Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

Illusies gecreëerd door de concurrentie

Er is aangetoond dat de waarde van de waren of de productieprijs gereguleerd door hun totale waarde zich oplost in:
1. Een waardedeel dat het constant kapitaal vervangt of de eerdere dode arbeid, die in de vorm van productiemiddelen werd verbruikt in de fabricage van de waren; kortom, de waarde of prijs waarmee deze productiemiddelen in het productieproces van de waren intreden. We spreken hier niet over de afzonderlijke waar, maar over het warenkapitaal, d.w.z. de vorm waarin het product van het kapitaal in een bepaalde tijdsperiode, bv. jaarlijks, en waarvan de afzonderlijke waar slechts een element vormt, dat overigens volgens zijn waarde eveneens analoog in dezelfde bestanddelen uiteenvalt.
2. Het waardedeel van het variabel kapitaal dat het inkomen van de arbeiders toemeet en voor dezen in arbeidsloon verandert; welk arbeidsloon dus de arbeider heeft gereproduceerd in dit variabel waardedeel; kortom, het deel van de waarde waarin het betaalde deel van het eerste constante deel in de warenproductie de nieuwe toegevoegde arbeid vertegenwoordigt.
3. De meerwaarde, d.w.z. het waardedeel van de warenproducten, dat de onbetaalde arbeid of meerarbeid vertegenwoordigt. Dit laatste waardedeel neemt opnieuw zelfstandige vormen aan, die tegelijkertijd revenuvormen zijn: de winstvormen van het kapitaal (interest van kapitaal als zodanig en ondernemerswinst van het kapitaal als fungerend kapitaal) en de grondrente, die toekomt aan de grondeigenaar die betrokken is bij het productieproces. Componenten 2 en 3, d.w.z. het waardebestanddeel dat altijd de revenuvormen van het arbeidsloon (dit alleen na eerder de vorm van variabel kapitaal te hebben doorlopen), winst en rente aanneemt, verschilt van de constante component, doordat het de gehele waarde oplost waarin het eerste constante deel de productiemiddelen van de waren met nieuwe toegevoegde arbeid materialiseert. Zien we nu af van het constante waardedeel, dan is het correct om te zeggen dat de waarde van de waar, in zoverre dat deze nieuwe toegevoegde arbeid vertegenwoordigt, voortdurend wordt opgelost in drie delen, die drie vormen van inkomsten vormen, arbeidsloon, winst en rente,[149] waarin de respectievelijke waardegrootten, d.w.z. de evenredige delen uit de totale waarde, worden bepaald door verschillende, bijzondere en eerder ontwikkelde wetten. Maar omgekeerd zou het fout zijn om te zeggen dat de waarde van de arbeidslonen, winstvoet en de rentevoet onafhankelijke constitutieve waarde-elementen zijn, waaruit de samenstelling van de waarde van de waar, afgezien van de constante component, voortkomt; met andere woorden, het zou verkeerd zijn om te zeggen dat ze de samenstellende bestanddelen zijn van de warenwaarde of de productieprijzen.[150]

Men ziet direct het verschil.
Stel dat de productwaarde van een kapitaal van 500 gelijk is aan 400c + 100v + 150m = 650; de 150m zijn verder onderverdeeld in 75 winst + 75 rente. Laten we bovendien, om onnodige problemen te voorkomen, veronderstellen dat het kapitaal een gemiddelde samenstelling heeft, zodat zijn productieprijs samenvalt met zijn waarde; dit samenvallen vindt altijd plaats wanneer het product van een dergelijk afzonderlijk kapitaal kan worden beschouwd als het product van een deel – overeenkomend met zijn omvang – van het totale kapitaal.

Hier vormt het arbeidsloon, gemeten aan het variabel kapitaal, 20 % van het voorgeschoten kapitaal; de meerwaarde, berekend op het totale kapitaal, is 30 %, namelijk 15 % winst en 15 % rente. Het totale waardebestanddeel van de waren, waarin de nieuw toegevoegde arbeid gematerialiseerd is, is gelijk aan 100v + 150m = 250. De omvang is onafhankelijk van de verdeling in arbeidsloon, winst en rente. We zien uit de verhouding van deze delen tot elkaar, dat de arbeidskracht, die werd betaald met 100 in geld, bv. £100, een hoeveelheid arbeid heeft geleverd, uitgedrukt in een som van £250. We zien dat de arbeider 11/2 keer meerarbeid leverde dan voor zichzelf. Als de werkdag = 10 uur, dan werkte hij 4 uur voor zichzelf en 6 uur voor de kapitalist. De arbeid van de met £100 betaalde arbeider is daarom uitgedrukt in een geldwaarde van £250. Buiten deze waarde van £250 is er niets te delen tussen arbeider en kapitalist, tussen kapitalist en grondeigenaar. Het is de totale waarde die nieuw is toegevoegd aan de waarde van de productiemiddelen, d.w.z. 400. De aldus bepaalde warenwaarde van 250, bepaald door de hoeveelheid concrete arbeid daarin, vormt daarom de grens aan de dividenden die arbeiders, kapitalisten en grondeigenaars uit deze waarde kunnen halen in de vorm van een revenu, arbeidsloon, winst en rente.

Laat ons stellen dat een kapitaal met dezelfde organische samenstelling, d.w.z., dezelfde verhouding tussen de aangewende levende arbeidskracht en het constant kapitaal dat het in beweging zet, wordt gedwongen £150 te betalen voor dezelfde arbeidskracht dat een constant kapitaal van £400 in beweging zet, in plaats van 100 te betalen; en verder dat winst en rente ook onder verschillende verhoudingen zich verdelen in de meerwaarde. Omdat verondersteld is dat het variabel kapitaal van £150 dezelfde hoeveelheid arbeid in beweging zet als dat van 100, zou de nieuw geproduceerde waarde nog steeds = 250 en zou de waarde van het totale product nog steeds = 650, maar dan hebben we: 400c + 150v + 100m; en deze 100m verdeelt zich bv. in 45 winst plus 55 rente. De verhouding waarin de nieuw geproduceerde totale waarde wordt opgesplitst in arbeidsloon, winst en rente zou heel verschillend zijn; evenzo zou de omvang van het voorgeschoten totale kapitaal anders zijn, hoewel het slechts dezelfde totale massa arbeid in beweging zet. Het arbeidsloon bedroeg 273/11 %, de winst 82/11 %, de rente 10 % op het voorgeschoten kapitaal; de totale meerwaarde dus iets meer dan 18 %.

Als gevolg van de stijging van het arbeidsloon zou het onbetaalde deel van de totale arbeid worden gewijzigd en daarmee de meerwaarde.

Voor een dag van 10 uren, zou de arbeider nu 6 uren voor zichzelf werken en slechts 4 uren voor de kapitalist. Ook de verhoudingen van winst en rente zouden verschillen, en de verminderde meerwaarde zou verdeeld zijn in een andere verhouding tussen kapitalist en grondeigenaar. Ten slotte, aangezien de waarde van het constant kapitaal ongewijzigd bleef en de waarde van het voorgeschoten variabel kapitaal toenam, werd de verminderde meerwaarde uitgedrukt in een nog meer verlaagde bruto winstvoet, waaronder we de verhouding van de totale meerwaarde tot het totale voorgeschoten kapitaal begrijpen.

De verandering in waarde van het arbeidsloon, in de winstvoet, in de rentevoet, ongeacht het effect van de wetten die de verhouding tussen deze delen reguleert, kon alleen bewegen binnen de grenzen van de nieuw gecreëerde warenwaarde van 250. Een uitzondering zou er alleen zijn als de rente gebaseerd was op een monopolieprijs. Dit verandert niets aan de wet, maar alleen de analyse compliceren. Want als we in dit geval alleen het product zelf beschouwen, dan zou alleen de verdeling van de meerwaarde anders zijn; maar als we de relatieve waarde tegenover de andere waren beschouwen, zou alleen dit verschil worden gevonden, dat een deel van de meerwaarde van hen naar deze specifieke waar werd overgedragen.

We recapituleren:


Productwaarde
Nieuwe waarde Meerwaardevoet Bruto winstvoet
Eerste geval: 400c + 100v + 150m = 650
250 150 % 30 %
Tweede geval: 400c + 150v + 100m = 650
250 662/3 % 182/11 %

Ten eerste daalt de meerwaarde met een derde van het vroegere bedrag, van 150 naar 100. De winstvoet daalt met iets meer dan een derde, van 30 % naar 18 %, omdat de verminderde meerwaarde moet worden berekend op basis van een verhoogd totaal voorgeschoten kapitaal. Maar ze daalt geenszins in dezelfde verhouding als de meerwaardevoet. Deze daalt van 150/100 tot 100/150, dus van 150 % tot 662/3, terwijl de winstvoet daalt van 150/500 tot 100/500 of van 30 % tot 182/11 %. De winstvoet daalt in verhouding meer dan de hoeveelheid meerwaarde, maar minder dan de meerwaardevoet. Verder zien we dat de waarden net als de hoeveelheid producten, hetzelfde blijven wanneer dezelfde hoeveelheid arbeid wordt gebruikt, hoewel het voorgeschoten kapitaal is toegenomen als een gevolg van de toename van zijn variabel deel. Deze toename van het voorgeschoten kapitaal zou echter heel tastbaar zijn voor de kapitalisten die beginnen met een nieuw bedrijf. Maar als we kijken naar de totale reproductie, betekent de toename van het variabel kapitaal niets meer dan dat een groter deel van de nieuw gecreëerde waarde door de nieuw toegevoegde arbeid wordt omgezet in een arbeidsloon en dus eerst in variabel kapitaal, in plaats van meerwaarde en meerproduct. De waarde van het product blijft dus hetzelfde, omdat het enerzijds wordt beperkt door de constante kapitaalwaarde = 400, en anderzijds door het getal 250, waarin de nieuw toegevoegde arbeid wordt weergegeven. Beide zijn ongewijzigd gebleven. Dit product, voor zover het zelf constant kapitaal wordt, zou nog steeds met eenzelfde waardegrootte, evenveel gebruikswaarde voorstellen; dus dezelfde hoeveelheid elementen van het constant kapitaal behouden dezelfde waarde. Het zou anders zijn als het arbeidsloon zou stijgen, niet omdat de arbeider een groter deel van zijn eigen arbeid krijgt, maar omdat hij een groter deel van zijn eigen arbeid krijgt, omdat de arbeidsproductiviteit zou dalen. In dat geval zou de totale waarde, waarin dezelfde arbeid, betaald en onbetaald, belichaamd is, hetzelfde zijn; maar de hoeveelheid product, waarin deze hoeveelheid arbeid belichaamd is, zou dalen, dus de prijs van elk evenredig deel van het product zou stijgen, omdat elk deel meer arbeid vertegenwoordigt. Het verhoogde arbeidsloon van 150 vertegenwoordigde niet meer product dan het vroegere van 100; de verminderde meerwaarde van 100 vertegenwoordigde slechts nog 2/3 van het product in vergelijking met vroeger, 662/3 % van de hoeveelheid gebruikswaarde, vroeger vertegenwoordigd in de 100. In dit geval zou het constant kapitaal duurder zijn, voor zover het product erin wordt opgenomen. Maar dit zou niet het gevolg zijn van de stijging van de arbeidslonen, maar de stijging van de lonen zou het gevolg zijn van de prijsstijging van de waren en het resultaat van een verminderde productiviteit van dezelfde hoeveelheid arbeid. Hier ontstaat de schijn, alsof de stijging van de arbeidslonen het product duurder zou hebben gemaakt; maar dat is hier niet de oorzaak, maar het resultaat van een verandering in de waarde van de waar als gevolg van de verminderde arbeidsproductiviteit.

Indien echter, onder gelijke omstandigheden, waarbij dezelfde hoeveelheid arbeid nog steeds aanwezig is in de 250, de waarde van de gebruikte productiemiddelen toe- of afneemt, zou de waarde van dezelfde hoeveelheid producten met dezelfde hoeveelheid toenemen of afnemen. 450c + 100v + 150m geeft een productwaarde = 700; daarentegen 350c + 100v + 150m voor de waarde van dezelfde hoeveelheid producten slechts 600 tegen vroeger 650. Wanneer het voorgeschoten kapitaal stijgt of daalt en dezelfde hoeveelheid arbeid in gang zet, dan neemt de waarde van het product toe of af, bij gelijke omstandigheden, als de toename of afname van het voorgeschoten kapitaal het gevolg is van een verandering in de grootte van de waarde van het constant kapitaalgedeelte. Aan de andere kant blijft het ongewijzigd als de toe- of afname van het voorgeschoten kapitaal het gevolg is van een verandering in waarde van het variabele deel van het kapitaal, bij een zelfde arbeidsproductiviteit. Wat het constante kapitaal betreft, is de toe- of afname van waarde niet gecompenseerd door een tegengestelde beweging. In het geval van het variabel kapitaal, uitgaande van een gelijk blijvende arbeidsproductiviteit, wordt de toe- of afname van de waarde gecompenseerd door de omgekeerde beweging aan de kant van de meerwaarde, zodat de waarde van het variabel kapitaal plus meerwaarde, dus van de productiemiddelen die nieuw zijn toegevoegd door de arbeid, de nieuwe in het product weergegeven waarde ongewijzigd blijft.

Als daarentegen de toe- of afname van de waarde van het variabel kapitaal of de arbeidslonen een gevolg is van de stijging of daling van de prijs van de waren, d.w.z. door daling of toename van de arbeidsproductiviteit van de arbeid met deze investering, heeft dit een effect op de waarde van het product. Maar het stijgen of dalen van de lonen is hier geen oorzaak, maar alleen gevolg.

Zou daarentegen in het bovenstaande voorbeeld, met een gelijk blijvend constant kapitaal = 400c, de verandering van 100v + 150m naar 150v + 100m, ofwel het stijgen van het variabel kapitaal, het gevolg zijn van de afname van de arbeidsproductiviteit, niet in deze specifieke tak, bv. katoenspinnerij, maar bijvoorbeeld de landbouw, die het voedsel van de arbeiders levert, dus met het gevolg van duurder wordende voedingsmiddelen, dan bleef de waarde van het product onveranderd. De waarde van 650 zou nog steeds in dezelfde hoeveelheid katoengaren vertegenwoordigd zijn.

Wat we hebben geschetst toont ook aan: als de vermindering van de besteding van constant kapitaal door middel van economiseren enz., in de productiesectoren intreedt, waarvan de producten in de arbeidersconsumptie komen, dan kan dit net zo goed als de directe toename van de productiviteit van de aangewende arbeid, een vermindering van de arbeidslonen zijn, vanwege het goedkoper worden van de levensmiddelen van de arbeiders en dus een toename van de meerwaarde; zodat de winstvoet om twee redenen groter wordt, enerzijds omdat de waarde van constant kapitaal afneemt en anderzijds omdat de meerwaarde toeneemt. Bij onze beschouwing van de omzetting van meerwaarde in winst gingen we ervan uit dat de lonen niet dalen, maar constant blijven, omdat we daar fluctuaties in de winstvoet moesten onderzoeken, onafhankelijk van veranderingen in de meerwaardevoet. Bovendien zijn de daar ontwikkelde wetten algemeen en ook van toepassing op investeringen waarvan de producten niet in consumptie komen van de arbeiders, waarbij de waardeveranderingen van het product geen effect heeft op de arbeidslonen.


De verbijzondering en oplossing van de nieuw toegevoegde waarde aan de productiemiddelen of het constante kapitaaldeel door de jaarlijks nieuw toegevoegde arbeid in de verschillende revenuvormen over arbeidsloon, winst en rente, verandert dus niets aan de grenzen van de waarde zelf, aan de waardesom, die zich over deze verschillende categorieën verdeelt; net zo min als een verandering in de verhouding van deze afzonderlijke delen tot elkaar, hun som, de gegeven waardegrootte, kan veranderen. Het gegeven getal 100 blijft altijd hetzelfde, ongeacht of het wordt onderverdeeld in 50 + 50 of 20 + 70 + 10 of 40 + 30 + 30. Het waardegedeelte van het product dat in deze revenuen is verdeeld, wordt, net als het constante waardedeel van het kapitaal, bepaald door de waarde van de waren, d.w.z. door de hoeveelheid arbeid die telkens in hen gematerialiseerd is. In de eerste plaats is er dus de waardemassa van de waren, verdeeld in arbeidsloon, winst en rente; dus de absolute limiet van de som van de waarden van deze waren. Ten tweede, wat de afzonderlijke categorieën betreft, zijn hun gemiddelde en gereguleerde grenzen eveneens gegeven. Het arbeidsloon is de basis van deze limiet. Aan de ene kant is dit door een natuurwet gereguleerd; de minimale grens is gegeven door het fysieke minimum aan levensmiddelen dat de arbeider moet kopen om zijn arbeidskracht te behouden en te reproduceren; dus door een bepaalde hoeveelheid waren. De waarde van deze waren wordt bepaald door de arbeidstijd die nodig is voor hun reproductie; dus door het deel van de nieuwe toegevoegde arbeid aan de productiemiddelen, of ook door de [1e oplage: ieder; veranderd volgens het manuscript van Marx] arbeidsdag, waarvoor de arbeider een equivalent van de waarde van deze noodzakelijke levensmiddelen moet produceren en reproduceren. Heeft bv. zijn dagelijks gemiddelde van levensmiddelen een waarde = 6 uur gemiddelde arbeid, dan moet hij gemiddeld 6 uur van zijn werkdag voor zichzelf werken. De reële waarde van zijn arbeidskracht wijkt af van dit fysieke minimum; het verschilt afhankelijk van klimaat en het niveau van de maatschappelijke ontwikkeling; het hangt niet alleen af van de fysieke, maar ook van de historisch ontwikkelde maatschappelijke behoeften, die een tweede natuur werden. Maar in elk land in een gegeven periode is dit regulerende gemiddelde arbeidsloon een gegeven grootte. De waarde van alle andere inkomsten heeft aldus een limiet. Die is altijd gelijk aan de waarde van de totale arbeidsdag (die hier samenvalt met de gemiddelde arbeidsdag, omdat deze de totale hoeveelheid arbeid omvat die door het totale maatschappelijke kapitaal in gang is gezet), minus het deel ervan dat belichaamd is in het arbeidsloon. Zijn limiet is dus gegeven door de grens van de waarde waarin de onbetaalde arbeid uitgedrukt is, d.w.z. door het kwantum van deze onbetaalde arbeid. Als het deel van de arbeidsdag, dat de arbeider nodig heeft om de waarde van zijn loon te reproduceren, in het fysieke minimum van zijn loon zijn laatste grens heeft, dan heeft het andere deel van de arbeidsdag, dat zijn meerarbeid belichaamd, dus ook het waardedeel dat de meerwaarde uitdrukt, zijn grens in het fysieke maximum van de arbeidsdag, d.w.z. de totale hoeveelheid dagelijkse arbeidstijd die de arbeider kan geven met behoud en reproductie van zijn arbeidskracht. Daar de huidige beschouwing handelt over de verdeling van de waarde, waarin de totale jaarlijks toegevoegde arbeid is weergegeven, kan de arbeidsdag als een constante grootte worden beschouwd en als zodanig verondersteld, hoe veel of hoe weinig deze ook afwijkt van zijn fysieke maximum. De absolute grens van het waardedeel, dat de meerwaarde vormt en dat oplost in winst en grondrente, is dus gegeven. Het wordt bepaald door het overschot van het onbetaalde deel van de arbeidsdag op het betaalde, dus door het waardedeel van het totale product waarin deze meerarbeid wordt gerealiseerd. Noemen we, zoals ik heb gedaan, de binnen zijn grenzen bepaalde, en op het voorgeschoten totale kapitaal berekende meerwaarde, de winst, dan is deze winst, naar zijn absolute grootte beschouwd, gelijk aan de meerwaarde, dus binnen zijn grenzen net zo wetmatig bepaald als deze. De hoogte van de winstvoet is echter eveneens een bepaalde grootte, bepaald door de waarde van de waren. Het is de verhouding tussen de totale meerwaarde en het totale maatschappelijke kapitaal dat is voorgeschoten voor de productie. Is dit kapitaal = 500 (voor mijn part miljoenen) en de meerwaarde = 100, dan is 20 % de absolute grens van de winstvoet. De verdeling van de maatschappelijke winst in verhouding tot deze voet van het geïnvesteerde kapitaal in de verschillende productiesectoren leidt tot productieprijzen die afwijken van de waarden van de waren, die de echt regulerende gemiddelde marktprijzen zijn. Maar deze afwijking schaft noch de bepaling van prijzen door waarden noch de reguliere winstgrenzen af. In plaats dat de waarde van een waar gelijk is aan het daarin geconsumeerde kapitaal plus de erin vervatte meerwaarde, is de productieprijs nu gelijk aan het verbruikte kapitaal k plus de meerwaarde, dat als gevolg van de algemene winstvoet, bv. 20 %, aan het kapitaal toekomt omdat het is voorgeschoten ter wille van de productie, zowel geconsumeerd als aangewend. Maar deze toeslag van 20 % wordt zelf bepaald door de meerwaarde die wordt gegenereerd door het totale maatschappelijke kapitaal en de verhouding ervan tot de waarde van het kapitaal; daarom is het 20 % en niet 10 of 100. De verandering van waarden in productieprijzen heft dus niet de winstgrenzen op, maar verandert slechts de verdeling ervan over de verschillende aparte kapitalen, die het maatschappelijke kapitaal vormen, en verdeelt deze evenredig in verhouding tot de waardegedeelten van dat totale kapitaal. De marktprijzen stijgen en dalen tegenover deze regulerende productieprijzen, maar deze schommelingen heffen elkaar op. Kijkt men naar de prijslijsten gedurende een langere periode en trekt men er de gevallen af waarin de reële waarde van de waren verandert als gevolg van een verandering van de arbeidsproductiviteit, en ook de gevallen waarin het productieproces werd verstoord door natuurlijke of maatschappelijke ongelukken, dan zal men zich ten eerste verwonderen over de relatief nauwe grenzen van afwijkingen en ten tweede door de regelmaat van hun gelijkmaking. Hier vindt men dezelfde wet van de regulerende gemiddelden, zoals aangetoond door Quetelet in de sociale fenomenen. Als het nivelleren van de warenwaarde naar de productieprijs geen obstakels tegenkomt, dan lost de rente zich op in de differentiaalrente, d.w.z. het is beperkt tot de gelijkmaking van de surpluswinsten die de regulerende productieprijzen aan een deel van de kapitalisten zou geven en die nu door de grondeigenaar wordt toegeëigend. Hier heeft de rente dus zijn preciese waardelimiet in de afwijkingen van de individuele winstvoeten die de regulering van de productieprijzen door de algemene winstvoet veroorzaakt. Staat de grondeigendom het nivelleren van de warenwaarde naar de productieprijs in de weg en eigent het zich de absolute rente toe, dan is deze begrensd door het overschot van de waarde van de bodemproducten boven hun productieprijs, dus door het overschot van de meerwaarde die ze bevatten en hoger is dan de algemene winstvoet dan toegekend aan het kapitaal door die algemene winstvoet. Dit verschil vormt dan de limiet van de rente, die nog steeds slechts een bepaald deel vormt van de gegeven meerwaarde die de waren bevatten.

Ondervindt ten slotte het nivelleren van de meerwaarde naar een gemiddelde winst in de verschillende productiesectoren een obstakel in kunstmatige of natuurlijke monopolies, met name het monopolie op grondeigendom, zodat er een monopolieprijs mogelijk zou zijn die boven de productieprijs en de waarde van de waren, waarop het monopolie effect heeft, zou stijgen, dan zou daardoor de gegeven limiet van de waarde van de waren niet worden afgeschaft. De monopolieprijs van bepaalde waren zou enkel een deel van de winst van de andere warenproducenten op de waren met de monopolieprijs overdragen. Er zou indirect sprake zijn van een lokale verstoring van de verdeling van de meerwaarde over de verschillende productiesectoren, maar daarmee zou de grens van deze meerwaarde zelf onveranderd blijven. Als de waar met de monopolieprijs in de noodzakelijke consumptie van de arbeiders opgenomen wordt, zou dit het arbeidsloon verhogen en daardoor de meerwaarde verminderen, als de arbeider betaald wordt volgens de waarde van zijn arbeidskracht. Het kan het arbeidsloon verlagen tot onder de waarde van de arbeidskracht, maar alleen voor zover het boven de grens blijft van het fysieke minimum.

In dit geval zou de monopolieprijs worden betaald door de reële lonen (d.w.z. de hoeveelheid gebruikswaarden die de arbeider ontvangt voor dezelfde hoeveelheid arbeid) en de winsten van andere kapitalisten in mindering te brengen. De grenzen waarbinnen de monopolieprijs de normale regulering van de warenprijzen beïnvloedt, zouden goed en precies te berekenen zijn.

Dus, net zoals de verdeling van de nieuw toegevoegde warenwaarde, en, algemeen, een waarde oplosbaar in een revenu, gegeven is en zijn regulerende grenzen vindt in de verhouding tussen de noodzakelijke en de meerarbeid, arbeidsloon en meerwaarde, zo ook de verdeling van de meerwaarde in winst en grondrente in de wetten die het egaliseren van de winstvoet regelen. Met het splitsen in interest en ondernemerswinst vormt de gemiddelde winst zelf de limiet voor beide. Het geeft de gegeven waardegrootte weer, waarin het zich moet verdelen en alleen kan verdelen. De specifieke verhouding van verdelen is hier toevallig, d.w.z. uitsluitend bepaald door de concurrentieverhoudingen. Hoewel anders de dekking van vraag en aanbod gelijk is aan het opheffen van het afwijken van de marktprijzen van hun regulerende gemiddelde prijzen, d.w.z. het wegvallen van de invloed van de concurrentie, is zij hier de enige bepalende factor. Maar waarom? Omdat dezelfde productiefactor, het kapitaal, het deel van de meerwaarde moet delen, dat hem toekomt, onder twee bezitters van dezelfde productiefactor. Maar dat er geen definitieve wetmatige limiet is voor de verdeling van de gemiddelde winst, dat heft niet zijn limiet als deel van de warenwaarde op; net zo min als het feit dat twee vennoten van een bedrijf, bepaald door verschillende externe omstandigheden, de winst ongelijk verdelen, op een of andere manier de grens van deze winst beïnvloeden.

Als dan het deel van de warenwaarde waarin de arbeid die nieuw is toegevoegd aan de waarde van de productiemiddelen, wordt ontbonden in verschillende delen, die in de vorm van revenuen tegenover elkaar zelfstandige vormen aannemen, is dit daarom in geen geval nu een reden om het arbeidsloon, winst en grondrente als constituerende elementen te beschouwen, en uit hun samenstelling of som de regulerende prijs (natural price, prix nécessaire [natuurlijke prijs, noodzakelijke prijs]) van de waren zelf ontstaat; zodat niet de warenwaarde, na aftrek van het constante deel van de waarde, niet de oorspronkelijke eenheid is, die in deze drie delen uiteenvalt, maar omgekeerd, de prijs van elk van deze drie delen zou onafhankelijk worden bepaald, en uit de optelling van deze drie onafhankelijke hoeveelheden vormt zich eerst de prijs van de waar. In werkelijkheid is de waarde van de waren de veronderstelde grootte, de som van de totale waarde van arbeidsloon, winst en rente, wat ook hun relatieve grootte ten opzichte van elkaar is. In de eerste foute opvatting zijn arbeidsloon, winst en rente drie onafhankelijke waardegrootten, waarvan de totale grootte de warenwaarde produceert, begrenst en bepaalt.

Allereerst is het duidelijk dat als lonen, winst en rente de warenprijs vormt, dit evenzeer een constant deel is van de waarde van de waren, als het andere deel, het variabel kapitaal en de meerwaarde. Dit constante deel kan dus hier buiten beschouwing worden gelaten, omdat de waarde van de waren, waaruit het bestaat, ook zou oplossen in de som van de waarden van arbeidsloon, winst en rente. Zoals reeds opgemerkt, ontkent deze visie ook het bestaan van een dergelijk constant waardedeel.

Het is ook duidelijk dat hier het concept van waarden verdwijnt. Er rest alleen het idee van prijs, in die zin dat een bepaald bedrag wordt betaald aan de bezitters van arbeidskracht, kapitaal en grond. Maar wat is geld? Geld is geen ding, maar een bepaalde vorm van waarde, het veronderstelt dus opnieuw waarde. We willen dus zeggen, dat een bepaalde hoeveelheid goud of zilver wordt betaald voor elk productie-element, of dat deze hoeveelheid in gedachte wordt gelijkgesteld. Maar goud en zilver (en de verlichte econoom is trots op dit inzicht) zijn zelf waren zoals alle andere waren. De prijs van goud en zilver wordt dus ook bepaald door arbeidsloon, winst en rente. We kunnen dus het loon, winst en rente niet bepalen door ze gelijk te stellen aan een bepaalde hoeveelheid goud en zilver, want de waarde van dat goud en zilver, waarin ze als hun equivalent moeten worden getaxeerd, zou precies via hen moeten, onafhankelijk van goud en zilver, d.w.z. onafhankelijk van de waarde van elke waar, dat nu precies het product is van die drie, die eerst moeten worden bepaald. Zeggen dat de waarde van het loon, winst en rente daarin bestaat dat ze gelijk zijn aan een bepaalde hoeveelheid goud en zilver, zou alleen betekenen dat ze gelijk zijn aan een bepaalde hoeveelheid loon, winst en rente.

We nemen eerst het arbeidsloon. Want de arbeid is ook het uitgangspunt in deze opvatting. Hoe wordt dus de gereguleerde prijs van het arbeidsloon bepaald, de prijs waarrond de marktprijzen schommelen?

Laat ons zeggen, door vraag en aanbod van de arbeidskracht. Maar om welke vraag naar arbeidskracht gaat het hier? Een vraag van het kapitaal. De vraag naar arbeid is dus gelijk aan het aanbod van kapitaal. Om te spreken over aanbod van kapitaal, moeten we vooral weten wat kapitaal is. Waaruit bestaat het kapitaal? Nemen we zijn eenvoudigste verschijning: uit geld en waren. Maar geld is slechts een vorm van de waar. Dus van waren. Maar de waarde van de waren wordt in eerste instantie bepaald door de prijs van de producerende arbeid, het arbeidsloon. Het arbeidsloon wordt hier verondersteld en behandeld als een vormend element van de warenprijs. Deze prijs moet nu worden bepaald door de verhouding van de aangeboden arbeid tot het kapitaal. De prijs van het kapitaal zelf is gelijk aan de prijs van de waren waaruit het bestaat. De vraag van het kapitaal naar arbeid is gelijk aan het aanbod van kapitaal. En het aanbod van kapitaal is gelijk aan het aanbod van een som waren van een gegeven prijs, en deze prijs wordt in eerste instantie gereguleerd door de prijs van de arbeid, en de prijs van de arbeid is op zijn beurt gelijk aan dat deel van de warenprijzen, waaruit het variabele kapitaal bestaat, dat aan de arbeider wordt gegeven in ruil voor zijn arbeid; en de prijs van de waren, waaruit dit variabel kapitaal bestaat, wordt zelf weer eerst bepaald door de prijs van de arbeid, want die wordt bepaald door de prijs van het arbeidsloon, winst en rente. Om het loon te bepalen, kunnen we dus geen kapitaal veronderstellen, omdat de waarde van het kapitaal zelf ook wordt bepaald door het loon.

Bovendien heeft het geen zin om de concurrentie te introduceren. De concurrentie doet de marktprijs van de arbeid stijgen of dalen. Maar gesteld dat vraag en aanbod van de arbeid in evenwicht zijn. Waardoor wordt dan het arbeidsloon bepaald? Door de concurrentie. Maar we hebben net aangenomen dat competitie niet langer als een bepalende factor fungeert, dat de invloed ervan wordt opgeheven vanwege het evenwicht tussen de twee onderling tegengestelde krachten. We willen nu net de natuurlijke prijs van de lonen vinden, d.w.z. de prijs van de arbeid, die niet wordt gereguleerd door de concurrentie, maar deze in omgekeerde volgorde reguleert.

Er blijft dus niets anders over dan de noodzakelijke prijs van de arbeid te bepalen door de noodzakelijke levensmiddelen van de arbeiders. Maar deze levensmiddelen zijn waren die een prijs hebben. De prijs van de arbeid is dus bepaald door de prijs van de noodzakelijke levensmiddelen, en de prijs van de levensmiddelen is, zoals dat van alle andere waren, in eerste instantie bepaald door de prijs van de arbeid. Dus is de prijs van de levensmiddelen bepaald door de prijs van de arbeid die wordt bepaald door de prijs van arbeid. De prijs van de arbeid wordt door zichzelf bepaald. Met andere woorden, we weten niet waardoor de prijs van arbeid bepaald is. De arbeid heeft hier zeker een prijs, omdat het als een waar wordt beschouwd. Om te spreken over de prijs van de arbeid, moeten we weten wat de prijs is in het algemeen. Maar wat de prijs is, komen we zeker niet te weten op deze wijze.

Laten we echter aannemen dat de noodzakelijke prijs van de arbeid op deze aangename manier wordt bepaald. Wat dan met de gemiddelde winst, de winst van elk kapitaal in normale omstandigheden, dat het tweede prijselement van de waren is? De gemiddelde winst moet bepaald zijn door een gemiddelde winstvoet; hoe wordt die bepaald? Door de concurrentie tussen de kapitalisten? Maar deze concurrentie impliceert al het bestaan van winst. Het veronderstelt verschillende winstvoeten, dus verschillende winsten, zowel in dezelfde als in verschillende bedrijfstakken. De concurrentie kan alleen invloed hebben op de winstvoet, voor zover deze effect heeft op de prijzen van de waren. De concurrentie kan alleen producenten binnen dezelfde productiesector ertoe brengen hun waren tegen dezelfde prijzen te verkopen en, binnen verschillende productiesectoren, hun waren te verkopen tegen prijzen die dezelfde winst oplevert, dezelfde proportionele toevoeging op de warenprijs, die al gedeeltelijk door het arbeidsloon wordt bepaald. De concurrentie kan daarom alleen ongelijkheden in de winstvoet nivelleren. Om ongelijke winstvoeten te nivelleren, moet de winst al bestaan als element van de warenprijzen. De concurrentie creëert ze niet. Ze verhoogt of verlaagt, maar ze creëert niet het niveau dat na het nivelleren ervan tot stand komt. En, sprekend over een noodzakelijke winstvoet, willen we de winstvoet kennen onafhankelijk van de bewegingen van de concurrentie, die op zijn beurt de concurrentie reguleert. De gemiddelde winstvoet wordt bereikt wanneer de krachten van de concurrerende kapitalisten in evenwicht zijn. De concurrentie kan dit evenwicht realiseren, maar niet de winstvoet, na dit bereikte evenwicht. Zodra dit evenwicht er is, waarom is de algemene winstvoet dan 10, 20 of 100 %? Vanwege de concurrentie. Maar omgekeerd heeft de concurrentie de oorzaken opgeheven die de afwijkingen veroorzaakten van de 10, 20 of 100 %. Het heeft een warenprijs teweeggebracht waarbij elk kapitaal dezelfde winst opleverde in verhouding tot zijn grootte. De grootte van deze winst is echter zelf onafhankelijk van hen. Ze reduceert slechts alle afwijkingen opnieuw en opnieuw tot deze omvang. Een man concurreert met een ander en de concurrentie dwingt hem om zijn koopwaar te verkopen tegen dezelfde prijs als de laatste. Maar waarom is deze prijs 10 of 20 of 100?

Er blijft dus niets anders over dan de winstvoet, en dus de winst, te verklaren als een niet te begrijpen toevoeging op de warenprijs, die tot nu toe bepaald werd door het loon. Het enige dat de concurrentie ons vertelt, is dat deze winstvoet een bepaalde grootte moet hebben. Maar dat wisten we al eerder toen we het hadden over de algemene winstvoet en de “noodzakelijke prijs” van de winst.

Het is volstrekt onnodig om de zelfde grondrente-redenering opnieuw te hernemen. Men ziet toch duidelijk dat, enigszins consequent uitgevoerd, winst en rente als louter prijsverhogingen, bepaald door onbegrijpelijke wetten, in eerste instantie verschijnen als een warenprijs bepaald door het arbeidsloon. Kortom, de economen doen een beroep op de concurrentie om de feiten te verduidelijken die ze niet kunnen verklaren, terwijl de economen omgekeerd de concurrentie hadden te verklaren.

Gaan we voorbij aan de fantasie van een winst en een rente, gecreëerd door de circulatie, d.w.z. bestanddelen van de prijs die door de verkoop ontstaan – en de circulatie kan nooit geven wat het niet eerst is gegeven – komt het eenvoudigweg hier op neer:
De prijs van een waar bepaald door het loon is = 100; de winstvoet is 10 % op het arbeidsloon en de rente is 15 % op het arbeidsloon. De prijs van de waar, bepaald door de som van lonen, winst en rente, is dus = 125. Deze verhoging van 25 kan niet afkomstig zijn van de verkoop van de waren. Want allen die aan elkaar verkopen, verkopen het elkaar aan wat het 100 arbeidsloon heeft gekost, tegen 125; wat hetzelfde is als zouden ze alle tegen 100 verkopen. De operatie moet daarom onafhankelijk van het circulatieproces worden beschouwd.

Als de arbeider, de kapitalist en de grondbezitter hun deel nemen in de waren, die nu 125 kosten – en het verandert niets als de kapitalist eerst tegen 125 verkoopt en dan de arbeider 100, zichzelf 10 en de grondbezitter 15 betaalt – dan krijgt de arbeider 4/5 = 100 van de waarde en van het product. De kapitalist krijgt van de waarde en van het product 2/25 en de grondbezitter 3/25. Door te verkopen tegen 125 in plaats van 100, geeft de kapitalist de arbeider slechts 4/5 van het product waarin zijn werk is vertegenwoordigd. Het zou hetzelfde zijn als hij de arbeider 80 had gegeven en 20 had behouden, waarvan 8 voor hem en 12 voor de rentenier. Hij had dan de waar tegen haar waarde verkocht, want de prijstoeslag op de waarde van de waar, die in deze veronderstelling wordt bepaald door de waarde van de lonen, is onafhankelijk van de verhogingen. Met een omweg komt het erop neer dat in deze voorstelling het woord arbeidsloon, die 100, gelijk is aan de waarde van het product, d.w.z. = een som geld dat een bepaalde hoeveelheid werk vertegenwoordigt; maar dat deze waarde weer verschilt van het reële loon en daarom een surplus geeft. Hier verkregen door een nominale prijstoeslag. Als het loon gelijk was aan 110 in plaats van 100, zou de winst 11 moeten zijn en de grondrente = 161/2, dus de warenprijs = 1371/2. Het zou de verhouding onveranderd laten. Maar aangezien de verdeling altijd gebeurt door een nominale toeslag van een bepaald aantal procenten op het loon, zou de prijs stijgen en dalen met het arbeidsloon. Het loon wordt hier eerst gelijkgesteld aan de waarde van de waren en vervolgens weer gescheiden. In feite komt het via een gedachteloze omweg erop neer dat de waarde van de waar wordt bepaald door de hoeveelheid arbeid die erin zit, de waarde van de lonen echter wordt bepaald door de prijs van de noodzakelijke levensmiddelen en het overschot aan waarde ten opzichte van de arbeidslonen vormt de winst en de rente.

De ontbinding van de waarde van de waren, na aftrek van de waarde van de verbruikte productiemiddelen in de productie, de ontbinding van deze gegeven hoeveelheid arbeid, gematerialiseerd in de drie bestanddelen van de warenmassa, die als loon, winst en grondrente, de vorm aannemen van zelfstandige en van elkaar onafhankelijke inkomsten – deze ontbinding presenteert zich omgekeerd aan de oppervlakte van de kapitalistische productie en vandaar in de opvatting van zijn partijdige vertegenwoordigers.

Is de totale waarde van een willekeurige waar = 300, waarvan 200 de waarde is van de productiemiddelen die worden verbruikt in hun productie of elementen van het constant kapitaal. Dan blijft er 100 als de som van de nieuwe toegevoegde waarde – aan deze waar – in het productieproces. Deze nieuwe waarde van 100 is alles wat beschikbaar is om te verdelen in de drie revenuvormen. Nemen we het loon = x, de winst = y, de grondrente = z, dan is de som van x + y + z in ons geval altijd = 100. Maar dit is niet de manier waarop industriëlen, handelaren, bankiers en de vulgair-economen de dingen zien.

Voor hen is niet de waarde van de waren het uitgangspunt; na aftrek van de waarde van de erin verbruikte productiemiddelen, die gegeven = 100, die vervolgens worden verdeeld in x, y en z. Maar de prijs van de waar bestaat eenvoudigweg uit de waarden van lonen, winst en rente, die worden bepaald door hun waardegrootte en onafhankelijk van elkaar, zodat x, y, z elk onafhankelijk gegeven en bepaald is, en uit de som van deze grootheden, die kleiner of groter dan 100 kan zijn, de waardegrootte van de waar zelf, als gevolg van de optelling, resulteert in de vorming van waarde. Dit quid pro quo is noodzakelijk:

Ten eerste, omdat de waardedelen van de waren tegen over elkaar staan als zelfstandige inkomsten en die als zodanig gerelateerd zijn aan drie geheel verschillende productieagenten, arbeid, kapitaal en grond, en die daarom daaruit lijken te ontstaan. Eigendom van arbeid, van kapitaal, van grond, is de oorzaak dat deze verschillende waardedelen van de waren naar deze respectievelijke eigenaren gaan en ze daarom veranderen in revenuen. Maar waarde ontstaat niet uit de verandering in een revenu, die moet er zijn voordat het kan worden veranderd in inkomen en die gedaante kan aannemen. Deze omgekeerde illusie bevestigt zich des te meer, daar de bepaling van de relatieve grootte van deze drie delen wederzijds verschillende wetten volgt, waarvan het verband met en de beperking door de waarde van de waar zelf op geen enkele wijze aan de oppervlakte te zien is.

Ten tweede: we hebben gezien dat een algemene stijging of daling van de lonen, in gelijke omstandigheden, een beweging van de algemene winstvoet in de tegenovergestelde richting teweegbrengt en de productieprijzen van de verschillende waren wijzigt, die de ene verhoogt, de andere verlaagt, volgens de gemiddelde samenstelling van het kapitaal in de betrokken productiesectoren. In elk geval wordt in enkele productiesectoren ervaren dat de gemiddelde prijs van een waar stijgt of daalt, omdat de lonen zijn gestegen of gedaald. Wat niet “ervaren” wordt, is de geheime regulering van deze veranderingen door de van het arbeidsloon onafhankelijke waarde van de waren. Is daarentegen de loonstijging plaatselijk, als deze alleen in bepaalde productiesectoren plaatsvindt als gevolg van bijzondere omstandigheden, dan kan er een overeenkomstige nominale prijsstijging zijn van deze waren. Deze toename van de relatieve waarde van één soort waren ten opzichte van de anderen, waar de lonen ongewijzigd zijn gebleven, is dan alleen een reactie tegen de lokale verstoring van de gelijkmatige verdeling van de meerwaarde over de verschillende productiesectoren, een middel om de specifieke winstvoeten gelijk te maken aan de algemene. Deze ervaren “ervaring”, is opnieuw de bepaling van de prijs door het arbeidsloon. Wat in deze twee gevallen wordt ervaren, dat is, dat het arbeidsloon de warenprijzen bepalen. Wat niet ervaren wordt, is de verborgen oorzaak van deze samenhang. Verder: de gemiddelde prijs van de arbeid, d.w.z. de waarde van de arbeidskracht, wordt bepaald door de productieprijs van de noodzakelijke levensmiddelen. Stijgt of daalt die, dan ook de anderen. Wat hier opnieuw ervaren wordt, dat is het bestaan van een verband tussen de lonen en de warenprijs; maar de oorzaak kan zich als een effect en het effect zich als oorzaak presenteren, zoals dit het geval is met de beweging van de marktprijzen, waar een stijging van de lonen boven het gemiddelde, in perioden van welvaart, verbonden is met de stijging van de marktprijzen boven de productieprijzen en de daaropvolgende daling van de lonen onder het gemiddelde tot de daling van de marktprijzen onder de productieprijzen. Afgezien van de schommelingen van de marktprijs, moet de correlatie van de productieprijs met de waarde van de waren, altijd prima facie resulteren in de ervaring dat als het loon stijgt, de winstvoet daalt en omgekeerd. Maar we hebben gezien dat de winstvoet kan worden bepaald door bewegingen in de waarde van het constant kapitaal, onafhankelijk van de loonbewegingen; zodat de lonen en de winstvoet in plaats van in tegengestelde richting te bewegen, samen kunnen stijgen of dalen. Valt de meerwaardevoet direct samen met de winstvoet, dan is dit niet mogelijk. Ook als de lonen stijgen als gevolg van gestegen voedselprijzen, kan de winstvoet gelijk blijven of zelfs stijgen, als gevolg van de grotere arbeidsintensiteit of een verlenging van de werkdag. Al deze ervaringen bevestigen de schijn, teweeggebracht door de zelfstandige en verdraaide vorm van de waardedelen, dat de lonen alleen of de lonen en de winst samen, de waarde van de waren bepalen. Zodra dit met betrekking tot de lonen die schijn heeft, dat dus de prijs van de arbeid en de waarde geproduceerd door de arbeid lijken samen te vallen, is dit vanzelfsprekend ook zo voor de winst en de rente. Hun prijzen, d.w.z., uitgedrukt in geld, moeten dan onafhankelijk van de arbeid en de door haar gegenereerde waarde, worden gereguleerd.

Ten derde: Nemen we aan dat de waarde van de waren of de slechts schijnbaar onafhankelijke productieprijzen, onmiddellijk en voortdurend samen lijken te vallen met de marktprijzen van de waren, in plaats van zich door te zetten als regulerende gemiddelde prijzen door de constante compensatie van de constante schommelingen van de marktprijzen. Verder wordt aangenomen dat reproductie altijd plaatsvindt onder dezelfde gelijk blijvende verhoudingen, dat wil zeggen dat de arbeidsproductiviteit in alle elementen van het kapitaal constant blijft. Nemen we ten slotte aan dat het waardedeel van het warenproduct, dat in elke productiesector door toevoeging van een nieuwe hoeveelheid arbeid, dat wil zeggen, een nieuw geproduceerde waarde wordt gevormd overeenkomstig de waarde van de productiemiddelen, zich steeds splitst in gelijkblijvende verhoudingen van arbeidsloon, winst en rente, zodat de werkelijk betaalde lonen, de werkelijk gerealiseerde winst en de werkelijke rente voortdurend direct samenvalt met de waarde van de arbeidskracht, met het deel van de totale meerwaarde dat aan ieder zelfstandig fungerend deel van het hele kapitaal uit hoofde van de gemiddelde winstvoet en de grondrente, dat begrensd is door de normale bepalingen. In één woord, nemen we aan dat de verdeling van het maatschappelijk waardeproduct en de regulering van de productieprijzen plaatsvindt op een kapitalistische basis, maar zonder tussenkomst van concurrentie.

Onder deze voorwaarden dus, waar de waarde van de waren constant zou zijn en zo verschijnen, waar het waardedeel van de warenproducten, dat oplost in revenuen, een constante grootte blijft en zich altijd zo presenteert, waar uiteindelijk dit gegeven en constante waardedeel altijd zichzelf ontbindt in constante verhoudingen van arbeidsloon, winst en rente – zelfs onder deze voorwaarden zou de echte beweging noodzakelijkerwijs averechts verschijnen: niet als het splitsen van een vooraf bepaalde waardegrootte in drie delen, die van elkaar onafhankelijke vormen van inkomsten aannemen, maar omgekeerd, als de vorming van deze waardegrootte uit de som van de onafhankelijk en, op zich, zelfstandig bepaald, de samenstellende elementen zijn: arbeidsloon, winst en grondrente. Deze illusie komt noodzakelijkerwijs voort uit het feit dat in de werkelijke beweging van de afzonderlijke kapitalen en hun warenproducten niet de waarde van de waren als de voorwaarde verschijnt van de splitsing, maar omgekeerd, de bestanddelen waarin ze uiteenvallen fungeren als de waarde van de waren. Ten eerste hebben we gezien dat de kostprijs van de waar voor elke kapitalist een gegeven grootheid is en zich als zodanig voortdurend presenteert in de reële productieprijs. Maar de kostprijs is gelijk aan de waarde van het constant kapitaal, het voorgeschoten productiemiddel, plus de waarde van de arbeidskracht, die zich echter aan de productieagenten presenteert in de irrationele vorm van de prijs van de arbeid, zodat het arbeidsloon tegelijk verschijnt als inkomen van de arbeiders. De gemiddelde prijs van de arbeid is een gegeven grootte, omdat de waarde van de arbeidskracht, zoals die van elke andere waar, wordt bepaald door de arbeidstijd die nodig is voor haar reproductie. Maar wat het waardedeel van de waar betreft, dat zich oplost in het arbeidsloon, komt dat niet voort uit het feit dat het de vorm van een loon aanneemt, dat de kapitalist aan de arbeider voorschiet voor zijn aandeel in zijn eigen product in de vorm van een loon, maar doordat de arbeider een equivalent produceert dat overeenkomt met zijn loon, d.w.z. dat een deel van zijn dagelijkse of jaarlijkse arbeid de waarde levert die vervat is in de prijs van zijn arbeid. Het loon wordt echter contractueel afgesproken voordat het overeenkomstige waarde-equivalent wordt geproduceerd. Als een prijselement, waarvan de grootte gegeven is voordat de waar en de warenwaarde geproduceerd is, als deel van de kostprijs, verschijnt het loon niet als een deel dat in een zelfstandige vorm zich losmaakt van de totale waarde van de waar, maar omgekeerd als een gegeven vooraf bepalende grootte, d.w.z. als het vormgevende aan de prijs of de waarde. Zoals het loon een rol speelt in de kostprijs van de waren, speelt de gemiddelde winst een rol in de productieprijs, omdat de productieprijs gelijk is aan de kostprijs plus de gemiddelde winst op het voorgeschoten kapitaal. Deze gemiddelde winst komt praktisch, in denken en berekening van de kapitalist zelf, als een regulerend element op, niet alleen voor zover hij de overdracht van kapitaal van de ene investering in de andere bepaalt, maar ook voor alle verkopen en contracten die betrekking hebben op een langere periode van het reproductieproces. Maar voor zover het zo wordt begrepen, is het een veronderstelde hoeveelheid, die in feite onafhankelijk is van de waarde en meerwaarde geproduceerd in een specifieke productiesector, en dus zeker zo in het geval van een afzonderlijke investering. In plaats van te verschijnen als gevolg van een opsplitsing van de waarde, verschijnt het als de waarde van het warenproduct, onafhankelijk en vooraf gegeven in het productieproces van de waren en bepalend voor de gemiddelde prijs van de waren, d.w.z. als waarde vormend. En inderdaad, de meerwaarde, als gevolg van het uiteenvallen van de verschillende delen in volledig onafhankelijke vormen, veronderstelt, in een veel concretere vorm, de waardevorming van de waren. Een deel van de gemiddelde winst, in de vorm van interest, staat zelfstandig tegenover de fungerende kapitalisten als een element dat een voorwaarde is voor de warenproductie en hun waarde. Hoezeer de grootte van de interest mag schommelen, hoezeer op elk moment en voor elke kapitalist een gegeven grootte, die voor hem, de individuele kapitalist, bij de kostprijs van zijn geproduceerde waren komt. Hetzelfde geldt voor de grondrente in de vorm van het contractueel bepaald pachtgeld voor de agrarische kapitalisten en in de vorm van huur voor een bedrijfsruimte voor andere ondernemers. Deze delen, waarin de meerwaarde uiteenvalt, lijken daarom voor de individuele kapitalist gegeven als elementen van de kostprijs en verschijnen omgekeerd als schepper van de meerwaarde; een deel van de warenprijs voortbrengend, zoals het loon het andere deel voortbrengt. Het geheim waarom deze producten van de opsplitsing van de warenwaarde voortdurend verschijnen als voorwaarden voor de waardevorming zelf, is eenvoudig deze, dat de kapitalistische productiewijze, net als elke andere, niet alleen voortdurend het materiële product reproduceert, maar ook de sociale en economische relaties, de karakteristieke economische vormen van zijn basis. Het resultaat lijkt daarom even constant als de veronderstelling, aangezien de vooronderstellingen als de resultaten verschijnen. En het is deze constante reproductie van dezelfde verhoudingen waarop de afzonderlijke kapitalist als vanzelfsprekend, als een onbetwistbaar feit anticipeert. Zolang de kapitalistische productie als zodanig voortduurt, zal een deel van de nieuw toegevoegde arbeid voortdurend oplossen in arbeidsloon, een andere in winst (interest en ondernemerswinst) en een derde in rente. Dit wordt verondersteld in de contracten tussen de eigenaars van de verschillende productieagenten, en deze veronderstelling is correct, hoezeer de relatieve verhoudingen ook variëren in elk afzonderlijk geval. De definitieve vorm waarin de waardedelen tegenover elkaar staan, is vooropgesteld, omdat het voortdurend wordt gereproduceerd en het wordt voortdurend gereproduceerd omdat het constant wordt voorondersteld.

Ervaring en verschijning tonen echter nu aan dat de marktprijzen, waarvan de invloed aan de kapitalisten feitelijk verschijnt als waardebepalend, volgens prijsbepaling, in geen geval afhankelijk zijn van deze anticipaties; dat ze niet afhankelijk zijn van de vraag of de interest of de rente hoog of laag was. Maar de marktprijzen zijn alleen constant in hun verandering en het gemiddelde over langere perioden resulteert juist in de respectievelijke gemiddelden van het loon, winst en rente als de constante grootheden, en daarom domineren zij in laatste instantie de marktprijzen.

Aan de andere kant lijkt het logisch dat als de lonen, winst en rente factoren van waarde zijn, omdat zij de productie van waarde vooropstellen en voor de afzonderlijke kapitalisten elementen zijn van de kost- en productieprijs, ook van een deel van het constante kapitaal, waarvan de waarde als gegeven in de productie van iedere waar wordt opgenomen, zij waardebepalend zijn. Maar het deel van het kapitaal dat constant is, is niets anders dan een som van waren, dus warenwaarden. Het zou dus leiden tot de absurde tautologie dat de warenwaarde factor en oorzaak van de warenwaarde is.

Als de kapitalist echter belang heeft om hierover na te denken – en zijn denken als kapitalist wordt uitsluitend bepaald door zijn belang en motieven uit eigenbelang – dan toont de ervaring hem dat het product dat hij zelf produceert, als een deel van het constant kapitaal, in andere productiesectoren en producten van deze andere productiesectoren, opgaat als een deel van het constante kapitaal. Aangezien voor hem, wat zijn nieuwe productie betreft, de toegevoegde waarde gevormd wordt, volgens zijn illusie, door de omvang van het arbeidsloon, winst en rente, geldt dit ook voor het constante deel dat bestaat uit de producten van andere kapitalisten, en vandaar reduceert zich in laatste instantie, hoewel op een niet te volgen wijze, de prijs van het constante deel van het kapitaal en daarmee de totale waarde van de waren in laatste instantie tot de som van waarden die resulteert uit de optelling van de zelfstandige waarden, geregeld volgens verschillende wetten en gevormd uit verschillende bronnen: arbeidsloon, winst en rente.

Ten vierde: De verkoop of niet-verkoop van de waren tegen hun waarde, dat wil zeggen de waardebepaling zelf, is voor de individuele kapitalist vrij onverschillig. Het is al van meet af aan een proces dat achter zijn rug gebeurt, door de voor hem onafhankelijke machtsverhoudingen, daar niet de waarden, maar de verschillende productieprijzen in elke productiesector de regulerende gemiddelde prijzen vormen. De waardebepaling als zodanig interesseert en bepaalt de individuele kapitalisten en het kapitaal in elke specifieke productiesector voorzover de verminderde of toegenomen hoeveelheid arbeid, nodig volgens toe- of afname van de arbeidsproductiviteit voor de productie van waren, in het ene geval hem toelaat extra winst te maken aan marktprijzen, en in het andere geval hem dwingt de warenprijs te verhogen, omdat meer loon, meer constant kapitaal, dus meer interest, naar een deelproduct of een afzonderlijke waar gaat. Het interesseert hem alleen voor zover het de productiekosten van de waar voor hemzelf verhoogt of verlaagt, dat wil zeggen alleen voor zover het hem in een uitzonderlijke positie plaatst.

Aan de andere kant lijken hem lonen, interest en rente regulerende beperkingen te zijn, niet alleen van de prijs waarmee hij het deel van de winst, de ondernemerswinst, kan realiseren dat hem als een functionerende kapitalist toekomt, maar dat hij ook moet kunnen verkopen, als voortzetting van de reproductie. Het maakt hem niet uit of hij de waarde en meerwaarde, die in de waren zit, in de verkoop wel of niet realiseert, op voorwaarde dat hij de gebruikelijke of een grotere ondernemerswinst maakt op de kostprijs die individueel wordt bepaald door lonen, interest en rente. Afgezien van het constante deel van het kapitaal, lijkt hem dus het arbeidsloon, de interest en de rente als beperkende en bepalende elementen van de warenprijs. Als hij er bijvoorbeeld in slaagt het arbeidsloon onder de waarde van de arbeidskracht te verlagen, dus onder het normale niveau, om kapitaal tegen een lagere rentevoet te krijgen en pachtgeld te betalen onder het normale renteniveau, is het voor hem volkomen onverschillig of hij het product onder zijn waarde verkoopt en zelfs onder de algemene productieprijs, dus een deel gratis weggeeft van de meerarbeid in de waar. Dit geldt zelfs voor het constante deel van het kapitaal. Als een industrieel bv. de grondstof onder zijn productieprijs kan kopen, behoedt het hem tegen verlies, zelfs als hij de geproduceerde waar opnieuw onder de productieprijs verkoopt. Zijn ondernemingswinst kan hetzelfde blijven en zelfs groeien zodra alleen het overschot van de warenprijzen boven haar elementen, die moeten worden betaald, door een equivalent moet vervangen worden, hetzelfde blijft of toeneemt. Maar behalve de waarde van het productiemiddel, dat een gegeven prijs is in zijn warenproductie, zijn er slechts lonen, interest en rente die als beperkende en regulerende prijzen de productie binnentreden. Zo lijken zij hem dus als elementen die de prijs van de waren bepalen. De ondernemingswinst lijkt in dit opzicht ofwel te worden bepaald door het overschot van de marktprijzen, bepaald door de toevallige concurrentieverhoudingen boven de immanente waarde van elk prijselement van de waar, of, voor zover hij zelf beslissend ingrijpt op de marktprijs, verschijnt hij zelf weer als afhankelijk van de concurrentie tussen kopers en verkopers.

In de concurrentie van de individuele kapitalisten onderling en in de concurrentie op de wereldmarkt, zijn het de gegeven en vooropgestelde hoeveelheden arbeidsloon, interest, rente, die als constante en regulerende hoeveelheden in calculatie komen; constant, niet in de zin dat hun hoeveelheid niet verandert, maar in de zin dat ze in elk individueel geval gegeven zijn en de constante grens vormen voor de constant fluctuerende marktprijzen. Bv., met de concurrentie op de wereldmarkt gaat het uitsluitend om de vraag of, met de gegeven lonen, interest en rente, de waren voordelig tegen of onder de gegeven algemene marktprijzen kan worden verkocht, d.w.z. met realisatie van een gepaste ondernemerswinst. Is in een land het arbeidsloon en de grondprijs laag, maar de interest op kapitaal hoog, omdat de kapitalistische productiewijze hier nog niet ontwikkeld is, terwijl in een ander land het arbeidsloon en de grondprijs nominaal hoog zijn, terwijl de interest op kapitaal laag is, dan gebruikt de kapitalist in het ene land meer arbeid en grond, en proportioneel meer kapitaal in het andere. In de calculatie in hoeverre de concurrentie tussen beide hier mogelijk is, zijn deze factoren doorslaggevend. De ervaring toont hier theoretisch, en de belanghebbende berekening van de kapitalisten toont het praktisch, dat de warenprijzen bepaald worden door het arbeidsloon, interest en rente, door de prijs van arbeid, kapitaal en grond, en dat deze prijselementen in feite de regulerende vormen zijn van de prijs.

Natuurlijk blijft er altijd een element dat niet wordt voorondersteld, maar het resultaat is van de marktprijs van de waren, namelijk het overschot boven de kostprijs gevormd uit de optelling van de elementen, arbeidsloon, interest en rente. Dit vierde element wordt in elk afzonderlijk geval bepaald door de concurrentie en gemiddeld weer door dezelfde concurrentie opnieuw gereguleerd door de gemiddelde winst, alleen nu over langere perioden.

Ten vijfde: op basis van de kapitalistische productiewijze wordt het zo voor de hand liggend om de waarde van de nieuw toegevoegde arbeid te ontleden in de revenuvormen van arbeidsloon, winst en grondrente, dat deze methode (om niet te spreken over vroegere perioden in de geschiedenis, zoals de voorbeelden gegeven bij de grondrente) ook toegepast wordt, daar waar vanaf het begin de bestaansvoorwaarden van die revenuvormen afwezig zijn. D.w.z. alles wordt er volgens analogie ondergebracht.

Als een onafhankelijke arbeider – laten we een kleine boer nemen, omdat alle drie de inkomsten hier van toepassing zijn – voor zichzelf werkt en zijn eigen product verkoopt, wordt hij eerst en vooral beschouwd als zijn eigen patroon (kapitalist), die zichzelf als arbeider gebruikt, en als zijn eigen grondbezitter, die zichzelf als pachter gebruikt. Als loonarbeider betaalt hij een arbeidsloon, als kapitalist eist hij zijn winst op en als grondbezitter betaalt hij rente. Uitgaande van de kapitalistische productiewijze en de verhoudingen die daarmee overeenkomen als de algemene maatschappelijke basis, is deze subsumptie correct in de mate dat het niet te danken is aan zijn arbeid, maar aan het bezit van het productiemiddel – dat hier de algemene vorm van kapitaal heeft aangenomen – dat hem in staat stelt zijn eigen meerarbeid toe te eigenen. Bovendien, voor zover hij zijn product als een waar produceert en het dus van de prijs afhangt (en indien niet, is deze prijs te begroten) hoeveel meerarbeid hij ten gelde kan maken, hangt dat niet af van de eigen omvang, maar van de algemene winstvoet; en net zo het eventuele overschot op het quotum meerwaarde, bepaald door de algemene winstvoet, wordt opnieuw dit niet bepaald door de hoeveelheid gedane arbeid, maar kan hij alleen het toe-eigenen, omdat hij de eigenaar is van de grond. Omdat een dergelijke productievorm, die niet overeenkomt met de kapitalistische productiewijze – en tot op zekere hoogte niet ten onrechte – kan worden ondergebracht bij de revenuvormen, is de schijn des te bevestigend dat de kapitalistische verhoudingen de natuurlijke verhoudingen zijn van elke productiewijze.

Als men echter het arbeidsloon terugbrengt naar zijn algemene basis, namelijk dat deel van zijn eigen arbeidsproduct dat de arbeider verbruikt in zijn individuele consumptie; ontdoet men dit deel van zijn kapitalistische beperkingen en breidt men het uit tot de omvang van consumptie, enerzijds mogelijk door de voorhanden zijnde maatschappelijke productiekracht (dus de maatschappelijke productiekracht van zijn eigen arbeid als daadwerkelijk maatschappelijk) en anderzijds de volledige ontwikkeling van de individualiteit; reduceert men verder de meerarbeid en het meerproduct tot het niveau dat vereist is onder de gegeven productievoorwaarden van de samenleving, aan de ene kant voor de vorming van een verzekerings- en reservefonds en aan de andere kant voor de gestage uitbreiding van de reproductie in een mate die bepaald is door de maatschappelijke behoefte; concluderen we ten slotte onder nr. 1 de noodzakelijke arbeid en in nr. 2 de meerarbeid, als de hoeveelheid arbeid, die de arbeidsgeschikten moeten verrichten voor de leden van de samenleving die nog niet of niet meer in staat zijn om te werken, d.w.z. ontdoet men zowel het arbeidsloon, de meerwaarde, de noodzakelijke arbeid en de meerarbeid, van zijn specifiek kapitalistisch karakter, dan verdwijnen deze vormen en blijven er alleen hun fundamenten, die gemeenschappelijk zijn aan alle maatschappelijke productiewijzen.

Overigens is dit type subsumptie ook eigen aan eerdere dominante productiewijzen, bv. niet-corresponderende en buiten de feodaliteit staande productieverhoudingen werden ondergebracht onder de feodale verhoudingen; bv. in Engeland, de tenures in common socage [pachtstelsel van gemeenschappelijk grondbezit met herendienst] (in tegenstelling tot de tenures on knight’s service [het ridderleen]), met geldverplichtingen en alleen in naam feodaal.

_______________
[149] Het spreekt vanzelf dat toegevoegde waarde aan het constante waardedeel, uiteenvallend in arbeidsloon, winst en grondrente, dat dit waardedelen zijn. Natuurlijk kan men zich voorstellen dat ze bestaan in het directe product, waarin deze waarde verschijnt, d.w.z. in het onmiddellijke product, dat de arbeiders en kapitalisten in een bepaalde productiesector, bv. de spinnerij, hebben geproduceerd, dus garen. Maar in feite presenteren zij zich niet meer of niet minder dan in een of andere waar, in een of ander deel van de materiële rijkdom van dezelfde waarde. En in de praktijk worden de lonen betaald in geld, dat wil zeggen in een zuivere uitdrukking van waarde; evenals de interest en de rente. Voor de kapitalist is de transformatie van zijn product in een zuivere uitdrukking van waarde zeer belangrijk; in de verdeling zelf is dit al verondersteld. Of deze waarde opnieuw wordt omgezet in hetzelfde product, in dezelfde waar, van waaruit het kwam, of de arbeider een deel van het product dat hij direct produceert terugkoopt of een ander product en van een andere soort arbeid, dat heeft met de zaak zelf niets te maken. De heer Rodbertus maakt zich hierover nodeloos moe.
[150] “Het volstaat te zeggen dat dezelfde algemene regel die de waarde van de onbewerkte en gefabriceerde goederen reguleert evenzeer van toepassing is op metalen; hun waarde is niet afhankelijk van de winstvoet, niet van de loonvoet, noch van de rente, die betaald wordt voor de mijnen, maar van de totale hoeveelheid arbeid die nodig is om het metaal te winnen en op de markt te brengen.” (Ricardo, Princ., chap. III, p. 77.)