Leon Trotski
Geschiedenis der Russische Revolutie
Deel 2 - Hoofdstuk 6


Kerenski En Kornilov
(bonapartistische elementen in de Russische Revolutie)

Er is reeds meermalen over geschreven, dat alle verdere onheilen, waaronder ook de komst van de bolsjewieken, vermeden hadden kunnen worden, indien in de plaats van Kerenski iemand met een goed inzicht en met vastberadenheid aan het hoofd van de regering gestaan had. Kerenski miste stellig en het een en het ander. Waarom moesten dan toch bepaalde maatschappelijke klassen juist Kerenski naar voren schuiven?

Als het ware om ons geheugen nog eens op te frissen, laten de gebeurtenissen in Spanje ons opnieuw zien, hoe een revolutie de traditionele politieke scheidingslijnen vervaagt en in de aanvang alles verdoezelt. In dit stadium trachten zelfs de vijanden zich aan te passen: deze aanpassing is het gevolg van een zeker instinctief streven van de conservatieve klassen, om met zo min mogelijk kleerscheuren uit de dreigende omwenteling te voorschijn te komen. De solidariteit van het volk, die op holle frasen berust, maakt de verzoeningsgezindheid politiek noodzakelijk. Kleinburgerlijke idealisten, die de klassenscheidingen verwaarlozen, volgens vaste schema’s denken, niet weten wat zij willen, en iedereen het allerbeste toewensen, zijn in dit stadium de enig denkbare leiders van de meerderheid. Indien Kerenski een goed inzicht gehad had en vastberaden geweest was, zou hij niet geschikt geweest zijn voor zijn historische rol. Dit is geen oordeel achteraf. De bolsjewieken dachten er ook tijdens de gebeurtenissen zelf zo over. “Kerenski, een advocaat in politieke processen, een sociaal-revolutionair, die aan het hoofd van de trudoviken stond, een radicaal zonder enige socialistische scholing – was de meest volmaakte weerspiegeling van het eerste tijdperk van de revolutie, van haar “nationale” verwarring, van het vurig idealisme en haar hoopvolle verwachtingen,” zo schreef de schrijver van dit boek na de Julidagen, in de gevangenis van Kerenski. “Kerenski sprak over land en vrijheid, over orde, volkerenvrede, vaderlandsverdediging, over Liebknechts heldhaftigheid, daarover, dat de Russische Revolutie met haar grootmoedigheid de gehele wereld met verbazing zou vervullen, en zwaaide daarbij met een rood zijden doekje. De uit hun dommel half ontwaakte kleinburgers hoorden vol verrukking deze redevoeringen aan: het was hun, alsof zij zelf op het spreekgestoelte stonden te praten. Het leger ontving Kerenski als bevrijder van Goetsjkov. De boeren hadden van hem als een trudoviek, een afgevaardigde van de moezjieks gehoord. De liberalen waren bekoord door zijn buitengewoon gematigde ideeën, die onder vage radicale frasen schuil gingen...”

De tijd van algemene liefdesbetuigingen duurt echter nooit lang. De klassenstrijd sterft in het begin van de revolutie slechts, om later als burgeroorlog te herleven. In de fabelachtige opkomst van de verzoeningsgezinden ligt hun onvermijdelijke val van meet af aan opgesloten. Het snelle afnemen van Kerenski’s populariteit werd door de officieuze journalist Claude Anet verklaard uit het feit, dat gemis aan tact deze socialistische politicus bracht tot daden, die “weinig pasten” bij zijn rol. “Hij zit in de keizerlijke loges. Leeft in het Winterpaleis of in het Tsarskoselopaleis. Slaapt in het bed van de Russische keizers. Een beetje te veel en bovendien te evidente praalzucht; dit alles choqueert dit land, dat het meest eenvoudige land van de wereld is.” Tact veronderstelt zowel in kleinigheden, als in belangrijke dingen begrip van de situatie en van de plaats, die men kan innemen. Bij Kerenski was hiervan geen sprake. Terwijl de massa’s hem vol vertrouwen omhoogstuwden, bleef hij volkomen vreemd tegenover hen staan, begreep hen niet en het interesseerde hem in het geheel niet, hoe zij de revolutie opvatten en welke conclusies zij uit deze trokken. De massa’s verwachtten grote daden van Kerenski, maar hij eiste van hen, dat zij hem niet zouden storen bij zijn grootmoedige daden en zijn mooipraterij. Terwijl hij een theatraal bezoek bracht aan de gevangen genomen tsarenfamilie, zeiden de soldaten, die bij het paleis op wacht stonden tot hun commandant: “Wij moeten op een brits slapen en lijden een treurig bestaan; maar bij Nicolasjka komt, al is hij gevangen, vlees op tafel.” Dat waren niet erg “grootmoedige” woorden, maar zij drukten uit, wat in de soldaten leefde.

Het volk, dat zich uit eeuwenoude ketenen bevrijd had, overschreed telkens weer de grenzen, welke de fatsoenlijke leiders het stelden. Kerenski weeklaagde daarom einde april: “Is de vrije Russische staat dan een staat van muitende slaven? ... Ik betreur het, dat ik niet twee maanden geleden gestorven ben: ik zou met een mooie droom gestorven zijn.” enz. Met een dergelijke slechte retoriek hoopte hij invloed op de arbeiders, soldaten, matrozen en boeren uit te oefenen. Admiraal Koltsjak deelde later voor het Sovjetgerecht mee, hoe de radicale minister van oorlog in mei de Zwarte-Zeevloot afreisde, om een verzoening tussen de matrozen en de officieren tot stand te brengen. Na elk optreden zei de spreker, dat zijn doel bereikt was: “Ziedaar, admiraal, alles is in orde...” Er was echter niets in orde gebracht: het verval van de vloot begon pas.

Kerenski bracht door zijn praalzucht, zijn hofmanieren en zijn eigenwaan hoe langer hoe meer wrevel bij de massa’s te weeg. Tijdens zijn reizen langs het front schreeuwde hij woedend in zijn wagon tot zijn adjudant, ongetwijfeld met de bedoeling, dat de generaals het zouden horen: “Jaagt de verwenste commissies toch weg.” Toen hij de Baltische vloot bezocht, gaf Kerenski aan het centraal comité van de matrozen bevel, tot hem op het admiraalsschip te komen. De “Centrobalt”, die als Sovjetorgaan niet onder de minister stond, vatte het bevel als een belediging op. De voorzitter van de commissie, matroos Dybenko, gaf ten antwoord: “Als Kerenski met de Centrobalt wenst te spreken, moet hij maar bij ons komen.” Welk een ongehoorde brutaliteit! Op de schepen, waar Kerenski politieke gesprekken met de matrozen voerde, was het niet beter gesteld, vooral op het bolsjewistisch gezinde schip “Republiek”, waar men de minister op ieder punt ter verantwoording riep: waarom had hij in de Rijksdoema voor de oorlog gestemd?, waarom de imperialistische nota van Miljoekov van de 21ste april ondertekend? waarom aan de tsaristische senatoren zesduizend roebel pensioen per jaar toegekend? Kerenski weigerde op deze gemene, van kwaadwilligheid getuigende vragen te antwoorden. De bemanning van het schip achtte de verklaringen van de minister “onbevredigend” ... Onder doodse stilte bij de matrozen verliet Kerenski het schip. “Oproerige slaven!” zei de radicale advocaat tandenknarsend. De matrozen begrepen echter vol trots: “]a, wij waren slaven, maar nu zijn wij opgestaan!”

Door de achteloosheid, waarmee hij de democratische openbare mening behandelde, bracht Kerenski voortdurend conflicten teweeg met de Sovjetleiders, die weliswaar het zelfde deden als hij, maar meer met de massa’s rekening hielden. Reeds op de 8ste maart verklaarde het Uitvoerend Comité, verschrikt door de protesten van het volk, aan Kerenski, dat de gevangengenomen politieagenten niet vrijgelaten mochten worden. Enkele dagen later zagen de verzoeningsgezinden zich ertoe genoodzaakt, te protesteren tegen het plan van de minister van justitie, om de tsarenfamilie naar Engeland te laten vertrekken. Wederom twee à drie weken later bracht het Uitvoerend Comité de kwestie van de “regeling der onderlinge betrekkingen” in het algemeen bij Kerenski ter sprake. Deze betrekkingen werden niet geregeld en konden ook niet geregeld worden. Even ongelukkig was het in de partij gesteld. Op het congres van de sociaal-revolutionairen in het begin van juni werd Kerenski bij de verkiezing voor het centraal comité niet gekozen; hij kreeg honderd vijf en dertig van de tweehonderd zeventig stemmen. Wat deden de leiders een moeite, om aan te tonen, dat “velen niet op Kerenski gestemd hadden, omdat hij reeds te overbelast was.” In werkelijkheid aanbaden weliswaar de sociaal-revolutionairen uit de leiding en de departementen Kerenski als de bron van alle goeds, maar bij de oude, inniger met de massa’s verbonden sociaal-revolutionairen genoot hij noch achting, noch vertrouwen. Noch het Uitvoerend Comité, noch de sociaal-revolutionaire partij konden het echter zonder Kerenski stellen: hij was onmisbaar als schakel in de coalitie.

In het sovjetblok hadden de mensjewieken de leiding: zij bedachten wat er besloten zou worden, d.w.z. hoe men daden zou vermijden. In het staatsapparaat hadden echter stellig de narodniki de overhand over de mensjewieken, hetgeen het duidelijkst tot uiting kwam in de dominerende positie van Kerenski. Kerenski, die deels kadet, deels sociaal-revolutionair was, was in de regering niet een vertegenwoordiger van de Sovjets, zoals Tsereteli en Tsjernov, maar een levende schakel tussen bourgeoisie en democratie. Tsereteli en Tsjernov belichaamden slechts een kant van de coalitie. Kerenski was de persoonlijke belichaming van de coalitie zelf. Tsereteli klaagde over het overheersen van “persoonlijke elementen” bij Kerenski, zonder te begrijpen, dat deze niet te scheiden waren van zijn politieke rol. Tsereteli zelf stuurde als minister van binnenlandse zaken een rondschrijven, waarin stond, dat de commissaris van het gouvernement op alle “werkelijke krachten” ter plaatse, d.w.z. op de bourgeoisie en de Sovjets, moest steunen en de politiek van de Voorlopige Regering moest doorvoeren, zonder zich door “partijinvloeden” te laten leiden. Deze ideale, zich boven de vijandige klassen en partijen stellende commissaris, die slechts uit zichzelf en uit het rondschrijven zijn roeping moest putten – is een Kerenski in gouvernements- of districtsformaat. Als bekroning van dit systeem was een onafhankelijk Al-Russisch commissaris in het Winterpaleis nodig. Zonder Kerenski zouden de verzoeningsgezinden een kerkkoepel zonder kruis geweest zijn.

De geschiedenis van Kerenski’s opkomst is zeer leerzaam. Minister van justitie werd hij dankzij de Februariopstand, waarvoor hij zo bang geweest was. De Aprildemonstratie van de “oproerige slaven” maakte hem tot minister van oorlog en marine. De Juligevechten, die door “Duitse agenten” veroorzaakt waren, stelden hem aan het hoofd van de regering. Begin september zal de massabeweging het hoofd van de regering ook nog tot opperbevelhebber maken. De dialectiek van het verzoeningsgezinde regime, en tevens ook de bittere ironie ervan, lag daarin, dat de massa’s met hun pressie Kerenski eerst tot op de hoogste post moesten omhoog heffen, voordat zij hem ten val brachten.

Terwijl hij het volk, dat hem de macht gegeven had, vol minachting van zich afhield, snakte Kerenski des te meer naar blijken van erkenning uit de hogere kringen. Reeds in de eerste dagen van de revolutie vertelde de arts Kisjkin, de leider van de Moskouse kadetten, bij zijn terugkomst uit Petrograd: “Dat wat wij nu hebben, zou zonder Kerenski niet bestaan. Zijn naam zal met gouden letters in de geschiedenis voortleven.” Loftuitingen uit liberale mond waren voor Kerenski het voornaamste criterium voor zijn politiek. Hij kon en wilde echter zijn populariteit niet zo maar aan de bourgeoisie aanbieden. Integendeel, steeds meer kreeg hij er de smaak van beet, alle klassen aan zijn voeten te zien. “De gedachte, om de vertegenwoordiging van de bourgeoisie en van de democratie tegenover elkaar te stellen en met elkaar in evenwicht te doen zijn,” verklaart Miljoekov, “was Kerenski vanaf het begin van de revolutie niet vreemd.” Deze politiek vloeide volkomen logisch voort uit Kerenski’s gehele leven, dat tussen een liberale advocatuur en illegale kringen verlopen was. Terwijl Kerenski alleronderdanigst aan Buchanan verzekerde, dat “de Sovjet een natuurlijke dood zou sterven,” joeg Kerenski zijn burgerlijke collega’s telkens weer angst aan met de woede van de Sovjet. En in de talrijke gevallen, waarin de leiders van het Uitvoerend Comité het niet met Kerenski eens waren, joeg hij hun angst aan met het ergste, wat er kon gebeuren, nl. een aftreden van de liberalen.

Als Kerenski telkens weer herhaalde, dat hij niet de Marat van de Russische revolutie wilde zijn, betekende dit, dat hij weigerde strenge maatregelen tegen de reactie, geenszins echter tegen de “anarchie”, te nemen. Dit is overigens gewoonlijk de moraal van de tegenstanders van het geweld in de politiek: zij verwerpen dit, waar het om een verandering van het bestaande gaat; ter verdediging van de bestaande orde deinzen zij echter niet voor een meedogenloos strafgericht terug.

In de tijd van de voorbereiding van het offensief aan het front werd Kerenski een buitengewoon geliefde figuur bij de bezittende klassen. Teresjtsjenko bazuinde overal rond, hoezeer onze Geallieerden de “inspanning van Kerenski” waardeerden; de tegen de verzoeningsgezinden zeer strenge “Rjetsj” liet zich telkens opvallend welwillend over de minister van oorlog uit; Rodsjanko zelf erkende, dat “deze jonge man elke dag weer met verdubbelde krachten opstond tot heil van het vaderland en tot het verrichten van nuttig werk.” De liberalen wilden Kerenski met dergelijke uitlatingen vleien. Het kon hun immers niet ontgaan, dat hij voor hen werkte. “Bedenkt eens,” zei Lenin, “wat er zou gebeuren, als Goetsjkov zou gaan bevelen tot het offensief over te gaan, regimenten te ontbinden, soldaten te arresteren, congressen te verbieden, soldaten met “jij en jou” aan te spreken, ze “lafaards” te noemen, enzovoorts. Kerenski echter kan zich deze “luxe” nog veroorloven, zolang hij het vertrouwen, dat het volk hem nog schenkt, doch dat razend snel kleiner wordt, niet geheel verloren heeft.”

Het offensief, dat de reputatie van Kerenski onder de bourgeoisie deed stijgen, ondermijnde definitief zijn populariteit bij het volk. Het echec van het offensief was eigenlijk een echec van Kerenski bij beide partijen. Maar het wonderlijke was, dat juist dit gecompromitteerd zijn bij beide partijen hem van nu af aan onmisbaar maakte. Miljoekov laat zich over Kerenski’s rol bij het tot stand brengen van de tweede coalitie aldus uit: “De enige man, die niet onmogelijk was, maar helaas niet degene, die nodig was...” De leidende liberale politici hebben trouwens Kerenski nooit al te zeer au sérieux genomen. En grote groepen van de bourgeoisie schoven steeds meer de verantwoordelijkheid voor alle tegenslagen op hem: “Het ongeduld van de patriottisch gezinde groepen” dwong, volgens Miljoekov’s verklaring, tot het zoeken van een sterke man. Een tijdlang was admiraal Koltsjak voor deze rol uitverkoren. Het plaatsen van een sterke man aan het roer “dacht men zich anders dan door middel van onderhandelingen en overeenkomsten.” Dit is zeer aannemelijk. “De verwachtingen, die men gekoesterd had van democratie, van volkswil, van de Constituerende Vergadering,” schrijft Stankevitsj over de kadettenpartij, “had men reeds laten varen: de gemeenteraadsverkiezingen hadden immers in geheel Rusland een verpletterende meerderheid van de socialisten opgeleverd... Zo begon het rusteloze zoeken naar een regering, die in staat geweest zou zijn, niet om te overtuigen, maar om te bevelen.” Of juister gezegd: naar een regering, welke de revolutie bij de keel kon grijpen.

Het is moeilijk, in Kornilovs leven en in zijn persoonlijke eigenschappen factoren te ontdekken, die zijn kandidatuur voor de post van redder des vaderlands zouden rechtvaardigen. Generaal Martynov, die in vredestijd Kornilovs chef geweest was en tijdens de oorlog met hem in een Oostenrijks kasteel gevangen gezeten had, typeert Kornilov als volgt: “Terwijl hij door taaie ijver en groot zelfvertrouwen uitmuntte, was hij geestelijk een gewoon middelmatig iemand, zonder ruime blik.” Martynow noemt twee eigenschappen in het voordeel van Kornilov: persoonlijke moed en onbaatzuchtigheid. Deze eigenschappen waren opvallend in dat milieu, waar men in de eerste plaats bezorgd was voor zijn eigen veiligheid en stal als de raven. Strategische bekwaamheden, en vooral de capaciteit, om een situatie geheel te overzien en materieel en moreel te beoordelen, miste Kornilov ten ene male. “Het ontbrak hem bovendien aan organisatorisch talent”, zegt Martynov, “en zijn aangeboren drift en onevenwichtigheid maakten hem in het algemeen weinig geschikt voor weloverwogen handelen.” Brjoessilov, die gedurende de wereldoorlog het optreden als veldheer van zijn ondergeschikte van nabij gevolgd had, liet zich zeer geringschattend over hem uit: “de chef van een vermetel troepje volgelingen – anders niet.” De officiële legende, welke om de divisie van Kornilov ontstond, kwam voort uit de behoefte, welke de patriottische publieke opinie aan enig lichtpunt had: “De 48ste divisie,” schrijft Martynow, “is slechts omgekomen tengevolge van de schandalige leiding... van Kornilov, die niet in staat was, de terugtocht te organiseren, en wel vooral, omdat hij telkens van besluit veranderde en tijd verloren liet gaan...” Op het allerlaatste ogenblik liet Kornilov de door hem in een val gebrachte divisie aan haar lot over en trachtte zelf aan een gevangenneming te ontkomen. Nadat hij echter vier dagen en nachten rondgezworven had, gaf de weinig gelukkige generaal zich aan de Oostenrijkers over en wist eerst later uit de gevangenschap te ontsnappen. “Nadat hij in Rusland teruggekeerd was, smukte Kornilov in interviews met verschillende dagbladcorrespondenten de geschiedenis van zijn vlucht met fantastische verzinsels op.” Wij zullen niet stil blijven staan bij de prozaïsche correcties, welke ooggetuigen, die goed op de hoogte zijn, in de legende aanbrengen. Klaarblijkelijk krijgt Kornilov in die tijd behoefte aan dagbladreclame.

Voor de revolutie was Kornilov een monarchist van het Zwarte Honderdtype. In gevangenschap zei hij bij het lezen van de couranten meermalen, dat hij “met genoegen al die Goetsjkovs en Miljoekovs zou willen ophangen.” De politiek interesseerde hem echter, evenals in het algemeen lieden van dat slag, slechts in zoverre deze hem direct raakte. Na de Februariomwenteling verklaarde Kornilov zich zeer spoedig tot republikein. “Hij was”, volgens de verklaring van bovengenoemde Martynow, “zeer slecht in de belangenconflicten van de verschillende maatschappelijke groepen in Rusland en was noch op de hoogte van de partijgroeperingen, noch van de afzonderlijke politici.” Mensjewieken, sociaal-revolutionairen en bolsjewieken vloeiden bij hem samen tot een enkele vijandelijke massa, welke de officieren belette te commanderen, de grootgrondbezitters hun landgoederen te gebruiken, de fabrikanten te produceren en de kooplieden te handelen.

Het comité van de Rijksdoema kwam reeds op de 2de maart op de gedachte van generaal Kornilov en drong in een door Rodsjanko ondertekend telegram bij het hoofdkwartier aan op de benoeming “van de roemrijke en geheel Rusland bekende held” tot bevelhebber van het militaire district Petrograd. De tsaar, die reeds geen tsaar meer was, tekende op het telegram van Rodsjanko aan: “Uitvoeren.” Zo kreeg de revolutionaire residentie haar eerste rode generaal. In de notulen van het Uitvoerend Comité van de 1Ode maart treft men de volgende passages over Kornilov aan: “Een generaal van de oude stempel, die een eind aan de revolutie wil maken.” De generaal deed overigens de eerste dagen zijn best, zich zo goed mogelijk voor te doen, en ging met veel kabaal ertoe over de tsarina plechtig te arresteren: dit werd hem als een verdienste aangerekend. Uit de memoires van de overste Kobylinski, die door hem tot commandant van Tsarskoje Selo benoemd was, blijkt echter, dat Kornilov een dubbelzinnige rol speelde. “Nadat Kornilov aan de tsarina voorgesteld was,” verhaalt enigszins terughoudend Kobylinski, “zei Kornilov tot mij: “Overste, laat ons alleen. Ga naar buiten en blijf achter de deur staan.” Ik ging naar buiten en ongeveer vijf minuten later riep Kornilov mij binnen. Ik trad weer binnen. De keizerin reikte mij de hand.” Het is duidelijk, dat Kornilov de overste als zijn vriend aanbevolen had. Hieronder zullen wij omhelzingen van de tsaar en zijn “gevangenbewaker” Kobylinski tegenkomen. Als administratief leider bleek Kornilov volkomen ongeschikt voor zijn nieuwe post. “Zijn directe medewerkers in Petrograd,” schrijft Stankevitsj, “klaagden voortdurend over zijn ongeschiktheid en als werker, en als leider.” Kornilov bleef echter niet lang in de hoofdstad. In de Aprildagen poogde hij, gedeeltelijk op aandringen van Miljoekov, de revolutie een eerste aderlating te doen ondergaan, stuitte echter op de tegenstand van het Uitvoerend Comité, trad af, kreeg het bevel over een legercorps en later over het Zuidwestelijk front. Zonder de wettelijke invoering van de doodstraf af te wachten, gaf Kornilov bevel deserteurs dood te schieten en hun lijken met passende opschriften op de wegen ten toon te stellen, bedreigde de boeren met strenge straffen voor aantasting van de eigendomsrechten van de grootgrondbezitters, vormde stootbataljons en hief bij iedere gelegenheid dreigend de vuist tegen Petrograd. Hierdoor kreeg zijn naam terstond een soort aureool in de ogen van de officieren en bezittende klassen. Ook talrijke commissarissen van Kerenski echter zeiden bij zichzelf: onze laatste hoop is op Kornilov gevestigd. Enkele weken later werd de vechtlustige generaal, die zo jammerlijke ervaringen als divisiecommandant opgedaan had, opperbevelhebber van het in ontbinding verkerend miljoenenleger, dat door de Entente gedwongen zou worden, te vechten tot de definitieve overwinning.

Het duizelde Kornilov. Politieke onkunde en bekrompenheid maakten hem tot een gemakkelijke prooi van avonturiers. Terwijl hij hardnekkig zijn persoonlijke voorrechten verdedigde, kwam de “man met het hart van een leeuw en het brein van een schaap,” zoals generaal Alexejev en na hem Verchovski Kornilov typeerden, gemakkelijk onder de invloed van vreemden, indien deze zijn eerzucht maar streelden. Miljoekov, die Kornilov welwillend gezind was, constateert een “kinderlijk vertrouwen in mensen, die hem weten te vleien” bij hem. De meest vertrouwde raadsman van de opperbevelhebber, met de bescheiden rang van ordonnans, was een zekere Sawojko – een obscuur individu uit een vroegere grootgrondbezitterfamilie, petroleumspeculant en avonturier –, die Kornilov vooral door zijn pennenvruchten wist te imponeren: Sawojko had inderdaad de vlotte stijl van een doortrapte oplichter. De ordonnans was de organisator van de reclamecampagne, de auteur van de “volks”biografie van Kornilov, de schrijver van gedenkschriften, ultimata en in het algemeen van alle documenten, die, volgens de uitdrukking van de generaal, een “krachtige, kunstvolle stijl” vereisten. Bij Sawojko voegde zich nog een tweede avonturier, Adadjin, een voormalig afgevaardigde van de eerste Doema, die enige jaren in ballingschap had doorgebracht, altijd een Engelse pijp in zijn mond had en zich zelf daarom voor een specialiteit in internationale vraagstukken hield. Deze twee stonden rechts van Kornilov en vormden de schakel tussen hem en de contrarevolutionaire centra. Savinkov en Filonenko dekten zijn linkerflank: terwijl zij hem zoveel mogelijk in zijn enorme zelfoverschatting stijfden, waakten zij ervoor, dat hij zich niet te vroeg bij de democratie onmogelijk zou maken. “Eerlijke en eerloze lieden, oprechte mensen en intriganten, politieke leiders, vechtersbazen en avonturiers kwamen tot hem,” schrijft generaal Denikin pathetisch, “en allen riepen eenstemmig: ‘Redt ons!’” In welke verhouding de eerlijke en eerloze lieden tot elkaar stonden, is niet gemakkelijk na te gaan. In elk geval meende Kornilov, dat hij werkelijk geroepen was, “redding” te brengen en zo werd hij een directe concurrent van Kerenski.

De mededingers haatten elkaar oprecht: “Kerenski had zich,” volgens Martynov, “aangewend, op een hooghartige toon met de oudere generaals te spreken. De bescheiden en arbeidzame Alexejev en de diplomatieke Brjoessilov duldden een dergelijke geringschattende houding, maar deze tactiek was volkomen misplaatst tegenover de zelfgenoegzame en prikkelbare Kornilov, die... op zijn beurt vanuit de hoogte op de advocaat Kerenski neerzag. De zwakste van de twee was tot concessies bereid en deed belangrijke aanbiedingen. Kornilov zei althans einde juli tegen Denikin, dat men hem uit regeringskringen voorstelde, in het kabinet te treden. “Maar neen! Deze heren zijn te nauw met de Sovjets verbonden... Ik zei hun: geeft mij de macht en ik zal een beslissende slag slaan.”

De grond wankelde onder de voeten van Kerenski. Hij zocht als altijd, een uitweg met woorden. Het persoonlijk succes op de 21ste juli, dat hem, omdat hij onmisbaar was, boven de strijdende partijen van de democratie en de bourgeoisie verheven had, bracht Kerenski op de gedachte van de “Landelijke Vergadering” te Moskou. Wat er in de zaal van het Winterpaleis in het verborgene plaats had, moest openlijk ten tonele gebracht worden. Het land moest met eigen ogen zien, dat alles ineen zou storten, indien Kerenski de teugels niet in handen nam!

Tot deelname aan de “Landelijke Vergadering” waren volgens de officiële lijst – uitgenodigd “vertegenwoordigers van politieke, openbare, democratische en nationale organisaties, handels-, industriële en coöperatieve verenigingen, leiders van de democratische instellingen, hogere vertegenwoordigers van het leger, wetenschappelijke instellingen en universiteiten, alsmede de leden van alle vier de Rijksdoema’s. Men had gerekend op ongeveer vijftienhonderd deelnemers, en er kwamen er vijf en twintig honderd bijeen, een uitbreiding, welke voornamelijk aan de rechtervleugel ten goede gekomen was. Het Moskouse blad van de sociaal-revolutionairen schreef verwijtend aan het adres van haar eigen regering: “Honderdvijftig vertegenwoordigers van de arbeiders staan tegenover honderdtwintig vertegenwoordigers van de handels- en industriële klasse. Op honderd boerenafgevaardigden worden honderd vertegenwoordigers van de grootgrondbezitters uitgenodigd. Op honderd Sovjetafgevaardigden komen driehonderd Rijksdoemaleden...” Het blad van de partij van Kerenski opperde twijfel eraan, of een dergelijke bijeenkomst de regering “die steun” zou kunnen verlenen, “welke deze zocht.”

De verzoeningsgezinden komen somber gestemd naar de bijeenkomst: men moet, zo troostten zij elkaar, een eerlijke poging doen, tot overeenstemming te geraken. Maar wat moet men met de bolsjewieken doen? Men moet tot elke prijs beletten, dat zij zich in de conflicten tussen de democratie en de bezittende klassen mengen. Door een buitengewone beschikking van het Uitvoerend Comité werden de partijfracties van het recht beroofd, om zonder toestemming van het presidium op te treden. De bolsjewieken hadden besloten, om namens hun partij een verklaring af te leggen en de bijeenkomst te verlaten. Het presidium, dat nauwkeurig op al hun bewegingen lette, verlangde dat zij van dit misdadig voornemen zouden afzien. De bolsjewieken gaven daarop zonder aarzelen hun toegangskaarten terug. Zij bereidden een ander, indrukwekkender antwoord voor: het proletarische Moskou had het woord.

De ordelievende elementen stelden bijna van de eerste revolutiedagen af bij elke gelegenheid, die zich maar voordeed, het rustige “land” tegenover het onrustige Petrograd. De bijeenroeping van de Constituerende Vergadering naar Moskou was een van de leuzen van de bourgeoisie. De nationaal-liberale “marxist” Potressow zond zijn banvloeken tegen Petrograd, dat zich inbeeldde een “tweede Parijs” te zijn. Alsof niet de girondijnen tegen het oude Parijs geketterd hadden en dit gemaand hadden, zijn rol tot op een drie en tachtigste te beperken! Een mensjewiek uit de provincie zei in juni op het Sovjetcongres: “Een plaatsje als Novotsjerkassk geeft een veel juister beeld van de toestanden in geheel Rusland dan Petrograd.” Eigenlijk zochten zowel de verzoeningsgezinden, alsook de bourgeoisie steun niet in de werkelijke stemmingen in het “land”, maar in de door hen zelf geschapen troostvolle illusies. Nu zij de politieke stemming in Moskou zouden leren kennen, stond degenen, die de vergadering georganiseerd hadden, de meest bittere ontgoocheling te wachten.

De contrarevolutionaire bijeenkomsten, die vanaf de eerste dagen van augustus de een na de ander gehouden werden, te beginnen met het congres van de grondbezitters tot en met de kerkvergadering, hadden niet alleen de bezittende groepen van Moskou gemobiliseerd, maar ook de arbeiders en soldaten op de been gebracht. Rjasboesjinski’s dreigementen, Rodsjanko’s oproepen, de verbroederingen tussen de kadetten en de Kozakkengeneraals – dit alles speelde zich voor de ogen van de volksmassa’s van Moskou af, dit alles werd door de bolsjewistische propagandisten aan de hand van de nieuwste courantenberichten verklaard. Het gevaar van een contrarevolutie nam ditmaal tastbare, ja zelfs persoonlijke vormen aan. Er ging een golf van verontwaardiging door de fabrieken en de werkplaatsen. “Indien de Sovjets machteloos zijn,” schreef het Moskouse blad van de bolsjewieken, “moet het proletariaat zich om zijn organisaties, die wellevensvatbaar zijn, aaneensluiten.” Voorop gingen de vakverenigingen, die merendeels reeds onder bolsjewistische leiding stonden. De stemming in de bedrijven was zo vijandig tegenover de Landelijke Vergadering, dat de uit de massa opgekomen gedachte van een algemene staking in de vergadering van de gezamenlijke celleiders van de Moskouse bolsjewistische organisatie bijna zonder tegenspraak werd aanvaard. De vakverenigingen namen het initiatief, de Moskouse Sovjet sprak zich met een meerderheid van drie honderd vier en zestig tegen drie honderd vier stemmen tegen de staking uit. Daar in de fractievergaderingen de mensjewistische en sociaal-revolutionaire arbeiders echter voor de staking gestemd en zich slechts aan de partijtucht onderworpen hadden, kon het besluit van de sinds lang niet meer nieuw gekozen Sovjet, dat bovendien feitelijk tegen de wil van de meerderheid genomen was, de Moskouse arbeiders allerminst weerhouden. Een bijeenkomst van bestuurders van een en veertig vakverenigingen besloot, de arbeiders op te roepen tot een proteststaking van een dag. De districtssovjets waren voor het merendeel op de hand van de partij en de vakverenigingen. De bedrijven stelden direct de eis, dat de Moskouse Sovjet, die niet alleen bij de massa’s ten achter gebleven, maar ook in scherpe tegenstelling tot deze geraakt was, opnieuw gekozen zou worden. In de Sovjet van het district Samoskworetzki en de daar bestaande fabriekscomités verkreeg de eis tot vervanging van de afgevaardigden, “die tegen de wil van de arbeidersklasse handelden, honderd vijf en zeventig tegen vier stemmen met negentien onthoudingen!

De nacht voor de staking was niettemin voor de Moskouse bolsjewieken een onrustige nacht. Het land volgde Petrograd, maar bleef bij Petrograd ten achter. De Julidemonstratie in Moskou was met een echec geëindigd: de meerderheid niet alleen van het garnizoen, maar ook van de arbeiders had niet tegen de wil van de Sovjet de straat op durven gaan. Hoe zal het ditmaal gaan? De morgen zou het antwoord brengen. De tegenstand van de verzoeningsgezinden had niet kunnen verhinderen, dat de staking een machtige demonstratie van vijandschap tegen de coalitie en de regering werd. Twee dagen te voren had het blad van de Moskouse industriëlen nog zelfbewust geschreven: “Laat de Petrogradse regering maar zo spoedig mogelijk naar Moskou komen, opdat zij de stem van de heiligdommen, van de klokken van de heilige Kremlintorens hoort...” Vandaag was er in de plaats van de stem van de heiligdommen een stilte, als voor een storm.

Het lid van het Moskous bolsjewistisch comité, Pjatnitzki, schreef later: “De staking... verliep schitterend. Er was geen licht en geen tram; de fabrieken, bedrijven, spoorwegwerkplaatsen en depots lagen stil en zelfs de kelners in de cafés staakten.” Miljoekov vermeldde het schokkende feit: “De afgevaardigden, die voor de bijeenkomst aangekomen waren... konden noch met de tram gaan, noch in een café ontbijten”: dit stelde hen, zoals de liberale historicus zelf erkent, des te beter in staat, de macht van de bolsjewieken, die niet tot de bijeenkomst toegelaten waren, te leren kennen. In de “Izvestia” van de Sovjet van Moskou vindt men de betekenis van de manifestatie van de 12de augustus volkomen juist geschetst: “Tegen het besluit van de Sovjet in volgden de massa’s de bolsjewieken. Vierhonderdduizend arbeiders staakten in Moskou en omgeving, opgeroepen door de partij, die sinds vijf weken voortdurend blootgesteld geweest was aan allerlei slagen en welker leiders zich nog altijd schuil hielden of in de gevangenis zaten.” Het nieuwe Petrogradse partijorgaan “Proletarij” kon nog juist voordat het verboden werd, aan de verzoeningsgezinden de vraag stellen: “Uit Petrograd naar Moskou, en waarheen dan uit Moskou?”

Ook degenen, die heer en meester waren, moesten zich dit wel afvragen. In Kiev, Kostroma, Tsaritsyn werden eendaagse proteststakingen, algemene of partiële stakingen doorgevoerd. De agitatie breidde zich uit over het gehele land. Overal, tot in de verste uithoeken, waarschuwden de bolsjewieken ervoor, dat de Landelijke Vergadering “ongetwijfeld het karakter van een contrarevolutionaire samenzwering had”: tegen het einde van augustus werd het aan het gehele volk duidelijk, hoezeer deze beoordeling juist geweest was.

Zowel de afgevaardigden naar de vergadering, als het burgerlijke Moskou, verwachtten dat de massa’s gewapend zouden oprukken, dat er botsingen, gevechten, kortom “Augustusdagen” zouden komen. De straat opgaan zou echter voor de arbeiders betekend hebben, dat zij zich aan de ridders van St. George, de officieren, de “jonkers” en enkele troepen cavalerie, die brandden van verlangen, om wraak te nemen voor de staking, overleverden. Het garnizoen de straat oproepen zou betekend hebben, dat men een scheuring daarin teweegbracht en de taak van de contrarevolutie, welke klaar stond om er op los te slaan, verlichtte. De partij riep niet de straat op, en de arbeiders vermeden, door een juist instinct geleid, openlijke botsingen. De staking van een dag kwam volkomen van pas in deze situatie: men kon haar niet verdonkeremanen, zoals de vergadering met de bolsjewieken gedaan had. Toen de stad in duisternis gehuld werd, bemerkte geheel Rusland de bolsjewistische hand aan de schakelaar. Neen, Petrograd staat niet alleen! “In Moskou, van welks patriarchaal karakter en deemoed velen zo grote verwachtingen koesterden, gromden volkomen onverwacht de arbeiderswijken,” zo schetste Soechanov de betekenis van die dag. De coalitiebijeenkomst moest zonder de bolsjewieken, maar onder het gegrom van de proletarische revolutie vergaderen.

De Moskouers zeiden spottend, dat Kerenski naar hen toegekomen was “voor de kroning”. De volgende dag kwam echter met dit zelfde doel uit het hoofdkwartier Kornilov aan, die ontvangen werd door talrijke delegaties, waaronder ook een van de kerkvergadering. Op het perron sprongen uit de binnenrijdende trein Tekiners in lange helrode mantels gehuld en met getrokken kromzwaarden en stelden zich in twee rijen op. Geestdriftige dames wierpen met bloemen naar de held, die de wacht en de deputaties inspecteerde. De kadet Roditsjev eindigde zijn begroetingsrede met de uitroep: “Redt Rusland en het dankbare volk zal u kronen.” Men hoorde patriottisch gesnik. De vrouw van de koopman en vele malen miljonair Morosow viel op de knieën. Officieren droegen Kornilov op hun schouders naar het buiten wachtende volk. Terwijl de opperbevelhebber de ridders van St. George, de “jonkers”, de aspirant-vaandrigs en de compagnie Kozakken, die op het stationsplein opgesteld stonden, inspecteerde, inspecteerde Kerenski als minister van oorlog en mededinger de troepenparade van het garnizoen van Moskou. Van het station begaf Kornilov zich, het spoor van de tsaren volgend, naar het Iwersche heiligenbeeld, waarbij een godsdienstoefening gehouden werd in tegenwoordigheid van een escorte van mohammedaanse Tekiners met reusachtige Kaukasische pelsmutsen op. “Dit feit,” schrijft de Kozakkenofficier Grekow, “heeft het gehele gelovige Moskou nog meer voor Kornilov ingenomen.” De contrarevolutie trachtte intussen het publiek op straat voor zich te winnen. Vanuit automobielen werden op grote schaal exemplaren van Kornilovs biografie met zijn portret uitgedeeld. De muren waren volgeplakt met biljetten, waarop het volk opgeroepen werd de held hulp te verlenen. Als een heerser ontving Kornilov in zijn wagon politici, industriëlen en financiers. Vertegenwoordigers van de banken brachten hem rapport uit over de financiële toestand van het land. “Van alle Doemaleden,” schrijft veelbetekenend de Oktobrist Sjidlovski, “begaf slechts Miljoekov zich naar Kornilov in diens trein en had een onderhoud met hem, waarvan de inhoud mij niet bekend is.” Later zullen wij van Miljoekov zelf over dit gesprek horen, voor zover deze het dienstig oordeelt, hierover iets mede te delen.

De voorbereidselen tot de militaire omwenteling waren in die tijd reeds in volle gang. Enige dagen vóór de vergadering had Kornilov, onder voorwendsel van hulpverlening aan Riga, bevel gegeven vier cavaleriedivisies voor de opmars naar Petrograd gereed te houden. Het Orenburgs Kozakkenregiment was vanuit het hoofdkwartier naar Moskou gezonden, “om de orde te handhaven,” maar werd op bevel van Kerenski onderweg opgehouden. Bij zijn latere verklaringen voor de commissie van onderzoek inzake Kornilov zei Kerenski: “Wij hoorden, dat tijdens de Moskouse vergadering de dictatuur uitgeroepen zou worden.” Zo hielden de minister van oorlog en de opperbevelhebber zich gedurende de feestelijke dagen van de nationale eenheid met tegen elkaar gerichte troepenverschuivingen bezig. Het decorum werd echter zo goed en zo kwaad als het ging opgehouden. De betrekkingen tussen de beide partijen varieerden tussen vriendschapsbetuigingen en openlijke burgeroorlog.

In Petrograd werden ondanks de terughoudendheid van de massa’s – de in juli opgedane ervaring was niet spoorloos voorbijgegaan – van hogerhand, uit de generale staven en de dagbladredacties, met grote hardnekkigheid geruchten over een aanstaande bolsjewistische opstand verbreid. De Petrogradse partijorganisaties waarschuwden de massa’s openlijk in een manifest voor de mogelijkheid van provocatorische oproepen van de kant van de vijanden. De Sovjet van Moskou nam intussen zijn maatregelen. Er werd een geheim revolutionair comité uit zes personen gevormd, twee gedelegeerden van elke Sovjetpartij benevens de bolsjewieken. Bij geheim bevel werd verboden, langs de weg, welke Kornilov zou passeren, ridders van St. George, officieren en “jonkers” op te stellen. Aan de bolsjewieken, wie sedert de Julidagen de toegang tot de kazernes officieel verboden was, werden nu bereidwillig toegangsbewijzen verstrekt: zonder de bolsjewieken konden de soldaten niet gewonnen worden. Terwijl de mensjewieken en sociaal-revolutionairen in het openbaar met de bourgeoisie over de vorming van een sterke regering tegen de door de bolsjewieken geleide massa’s onderhandelden, bereidden diezelfde mensjewieken en sociaal-revolutionairen samen met de door hen niet tot de vergadering toegelaten bolsjewieken achter de schermen de massa’s voor op de strijd tegen de samenzwering van de bourgeoisie. De verzoeningsgezinden, die zich gisteren nog tegen de demonstratieve staking verzet hadden, riepen vandaag de arbeiders en soldaten op, zich tot de strijd gereed te maken. Ondanks hun verachting en woede reageerden de massa’s op deze oproep met een enthousiasme voor de strijd, welke de verzoeningsgezinden meer schrik aanjoeg dan blijdschap inboezemde. De schrijnende tweeslachtigheid, welke vrijwel het karakter van een openlijke woordbreuk tegenover beide partijen aannam, zou onbegrijpelijk zijn, indien de verzoeningsgezinden deze politiek bewust gevolgd hadden; in werkelijkheid waren zij slechts de slachtoffers ervan.

Het was duidelijk, dat er grote gebeurtenissen op til waren. In de dagen van de vergadering had echter klaarblijkelijk niemand een omwenteling in de zin. In elk geval vindt men noch in de documenten, noch in de verzoeningsgezinde geschriften, noch in de memoires van de rechtervleugel een bevestiging van de geruchten, waarop Kerenski zich later beriep. Het ging voorlopig nog slechts om de voorbereiding. Volgens Miljoekov – en zijn verklaringen worden door de verdere loop van zaken bevestigd – had Kornilov zelf reeds voor de vergadering een datum voor zijn optreden vastgesteld: de 27ste augustus. Deze datum was natuurlijk slechts aan weinigen bekend. De half ingewijden stelden, zoals dat altijd in dergelijke gevallen pleegt te gebeuren, het tijdstip van de grote gebeurtenissen wat vroeger en voorbarige geruchten drongen van alle kanten tot de autoriteiten door: het leek alsof de uitbarsting elk ogenblik te wachten was.

Juist de opgewonden stemming onder de bourgeoisie en in de officierenkringen had echter gemakkelijk in Moskou, zoal niet tot een omwentelingspoging, dan toch tot een contrarevolutionaire demonstratie als krachtproef kunnen leiden. Nog waarschijnlijker zou een poging geweest zijn, om uit het midden van de vergadering een met de Sovjets concurrerend centrum tot redding van het vaderland te vormen: in de rechtse pers werd volkomen openlijk daarover gesproken. Ook hiertoe kwam het echter niet: de massa’s verhinderden het. Al mocht ook menigeen het plan gekoesterd hebben, de beslissing te bespoedigen, zo moest men onder invloed van de staking toch wel bij zichzelf zeggen, dat het niet zou gelukken, de revolutie te verrassen, want de arbeiders en soldaten waren op hun hoede, zodat men het nog wat moest uitstellen. Zelfs de processie van het volk naar het Iwersche heiligenbeeld, welke de popen en liberalen in overleg met Kornilov georganiseerd hadden, werd af gelast.

Zodra de sociaal-revolutionairen en mensjewieken zagen, dat er geen direct gevaar bestond, haastten zij zich te doen, alsof er niets bijzonders gebeurd was. Zij weigerden zelfs, de toegangsbewijzen tot de kazernes voor de bolsjewieken te verlengen, ofschoon men in de kazernes dringend om bolsjewistische sprekers riep. “Der Mohr hat seine Schuldigkeit getan,” zeiden Tsereteli, Dan en Chintsjoek, de toenmalige voorzitter van de Moskouse Sovjet, waarschijnlijk met een knipoogje tot elkaar. De bolsjewieken dachten er echter niet aan, de rol van “Mohr” te gaan spelen. Zij begonnen pas hun “Schuldigkeit” te doen.

Elke klassenmaatschappij heeft een eensgezinde regering nodig. De dubbele heerschappij is in wezen een regime van de sociale crisis: terwijl zij het toonbeeld van een uiterste verbrokkeling van een volk is, bergt zij de openlijke of potentiële burgeroorlog in zich. Niemand wilde langer de dubbele heerschappij. Integendeel, iedereen snakte naar een sterke, homogene, “ijzeren” regering. De Juliregering van Kerenski had onbeperkte volmachten. Men koesterde heimelijk de bedoeling, om boven de democratie en de bourgeoisie, die elkaar verzwakten, met wederzijds goedvinden een “echte” regering te stellen. De gedachte van een boven de klassen staande leider is niets anders dan de gedachte van het bonapartisme.

Indien men twee vorken naast elkaar in een kurk steekt, kan deze zelfs bij krachtig heen en weer zwaaien naar beide kanten op een speldenkop blijven staan. Dit is het mechanische model van een bonapartistische scheidsrechter. De soliditeit van een dergelijke regering wordt, afgezien van de internationale verhoudingen, bepaald door de stabiliteit van het evenwicht tussen de vijandelijke klassen in het land zelf. Midden mei noemde Trotski in een bijeenkomst van de Sovjet van Petrograd Kerenski “het middelpunt van het Russische bonapartisme.” Uit de zakelijkheid van deze karakteristiek blijkt, dat hiermee niet de persoon, maar de functie bedoeld was. Begin juli hadden, naar wij ons herinneren, alle ministers op aanwijzing van hun partijen hun portefeuilles neergelegd en aan Kerenski de vorming van een nieuwe regering overgelaten. Op de 21ste juli herhaalde men dit experiment in een meer demonstratieve vorm. De vijandelijke partijen deden een beroep op Kerenski, elke partij zag in hem een deel van zich zelf, beide partijen zwoeren hem trouw. Trotski schreef vanuit de gevangenis: “Geleid door politici, die voor alles bevreesd zijn, waagde de Sovjet het niet de macht in handen te nemen. De vertegenwoordigster van alle bezittersklieken, de kadettenpartij, kon de macht nog niet grijpen. Er bleef niets anders over dan een grote verzoener, bemiddelaar, scheidsrechter te zoeken.”

In het door Kerenski op eigen naam gepubliceerde manifest aan het volk verkondigt hij: “Ik, als hoof d van de regering... me en niet te mogen terugdeinzen voor het feit, dat veranderingen (in de regeringsvorm)... mijn verantwoordelijkheid inzake de regering zullen vergroten.” Dit is de echte bonapartistische fraseologie. En toch kwam men, ondanks de ondersteuning van rechts en van links, niet verder dan deze fraseologie. Hoe is dit te verklaren?

Opdat de kleine Corsicaan zich boven de jonge burgerlijke natie kon stellen, moest de revolutie eerst haar voornaamste taak, nl. de verdeling van het land onder de boeren, vervullen en moest er op de nieuwe sociale basis een zegevierend leger ontstaan. Verder kon een revolutie in de XVIIIe eeuw niet gaan: zij kon slechts teruggaan. Bij dit teruggaan kwamen echter haar voornaamste veroveringen in gevaar. Deze moesten tot elke prijs behouden blijven. De weliswaar sterker wordende, maar nog uiterst zwakke tegenstelling tussen bourgeoisie en proletariaat hield de tot in haar grondvesten geschokte natie in de hoogste spanning. Een nationaal “rechter” was in deze omstandigheden onontbeerlijk. Napoleon verzekerde aan de grootbourgeoisie de mogelijkheid zich te verrijken, aan de boeren hun grondbezit, aan de boerenzonen en landlopers de gelegenheid, om in de oorlog te plunderen. De rechter hield de sabel in de hand en vervulde zelf de taak van beul. Het bonapartisme van de eerste Bonaparte was degelijk gegrondvest.

De revolutie van 1848 gaf geen land aan de boeren en kon hun dit ook niet geven: het was niet een grote revolutie, die het ene maatschappelijk stelsel door een ander verving, maar een politieke hergroepering op de basis van het oude maatschappelijk stelsel. Napoleon III had geen zegevierend leger achter zich. De beide voornaamste elementen van het klassieke bonapartisme ontbraken. Er waren echter andere gunstige, niet minder krachtige factoren. Het gedurende een halve eeuw in omvang toegenomen proletariaat liet in juni zijn dreigende kracht zien; het bleek echter nog niet in staat om de macht te grijpen. De bourgeoisie was beducht voor het proletariaat en tevens beducht voor een bloedige overwinning op het proletariaat. De bezittende boeren waren geschrokken van de Juniopstand en wilden, dat de staat hen tegen degenen, die de grond wilden verdelen, beschermde. Tenslotte opende de krachtige industriële ontwikkeling, welke met kleine tussenpozen zich over twee decennia uitstrekte, ongekende mogelijkheden tot verrijking aan de bourgeoisie. Deze voorwaarden waren voldoende voor het latere bonapartisme.

De politiek van Bismarck, welke zich eveneens “boven de klassen” stelde, had, en hierop is ook reeds meermalen gewezen, ongetwijfeld bonapartistische kenmerken, hoezeer ook onder een mom van wettigheid. De stabiliteit van het Bismarckse regime werd verzekerd daardoor, dat het ontstaan na de onmachtige revolutie, leidde tot de vervulling of gedeeltelijke vervulling van een zo grote nationale taak als de Duitse eenheid en in drie oorlogen overwinningen, oorlogsschattingen en een krachtige kapitalistische bloei bracht. Dit was genoeg voor tientallen jaren.

Het ongeluk van de Russische kandidaten voor de rol van Bonaparte was niet, dat zij noch op Napoleon de Eerste, noch zelfs maar op Bismarck geleken: de geschiedenis is soms ook wel met surrogaten tevreden. Maar zij hadden tegenover zich een grote revolutie, welke haar taak nog niet vervuld had en welke nog niet uitgeput was. De boeren, die nog geen grond gekregen hadden, werden door de bourgeoisie gedwongen oorlog te voeren voor het land van de grondbezitters. De oorlog bracht slechts nederlagen. Van een industriële opbloei was geen sprake: integendeel, het verval richtte steeds nieuwe verwoestingen aan. Indien het proletariaat terugweek, dan was dit slechts om zich des te hechter aaneen te sluiten. De boeren kwamen pas in beweging voor de laatste aanval op hun heren. De onderdrukte nationale minderheden gingen tot de aanval over tegen het russificerende despotisme. Het leger sloot zich, om vrede te krijgen, steeds nauwer bij de arbeiders en hun partij aan. De volksmassa’s smolten samen, de hogere klassen werden zwakker. Er was geen evenwicht. De revolutie bleef krachtig, zo is het niet te verwonderen dat het bonapartisme zwak bleek te zijn.

Marx en Engels vergeleken de rol van het bonapartistische regime in de strijd tussen bourgeoisie en proletariaat met de rol van de vroegere absolute monarchie in de strijd tussen feodalisme en bourgeoisie. Er zijn ongetwijfeld punten van overeenkomst, maar deze houdt op, waar de sociale inhoud van de regering naar voren komt. De rol van scheidsrechter tussen de elementen van de oude en de nieuwe maatschappij kon in een bepaalde tijd nodig blijken, voor zover beide uitbuitingsregeringen bescherming tegen de uitgebuiten nodig hadden. Tussen het feodalisme en de lijfeigene boeren was echter een “onpartijdige” bemiddeling reeds niet meer mogelijk. Terwijl het de belangen van het grondbezit en het jonge kapitalisme met elkaar verzoende, trad het tsaristisch absolutisme met betrekking tot de boeren niet op als een bemiddelaar, maar als een gevolmachtigde van de uitbuitende klassen.

Ook het bonapartisme was niet een scheidsrechter tussen proletariaat en bourgeoisie: het was in werkelijkheid de meest geconcentreerde macht van de bourgeoisie over het proletariaat. Terwijl hij met zijn laarzen op de nek van de natie omhoog klimt, kan een Bonaparte nooit een andere politiek dan die van beschermer van eigendom, rente en winst volgen. Het regime varieert slechts wat betreft de middelen, waarmee deze bescherming bereikt wordt. De bewaker staat nu eens bij de deur, dan weer zit hij op het dak van het huis; zijn functie blijft echter dezelfde. De onafhankelijkheid van het bonapartisme is grotendeels uiterlijk vertoon, decoratief: de keizersmantel is het symbool ervan.

Ofschoon hij handig gebruik maakte van de angst van de bourgeoisie voor de arbeiders, bleef Bismarck bij al zijn politieke en sociale hervormingen toch altijd de gevolmachtigde van de bezittende klassen, die hij nooit ontrouw werd. Daarentegen maakte de toenemende druk van het proletariaat het hem ongetwijfeld mogelijk, zich als belangrijk scheidsrechter van staatswege boven jonkerdom en kapitalisme te stellen: daarin bestond juist zijn functie.

Het Sovjetstelsel maakt een vrij grote onafhankelijkheid van de regering tegenover het proletariaat en de boeren en derhalve ook een “bemiddeling” tussen deze mogelijk, voor zover de belangen van beide, hoezeer zij ook wrijvingen en conflicten teweegbrengen, in wezen toch niet onverzoenlijk zijn. Het zou echter niet gemakkelijk vallen, om een “onpartijdig” scheidsrechter te vinden tussen Sovjetstaat en bourgeoisie, althans wat de fundamentele belangen van beide partijen betreft. Dezelfde sociale oorzaken welke in het nationale kader een werkelijke en niet slechts uiterlijke “onpartijdigheid” van de regering in de strijd tussen bourgeoisie en proletariaat onmogelijk maken, beletten op internationaal terrein de Sovjetunie zich aan te sluiten bij de Volkenbond.

De Kerenskiade had alle ondeugden van het bonapartisme zonder de macht hiervan te bezitten. Zij stelde zich slechts boven de natie, om deze door haar eigen onmacht tot ontbinding te brengen. Hoewel de leiders van de bourgeoisie en de democratie met de mond beloofden, Kerenski te gehoorzamen, gehoorzaamde de almachtige scheidsrechter in werkelijkheid aan Miljoekov en nog meer aan Buchanan. Kerenski voerde de imperialistische oorlog, beschermde het grootgrondbezit tegen aanslagen en schoof de sociale hervormingen op de lange baan. Indien zijn regering zwak was, dan kwam dit voort uit dezelfde oorzaken, als waardoor de bourgeoisie haar eigen mensen niet aan de regering kon brengen. Bij alle onbeduidendheid van de “regering tot redding des lands” werd echter met haar “onafhankelijkheid” tevens haar conservatief kapitalistisch karakter sterker.

Het inzicht, dat het Kerenskibewind de voor dat tijdvak onvermijdelijke vorm van burgerlijke heerschappij was, belette niet, dat de burgerlijke politici in hoge mate ontevreden waren over Kerenski, en evenmin, dat zij zich opmaakten, om zich zo snel mogelijk van hem te ontdoen. Men was het in de bezittende klassen erover eens, dat er tegenover de door de kleinburgerlijke democratie omhoog geheven nationale scheidsrechter een figuur uit de eigen rijen gesteld moest worden. Waarom moest dit juist Kornilov zijn? De kandidaat voor de rol van een Bonaparte moest overeenkomen met het karakter van de Russische bourgeoisie, de te laat ten tonele gekomen, van het volk gescheiden, tanende, onbekwame bourgeoisie. In het leger, dat eigenlijk alleen maar vernederende nederlagen geleden had, was niet gemakkelijk een populaire generaal te vinden. Kornilov werd op de voorgrond geschoven, nadat alle overige kandidaten, die nog onbekwamer waren, terzijde geschoven waren.

De verzoeningsgezinden konden derhalve noch zich blijvend met de liberalen tot een coalitie verenigen, noch het over een kandidaat voor redder eens worden: de nog niet voltooide revolutie was een hinderpaal hiervoor. De liberalen vertrouwden de democraten niet. De democraten vertrouwden de liberalen niet. Kerenski opende weliswaar zijn armen wijd voor de bourgeoisie, maar Kornilov gaf ondubbelzinnig te kennen, dat hij bij de eerste de beste gelegenheid de democratie de nek om zou draaien. De botsing tussen Kornilov en Kerenski, welke onvermijdelijk uit de voorafgaande ontwikkeling voortvloeide, was een uitbarsting van de tegenstellingen, die er in de dubbele heerschappij bestonden, in de vorm van persoonlijke eerzucht.

Evenals er zich begin juli in Petrograd in het proletariaat en het garnizoen een ongeduldige groep vormde, die met de al te voorzichtige politiek van de bolsjewieken ontevreden was, hoopte zich begin augustus in de bezittende klassen een stemming van ongeduld tegen de afwachtende politiek van de leiding der kadetten op. Deze stemming kwam bijvoorbeeld op het kadettencongres tot uiting, waar luid geëist werd dat Kerenski ten val gebracht zou worden. Nog krasser kwam het politieke ongeduld buiten de kadettenpartij tot uiting, in de militaire staven, waar men in een voortdurende angst voor de soldaten leefde, in de banken, waar men in golven van inflatie onderging, op de landgoederen, waar de daken boven de hoofden van de edelen in vlammen opgingen. “Leve Kornilov!” werd de leus van hoop, vertwijfeling en wraakzucht.

Terwijl Kerenski het op alle punten met het program van Kornilov eens was, had hij slechts bezwaren betreffende de termijn: “Alles kan niet ineens geschieden...” Miljoekov gaf, terwijl hij de noodzakelijkheid, om zich van Kerenski te ontdoen, erkende, aan de ongeduldigen ten antwoord: “Het is nu wellicht nog wat te vroeg.” Evenals er onder de druk van de massa’s van Petrograd in juli een partiële opstand ontstond, kwam uit het ongeduld van de bezittende klasse in augustus de opstand van Kornilov voort. En evenals de bolsjewieken zich gedwongen zagen, mee te doen aan de gewapende demonstratie, om deze, zo mogelijk, te doen slagen en ze in elk geval voor een algehele verplettering te behoeden, zagen de kadetten zich gedwongen, met dezelfde bedoelingen mee te doen aan de opstand van Kornilov. Binnen dit kader is er een opvallende analogie te constateren. Maar binnen deze analogie bestaat er een volkomen tegenstelling tussen doeleinden, methoden en – resultaten. Deze zal ons in de loop der gebeurtenissen volkomen duidelijk worden.