Geldkapitaal en reëel kapitaal. 3 (slot)


De geldmassa, terug veranderd in kapitaal, is het resultaat van het massale reproductieproces, maar op zich, als leningkapitaal, is het zelf geen reproductief kapitaal.

Het belangrijkste analysepunt tot nu is, dat de toename van het deel van het revenu, bestemd voor consumptie (waarbij van de arbeider wordt afgezien, omdat zijn inkomen = het variabel kapitaal), zich eerst toont als een accumulatie van geldkapitaal. Een moment in de accumulatie van het geldkapitaal is dus wezenlijk verschillend van de werkelijke accumulatie van het industriële kapitaal; want het deel bestemd voor consumptie van het jaarlijkse product wordt geenszins kapitaal. Een deel ervan vervangt kapitaal, d.w.z. het constant kapitaal van de producenten van consumptiemiddelen, maar voor zover het zich werkelijk verandert in kapitaal, bestaat het in de natuurlijke vorm van revenu van de producenten van dit constant kapitaal. Datzelfde geld, het revenu, dat louter fungeert als bemiddeling van de consumptie, verandert zich regelmatig een tijdlang in leenbaar geldkapitaal. Voor zover dit geld het arbeidsloon vertegenwoordigt, is het tegelijk de geldvorm van het variabel kapitaal; en voor zover het het constant kapitaal vervangt van de consumptiemiddelenproducenten, is het die geldvorm, dat hun constant kapitaal kortstondig aanneemt en dient voor de aankoop van de te vervangen elementen van het constant kapitaal. Noch in de ene noch in de andere vorm geeft dit een accumulatie, hoewel zijn massa toeneemt met de omvang van het reproductieproces. Maar het verricht tijdelijk de functie van uitleenbaar geld, dus van geldkapitaal. Zo bekeken moet de accumulatie van het geldkapitaal steeds een grotere kapitaalaccumulatie weerspiegelen dan dat er werkelijk is, omdat de uitbreiding van de individuele consumptie, bemiddeld door geld als accumulatie van geldkapitaal, de geldvorm levert voor een werkelijke accumulatie, geld voor nieuwe investeringen.

De accumulatie van het leenbare geldkapitaal drukt dus deels niets anders uit dan het feit, dat al het geld waarin het industrieel kapitaal wordt veranderd in de loop van zijn cyclus, niet de vorm aanneemt van het geld dat het reproductieve voorschiet, maar van geleend geld; zodat inderdaad het voorgeschoten geld, in het reproductieproces ontstaan, verschijnt als voorgeschoten geleend geld. Inderdaad, als gevolg van het commerciële krediet leent de ene aan de andere het geld, nodig voor het reproductieproces. Maar dit neemt nu de gedaante aan, dat de bankier, die een deel van het reproductieve leent, dit leent aan een ander reproductief deel, waarbij de bankier verschijnt als de weldoener en tegelijk komt de controle op dit kapitaal geheel in handen van de bank als tussenpersoon.


Nog enkele bijzondere vormen van de accumulatie van het geldkapitaal moeten vermeld worden. Er komt kapitaal vrij, bv. door een prijsdaling van productie-elementen, grondstoffen, enz. Kan de industrieel zijn reproductieproces niet onmiddellijk uitbreiden, dan gaat een deel van zijn geldkapitaal als overtollig uit de kringloop en verandert het in leenbaar geldkapitaal. Maar ten tweede, er wordt kapitaal in de geldvorm vrijgemaakt, bij de handelaar, bij onderbrekingen in de handel. Heeft de handelaar een reeks zaken afgehandeld en kan hij als gevolg van die onderbrekingen een nieuwe reeks maar later aanvatten, dan is dat gerealiseerde geld voor hem alleen een schat, overtollig kapitaal. Maar op hetzelfde moment stelt het direct, de accumulatie van leenbaar geldkapitaal. In het eerste geval drukt de accumulatie van geldkapitaal de herhaling uit van een reproductieproces onder gunstiger condities, het werkelijk vrij worden van een deel van het vroeger vastgelegd kapitaal, dus de mogelijkheid om het reproductieproces uit te breiden met dezelfde middelen. In het andere geval, enkel de onderbreking van de transacties. Maar in beide gevallen verandert het zich in leenbaar geldkapitaal, stelt het dezelfde accumulatie voor, werkt gelijkelijk op de geldmarkt en rentevoet, hoewel het hier het reële accumulatieproces bevordert en het elders remt. Tenslotte wordt accumulatie van geldkapitaal veroorzaakt door het aantal mensen met hun schaapjes op het droge, zich terugtrekkend uit de reproductie. Hoe meer winst er gemaakt wordt in de loop van de industriële cyclus, des te groter hun aantal. Hier drukt de accumulatie van leenbaar geldkapitaal enerzijds de werkelijke accumulatie uit (in overeenstemming met hun relatieve omvang); anderzijds de omvang van de verandering van industriële kapitalisten in geldkapitalisten.

Wat het andere winstdeel betreft, niet bestemd om geconsumeerd te worden als revenu, verandert dit zich alleen in geldkapitaal als het niet onmiddellijk te gebruiken is voor uitbreiding van de handelstransacties in de productiesector waarin het gemaakt is. Dit kan twee redenen hebben. Omdat deze sector verzadigd is met kapitaal, of omdat de accumulatie, om als kapitaal te fungeren, eerst een zekere omvang moet hebben, naarmate van de investeringsgraad van nieuw kapitaal in dit specifieke bedrijf. Het verandert dus eerst in leenbaar geldkapitaal en dient voor de uitbreiding van de productie in andere sectoren. Ervan uitgaande dat alle andere omstandigheden gelijk blijven, zal de hoeveelheid winst voor de terugverandering in kapitaal afhangen van de hoeveelheid gemaakte winst en dus van de expansie van het reproductieproces. Maar stuit het gebruik van die nieuwe accumulatie op problemen, op een gebrek aan investeringssectoren, is er een verzadiging in de productietakken en overaanbod van leningkapitaal, en bewijst deze plethora van leenbaar geldkapitaal niets anders dan de grenzen van de kapitalistische productie. De daarop volgende kredietfraude bewijst dat er geen concrete obstakels zijn voor het gebruik van dit overbodige kapitaal. Niettemin is er wel een obstakel op grond van zijn realiseringswetten, op grond van de belemmeringen waarin het kapitaal als kapitaal zich kan realiseren. Overvloedig geldkapitaal als zodanig, wijst niet noodzakelijk op overproductie, noch een gebrek aan investeringssectoren voor het kapitaal.

De accumulatie van geleend kapitaal bestaat eenvoudig daarin, dat geld zich als leenbaar geld omzet. Dit proces is heel anders dan de werkelijke transformatie in kapitaal; het is slechts een geldaccumulatie in een vorm waarin het getransformeerd kan worden in kapitaal. Deze accumulatie kan, zoals getoond, momenten uitdrukken die sterk afwijken van de echte accumulatie. Bij constante uitbreiding van de echte accumulatie kan deze uitgebreide accumulatie van geldkapitaal een partieel resultaat zijn, deels het resultaat van factoren die hen vergezellen, maar volledig verschillen van haar, ten slotte deels het resultaat van stagnaties van de echte accumulatie. Alleen al omdat de accumulatie van leningkapitaal groeit door onafhankelijke maar begeleidende factoren van de werkelijke accumulatie, moet er in bepaalde fasen van de cyclus voortdurend overvloedig geldkapitaal zijn en deze overvloed groeit met de ontwikkeling van het krediet. Tegelijk ontwikkelt zich de noodzaak het productieproces te tillen over de kapitalistische grenzen: surplushandel, overproductie, overvloedig krediet. Tegelijkertijd geschiedt dit steeds in een vorm die een recessie oproept.

Wat betreft de accumulatie van het geldkapitaal uit grondrente, arbeidsloon enz., is het hier niet nodig daarop in te gaan. Alleen deze factor is belangrijk, dat het verzaken van echte spaartransacties (door potters), voor zover het voorziet in accumulatie-elementen, omwille van de voortschrijdende arbeidsdeling in de kapitalistische productie, overgelaten wordt aan dezen die er een minimum van hebben en vaak genoeg nog hun spaargeld verliezen, zoals de arbeiders bij een bankfaillissement. Enerzijds wordt het kapitaal van de industriële kapitalisten niet door henzelf “gespaard”, maar in verhouding tot de grootte van zijn kapitaal beschikt hij over andere spaargelden; anderzijds maakt de geldkapitalist andermans spaargeld tot zijn kapitaal en het krediet, dat de reproductieve kapitalisten aan elkaar geven en aan hen gegeven door het publiek, tot een bron van private verrijking. De laatste illusie van het kapitalistisch systeem, dat kapitaal ontstaat uit de eigen arbeid en het sparen, valt daarmee in duigen. Niet alleen bestaat de winst door toe-eigening van andermans arbeid, maar het kapitaal waarmee deze arbeid in beweging gezet en uitgebuit wordt, bestaat uit andermans eigendom, dat de geldkapitalist ter beschikking stelt aan de industriële kapitalisten, die hij op zijn beurt exploiteert.


Over het kredietkapitaal zijn er nog enkele bemerkingen te maken.

Hoe vaak hetzelfde geldstuk kan dienen als leningkapitaal hangt, zoals hierboven beschreven, geheel af van:
1. hoe vaak het de warenwaarde in verkoop of betaling realiseert, dus kapitaal overdraagt, en voorts hoe vaak het een revenu realiseert. Hoe vaak het in andere handen komt als gerealiseerde waarde – van kapitaal of revenu – hangt daarom kennelijk af van omvang en massa van de echte transacties;
2. dit hangt af van de betalingseconomie en van de ontwikkeling en organisatie van het kredietstelsel;
3. ten slotte, van de aaneenschakeling en actiesnelheid van de kredieten, dat als een deposito vervalt, het op een ander punt onmiddellijk een lening is.

Zelfs als de vorm waarin het leningkapitaal bestaat, uitsluitend echt geld, goud of zilver – de waarvan het materiaal als waardemeter van de waarde dient – is het noodzakelijk dat steeds een groot deel van dit geldkapitaal fictief is, d.w.z. een titel op de waarde, net als bij het waardepapier. Voor zover geld fungeert in de kringloop van het kapitaal, vormt het inderdaad voor een moment geldkapitaal; maar het verandert zich niet in leenbaar geldkapitaal, maar zal of geruild worden voor elementen van het productief kapitaal, of bij realisering van het revenu als circulatiemiddel uitbetaald worden en daarom zich niet veranderen in leningkapitaal voor zijn eigenaar. Maar voor zover het zich in leningkapitaal verandert en hetzelfde geld meermaals leningkapitaal voorstelt, is het duidelijk dat het slechts op één tijdstip bestaat als metaalgeld; op alle andere stadia bestaat het alleen in de vorm van aanspraken op het kapitaal. De accumulatie van deze claims, in overeenstemming met onze premisse, ontstaat uit de werkelijke accumulatie, d.w.z. uit de verandering van de waarde van het warenkapitaal enz., in geld; evenwel is de accumulatie van deze claims of titels verschillend, zowel van de werkelijke accumulatie, haar ontstaan, als van de toekomstige accumulatie (het nieuwe productieproces), mogelijk gemaakt door een geldlening.


Prima facie bestaat het leningkapitaal steeds in de geldvorm,[100] met later dan een claim op het geld, daar het geld nu, bestaande in zijn oorspronkelijke vorm, bij de lener in geldvorm voorhanden is. Voor de kredietgever heeft de aanspraak op het geld zich veranderd in een eigendomstitel. Eenzelfde hoeveelheid echt geld kan daarom heel verschillende hoeveelheden geldkapitaal voorstellen. Louter geld, of het gerealiseerd kapitaal of een gerealiseerd revenu voorstelt, wordt leningkapitaal door de eenvoudige handeling van het lenen, door de verandering in een deposito, als we kijken naar de algemene vorm in een ontwikkeld kredietsysteem. Het deposito is geldkapitaal voor de depositeur. Maar voor de bank kan het potentieel geldkapitaal zijn, braakliggend in zijn kluis, in plaats van bij de eigenaars.[101]

Met de groei van de materiële rijkdom groeit de klasse geldkapitalisten; aan de ene kant vermeerdert het aantal en de rijkdom van de teruggetreden kapitalisten, de renteniers; ten tweede wordt de ontwikkeling van het kredietstelsel gestimuleerd, waardoor het aantal bankiers, geldschieters, financiers, enz., toenemen. – Met de ontwikkeling van het beschikbare geldkapitaal ontwikkelt zich een massa rentegevende waardepapieren, staatspapier, aandelen, enz., zoals eerder gezien. Maar tegelijkertijd ook de behoefte aan beschikbaar geldkapitaal, terwijl de jobbers, die met deze papieren speculeren, een belangrijke rol hebben op de geldmarkt. Indien alle aan- en verkopen van deze effecten enkel de uitdrukking zijn van reële kapitaalinvesteringen, zou het juist zijn te stellen dat er geen invloed is op de vraag naar leningkapitaal, omdat A bij verkoop van zijn papier, hij er net zo veel geld uithaalt als B in het papier steekt. Maar zelfs als het papier bestaat, maar niet het kapitaal (althans niet als geldkapitaal), dat het oorspronkelijk voorstelt, creëert het altijd pro tanto een nieuwe vraag naar zulk geldkapitaal. Maar in ieder geval is het dan geldkapitaal, waarover vroeger B beschikte, maar nu A.

B.A. 1857. Nr. 4886: “Is het naar uw mening een correcte verklaring van de oorzaken, die de discontovoet bepalen, als ik zeg dat het wordt geregeld door de hoeveelheid kapitaal op de markt, beschikbaar voor disconto’s van handelspapier, verschillend van andere soorten waardepapieren?” – {Chapman:} Nee; ik denk dat de rentevoet wordt beïnvloed door alle gemakkelijk te converteren waardepapier (all convertible securities of a current character); het zou verkeerd zijn de vraag eenvoudig te beperken tot de wisseldisconto’s; want als er een grote vraag naar geld is op” {de voorraad van} “consols, of zelfs schatkistbiljetten, zoals dit onlangs heel erg het geval was, en aan een veel hogere koers dan de commerciële rentevoet, zou het absurd zijn te zeggen dat onze handelswereld daar niet door werd getroffen; ze werd wezenlijk getroffen.” – 4890. “Als goede en courante waardepapieren, als zodanig erkend door de bankiers, op de markt zijn en de eigenaar daarop geld wil opnemen, heeft dat zeker effect op de handelswissels; ik kan bv. niet verwachten dat iemand mij zijn geld geeft aan 5 % op de handelswissels, als hij op hetzelfde moment dit geld aan 6 % op consols enz. kan lenen; het treft ons op dezelfde wijze; niemand kan van mij verlangen dat ik zijn wissel aan 51/2 disconteer, als ik mijn geld tegen 6 % kan uitlenen.” – 4892. “We spreken niet van mensen die voor £2.000, £5.000 of £10.000 waardepapier kopen als lange termijn kapitaalbelegging, alsof zij een wezenlijke invloed hebben op de geldmarkt. Als u mij naar de rentevoet vraagt op” {de voorraad van} “consols, dan spreek ik van mensen die handelen met bedragen van honderdduizenden ponden, de zogenaamde jobbers, die voor enorme bedragen intekenen op openbare leningen of op de markt papieren kopen en die papieren dan aanhouden tot ze het kunnen verkopen met winst; deze mensen moeten hiervoor geld lenen.”


Met de ontwikkeling van het kredietstelsel worden grote geconcentreerde geldmarkten gecreëerd, zoals Londen, dat tegelijk het centrum is van de handel in deze papieren. De bankiers plaatsen enorme hoeveelheden publiek geld ter beschikking van deze handelaars in geldkapitaal en zo groeit dit gebroed van gokkers.

“Geld is op de effectenbeurs meestal goedkoper dan ergens anders”, zegt in 1848 de toenmalige Gouverneur van de Bank of England [James Morris] voor het geheime commité van de Lords. (C.D. 1848, printed 1857, nr. 219.)


Het is al aangetoond bij de analyse van het rentegevende kapitaal, dat de gemiddelde rente op lange termijn, bij identieke omstandigheden, bepaald wordt door de gemiddelde winstvoet, niet de ondernemerswinst, dat zelf niet meer is dan de winst minus de rente.

Ook de variaties van de handelsrente – de rente berekend voor disconteringen en leningen in de commerciële wereld door de geldschieters – komt in de loop van de industriële cyclus in de fase dat de rentevoet zijn minimum verlaat en het gemiddelde niveau bereikt (en later overtreft), en deze beweging is een gevolg van de winststijging – ook dit is al genoemd en zal verder onderzocht worden.

Toch zijn er twee opmerkingen te maken:
Ten eerste: wanneer de rentevoet voor een lange tijd hoog staat (we hebben het hier over een rentevoet in een land als Engeland, waar de gemiddelde rentevoet voor langere tijd een gegeven is en ook te zien is in de betaalde rente voor langlopende leningen – wat men een private rente kan noemen), dan is dit prima facie het bewijs dat de winstvoet hoog is gedurende deze tijd, maar het bewijst niet noodzakelijk dat de ondernemerswinst hoog is. Dit laatste valt min of meer weg voor de kapitalisten die overwegend met eigen kapitaal werken; zij realiseren een hoge winstvoet omdat ze de rente aan zichzelf betalen. De mogelijkheid van hoge rentevoeten gedurende een lange tijd – we spreken hier niet van periodes van depressie – doet zich voor met een hoge winstvoet. Maar het is mogelijk dat deze hoge winstvoet, na aftrek van de hoge rentevoet, maar een lage ondernemerswinst geeft. De ondernemerswinst kan verminderen, terwijl de hoge winstvoet aanhoudt. Dit is mogelijk omdat gestarte ondernemingen voortgezet moeten worden. In deze fase wordt veel met alleen maar kredietkapitaal (vreemd kapitaal) gewerkt; en de hoge winstvoet kan gedeeltelijk speculatief, prospectief zijn. Een hoge rentevoet kan betaald worden met een hoge winstvoet, maar met een dalende ondernemerswinst. Ze kan betaald worden – en dit gebeurt gedeeltelijk in tijden van speculatie – niet uit de winst, maar met het geleende kapitaal, en dit kan een tijd doorgaan.

Ten tweede: de stelling dat de vraag naar geldkapitaal en dus de rentevoet toeneemt, omdat er een hoge winstvoet is, is niet identiek met de toenemende vraag naar industrieel kapitaal en zo een hoge rentevoet.

In crisistijd bereikt de vraag naar leningkapitaal, daarmee ook de rentevoet, een maximum; de winstvoet en daarmee de vraag naar industrieel kapitaal is zo goed als verdwenen. In die periode leent iedereen alleen met het oog op het betalen van aangegane contracten. Maar in tijden van herstel na de crises, is er vraag naar leningkapitaal met het doel van aankopen te doen en om het geldkapitaal te veranderen in productief of commercieel kapitaal. Dan komt de vraag, ofwel van de industriële kapitalisten of van de handelaars. De industriële kapitalist investeerd het in productiemiddelen en arbeidskracht.

De stijgende vraag naar arbeidskracht kan op zich nooit de oorzaak zijn van een stijgende rentevoet, voor zover deze bepaald wordt door de winstvoet. Hogere arbeidslonen zijn nooit de oorzaak van hogere winsten, hoewel het een gevolg kan zijn, in een specifieke fase van de industriële cyclus.

De vraag naar arbeidskracht kan toenemen, omdat de uitbuiting van de arbeid onder bijzonder gunstige omstandigheden gebeurt, maar de stijgende vraag naar arbeidskracht en dus variabel kapitaal, vermeerdert op zich niet de winst, maar verlaagt die pro tanto. Maar toch kan de vraag naar variabel kapitaal nog toenemen, dus ook de vraag naar geldkapitaal, en zo een hogere rentevoet. De marktprijs van de arbeidskracht stijgt dan boven het gemiddelde, er worden meer dan gemiddeld arbeiders tewerkgesteld en tegelijk stijgt de rentevoet, omdat met deze omstandigheden de vraag naar geldkapitaal stijgt. De stijgende vraag naar arbeidskracht maakt deze waar duurder, net als elke andere waar; de prijs stijgt, maar niet de winst, die vooral afhangt van het relatief goedkoop zijn van net deze waar. Tegelijk verhoogt ze echter wel – onder de veronderstelde voorwaarden – de rentevoet, want de vraag naar geldkapitaal verhoogt. Transformeert de geldkapitalist zich in een industrieel, in plaats van geld uit te lenen, zou het feit dat hij de arbeid meer moet betalen, op zich zijn winst niet verhogen, maar pro tanto verlagen. Conjunctureel kan het zijn dat toch de winst stijgt, maar nooit omdat de arbeid duurder betaald is. Maar dit laatste, indien het de vraag naar geldkapitaal verhoogt, is voldoende om de rentevoet te verhogen. Stijgen door welke oorzaken ook de lonen, bij ongunstige conjuncturen, zou dit verhoogde arbeidsloon de winstvoet doen dalen, maar de rentevoet doen stijgen naarmate het de vraag naar geldkapitaal vermeerdert.


Afgezien van de arbeid, is dat wat Overstone de “vraag naar kapitaal” noemt, slechts de vraag naar waren. De vraag naar waren verhoogt hun prijs, omdat ofwel het aanbod, boven het gemiddelde, of beneden het gemiddelde zit. Als de industrieel of handelaar bv. £150 voor eenzelfde warenmassa moet betalen, waarvoor hij vroeger £100 betaalde, moet hij nu £150 lenen, in plaats van £100 vroeger, en als de rente 5 % was, moet hij nu £71/2 betalen en vroeger £5. De hoeveelheid te betalen rente zou stijgen, omdat de hoeveelheid geleend kapitaal zou stijgen.

Heel de opzet van de heer Overstone bestaat in het identiek stellen van de rente van leningkapitaal en industrieel kapitaal, terwijl zijn bankwet precies daarop berekend is, dit verschil van rente te benutten in het voordeel van het geldkapitaal.

Het is mogelijk dat de vraag naar waren, ingeval het aanbod onder het gemiddelde daalt, het geldkapitaal niet meer absorbeerd zoals eerder. Eenzelfde som, misschien kleiner, dient betaald te worden voor de totale waarde, maar voor diezelfde som krijgt men een kleinere hoeveelheid gebruikswaarden. In dit geval zal de vraag naar leenbaar geldkapitaal hetzelfde blijven en zal de rentevoet niet stijgen, hoewel de vraag naar waren in verhouding tot hun aanbod en dus de warenprijs zou stijgen. De rentevoet kan alleen beïnvloed worden als de totale vraag naar leningkapitaal toeneemt, en dit is niet het geval onder het bovenstaande.

Maar het aanbod van een artikel kan ook dalen onder het gemiddelde, bij misoogsten in graan, katoen enz., met een toename van de vraag naar leningkapitaal, omdat men erop speculeert dat de prijzen nog hoger gaan, en een van de middelen daartoe, is een deel van het aanbod tijdelijk aan de markt te onttrekken. Om echter de gekochte waren te betalen, zonder ze te verkopen, verschaft men zich geld door middel van “schoorsteenwissels” [Wechselwirtschaft]. In dit geval neemt de vraag naar leningkapitaal toe en stijgt de rentevoet met het kunstmatig verhinderen van de aanvoer van waren. De hogere rentevoet weerspiegelt de kunstmatige daling van het aanbod van warenkapitaal.

Aan de andere kant, er kan meer vraag zijn naar een artikel, omdat er meer aanbod is en omdat de prijs gedaald is onder het gemiddelde.

In dit geval kan de vraag naar leningkapitaal onveranderd blijven of zelfs dalen, omdat er meer waren zijn voor dezelfde hoeveelheid geld. Er kan ook een speculatieve voorraadvorming zijn, deels ter benutting van gunstige condities in de productie, deels in afwachting van verdere prijsstijgingen. In dit geval kan de vraag naar leningkapitaal toenemen en is de hogere rentevoet uitdrukking van kapitaalinvesteringen in een surplusvoorraad van elementen van het productieve kapitaal. We bekijken hier alleen de vraag naar leningkapitaal, beïnvloed door vraag en aanbod van het warenkapitaal. Eerder is al uiteengezet hoe het veranderende niveau van het reproductieproces in de fasen van de industriële cyclus effect heeft op het aanbod van het leningkapitaal. De triviale stelling, dat de rentevoet wordt bepaald door vraag en aanbod van (lening)kapitaal, verbindt Overstone slim met de eigen aanname, dat het leningkapitaal identiek is met het kapitaal, en tracht zo de woekeraar te veranderen in de enige kapitalist en zijn kapitaal in het enige kapitaal.

In crisistijd is de vraag naar leningkapitaal een vraag naar betaalmiddelen, niets anders; geenszins een vraag naar geld als koopmiddel. De rentevoet kan dan zeer hoog gaan, of het reëel kapitaal – productief en warenkapitaal – overvloedig of schaars voorhanden is. De vraag naar betaalmiddelen is slechts een vraag naar omzetting in geld, voor zover handelaars en producenten goede garanties bieden; het is een vraag naar geldkapitaal, voor zover dit niet het geval is, voor zover de voorgeschoten betaalmiddelen hen niet enkel de geldvorm geeft, maar ook het ontbrekende equivalent, in welke vorm ook, om mee te betalen. Het is op dit punt dat de beide zijden van de gangbare theorie gelijk en ongelijk hebben bij de beoordeling van de crisis. Zij die zeggen dat er alleen gebrek is aan betaalmiddelen, denken alleen aan de eigenaar van bonafide waarborgen, ofwel zijn het dwazen die denken dat het de plicht van de bank is – en de macht van de bank – met papiertjes alle bankroete zwendelaars te veranderen in solide kapitalisten, die kunnen betalen. Dezen die beweren dat het enkel een gebrek aan kapitaal is, doen ofwel aan woordenziften, omdat in zulke tijden het niet-convertibel kapitaal, als gevolg van overmatige invoer en overproductie, massaal voorhanden is, of ze spreken slechts van kredietzwendelaars die nu feitelijk in de omstandigheid zijn van niet meer te beschikken en te werken met vreemd kapitaal, en nu eisen dat de bank hen niet alleen zal helpen het verloren kapitaal te betalen, maar ook nog helpen met het voortzetten van hun zwendel.


Het is een grondbeginsel in de kapitalistische productie, dat het geld als een zelfstandige waardevorm tegenover de waren staat, dat dus de ruilwaarde een zelfstandige vorm in geld krijgt, en dit is maar mogelijk doordat een bepaalde waar het materiaal wordt waarin de waarde van alle andere waren te meten is en juist hierdoor de algemene waar wordt, de waar par excellence in tegenstelling tot alle andere waren. Dit manifesteert zich dubbel, vooral in kapitalistisch ontwikkelde naties, die het geld grotendeels vervangen, enerzijds door kredietoperaties, anderzijds door kredietgeld. In crisistijd als het krediet krimpt of volledig stopt, is plotseling het geld het enige betaalmiddel en absoluut ware bestaan van de waarde, tegengesteld aan de waren. Daarom is er bij algemene ontwaarding van de waren, de moeilijkheid, zelfs onmogelijkheid, het om te zetten in geld, d.w.z. in hun eigen zuiver verbeelde vorm. Maar ten tweede: het kredietgeld zelf is maar geld, voor zover het absoluut het bedrag van de nominale waarde van het echte geld vertegenwoordigt. Met het wegvloeien van het goud wordt de convertibiliteit met het geld problematisch, d.w.z. de identiteit met het goud. Daarom dwangmaatregelen, het verhogen van de rentevoet, enz., om de convertibiliteit te verzekeren. Dit kan min of meer op de spits gedreven worden door foute wetgeving, berustend op foute geldtheorieën, aan de natie opgedrongen in het belang van de geldhandelaars, de Overstones en consorten. De basis echter, die is gegeven met het beginsel van de productiewijze. Een ontwaarding van het kredietgeld (om niet te spreken van een, overigens denkbeeldige, ontwaarding van het geld zelf) zou alle bestaande verhoudingen doen wankelen. De warenwaarde wordt daarom opgeofferd, om het ingebeelde en onafhankelijke bestaan van deze waarde in het geld veilig te stellen. Als geldwaarde is het natuurlijk alleen gewaarborgd, zolang het geld gewaarborgd is. Voor enkele miljoenen in geld, moeten daarom vele miljoenen als waren worden opgeofferd. Dit is onvermijdelijk in de kapitalistische productie en is één van haar schoonheden. In de voorgaande productiewijzen gebeurde dit niet, omdat op die smalle basis er geen krediet noch kredietgeld kan ontwikkelen. Zolang het maatschappelijke karakter van de arbeid in de waar verschijnt, als een bestaan in geld [Gelddasein – geldbestaan] en dus als een ding buiten de werkelijke productie, zijn geldcrisissen onvermijdelijk, onafhankelijk of als een intensifiëring van een werkelijke crisis. Aan de andere kant is het duidelijk dat zolang het krediet van een bank ongeschokt is, zij door meer kredietgeld uit te geven de paniek kalmeert, maar verhevigt door het uit circulatie te nemen. Inderdaad, de hele geschiedenis van de moderne industrie toont dat het metaalgeld maar nodig was voor het regelen van de internationale handel, telkens het evenwicht tijdelijk verstoord is, met een binnenlandse georganiseerde productie. Dat de thuismarkt nu al geen metaalgeld nodig heeft, bewijst het suspenderen van de contante betalingen van de zg. nationale banken, die maar in extreme gevallen teruggrijpen naar dit hulpmiddel.

Bij transacties tussen twee individuen is het belachelijk om te stellen dat beiden een onvoordelige betalingsbalans hebben. Wanneer zij onderling debiteur en crediteur van elkaar zijn, is het duidelijk, dat, wanneer hun eisen zich niet vereffenen, de ene de schuldenaar is van de andere. Bij naties is dit geenszins het geval. Dat dit niet het geval is, wordt door alle economen erkend, dat de betalingsbalans in het voor- of nadeel van een natie kan zijn, hoewel de handelsbalans zich uiteindelijk moet vereffenen. De betalingsbalans verschilt van de handelsbalans, in die zin dat een handelsbalans op een bepaald moment te betalen is. Wat een crisis doet, is het verschil tussen betalingsbalans en handelsbalans kleiner maken in een korte tijdspanne; en de specifieke toestanden, die zich in een natie ontwikkelen die in crisis is, maken dat er nu een termijn komt op betalingen, – deze omstandigheden resulteren zo in een tijdsbeperking voor de vereffening. Ten eerste het verzenden van edelmetaal; dan geconsigneerde waren verkopen aan dumpingprijzen; een export van waren, om ze te dumpen of voor voorschotten op de thuismarkt; hogere rentevoeten, stopzetten van kredieten, daling van het waardepapier, dumping van buitenlands waardepapier, aantrekken van buitenlands kapitaal voor investeringen in afgeschreven waardepapieren, ten slotte het failliet, dat een massa claims vereffent. Vaak wordt nog metaalgeld verzonden naar het land waar de crisis uitbrak, omdat wissels onbetrouwbaar zijn en betaling met metaalgeld niet. Wat Azië betreft, is er de omstandigheid dat alle kapitalistische naties meestal gelijktijdig, direct of indirect, debiteur zijn. Zodra deze verschillende omstandigheden een groot effect hebben op de andere naties, is er ook bij deze landen een goud- of zilverexport, kortom, een betalingstermijn, en dezelfde fenomenen herhalen zich.

In het commerciële krediet gaat de rente, als het verschil tussen de kredietprijs en de contante prijs, slechts in de warenprijs, als een wissel langer loopt dan gebruikelijk. Omgekeerd niet. En dit verklaart dat iedereen met de ene hand krediet neemt en met de andere geeft. {Dit komt niet overeen met mijn ervaring. – F.E.} Waar echter het disconto in deze vorm aanwezig is, is hij niet bepaald door het commerciële krediet, maar door de geldmarkt.

Zijn vraag en aanbod van het geldkapitaal, dat de rentevoet bepaald, identiek met vraag en aanbod van het reëele kapitaal, zoals Overstone beweert, dan moet, afhankelijk of men verschillende waren, of diezelfde waren in verschillende fasen beschouwd (grondstof, halffabricaat, afgewerkt product), de rente tegelijk laag en hoog zijn. In 1844 fluctueerde de rentevoet van de Bank of England tussen 4 (van januari tot september) en 21/2 en 3 % van november tot aan het jaareinde. In 1845 was het 21/2, 23/4, 3 % van januari tot oktober, en tussen 3 en 5 % in de laatste maanden. De gemiddelde prijs van fair Orleans katoen [fair Orleans is een bepaalde kwaliteit van katoen – MIA] was in 1844 61/4 d. en in 1845 47/8 d. Op 3 maart 1844 was de katoenvoorraad in Liverpool 627.042 balen en op 3 maart 1845 773.800 balen. Volgens de lage katoenprijs moest de rentevoet in 1845 laag zijn, wat hij ook was gedurende het grootste deel van deze periode. Maar te oordelen naar het garen, zou hij hoog moeten zijn, want de prijzen waren relatief hoog en de winsten absoluut hoog. Katoen aan 4 d. het pond kon in 1845 tegen 4 d. spinkosten, garen gesponnen worden (nr. 40 goede secunda mule twist), dat de spinner dus 8 d. kostte en dat hij in september en oktober 1845 tegen 101/2 of 111/2 d. per pond kon verkopen. (Zie de getuigenis van Wylie hieronder.)


Uit dit alles kan men nu besluiten:
Vraag en aanbod van leningkapitaal zou identiek zijn aan vraag en aanbod van kapitaal in het algemeen (hoewel dit laatste absurd is; voor de industrieel of handelaar is de waar een vorm van zijn kapitaal, toch vraagt hij nooit naar kapitaal als zodanig, maar alleen naar specifieke waren als zodanig, hij koopt en betaalt ze als een waar, graan of katoen, ongeacht hun taak in de kringloop van zijn kapitaal), als er geen financier is en in plaats daarvan de kapitalisten die geld lenen, in het bezit zijn van machines, grondstof enz., die zij uitlenen of verhuren, zoals nu de Huizen, aan de industriële kapitalisten, die zelf eigenaar zijn van enkele van deze elementen. Onder zulke omstandigheden zou het aanbod van leningkapitaal identiek zijn met het aanbod van productie-elementen voor de industriële kapitalisten en waren voor de handelaar. Maar het is duidelijk dat de winstdeling tussen lener en ontlener allereerst geheel afhangt van de mate waarin dit kapitaal wordt geleend en eigendom is van deze die het gebruikt.

Volgens de heer Weguelin (B.A. 1857) wordt de rentevoet bepaald door “de hoeveelheid ongebruikt kapitaal” (252); het is “een index van een hoop ongebruikt kapitaal, op zoek naar investering” (271); wat later heet dit ongebruikt kapitaal “floating capital” (485) waaronder hij verstaat “bankbiljetten van de Bank of England en andere circulatiemiddelen in het land; bv. provinciale bankbiljetten en de beschikbare munten in het land ... onder floating capital begrijp ik ook de bankreserves” (502, 503) en later ook staafgoud (503). Weguelin beweert ook dat de Bank of England grote invloed heeft op de rentevoet in periodes, “waar we” (de Bank of England) “effectief het grootste deel van het ongebruikte kapitaal in handen hebben” (1198), terwijl volgens bovenstaande verklaring van de heer Overstone, de Bank of England “geen plaats is voor kapitaal”. Bovendien zegt Weguelin:

“Mijn mening is, dat de discontovoet wordt gereguleerd door de hoeveelheid ongebruikt kapitaal in het land. De hoeveelheid ongebruikt kapitaal wordt vertegenwoordigd door de reserve van de Bank of England, dat feitelijk een edelmetaalreserve is. Wanneer dus de voorraad edelmetaal kleiner wordt, vermindert dit de hoeveelheid ongebruikt kapitaal in het land en stijgt de waarde van wat nog voorradig is.” (1258.)


J. Stuart Mill zegt 2102:

“Om te zorgen voor de solvabiliteit van haar banking department is de bank verplicht haar uiterste best te doen om de reserve van dit departement op peil te houden; zodra zij oordeelt dat er een afvloeiing is, moet zij die reserve veilig stellen door ofwel haar disconto’s te beperken of door waardepapier te verkopen.”


De reserve, mits het alleen het banking departement betreft, is alleen een reserve voor de deposito’s. Volgens Overstone zal het banking departement uitsluitend als bankier handelen, zonder te letten op de “automatische” uitgifte van bankbiljetten. Maar in crisisperiodes heeft het instituut, ongeacht de reserve van het banking departement, dat alleen bestaat uit bankbiljetten, een scherp oog op het edelmetaal, wat het moet hebben wil het niet failliet gaan. Want in dezelfde mate dat het edelmetaal afneemt, vermindert ook de reserve bankbiljetten, en niemand kan dit beter weten dan de heer Overstone, die dit met zijn bankwet van 1844 zo wijs heeft georganiseerd.

_______________
[100] B.A. 1857, verklaring van Twells, bankier: 4516. “Handelt u als bankier in kapitaal of geld? – Wij handelen in geld.” – 4517. “Hoe worden de deposito’s in uw bank betaald? – Met geld.” – 4518. “Hoe wordt u uitbetaald? – In geld.” – [4519.] “Kan men dus zeggen dat het iets anders is dan geld? – Neen.”
Overstone (zie hoofdstuk 16) verwart voortdurend “capital” en “money”. “Value of Money” [“geldwaarde”] is bij hem ook rente, in zoverre het bepaald is door de geldmassa; “value of capital” [“kapitaalwaarde”] is de rente, in zoverre die bepaald is door de vraag naar productief kapitaal en de gemaakte winst. Hij zegt: 4140. “Het gebruik van het woord kapitaal is zeer gevaarlijk.” – 4148. “De gouduitvoer uit Engeland is een vermindering van de geldhoeveelheid in het land en dit leidt uiteraard tot een hogere vraag op de geldmarkt” (bijgevolg niet op de kapitaalmarkt). – 4112. “Naarmate het geld het land verlaat, vermindert de hoeveelheid in het land. Deze afname van het geld dat in het land blijft verhoogt de waarde van dit geld.” (Dit betekent oorspronkelijk in zijn theorie een waardestijging van het geld als geld, veroorzaakt door de afname van de circulatie, vergeleken met de warenwaarden; dus een stijging van de geldwaarde = een daling van de waarde van de waren. Maar intussen is zelfs voor hem ontegenzeglijk bewezen dat de circulerende geldhoeveelheid niet de prijs bepaalt, het is nu de vermindering van het geld als circulatiemiddel dat de waarde als rentegevend kapitaal en zo de rentevoet doet stijgen.) “En deze verhoogde waarde van het resterende geld stopt het wegvloeien en dit duurt totdat er zoveel geld terug is, als nodig, om het evenwicht te herstellen.” – Verderop meer over de contradicties van Overstone.
[101] Hier begint de verwarring, dat beide “geld” zijn, nl. het deposito als claim tot betaling van de bankier en het gedeponeerde geld in de hand van de bankier. Bankier Twells, voor het Bankcomité van 1857, geeft het volgende voorbeeld: “ik begin mijn handel met £10.000. Met £5.000 koop ik waren en sla ze op. De andere £5.000 deponeer ik bij een bankier, om daar op te trekken en te gebruiken indien nodig. Maar ik zie alles nog steeds als mijn kapitaal, hoewel £5.000 daarvan de vorm heeft van een deposito, óf de geldvorm.” (4528.) Hieruit ontstaat het volgende brave debat: 4531. “Dus u heeft uw £5.000 bankbiljetten aan iemand anders gegeven? – Jawel.” – 4532. “Dan heeft deze £5.000 deposito’s? – Jawel.” – 4533. “En u hebt £5.000 deposito’s? – Geheel juist.” – 4534. “Hij heeft £5.000 in geld en u hebt £5.000 in geld? – Jawel.” – 4535. “Maar uiteindelijk is het niets dan geld? – Neen.” – De verwarring ontstaat deels omdat: A, die £5.000 deponeerde, daarop kan trekken, maar net zo goed erover beschikt, alsof hij het nog had. Het fungeert voor hem als potentieel geld. Maar in alle gevallen, waar hij trekt, vernietigt hij zijn deposito pro tanto. Trekt hij echt geld en is zijn geld al elders geleend, dan wordt hij niet met zijn eigen geld betaalt, maar met dat van een andere depositeur. Betaalt hij een schuld aan B met een bankcheque en deponeert B deze cheque bij zijn bankier en heeft de bankier van A eveneens een bankcheque van B, zodat beide bankiers slechts de cheques ruilen, dan verricht het gedeponeerde geld van A tweemaal de geldfunctie; eerst bij deze die het door A gedeponeerde geld heeft ontvangen; en ten tweede bij A zelf. In de tweede functie is het een vereffening van de schuldvordering (de schuldvordering van A op zijn bankier en de schuldvordering van de laatste op de bankier van B) zonder tussenkomst van geld. Hier handelt het deposito tweemaal als geld, namelijk als reëel geld en vervolgens als een claim op geld. Geldvorderingen kunnen alleen de plaats innemen van geld door vereffening van schuldvorderingen.