Karl Marx
Het Kapitaal, boek 3
Hoofdstuk 25


Krediet en schijnkapitaal

Een grondige analyse van het kredietwezen en de instrumenten die het creëert (kredietgeld enz.), ligt buiten onze opzet. Er zijn slechts enkele punten te benadrukken, noodzakelijk om de kapitalistische productiewijze te karakteriseren. We hebben alleen te maken met het commerciële krediet en het bankkrediet. Het verband tussen de ontwikkeling van deze kredietvorm en die van het publieke krediet wordt niet geanalyseerd.

Eerder (boek 1, hoofdstuk 3, 3 b) heb ik getoond hoe uit de eenvoudige warencirculatie de geldfunctie als betaalmiddel ontstaat en dus een verhouding van schuldeiser en schuldenaar tussen de warenproducent en warenhandelaar. Met de groei van de handel en de kapitalistische productiewijze, die alleen met het oog op circulatie produceert, wordt deze natuurlijke basis van het kredietsysteem uitgebreid, veralgemeend, en uitgewerkt. In grote lijnen fungeert het geld hier alleen als betaalmiddel, d.w.z. de waar wordt niet verkocht tegen geld, maar tegen een schriftelijke belofte van betaling op een bepaalde datum. Kortweg, kunnen we al deze promesses onderbrengen in de algemene categorie van wissels. Tot hun verval- en betaaldag circuleren zulke wissels zelf weer als betaalmiddel en vormen zij het eigenlijke handelsgeld. Voor zover ze uiteindelijk door vereffening van vordering en schuld zich opheffen, fungeren ze absoluut als geld, terwijl er geen transformatie in geld is gebeurd. Zoals deze wederzijdse voorschotten van producenten en handelaren onder elkaar het werkelijke fundament van het krediet is, zo vormt het circulatie-instrument, de wissel, de basis van het eigenlijke kredietgeld, de bankbiljetten, etc. Deze zijn niet gebaseerd op de geldcirculatie, zij het metaalgeld of staatspapier, maar op de wisselcirculatie.

W. Leatham (bankier in Yorkshire), Letters on the Currency, 2nd edit., London 1840:

“Ik stel vast dat het totale bedrag van de wissels voor het hele jaar 1839 £528.493.842 was” (hij neemt aan dat de buitenlandse wissels ongeveer 1/7 [1e oplage: 1/5] van het totaal bedragen) “en het bedrag van in dat jaar gelijktijdig lopende wissels is £132.123.460.” (pp. 55, 56.) “De wissels zijn een onderdeel van de circulatie, in bedrag groter dan al de rest tezamen.” (pp. 3, 4.) – “Deze enorme opbouw van wissels berust (!) op het fundament gevormd door een hoeveelheid bankbiljetten en goud; en indien in de loop van het gebeuren dit fundament te zeer verengt, komt hun solvabiliteit en zelfs hun bestaan in gevaar.” (p. 8.) – “Schat men de totale circulatie” {hij bedoelt de bankbiljetten} “en het bedrag aan verplichtingen van alle banken waarvan onmiddellijke contante betaling kan worden geëist, kom ik op een som van 153 miljoen, die volgens de wet kan omgezet worden in goud, tegen maar 14 miljoen in goud om aan deze eis te voldoen.” (p. 11.) – “Controle op de wissels kan niet, tenzij men de geldovervloed en de lage rentevoet of disconto verhindert, waarbij een deel ervan dit veroorzaakt en deze grote en gevaarlijke expansie stimuleert. Het is onmogelijk te weten hoeveel daarvan afkomstig is van de echte transacties, bv. van het werkelijke kopen en verkopen, en welk deel kunstmatig (fictitious) is en alleen uit ruiterwissels bestaat, d.w.z. waarbij een wissel getrokken wordt om een lopende vóór het vervallen te ontvangen en zo door het maken van een circulatiemiddel gefingeerd kapitaal te creëren. In tijden van overvloedig en goedkoop geld weet ik dat dit zeer veel gebeurd.” (pp. 43, 44.)

J.W. Bosanquet, Metallic, Paper, and Credit Currency, London 1842:

“Het gemiddelde bedrag op elke werkdag in het Clearing House” {waar Londense bankiers onderling cheques overschrijven en vervallende wissels ruilen} “uitgevoerde betalingen is meer dan £3 miljoen, de daartoe benodigde dagelijkse geldhoeveelheid is iets meer dan £200.000” (p. 86.) {In 1889 was de totale omzet van het Clearing House £7.6181/4 miljoen of rond de 300 werkdagen, gemiddeld 251/2 miljoen per dag. – F.E.} “Wissels zijn onbetwistbaar een circulatiemiddel (currency), onafhankelijk van geld, voorzover zij eigendom van hand tot hand overdragen door middel van endossement.” (pp. 92, 93.) “Gemiddeld kan worden aangenomen dat elke circulerende wissel twee endossementen heeft en dat gemiddeld iedere wissel dus twee betalingen deed vóór de vervaldag. Vervolgens lijkt het erop dat alleen door endossement de wissel een eigendomsoverdracht bemiddelt ter waarde van twee keer 528 miljoen of £1.056 miljoen, meer dan 3 miljoen per dag in de loop van 1839. Het is dus zeker dat wissels en deposito’s samen door de eigendomsoverdracht van hand tot hand en zonder hulp van het geld, geldfuncties verrichten tot een dagelijks beloop van minstens £18 miljoen.” (p. 93.)

Tooke zegt het volgende over krediet in het algemeen:

“Het krediet, in zijn meest eenvoudige expressie, is het vertrouwen, goed of ongegrond, dat iemand er toe brengt een ander een bepaalde hoeveelheid kapitaal toe te vertrouwen, in geld of in waren, geschat op een bepaalde geldwaarde, dat na het verstrijken van een bepaalde periode verschuldigd is. Waar het kapitaal in geld wordt uitgeleend, dat wil zeggen, in bankbiljetten, of een kaskrediet of met een overschrijving van een correspondent, een toeslag van zo en zoveel procent op het bedrag gemaakt dat wordt terugbetaald, voor het gebruik van het kapitaal. Bij waren, waarvan de geldwaarde is vastgesteld tussen de partijen en de overdracht een verkoop vormt, sluit het vastgestelde en te betalen bedrag, een schadeloosstelling in voor het kapitaalgebruik en voor het gelopen risico tot de vervaldag. Schriftelijke betalingsverplichtingen op bepaalde vervaldagen worden meestal met zulke kredieten gegeven. En deze overdraagbare verplichtingen of promessen vormen de wijze waarop de kredietgevers, wanneer ze een toepassing voor het gebruik van hun kapitaal vinden, in geld- of warenvorm, voor de vervaldag van deze wissels, meestal in staat zijn om goedkoper te lenen of te kopen, omdat hun eigen krediet wordt versterkt door de tweede naam op de wissel.” (Inquiry into the Currency Principle, p. 87.)

Ch. Coquelin, Du Crédit et des Banques dans l’Industrie, Revue des deux Mondes, 1842, tome 31 [p. 797]:

“In elk land realiseert de meerderheid der krediettransacties zich in de kring van de industriële relaties ... de grondstoffenproducent schiet de verwerkende fabrikanten voor en ontvangt van hen een betalingspromesse op de vastgestelde vervaldag. De fabrikant, na zijn deel van de arbeid gedaan te hebben, schiet weer aan soortgelijke condities zijn product voor aan een andere fabrikant, die het verder verwerkt, en zo verspreidt het krediet zich steeds verder, van de ene naar de andere tot bij de consument. De groothandelaar geeft aan de kleinhandelaar warenvoorschotten, terwijl hij dat zelf van de fabrikanten of van de commissionair ontvangt. Iedereen leent met de ene hand en ontleent met de andere, soms geld, maar vaker producten. Zo voltrekt zich in de industriële relaties, een onophoudelijke ruil van voorschotten, die zich combineren en in alle richtingen elkaar doorkruisen. De ontwikkeling van het krediet bestaat precies in deze vermenigvuldiging en groei van wederzijdse voorschotten, en daar zit de echte macht.”

De andere zijde van het kredietwezen is verbonden met de ontwikkeling van de geldhandel, die in de kapitalistische productie natuurlijk gelijke tred houdt met de ontwikkeling van de warenhandel. We hebben in de vorige afdeling (hoofdstuk 19) gezien hoe het toezicht op het reservefonds van de zakenmensen, de technische operaties van ontvangen en uitbetalen; internationale betalingen en daarmee het edelmetaal, bij de geldhandelaar concentreert. De andere kant van het kredietwezen, het beheer van het rentegevende kapitaal of het geldkapitaal, ontwikkelt zich als bijzondere functie van de geldhandelaar. Geld lenen en uitlenen wordt hier een specifieke handel. Zij fungeren als tussenpersoon tussen de echte kredietgever en de kredietnemer van het geldkapitaal. Algemeen gesproken, bestaat het bankwezen, in deze zin, in het concentreren van grote hoeveelheden beschikbaar geldkapitaal bij de bankier, zodat in plaats van de individuele kredietgever de bankiers als representanten van alle kredietgevers tegenover de industriële en commerciële kapitalisten staan. Zij worden de algemene beheerders van het geldkapitaal. Aan de andere kant concentreren zij al de kredietnemers tegenover alle kredietgevers, door voor de gehele handelswereld geld te lenen. Een bank vertegenwoordigt de centralisatie van geldkapitaal, van kredietgevers, aan de andere kant de centralisatie van kredietnemers. De winst bestaat algemeen in het feit dat ze leent aan een lagere rente, dan dat ze uitleent.

Het beschikbare bankkapitaal voor de leningen, komt naar hen op velerlei wijzen. Allereerst concentreert zich in hun handen, omdat ze de kassiers van de industriële kapitalisten zijn, het geldkapitaal, dat elke producent en handelaar als een reservefonds heeft of dat naar hem komt als betaling. Deze fondsen worden dus veranderd in uitleenbaar geldkapitaal. Daardoor wordt het reservefonds van de handelswereld, omdat het gemeenschappelijk geconcentreerd is, beperkt tot het noodzakelijke minimum, en een deel van het geldkapitaal dat anders zou sluimeren als reservefonds, wordt uitgeleend en fungeert als rentegevend kapitaal. Ten tweede, het uitleenbaar kapitaal vormt zich uit de deposito’s van de financiële kapitalisten, die het uitlenen overlaten aan de banken. Met de ontwikkeling van het banksysteem en vooral zodra zij rente betalen op de deposito’s, wordt het spaargeld en het tijdelijk niet-actieve geld van alle klassen bij hen gedeponeerd. Kleine bedragen, elk op zich niet in staat als geldkapitaal te functioneren, versmelten tot een grote massa en vormen zo een geldmacht. Dit bijeenbrengen van kleine bedragen is een specifiek effect van het banksysteem en moet worden onderscheiden van de bemiddeling tussen de eigenlijke geldkapitalisten en de kredietnemers. Ten slotte, ook de revenuen die maar geleidelijk worden geconsumeerd, worden bij de bank gedeponeerd.

De kredietverlening (het gaat hier alleen over het eigenlijke handelskrediet) gebeurt door het disconteren van wissels – de verandering in geld vóór de vervaldag – en door voorschotten in verschillende vormen: directe voorschotten op persoonlijk krediet, onderpandvoorschotten op rentegevende papieren, staatseffecten, alle soorten van aandelen, met name ook voorschotten op vrachtbrieven, dockwarrants [ceel, bewijs van opslag] en andere geaccrediteerde bezitsclaims op waren, door in het rood te gaan bij de deposito’s, enz.

Het krediet nu, dat de bankier geeft, kan in verschillende vormen worden gegeven, bv. in wissels op andere banken, cheques op soortgelijke kredietovereenkomsten, ten slotte, bij banken met bankbiljetuitgave, de eigen bankbiljetten. Het bankbiljet is niets meer dan een wissel op de bankier, steeds betaalbaar aan toonder, door de bankier gegeven in plaats van privéwissels. De laatste kredietvorm lijkt voor de leek bijzonder frappant en belangrijk, ten eerste omdat dit type kredietgeld uit de handelscirculatie in de algemene circulatie komt en daar als geld fungeert; maar ook omdat in de meeste landen de hoofdbanken biljetten uitgeven, als een merkwaardige mengelmoes tussen een nationale bank en een private bank en in feite de nationale kredietgarantie achter zich heeft en hun biljetten min of meer wettelijk betaalmiddel zijn; omdat hier is te zien dat datgene waarin de bankier handelt, het krediet zelf is, omdat het bankbiljet een teken voorstelt voor het circulerende krediet. Maar de bankier handelt ook in alle andere kredietvormen, zelfs wanneer hij contanten voorschiet met het bij hem geplaatst geld. In feite is het bankbiljet maar de munt van de groothandel, en het is altijd het deposito dat bij de banken het belangrijkst is. Het beste bewijs leveren de Schotse banken.

Speciale kredietinstellingen, zoals specifieke bankvormen, zijn voor ons doel niet verder te analyseren.

“De bankiers hebben een dubbele taak ... 1. Kapitaal bijeenbrengen van mensen die het niet onmiddellijk gebruiken en het verdelen en overdragen aan anderen die het kunnen gebruiken. 2. Deposito’s van de inkomsten van hun klanten ontvangen en deze het bedrag te betalen, volgens hun consumptie. Het eerste is circulatie van kapitaal, het laatste circulatie van geld (currency).” – “Het ene is concentratie van kapitaal, het tweede de distributie ervan; het andere is de administratie van de circulatie voor lokaal gebruik.” – Tooke, Inquiry into the Currency Principle, pp. 36, 37.

In hoofdstuk 28 komen we erop terug.

Reports of Committees, Vol. VIII, Commercial Distress, Volume II, Part. I, 1847-48, Minutes of Evidence. – (Verder geciteerd als Commercial Distress, 1847-48.) In de jaren veertig, bij het disconteren van wissels te Londen, werden vaak wissels met een looptijd van 21 dagen, van de ene bank op de andere, aangenomen in plaats van bankbiljetten. (getuige J. Pease, provinciale bankier, nr. 4636 en 4645.) Volgens hetzelfde rapport, hadden de bankiers de gewoonte, als het geld schaars werd, zulke wissels regelmatig aan hun klanten te geven als betaling. Wou de ontvanger bankbiljetten, moest hij de wissels weer disconteren. Voor de banken was dit als het privilege om geld te maken. De heren Jones Loyd and Co. betaalden op deze wijze “sinds mensenheugenis”, zodra het geld schaars was en de rentevoet boven de 5 %. De klant was blij zulke Banker’s Bills te ontvangen, omdat de wissels van Jones Loyd & Co. gemakkelijker discontabel waren dan de eigen wissels; ook passeerden zij vaak 20 tot 30 handen. (ibidem, nr. 905 tot 902, 992.)

Al deze vormen dienen om vorderingen tot betaling te transferen.

“Er is nauwelijks een of andere vorm voor het krediet, waarin het niet bij tijden een geldfunctie heeft; als een bankbiljet, of een wissel, of een cheque; het proces is grotendeels hetzelfde en het resultaat is ook wezenlijk hetzelfde.” – Fullarton, On the Regulation of Currencies, 2nd edit., London 1845, p. 38. – “Bankbiljetten zijn het kleingeld van het krediet.” (p. 51.)

Het volgende komt uit J.W. Gilbart, The History and Principles of Banking, London 1834:

“Het kapitaal van een bank bestaat uit twee delen, geïnvesteerd kapitaal (invested capital) en bankkapitaal (banking capital), dat uitgeleend is.” (p. 117.) “Het bankkapitaal of geleend kapitaal wordt op drie manieren verkregen: 1. door het ontvangen van deposito’s; 2. door uitgifte van eigen bankbiljetten; 3. door trekking van wissels. Als iemand mij kosteloos £100 wil lenen, en ik leen deze £100 aan iemand anders tegen 4 % rente, zal ik in de loop van het jaar door deze transactie £4 verwerven. Ook als iemand mijn promesse” (I promise to pay is de gebruikelijke formule voor Engelse bankbiljetten) “aanneemt en het teruggeeft aan het einde van het jaar en mij daarvoor 4 % betaalt, alsof ik hem £100 had geleend, win ik £4 door deze transactie; en opnieuw, wanneer iemand uit een provinciestad mij £100 brengt op voorwaarde dat ik dit bedrag 21 dagen later moet betalen aan een derde persoon in Londen, zal elke rente die ik tussentijds met het geld kan maken, mijn winst zijn. Dit is een objectieve samenvatting van de bankoperaties en de methode waarop een bankkapitaal wordt gemaakt door middel van deposito’s, bankbiljetten en wissels.” (p. 117.) “De winst van een bankier staat algemeen gezien, in verhouding tot het bedrag van zijn bankkapitaal, of het geleende kapitaal. Om de werkelijke winst van een bank te bepalen, moet de rente op het geïnvesteerd kapitaal afgetrokken worden van de brutowinst. Wat overblijft is de winst.” (p. 118.) “De voorschotten van een bankier aan zijn klanten worden gemaakt met het geld van andere mensen.” (p. 146.) “Juist de bankiers, die geen bankbiljetten uitgeven, creëren een bankkapitaal door het disconteren van wissels. Hun deposito’s nemen toe door middel van hun discontotransacties. De Londense bankiers disconteren alleen voor die firma’s die een depositorekening bij hen hebben.” (p. 119.) “Een firma die wissels disconteert bij haar bank en op het volledige bedrag rente heeft betaald, moet een deel van dit bedrag bij de bank laten, zonder rente te ontvangen. Op deze manier ontvangt de bankier een hogere rentevoet op het voorgeschoten geld, dan de lopende rentevoet en creëert hij uit het saldo dat hij nog in zijn hand heeft, bankkapitaal voor zichzelf.” (p. 120)

Het economiseren van het reservefonds, deposito’s, cheques:

“De depositobanken economiseren door de transfert van tegoeden met het gebruik van het circulerende medium en transacties met grote bedragen worden uitgevoerd met een kleinere som reëel geld. Het zo vrijgekomen geld wordt door de bankier gebruikt voor voorschotten aan zijn klanten door middel van disconto’s etc. Daarom verhoogt de transfert van tegoeden de effectiviteit van het depositosysteem.” (p. 123.) “Het maakt niet uit of de twee klanten, die met elkaar handel drijven, hun rekening bij dezelfde of bij andere bankiers hebben. Want de bankiers ruilen hun cheques onder elkaar uit in het Clearing House. Via het overboeken kon zo het depositosysteem zodanig groot worden dat het het gebruik van metaalgeld volledig verdrong. Als iedereen een depositorekening bij de bank had en alle betalingen met cheques deed, dan werden deze cheques het enige circulerende medium. In dit geval zou worden aangenomen dat de bankiers het geld in handen hebben, anders hebben die cheques geen waarde.” (p. 124.)

De centralisatie van lokale transacties in handen van de banken wordt verricht 1. door filialen. De provinciale banken hebben filialen in de kleinere steden van hun regio; de Londense banken in de verschillende districten. 2. door agenturen.

“Elke provinciale bank heeft een agent in Londen, om daar hun bankpapier of wissels te betalen en geld te ontvangen, gestort door Londenaars voor rekening van de mensen die in de provincie wonen.” (p. 127.) “Elke bankier aanvaardt de papieren van de ander, maar geeft ze niet opnieuw uit. In elke grote stad komen ze wekelijks één of twee keer samen en ruilen zij de bankpapieren. Het saldo wordt betaald met een wissel op Londen.” (p. 134.) “Het doel van de banken is het vergemakkelijken van zakendoen. Alles wat het zakendoen vergemakkelijkt, vergemakkelijkt ook de speculatie. Zaken en speculatie zijn dikwijls zo nauw verbonden met elkaar, dat het moeilijk te zeggen is waar het zakendoen stopt en de speculatie begint ... Overal waar er banken zijn, is kapitaal gemakkelijk en goedkoop te krijgen. De goedkoopte van het kapitaal faciliteert de speculatie, net zoals de goedkoopte van vlees en bier vraatlust en dronkenschap begunstigt.” (pp. 137, 138.) “Aangezien de banken die eigen bankbiljetten uitgeven, daarmee steeds betalen, kan het lijken dat hun discontohandel uitsluitend gemaakt wordt met het aldus gemaakte kapitaal, maar dat is niet zo. Het is heel goed mogelijk voor een bankier alle door hem gedisconteerde wissels met eigen biljetten te betalen en toch kunnen slechts 9/10 van de wissels in zijn bezit echt kapitaal vertegenwoordigen. Want al heeft hij voor deze wissels zijn eigen bankbiljetten gegeven, moeten die niet in circulatie blijven tot de wissels vervallen. De looptijd van de wissels kan drie maanden zijn, de bankbiljetten kunnen in drie dagen terugkomen.” (p. 172.) “Het overschrijden van de rekening door de klanten is een geregelde handelspraktijk. In feite is dit het doel waarvoor een krediet wordt gegarandeerd ... Kredieten worden niet alleen gegarandeerd door een persoonlijke waarborg, maar ook door het deponeren van waardepapieren.” (pp. 174, 175.) “Kapitaal voorgeschoten op borg van waren, heeft hetzelfde effect indien het is voorgeschoten in het disconteren van wissels. Als iemand £100 waarborgt met zijn producten, dan is dat hetzelfde als wanneer hij het voor een wissel van £100 verkoopt en deze bij de bankier disconteert. Het voorschot echter stelt hem in staat zijn waren bij te houden tot er een betere marktsituatie is en zo het offer te vermijden dat hij anders moet maken om geld te hebben voor dringende zaken.” (pp. 180, 181.)

The Currency Theory Reviewed etc., pp. 62, 63:

“Het is onbetwisbaar dat de £1.000 die ik vandaag bij A stort, morgen uitgegeven wordt en een deposito bij B vormt. Overmorgen kan B het weer opnieuw uitgegeven en een deposito bij C vormen, en zo tot in het oneindige. Diezelfde £1000 in geld kan zich dus door een reeks transfers vermeerderen tot een absoluut ondefinieerbare som deposito’s. Het is daarom mogelijk dat negentiende van alle deposito’s in Engeland helemaal niet bestaan, tenzij in de boeken van de bankiers, die elk voor hun deel instaan ... Dus ook in Schotland, waar het circulerende geld” {bovendien bijna alleen papiergeld!} “nooit meer dan £3 miljoen is en de deposito’s 27 miljoen bedragen. Zolang er niet een algemene, plotselinge uitbetaling van de deposito’s is (a run on the banks), kan diezelfde £1000, teruggaande, met het zelfde gemak net zo een niet te definiëren som vereffenen. Daar met diezelfde £1.000 waarmee ik vandaag mijn schuld vereffen bij een zakenman, hij morgen zijn schuld kan vereffenen bij een andere handelaar en overmorgen deze bij de bank zijn schuld vereffenen, en zo tot in het oneindige; kan diezelfde £1.000 van hand tot hand en van bank tot bank gaan en elke denkbare som van deposito’s vereffenen.”

{We hebben gezien dat Gilbart in 1834 al wist:

“Alles wat het zakendoen vergemakkelijkt, vergemakkelijkt ook de speculatie. Zaken en speculatie zijn dikwijls zo nauw verbonden met elkaar, dat het moeilijk te zeggen is waar het zakendoen stopt en de speculatie begint.”

Hoe groter het gemak waarmee voorschotten op onverkochte waren zijn te krijgen, des te meer worden zulke voorschotten opgenomen, des te groter is de verleiding om waren te fabriceren of al gemaakte waren naar verre markten te exporteren, om er in eerste instantie voorschotten op te krijgen. In welke mate de hele zakenwereld van een land in de greep kan komen van zulk een zwendel en waar dat stopt, daarvan geeft de Engelse handelsgeschiedenis van 1845-1847 een treffend voorbeeld. Hier zien we wat krediet kan aanrichten. Als toelichting bij het volgende voorbeeld, vooraf enkele korte opmerkingen.

Eind 1842 begon de depressie te wijken, die vrijwel constant sinds 1837 de Engelse industrie had bezwaard. In de twee volgende jaren nam de buitenlandse vraag naar Engelse industrieproducten nog toe; 1845-46 was de periode met de grootste voorspoed. In 1843 had de opiumoorlog China geopend voor de Engelse handel. De nieuwe markt bood een nieuwe smoes tot de al in volle gang zijnde expansie, met name de katoenindustrie. “Hoe kunnen we ooit teveel produceren? We hebben 300 miljoen mensen te kleden”, zei een fabrikant te Manchester tegen deze schrijver. Maar al de nieuw gebouwde fabrieken, stoom- en spinmachines en weefgetouwen waren niet voldoende om de massa binnenstromende meerwaarde van Lancashire te absorberen. Met dezelfde passie waarmee men de productie verhoogde wierp men zich op de spoorwegbouw; hier vond de speculatiedrift van fabrikanten en handelaars voor het eerst bevrediging, al in de zomer van 1844. Men tekenende in op aandelen, zoveel men kon, d.w.z. voor zover er geld was voor de eerste betalingen; voor de rest zal de tijd wel raad brengen! Maar wanneer verdere betalingen verschuldigd waren – volgens vraag 1059, C.D. 1848-1857, bedroeg het in 1846-47 in spoorwegen geïnvesteerde kapitaal £75 miljoen – moest men op het krediet beroep doen en moesten de echte ondernemingsactiviteiten ook nog veelal bloeden.

En deze ondernemingsactiviteiten waren in de meeste gevallen al overbelast. De verleidelijke hoge winsten hadden tot veel geëxpandeerde operaties verleid, niet gerechtvaardigd door de disponibele liquide middelen. Maar het krediet was er en bovendien gemakkelijk en goedkoop te krijgen. Het bankdisconto stond laag: in 1844 13/4-23/4 %, in 1845 tot oktober onder de 3 %, dan in een korte tijd stijgend tot 5 % (febr. 1846), weer dalend tot 31/4 % in dec. 1846. De bank had in haar kluis voor een enorm bedrag een goudvoorraad. Alle binnenlandse beurswaarden stonden nooit zo hoog. Waarom dan deze mooie gelegenheid voorbij laten gaan, waarom er niet vlot tegenaan gaan? Waarom niet de naar Engelse fabricaten smachtende buitenlandse markten, alle waren te sturen die men kan produceren? En waarom zou de fabrikant niet zelf de dubbele winst boeken, uit de verkoop van garens en weefsels in het Verre Oosten en uit de verkoop van de retourvracht in Engeland?

Zo ontstond het systeem van massale consignaties, tegen voorschot, naar Indië en China, dat zich zeer snel verder ontwikkelde in een systeem van consignaties uitsluitend ten behoeve van het voorschot, zoals wordt beschreven in detail in de volgende notities en zoals het noodzakelijk moest eindigen in een massale verzadiging van de markten en in een krach.

Deze krach brak uit als gevolg van de mislukte oogst van 1846. Engeland en in het bijzonder Ierland, hadden nood aan een enorme import van levensmiddelen, vooral graan en aardappels. Maar de exporterende landen konden maar voor een deel betaald worden met Engelse industrieproducten; men moest betalen met edelmetaal; voor minstens 9 miljoen ging er goud naar het buitenland. Van dit goud kwam een flinke 71/2 miljoen uit de schatkist van de Bank of England, waarmee haar bewegingsvrijheid op de geldmarkt gevoelig werd verlamd; de andere banken, waarvan de reserves bij de Bank of England liggen, zijn feitelijk identiek met de reserve van deze bank en moesten ook hun geld accommoderen; de snelle en gemakkelijke stroom van betalingen haperde, eerst hier en daar, dan algemeen. Het bankdisconto was in januari 1847 nog 3-31/2 %, en steeg in april, toen de eerste paniek uitbrak, tot 7 %; dan kwam er in de zomer nogmaals een tijdelijke kleine verlichting (6, 5, 6 %), als echter ook de nieuwe oogst mislukte, brak de paniek opnieuw en heftiger uit. Het officiële minimum bankdisconto steeg in oktober tot 7 en in november tot 10 %, d.w.z.: verreweg het grootste deel van de wissels werden slechts tegen kolossale woekerrenten of zelfs helemaal niet discontabel; de algemene betalingsstop bracht een reeks belangrijke firma’s en vele kleine tot middelgrote, tot een failliet; de bank zelf liep gevaar, als gevolg van de haar opgelegde beperkingen door de snuggere bankwet van 1844 – die de regering suspendeerde op 25 oktober, op algemeen verzoek, daarmee de aan de bank opgelegde absurde wettelijke boeien eliminerend. Nu kon ze ongehinderd haar voorraad bankbiljetten in circulatie brengen; het krediet van deze bankbiljetten was gegarandeerd door het krediet van de natie, dus onwankelbaar, en daarmee was er meteen de verlossing van de geldschaarste; natuurlijk, een aantal grote en kleine firma’s, hopeloos vastgelopen, gingen nog failliet, maar het hoogtepunt van de crisis was overwonnen, het bankdiskonto daalde in december [1e oplage: september] terug naar 5 %, en reeds in de loop van 1848 kwam er een hernieuwde activiteit, die de revolutionaire bewegingen op het continent in 1849 hinderde en die in de jaren vijftig een tot dan toe ongehoorde industriële welvaart bracht, maar later ... de krach van 1857.- F.E.}

1. Over de kolossale devaluatie van staatspapieren en aandelen tijdens de crisis van 1847, geeft een heruitgegeven document van het House of Lords in 1848 uitsluitsel. Volgens het document bedroeg de waardedaling op 23 oktober 1847 vergeleken met het niveau van februari van hetzelfde jaar:

Engels staatspapier£93.824.217
Aandelen in dokken en kanalen£1.358.288
Spoorwegaandelen£19.579.820
Samen:£114.762.325

2. Over de zwendel in de Oost-Indische handel, waar men geen wissels meer trok, omdat de waren gekocht werden, maar dan waren gekocht om in discontabele, in geld om te zetten wissels, te kunnen trekken, luidt het in de Manchester Guardian van 24 november 1847:

A in Londen laat door B bij fabrikanten C in Manchester waren kopen voor verscheping naar D in Oost-Indië. B betaalt C in zesmaands-wissels, getrokken door C op B. Insgelijks dekt hij zich door zesmaands-wissels op A. Zodra de waren verscheept zijn, trekt A op de opgestuurde vrachtbrief ook een zesmaands-wissel op D.

“Koper en expediteur zijn dus beide vele maanden in het bezit van het fonds, voordat zij de waren echt betalen; en zeer vaak werden deze wissels vernieuwd op de vervaldag, onder het voorwendsel van tijd te geven voor de terugkeer bij een handel van zo een lange duur. Helaas leiden verliezen bij die handel niet tot een inkrimping, maar juist tot expansie. Hoe armer men wordt, des te groter de behoefte om te kopen, om met nieuwe voorschotten, het kapitaal verloren in vorige speculaties, te vervangen. De aankopen worden nu niet meer gereguleerd door vraag en aanbod, maar zijn het belangrijkste deel van de financiële operaties van een firma in moeilijkheden. Maar dat is één kant van het verhaal. Zoals het hier ging met de export van waren, zo ging het ginds met de inkoop en het verschepen van producten. Huizen in Indië, die genoeg krediet hadden om hun wissels gedisconteerd te krijgen, kochten suiker, indigo, zijde of katoen – niet wegens de inkoopprijzen, aan de laatste prijzen, om Londen een winst te beloven, maar omdat eerdere traites op de Londense huizen spoedig zouden vervallen en moesten gedekt worden. Wat was gemakkelijker dan een vracht suiker te kopen en te betalen met tienmaands-wissels op het Londense huis en de vrachtbrieven met de landpost naar Londen te zenden? En binnen twee maanden waren de vrachtbrieven van deze nauwelijks verscheepte waren, dus ook de waren zelf, in Lombard Street verpand en het huis in Londen kwam aan geld, acht maanden voor het verstrijken van getrokken wissels. Alles gaat goed en zonder onderbreking of moeilijkheden, zolang de discontohuizen geld in overvloed hebben om de vrachtbrieven en Dockwarrants voor te schieten en de wissels van de Indische huizen onbegrensd te disconteren op ‘eminente’ huizen in Mincing Lane.”

{Deze zwendelarij bleef in zwang zolang de waren van en naar Indië rond de Kaap moesten. Sinds de stoomboten door het Suezkanaal varen is deze methode om fictief kapitaal te fabriceren geëlimineerd, nl. de lange reistijd van de goederen. En sinds de telegraaf de Engelse zakenman over de Indische markt en de Indische handelaar over de Engelse markt op dezelfde dag informeert, werd deze methode volstrekt onmogelijk. – F.E.}

3. Het volgende komt uit het al geciteerde rapport Commercial Distress, 1847-48:

“In de laatste week van april 1847 gaf de Bank of England aan de Royal Bank of Liverpool ter kennis, dat ze van nu af aan de discontohandel met haar tot de helft van het bedrag zou reduceren. Deze mededeling had een zeer vervelend effect, omdat de betalingen in Liverpool uiteindelijk meer met wissels dan met contanten gebeurden; en omdat de handelaren doorgaans veel cash naar de bank brachten om daarmee hun accepten te betalen, de laatste tijd enkel wissels konden brengen, die zij hadden ontvangen voor hun katoen en andere producten. Dit was sterk toegenomen en daarmee de financiële problemen. De accepten die de bank moest uitkeren aan de handelaars, waren meestal in het buitenland getrokken en meestal vereffend door de betaling van de producten. De wissels die de handelaars nu brachten, in plaats van cash, waren wissels met een verschillende looptijd en van een andere aard, een aanzienlijk aantal bankwissels op dato van drie maanden, en de grote massa waren wissels tegen katoen. Deze wissels werden, als een bankwissel, aanvaard door de Londense bankiers en verder door alle soorten handelaars, in de Braziliaanse, Amerikaanse, Canadese, West-Indische, enz., handel ... De handelaars trokken niet op elkaar, maar op klanten in het binnenland, die producten in Liverpool hadden gekocht, zij dekten de wissels op banken in Londen of wissels van andere huizen in Londen of met wissels van wie dan ook. De aankondiging van de Bank of England veroorzaakte een verkorting van de looptijd van wissels voor verkochte buitenlandse producten, die anders vaak meer dan drie maanden was.” (pp. 26, 27.)

De hoogconjunctuur van 1844-1847 in Engeland was, zoals boven beschreven, verbonden met de eerste grote spoorwegzwendel. Over het effect ervan op de handel in het algemeen schrijft het genoemde rapport het volgende:

“In april 1847 waren vrijwel alle handelshuizen begonnen hun zaak min of meer uit te hongeren (to starve their business) door een deel van hun handelskapitaal te investeren in spoorwegen.” (pp. 41, 42.) – “Leningen werden aangegaan tegen een hoge rentevoet, bv. 8 %, voor spoorwegaandelen bij particulieren, bankiers en verzekeringsmaatschappijen.” (pp. 66, 67.) “Deze grote voorschotten van deze handelshuizen op de spoorwegen bracht hen er weer toe veel kapitaal op te nemen bij de banken via wisseldisconto’s om daarmee de eigen handel verder te zetten.” (p. 67.) – (Vraag:) “Zou u zeggen dat de stortingen voor de spoorwegaandelen veel bijdroegen aan de druk {op de geldmarkt} die er heerste in april en oktober?” {1847} (Antwoord:) “Ik denk dat het nauwelijks iets bijdroeg aan de druk in april. Naar mijn mening heeft het tot in april, en misschien tot ver in de zomer, de bankiers veeleer versterkt dan verzwakt. Immers, het echte gebruik van het geld vond niet met hetzelfde tempo plaats als de stortingen; daardoor hadden de meeste banken in het begin van het jaar een vrij groot spoorwegfonds in handen.” {Dit werd bevestigd door talrijke verklaringen van de bankiers in de C.D., 1848-1857.} “In de zomer kwamen die geleidelijk samen en waren op 31 december aanzienlijk gereduceerd. Een oorzaak van de druk in oktober was de geleidelijke afname van het spoorwegfonds in handen van de banken; tussen 22 april en 31 december verminderde het saldo van de spoorwegen in onze handen met een derde. Met een effect in heel Groot-Brittannië, dat het spoorwegfonds beetje bij beetje de deposito’s van de banken verminderde.” (pp. 43, 44.)

Zo spreekt ook Samuel Gurney (hoofd van de beruchte firma Overend, Gurney & Co.):

“In 1846 was er een beduidend grotere kapitaalvraag voor de spoorwegen, maar het verhoogde niet de rentevoet. Er was een condensatie van kleine bedragen in grotere, en deze grotere massa’s werden in onze markt gebruikt; zodat over het geheel genomen het effect was dat er meer geld op de geldmarkt van de City kwam, eerder dan het eruit te nemen.” [p. 159.]

A. Hodgson, directeur van de Liverpool Joint Stock Bank, laat zien in welke mate de wissels een reserve kunnen zijn voor de bankiers:

“Het was onze gewoonte minstens 9/10 van al onze deposito’s, en al het geld dat we ontvangen van andere personen, in onze portefeuille te houden als wissels, die van dag tot dag vervallen ... zozeer zelfs dat in crisistijd de opbrengst van de dagelijks vervallende wissels bijna gelijk was aan het dagelijkse bedrag dat we moeten uitbetalen.” (p. 53.)

Speculatieve wissels.

Nr. 5092. “Van wie werden de wissels” (tegen verkocht katoen) “vooral geaccepteerd?” {R. Gardner, de meermaals in dit werk genoemde katoenfabrikant:} “Van de warenmakelaars; een handelaar koopt katoen, plaatst het bij een makelaar, trekt op deze makelaar en laat de wissel disconteren.” – Nr.5094. “En deze wissels gaan naar de banken van Liverpool en worden daar gedisconteerd? – Ja, en ook elders ... Had deze accommodatie niet bestaan, hoofdzakelijk toegestaan door de banken in Liverpool, dan was, denk ik, vorig jaar het katoen 11/2 d. of 2 d. per pond goedkoper geweest.” – Nr.600. “U zei dat een enorm aantal wissels circuleerden, getrokken door speculanten op katoenmakelaars te Liverpool; geldt dit ook voor uw voorschotten op wissels tegen andere koloniale producten met uitzondering van katoen?” – {A. Hodgson, bankier in Liverpool:} “Het betreft alle soorten koloniale producten, maar vooral katoen.” – Nr.601. “Zoekt u als bankier afstand te houden tot dit soort wissels? – Geenszins; we beschouwen ze als volkomen rechtmatige wissels, indien met mate bewaard ... Dit soort wissels werden vaak verlengd.”

Zwendel in de Oost-Indische en Chinese markt van 1847. – Charles Turner (Hoofd van een van de eerste Oost-Indische firma’s te Liverpool):

“We weten allemaal wat er gebeurd is in de handel met Mauritius en andere gevallen van dezelfde soort. De makelaars waren gewend om voorschotten te maken op de waren, niet alleen na aankomst, ter dekking van de tegen deze waren getrokken wissels, wat oké is, en voorschotten op de vrachtbrieven ... maar zij hebben voorschotten gemaakt op het product, nog voor het verschepen, en in sommige gevallen vóór de productie ervan. Ik had bv. in een speciaal geval in Calcutta wissels gekocht voor £6.000-7.000; de opbrengst van deze wissels ging naar Mauritius voor de suikerplantages daar; de wissels kwamen naar Engeland en meer dan de helft werd geprotesteerd; dan, als het verscheepte suiker eindelijk arriveerde, waarmee de wissels moesten betaald worden, bleek dat deze suiker al verpand was aan een derde persoon vóór hij verscheept was, in feite bijna voordat het werd gekookt.” (p. 78.) “De waren voor de Oost-Indische markt moeten nu cash betaald worden aan de fabrikanten; maar dat zegt niet veel, want als de koper wat krediet in Londen heeft, trekt hij in Londen en disconteert de wissel in Londen, waar het disconto nu laag staat; hij betaalt de fabrikanten met het ontvangen geld ... het duurt minstens twaalf maanden voor de vrachtondernemer van de waren naar Indië, zijn retour van daar terug heeft ... een man met £10.000 of £15.000, die de Indische handel ingaat, zou een aanzienlijk krediet bij een huis in Londen moeten nemen; dit huis zou hij 1 % geven en erop trekken, op voorwaarde dat de opbrengst van de waren naar India verscheept, naar het Londense huis wordt gezonden; met dien verstande dat beide partijen stilzwijgend het eens zijn dat het Londense huis geen echte contante voorschotten moet geven; d.w.z. de wissels worden verlengd tot de retouren aankomen. De wissels werden gedisconteerd in Liverpool, Manchester, Londen, sommigen van hen zijn in het bezit van de Schotse Banken.” (p. 79.) – Nr.786. “Er is een huis dat onlangs in Londen failliet ging; bij controle van de boeken ontdekte men het volgende: er is een firma in Manchester en een andere in Calcutta; ze namen een krediet bij een huis in Londen voor £200.000; d.w.z. de zakenrelaties van de firma te Manchester, die het huis in Calcutta vanuit Glasgow en Manchester de waren op consignatie verzond, trokken een wissel op het huis in Londen tot een bedrag van £200.000; tegelijk was er de afspraak dat het huis in Calcutta op het huis in Londen ook £200.000 trekt; deze wissels werden in Calcutta verkocht en met de opbrengst werden andere wissels gekocht, die werden naar Londen verzonden om het huis daar in staat te stellen de eerste wissel getrokken te Glasgow of Manchester te betalen. Door deze wisseltransacties werd voor £600.000 in circulatie gebracht.” – Nr. 971. “Als momenteel een huis in Calcutta een scheepslading koopt” {voor Engeland} “en hun correspondenten in Londen betalen met de eigen traites en de vrachtbrieven naar hier verzonden worden, dan worden deze vrachtbrieven direct voor hen bruikbaar voor inning van voorschotten in Lombard Street; en hebben zij acht maanden tijd om het geld te gebruiken, voordat hun correspondenten de wissels moeten betalen.”

4. In 1848 onderzocht een geheime commissie van het Hogerhuis de oorzaken van de crisis van 1847. De voor deze commissie afgelegde getuigenisen werden maar in 1857 geopenbaard (Minutes of Evidence, taken before the Secret Committee of the H. of L. appointed to inquire into the Causes of Distress etc, 1857; geciteerd als C.D., 1848-1857). Hier getuigde de heer Lister, directeur van de Union Bank of Liverpool onder andere het volgende:

2444. “In het voorjaar van 1847 was er een ongehoorde kredietexpansie ... omdat de zakenlieden hun bedrijfskapitaal verschoven naar de spoorwegen en toch het bedrijf wilden voortzetten als vanouds. Iedereen dacht waarschijnlijk dat hij de spoorwegaandelen met winst kon verkopen en zo het geld in het bedrijf terugbrengen. Hij ondervond misschien dat dit niet mogelijk was en nam dan krediet op voor zijn bedrijf, waar hij vroeger contant betaalde. Vandaar de kredietexpansie.”

2.500. “Deze wissels, waarop de banken, door ze over te nemen, verlies leden, waren deze wissels vooral voor graan of katoen? ... Het waren wissels tegen alle soorten producten, graan, katoen en suiker; allerlei soorten producten. Er was toen bijna niets, behalve olie misschien, dat niet in prijs daalde.” – 2506. “Een makelaar die een wissel accepteert, accepteert die niet zonder voldoende dekking, ook tegen een prijsdaling van de waren die dienen als dekking.”

2512. “Er worden twee soorten wissels getrokken tegen producten. De eerste is de oorspronkelijke wissel, getrokken in het buitenland op de importeur ... De wissels die zo tegen producten getrokken worden, vervallen vaak voordat de producten aankomen. De handelaar moet daarom bij aankomst van de waren, als hij niet voldoende kapitaal heeft, ze bij de makelaar verpanden, tot hij ze kan verkopen. Dan wordt onmidddellijk een nieuwe wissel getrokken van de tweede soort, door de handelaar uit Liverpool op de makelaar, gegarandeerd door zijn waren ... dan is het aan de bankier zich bij de makelaar te vergewissen of hij de waar heeft en hoeveel hij voorgeschoten heeft. Hij moet erop toezien of de makelaar voldoende dekking heeft, tegen een eventueel verlies.”

2516. “We krijgen ook buitenlandse wissels ... Iemand koopt daar een wissel op Engeland en stuurt het naar een huis in Engeland; aan de wissel kunnen we niet zien of hij met kennis is getrokken of niet, of hij producten of lucht vertegenwoordigt.”

2533. “U zegt dat vrijwel elk buitenlands product met groot verlies werd verkocht. Denkt u dat dit het geval is tengevolge van gewaagde speculatie met deze producten? – De oorzaak was de zeer grote invoer, terwijl er geen overeenkomstige consumptie was om die te absorberen. Het lijkt erop dat de consumptie enorm daalde.” – 2534. “In oktober ... waren producten bijna onverkoopbaar.”

Hoe op het hoogtepunt van de crisis een algemeen verspreid sauve qui peut [redde wie zich redden kan] ontwikkelt, daarover spreekt in hetzelfde rapport een kenner van eerste rang, de waardige, gewiekste quaker Samuel Gurney van Overend, Gurney & Co.:

1262. “Als er paniek heerst, dan stelt een zakenman zich niet de vraag, tegen hoeveel hij zijn bankbiljetten kan beleggen, en of hij 1 of 2 %, bij de verkoop van zijn waardepapieren, of 3 % zal verliezen. Leeft hij in angst, dan geeft hij niet om winst of verlies; hij brengt zich in veiligheid, de rest van de wereld kan doen wat het wil.”

5. Over de wederzijdse verzadiging van de twee markten getuigt de heer Alexander, een handelaar in de Oost-Indische handel, voor de commissie van het Lagerhuis over de bankwet van 1857 (geciteerd als B.C., 1857):

4330. “Als ik momenteel in Manchester 6 shilling, uitgeef, krijg ik 5 shilling in Indië terug; als ik 6 shilling in Indië uitgeef, krijg ik 5 shilling in Londen terug.”

Zodat dus tezelfdertijd de Indische markt door Engeland en de Engelse door Indië overspoeld is. En dit was het geval in de zomer van 1857, amper tien jaar na de bittere ervaring van 1847!