Marx naar boven bracht, komt aan bod in Afdeling Zeven. Kapitaal produceert meerwaarde die op haar beurt voor het grootste deel getransformeerd wordt in bijkomend kapitaal, dat op zijn beurt bijkomende meerwaarde produceert. En zo voort, met alle daaruit voortvloeiende contradictorische effecten voor de mensheid.

Als we de inhoud van de opeenvolgende afdeling van Deel 1 oplijsten en Afdeling 1 opdelen in zijn drie hoofdstukken, dan zien we hoe die feilloze logica zich ontvouwt en hoe dit ruwweg overeenkomt met het historische proces ‘ontdaan van de historische vorm en van afwijkende toevallige gebeurtenissen’.[n31]

I. Beginpunt: elementaire vorm van de kapitalistische rijkdom: de waar.

(a) de waar en de verwezenlijking van haar ruilwaarde, of het ruilproces
(b) het ruilproces en de ruilmiddelen: geld
(c) geld, de noodzakelijke bemiddelaar van het circulatieproces van de waren

II. Geld dat zichzelf omvormt tot kapitaal, i.e. waarde die op zoek is naar waardegroei, meerwaarde; de natuur van meerwaarde

III. De productie van meerwaarde: absolute meerwaarde

IV. De productie van meerwaarde: relatieve meerwaarde (van de manufactuur tot het moderne bedrijf)

V. Relatie tussen lonen, arbeidsproductiviteit en meerwaarde: de meerwaardevoet

VI. Hoe de waarde van de arbeidskracht verandert in lonen, met hun verschillende vormen en variaties

VII/VIII. De accumulatie van kapitaal, i.e. de kapitalistische rijkdom in zijn totaliteit: de gevolgen voor arbeid. De oorsprong van het kapitalisme (‘de primitieve accumulatie van kapitaal)

Op het einde van Deel 1 zijn we terug van waar we gestart waren: kapitalistische rijkdom. Maar nu begrijpen we het niet langer enkel als een som van ‘elementaire elementen’, een berg waren (alhoewel het ook deze berg is!). We zien het nu als het resultaat van een gigantisch proces van waardeproductie, van meerwaarde-extractie, uit de levende arbeid; een gigantische beweging die onophoudelijk de productiemiddelen revolutioneert, de organisatie van de productie, het arbeidsproces en de producenten zelf. De formule ‘kapitaal-waarde op zoek naar additionele waarde’ wordt nu begrepen als kapitaal dat een proces van zelf-valorisering (Verwertung) organiseert, een proces van onophoudelijk zoeken naar groei van zijn eigen waarde, door de eenheid van het arbeidsproces en het proces van de productie van toenemende waarde (Einheit von Arbeitsprozess und Verwertungsprozess). We verstaan zo beter waarom een analyse van het kapitalisme eerst klaarheid moet scheppen in alles wat er gebeurt tijdens het productieproces.[n32]

Marx’ opstelling tegenover technologie, machinerie en de bedrijfsorganisatie werd dikwijls verkeerd geïnterpreteerd, zelfs door auteurs die hem welgezind zijn. Het is zeker waar dat Marx, meer dan eender welke eigentijdse econoom, socioloog of filosoof, zich bewust was van de revolutionaire effecten van de machinerie op lange termijn op alle aspecten van het leven van de burgerlijke maatschappij. Het is ook waar dat niemand zijn aanklacht tegenover de onmenselijke resultaten van het kapitalistische gebruik van de machinerie over het hoofd kan zien als hij de hoofdstukken 10, 15 of 25 van Het Kapitaal leest met een minimum aan aandacht. Is het daarom terecht om Marx te zien als een late luddiet, een voorloper van de nulgroei profeten? Of is het waar zoals anderen geargumenteerd hebben,[n33] dat Marx een grote bewonderaar was van de kapitalistische technologie en dat hij al zijn hoop stelde op de emancipatorische effecten op lange termijn van die technologie, die onvermijdelijk is om de onvermijdelijke arbeidslast en arbeidsmoeheid waartoe de mens veroordeeld is, te verminderen?

Marx de dialecticus, die zijn zinnen gezet had op een alzijdige analyse van het kapitalisme en de kapitalistische technologie, vermijdt die beide valstrikken, de conservatief romantische even goed als de onmenselijk mechanistische. In een klassieke passage van de Grundrisse[n34] onderstreept hij de civiliserende en progressieve aspecten van het kapitalisme, zijn geweldige impuls voor de ontwikkeling van de maatschappelijke productiekrachten, zijn onophoudelijke zoektocht naar nieuwe manieren en middelen om op arbeid te besparen, naar nieuwe noden en nieuwe sectoren van massaproductie, die helpen om de onbegrensde mogelijkheden van de mens tot leven te brengen. Maar tegelijkertijd toont hij hoe de specifiek kapitalistische vorm van die ontwikkeling de onmenselijke mogelijkheden vertienvoudigt van technologie, machinerie en ruilwaarde ‘die zot gedraaid is’ (dat is, als doel op zichzelf). Kapitalisme onderwerpt de mens aan de machine in plaats van de machines te gebruiken om de mens te bevrijden van de last van mechanisch en repetitief werk. Het maakt alle maatschappelijke activiteiten ondergeschikt aan de eisen van een onophoudelijke drang naar individuele verrijking in termen van geld, in plaats van het maatschappelijke leven te sturen in de richting van de ontwikkeling van rijke individualiteiten en hun maatschappelijke relaties. De tegenstelling tussen gebruikswaarde en ruilwaarde, inherent in elke waar, toont zich volledig in deze contradictorische natuur van de kapitalistische machinerie. Als het kapitalisme niet omvergegooid wordt eens het de materiële en maatschappelijke voorwaarden heeft geschapen voor een klasseloze maatschappij van geassocieerde producenten, dan impliceert die contradictie de mogelijkheid van een steeds grotere verandering van de productiekrachten in vernielingskrachten, in de meest letterlijke betekenis van het woord; niet enkel de vernielingskrachten van de rijkdom (crisissen en oorlogen), van menselijke welvaart en menselijk gelijk, maar ook in vernielingskrachten van het leven tout court.

5. De marxistische arbeidswaardeleer

Geen enkel element van Marx’ theorie werd gedurende de laatste vijfenzeventig jaar meer aangevallen in de academische wereld dan zijn waardeleer. Zijn burgerlijke critici geven blijk van een scherp klasseninstinct, want die theorie is inderdaad de hoeksteen van het hele systeem. Maar geen enkele hedendaagse intellectuele poging was zo duidelijk gesteund op een fundamentele misvatting, als de herhaalde aanvallen op Marx arbeidswaardeleer.[n35]

Die theorie bevat twee aspecten van het waardeprobleem, een kwantitatief en een kwalitatief. Vanuit het kwantitatieve standpunt, is de waarde van een waar de hoeveelheid eenvoudige arbeid (gekwalificeerde arbeid gereduceerd naar eenvoudige arbeid door een bepaalde coëfficiënt) noodzakelijk voor haar productie (dat is, aan een gegeven gemiddelde arbeidsproductiviteit). Vanuit een kwalitatief oogpunt, is de waarde van een waar bepaald door abstract menselijke arbeid – waren die geproduceerd zijn door private arbeid worden slechts onderling meetbaar voor zover de maatschappij abstractie maakt van het concrete en specifieke aspect van elke individuele private kracht of productiekracht, en al die arbeid egaliseert als abstracte maatschappelijke arbeid, onafhankelijk van de specifieke gebruikswaarde van elke waar.

Om die theorie te verstaan is het voldoende om zich af te vragen welke vraag Marx trachtte te beantwoorden. Het probleem is als volgt. De mens moet werken om in zijn materiële behoeften te voorzien, om ‘zijn materieel leven te produceren’. De manier waarop de arbeid van alle producenten in een gegeven maatschappij verdeeld is tussen de verschillende takken van de materiële productie zal bepalen in welke mate er aan die verschillende noden kan worden voldaan. Dus, gegeven een bepaald aantal behoeften, een ruw evenwicht tussen behoeften en output vereist een verdeling van de arbeid (van ‘input van arbeid’) tussen de verschillende takken van de productie in een bepaalde verhouding, en enkel in die. In een primitieve maatschappij, of in een volledig ontwikkelde socialistische maatschappij, gebeurt die verdeling van de input van de arbeid op een bewust geplande manier: in een primitieve maatschappij, op basis van gewoontes, gebruiken, traditie, magisch-rituele processen, beslissingen door de ouderen, enz.; in een socialistische maatschappij op basis van een democratische selectie van de prioriteiten door de massa van de geassocieerde producenten-verbruikers zelf. Maar in het kapitalisme, waar arbeid private arbeid geworden is, waar arbeidsproducten waren zijn die onafhankelijk van elkaar door duizenden onafhankelijke bedrijven geproduceerd worden, bepaalt geen enkele bewuste beslissing zulk een evenwicht van input van arbeid en van maatschappelijke behoeften (onder het kapitalisme impliceert dit natuurlijk dat enkel aan de behoeften voldaan wordt waarvoor er een effectieve vraag bestaat). Evenwicht wordt enkel toevallig bereikt door de blinde werking van de krachten van de markt. Prijsschommelingen, waar de academische economen zich op blind staren, zijn in de meest gunstige hypothese enkel signalen die erop wijzen dat dit evenwicht verstoord is, en door welke druk en in welke richting. Ze verklaren niet wat er er in evenwicht is en welke de drijvende kracht is achter deze ontelbare schommelingen. Het is precies deze vraag die Marx trachtte te beantwoorden met zijn verbeterde arbeidswaardeleer.

Met deze aanpak is het onmiddellijk duidelijk dat Marx, anders dan veel van zijn critici, te beginnen met de Oostenrijker Böhm-Bawerk, nooit de korte termijn prijsschommelingen op de markt wilde verklaren met zijn waardeleer.[n36] (Waarschijnlijk was hij van plan om enkele problemen die verband houden met korte termijn prijsschommelingen te behandelen in het nooit geschreven Deel 6 van het oorspronkelijk plan voor Het Kapitaal). Het heeft ook geen zin om te spreken over de arbeidswaardeleer, zoals uitgelegd in Deel 1 van Het Kapitaal, als een ‘micro-economische theorie’ zogenaamd in contrast met de ‘macro-economische’ arbeidswaardeleer in Deel 3. Wat Marx trachtte te ontdekken was een verborgen sleutel achter de prijsschommelingen, de atomen binnen de molecule als het ware. Hij bracht de hele economische analyse op een hoger abstractieniveau. Zijn vraag was niet: hoe loopt Sammy (welke bewegingen maken zijn benen en zijn lichaam terwijl hij loopt), maar wat doet Sammy lopen.

Hieruit volgt dat 99 percent van de kritiek gericht tegen de marxistische arbeidswaardeleer totaal niet relevant is, speciaal wanneer ze de eerste bladzijden van Hoofdstuk 1 van Deel 1 van Het Kapitaal tracht te ‘weerleggen’, die soms voorgesteld werden als een ‘proef’ van die theorie.[n37] Zeggen dat waren andere gemeenschappelijke kwaliteiten hebben dan het feit dat het producten zijn van maatschappelijke arbeid, verandert de analyse van de maatschappelijke verhoudingen in een logisch woonkamerspel. Die ‘andere kwaliteiten’ hebben duidelijk niets van doen met de nexus [het verband] tussen leden van de maatschappij in een anarchistische markteconomie. Het feit dat zowel brood als vliegtuigen ‘schaars’ zijn maakt hen niet onderling onmeetbaar. Zelfs wanneer duizenden mensen sterven van de honger, en de ‘intensiteit van de behoefte’ voor brood zeker duizenden malen groter is dan de ‘intensiteit van de behoefte’ voor vliegtuigen, dan nog zal de eerste waar ontelbare malen goedkoper zijn dan de tweede, omdat veel minder maatschappelijk noodzakelijke arbeid nodig was voor de productie.

Dikwijls werd de vraag gesteld waarom al die heisa nodig is voor dat soort onderzoek? Waarom de ‘economie’ niet beperken tot de analyse van wat echt gebeurt in het dag aan dag economisch leven (in het kapitalisme, dat spreekt voor zichzelf) – het stijgen en dalen van prijzen, lonen, interestvoeten, winsten, enz., in plaats van te trachten om de mysterieuze ‘krachten onder de oppervlakte van de economie’ te ontdekken die verondersteld worden de actuele economische feiten te sturen, maar dan enkel op een erg hoog abstractieniveau en in een ultieme analyse?

Die neopositivistische aanpak is merkwaardig en typisch onwetenschappelijk. Niemand die aan geneeskunde doet, om niet te spreken over de andere natuurwetenschappen, zou uit vrees om uitgelachen te worden, durven vragen: ‘Waarom zich druk maken voor de “diepere oorzaken” of ziektes, als iemand de symptomen kan oplijsten om een diagnose op te stellen?’ Uiteraard is geen echt inzicht in de economische ontwikkelingen mogelijk als men niet tracht te achterhalen wat precies ‘achter’ de directe verschijningen schuilgaat. Wetten over de directe korte termijn prijsschommelingen in de markt kunnen niet verklaren waarom, een interessant voorbeeld, een kilogram goud in 1974 verkocht wordt voor dubbel zoveel welbepaalde korven Amerikaanse consumptiegoederen als zeventig jaar geleden (de gemiddelde prijsindex voor consumptiegoederen steeg iets meer dan vijfmaal vergeleken met 1904, terwijl de prijs van goud op de vrije markt negen maal hoger werd). Blijkbaar heeft die fundamentele beweging van de prijzen op een langere periode iets te maken met de verschillende dynamiek van de lange termijn maatschappelijke arbeidsproductiviteit in de verschillende consumentenindustries aan de ene kant en in de goudmijnindustrie aan de kant; dat is, met de waardewetten zoals geformuleerd door Marx.

Zodra we begrijpen dat de fameuze ‘verborgen hand’ die verondersteld wordt vraag en aanbod in de markt te reguleren, enkel de werking is van diezelfde waardewet, kunnen we een hele reeks economische processen met elkaar verbinden, die anders onsamenhangende stukjes van de analyse blijven. Geld ontstaan in de ruil kan enkel dienen als een universeel equivalent voor de waarde van de waren omdat het zelf een waar is met zijn eigen intrinsieke waarde (of, in het geval van papiergeld, een waar voorstelt met zijn eigen intrinsieke waarde). De monetaire theorie is terug verbonden met de waardeleer en de theorie van kapitaalaccumulatie. Het op en neer gaan van de economische cyclus toont zich als het mechanisme waarmee plotselinge omwentelingen in de waarde van de waren zich uiteindelijk manifesteren, wat gepaard gaat met een pijnlijke ontwaarding (verlies van waarde), niet enkel voor de ‘infanterie’ van het warenleger, de individuele massa van afgewerkte consumptiegoederen die dag aan dag verkocht worden, maar ook voor de ‘zware artillerie’, dat is de grootschalige machinerie, vast kapitaal. De theorie van de economische groei, van de ‘economische cyclus’, van de kapitalistische crisissen, de theorie van de winstvoet en haar tendens om te dalen – alles vloeit in laatste instantie voort uit de werking van de waardewet. De vraag of dat concept enig nut heeft in een economische analyse is daarom dus even zinloos als de vraag of we het concept van de fundamentele deeltjes (atomen, enz.) nodig hebben in de fysica. Geen coherente en samenhangende analyse, die de basiswetten van de beweging van de kapitalistische economie in zijn geheel verklaart, is mogelijk zonder de ‘elementaire principes’ georganiseerd op basis van de waarde van de waren.

In de marxistische economische theorie vervult de ‘waardewet’ een drievoudige functie. In de eerste plaats stuurt het de ruilverhoudingen tussen de waren (wat niet betekent dat het hier en nu determinerend is); dat wil zeggen, het legt de axis vast waarrond lange termijn veranderingen in de relatieve prijzen van de waren oscilleren. (Dat omvat in het kapitalisme ook de ruilverhoudingen tussen kapitaal en arbeid, een uiterst belangrijk punt waar we straks op terugkomen.) Op de tweede plaats bepaalt het de relatieve verhoudingen van de totale maatschappelijke arbeid (en dit impliceert, in laatste instantie, de totale materiële middelen van de maatschappij) toegewezen voor de output van de verschillende groepen van waren. Op die manier verdeelt de waardewet in laatste instantie de materiële middelen tussen de verschillende productietakken (en tussen de maatschappelijke activiteit in het algemeen) volgens de verdeling van ‘effectieve vraag’ voor de verschillende groepen van waren, waarbij altijd verondersteld wordt dat dit gebeurt binnen het raamwerk van de antagonistische klassenverhoudingen in de productie en distributie. Op de derde plaats stuurt het de economische groei, door de bepaling van de gemiddelde winstvoet en door de investeringen te richten naar die bedrijven en die productiesectoren waar de winst hoger is dan het gemiddelde, en weg uit die bedrijven en sectoren waar de winst lager is dan het gemiddelde. We herhalen dat die bewegingen van kapitaal en investeringen in laatste instantie overeen komen met de voorwaarden van ‘economie’ en ‘verspilling’ van maatschappelijke arbeid, dus met de werking van de waardewet.

Marx’ arbeidswaardeleer is een verdere ontwikkeling en vervolmaking van de arbeidswaardeleer zoals zij ontstond in de ‘klassieke’ school van de politieke economie, meer specifiek Ricardo’s versie. Maar Marx bracht heel wat wijzigingen aan die theorie aan. Een welbepaalde was van doorslaggevend belang: het gebruik van het concept abstracte maatschappelijke arbeid als de basis voor de waardeleer. Het is daarom dat Marx op geen enkele manier bekeken kan worden als een ‘geavanceerde neoricardiaan’. ‘Arbeidskwantiteiten zijn de essentie van waarde’ is iets dat volledig verschillend is van ‘arbeidskwantiteiten als munteenheid’ – een gemeenschappelijke maatstaf voor de waarde van alle waren. Het verschil tussen concrete arbeid, die de gebruikswaarde van de waren bepaalt, en abstracte arbeid, die hun waarde bepaalt, is een revolutionaire stap ten opzichte van Ricardo, waar Marx erg trots voor was; hij bekeek dit inderdaad als zijn belangrijkste verwezenlijking, samen met de ontdekking van de algemene categorie meerwaarde, die de winst, de rente en de interest omvat. Het steunt op het vatten van de specifieke structuur van een maatschappij met warenproducenten, of de centrale vraag hoe de verschillende delen van het totale maatschappelijk arbeidspotentieel die de vorm aannemen van private arbeid, zich tot elkaar verhouden. Het vormt daarom samen met Marx’ concept van de noodzakelijke arbeid en de meerarbeid (noodzakelijk product en surplusproduct), de sleutelverbinding tussen de economische theorie en de wetenschap van de maatschappelijke revolutie, historisch materialisme.

De manier waarop de marxistische arbeidswaardeleer de gebruikswaarde sterk uitsluit van elke bepaling van de waarde en de ruilwaarde, werd dikwijls geïnterpreteerd alsof Marx de gebruikswaarde volledig uit de economische analyse buitensloot. Dit komt zeker niet overeen met de rijke dialectische complexiteit van Het Kapitaal. Wanneer we de problemen in de reproductie behandelen in de inleiding van Deel 2, zullen we de mogelijkheid hebben om de specifieke manier te behalen hoe de tegenstelling tussen gebruikswaarde en ruilwaarde overbrugd moet worden in het kapitalisme, om economische groei nog mogelijk te maken. Hier willen we enkel benadrukken dat voor Marx de waar begrepen moest worden als een eenheid en als een tegenstelling tussen gebruikswaarde en ruilwaarde: een waar zonder gebruikswaarde voor een potentiële koper zou haar ruilwaarde niet kunnen realiseren; en de specifieke gebruikswaarde van twee categorieën van waren, productiemiddelen en arbeidskracht, speelde een sleutelrol in zijn analyse van de kapitalistische productiewijze.

Zoals reeds opgemerkt, drukt de waardewet fundamenteel het feit uit dat in een maatschappij die steunt op private eigendom en private arbeid (waarbij economische beslissingen verdeeld zijn tussen duizenden onafhankelijke bedrijven en miljoenen onafhankelijke ‘economische agenten’), maatschappelijke arbeid niet onmiddellijk als dusdanig herkend kan worden. Als de arbeiders van Mr. Jones 100.000 paar schoenen per jaar maken, dan weet hij dat mensen schoenen nodig hebben en ze zullen kopen; als hij de moeite doet om zijn huiswerk te maken, weet hij zelfs dat het jaarlijkse aantal schoenen verkocht in het Verenigd Koninkrijk (en al de landen waar hij zijn productie wil naar exporteren) veel hoger is dan dit beperkte aantal van 100.000 paar. Maar hij heeft geen enkel middel om te weten of die specifieke 100.000 paar schoenen die hij bezit gebruikers zullen vinden die in staat zijn ze te kopen. Enkel na de verkoop van zijn schoenen en het ontvangen van hun equivalent, kan hij zeggen (op voorwaarde dat hij de gemiddelde winstvoet op zijn geïnvesteerd kapitaal gerealiseerd heeft): mijn arbeiders hebben werkelijk maatschappelijk noodzakelijke arbeid gespendeerd in mijn bedrijf. Als een deel van de geproduceerde schoenen onverkocht blijft, of als ze verkocht worden met verlies of met een winst die significant lager is dan de gemiddelde, wat wil zeggen dat een deel van de arbeid gespendeerd in de productie door de maatschappij niet gewaardeerd wordt als maatschappelijk noodzakelijke arbeid, dan was het vanuit het gezichtspunt van de maatschappij in haar geheel in feite verkwiste arbeid.

Maar of een bepaalde hoeveelheid arbeid in de maatschappij gewaardeerd wordt, gebeurt uitsluitend door de effectieve vraag in de markt, wat betekent dat het onafhankelijk is van de gebruikswaarde of het maatschappelijke nut van de specifieke fysische hoeveelheden van een bepaalde waar. De maatschappij maakt abstractie van die overwegingen als de hoeveelheid arbeid gebruikt tijdens de productie ter sprake komt. Daarom noemde Marx die hoeveelheden, hoeveelheden abstracte maatschappelijk noodzakelijke arbeid. Als een pond opium, in een doos of verpakt, of een portret van Hitler, gebruikers vinden op de markt dan is de arbeid die eraan besteed werd ook maatschappelijk noodzakelijke arbeid; de productie was een waardeproductie. Als integendeel, een uitzonderlijk Chinees of nieuw farmaceutisch product voor een of andere reden geen gebruikers vindt, dan heeft de productie geen waarde gecreëerd en staat het voor verkwiste maatschappelijke arbeid – zelfs als in een verre toekomst de uitvinders gevierd zullen worden als genieën en weldoeners voor de mensheid. De arbeidswaardeleer heeft niets te maken met oordelen over het nut van de dingen voor menselijk geluk of maatschappelijke vooruitgang. Het heeft nog minder te maken met het bepalen van de ‘voorwaarden voor rechtvaardigheid in de ruil’. Het toont enkel de diepere betekenis van de huidige ruil en van de output van waren in het kapitalisme, en wat de verdeling die uit de ruil voortvloeit, regelt tussen de sociale klassen, onafhankelijk van elk moreel, esthetisch of politiek oordeel. Als we inderdaad naar die ‘oordelen’ zouden kijken, dan zou men moeten zeggen dat Marx, alhoewel hij begreep waarom de waardewet werkt zoals zij werkt in de warenproductie, absoluut niet de bedoeling had om die wet te ‘verdedigen’, maar integendeel een maatschappij wilde bouwen waarin die mechanismes volledig afgeschaft zouden zijn.

Een van de meest voorkomende en goedaardige bezwaren tegen Marx’ arbeidswaardeleer ziet er als volgt uit: als prijzen in laatste instantie bepaald worden door de waarde (de maatschappelijk noodzakelijke hoeveelheid abstracte arbeid), hoe kunnen goederen dan een prijs hebben als ze geen arbeidsproduct zijn, dus als ze geen waarde hebben? Marx beantwoordde deze vraag lang voor hij Deel 1 van Het Kapitaal schreef.[n38] Producten van de natuur (‘vrije goederen), die inderdaad geen waarde hebben omdat er geen maatschappelijke arbeid nodig was voor de productie, kunnen een prijs krijgen door private toe-eigening, door de maatschappelijke instelling van private eigendom. Land waar geen mens heeft op gewerkt om haar vruchtbaarheid te vergroten heeft geen waarde. Maar het kan wel een prijs krijgen als het een omheining krijgt met een bord ‘Private eigendom: Toegang verboden’, en als mensen bereid zijn om er een prijs voor te betalen omdat ze het land nodig hebben om in hun levensonderhoud te voorzien. De prijs zal in werkelijkheid voor de eigenaar een kapitalisatie van het netto inkomen (grondrente) zijn, inkomen geproduceerd door degenen die het zullen bewerken en die er met hun labeur materiële hulpmiddelen (goederen voor eigen consumptie of waren) zullen uithalen.[n39]

Als reactie tegen allen die ten onrechte beweerden dat Deel 1 van Het Kapitaal wilde tonen dat waren in het kapitalisme effectief geruild worden volgens de hoeveelheid abstracte maatschappelijk noodzakelijke arbeid die ze bevatten, hebben sommige auteurs beweerd dat de arbeidswaardetheorie enkel over het kwalitatieve probleem gaat en niet over het kwantitatieve, daar de maatschappelijk noodzakelijke arbeidsinhoud van waren niet meetbaar is. Dit gaat dan weer te ver in de andere richting. Het is waar dat een kwantitatieve meting van de arbeidshoeveelheden in de waren moeilijk is. Maar de moeilijkheid is niet zozeer een conceptuele (men zou bijvoorbeeld kunnen starten bij de macro-economische gehelen, de totale som van de arbeidsuren gespendeerd in de totale materiële productie – industrie, landbouw en warentransport – in een welbepaald land, zijn verdeling tussen de verschillende productietakken van de industrie en sleutelgroepen van waren, hun onderling verband met input-output tabellen, de arbeid gespendeerd voor een gemiddelde eenheid geproduceerd in ‘autarkische’ takken waar geen grondstoffen geïmporteerd werden uit vreemde landen, en zo opklimmen naar een schatting van de totale gespendeerde arbeid per tak en per geproduceerde waar …), maar wel het gevolg van een gebrek aan accurate informatie. Het zal nodig zijn om ‘de boeken te openen’ van alle kapitalistische bedrijven en die cijfers te controleren op basis van bewijsmateriaal op de werkvloer om tot een kwantitatieve bepaling van de arbeidsinhoud van waren te komen in kapitalistische landen.[n40]

6. Marx’ centrale ontdekking: zijn meerwaardeleer

De klassieke school in de politieke economie, met inbegrip van Ricardo, zag winsten als een overblijvend netto inkomen nadat de lonen betaald zijn. Hun gehechtheid aan dit concept was zo sterk dat Ricardo dacht dat enkel stijgingen of dalingen in de productiekosten in de loon-waren industrie de winstvoet konden beïnvloeden. Wat er ook gebeurde in de industrie van de luxegoederen of de ruwe materialen, dat zou de algemene winstvoet niet beïnvloeden.

Die opvatting is onvolledig en dus fout. Maar het was tenminste een poging om vat te krijgen op het probleem van de verdeling van inkomen tussen sociale klassen in functie van wat er gebeurt tijdens de productie. De vertolkers van de postricardiaanse ‘vulgaire’ economische theorie, en meer specifiek de neoklassieke marginalisten, doen de moeite niet om de vraag ‘waarom’ te stellen, zij zijn tevreden met de vraag ‘hoe’? Ze registreren enkel dat ‘factoren’ (arbeid, kapitaal, land) verschillende ‘prijzen’ krijgen op de markt, en beperken zich tot een studie van die prijsschommelingen. De oorsprong van de winst, interest en rente onderzoeken; zich afvragen of de werken een deel van het arbeidsproduct moeten achterlaten als ze werken voor een vreemde ondernemer; de mechanismes onderzoeken waarmee die toe-eigening plaats vindt als het resultaat van een godsvruchtige ruil, zonder de minste leugen of intrige: dat werd overgelaten aan Marx om deze fundamentele vragen over de kapitalistische productiewijze uit te zoeken.

De oorsprong van het inkomen en de consumptie van de heersende klassen in prekapitalistische maatschappijen is geen zaak van speculatie. Iedereen weet dat ze vanuit een economisch gezichtspunt voortkomen uit de toe-eigening van een gedeelte van de arbeid van de producenten door de heersende klasse. Als de middeleeuwse slaaf een halve week werkte voor zijn eigen levensonderhoud op het land van zijn hut, en de andere helft van de week zonder vergoeding op het goed van de edele of de kerk, dan zou men vanuit een ‘moreel’ standpunt kunnen argumenteren dat hij onbetaalde arbeid schenkt ‘in ruil’ voor de ‘dienst’ van wereldlijke of goddelijke bescherming. Maar niemand zou die ‘ruil’ verwarren met wat er plaats vindt op de marktplaats. Het was in feite absoluut geen ruil, in eender welke betekenis van het woord, geen geven en nemen van iets dat ‘geprijsd’ kan worden, zelfs niet erg onrechtstreeks. De ‘beschermingsdienst’ wordt net zomin ‘gekocht’ door de slaaf als een kleine zakenman uit Chicago ‘een dienst koopt’ van een bende vechtersbazen. Het is een afpersing die hem opgelegd wordt door een maatschappelijk bestel, of hij het graag heeft of niet. De oorsprong van de groei van het maatschappelijk meerproduct voor de heersende prekapitalistische klasse is daarom zonder twijfel onbetaalde arbeid (zowel in de vorm van arbeidsdiensten, of van fysische producten van die arbeidsdiensten, of zelfs van renten) geleverd door de producenten.

Voor de slavernij is de context duidelijk, zo niet duidelijker, zeker in die extreme voorbeelden waar de slaaf zelf geen miserabel hongerloon kreeg van de meesters, maar dat de slaaf zichzelf moest verschaffen op de zevende dag van de week. Als we inderdaad naar de plantages met slaven kijken, zullen zelfs de meest sceptische critici van het historisch materialisme het moeilijk hebben om eraan te twijfelen dat het hele maatschappelijke product, zowel het deel voor het onderhoud van de slaven als dat voor de meesters, slechts een enkele oorsprong heeft: maatschappelijke arbeid gepresteerd door de slaven en door hen alleen.

Als we echter naar de kapitalistische productiewijze kijken lijkt alles veel gecompliceerder of op zijn minst veel obscuurder. Geen enkele brutale kracht in de vorm van een opzichter met een zweep of een groep gewapende mannen lijkt de arbeider te dwingen om iets af te geven dat hij geproduceerd heeft of dat hem toebehoort. Zijn relatie met de kapitalist lijkt te steunen op een ruil zoals die van een kleine ambachtsman of een boer, eigenaars van waren die ze zelf geproduceerd hebben, die elkaar ontmoeten op de markt. De arbeider schijnt zijn ‘arbeid’ te verkopen in ruil voor een loon. De kapitalist ‘verbindt’ die arbeid met machines, grondstoffen en arbeid van andere mensen om afgewerkte producten te verkopen. Aangezien de kapitalist eigenaar is van die machines en van de grondstoffen, en ook van het geld om de lonen uit te betalen, is het dan niet ‘natuurlijk’ dat hij ook de afgewerkte producten die voortvloeien uit de ‘combinatie van deze factoren’ bezit?

Dat is wat schijnbaar gebeurt in het kapitalisme. Maar Marx onderzoekt wat zich onder de oppervlakte afspeelt en eindigt met een reeks opmerkelijke beschouwingen die men moeilijk kan negeren als men moedwillig weigert de specifieke maatschappelijke voorwaarden te onderzoeken die de erg vreemde en buitengewone ‘ruil’ tussen arbeid en kapitaal creëert. Op de eerste plaats is er een institutionele ongelijkheid tussen kapitalisten en arbeiders wat betreft de voorwaarden. De kapitalist wordt niet gedwongen om voortdurend arbeidskracht te kopen. Hij doet dat enkel als het winst oplevert voor hem. Als dat niet het geval is, verkiest hij te wachten, arbeiders af te danken, of zelfs zijn bedrijf te sluiten tot er betere tijden zijn. Maar de arbeider (het woord wordt hier gebruikt in de maatschappelijke betekenis die het in deze zin krijgt, en niet noodzakelijk in de strikte betekenis van handarbeider), is economisch gedwongen om zijn arbeidskracht te verkopen. Omdat hij geen toegang heeft tot productiemiddelen, inclusief grond, omdat hij geen toegang heeft tot een grootschalige vrije voorraad voedsel, en omdat hij geen geldreserves heeft die hem toelaten om voor een onbepaalde tijd te overleven zonder iets te doen, moet hij zijn arbeidskracht op een permanente basis en aan een gangbaar tarief verkopen aan de kapitalist. Zonder zulk een geïnstitutionaliseerde dwang zou een volledig volgroeide kapitalistische maatschappij onmogelijk zijn. Want zodra die dwang afwezig is (als er bijvoorbeeld grote stukken grond over blijven), blijft het kapitalisme een dwerg tot de bourgeoisklasse goedschiks of kwaadschiks de toegang tot die vrije grond verhindert. Het laatste hoofdstuk van Deel 1 van Het Kapitaal over de kolonisatie werkt dit punt schitterend uit. De geschiedenis van Afrika, meer specifiek Zuid-Afrika, maar ook van de Portugese, Belgische, Franse en Britse kolonies bevestigt die analyse opmerkelijk; zo niet had het kapitalisme onder die omstandigheden niet kunnen overleven.[n41]

Even terzijde merken we op dat de functie van vakbonden onmiddellijk duidelijk wordt in het licht van die analyse. Arbeiders die samen leggen voor een reservefonds kunnen ten minste toch enkele weken bevrijd worden van de dwang om hun werk op blijvende basis te verkopen aan een gegeven marktprijs. Het kapitalisme ziet dit absoluut niet graag. Het is ‘tegennatuurlijk’; is het niet ten opzichte van de menselijke natuur, dan toch zeker ten opzichte van de diepere natuur van de burgerlijke maatschappij. Daarom worden onder een krachtdadig opkomend kapitalisme vakbonden simpelweg verboden. En het is ook daarom dat we onder een seniel kapitalisme geleidelijk terugkeren in een situatie waarin de arbeiders het recht niet meer hebben om te staken – het recht om te stoppen met hun arbeidskracht te verkopen aan de geboden prijs, wanneer ze dat willen. Op die manier wordt Marx’ inzicht duidelijk bevestigd door de hoogste autoriteiten van de burgerlijke staat: onder kapitalisme is arbeid fundamenteel gedwongen arbeid. Als het mogelijk is verkiezen de kapitalisten hypocriet de dwang te verbergen onder een rookgordijn van ‘gelijke en correcte ruil’ op de ‘arbeidsmarkt’. Als hypocrisie niet langer mogelijk is, keren ze terug waar ze begonnen: open en blote dwang.

Marx was er zich natuurlijk perfect van bewust dat om de productie in moderne fabrieken te organiseren, het onvoldoende is om de maatschappelijke arbeidskracht van hand- en hoofdarbeiders met elkaar te verbinden. Het was noodzakelijk om te voorzien in grond, gebouwen, energie, infrastructuur zoals banen en waterwegen, machines, een bepaalde ontwikkeling van maatschappelijke organisatie, communicatiemiddelen, enz. Maar het is zeker absurd om te veronderstellen dat wegen en kanalen ‘waarde produceren’ omdat de productie onmogelijk is zonder die productievoorwaarden. Van al die ‘factoren’ kan enkel gezegd worden dat hun waarde in stand gehouden of gereproduceerd wordt tijdens het productieproces door het gebruik van een deel ervan in de bestaande output van levende arbeid.

We komen dichter bij de waarheid als we opmerken dat eigendomstitels (rechten op private toe-eigening) voor grond en machinerie tot een situatie leiden waar die ‘factoren’ niet geïncorporeerd worden in het productieproces zonder dat de eigenaars een verwachte ‘return’ krijgen hoger en boven de compensatie voor de slijtage van de ‘factoren’. Dat is overduidelijk waar. Maar daar volgt niet uit dat zulke ‘returns’ daarom ‘geproduceerd’ worden door de eigendomstitels. Evenmin houdt dit in dat de eigenaars van zulke eigendomstitel op gelijke voet staan met de bezitters van arbeidskracht. Enkel als we in een ‘kapitalistische slavenmaatschappij’ zouden zijn, waar de eigenaars van slaven arbeidskracht verhuren aan de eigenaars van bedrijven die grond huren van landeigenaars, zou men kunnen zeggen dat er een institutionele gelijkheid bestaat tussen alle eigenaars – alhoewel natuurlijk niet tussen de eigenaars en de slaven! In dat geval is het duidelijk dat de eigenaars van slaven hun slaven enkel zouden verhuren als ze een ‘netto return’ boven het onderhoud van de slaven krijgen.

Op de tweede plaats is de maatschappelijke situatie waarbij een klein deel van de maatschappij de eigendom en de toegang tot de productiemiddelen monopoliseert, met uitsluiting van alle of bijna alle directe producenten, op geen enkele manier een product van de ‘natuurlijke ongelijkheid van talenten of geaardheden’ tussen de mensen. Gedurende tienduizenden jaren maatschappelijk leven van de homo sapiens bestond het immers niet. Zelfs in het recente verleden van de laatste 150 jaar, hadden negen op de tien van de producenten op deze planeet – die in overgrote meerderheid boeren waren – op een of andere manier directe toegang tot hun productiemiddelen en levensonderhoud. De verwijdering van de producent van zijn productiemiddelen was een lang en bloedig historisch proces dat door Marx in detail geanalyseerd werd in Afdeling Acht van Het Kapitaal Deel 1, ‘de zogenaamde oorspronkelijke accumulatie’.

Op de derde plaats verkoopt de arbeider niet zijn arbeid aan de kapitalist, maar zijn arbeidskracht, zijn capaciteit om gedurende een bepaalde tijd te werken. Die arbeidskracht wordt in het kapitalisme een waar.[n42] In die kwaliteit heeft ze een specifieke waarde (ruilwaarde) zoals elke andere waar: de hoeveelheid maatschappelijk noodzakelijke arbeid om het reproduceren – dat is dus de waarde van de consumptiegoederen noodzakelijk om de arbeider en zijn kinderen in een toestand te houden om voort te werken aan een gegeven intensiteitsgraad qua inspanning. Maar de arbeidskracht heeft een speciale kwaliteit, een speciale ‘gebruikswaarde’ voor de kapitalist. Wanneer de kapitalist arbeidskracht ‘verbruikt’ tijdens het productieproces, produceert de arbeider waarde. Zijn arbeid heeft de dubbele capaciteit om waarde te conserveren – dat is om de waarde van de grondstoffen en van een deel van de machinerie verbruikt tijdens het productieproces over te brengen in het afgewerkte product – en om nieuwe waarde te creëren door datzelfde te verbruiken. Het hele mysterie over de oorsprong van winsten en renten verdwijnt zodra men verstaat dat in het productieproces de arbeiders waarde kunnen (en moeten – anders zou de kapitalist hen niet inhuren) produceren bovenop de waarde van hun eigen arbeidskracht, bovenop het equivalent van de lonen die ze krijgen. We zijn terug waar we gestart waren in de prekapitalistische maatschappijen, en we konden het spinnenweb van de schijnbare ‘gelijkheid in de ruil’ elimineren: zoals de feodale rente of het levensonderhoud van de slavenbezitter, de kapitalistische winsten, intresten en renten die voortkomen van het verschil tussen wat de arbeiders produceren en wat ze krijgen om in hun onderhoud te voorzien. In het kapitalisme verschijnt dit verschil in vorm van waarde, en niet als fysische output. Dit feit verhindert dat het proces onmiddellijk transparant is. Maar het maakt het niet fundamenteel verschillend van de ‘ruil’ tussen de feodale heer en de lijfeigene.

Het is daarom niet correct om zoals Blaug die andere academische critici van Marx volgt, te beweren dat Marx’ meerwaardetheorie een theorie over ‘onverdiende waardevermeerdering’ is.[n43] Het is een toe-eigeningstheorie of een aftrekkingstheorie van het inkomen van de kapitalist, zoals de klassieke arbeidswaardeleer. Kapitalisten eigenen zich waarde toe die de arbeiders al geproduceerd hebben, voorafgaand aan het circulatieproces van de waren en de verdeling van het inkomen. Vanuit macro-economisch standpunt, m.a.w. de burgerlijke maatschappij als een geheel bekeken – kan geen waarde verdeeld worden die niet eerst geproduceerd werd.

Marx bekeek de ontdekking van het concept meerwaarde, die de totale som voorstelt van winsten, interesten en renten van alle delen van de burgerlijke klasse, als zijn belangrijkste theoretische ontdekking.[n44] Het brengt de historische wetenschappen van de maatschappij en de geschiedenis van de kapitalistische economie samen en verklaart zowel de oorsprong als de inhoud van de klassenstrijd en de dynamiek van de kapitalistische maatschappij.[n45]

Zodra we begrijpen dat meerwaarde geproduceerd wordt door arbeiders, dat meerwaarde niet meer is dan het eeuwenoude maatschappelijke meerproductie in geldvorm, in de vorm van waarde, verstaan we de historische sprong die plaats vond toen dat maatschappelijk meerproduct niet langer vooral verscheen in de vorm van luxegoederen (waarvan de consumptie noodzakelijk beperkt is, zelfs onder zulke extravagante voorwaarden in het Romeinse Rijk of aan het Franse achttiende-eeuwse hof) maar in de geldvorm. Meer geld betekent niet enkel meer koopkracht voor zulke luxegoederen, maar bijkomende koopkracht voor meer machines, meer grondstoffen, meer arbeidskracht. Ook daar ontdekte Marx een economische dwang. Private eigendom, de fragmentering van maatschappelijke arbeid tussen de verschillende bedrijven wat de ware natuur is van een veralgemeende warenproductie – kapitalisme – omvat een dwang om te wedijveren voor stukken van de markt. De nood om kapitaal te accumuleren, de nood om de afpersing van meerwaarde te verhogen, de onblusbare dorst voor meerwaarde wat het kapitalisme karakteriseert, het is er allemaal: de accumulatie van kapitaal = de omvorming van meerwaarde in bijkomend kapitaal.

Nogmaals, zoals voor waarde, moeten we benadrukken waarover het gaat: zeggenschap over delen van de totale beschikbare hoeveelheid maatschappelijke arbeid. Het is voldoende dit basisfeit in herinnering te brengen om te begrijpen hoe misplaatst de kritieken op de meerwaardeleer zijn, die het hebben over ‘productiviteit van kapitaal’, kapitaal begrepen als machines.[n46] Machines kunnen nooit op zichzelf eender welk deel van de beschikbare maatschappelijke arbeidskracht in dienst nemen, tenzij in sciencefiction. In de meer prozaïsche wereld waarin we leven, kunnen mensen die machines bezitten juist daarom mensen in dienst nemen en ontslaan. Marx tracht te verklaren hoe het product van de arbeid van die mensen verdeeld wordt, en waarom.

Natuurlijk ‘ontkende’ Marx niet dat machinerie de maatschappelijke productiviteit van de arbeid kon verhogen. Integendeel, als men Hoofdstuk 15 van Het Kapitaal Deel 1 leest, ziet men onmiddellijk dat hij zich meer bewust was van het potentieel van de technologie dan eender welke econoom van zijn tijdgenoten. Maar de vraag die de meeste van zijn critici en andere exponenten van ‘vulgaire’ economie over het hoofd zagen is erg eenvoudig, namelijk, waarom moeten de resultaten van de verhoogde arbeidsproductiviteit toegeëigend worden door de kapitalist? Waarom moet de gecombineerde productiviteit van veel mensen die samen werken – het alom bekende ‘collectieve arbeidspotentieel van het bedrijf’ waar de sleutelanalyse aan gewijd is in het originele Deel Zeven (‘Hoofdstuk Zes’) dat weggelaten werd bij de publicatie van Het Kapitaal Deel 1 (appendix)[*] – de gecombineerde productiviteit van wetenschappers en technologen, hand- en hoofdarbeiders, uitvinders van machines en omzetters van arbeidskracht, waarom moet dat de winst van de eigenaars van de machinerie verhogen? Zeker niet omdat de machinerie een bepaalde mysterieuze kwaliteit zou bezitten om waarde te ‘creëren’, het creëren van hoeveelheden maatschappelijk noodzakelijke arbeid?[n47] Eerder omdat de eigenaars zich in een positie bevinden om de producten van die combinatie toe te eigenen. Zo zijn we terug bij Marx’ meerwaardeleer.

Een interessante, wat verbazingwekkende vernieuwing in de apologie voor de kapitalistische winsten zagen we onlangs in de vorm van de theorie van de firma ontwikkeld door Alchian en Demsetz.[n48] Eigenaars van verschillende ‘samenwerkende inputs’ worden verondersteld een natuurlijke neiging te hebben om hun plicht te ontlopen, omdat ze een bepaalde voorkeur hebben voor ‘niet-monetaire goederen’ (!) zoals ontspanning, aantrekkelijke werkvoorwaarden en tijd om te praten met collega’s arbeiders. Daaruit volgt volgens Alchian en Demsetz dat als het ontlopen van de plicht gecontroleerd moet worden, iemand ook het recht moet hebben om zowel de prestatie te controleren van de leden van de ploeg als zijn eigen aversie om zijn plicht te ontlopen. Daarom moet hij het recht hebben om het residu te krijgen nadat alle andere input betaald is zoals contractueel overeengekomen, het recht om het lidmaatschap van het team te beëindigen, en het recht om deze rechten te verkopen. Nadat hij met grote vreugde het heuglijke bericht kreeg dat hij nu gepromoveerd is tot de status van lid van een ‘coöperatief team’, op gelijke voet met de kapitalist, kan de doorsnee arbeider het niet nalaten verwonderd te zijn over de mysterieuze redenen dat ‘de persoon’ die al deze ‘economisch noodzakelijke rechten’ bezit, altijd de bezitter is van de ‘input – productiemiddelen’, en het nooit de bezitter van de ‘input – arbeidskracht’ is. Zou het zijn omdat de kapitalist vrij is van de menselijke ondeugd om zijn plicht te ontlopen, of dat hij geen neiging heeft tot vertier of aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden? Of is het misschien omdat de heren Apologeten van het Kapitalisme de meerwaarde toe-eigening door eigendomsmonopolie van de productiemiddelen trachten weg te argumenteren?

7. Marx’ theorie van het kapitaal

Kapitaal is vanuit een marxistisch standpunt een maatschappelijke relatie tussen mensen die zich toont als een relatie tussen dingen of tussen mensen en dingen. Logisch voortvloeiend uit Marx’ arbeidswaarde- en meerwaardeleer, is ook dit een van de belangrijke ontdekkingen die zijn economische theorie radicaal tegenover alle vormen van academische economische theorieën plaatst.

Marx verwerpt kordaat de gedachte, verwoord door ‘vulgaire’ en neoklassieke economen, dat ‘kapitaal’ enkel ‘een hoeveelheid rijkdom’ is of ‘een middel om de arbeidsproductiviteit te verhogen’.[n49] Een chimpansee die een stok gebruikt om bananen te nemen is net zo min een kapitalist als een tribale gemeenschap, die leert hoe haar rijkdom te verhogen door het kweken van dieren of de irrigatie van grond ‘kapitaal aan het accumuleren’ is. Kapitaal veronderstelt dat goederen niet geproduceerd worden voor de onmiddellijke consumptie door de producerende gemeenschappen, maar verkocht worden als waren; dat het totale arbeidspotentieel van de maatschappij gefragmenteerd wordt in private arbeiders die onafhankelijk van elkaar geleid worden; dat waren daarom een waarde hebben; dat die waarde gerealiseerd wordt in een ruilproces met een speciale waar, geld genoemd; dat het daarom een onafhankelijk circulatieproces in beweging kan zetten, dat eigendom is van een bepaalde klasse van de maatschappij waarvan de leden handelen als eigenaars van waarde die op zoek is naar waardevermeerdering. Als, zoals Adam Smith uitlegde aan opeenvolgende generaties van studenten van economische fenomenen, de productieve (technische) opsplitsing van arbeid voor een gestegen arbeidsproductiviteit zorgt – in belangrijke mate onafhankelijk van de specifieke maatschappelijke organisatiewijze van de economie – dan is het kapitaal geen product van die opsplitsing van arbeid, maar de maatschappelijke opsplitsing van arbeid, waarbij de bezitters van geaccumuleerde waarde tegenover de niet-bezitters staan.

Joseph Schumpeter verweet Marx dat hij een theorie van het kapitaal had uitgewerkt die niet in staat was de oorsprong van het kapitaal te verklaren.[n50] Niets is verder verwijderd van de waarheid. Marx de dialecticus, begreep uitstekend het verschil tussen enerzijds de productie en reproductie van kapitaal op basis van de kapitalistische productiewijze, en anderzijds de oorsprong en ontwikkeling van kapitaal in de prekapitalistische productiewijzen. Een van de fundamentele bezwaren tegen het onnauwkeurige en onwetenschappelijke gebruik van de categorieën door ‘vulgaire’ economen, was hun ongenuanceerd gebruik van de termen ‘kapitaal’ en ‘kapitalisme’ als min of meer synoniem. Kapitalisme is de kapitalistische productiewijze, de inbeslagname van de productiemiddelen door kapitaal, die overheersend geworden is in de productiesfeer. Kapitaal is waarde (oorspronkelijk in de vorm van geld) die een onafhankelijke operator wordt in de poriën van een niet-kapitalistische productiewijze. Kapitaal verschijnt oorspronkelijk als een woeker- en handelskapitaal (handel over grote afstanden). Na een lang historisch proces, en enkel onder welbepaalde maatschappelijke voorwaarden, kan kapitaal triomfantelijk binnendringen in de productiesfeer in de vorm van manufacturkapitaal. (Dit gebeurde in de late vijftiende en de vroege zestiende eeuw in West-Europa; in de achttiende eeuw in Japan. In China verschenen geïsoleerde elementen van manufactuurkapitaal waarschijnlijk al meer dan duizend jaar eerder.)

In eenvoudige warenproductie, produceert kapitaal geen meerwaarde. Het transformeert enkel stukken van courante output en inkomen, die onafhankelijk van kapitaal ontstaan. Het kan zich een deel van het maatschappelijke meerproduct toe-eigenen dat normaal overgaat in de handen van de prekapitalistische heersende klassen (zoals de toe-eigening door woekerrentes van een deel van de feodale grondrenten). Het kan zich een deel van het product toe-eigenen dat normaal dient als consumptie voor de producenten zelf. Het fundamentele karakter van deze handelingen van kapitaal in prekapitalistische productierelaties is dat het nauwelijks de totale rijkdom van de maatschappij verhoogt; het zal de productiekrachten noch significant ontwikkelen, noch economische groei stimuleren. Het kan enkel een desintegrerend effect hebben op de bestaande prekapitalistische orde en de neergang van verschillende sociale klassen versnellen. Door de transformatie te versnellen van goederen die enkel geproduceerd en geconsumeerd worden voor hun gebruikswaarde als waar, dus het versnellen van de verspreiding van de geldeconomie, kan het historisch de weg bereiden voor een eventuele opkomst van de kapitalistische productiewijze.

Kapitaal actief in prekapitalistische productiewijzen verwijst hoofdzakelijk naar een theorie van geldcirculatie en toe-eigening. Daarom introduceert Marx in Deel 1 van Het Kapitaal slechts kapitaal in Afdeling Twee, nadat hij de natuur van het geld uitgelegd heeft. Ook nu komt de logische analyse overeen met het historische proces waar Marx onophoudelijk naar verwijst, alhoewel meestal slechts in de voetnoten. Anderzijds verwijst kapitaal in de kapitalistische productiewijze, het echte onderzoeksobject van Het Kapitaal, duidelijk naar de productie en toe-eigening van waarde en meerwaarde. Marx legt in Hoofdstuk 24 [Vertaling van Dr. I. Lipschits: Hoofdstuk 22] uit hoe de toe-eigeningswet van waren getransformeerd wordt als we overgaan van een maatschappij van toevallige warenproducenten naar een kapitalistische maatschappij. In het eerste geval bezitten de directe producenten de producten van hun arbeid; in het tweede geval zijn de eigenaars van het kapitaal de bezitters van de producten van de arbeid van de directe producenten. Apologeten van het kapitalisme trachten dat feit goed te praten met het argument dat de kapitalisten uiteindelijk de productiemiddelen waarmee de productie gebeurt ‘ter beschikking stellen’ aan de arbeiders.[n51] Maar ook nu laat de geschiedenis toe om dit hypocriete argument te doorprikken. Want kapitalisme is niet geboren – in de dagen van de manufactuur – doordat kapitalisten nieuwe machinerie ‘ter beschikking stelden aan de producenten’. Het ontstond door de toe-eigening van de werktuigen die de producenten zelf bezaten, en door die werktuigen onder een gezamenlijk dak onder te brengen.[n52]

Kapitaal, in de kapitalistische productiewijze, is daarom waarde die constant groeit door meer meerwaarde, die geproduceerd wordt door productieve arbeid en toegeëigend wordt door kapitalisten door de toe-eigening van waren geproduceerd door arbeiders in bedrijven van kapitalisten. De wijze waarop deze analyse van het kapitaal en het kapitalisme verband houdt met de vestiging van de private eigendom, werd dikwijls verkeerd begrepen of (en) geïnterpreteerd, zowel door critici als leerlingen van Marx. Dat verdient dus wat uitleg.

Historisch en logisch is kapitalisme verbonden met het private bezit van de productiemiddelen, dat de private toe-eigening van de geproduceerde waarden toelaat, dus private toe-eigening van meerwaarde, en dus private accumulatie van kapitaal. Het is zeker niet toevallig dat de ‘rechten van private eigendom’ de basis vormen van de gehele constitutionele en juridische bovenbouw die eeuwen wetgevend werk opgericht hebben op de basis van de warenproductie.

Maar waar we mee geconfronteerd worden als we de maatschappelijke verhoudingen achter die juridische vormen onderzoeken, is natuurlijk iets dat niet enkel formele private eigendom is; anders zou de analyse zich herleiden tot een simpele tautologie. Als Marx stelt dat warenproductie enkel mogelijk is omdat maatschappelijke arbeid gefragmenteerd werd in private arbeid los van elke andere arbeid,[n53] dan verwijst hij naar een socio-economische en niet naar een juridische realiteit; het laatste is enkel een reflectie – dikwijls een erg onvolmaakte! – van het eerste. Het kapitalisme gaat dan over een specifieke verhouding tussen loonarbeid en kapitaal, over een maatschappelijke organisatie waarin maatschappelijke arbeid gefragmenteerd is in bedrijven die onafhankelijk zijn van elkaar, die onafhankelijk van elkaar beslissingen nemen over investeringen, prijzen en vormen van financiële groei, die tegen elkaar concurreren voor marktaandelen en winsten (van de totale meerwaarde geproduceerd door productieve arbeid in zijn geheel), en die daarom loonarbeid kopen en exploiteren onder specifieke economische voorwaarden en dwang. Het is niet enkel een algemene verhouding tussen ‘producenten’ en ‘accumulatoren’, of ‘producenten’ en ‘beheerders, want een dergelijke verhouding is in laatste instantie eigen aan alle klassenmaatschappijen en zeker niet enkel aan het kapitalisme.

De inhoud van de economische instelling van private kapitaal is daarom het onafhankelijke bedrijf (zowel de kleine manufactuur als de enorme multinationale vennootschap). Of de juridische vorm al dan niet strikt overeenkomt met de inhoud is irrelevant, en geeft dikwijls complexe legale problemen. Zijn de aandeelhouders enkel eigenaar van de inkomenstitels, of zijn ze eigenaars van delen van ‘activa’ of ‘eigendom’? De wetten over het bankroet – die verschillen in de verschillende kapitalistische landen – kunnen wat dit betreft de meest gesofistikeerd denkbare nuances hebben. Maar de vitale economische besluiten (bijvoorbeeld besluiten over sleutelinvesteringen) worden genomen door al de bedrijven die werkelijk onafhankelijk zijn en geen ondergeschikte bedrijven zijn. Het fundamentele gegeven van de kapitalistische economie is het feit dat vitale beslissingen nooit genomen worden door de maatschappij als geheel of door de ‘geassocieerde producenten’.

De inhoud van deze economische instelling van private eigendom (gefragmenteerde maatschappelijke arbeid) moet dus niet verward worden met de vraag naar de precieze personen die de onafhankelijke bedrijfsbeslissingen nemen. Of degenen die de beslissingen nemen individuele eigenaars zijn, of vertegenwoordigers van de aandeelhouders, of zogenaamde managers, verandert uiteindelijk niets aan het feit dat zij onder dezelfde economische dwang werken die zopas geanalyseerd werd. Sommige economen zoals Galbraith en zelfs sommige marxisten, beweren vandaag dat de hedendaagse grote vennootschappen zich grotendeels bevrijd hebben van die beperkingen.[n54] Dat is een illusie die voortkomt uit een extrapolatie van de voorwaarden van een wat lange economische boom. Eigenlijk heeft de gedachte dat eender welke grote vennootschap, hoe groot ook haar afmetingen of haar macht, zich definitief zou kunnen onttrekken van de dwang van (monopolistische) concurrentie, dat het dus een gegarandeerde specifieke vraag zou kunnen hebben voor haar producten onafhankelijk van de economische cyclus en van de technologische vernieuwing, slechts zin als ze geïsoleerd is van de economische schommelingen en van de economische onzekerheid, dus als ontkend wordt dat de echte natuur van de output een warenproductie is.

Het fundamentele verschil dat Galbraith in navolging van Baumol, Kaysen en anderen, introduceren tussen dwang voor maximalisatie van de winst (waar voor bedrijven van gisteren) en dwang voor maximale groei (waar voor hedendaagse vennootschappen)[n55] verliest haar praktische lange termijn betekenis zodra we begrijpen dat groei in essentie afhangt van winst, dat kapitaalaccumulatie in laatste instantie enkel kan volgen uit meerwaardeproductie en -realisatie. De enige kern van waarheid die dan overblijft is het verschil tussen winstmaximalisatie op korte termijn en op lange termijn, wat inderdaad een van de fundamentele verschillen is tussen competitief kapitalisme en monopolie kapitalisme.

Het debat over de natuur van kapitaal kreeg een nieuwe en belangrijke impuls met de ‘interne’ kritiek van de theorie van de marginale productiviteit van het kapitaal door Piero Sraffa en de Cambridge school. Die hebben overtuigend aangetoond dat het meten van de inputs van kapitaal in de neoklassieke ‘productiefunctie’ op een cirkelredenering steunt.[n56] Want als het effect van marginale stijgingen of dalingen van inputs van kapitaal gemeten moet worden, dan kan dit enkel gebeuren in termen van geld, gegeven de heterogene natuur van de zogenaamde ‘kapitaalgoederen’. ‘Maar dit proces van prijsbepaling of valorisering van inputs van kapitaal veronderstelt een rendement van het bedrijf en van de uitrusting in kwestie, waarbij de laatste waarde de kapitalisatie is’; dat is ‘men moet een interestvoet aannemen om te bepalen hoe het evenwichtsrendement tot stand komt’.[n57] De oplossing is duidelijk om te kijken naar een gemeenschappelijke substantie van alle ‘kapitaalgoederen’ die onafhankelijk is van geld, dat is dus door terug te keren naar de maatschappelijk noodzakelijke arbeid als de meetbare substantie van de waarde van alle waren.

8. Marx’ theorie over de accumulatie van kapitaal

Kapitaal is per definitie waarde op zoek naar vermeerdering, naar meerwaarde. Maar als kapitaal meerwaarde produceert, produceert meerwaarde ook bijkomend kapitaal. In het kapitalisme verschijnt groei daarom als een accumulatie van kapitaal. De fundamentele drang van de kapitalistische productiewijze is gericht op het accumuleren van kapitaal. Dat is niet het gevolg van een mysterieuze en tautologische ‘passie om te accumuleren’ of van een neiging van de kapitalisten. Het wordt voornamelijk verklaard door concurrentie, het fenomeen van ‘verschillende kapitalen’. Zonder concurrentie, zegt Marx onomwonden, zou het ‘aanjagende vuur’ van de groei uitdoven.[n58] Volledig gemonopoliseerd kapitaal (‘één enkele wereldtrust’) zou in wezen stagnerend kapitaal zijn.

Maar concurrentie gaat gepaard met de trend om arbeid te vervangen door machines, een stuwende kracht voor kapitaalaccumulatie en economische groei in het kapitalisme. Als de uitbreiding van output de gegeven verhouding tussen inputs van levende arbeid en inputs van dode arbeid (machinerie en grondstoffen) in stand houdt, zou het vlug botsen op een fysische limiet (de beschikbare hoeveelheid arbeid) en dus op een limiet voor de winst. Onder voorwaarden van een permanente volledige tewerkstelling, zouden de lonen de neiging hebben om te stijgen en om de winsten aan te tasten tot op het punt waar kapitaalaccumulatie en economische groei stapsgewijze zouden verdwijnen.

In het kapitalisme is economische groei niet ‘neutraal’ wat betreft de verhouding tussen inputs levende en dode arbeid (tussen variabel en constant kapitaal). Ze is erg gericht op een expansie van arbeidsbesparende inrichtingen. Voor de beschaving is de permanente tendens om de maatschappelijke productiviteit van de arbeid te verhogen het belangrijkste bijproduct van de kapitaalaccumulatie, objectief de belangrijkste dienst die het kapitalisme de mensheid heeft gebracht. Kapitaalaccumulatie neemt eerst de vorm aan van een verhoging van de waarde van het bedrijf en de uitrusting, en van de voorraad grondstoffen beschikbaar in de geïndustrialiseerde kapitalistische landen. Op lange termijn is die accumulatie van kapitaal indrukwekkender dan Marx zich had kunnen voorstellen. De waarde van al de geaccumuleerde niet-agraire duurzame goederen vermenigvuldigde in de VS met meer dan tien in constante dollars tussen 1900 en 1965, en die raming is zeker ondergewaardeerd daar het op basis van officiële statistieken is die gekleurd zijn door belastingontduiking.

Kapitaalaccumulatie is natuurlijk verschillend van het gedrag van prekapitalistische heersende klassen. Als alle meerwaarde geconsumeerd zou worden in de vorm van luxegoederen, dan zou er niet de minste accumulatie plaats vinden. Kapitaal zou dan op het niveau blijven staan dat het al had bereikt. Dat speciale ‘grensgeval’ was om zuiver analytische redenen door Marx inderdaad naar voor geschoven onder de naam ‘enkelvoudige reproductie’. Dat komt natuurlijk niet overeen met eender welke ‘reële’ fase of situatie ven een normaal functionerende kapitalistische productiewijze.[n59] Zoals we opmerkten is wat het kapitalisme karakteriseert juist de drang om te accumuleren, dat is ‘uitgebreide productie’.

Uitgebreide reproductie veronderstelt dat niet alle meerwaarde die geproduceerd wordt door productieve arbeid en toegeëigend wordt door de kapitalistische klasse, onproductief geconsumeerd wordt. Een deel ervan wordt getransformeerd in luxegoederen en verdwijnt uit het productieproces. Een deel wordt getransformeerd in bijkomend kapitaal door er bijkomende bedrijven en uitrusting, bijkomende grondstoffen en bijkomende arbeidskracht mee te kopen. Dit is dan het accumulatieproces van kapitaal: de transformatie van meerwaarde in bijkomend kapitaal, dat nieuwe verhogingen van meerwaarde kan produceren, die leiden tot nieuwe verhogingen van kapitaal. De beweging ontwikkelt zich als een spiraal, zoals Simonde de Sismonde, een van de eerste ‘romantische’ critici van het kapitalisme reeds begreep en die door Marx wat dit betreft goedkeurend geciteerd werd.

Het feit dat kapitaalaccumulatie enkel mogelijk is omdat een deel van de meerwaarde toegeëigend door de kapitalistische klasse niet verkwist werd aan luxegoederen, vormt het startpunt voor de zogenaamde ‘onthoudings’-theorie (of beter, rechtvaardiging) van de winsten en de kapitalistische uitbuiting.[n60] Historisch is er niet de minste aanwijzing voor de veronderstelling dat kapitaal op een of andere manier groeide uit de ‘spaarzame gewoontes’ van sommige leden van de maatschappij, tegenover de ‘zorgeloosheid’ van anderen, waarbij beiden konden beschikken over middelen die aanvankelijk vergelijkbaar waren. Integendeel, alle historische aanwijzingen bevestigen dat de plotse verschijning van grote kapitalen (in de vorm van edele metalen en andere schatten) in een maatschappij die voordien bijna uitsluitend beperkt was tot een natuurlijke economie (tot een output van goederen die enkele gebruikswaarde hadden), niet het resultaat was van ‘spaarzaamheid’ of ‘zuinigheid’ maar van grootschalige piraterij, roof, diefstal, geweld, het knechten van mensen en slavenhandel. De geschiedenis van de oorsprong van de West-Europese woeker en handelskapitaal tussen de tiende en de dertiende eeuw, van de piraterij in de Middellandse Zee, over de plundering van Byzantium in de Vierde Kruistocht tot en met de regelmatige plunder razzia’s in de Slavische gebieden van Centraal- en Oost-Europa is wat dat betreft sprekend.

Wat niet bevestigd wordt door de geschiedenis is zelfs nog absurder in het licht van een hedendaagse economische analyse. Niemand kan ernstig beweren dat de heren Rockefeller, Morgan en Melton vergoed moeten worden voor hun deugden omdat ze hun tientallen miljoenen dollars in jachten, herenhuizen en private jets niet zouden verkwisten – de vulgaire versie van de onthoudingstheorie. De meer gesofisticeerde versie, de opvatting namelijk dat de winsten van de eigenaars van kapitaal juist de manier zijn waarmee hun ‘fonds’ getransformeerd wordt in een ‘flow’ van lange termijn investeringen van kapitaal, is wel een mooie cirkelredenering. Hoe ontstaat het ‘fonds’ anders dan van de ‘flow’, of beter gezegd wat is kapitaal anders dan geaccumuleerde winsten? Ontkennen dat winsten ontstaan in het productieproces botst met elke wetenschappelijk en praktische waarneming van wat er plaats vindt in een kapitalistische economie. Van zodra we dit begrijpen is er geen plaats meer voor eender welke onthoudingstheorie voor de winst – enkel nog voor een aftrekkingstheorie.

Het proces van kapitaalaccumulatie wordt door Marx beschreven in Het Kapitaal op twee verschillende en opeenvolgende abstractieniveaus. In Deel 1, binnen het kader van ‘Kapitaal in het algemeen’, onderzoekt hij dit vooral in het licht van wat er gebeurt in de flow van de ruil tussen arbeidsloon en kapitaal. In Deel 3 onderzoekt hij kapitaalaccumulatie (economische groei in het kapitalisme) in het licht van wat er gebeurt in de sfeer van ‘vele kapitalen’, dat is van de kapitalistische concurrentie. Ik zal daarom de belangrijkste kritieken op Marx van degenen die de geldigheid van de bewegingswetten van de kapitaalaccumulatie in vraag stellen, onderzoeken in de inleiding van Deel 3. Hier zal ik mij beperken tot het onderzoek van de fundamentele invloeden van de kapitaalaccumulatie op het arbeidsloon.

Anders dan veel van zijn tijdgenoten, met inbegrip van sommige van de meest onverzettelijke niet-marxistische critici van het kapitalisme, bekeek Marx die kapitaalaccumulatie niet als een simpel of eenduidig nadelig effect voor de situatie van de loonarbeid. Marx had de studie van de beweging van reële lonen tijdens de economische cyclus bestudeerd, en het ontging hem geenszins dat de lonen op hun hoogste niveau waren als de kapitaalaccumulatie het hoogst was.[n61] Maar ook nu keek hij achter dergelijke evidente feiten en ging hij op zoek naar de fundamentele waardeveranderingen die de kapitaalaccumulatie zou uitoefenen op de arbeid.

Hij dacht dus dat de manier waarop de kapitaalaccumulatie zich doorzette, de echte stuwende kracht van de kapitalistische vooruitgang – de ontwikkeling van vast kapitaal, van machinerie – sterk de neiging heeft om de waarde van de arbeidskracht te verlagen. Want omdat die waarde het equivalent is van de waarde van een gegeven hoeveelheid consumptiegoederen, waarvan verondersteld wordt dat ze nodig is om ervoor te zogen dat de arbeider even intensief kan blijven produceren, leidt een vermindering van de waarde van deze consumentengoederen die voortkomt uit een vermeerdering van de arbeidsproductiviteit in de consumptiegoederen industrie, tot een vermindering van de waarde van de arbeidskracht, als al de rest ongewijzigd blijft.

Dit argument impliceert geen dalende tendens van de reële lonen (integendeel, het steunt op de veronderstelling van stabiele reële lonen op korte en middellange termijn), noch een trend naar ‘groeiende absolute ellende’ van de werkende klasse. We zullen die theorie die verkeerdelijk aan Marx toegeschreven wordt, in het volgende deel van deze inleiding behandelen. Maar het impliceert dat de baten van een groeiende arbeidsproductiviteit in belangrijke mate bij de kapitalisten terechtkomen, daar ze zich transformeren in bijkomende ‘relatieve meerwaarde’, op voorwaarde dat de lange termijn tendens van het industriële reserveleger aan arbeid stabiel blijft of stijgt.

Zolang het kapitalisme al bestaat, is dat op wereldvlak zeker waar. Zoals Marx voorspelde verspreidt het kapitalisme zich niet enkel door nieuwe jobs te scheppen maar ook door nieuwe werkloosheid te creëren (door tewerkstelling van vroegere loontrekkers te vernietigen, zeker die van zelfstandige kleine boeren en handwerklieden). Maar de ‘globale gemiddelde waarde van de arbeidskracht’ berekenen is natuurlijk een zinloze abstractie. Inderdaad, sinds het industriële kapitalisme in het Westen de rest van de wereld begon te overspoelen met zijn massaproductie van goedkope waren, wat zeker het geval is sinds achttienhonderdzeventig, ontstond er een divergerende trend in de wereldeconomie: een lange termijn vermindering van het arbeidsreserveleger in West-Europa (het resultaat van export van emigranten en van waren) en een stijging van het arbeidsreserveleger in de onderontwikkelde landen. (Dit laatste proces omvatte natuurlijk de transformatie van massa’s prekapitalistische boeren, veehouders en ambachtslui in ontwortelde ‘gemarginaliseerde’ zwervers, migranten seizoensarbeiders, en gedwongen arbeiders, volgens een pad dat gelijkaardig is aan wat er enkele eeuwen eerder in West-Europa gebeurde).

De dynamiek van ‘kapitaalaccumulatie op wereldvlak’ moet daarom als een organisch geheel bekeken worden, en niet als de simpele optelling van kapitaalsaccumulatieprocessen in afzonderlijke landen. De werking van de wereldmarkt is een gigantische hevel van waarde van het zuiden naar het noorden van onze planeet (van de landen met een lagere naar landen met een hogere arbeidsproductiviteit) en dat vormt de echte basis van het imperialistische systeem. Alhoewel het debat over de theoretische verklaring van dit fenomeen nog in zijn kinderschoenen staat,[n62] en het al de elementen van de analyse van het kapitalisme omvat die Marx voorbehouden hield voor de nooit geschreven Delen 4, 5 en 6 uit het oorspronkelijke plan van Het Kapitaal.

De accumulatie van het kapitaal is de accumulatie van rijkdom in de vorm van waren, van waarde. Waardeproductie wordt een doel op zich. Arbeid wordt verlaagd tot een middel om een inkomen te krijgen. Een van de meest opmerkelijke en meest ‘moderne’ delen van Het Kapitaal is juist het deel dat de onmenselijke gevolgen van de kapitaalaccumulatie voor de arbeiders en voor het werk onderzoekt. Marx zelf voegde aan de tweede Duitse uitgave van Deel 1 een noot toe, dat in het kapitalisme de arbeidskracht niet enkel een waar wordt voor de kapitalist maar het ook wordt voor de arbeider zelf, wat inhoudt dat deze verkrachting van het werk zowel objectief als subjectief het lot is van het industriële proletariaat. Het duurde inderdaad lang vooraleer de ‘officiële’ politieke economie na de groeiende revolte van de arbeiders tegen de versnelling van de lopende band ontdekte dat Marx dit voorspeld had vanuit een diep inzicht in de fundamentele mechanismes die de kapitalistische productiewijze sturen.

Omdat kapitaalaccumulatie de productie om de winst veronderstelt, omdat winstmaximalisatie haar werkelijke bestaansreden is, leiden de exacte en minutieuze kostenberekeningen naar onophoudelijke reorganisaties van het productieproces, met de enige bedoeling om de kosten te reduceren. Vanuit het standpunt van het afzonderlijke kapitalistische bedrijf kan de arbeid niet gezien worden als een menselijk wezen met elementaire rechten, waardigheid en noden om zijn persoonlijkheid te ontwikkelen. Hij is een ‘kost’ en die ‘kost’ moet constant en uitsluitend in geld verrekend worden, met de bedoeling om die zoveel mogelijk te beperken. Zelfs wanneer er ‘menselijke verhoudingen’ en ‘psychologische bekommernissen’ ingevoerd worden in de arbeidsorganisatie, dan nog zijn die allemaal gericht op ‘kostenbesparingen’ (van die ‘overheadkosten’ die buitensporige omzet van arbeid genoemd worden, te veel arbeidsonderbrekingen, absenteïsme, stakingen, enz.).[n63]

De kapitalistische economie is dus een gigantische onderneming van ontmenselijking, van omvorming van menselijke wezens als doel op zichzelf in instrumenten en middelen om geld te maken en kapitaal te accumuleren. Het is niet de machine, noch eender welke technologische dwang, die de werkers, en mannen en vrouwen in het algemeen, onvermijdelijk transformeert in aanhangsels en slaven van een monsterlijke uitrusting. Het is het kapitalistische principe van winstmaximalisatie door individuele bedrijven dat die verschillende mechanismes in werking zet. Andere soorten technologie en andere soorten machines zijn perfect doenbaar – op voorwaarde dat de investeringen van individuele concurrerende bedrijven niet langer gebeuren om ‘arbeid te besparen’, maar voor een optimale ontwikkeling van alle menselijke wezens.

9. Marx’ theorie van de lonen

Het is vreemd maar de opvatting van een steeds verdere verlaging van de levenstandaard van de arbeidersklasse, die onterecht dikwijls aan Marx toegeschreven werd, vond haar oorsprong bij de economen waarmee hij onophoudelijk mee in discussie ging nadat hij zijn eigen economische theorieën uitgewerkt had. Ze had haar oorsprong bij Malthus en bereikte, via Ricardo verschillende socialisten van Marx’ generatie, zoals Ferdinand Lassalle. Zowel in de vorm van een ‘vast loonfonds’ als in de vorm van een ‘ijzeren wet van de lonen’ is het in essentie een bevolkingsaanwas loontheorie. Zodra de lonen voldoende stijgen boven het fysiologisch minimum wordt aangenomen dat de arbeiders meer kinderen krijgen, die dan op hun beurt grootschalige werkloosheid en een terugval van de lonen naar het minimum creëren.

De logische tekortkomingen van die theorie zijn overduidelijk. Ze onderzoekt enkel wat er gebeurt aan de aanbodzijde van arbeidskracht; ze onderzoekt helemaal niet wat er gebeurt aan de vraagzijde. Ze neemt aan dat het potentieel van de werkende bevolking een lineaire functie is van de bevolkingstoename, en dat de demografische ontwikkeling op zijn beurt een lineaire functie is van het reële inkomen. Alle tussenliggende schakels – zoals het effect van inkomensstijging op zowel de kindersterfte als de geboortecijfers, om niet te spreken over de effecten van inkomensstijging en van de invloed van de georganiseerde arbeidersklasse op de duur van de werkweek, de tijd voor opleidingen en het ogenblik dat ze stoppen met werken – worden weggelaten uit de gehele keten van redeneringen, wat leidt tot verkeerde en inderdaad absurde resultaten.

Als men Marx’ eigen theorie over de lonen vergelijkt met de opvattingen van zijn academische tijdgenoten economen, ziet men onmiddellijk welke stap vooruit hij verwezenlijkte. Want hij stelt niet enkel dat arbeidskracht, in het kapitalisme getransformeerd tot een waar, een waarde heeft die objectief bepaald wordt zoals de waarde van alle andere waren, maar ook dat de waarde van de arbeidskracht specifiek verschilt van alle andere waren – namelijk dat ze afhankelijk is van twee elementen: de fysiologische behoeften en de moreel-historische behoeften van de arbeidersklasse.

Dit onderscheid is nauw gelinkt met de speciale natuur van de arbeidskracht: een waar die onafscheidbaar is van, en geïntegreerd is in menselijke wezens, die niet alleen spieren en een maag hebben, maar ook bewustzijn, zenuwen, wensen, verwachtingen, en potentieel opstandigheid. De fysische capaciteit om te werken kan gemeten worden aan de calorische inputs die het verlies aan energie moeten compenseren. Maar de bereidwilligheid om aan een bepaald ritme te werken, met een gegeven intensiteit, onder bepaalde voorwaarden, met toestellen van steeds grotere waarde en schadelijkheid, veronderstelt een consumptieniveau dat niet enkel gelijk is aan de totale calorische som, maar dat ook afhankelijk is van wat de arbeidersklasse algemeen ervaart als ‘gangbaar’, een ‘gebruikelijke’ levenstandaard.[n64] Marx merkt op dat die gebruikelijke standaarden erg uiteenlopen van land tot land, en dat ze in het algemeen hoger zijn in de landen die een geavanceerde, ontwikkelde kapitalistische industrie hebben, dan in de landen die zich nog in een prekapitalistisch stadium bevinden, of die de barensweeën ondergaan van een ‘eenvoudige’ industriële kapitaalaccumulatie.[n65]

We komen dus tot een onverwacht besluit: volgens Marx zouden de reële lonen eigenlijk hoger moeten zijn in de geavanceerde kapitalistische landen – en daarom ook in meer geavanceerde fases van kapitalisme – dan in de minder ontwikkelde landen. Dat zou inhouden dat ze met de tijd zouden verhogen als de industrialisatiegraad stijgt. Anderzijds hebben we reeds opgemerkt dat Marx de fluctuaties van het loon gedurende de industriële cyclus, dus de prijs en niet de waarde van de arbeidskracht, hoofdzakelijk verklaarde door de bewegingen van het industriële reserveleger. Reële lonen zouden de neiging hebben om te stijgen in tijden van economische boom en volledige tewerkstelling, en om te dalen in tijden van depressie en grootschalige werkloosheid. Hij wees er echter op dat die beweging niet automatisch was en dat de werkelijke klassenstrijd – met inbegrip van de acties van de vakbonden die hij daarom als onmisbaar zag – het instrument was waarmee de arbeiders voordeel konden halen uit meer gunstige voorwaarden op de ‘arbeidsmarkt’ om hun lonen wat te laten stijgen, terwijl het belangrijkste resultaat van de depressie was dat het de weerstand van de arbeidersklasse tegen een daling van de lonen zou verminderen.

Maar Marx botste met zijn waardeleer op het punt van de lonen. Lonen zijn de prijs van de arbeidskracht als waar. Zoals alle andere prijzen fluctueren ze niet willekeurig, maar rond een as die overeenkomt met de waarde van die waar. De bewegingen van de lonen die beïnvloed worden door het op en neer gaan van de handelscyclus verklaren enkel kortetermijnschommelingen: die moeten geïntegreerd worden in een bredere analyse die de langetermijnschommelingen van de lonen verklaart in functie van de veranderingen van de waarde van de arbeidskracht.

We kunnen dus Marx’ theorie over de lonen formuleren als een kapitaalaccumulatie loontheorie, als tegenpool van de grove demografische loontheorie van de Malthus-Ricardo-Lassalle school. Langetermijnbewegingen van lonen zijn een functie van de accumulatie van kapitaal in een vijfvoudige betekenis:

— Accumulatie van kapitaal impliceert een waardedaling van een gegeven korf consumptiegoederen met inbegrip van een gegeven levensstandaard van de arbeidersklasse (bij de gegeven reproductiekosten van de arbeidskracht). En dus tracht de ontwikkeling van het kapitalisme de waarde van de arbeidskracht te verminderen, als al de rest onveranderd blijft. We herhalen: een dergelijke daling van de waarde van de arbeidskracht impliceert niet dat de reële lonen verlagen, maar dat ze onveranderd blijven.
— Accumulatie van kapitaal impliceert een daling van de waarde en een uitbreiding van de output (massaproductie) van consumentengoederen, die voordien geen deel uitmaakten van de reproductiekosten van de arbeidskracht. Als de objectieve en subjectieve voorwaarden gunstig zijn kan de arbeidersklasse bekomen dat die goederen deel gaan uitmaken van de gangbare minimum levensstandaard, kan de ‘moreel-historische’ component van de waarde van de arbeidskracht levensstandaard stijgen, en kan zo haar waarde stijgen. Ook dit gebeurt niet automatisch maar vooral als gevolg van de klassenstrijd.
— Accumulatie van kapitaal zal de waarde van de arbeidskracht doen stijgen als het structurele langetermijnaanbod van de arbeidskracht niet sterk uitstijgt boven de vraag, of zelfs onder de vraag ligt. Dit verklaart waarom de lonen in de VS van in het begin aanzienlijk hoger waren dan in Europa en waarom de lonen in het laatste deel van de negentiende eeuw aanzienlijk stegen als gevolg van de massale overzeese emigratie van het arbeidsreserveleger, en waarom blijvende massieve werkloosheid en ondertewerkstelling in de onderontwikkelde landen een tendentiële daling van de waarde van de arbeidskracht inhield (zelfs dikwijls vergezeld van een daling van de reële lonen) in de laatste twee decennia.
— De accumulatie van kapitaal vormt een bovenste grens die in het kapitalisme niet doorbroken kan worden door een stijging van de waarde of van de prijs van de arbeidskracht. Telkens als een stijging van de waarde van de arbeidskracht een sterke daling van de meerwaarde met zich meebrengt, stokt de kapitaalaccumulatie. Anders uitgedrukt, in het kapitalisme kunnen de lonen zakken tot op het punt dat de ‘moreel-historische’ component van de waarde van de arbeidskracht volledig verdwijnt, tot op het punt dat ze in feite herleid worden tot het fysiologisch minimum. Ze kunnen niet stijgen tot op het punt dat de ‘moreel-historische’ component van de waarde van de arbeidskracht de meerwaarde als basis voor de kapitaalaccumulatie, elimineert.
— Accumulatie van kapitaal houdt een stijgende uitbuiting van de arbeiders in, met inbegrip van een stijgende afvloeiing van arbeidskracht, vooral door een hogere intensiteit van het productieproces. Maar dit vereist op zijn beurt een hogere consumptie enkel en alleen al om de arbeidskracht fysiologisch te reproduceren. We kunnen dus zeggen dat in die betekenis het kapitalisme de waarde van de arbeidskracht doet stijgen door haar uitbuiting intensiever te maken.[n66] We vinden een negatieve bevestiging van dit effect van de kapitaalaccumulatie vooral terug in de waarde van de arbeidskracht. Zodra de lonen onder een bepaald niveau dalen (vooral door oorlogen of reactionaire dictators), zal de productieve krachtinspanning van de arbeiders dalen en zal de arbeidskracht niet in zijn volledig productieve capaciteit hersteld worden omdat de lonen te laag zijn.

Hoe is het dan mogelijk dat zoveel schrijvers zo lang ‘een theorie van absolute verarming van de arbeiders in het kapitalisme’ toegeschreven hebben aan Marx, niettegenstaande zijn theorie duidelijk een theorie van de tendentiële daling van de waarde inhield van zowel de arbeidskracht als van de reële lonen?[n67] In de eerste plaats omdat Marx in zijn jeugdwerken in feite een dergelijke theorie verdedigde – bijvoorbeeld in Het Communistisch Manifest.[n68]. Maar dat was voor hij het theoretisch inzicht in de kapitalistische productiewijze finaal had afgerond. Marx’ economische theorie krijgt slechts in 1857-8 een afgeronde en consistente vorm. Nadat hij A Contribution to the Critique of Political Economy en de Grundrisse had geschreven, was er in zijn economische werken geen spoor meer terug te vinden van een dergelijke trend in de richting van absolute verarming.

Op de tweede plaats omdat zo veel schrijvers Marx’ behandeling van de waarde van de arbeidskracht (die afhangt van de waarde van de consumptiegoederen die de arbeider koopt met zijn loon) verwarren met de categorie van de reële lonen (bepaald door de massa consumptiegoederen die ze met hun loon kunnen kopen). Bij een gegeven constante stijging van de arbeidsproductiviteit, kunnen deze categorieën in het kapitalisme in tegengestelde richtingen bewegen.[n69]

Op de derde plaats omwille van twee alom bekende passages in Het Kapitaal Deel 1 die systematisch verkeerd geïnterpreteerd werden.[n70] In die twee passages spreekt Marx niet over ‘stijgende armoede’ en verpaupering, of over ‘accumulatie van miserie’. Maar de context toont duidelijk dat hij verwijst naar de armoede en de miserie van de ‘surplusbevolking’, van de ‘Lazaruslaag van de werkende klasse’, dus van de werkloze of de half tewerkgestelde armen. Onthullende studies over de armoede in rijke landen zoals de Verenigde Staten of Groot-Brittannië[n71] hebben frappant bevestigd dat de miserie van oudere gepensioneerden, werklozen, zieken, daklozen, gedegradeerde of onregelmatig werkende lagere lagen van het proletariaat inderdaad een blijvende eigenschap is van het kapitalisme, met inbegrip van het kapitalisme van de ‘welvaartsstaat’. De eenvoudige waarheid is dat Marx in dergelijke passages formuleringen gebruikt die ambigu zijn en misverstanden in de hand werken.

Betekent dit dat Marx geen theorie over de verarming van de arbeidersklasse formuleerde, of dat hij optimistische voorspellingen deed over de algemene trend van de situatie van de arbeidersklasse in het kapitalisme? Dat zou natuurlijk een volledige paradox zijn in het licht van wat hij schreef in Hoofdstuk 25 [Nederlandse vertaling van Lipschits: Hoofdstuk 23] in Deel 1 van Het Kapitaal. Er moet enkel opgemerkt worden dat dit hoofdstuk – zoals al de voldragen teksten van Marx – helemaal niet handelt over de bewegingen van de reële lonen, net zomin als dat de hoofdstukken over waarde over de bewegingen van de marktprijzen van de waren zouden gaan en niet over de waar arbeidskracht. Dit is duidelijk in een passage van Marx’ met de opmerking dat als kapitaal accumuleert de situatie van de arbeiders verslechtert onafhankelijk van het feit of hun lonen hoog of laag zijn.[n72]

We hebben hier een theorie over de tendens van een relatieve verarming van de arbeidersklasse in het kapitalisme in een dubbele betekenis. Vooreerst in de betekenis dat de productieve arbeiders een kleiner deel krijgen van de nieuw geproduceerde waarde: er is met andere woorden een stijgende trend in de meerwaardevoet. Ten tweede, in de betekenis dat zelfs wanneer de lonen stijgen, de behoeften van de arbeiders als menselijke wezens genegeerd worden. Dit is zelfs van toepassing op de bijkomende consumptiebehoeften die ontstaan uit de groei zelf van de arbeidsproductiviteit die voortvloeit uit de kapitaalaccumulatie. We denken dan aan de onvervulde behoeften van de arbeiders op het vlak van onderwijs, gezondheid, het verwerven van uiteenlopende vaardigheden, ontspanning, cultuur, huisvesting, ook vandaag in de rijkste kapitalistische landen, om te zien hoe die opvatting terecht blijft ondanks de zogenaamde ‘consumptiemaatschappij’. Maar dit behelst veel meer de behoeften van de arbeider als een producent en een burger – zijn behoefte om zijn volledige persoonlijkheid te ontwikkelen, om een rijke en creatieve persoon te worden, enz.; deze behoeften worden brutaal genegeerd door de tirannie van zinloze, mechanische, opgesplitste arbeid, vervreemding van de productieve capaciteiten en vervreemding van echt menselijk welzijn.

Naast die wet van een algemene relatieve verarming van de arbeiders in het kapitalisme, verwijst Marx ook naar een trend in de richting van een periodieke absolute verarming, vooral in functie van de veranderingen in de werkloosheid. Dat houdt nauw verband met de onvermijdelijkheid van de cyclische schommelingen in het kapitalisme, de onvermijdelijkheid van periodieke overproductiecrisissen, of ‘recessies’ zoals ze nu met een minder provocerende bijbetekenis genoemd worden.

Er is nog een ander aspect van Marx’ theorie over de lonen waar al bijna een eeuw veel controverse over bestaat. Het betreft de vraag over de verschillende waarde van ‘geschoolde arbeidskracht’ en ‘ongeschoolde arbeidskracht’ (al dan niet in relatie met de vraag of Marx een bevredigende uitleg geeft van het feit dat volgens zijn arbeidswaardeleer, geschoolde arbeid meer waarde produceert per uur dan ongeschoolde arbeid). Sinds Böhm-Bawerk hebben een aantal critici beweerd dat ze hier een van de fundamentele tegenstrijdigheden in Marx’ economische theorie gevonden hebben.[n73] Want als de grotere productiviteit, in termen van waarde, van geschoolde tegenover ongeschoolde arbeiders uitgedrukt wordt door de hogere lonen van de eersten, komen we dan niet terug in de beruchte cirkelredenering van Adam Smith, waarbij de ‘prijs van arbeid’ wel de ‘natuurlijke prijs’ van de goederen bepaalt, maar op zijn beurt bepaald is door de ‘natuurlijke prijs’ van een categorie goederen, de zogenaamde ‘loongoederen’, dat is voedsel?

Maar eigenlijk vermeed Marx een dergelijke cirkelredenering, in tegenstelling tot wat zijn critici ten onrechte denken. Hij verklaarde de hogere waarde-inhoud van een uur geschoolde arbeid vergeleken met een uur ongeschoolde arbeid nooit door de hogere lonen die geschoolde arbeid krijgt. De hogere inhoud wordt strikt verklaard in termen van de arbeidswaardeleer, door de bijkomende arbeidskost nodig voor die scholing, met inbegrip van de totale kosten van de opleiding van personen die hun studies niet succesvol afronden.[n74] De hogere waarde geproduceerd door een uur geschoolde arbeid vergeleken met een uur ongeschoolde arbeid, vloeit voort uit het feit dat geschoolde arbeid deel uitmaakt van de ‘totale arbeidskracht’ (Gesamtarbeitsvermögen) van de maatschappij (of van een gegeven tak van de industrie) niet enkel van haar eigen arbeidskracht maar ook van een deel van de arbeidskracht noodzakelijk voor die scholing. Anders verwoord, elk uur geschoolde arbeid kan bekeken worden als een uur ongeschoolde arbeid vermenigvuldigd met een factor afhankelijk van de scholingskost.[n75] Marx heeft het in die context over ‘samengestelde arbeid’ tegenover ‘eenvoudige arbeid’. De scholing kan bij analogie worden vergeleken met een bijkomend gereedschap, die op zichzelf geen waarde produceert, maar die een deel van zijn eigen waarde overbrengt in de waarde geproduceerd door de geschoolde arbeider.

10. Marx’ theorie van het geld

Marx’ inspanning om zijn eigen theorie van het geld te formuleren komt voort uit een belangrijke vergissing in Ricardo’s economisch systeem.[n76] Alhoewel Ricardo voor de waren een strikte theorie over arbeidswaarde aanhangt, houdt hij vol dat dit enkel geldt voor het goud als de hoeveelheid die in circulatie is, exact in verhouding is met de massa en de prijzen van de andere waren. Stijgingen of dalingen in de hoeveelheid geld die circuleert zou een stijging of daling van de prijzen veroorzaken, en op zijn beurt een verdere daling of stijging van de waarde van het goud veroorzaken. Marx tracht deze tegenstrijdigheid te overwinnen door zijn geldtheorie te integreren in zijn algemene uitleg van waarde, waardeproductie en autonoom circulerende waarde (geldomloop, kapitaalsomloop), door een strikte toepassing van de arbeidswaardeleer.

Net zoals bij de waardeleer is het belangrijkste aspect van die monetaire theorie het kwalitatieve aspect, dat tot nu toe weinig aandacht kreeg van Marx’ critici of van zijn leerlingen. Het feit dat maatschappelijke arbeid in een maatschappij die steunt op een veralgemeende warenproductie, gefragmenteerd is in vele segmenten van private arbeid die onafhankelijk van de rest uitgevoerd worden, leidt zoals we gezien hebben, tot het resultaat dat het maatschappelijke karakter enkel post festum kan beoordeeld worden, door de verkoop van de waar, en afhankelijk van het equivalent bedrag dat de waar krijgt in de verkoop. Het maatschappelijk karakter van de arbeid ingebed in de waar, kan dus enkel verschijnen als een ding buiten de waar – dat is geld. Het feit dat de verhoudingen tussen mensen in het kapitalisme (veralgemeende warenproductie) verschijnen als relaties tussen dingen – iets wat Marx uitvoerig analyseerde in het vierde deel van Hoofdstuk 1 van Het Kapitaal Deel 1, ‘Het fetisj karakter van de waar en zijn geheim’ (pp. 163-77*) – moet daarom niet begrepen worden in de betekenis dat in het kapitalisme mensen, onder invloed van een vals bewustzijn, de illusie hebben dat ze geconfronteerd worden met dingen niettegenstaande ze in de werkelijkheid geconfronteerd worden met specifieke productieverhoudingen. Het is ook een objectieve noodzaak of druk. Onder de voorwaarden van een veralgemeende warenproductie, kan maatschappelijke arbeid niet onmiddellijk herkend worden, tenzij door middel van de ruil met geld. De circulatie van waren kan enkel haar wederhelft tonen in de circulatie van het medium van de ruil, geld.[n77] Geld is de noodzakelijke materialisatie van abstracte maatschappelijke arbeid: dat is de kwalitatieve bepaling in de marxistische monetaire theorie.

Het is omdat ze die fundamenteel maatschappelijke natuur van het geld die gegrondvest is op welbepaalde maatschappelijke productieverhoudingen over het hoofd zagen dat zo veel auteurs, met inbegrip van sommige marxistische,[n78] geneigd waren om aan geld en aan geldcreatie functies toe te dichten die onmogelijk zijn in een maatschappij die steunt op private eigendom. Aannemen dat een ‘automatische’ realisatie van de ruilwaarde van de waren door de creatie van een ‘passend’ volume aan geld mogelijk is, verondersteld dat de waarde vooraf bepaald is, dat alle arbeid gespendeerd in de productie van die waren maatschappelijk noodzakelijke arbeid was. Met andere woorden, het veronderstelt dat er een permanent evenwicht is tussen aanbod en effectieve vraag, en dat er daarom niet de minste warenproductie is maar een a priori aanpassing van de productie aan nauwkeurig vastgestelde noden. In het kapitalisme, met inbegrip van het monopoliekapitalisme, kan dit nooit bekomen worden.

Geld dat ontstaat in het ruilproces, in de circulatie van waren, kan de waarde van die waren slechts realiseren omdat het zelf waarde is, omdat het zelf een waar is die geproduceerd werd door maatschappelijke noodzakelijke abstracte arbeid. Marx’ theorie van het geld is daarom vooral een warentheorie van het geld waarbij de monetaire standaarden (edele metalen) in het circulatieproces opgenomen worden met hun eigen intrinsieke waarde. Vanuit dat gezichtspunt moet Marx elke kwantiteitstheorie van het geld verwerpen die steunt op goud of op goud-en-zilver. Als bij een gegeven omloopsnelheid een gegeven hoeveelheid goud een hogere waarde heeft dan de totale warenmassa waartegen het uitgewisseld wordt, dan kan die in het circulatieproces evenmin waarde ‘verliezen’ (dat is een stijging van de prijzen veroorzaken door een overschot aan goud) als elke andere waar. Wat er gebeurt is gewoon dat een deel ervan uit de circulatie verdwijnt en opgepot wordt, tot op het ogenblik dat de nood om te circuleren terug verhoogt.

Alhoewel een dergelijke warentheorie van het geld een strikte verwerping van de kwantiteitstheorie vereist zolang geld rechtstreeks steunt op edele metalen, gaat het toch in de tegenovergestelde richting zodra we geconfronteerd worden met papiergeld dat in de werkelijkheid functioneert als een plaatsvervanger of een token, voor edele metalen. In dat geval, en onafhankelijk van het feit of er al dan niet een wettelijke convertibiliteit van papier in geld bestaat,[n79] zal de uitgave van papiergeld tot aan een bedrag, dat bij een gegeven waarde van het goud en een gegeven circulatiesnelheid van de bankbiljetten toelaat om de prijs van alle waren in circulatie te realiseren, die prijzen niet beïnvloeden. Maar als die hoeveelheid papiergeld in circulatie gewoon verdubbeld wordt dan zullen als al de rest onveranderd blijft, ook de prijzen uitgedrukt in die munt verdubbelen, wat niet in tegenspraak is met de arbeidswaardeleer maar er de toepassing van is. Eenvoudiger voorgesteld, als we veronderstellen dat elke goudeenheid eenmaal per jaar circuleert, dan betekent de vergelijking 1.000.000 ton staal = 1.000 kilo goud dat de zelfde hoeveelheid maatschappelijk noodzakelijke abstracte arbeid (bijvoorbeeld 100.000.000 arbeidsuren) noodzakelijk was om de respectievelijke hoeveelheden staal of goud te produceren. Als £1.000.000 overeenkomen met 1.000 kilo goud, dan is het feit dat de prijs van 1 ton staal £1 is, enkel een rechtstreekse uitdrukking van de gelijkheid in waarde (in hoeveelheden abstracte arbeid) van 1 ton staal en 1 kg goud. Maar als door een bijkomende uitgave van papiergeld, 1.000 kg goud nu overeenkomt met £2.000.000 in plaats van £1.000.000 dan zal de prijs van staal, als al de rest onveranderd blijft, stijgen van £1 naar £2 als een strikte toepassing van de arbeidswaardeleer.

Dat betekent niet dat Marx voor papiergeld een aanhanger was van een of andere mechanistische kwantiteitstheorie. Er is een evidente analogie tussen zijn theorie en de traditionele vormen van de kwantiteitstheorie van het geld; maar die analogie wordt beperkt door twee fundamentele factoren. In de eerste plaats zijn het, zowel voor papiergeld als voor metallisch geld, volgens Marx de beweging van de waarde van de waren, de schommelingen van de materiële productie en van de arbeidsproductiviteit, die de primum movens [eerste beweger] blijven van de prijsschommelingen, en niet de ups en downs van de hoeveelheid papiergeld in circulatie.[n80] Wat dat betreft onderzoekt Marx in Het Kapitaal Deel 3 de noodzaak om de geldcirculatie te verhogen op het ogenblik dat er een crisis uitbreekt, en hij heeft een scherpe kritiek op de rol van de Bank of Engeland door de toepassing van het ‘currency principle’ in het versterken van de geldpaniek en de monetaire crisissen als versneller van overproductiecrisissen, wanneer die samenvallen met een vlucht van goud uit Engeland. Op een identieke manier ontkende hij de mogelijkheid om recessies te vermijden door bijkomend geld uit te geven.[n81]

Op de tweede plaats begreep Marx uitstekend dat het dialectisch verband van alle elementen van een mechanistische kwantiteitstheorie niet toeliet om eenvoudige besluiten te trekken uit veranderingen van elk van die elementen afzonderlijk. Hij wist bijvoorbeeld dat de circulatiesnelheid van het geld meebepaald werd door de economische cyclus en dat die niet als stabiel beschouwd mocht worden in een fase waarin enkel de kwantiteit van het geld verondersteld werd te veranderen. Maar zowel de analyse van al die onderwerpen als een kort commentaar van zijn volledige geldtheorie in de economische cyclus en van het fictief kapitaal, horen eerder thuis in de inleiding van Deel 3 dan van Deel 1 van Het Kapitaal.

Met de ontwikkeling en veralgemening van de warenproductie, wordt geld meer en meer getransformeerd in geldkapitaal. Het wordt meer en meer verwisseld door ‘monetaire tekens’ in het circulatieproces, en wordt meer en meer getransformeerd van een ruilmiddel in een betaalmiddel, dat is de tegenhanger van schulden, in een kredietinstrument. Terwijl Marx de kredietfunctie van het geld onderzoekt, houdt hij strikt vast aan de arbeidswaardeleer, zodat zijn hele economisch systeem door en door ‘monistisch’ is. Geld als het algemene equivalent van de ruilwaarde van alle waren, en geld als een middel om schulden te vereffenen (voortvloeiend uit de veralgemening van het kopen op krediet) claimen beide een bepaald deel van de totale bestede maatschappelijke arbeid in een gegeven periode. Wat ook de ‘nominale’ waarde van de valuta is, wat ook de ‘standaard om de prijzen te meten’ is, het is overduidelijk dat het onmogelijk is om meer arbeidshoeveelheden te verdelen dan er geproduceerd en opgeslagen werden in diezelfde periode. Aan de andere kant kan, gezien de ware natuur van de warenproductie, een algemene stijging van de geldcirculatie (geen stijging van de ‘totale vraag’) op de lange duur niet verhinderen dat een hele reeks geproduceerde waren uiteindelijk geen ‘specifieke vraag’ zullen tegenkomen, nodig om ervoor te zorgen dat de eigenaars tenminste de gemiddelde winstvoet kunnen realiseren. Technologische veranderingen, verschillen in productiviteit tussen verschillende vestigingen en bedrijven, veranderingen in de reële lonen en in de structuur van de consumentenbestedingen, wijzigingen in de winstvoet die de richting en de structuur van de investeringen veroorzaken: al die complexe bewegingen die de economische cyclus en de mogelijke periodieke recessies die onvermijdbaar zijn in een veralgemeende warenproductie vorm geven, kunnen niet vermeden worden door een manipulatie van de hoeveelheid valuta of van de valuta eenheden. De ervaring sinds Marx’ dood, en vooral sinds de ‘keynesiaanse revolutie’, bevestigt deze diagnose volledig, alhoewel het ook bevestigt dat onder welbepaalde voorwaarden en binnen welbepaalde grenzen, een monetaire politiek de omvang van de economische fluctuaties kan verminderen, iets waar Marx zich uitstekend van bewust was.[n82]

Marx’ korte commentaren over de duale natuur van het goud, als de ultieme basis van alle systemen met papiergeld en als de enig mogelijke ‘wereldmunt’ die aanvaardbaar is voor de uiteindelijke afrekening tussen de centrale banken (en burgerlijke klassen) van de verschillende landen, zijn vandaag uiterst interessant om te lezen nu het Bretton Woods monetaire systeem ingestort is doordat de dollar niet meer omwisselbaar is in geld. Het is interessant om te zien dat Marx terwijl hij alle theorieën verwierp die de ‘waarde’ van het geld verklaren door gewoonte of door staatsdruk,[n83] die functie van het goud als een middel om de uiteindelijke rekeningen op internationaal niveau te vereffenen, definieert als een specifieke taak van de bourgeoisstaat. Een van de taken van de staat bestaat in het creëren van de ‘algemene voorwaarden voor kapitalistische productie’. Een coherente en aanvaarde munt maakt zeker deel uit van die ‘algemene voorwaarden’. Papiergeld met een vaste wisselkoers (Zwangskurs) kan binnen bepaalde limieten enkel opgelegd worden door de autoriteit van een staat.[n84] Waar die autoriteit afwezig is, kunnen eigenaars van waren niet gedwongen worden om in ruil voor hun goederen papiergeld te aanvaarden dat volgens hen ontwaard is. ‘Papiergoud’ als een universeel ruil- en betalingsmiddel op de wereldmarkt veronderstelt daarom een wereldregering, dus het ontbreken van inter-imperialistische concurrentie en daarom in laatste analyse het verdwijnen van de private eigendom. Het is utopisch te verwachten dat dit mogelijk is in het kapitalisme.

Marx’ geldtheorie werd minder geanalyseerd, bekritiseerd en bediscussieerd door de latere marxisten dan de andere delen van zijn economische theorie.[n85] Een interessante discussie had toch plaats aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog tussen Hilferding, Kautsky en Varga, over de mogelijkheid om de waarde van de waren af te leiden uit de ‘maatschappelijk noodzakelijke hoeveelheid geld’ – een hypothese die duidelijk verkeerd is daar ze de waarde van de waren verwart met hun prijs.[n86] In een reeks polemieken die duurden tot in jaren twintig, hield Varga bovendien vol dat, omdat centrale banken goud kochten aan een vaste prijs, de schommelingen van de intrinsieke waarde van het goud het algemene prijsniveau niet zouden beïnvloeden, maar enkel de ups en downs van de differentiële rente zouden reguleren, verkregen door de goudmijnen met een productiviteit die, bij een gegeven goudprijs, hoger is dan bij de mijnen met een gemiddelde winstvoet.[n87] Verdere ontwikkelingen, vooral in de laatste vier of vijf jaar, hebben bevestigd dat die beide pogingen om Marx’ geldtheorie te corrigeren ongegrond en fout waren.

11. Kapitaal en de toekomst van het kapitalisme

Het is vooral door de integratie van theorie en geschiedenis dat het marxisme zijn superioriteit op economisch vlak toont ten opzichte van de klassieke en neoklassieke politieke economie. Het is door zijn vermogen om de lange termijn trends van de kapitalistische ontwikkeling te voorzien, met inbegrip van de voornaamste interne tegenstellingen van de kapitalistische productiewijze die de lange termijn ontwikkeling voortstuwen, dat Het Kapitaal zowel vriend als vijand blijft fascineren. Zij die generatie op generatie Marx blijven beschuldigen van een ‘onwetenschappelijke’ parti pris of van speculatieve uitweidingen in profetische sferen[n88] doorstaan de bewijslast niet. Het is aan hen om het mysterieuze feit te verklaren waarom een denker die volgens hen geen analytische werktuigen gebruikt, toch in staat zou zijn om feilloos de lange termijn bewegingswetten uit te werken die anderhalve eeuw de ontwikkeling van het kapitalisme bepaald hebben.

Naast de zogenaamde wet van de absolute verarming van de arbeidersklasse die ten onrechte aan Marx wordt toegeschreven, was de theoretische conclusie over de kapitalistische productiewijze die het meest aangevallen werd sinds de eerste uitgave van Het Kapitaal Deel 1 de zogenaamde ‘onvermijdelijke instortingstheorie van het kapitalisme’ (Zusammenbruchstheorie). Voor het eerst sterk in vraag gesteld door de Bernstein ‘revisionisten’ binnen de socialistische beweging, en slechts zwak verdedigd door de meeste orthodoxe marxisten van die tijd,[n89] werd de theorie tot in het absurde toe de laatste decennia telkens opnieuw opgevist door een monotone reeks van auteurs. Allen hebben ze de rituele retorische vraag gesteld: had de kapitalistische productiewijze een aanpassingscapaciteit en heeft het zichzelf geïnnoveerd op een manier die veel verder ging dan Marx voorzag?[n90]

Dat soort argumenten maakt meestal een fundamentele fout: ze trachten te veel te bewijzen. Ze beweren dat het kapitalisme zoveel crisissen overleefde dat niemand zijn vraag om toekomstige crisissen te overleven ernstig in vraag kan stellen. Maar tezelfdertijd beweren ze dat het huidige economische systeem in het Westen niet langer ‘kapitalistisch’ is; en dat het kapitalisme met de opeenvolgende hervormingen en aanpassingen om de crisissen te boven te komen die het dreigden te vernietigen, zich hervormd heeft in een nieuwe maatschappelijke economische organisatie. Die wordt dan meestal aangeduid als ‘gemengde economie’, alhoewel een resem andere formules zoals ‘managerskapitalisme’, ‘georganiseerd kapitalisme’, ‘managersmaatschappij’, ‘technostructuur stelsel’, enz. werden bedacht om het te beschrijven.[n91]

Maar Het Kapitaal is niet enkel een machtig instrument om de grote lijnen van de ontwikkeling op wereldvlak sinds de industriële revolutie te begrijpen. Het bezorgt ons ook een klare en ondubbelzinnige definitie van waar het kapitalisme voor staat. Kapitalisme is geen maatschappij met een ‘perfecte concurrentie’, noch een maatschappij met ‘stijgende verarming’, noch een maatschappij waar ‘geld de enige meester is’. Vage en onnauwkeurige definities die de fundamentele vragen uit de weg gaan, leiden tot een eindeloze verwarring over de verhouding van het hedendaagse economische systeem in het Westen en het economisch systeem geanalyseerd in Het Kapitaal.[n92] Het Kapitaal toont dat de kapitalistische productiewijze fundamenteel bepaald wordt door drie en slechts drie voorwaarden: (1) het feit dat de massa producenten de productiemiddelen in de economische betekenis van het woord niet bezitten, maar hun arbeidskracht moeten verkopen aan de bezitters; (2) het feit dat die bezitters georganiseerd zijn in afzonderlijke bedrijven die met elkaar in concurrentie gaan voor delen van de markt waar hun goederen verkocht worden, voor winstgevende mogelijkheden om kapitaal te investeren, voor bronnen van grondstoffen, enz. (dat is de instelling van het private bezit in de economische betekenis van het woord); (3) het feit dat diezelfde bezitters van de productiemiddelen (verschillende bedrijven) daarom verplicht worden om een maximum aan meerwaarde uit de producenten te persen, om meer en meer kapitaal te accumuleren – wat er onder de voorwaarden van veralgemeende warenproductie en veralgemeende vervreemding toe leidt dat de winstvoet de tendens heeft om te dalen, en er periodiek terugkerende crisissen van overproductie zijn.

Als dit de criteria zijn dan is de vraag niet of de Westerse maatschappij nog kapitalistisch is; of arbeidsloon en kapitaal nog steeds twee antagonistische sociale klassen zijn; of de accumulatie van kapitaal nog meer dan ooit de fundamentele bewegende kracht van die maatschappij is; of de uitbuiting en realisatie van de private winst de basis drijfveer is van de verschillende bedrijven.

Aspecten van de hedendaagse Westerse maatschappij zoals het feit dat sommige van die bedrijven genationaliseerd zijn; dat er meer en meer staatstussenkomsten zijn in de economie; dat de concurrentie ‘imperfect’ geworden is (dat het niet langer strijd voert door de prijzen te verlagen, maar eerder door de productiekosten te verlagen en door via de distributie de verkoop te verhogen); dat arbeiders sterke vakbonden hebben (behalve bij hevige maatschappelijke crisissen als de burgerlijke democratische vrijheden afgeschaft worden) en dat hun levensstandaard meer gestegen is dan Marx verwachtte – dit alles annuleert of vermindert de relevantie niet van de fundamentele structurele eigenschappen van het kapitalisme waar alle fundamentele bewegingswetten van het systeem uit voortkomen en die beschreven zijn in Het Kapitaal. Die fundamentele bewegingswetten blijven dus geldig.

Zonder gerechtelijke dwaling zou men zelfs kunnen beweren dat vanuit een structureel oogpunt, het ‘concrete’ kapitalisme van het laatste kwart van de twintigste eeuw dichter staat bij het ‘abstracte’ model van Het Kapitaal dan bij het ‘concrete’ kapitalisme van 1867, toen Marx de laatste correcties aanbracht aan de drukproeven van Deel 1. Vooreerst, omdat de tussenliggende schakels van kleine onafhankelijke producers, eigenaars van hun eigen productiemiddelen, die een eeuw geleden nog een belangrijke maatschappelijke laag vormden, vandaag bijna volledig verdwenen zijn; afhankelijke loontrekkers die gedwongen worden om hun arbeidskracht te verkopen, vormen nu meer dan 80 percent van de economisch actieve bevolking in de meeste Westerse landen, en in verschillende landen meer dan 90 percent. Ten tweede omdat concentratie en centralisatie van kapitaal tot een situatie geleid heeft waar slechts een paar honderd grote corporaties de economie van elke imperialistisch land beheersen, en maar een paar honderd multinationale corporaties een derde van alle rijkdom van de kapitalistische wereldeconomie in hun handen concentreren. Ten derde omdat de productiviteit en de objectieve vermaatschappelijking van de arbeid in die mate gestegen is, zodat de productie van waarde voor private verrijking absurder geworden is dan wat Marx een eeuw geleden had kunnen voorzien, en zodat de wereld zo erg schreeuwt om een geplande huishouding van de middelen om op basis van bewust en democratisch gekozen prioriteiten aan de fundamentele noden te voldoen, dat zelfs de tegenstanders van het socialisme de boodschap begrijpen.[n93]

Men kan zich afvragen waarom de onteigenaars nog niet onteigend werden, en waarom het kapitalisme nog steeds overleeft in de hoog geïndustrialiseerde landen? Het antwoord op die vraag vereist een gedetailleerde kritische analyse van de politieke en maatschappelijke geschiedenis van de twintigste eeuw. Maar het punt is natuurlijk dat Marx nooit een plotse en automatische instorting van het kapitalistisch systeem met een ‘finale’ crisis die zou voortkomen uit een louter economische ‘oorzaak’, voorspeld heeft. In het befaamde Hoofdstuk 32 van Het Kapitaal Deel 1 ‘De historische tendens van de kapitalistische accumulatie’ [Lipschits, Hoofdstuk 24.7 ‘Historische strekking van de kapitalistische accumulatie’] beschrijft Marx de economische tendensen die de reactie van de maatschappelijke krachten uitlokken. De groei van het proletariaat, zijn uitbuiting, en het georganiseerde verzet tegen die uitbuiting, zijn de belangrijkste hefbomen om het kapitalisme omver te werpen. De centralisatie van de productiemiddelen en de objectieve vermaatschappelijking van de arbeid, creëren de economische voorwaarden voor een maatschappij gesteund op collectief bezit en op een vrije samenwerking van geassocieerde producenten. Maar ze leiden niet automatisch naar een universele overwinningsdag voor een dergelijke maatschappij. Ze moeten bewust gebruikt worden, op bevoorrechte momenten van de maatschappelijke crisis, om tot een revolutionaire omverwerping van het systeem te komen.

Zoals elke maatschappelijke denker bleef Marx ver verwijderd van elk fatalistisch geloof in de automatische effecten van een economisch determinisme. Hij herhaalde steeds weer dat de mensen hun eigen geschiedenis maken en moeten maken, niet arbitrair of onafhankelijk van de materiële voorwaarden waarin ze zich bevinden.[n94] Een instortingstheorie van het kapitalisme kan enkel marxistisch zijn als het een theorie is die een bewuste omverwerping van het kapitalisme vooropstelt, als het dus een theorie is voor een socialistische revolutie.[n95] Hoofdstuk 32 op het einde van Het Kapitaal Deel 1 [Lipschits: Hoofdstuk 24.7] geeft slechts in erg algemene woorden weer hoe en waarom de objectieve interne tegenstellingen van de kapitalistische productiewijze de omverwerping mogelijk en noodzakelijk maken. De rest ontstaat, in Marx’ woorden, uit de groei van de ‘revolte van de arbeidersklasse, een klasse die constant groter wordt, en getraind, verenigd en georganiseerd is door het mechanisme zelf van het kapitalistische productieproces’.

Met andere woorden, tussen enerzijds de groeiende economische tegenstelling van de kapitalistische productiewijze, en de instorting van het kapitalisme anderzijds, is er een noodzakelijk verband: de ontwikkeling van het klassenbewustzijn, van de georganiseerde macht en capaciteit voor een revolutionaire actie van de arbeidersklasse (met inbegrip van revolutionair leiderschap). Dat hoofdstuk van de marxistische theorie is niet opgenomen in Het Kapitaal. Misschien was Marx van plan het te behandelen in het boek van de Staat dat hij wilde schrijven maar dat hij zelfs niet in het klad uitwerkte. Uiteindelijk liet hij daarover geen systematische uitwerking van zijn opvattingen na, alhoewel vele ideeën toch verspreid terug te vinden zijn in zijn bijdragen en brieven. Het kwam zijn meest begiftigde aanhangers, vooral Lenin, Trotski en Rosa Luxemburg toe, om datgene systematisch te behandelen wat we nu ‘de marxistische theorie van de subjectieve factor’ zouden kunnen noemen.

Het overleven van het kapitalisme tot op vandaag in de meest geïndustrialiseerde landen duurt zeker veel langer dan wat Marx verwachtte. Maar dat is niet omdat het systeem zich ontwikkeld heeft in andere richtingen dan voorspeld in Het Kapitaal. Het is ook niet omdat het mogelijk was om de periodieke herhaling van explosieve maatschappelijke crisissen te vermijden. Integendeel, sinds de Russische revolutie van 1905, en zeker na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, zijn dergelijke crisissen een steeds weerkerend fenomeen van de hedendaagse geschiedenis geworden.

In de loop van die crisissen werd het kapitalisme inderdaad in veel landen omvergeworpen, Rusland en China zijn de belangrijkste. Maar anders dan wat Marx verwachtte gebeurde die omverwerping niet zozeer waar het proletariaat numeriek en economisch het verst ontwikkeld was, door de grootst mogelijke uitbreiding van de kapitalistische industrie in de landen die dus ook een sterke burgerij hebben. Het gebeurde eerder in landen waar de burgerij het zwakst was en waar de politieke machtsverhoudingen dus gunstig waren voor een jong proletariaat dat in staat was om de steun te krijgen van een erg strijdvaardige boerenstand. De historische omweg kan enkel begrepen worden als men twee punten in de analyse opneemt: aan de ene kant de ontwikkeling van het imperialisme en het effect op een groot deel van de bevolking dat in maatschappelijk en economisch onderontwikkelde maatschappijen leeft (de wet van de oneven en gecombineerde ontwikkeling); en aan de andere kant het verband tussen een gebrek aan revolutionaire ervaring van de Westerse arbeidersklasse gedurende de lange periode van ‘organische groei’ van het imperialisme (1890-1914), en het reformisme en de groeiende integratie van de sociaaldemocratie in de burgerlijke maatschappij en in de burgerlijke staat die verantwoordelijk waren voor de mislukking van de grootschalige revolutionaire crisissen in het Westen, in 1918-23 (vooral in Duitsland en Italië). Als gevolg van die mislukking was de zegevierende Russische revolutie zelf geïsoleerd, en ging de internationale beweging van de arbeidersklasse door het donkere intermezzo van het stalinisme waar het zich slechts in de jaren negentienvijftig traag kon van losmaken. Dit brengt ons terug bij wat ik de marxistische theorie van de subjectieve factor genoemd heb – dat verklaart ook waarom er een kwarteeuw van totale stagnatie volgde na de opbloei van de marxistische economische theorie in de periode 1895-1930.

Het debat over de Zusammenbruchstheorie had te lijden van de verwarring tussen twee verschillende vragen: de vraag of het vervangen van het kapitalisme door het socialisme onvermijdelijk is (een onvermijdelijk resultaat van de interne economische tegenstellingen van de kapitalistische productiewijze); en de vraag of door de afwezigheid van een socialistische revolutie het kapitalisme voor eeuwig zou blijven bestaan. Een negatief antwoord op de eerste vraag houdt op geen enkele manier een positief antwoord op de tweede vraag in. Klassieke marxisten die de jonge Marx volgden, formuleerden hun prognose in de vorm van een dilemma: socialisme of barbarij.

De maatschappelijke catastrofen die de mensheid meemaakte sinds Auschwitz en Hiroshima, tonen dat er niets ‘romantisch’ was aan een dergelijke voorspelling, maar dat het de uitdrukking was van een klare kijk op het verschrikkelijke destructieve potentieel van de ruilwaardeproductie, de kapitaalaccumulatie en de strijd voor persoonlijke verrijking als doelen op zichzelf. De concrete mechanismes van een economische instorting van de kapitalistische economie kunnen voer voor speculatie zijn. Het verband tussen de vermindering van de waardeproductie (daling van het totaal aantal arbeidsuren als gevolg van de automatisatie), van de stijgende moeilijkheid om de meerwaarde te realiseren, van een stijgende verspilde output die niet in het reproductieproces opgenomen wordt, en vooral van de lange termijn daling van de winstvoet, is nog ver van duidelijk.[n96] Maar een sterk punt kan gemaakt worden voor de thesis dat er welbepaalde grenzen zijn aan het aanpassingsvermogen van de kapitalistische productieverhoudingen, en dat die grenzen op elk gebied progressief bereikt worden.

Het is erg onwaarschijnlijk dat het kapitalisme nog een halve eeuw de crisissen (militair, politiek, maatschappelijk, monetair, cultureel) zal overleven die zich sinds 1914 onophoudelijk voordoen. Het is bovendien erg waarschijnlijk dat uiteindelijk zal blijken dat Het Kapitaal en dat waar het voor staat – namelijk een wetenschappelijke analyse van de burgerlijke maatschappij, die de hoogste vorm van proletarisch klassenbewustzijn voorstelt – een doorslaggevende bijdrage zullen leveren voor het omverwerpen van het kapitalisme en voor de klasseloze maatschappij van geassocieerde producenten.

Ernest Mandel

_______________
[0] Ernest Mandel: "Introduction" Karl Marx, Capital Volume I / Mandel schreef deze inleiding in het Engels bij de uitgave van Karl Marx: Capital Volume I, Penguin Books in association with New Left Review; London 1976. Vertaling uit het Engels door H. Buyssens, 2019.
[1] I.J. Rubin, Essays on Marx’s Theory of Value, Detroit, 1972, pp. 254-6; Lucio Colletti, Marxism and Hegel, NLB, London, 1973, pp. 131-2; Louis Althusser, ‘The Object of Capital’, in Reading Capital, NLB, London, 1970, pp. 113-17, 124-6. Er is ook een verhelderende opmerking van Marx zelf, uit ‘Hoofdstuk 6’ van Het Kapitaal, Deel 1 (zie appendix*): ‘Toch circuleerden binnen bepaalde limieten zowel goederen als geld en dus was er een zekere ontwikkeling van de handel: dit was de premisse en het startpunt voor de vorming van kapitaal en van de kapitalistische productiewijze’ (pp. 1059-60**).
[2] Karl Marx, Capital, Moscow, 1962, Vol. 3, pp. 172-4; Friedrich Engels, ‘Law of Value and Rate of Profit’, ibid. (appendix Capital,Vol. 3) pp. 873-6; Rosa Luxemburg, Einführung in die Nationalökonomie, Berlin, 1925, pp. 199-232; Ernest Mandel, Marxist Economic Theory, London, 1969, Vol.1, pp. 65-8.
[3] Mandel, op.cit., pp. 59-65.
[4] Karl Korsch, Marxism and Philosophy, NLB, London, 1970, pp.54-60.
[5] Rudolf Hilferding, Das Finanzkapital, Vienna, 1923, p.x.
[6] Marx, brief aan Maurice Lachâtre van 18 maart 1872; zie ‘Voorwoord voor de Franse Editie’.
[7] Zie Inleiding bij de tweede druk, pp. 102-3*.
[8] idem, p.102*.
[9] Engels’ brief aan Contad Schmidt van 1 november 1891,in Marx/Engels, Selected Correspondence, Moscow, 1965, p. 439.
[10] Lenin, ‘Plan of Hegel’s Dialectics (Logic)’, Collected Works, Vol 38, p. 319.
[11] ‘Daar zal getoond worden waar de filistijnse en vulgaire manier van de economen om naar de dingen te kijken, met name het feit dat het alleen een verschijningsvorm van de verhoudingen is die gereflecteerd wordt in hun hoofden en niet haar innerlijke connectie. Indien dat laatste het geval was, welke behoefte aan wetenschap zou er nog zijn?’ (brief van Marx aan Engels, 27 june 1867, Selected Correspondence, p.191). Zie ook Het Kapitaal, Deel 3, Hoofdstuk 12. Aanvulling.
[12] Karl Marx, ‘Randglossen zu A.Wagners “Lehrbuch der politischen Oekonomie”’, MEW 19, pp. 364-368-9 (Engelse vertaling in Theoretical Practice, N° 5, London 1972).
[13] Marx, Grundrisse, Pelican Marx Library, p. 101. Zie daartegenover Lenin (op. cit., p.171): ‘Het denken dat vertrekt van het concrete naar het abstracte … verwijdert zich niet van de waarheid maar nadert ze.’ In zijn commentaren op de drie delen van Het Kapitaal geschreven in het begin van de dertiger jaren, maakt D. I. Rosenberg het interessante punt dat Marx’ abstracties in hun ommezwaai concreet zijn, in zoverre dat ze gelinkt zijn aan een concrete economische formatie en dat ze historisch bepaald zijn. Ze zijn noch arbitrair noch a priori abstracties. (Zie de Spaanse vertaling van de originele Russische tekst, gepubliceerd door Seminario de ‘El Capital’, Escuela Nacional de Economia, UNAM, Mexio, Cuaderno I, p. 46.)
[14] Zie hiermee gerelateerde onderwerpen, onder andere: Otto Morf, Geschichte und Dialektik in der politischen Oekonomie, Frankfurt, 1970; Evald Vasiljevic Iljenkov, La dialettica dell’ astratto e del concrete nel Capitale di Marx, Milan, 1961; Karel Kosik, Die Dialektik des Konkreten, Frankfurt, 1967; Jindrich Zeleny, Die Wissenschaftslogik und ‘Das Kapital’, Frankfurt, 1969; Leo Kofler, Geschichte und Dialektik, Hamburg, 1955, etc.
[15] Bijvoorbeeld, Eugen von Böhm-Bawerk, Karl Marx and the Close of his System, New York, 1949, p. 117; Eduard Bernstein, Die Voraussetzungen des Sozialismus und die Aufgaben der Sozialdemokratie, Stuttgart, 1899, pp. 51-57; Karl Popper, The Open Society and its Enemies, London, 1962, Vol. 2, p. 82; Vassily Leontief, ‘The significance of Marxian Economics for Present-Day Economic Theory’, American Economic Review Supplement, March 1938, herdrukt in Horowitz, Marx and Modern Economics, London, 1968, p. 95, etc.
[16] ‘Hoe belangrijk ook deze technische bijdragen aan de vooruitgang van de economische theorie in de hedendaagse waardering van marxiaanse prestaties zijn, ze worden overschaduwd door zijn schitterende analyse van de lange termijn tendensen van het kapitalistische systeem. Het resultaat is inderdaad indrukwekkend: stijgende concentratie van rijkdom, vlugge uitschakeling van kleine en middelgrote ondernemingen, progressieve vermindering van concurrentie, onophoudelijke technologische vooruitgang gepaard met een steeds stijgend belang van het vast kapitaal, en niet in het minste, de onverminderde hoogte van de weerkerende economische cycli – een onovertroffen serie van uitgekomen voorspellingen, waartegenover de moderne economische theorie met al zijn verfijningen weinig tegenover kan plaatsen.’ (Leontief, op.cit. p. 94.)
[17] Een klassiek voorbeeld van een dergelijke doorgeschoten vereenvoudiging is gegeven door Paul Samuelson. Hij herleidt de bewegingswetten van de kapitalistische productiewijze tot twee (!): ‘de verdere verarming van de arbeidersklasse’ en de ‘groeiende monopolisering in het kapitalisme’, en besluit wat het eerste betreft dat het ‘nooit plaats vond’, en verklaarde wat het tweede betreft dat ‘Marx gedurende dertig jaar gelijk scheen te hebben met zijn voorspelling, alhoewel hij voor de volgende zeventig jaar op basis van de meest zorgvuldige onderzoeken over de industriële concentratie geen gelijk krijgt’. Alles wordt daarna afgedaan met de uiteindelijke bewering dat Marx dacht dat er een ‘onvermijdelijke wet van de kapitalistische ontwikkeling’ zou bestaan ‘dat de economische cyclus slechter en slechter zou worden’ en dat dit evenmin waar was (Paul A. Samuelson, ‘Marxian Economics as Economics’, American Economic Review, Vol. 57 (1967), pp. 622-3).
[18] Karl K. Popper, ‘Predictions and Prophecy in the Social Sciences’, in Conjectures and Refutations – The Growth of Scientific Knowledge, London, 1963, p. 339.
[19] Popper, The Open Society and its Enemies, Vol. 2, het volledige Hoofdstuk 23, speciaal p. 210.
[20] Lenin, op.cit. p. 319; ‘Al deze momenten (stappen, stages, processen) van kennis bewegen in de richting van het subject naar het object, worden in de praktijk getest en komen zo dichter bij de waarheid ...’
[21] Een plezante zijdelingse opmerking bij deze schijnbaar absurde hypothese van ‘andere’ denkbare bewegingswetten wordt verschaft door Vilfredo Pareto’s ‘kritiek’ op Marx’ waardeleer. Met de bedoeling te bewijzen dat Marx een petitio principis gebruikte voor de arbeidswaardeleer, stelde Pareto dat we evengoed kunnen aannemen dat een naaister haar machine in dienst neemt, en haar eigen levensonderhoud, wat dan tot de conclusie zou leiden dat de machine de meerwaarde ‘geproduceerd’ heeft (‘Introduction à K. Marx Le Capital, extraits fait par P. Lafarque’ in Marxisme et économie pure, Geneva, 1966, pp. 47-8). Los van het feit dat dit voorbeeld niets van die aard ‘bewijst’, is het veelbetekenend wat dit tegenvoorbeeld impliceert: dat arbeiders hun productiemiddelen in dienst nemen en aldus eigenaar zijn van de producten van hun arbeid, en dat ze deze verkopen op de markt, en zich zo de winsten (meerwaarde) toe-eigenen die geproduceerd werden tijdens het productieproces. Het is wel duidelijk dat dit op geen enkele manier de heersende trend was in de industriële ontwikkeling van de laatste 150 jaar. Maar zelfs op het einde van de negentiende eeuw leek de vraag voor Pareto’s verstand zo ‘open’ dat hij een dergelijke hypothese kon naar voor schuiven zonder dat hij zich vragen stelde bij deze evidente absurditeit. Dit onderstreept nogmaals de diepgang van Marx’ inzicht in de werking van het kapitalisme.
[22] De twee meest accurate, wetenschappelijke uitgaves van Het Kapitaal Deel 1 zijn die van het Institute for Marxism-Leninism of the Central Committee of the SED (MEW23) en die van H. J. Lieber en Benedikt Kautsky (Stuttgart, 1962), beide geven de wijzigingen in de tekst tussen de verschillende Duitse uitgaven en de Franse uitgave geëditeerd door Marx en Engels zelf. De Lieber uitgave is wat completer omdat het ook al de veranderingen in de tekst zelf geeft. Ik heb minstens honderd textuele veranderingen geteld in de Lieber uitgave, waarvan sommige belangrijk zijn, maar er slechts enkele voldoende belangrijk om vermeld te worden in deze inleiding. [De vertaling van de Engelse vertaling uitgegeven door Penguin gebeurde op basis van MEW 23. Belangrijke verschillen tussen deze en de vroegere uitgaven in het Duits en het Frans werden weergegeven in de tekst.]
[23] Karl Marx, brief aan Engels van 2 April 1858, in Selected Corresponce, p. 104.
[24] Roman Rosdolsky, Zur Entstehungsgeschichte des Marx’schen Kapital, Frankfurt, 1968, Vol. 1, p. 78.
[25] Karl Marx, brief aan Kugelmann van 28 December 1862, MEW 30, pp. 639-40; Theories of Surplus-Value, London, 1969, Part One, p. 404.
[26] Rosa Luxemburg, The Accumulation of Capital, London, 1956, pp. 329-47; Rosdolsky, op.cit., Vol. 1, pp. 86-97.
[27] Joan Robinson, An Essay on Marxian Economics, London, 1949, pp. viii-ix.
[28] Karl Marx, Capital, Vol 3, pp. 232, 392, etc.: Rosdolsky, op. Cit. Vol. 1, p. 76.
[29] Volgens Maximilien Rubel, werden de manuscripten voor Het Kapitaal, Deel 2 geschreven tussen 1865 en 1870, uitgezonderd een nieuwe versie van de eerste vier hoofdstukken geschreven in 1877 en een kort manuscript van 1879; de manuscripten voor Deel 3 dateren van 1861-3 en 1865-70 (Bibliographie des oeuvres de Karl Marx, Paris, 1956, p. 22). We mogen daarom aannemen dat, met uitzondering van de korte stukken veranderd in 1877 en 1879, de manuscripten die gebruikt werden voor de uitgave van Deel 2 en 3 van Het Kapitaal van vroegere datum zijn dan de uiteindelijke versie van Deel 1. (Zie ook Engels’ inleiding voor Deel 2, MEW 24, pp. 8-13).
[30] Karl Marx, Capital, Vol. 3, pp. 174-5; Friedrich Engels, ‘Law of Value and Rate of Profit’, ibid. (appendix Capital, Vol. 3).
[31] Friedrich Engels’ recensie van Marx’ A Contribution to the Critique of Political Economy. Zie appendix van dat volume, London, 1971, p. 225.
[32] De Pelican Marx Library uitgave van de Grundrisse bevat een ernstige en jammerlijke vertaalfout. Marx’ concept van Verwertung (valorisering, toe-eigeningsproces van waarde) werd overal vertaald als ‘realization of capital’. Marx gebruikt het concept ‘realization’ algemeen enkel met betrekking tot de realisatie van de waarde van de waren (natuurlijk deze die meerwaarde bevatten). Maar het probleem vindt haar oorsprong in de circulatiesfeer van waren en kapitaal, terwijl het probleem van de valorisatie van kapitaal (het probleem van de meerwaarde of winst in verhouding tot, of als een deel van, kapitaal) is een fundamenteel aspect van het kapitalistische productieproces.
[33] Zie onder andere, Kostas Axelos, Marx, penseur de la technique, Paris, 1963.
[34] Karl Marx, Grundrisse, Pelican Marx Library, pp. 325, 527-9, 707-12, etc.
[35] De ‘klassieke’ aanval van Böhm-Bawerk werd beantwoord door Hilferding (beide werden samen afgedrukt in Böhm-Bawerk, op. cit.). Andere gelijkaardige aanvallen werden gemaakt door Pareto (op. cit., pp. 40 ff.), Michael von Tugan-Baranovsky (Theoretische Grundlagen des Marxismus, Leipzich, 1905, pp. 139 ff.), en anderen. Een meer recente is die van Joan Robinson, op. cit., en is beantwoord door Rosdolsky, op. cit., Vol. 2, pp. 626-40.
[36] Böhm-Bawerk, op. Cit., pp. 29-30; Samuelson, op. cit., p. 620; Tugan-Baranovsky, op. cit., p. 141.
[37] Böhm-Bawerk, op. cit., pp. 65-80; Joseph Schumpeter, Capitalism, Socialism and Democracy, London, 1962, pp. 23-4.
[38] Zie A Contribution to the Critique of Political Economy, p. 62.
[39] Steeds weer werd kreeg de marxistische arbeidswaardeleer het verwijt dat ze ‘aanneemt’ dat arbeid de enige schaarse productiefactor is en dat ze veronderstelt dat grond en machines overvloedig aanwezig zijn of dat ze gewoon weggelaten mogen worden in de analyse van de waarde. Marx was waarschijnlijk de eerste econoom om het vast kapitaal een centrale plaats te geven in het productieproces, tegenover bijvoorbeeld Böhm-Bawerk (op. cit., p. 93). Marx neemt aan dat machines niet op zichzelf kunnen bevelen dat delen van de totale hoeveelheid arbeidskracht in de maatschappij bijkomend kunnen aangewend of verschoven worden van de ene productiesector naar de andere – een stelling die eerder evident is, al werd ze wetenschappelijk bewezen door Marx. Het probleem is opgelost, zodra men begrijpt dat voor Marx, waarde in laatste instantie een toewijzing van delen van de maatschappelijke beschikbare arbeidskracht is, daar de totale nieuw geproduceerde waarde gelijk is aan de totale waarde van levende arbeid in een gegeven periode. Men zou trouwens moeten begrijpen dat terwijl Marx verder ging dan de klassieke economie, hij de waarde van het jaarlijkse product niet ontbond in lonen en meerwaarde (winsten, renten en interesten), maar de waarde van de grondstoffen en machinerie verbruikt in het productieproces er aan toevoegde. Zijn enige punt was dat het deel van de waarde van het jaarlijkse product niet toenam tijdens het productieproces maar enkel in stand werd gehouden, omdat levende arbeid de enige bron van nieuwe waarde.
[40] Friedrich Engels’ toevoeging in Capital, Vol 3, pp. 74-6.
[41] We verwijzen hier naar de grootschalige toe-eigening van land door de blanke kolonisten en de koloniale bedrijven, die de Afrikanen samen brachten in ‘reserves’, het afdwingen van taksen in geld bij voornamelijk niet-monetaire economieën, die de Afrikanen verplichtten om hun arbeidskracht te verkopen om voldoende geld te hebben om de taksen te betalen, de installatie van grootschalige geldboetes, en zelfs rechtstreekse geforceerde arbeidsstraffen voor ontelbare overtredingen van wetten die speciaal ontworpen waren om de kolonisten van arbeidskracht te voorzien, enz., enz.
[42] Natuurlijk ‘transformeerde’ Marx de mensen niet in ‘waren’ zoals zovele van zijn ‘kritische’ opponenten hem verweten. Hij merkte op dat het kapitalisme een dergelijke transformatie had bewerkstelligd en veroordeelde daarom het kapitalisme. Popper betoogt duidelijk dat ‘de waardeleer [van Marx] ... menselijke arbeid als fundamenteel verschillend beschouwt van alle andere processen in de natuur, zoals bijvoorbeeld de arbeid van dieren. Dit toont duidelijk dat de theorie uiteindelijk steunt op een morele theorie, de leer dat menselijk leed en mensenleven dingen [!] zijn die fundamenteel verschillend zijn van alle natuurlijke processen … Ik ontken niet dat die theorie op moreel vlak terecht is … Maar ik denk wel dat een economische analyse niet gesteund mag zijn op een morele of metafysische of religieuze doctrine waar de bezitter zich niet van bewust is. (The Open Society, Vol. 2, p. 329). Op de eerste plaats was Marx zich absoluut wel bewust van het verschil tussen menselijke arbeid en de inspanningen van dieren zoals mieren; hij heeft het er over in het eerste hoofdstuk van Het Kapitaal, Deel 1. Op de tweede plaats is er niets metafysisch in het feit dat als mensen zich engageren in wederzijdse maatschappelijke relaties om in hun levensonderhoud te voorzien, zodat ze menselijke arbeid, de basis van deze maatschappelijke organisatie, zeker zullen bekijken als iets wat erg verschillend is van natuurlijke processen, vruchtbaarheid van de grond of van vee, etc. Er is niets metafysisch aan het verschil, vanuit het gezichtspunt van de mens, tussen chemische processen in bomen en tussen de noodzakelijke schikkingen om de totale voor de maatschappij beschikbare arbeidstijd te verdelen tussen de verschillende menselijke activiteiten. Tweeduizend jaar geleden hadden de verdedigers van de slavernij de gewoonte om slaven gelijk te stellen met ‘sprekende instrumenten’, of met ‘sprekende ploeterende beesten’. We weten heel goed dat Popper slavernij niet oogluikend toelaat. Zou hij dan beweren dat deze veroordeling van de slavernij puur ‘metafysisch is of zou hij aanvaarden dat ze gesteund is op een wetenschappelijk, antropologisch verschil tussen mens en dier?
[43] Mark Blaug, ‘Technical Change and Marxian Economics’, Kyklos Vol. 3, 1960, vermeld in Horowitz, op. cit. p. 227.
[44] ‘Das Beste an meinem Buch ist 1. (darauf beruht alles Verständnis der facts) der gleich im ersten Kapital hervorgehobne Doppelcharakter der Arbeit, jenach dem sie sich in Gebrauchswert oder Tauschwert ausdrückt; 2. die Behandlung des Mehrwerts unabhängig von seinen besondren Formen als Profit, Zins,grundrente etc. Namentlich in 2. Band wird dies sich zeigen’ (Marx, brief aan Engels op 24 augustus 1868, MEW 31, p. 326).
[45] Popper (The Open Society, Vol. 2, p. 160) beweert dat Marx de algemene categorie van meerwaarde absoluut niet ontdekte, maar ze van Ricardo erfde. Hij vermeldt in dat verband Engels’ inleiding van Deel 2 van Het Kapitaal. Engels zegt niets in die richting. Hij stelt, zoals elke student van economische doctrines weet, dat een lange rij economen, van Adam Smith en de fysiocraten tot Ricardo en de postricardiaanse antikapitalisten van de jaren achttientwintig en -dertig in Brittannië, de winsten en de renten bekeken als een aftrek van de producten van de ‘productieve arbeid’. Maar enkel Marx slaagde erin om te tonen welk soort arbeid meerarbeid produceert en wat de reële inhoud van het proces van de meerwaardeproductie is, onafhankelijk van zijn specifieke vormen, en slaagde er in om dit proces te verklaren.
[46] Samuelson die Böhm-Bawerk volgt, leidt die ‘productiviteit van het kapitaal’ af van het feit dat ‘je niet meer toekomstig consumptieproduct kan hebben door het gebruik van indirecte en onnauwkeurige methodes’ (Economics, an Introductory Analysis, New York, 4th edition, pp. 576-7). In de uitleg die volgt ontstaat de ‘toename’ wel uit het feit dat de ‘bestaande consumptie opgeofferd’ wordt voor de productie van ‘intermediaire goederen’. Maar het zijn de mensen die consumptie achterwege laten (we laten in het midden welke mensen echt gedwongen worden tot onthouding). Mensen produceren intermediaire goederen. Mensen laten de productiviteit van hun arbeid stijgen. Hoe al deze menselijke handelingen opeens opborrelen uit de ‘intermediaire goederen’ (‘productiviteit van het kapitaal’ genoemd) is een een geheim mysterie dat Samuelson niet oplost.
[47] De enige kwaliteit die machines ‘in en uit zichzelf’ hebben, is het verhogen van de arbeidsproductiviteit en dus het verlagen van de waarde van de waren – niet om waarde te ‘creëren’.
[48] A. Alchan en H. Demsetz, ‘Production, Information Costs and Economic Organisation’, American Economic Review, 1972.
[49] Joseph Schumpeter, History of Economic Analysis, New York, 1954, pp. 558-9.
[50] Schumpeter, Capitalism, Socialism and Democracy, pp. 15-18.
[51] Bijvoorbeeld, MacCord Wright, Capitalism, New York, 1951, p. 135. In de ‘Results of the Immediate Process of Production’ [de niet in het Nederlands vertaalde appendix*] toont Marx hoe het mystificerende kapitalisme de stijgingen in de maatschappelijke arbeidsproductiviteit voorstelt, door maatschappelijke ontwikkelingen zoals wetenschappelijke vooruitgang, samenwerking van veel arbeiders, enz. als het resultaat van de ‘productiviteit van het kapitaal’.
[52] Over dit aspect van de ontwikkeling van de huisindustrie en de eerste manufacturen in de vijftiende en zestiende eeuw, zie onder andere, N. W. Posthumus, De Geschiedenis van de Leidsche Lakenindustrie, ’s-Gravenhage, 1908.
[53] Zie p. 165*. In een noot van Engels in de vierde Duitse uitgaven van Het Kapitaal Deel 1 (zie p. 138*) maakt hij de opmerking dat er in het Engels twee verschillende woorden bestaan of de twee verschillende aspecten van arbeid uit te drukken: use-value-producing labour wordt work genoemd, exchange-value-producing labour, die enkel kwantitatief gemeten wordt, wordt labour genoemd.
[54] John Kenneth Galbraith, The New Industrial State, New York, 1967, Chapter 18.
[55] ibid., Chapter 10.
[56] Joan Robinson, The Accumulation of Capital, London, 1956; Piero Sraffa, Production of Commodities by Means of Commodities, Cambridge 1960.
[57] Maurice Dobb, ‘The Sraffa System and the Critique of the Neo-Classical Theory of Distribution’, herdrukt in E. K. Hunt and Jesse G. Schwartz (ed.), A Critique of Economic Theory, Harmondsworth, 1972, p. 207. Men moet echter opmerken, als we het schumpeteriaanse jargon hanteren, dat Dobb dus enkel het gebruik van arbeid als een numéraire (dus een rekeneenheid) rechtvaardigt op een typisch neoricardiaanse manier, en niet op basis van de marxistische arbeidswaardeleer.
[58] Karl Marx, Het Kapitaal, Deel 3, p. 254*.
[59] Men zou kunnen zeggen dat dit overeenkomt met het grensgeval van stagnatie in een gegeven fase van de economische cyclus.
[60] Zelfs Schumpeter verdedigde grotendeels die ‘onhoudings’-theorie van de winst, alhoewel ze een minder vulgair karakter kreeg dan bij Senior. ‘De kapitalist … ruilt een fonds tegenover een flow. De ‘onthouding’ waarvoor … hij betaald wordt gaat in het accumulatiefonds. Zelfs in de gevallen waar dit fysich mogelijk zou zijn, is er geen bijkomende betaling voor het niet consumeren’ (History of Economic Analysis, p. 661). Zie ook Capitalism, Socialism and Democracy, p. 16.
[61] Karl Marx, ‘Wages, Price and Profit’, in Selected Works in one volume, London, 1970, pp. 220-21.
[62] Zie onder andere: Samir Amin, L’Accumulation à l’échelle mondiale, Paris, 1970; Arghiri Emmanuel, Unequal Exchange (met een discussie met Charles Bettelheim), London, 1972; Christian Palloix, L’Economie mondiale capitaliste, Paris, 1971; en de discussie van deze boeken door Ernest Mandel in Late Capitalism, London, 1975. Het is bovendien de moeite waard om te noteren dat W. Arthus Lewis in zijn ‘Development with Unlimited Supplies of Labour’ (Manchester School of Economic and Social Studies, Vol. XXII, May 1954), tracht aan te tonen dat een stapsgewijze kapitaalaccumulatie een groot industrieel reserveleger nodig heeft; maar hij beperkt dit geval exclusief tot de initiële industrialisering en hij aanvaardt Marx’ aanname niet van een permanente heropbouw van het reserveleger door het mechaniseringsproces.
[63] Het meest extreme geval is dat van de ‘globalisering van de kosten’ in de kosten-winsten analyse, waarbij ziekte en dood op een gelijkaardige manier verrekend worden in de vorm van monetaire kosten.
[64] Lenin merkt op dat er met de ontwikkeling van de kapitalistische industrie een progressieve toename is van de behoeften van de arbeiders (‘On the So-Called market Question’, in Collected Works, Vol. 1, pp. 106-7). Zie ook Marx: ‘Hier kan terloops evenzeer vermeld worden dat de relatieve beperking op het vlak van de arbeidersconsumptie (die enkel kwantitatief is en niet kwalitatief, of eerder enkel kwalitatief door middel van het kwantitatieve) aan hen als consumenten … een totaal verschillend belang geeft als agenten van de productie dan dat ze bijvoorbeeld hadden in de Oudheid of in de Middeleeuwen, of dat ze nu hebben in Azië’ (Grundrisse, Pelican Marx Library, p. 283). Ook ibid., pp. 186-7, 409.
[65] Karl Marx, ‘Wages, Price and Profit’, Selected Works in one volume, p. 223; Capital, Vol. 1, Chapter 22 (zie pp. 702-5*). De meest duidelijke uitspraak is te vinden in Theories of Surplus-Value, Part II, pp. 16-17: ‘Hoe productiever een land op de wereldmarkt is ten opzichte van een ander land, des te hoger zijn er de lonen, vergeleken met het andere land.’
[66] We hebben opgemerkt dat de waarde van de arbeidskracht een objectieve categorie is. Dit houdt onder andere in dat een belangrijke stijging van de intensiteit van het arbeidsproces tot een stijging van de waarde van de arbeidskracht leidt, als al de rest onveranderd blijft. Een hoger verbruik van arbeidskracht impliceert de nood aan een hogere consumptie, bijvoorbeeld, voedsel met een hogere calorische waarde, om de uitholling van de arbeidscapaciteit te vermijden. Rosdolsky (op. cit., Vol. 1, p. 331). vraagt in dit verband aandacht voor het verschil dat Otto Bauer ziet tussen ‘fysiologische noden’ die voortkomen uit het simpele levensproces van de arbeider, en de noden die voortvloeien uit het arbeidsproces. De tweede groeit in vergelijking met de eerste progressief met de stijgende intensiteit van het werk in kapitalisme.
[67] Zie onder andere: Pareto,op. cit., p. 63; Ludwig von Mises, Le Socialisme, Paris, 1938, p. 438; Schumpeter, Capitalism, Socialism and Democracy, pp. 34-8; Karl Popper, The Open Society, Vol. 2, pp. 155-8; W. Arthur Lewis, Theory of Economic Growth, London, 1955, p. 295; Eric Roll, A History of Economic Thought (2nd edition), London, 1954, pp. 284-293, etc. Twee auteurs die niettegenstaande ze Marx nauwkeurig bestudeerd hebben en zich marxist noemen, herhalen niettemin dezelfde verkeerde opvatting: John Strachey in Contemporary Capitalism, London, 1956, pp. 101-8 en Fritz Sternberg in Der Imperialismus, Berlin, 1962, pp. 57-60. Objectiever is Paul. M. Sweezy’s bespreking in The Theory of Capitalist Development, Oxford, 1943, pp. 87-92, en J. Steindl’s in Maturity and Stagnation in the American Economy, Chapter 14, Oxford, 1952.
[68] ‘Manifesto of the Communist Party’, The Revolutions of 1848, Pelican Marx Library, 1973, pp. 74-5, 78.
[69] Capital, Vol. 1, Chapter 17 (p. 659) bevat wat dit betreft de sleutelformule: ‘Op deze wijze zou de prijs van de arbeidskracht bij een gestegen arbeidsproductiviteit voortdurend kunnen dalen, terwijl tevens de hoeveelheid bestaansmiddelen van de arbeider voortdurend zou toenemen’ (onze benadrukking). Op dezelfde manier in een bekende passage op het einde van ‘Wages, Price and Profit’ zegt Marx dat: ’ … dus is de algemene tendens van de kapitalistische productie niet om te stijgen maar om de gemiddelde standaard van de lonen te verminderen, of om de waarde van de arbeid tot het minimum te beperken’ (Selected Works in one volume, p. 225) en hij voegt eraan toe dat inspanningen om de lonen te verhogen in 99 gevallen van de 100 enkel trachten de waarde van de arbeidskracht op peil te houden. Het volledige argument is van toepassing op de waarde van de arbeidskracht, niet op de reële lonen.
[70] Zie Chapter 25, Section 4, pp. 797-8, 799*. [Vertaling Lipschits, Hoofdstuk 23]
[71] Zie bijvoorbeeld, Michael Harrington’s klassieke The Other America, Harmondsworth, 1963, en de gelijkaardige Britse studie van Brian Abel Smith en Peter Townsend, The Poor and the Poorest, London 1963, die schat dat 14 percent van de Britse bevolking (7miljoen mensen!) twintig jaar na de oprichting van de welvaartsstaat in of net niet in armoede leven! Een van Marx’ belangrijkste ontdekkingen, essentieel voor zijn economische theorie, bestaat erin dat hij aantoonde dat die armoede berust op een systeem van loonarbeid, en dat geen enkele permanente uitschakeling daarvan mogelijk is (i.e. een gegarandeerde levensstandaard voor alle mensen, onafhankelijk van hoeveel ze werken of als ze sowieso werken), zonder de economische dwang om de arbeidskracht van de proletariër te verkopen, tegen te werken.
[72] Zie p. 799*.
[73] Bijvoorbeeld Böhm-Bawerk, op. cit., pp. 80-85; Pareto, op. cit., pp. 52-53; Schumpeter, Capitalism, Socialism and Democracy, p. 24, enz. Een interessante discussie over dit probleem werd onlangs gepubliceerd door Bob Rowthorn, ‘Skilled Labour in the Marxist System’, in Bulletin of the Conference of Socialist Economists, Spring 1974.
[74] Die oplossing werd voor het eerst naar voor geschoven door Hilferding in zijn antwoord op Böhm-Bawerk (op. dit. pp. 136-46), daarna meer expliciet uitgewerkt door Otto Bauer (‘Qualifizierte Arbeit und Kapitalismus’, in Die Neue Zeit, 1905-6, N°. 20). Deutsch verschilt van Hilferding omdat volgens Hilferding enkel de productiekost van de vaardigheid (de arbeid van de leraar, enz.) zich optelt bij de waarde van de geschoolde arbeidskracht, terwijl voor Deutsch de leertijd zelf van de leerling (of student) opgeteld moet worden bij die kosten. Bauer steunt Deutsch’s opvatting dat de ‘arbeid’ van de leerling (student) bijkomende waarde creëert en opgenomen wordt in het proces van de waardeproductie van de geschoolde arbeider, maar in tegenstelling tot Deutsch (en samen met Hilferding) beweert hij dat die waarde de meerwaarde geproduceerd door de geschoolde arbeider doet stijgen, niet de waarde van zijn eigen arbeidskracht. Zie wat deze controverse betreft ook Rubin, op. cit. pp. 159-71, en Rosdolsky, op. cit. Vol 2, pp. 597-614.
[75] Rubin, op. cit., pp. 165-6.
[76] Karl Marx, A Contribution to the Critique of Political Economy, pp. 170-79.
[77] Zie Marx’ voetnoot bij het begin van Hoofdstuk 3 – Geld (p. 188*): ‘De vraag waarom het geld niet direct de arbeidstijd zelf vertegenwoordigt, zodat bijvoorbeeld een biljet x arbeidsuren voorstelt, komt heel eenvoudig neer op de vraag, waarom op basis van de warenproductie de arbeidsproducten de vorm moeten aannemen van waren, want de vorm van de waar impliceert de differentiatie in waar en geldwaar. Of waarom de individuele arbeid niet als zijn tegendeel, als de direct maatschappelijke arbeid behandeld kan worden.’
[78] Bijvoorbeeld Hilferding’s voorstel (Das Finanzkapital, pp. 29-30) voor een categorie ‘maatschappelijk noodzakelijk circulatiewaarde’ (gesellschaftlich notwendiger Zirkulationswert), bepaald door de som van de waarden van alle waren te delen door de circulatiesnelheid van het geld. Hilferding beseft de ongerijmdheid niet om hoeveelheden waarde, i.e. de maatschappelijk noodzakelijke arbeidsquanta, te delen door de snelheid van het circulatiemiddel. Natuurlijk kunnen enkel prijzen (de monetaire uitdrukking van waarde) worden gedeeld. Waren kunnen niet in het circulatieproces komen tenzij (voorafgaandelijk) door middel van prijzen. (Zie A Contribution to the Critique of Political Economy, pp. 66-8).
[79] Dit was bijvoorbeeld het geval in Frankrijk na de militaire nederlaag door Duitsland in 1870-71, toen de betaling van de zware oorlogsschadevergoeding in goud voor het Duitse Rijk een tijdelijke opschorting van de convertibiliteit van de frank forceerde zonder dat dit enige inflationaire prijsbeweging tot gevolg had in de Derde Republiek.
[80] Uitgezonderd bij galopperende inflatie.
[81] Zie Karl Marx, Capital, Vol. 3, p 503. In de marge van de eerste uitgaven van Het Kapitaal Deel 1, voegde Marx een noot toe aan Hoofdstuk 3, die door Engels in de volgende edities in een noot overgenomen werd (p.236n*) [Vertaling Lipschits, noot 99]. Daar maakte Marx het verschil tussen monetaire crisissen als uitdrukking van algemene overproductiecrisissen, en autonome monetaire crisissen.
[82] Karl Marx, Capital, Vol. 3, Chapter 34, vooral p. 539.
[83] Karl Marx, Grundrisse, p. 165; A Contribution to the Critique of Political Economy, p. 116.
[84] Karl Marx, Grundrisse, pp. 121-35; A contribution to the Critique of Political Economy, pp. 116, 119-22, 149-53.
[85] Een ongewone uitzondering is het boek van Bruno Fritsch, Die Geld- und Kredittheorie von Karl Marx, Frankfurt, 1968, die, alhoewel erg kritisch, Marx’ verdienste erkent als de ‘eerste echte theoreticus van het krediet’. Veel zwakker was een vroeger werk van H. Block, Die Marxsche Geldtheorie, Jena, 1926.
[86] Karl Kautsky, ‘Geld, Papier und Ware’, in Die Neue Zeit, 1911-12, N°s. 24, 25.
[87] Eugen Varga, ‘Goldproduktion und Teuerung’, in Die Neue Zeit, 1911-12, I, N°. 7, en 1912-13, I, N°. 16; Rudolf Hilferding, ‘Geld und Ware’, ibid., 1911-12, I, N°. 22; Karl Kautsky, ‘Die Wandlungen der Goldproduktion und der wechselnde Charakter der Teuerung’, Erganzungschaft N°. 16, Die Neue Zeit, 1912-13; Otto Bauer, ‘Goldproduktion und Teuerung’, Die Neue Zeit, 1912-13, II, N°s. 1 en 2. Die discussie werd verder gezet in 1923 tussen Varga en E. Ludwig, in het theoretische orgaan van de KPD, Die Internationale.
[88] Het duidelijkste voorbeeld is dat van Popper, The Open Society and its Enemies, Vol. 2. Zie ook, door dezelfde auteur, Conjectures and Refutations, pp. 336-46, hoger vermeld.
[89] Voor Bernstein’s in vraag stellen van de instortingstheorie, zie bijvoorbeeld, op. cit. pp. 113-28. Voor een erg mild antwoord zie Heinrich Cunow, ‘Zur Zusammenbruchstheorie’, in Die Neue Zeit, 1898-9, I, pp. 424-30. In Das Finanzkapitaal voorzag Hilferding al de theoretische mogelijkheid van een ‘georganiseerd’ kapitalisme zonder crisissen, door de handelingen van een ‘algemeen kartel’ (op. cit., p. 372).
[90] Zie bijvoorbeeld Tugan-Baranovsky, op. cit., pp. 236-9; Schumpeter, Capitalism, Socialism and Democracy, p. 42; Popper, The Open Society and its Enemies, Vol. 2, p. 155 et al.; C.A.R. Crosland, The Future of Socialism, London, 1956, pp. 3-5, etc. Een interessante en uitgebreide anthologie van teksten over de Zusammenbruchstheorie werd gepubliceerd in Italië door Lucio Colletti en Claudio Napoleoni, Il futuro des capitalismo – crollo o sviluppo?, Bari, 1970.
[91] Het is onmogelijk om alle belangrijke schrijvers op te sommen die dit soort analyse uitgewerkt hebben. Het is voldoende om de belangrijkste trends weer te geven: de ‘Managers revolutie’ van James Burnham; de ‘gemengde economie’ van de sociaaldemocraten en van Samulson (zie Crosland, op. cit., pp. 29-35); het ‘Managers kapitalisme’ van Robin Morris; de ‘techno-structuur’ van Galbraith (The New Industrial State) die misschien zonder te weten de analyse volgt van de Duitse sociaaldemocraat Richard Loewenthal (auteursnaam Paul Sering) in Jenseits des Kapitalismus, Nuremberg, 1946.
[92] Een kenmerkende uitspraak van Popper: ‘Hoe absurd het niet is om het economische systeem van de moderne democratieën te vergelijken met het systeem dat Marx ‘kapitalisme’ noemde, wordt onmiddellijk duidelijk als we het vergelijken met het tienpuntenprogramma van de communistische revolutie’ (in Het Communistisch Manifest van 1848) (The Open Society and its Enemies, Vol. 2, p. 129).
[93] Zie bijvoorbeeld de reactie van geleerden zoals Barry Commoner (The Closing Cycle, London, 1972) op de ecologische crisis.
[94] Zie bijvoorbeeld op het einde van Marx’ merkwaardige brief aan Friedrich Bolte van 23 november 1871 (Selected Correspondence, pp. 269-71) waarin hij de noodzaak uitlegt voor een voorafgaande organisatie van de arbeidersklasse om de strijd voor politieke macht aan te gaan met de burgerij, en het feit dat zonder een dergelijke systematische opvoeding door propaganda, agitatie en actie, de werkende klasse gevangen blijft in de burgerlijke politiek.
[95] Rosa Luxemburg synthetiseerde reeds in 1899 schitterend de tegengestelde trends: ‘De productieverhoudingen van de kapitalistische maatschappij naderen meer en meer de productieverhoudingen van de socialistische maatschappij. Maar aan de andere kant werpen de politieke en juridische verhoudingen [en we kunnen hier ook hun ideologische afspiegelingen in de geesten van de mensen aan toevoegen] een steeds hogere muur op tussen de kapitalistische maatschappij en de socialistische maatschappij’ (‘Reform or Revolution’, in Mary Alice Waters (ed.), Rosa Luxemburg Speaks, New York, 1970, p. 57).
[96] Ik kom op dit onderwerp, meer specifiek de relatie tussen de instortingscontroverse en de tendens van de gemiddelde winstvoet om te dalen, terug in de inleiding van Het Kapitaal, Deel 3.

[*] Noot vertaler: de appendix werd niet vertaald door Dr. I. Lipschits. In de Engelse vertaling van Penguin Books uit 1976 zijn dit de bladzijden 943-1084, met een afzonderlijke korte inleiding van Ernest Mandel. Als verwezen wordt naar welbepaalde bladzijden uit Marx’ Capital dan wordt diezelfde Engelse vertaling bedoeld.