Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

c) Geld als de materiële representant van rijkdom (accumulatie van geld; daarvoor: geld als de algemene materie van de contracten, enz.)

Het ligt in de aard van de kringloop dat elk punt zowel als begin- en als eindpunt verschijnt, en dat het zowel als het ene verschijnt voor zover het als het andere verschijnt. De vorm G-W-W-G is even correct als de andere, die oorspronkelijk verschijnt: W-G-G-W. De moeilijkheid is dat de andere waar kwalitatief verschillend is; dat geldt niet voor het andere: geld. Het kan alleen kwantitatief anders zijn. – Als graadmeter is de materiële substantie van het geld van wezenlijk belang, ofschoon het bestaan ervan en, meer nog, de hoeveelheid ervan, het aantal porties goud of zilver, dat als eenheid dient, haar in deze bepaling volkomen onverschillig laat, en zij in het algemeen slechts als een ingebeelde, niet bestaande eenheid wordt gebruikt. In deze hoedanigheid is het nodig als een eenheid en niet als een hoeveelheid. Als ik zeg dat een pond katoen 8 d waard is, zeg ik dat 1 pond katoen = 1/116 ons goud (de ons op 31 17 sh 7 d) (931 d). Dit drukt tegelijkertijd zijn bijzonderheid uit als ruilwaarde ten opzichte van alle andere goederen, als equivalent van alle andere goederen, die het ons goud zus en zo vele malen bevatten, aangezien zij allen op dezelfde wijze met het ons goud worden vergeleken. Deze oorspronkelijke verhouding van het pond katoen tot het goud, waardoor de hoeveelheid goud in een pond katoen wordt bepaald, wordt bepaald door de hoeveelheid arbeidstijd die in beide wordt gerealiseerd, de werkelijke gemeenschappelijke substantie van de ruilwaarden. Dit moet worden verondersteld uit het hoofdstuk over de ruilwaarde als zodanig. De moeilijkheid om deze vergelijking te vinden is niet zo groot als het lijkt. Bv., in de arbeid die direct goud produceert verschijnt een bepaalde hoeveelheid goud direct als het product van een dag arbeid. Concurrentie stelt de arbeid van de andere dagen daarmee gelijk, modificandis modificatis [na de nodige modificaties]. Direct of indirect. Met andere woorden, bij de rechtstreekse productie van goud verschijnt een bepaalde hoeveelheid goud rechtstreeks als product en dus als waarde, als het equivalent van een bepaalde arbeidstijd. Het is dus alleen nodig de arbeidstijd te bepalen die in de verschillende goederen wordt gerealiseerd en deze gelijk te stellen met de arbeidstijd die het goud rechtstreeks produceert, om te kunnen zeggen hoeveel goud in een bepaalde waar zit.

De bepaling van alle waren als prijzen – als gemeten ruilwaarden – is een proces dat slechts geleidelijk plaatsvindt, dat frequente ruil en veelvuldige vergelijking van waren als ruilwaarden veronderstelt; maar zodra het bestaan van waren als prijzen een voorwaarde is geworden – een voorwaarde die zelf een product is van het maatschappelijk proces, een resultaat van het maatschappelijk productieproces – dan lijkt de bepaling van nieuwe prijzen eenvoudig, omdat de elementen van de productiekosten zelf reeds aanwezig zijn in de vorm van prijzen, en dus alleen maar moeten opgeteld. (Veelvuldige vervreemding, verkoop, veelvuldige verkoop, Steuart. Veeleer moet dit alles, opdat de prijzen enige regelmaat zouden vertonen, continuïteit hebben.) Maar het punt dat we willen maken is: de verhouding van het goud tot de goederen, voor zover het als meeteenheid gedefinieerd is, wordt bepaald door de ruilhandel, de directe ruilhandel; hetzelfde geldt voor de verhouding van alle andere goederen tot elkaar. In de ruilhandel echter is het product alleen op zich ruilwaarde; het is de eerste manifestatie ervan; maar het product is nog geen ruilwaarde. Ten eerste beheerst dit karakter nog niet de gehele productie, maar betreft het slechts de overtolligheid ervan en is dus zelf min of meer overtollig (zoals de ruil zelf); een toevallige uitbreiding van de sfeer van bevredigingen, genoegens (met betrekking tot nieuwe objecten). Zij komt dus slechts op enkele plaatsen voor (oorspronkelijk daar waar de natuurlijke gemeenschap eindigt, in hun contact met vreemden), is beperkt tot een kleine kring en vormt iets dat de productie passeert, iets bijkomstigs; zij verdwijnt even toevallig als zij ontstaat. De ruilhandel, waarbij het overtal van de eigen productie toevallig wordt geruild tegen een vreemde productie, is slechts het eerste fenomeen van het product als ruilwaarde in het algemeen, het wordt bepaald door toevallige behoeften, lusten, enz. Maar indien voortgezet, indien zij een voortdurende handeling wordt, die in zichzelf de middelen bevat voor haar voortdurende vernieuwing, dan zou, evenals van buitenaf, toevallig, de regeling van de wederkerige ruil door de regeling van de wederkerige productie geleidelijk haar intrede doen, en de productiekosten, die tenslotte oplossen in de arbeidstijd, die zouden aldus de graadmeter van de ruil worden. Dit toont aan hoe de ruil tot stand komt, en wat de ruilwaarde van de goederen is.

Maar de omstandigheden waaronder een verhouding zich voor het eerst voordoet, tonen ons niet hetzelfde, noch in zijn zuiverheid, noch in zijn totaliteit. Een product als ruilwaarde, wordt in wezen niet meer bepaald als ongecompliceerd; het wordt bepaald in een kwaliteit die verschilt van zijn natuurlijke kwaliteit; het wordt vastgesteld als een verhouding, en deze verhouding is algemeen, niet voor één waar, maar voor elke waar, voor elk mogelijk product. Het drukt dus een algemene verhouding uit; het product, dat zich tot zichzelf verhoudt als de realisatie van een zekere hoeveelheid algemene arbeid, van maatschappelijke arbeidstijd, het is in dit opzicht het equivalent van elk ander product in de verhouding uitgedrukt in zijn ruilwaarde. Ruilwaarde veronderstelt maatschappelijke arbeid als de substantie van alle producten, geheel afgezien van hun natuurlijkheid. Niets kan een verhouding uitdrukken zonder er zich tot te verhouden; en er is geen algemene verhouding zonder zich te verhouden tot het algemene. Aangezien arbeid beweging is, is tijd de natuurlijke graadmeter. De ruilhandel in zijn ruwste vorm gaat uit van de arbeid als substantie en de arbeidstijd als de graadmeter van de waren; die dan ook te voorschijn komt zodra zij geregulariseerd wordt en continu is, zij moet in zich de wederkerige voorwaarden van haar vernieuwing bevatten. -

De waar is slechts ruilwaarde voor zover het in een andere wordt uitgedrukt, d.w.z. als een verhouding. Een schepel tarwe is evenveel waard als een schepel rogge; in dit geval is de tarwe een ruilwaarde voor zover hij wordt uitgedrukt in rogge, en de rogge een ruilwaarde voor zover hij wordt uitgedrukt in tarwe. Voor zover elk van de twee alleen betrekking heeft op zichzelf, is het geen ruilwaarde. Welnu, in de verhouding waarin het geld als graadmeter verschijnt, wordt het zelf niet uitgedrukt als een verhouding, niet als ruilwaarde, maar als een natuurlijke hoeveelheid van een bepaalde materie, een natuurlijk gewicht van goud of zilver. In het algemeen wordt de waar waarin de ruilwaarde van een ander wordt uitgedrukt, nooit uitgedrukt als een ruilwaarde, nooit als een verhouding, maar als een bepaalde hoeveelheid in haar natuurlijke kwaliteit. Als 1 schepel tarwe 3 schepels rogge waard is, wordt alleen de schepel tarwe in waarde uitgedrukt, niet de schepel rogge. Op zich is het andere ook bepaald, 1 schepel rogge is 1/3 van een schepel tarwe; maar dit wordt niet gesteld, maar is slechts een tweede verhouding, weliswaar direct aanwezig in de eerste. Wanneer een waar wordt uitgedrukt in een andere, wordt het gesteld als een verhouding, de andere als een eenvoudig kwantum van een bepaalde materie. Drie schepels rogge zijn op zichzelf geen waarde; het is eerder rogge die een bepaald volume opvult, gemeten naar een inhoudsmaat.

Hetzelfde geldt voor geld als graadmeter, als de eenheid waarin de ruilwaarde van andere goederen wordt gemeten. Het is een bepaald gewicht van de natuurlijke substantie waarin het is vertegenwoordigd, goud, zilver, enz. Als 1 schepel tarwe een prijs heeft van 77 sh 7 d, dan wordt het uitgedrukt als iets anders, waaraan het gelijk is, als 1 ons goud, als een verhouding, als ruilwaarde. Maar 1 ons goud is op zichzelf geen ruilwaarde; niet uitgedrukt als ruilwaarde, maar als een bepaalde hoeveelheid van zichzelf, van zijn natuurlijke substantie, goud. Indien 1 schepel tarwe de prijs heeft van 77 sh 7 d of van 1 ons goud, kan dit een grotere of een kleinere waarde zijn, aangezien 1 ons goud in waarde zal stijgen of dalen in verhouding tot de hoeveelheid aangewende arbeid voor de productie ervan. Dit is echter van geen tel voor zijn prijsbepaling als zodanig; want zijn prijs van 77 sh 7 d drukt exact de verhouding uit waarin het equivalent is aan alle andere waren, die het kan kopen. De determinatie van de prijs, of de quarter nu 77 of 1,780 sh is, dat valt buiten de prijsbepaling in het algemeen, d.w.z. het vaststellen van de tarweprijs. Een prijs heeft het, of het nu 100 of 1 sh kost. De prijs drukt de ruilwaarde alleen uit in een eenheid die alle goederen gemeen hebben; ervan uitgaande dat deze ruilwaarde reeds door andere verhoudingen wordt geregeld. Dat 1 quarter tarwe de prijs heeft van 1 ons goud – daar goud en tarwe, als natuurlijke voorwerpen, geen verhouding tot elkaar hebben, als zodanig onmeetbaar zijn voor elkaar, van geen tel zijn tegenover elkaar – vindt men echter in het feit dat het ons goud zelf in verhouding staat tot de arbeidstijd, nodig voor hun productie, en dat dus zowel tarwe als goud in een verhouding staan tot een derde, de arbeid, en in deze verhouding worden gelijkgesteld; dat dus beide als ruilwaarde met elkaar worden vergeleken. Maar dit toont ons slechts hoe de prijs van tarwe tot stand komt, de hoeveelheid goud waaraan het wordt gelijkgesteld. In deze verhouding zelf, waar het geld verschijnt als de prijs van tarwe, is het zelf niet weer een verhouding, als ruilwaarde, maar als een bepaald kwantum van een natuurlijke materie.

In de ruilwaarde worden de waren (producten) gesteld als een verhouding tot hun maatschappelijke substantie, de arbeid; maar als prijs worden zij uitgedrukt in hoeveelheden van andere producten volgens hun natuurlijke aard. Men kan echter zeggen dat de prijs van het geld ook wordt vastgesteld als 1 quarter tarwe, 3 quarter rogge, en alle andere hoeveelheden van de verschillende goederen waarvan de prijs 1 ons goud is. Maar dan zou, om de prijs van het geld uit te drukken, de gehele rij van goederen moeten worden opgesomd, elk in de hoeveelheid waarin het gelijk is aan 1 ons goud. Geld zou dus evenveel prijzen hebben als er goederen zijn waarvan het zelf de prijs zou uitdrukken. De belangrijkste determinant van de prijs, de eenheid, zou ophouden te bestaan. Geen enkele waar zou de prijs van geld uitdrukken, omdat geen enkele waar zijn verhouding tot alle andere waren zou uitdrukken, zijn algemene ruilwaarde. Maar het is het specifieke van de prijs dat de ruilwaarde zelf moet worden uitgedrukt in haar algemeenheid en toch van een specifieke waar. Maar zelfs dit maakt niets uit. Voor zover geld verschijnt als materie, waarin de prijs van alle waren wordt uitgedrukt, gemeten worden, is het geld zelf bepaald als een bepaald kwantum van goud, zilver, enz., kortom van zijn natuurlijke materie; eenvoudig een hoeveelheid van een bepaalde materie, niet zelf als ruilwaarde, als een verhouding. Elke waar waarin een andere waar als prijs wordt uitgedrukt, wordt dus niet zelf als ruilwaarde geponeerd, maar als een eenvoudige hoeveelheid van zichzelf. Bij de bepaling van het geld als eenheid van de ruilwaarden, als hun graadmeter, hun algemeen vergelijkingspunt, blijkt zijn natuurlijke materie, goud, zilver, essentieel, in die zin dat het als prijs van de waar geen ruilwaarde is, geen verhouding, maar een zeker gewicht aan goud, zilver; bv. een pond, met zijn onderverdelingen, en zo verschijnt geld oorspronkelijk ook als een pond, aes grave. Dit is nu juist wat de prijs onderscheidt van de ruilwaarde, en wij hebben gezien dat de ruilwaarde noodzakelijkerwijs de prijs bepaalt. Vandaar de onzin van hen die de arbeidstijd als zodanig tot geld maken, d.w.z. die het verschil tussen prijs en ruilwaarde wel en niet willen bepalen.

Geld als graadmeter, als element van prijsbepaling, als meeteenheid van ruilwaarden, geeft dus het fenomeem dat het 1. slechts vereist is als denkbeeldige eenheid zodra de ruilwaarde van een ons goud tegen een bepaalde waar is vastgesteld; dat zijn echte bestaan overbodig is en des te meer de beschikbare hoeveelheid; als waarde-indicator is de hoeveelheid waarin het in een land bestaat onverschillig; slechts als rekeneenheid is het nodig; 2. dat, terwijl het slechts ideëel hoeft te worden vastgesteld, en inderdaad, als de warenprijs, daarin slechts ideëel is vastgesteld, zij tegelijkertijd, als een eenvoudig kwantum van de natuurlijke substantie waarin het wordt voorgesteld, als een bepaald gewicht aan goud, zilver, enz., dat als eenheid wordt aangenomen, het punt van vergelijking, de eenheid, de maat. De ruilwaarden (waren) worden in het hoofd omgezet in bepaalde gewichten van goud of zilver en ideëel gesteld als = dit verbeelde kwantum goud, enz.; als de uitdrukking daarvan.

Maar als wij nu overgaan tot de tweede bepaling van geld, als ruilmiddel en realisator van de prijzen, dan hebben wij geconstateerd dat het in een bepaalde hoeveelheid aanwezig moet zijn; dat het gewicht van goud of zilver dat als eenheid is vastgesteld, in een bepaald aantal nodig is om aan deze bepaling te voldoen. Als enerzijds de som van de te realiseren prijzen gegeven is, die afhangt van de prijs van een bepaalde waar vermenigvuldigd met de hoeveelheid ervan, en anderzijds de snelheid van de geldomloop, is een bepaalde hoeveelheid van het circulatiemiddel vereist. Maar als wij nu de oorspronkelijke vorm, de onmiddellijke vorm waarin de circulatie zich voordoet, W-G-G-W, nader beschouwen, verschijnt het geld daarin zuiver als ruilmiddel. De waren worden geruild tegen waren, en geld verschijnt slechts als ruilmiddel. De prijs van de eerste waar wordt in geld gerealiseerd om met het geld de prijs van de tweede waar te realiseren en deze dus voor de eerste te verkrijgen. Nadat de prijs van de eerste waar is gerealiseerd, is het niet de bedoeling van degene die nu zijn prijs in geld heeft ontvangen, om de prijs van de tweede waar te ontvangen, maar hij betaalt de prijs ervan om de waar te hebben. In wezen heeft het geld hem dus slechts gediend om de eerste waar te ruilen tegen de tweede. Als louter circulatiemiddel heeft geld geen ander doel. De man die zijn waar heeft verkocht en geld heeft gekregen, wil een andere waar kopen, en de man van wie hij die koopt, heeft het geld nodig om een andere waar te kopen enz. In deze bepaling als zuiver circulatiemiddel bestaat de bepaling van het geld zelf slechts in deze circulatie, die het tot stand brengt doordat de hoeveelheid ervan vooraf bepaald is; het aantal. Hoe vaak het zelf als eenheid in de waren aanwezig is, is vooraf bepaald in hun prijzen, en als instrument van circulatie verschijnt het slechts als het getal van deze vooronderstelde eenheid. Voor zover het de prijs van goederen realiseert, wordt de waar geruild tegen zijn reële equivalent in goud en zilver; zijn ruilwaarde wordt werkelijk uitgedrukt in een andere waar, geld; maar voor zover dit proces plaatsvindt om geld weer om te zetten in waren, dat wil zeggen om de eerste waar te ruilen voor de tweede, lijkt geld te verdwijnen en bestaat zijn substantie alleen in het feit dat het voortdurend verschijnt als deze verdwijning, als de drager van de bemiddeling. Geld als circulatiemiddel is slechts een circulatiemiddel. De enige bepaling, noodzakelijk om in deze hoedanigheid te kunnen functioneren, is die van de hoeveelheid of het aantal waarin het circuleert. (Aangezien het getal ook door de snelheid wordt bepaald, behoeft dit hier niet speciaal te worden vermeld). Voor zover het de prijs realiseert, is het materiële bestaan als goud en zilver essentieel; maar voor zover deze realisatie slechts verdwijnend is en zichzelf opheft, is het irrelevant. Het is slechts een schijn, alsof het erom gaat de waar in te ruilen tegen goud of zilver als bijzondere waar: een schijn die verdwijnt zodra het proces is beëindigd, zodra goud en zilver weer zijn geruild tegen een waar, en de waar dus weer is geruild tegen een andere. Het karakter van goud en zilver als loutere circulatiemiddelen, of het karakter van het circulatiemiddel als goud en zilver, is derhalve irrelevant voor hun specifieke natuurlijke goederen.

Stel dat de totale prijs van de circulerende goederen = 10.000 talers. Hun maat is dan 1 taler = x gewicht aan zilver. Nu zijn er 100 talers nodig om deze goederen in 6 uur te laten circuleren; d.w.z. dat elke taler de prijs van 100 talers in 6 uur betaalt. Wat nu essentieel is, is dat er 100 talers aanwezig zijn, het bedrag van 100 van de metalen eenheid die de som van de warenprijzen meet; 100 van deze eenheden. Dat deze eenheden uit zilver bestaan, dat maakt niets uit voor het proces zelf. Dit blijkt reeds uit het feit dat de ene taler in de omloop van de circulatie een hoeveelheid zilver vertegenwoordigt die 100 maal groter is dan wat er in reële termen is, hoewel het bij een gegeven omloop slechts het gewicht aan zilver van 1 taler vertegenwoordigt. In zijn geheel beschouwd vertegenwoordigt 1 taler in omloop dus 100 taler, een 100 maal groter gewicht aan zilver dan het in werkelijkheid bevat. Het is in feite slechts een aanduiding van het gewicht aan zilver dat in 100 talers zit. Het realiseert een prijs die 100 keer groter is dan het werkelijk realiseert, beschouwd als een kwantum zilver. Stel bv. dat het £ = 1/3 ons goud (het is niet zoveel). Voor zover de prijs van een waar met £1 wordt betaald, d.w.z. de prijs ervan met £1 wordt gerealiseerd, het tegen £1 wordt ingewisseld, is het doorslaggevend dat het £ werkelijk 1/3 ons goud bevat. Als het een vals £ was, samengesteld uit onedel metaal, een £ alleen in schijn, zou de prijs van de waar inderdaad niet gerealiseerd worden; om hem te realiseren zou hij betaald moeten worden in evenveel onedel metaal als = 1/3 ons goud.

Beschouwd volgens dit afgezonderde moment van de circulatie, is het dus van essentieel belang dat de munteenheid werkelijk een bepaalde hoeveelheid goud en zilver vertegenwoordigt. Maar als we de gehele circulatie nemen, als een samenhangend proces: W-G-G-W, ligt de zaak anders. In het eerste geval zou de realisering van de prijs slechts schijn zijn: slechts een deel van de prijs zou worden gerealiseerd. De ideëel gestelde prijs zou niet reëel worden gesteld. De waar, ideëel gesteld = zoveel delen goudgewicht, zou in de werkelijke ruil niet zoveel delen goud tegen zichzelf ruilen. Maar als een vals £ voor een echte in omloop zou worden gebracht, zou dat de circulatie absoluut dezelfde dienst bewijzen als was het een echt £. Als een waar A tegen de prijs van £1 wordt geruild tegen 1 vals pond, en dit valse pond wordt weer geruild tegen de waar B van £1, heeft het valse pond absoluut dezelfde dienst bewezen als ware het een echt pond. In dit proces is het reële pond in feite niet meer dan een symbool, in zoverre dat niet het moment waarop het de prijzen tot stand brengt in aanmerking wordt genomen, maar het gehele proces, waarin het slechts dient als circulatiemiddel, en waarin de realisatie van de prijzen slechts een schijn is, een verdwijnende bemiddeling. Hier dient het pond goud alleen om de waar A te ruilen tegen de waar B van dezelfde prijs. De werkelijke verwezenlijking van de prijs van de waar A is hier de waar B, en de werkelijke realisatie van de prijs B is de waar A of C of D, wat naar vorm hetzelfde is voor de verhouding, het bijzondere van de waar doet er volstrekt niet toe. Goederen van gelijke prijs worden geruild. In plaats van de waar A rechtstreeks te ruilen met de waar B, wordt de prijs van de waar A geruild met de waar B en wordt de prijs van de waar B geruild met de waar A.

Het geld stelt zo de waar tegenover de prijs. De waren worden tegen hun prijs tegen elkaar geruild. De prijs van de waar drukt ideëel uit dat het gaat om een hoeveelheid van een bepaalde natuurlijke eenheid (gewichtseenheden) goud of zilver, van het materiaal waarin het geld is belichaamd. In geld, of de gerealiseerde prijs, komt er nu een reëel aantal van deze eenheid tegenover te staan. Maar voor zover de verwezenlijking van de prijs niet het einde is, en het er niet om gaat de prijs van de waar als prijs te hebben, maar de prijs van een andere waar, maakt het materiaal van het geld, bv. goud en zilver, geen verschil. Het geld wordt het subject als een circulatiemiddel, als een ruilmiddel, en de natuurlijke materie waarin het wordt voorgesteld verschijnt als een toeval waarvan de betekenis verdwijnt in de ruilhandeling; want het is niet in dit materiaal dat de waar, dat tegen geld wordt geruild, uiteindelijk tot stand komt, maar in het materiaal van de andere waar. Want wij hebben nu, naast de momenten, dat in de circulatie, 1. het geld de prijzen realiseert, 2. eigendomstitels circuleren, 3. dat door middel daarvan, dat gebeurt wat niet rechtstreeks kon gebeuren, dat de ruilwaarde van de waar wordt uitgedrukt in elke andere waar. Als een el linnen 2 sh kost en een pond suiker 1 sh, dan wordt de el linnen door middel van de 2 sh in 2 pond suiker gerealiseerd; de suiker wordt dus omgezet in de materie van zijn ruilwaarde, in de materie waarin zijn ruilwaarde wordt gerealiseerd.

Als louter circulatiemiddel, in zijn rol in het circulatieproces als constante stroom, is geld noch de maat van de prijzen, want als zodanig is het reeds vastgelegd in de prijzen; noch het middel om de prijzen te realiseren, want als zodanig bestaat het al in dat ene circulatiemoment, maar verdwijnt het in het geheel van de momenten; maar het is de loutere vertegenwoordiger van de prijs tegenover alle waren en dient slechts als middel om de waren tegen gelijke prijzen te kunnen ruilen. Het wordt geruild tegen die ene waar omdat het de algemene vertegenwoordiger is van zijn ruilwaarde en als zodanig de vertegenwoordiger van elke andere waar van gelijke ruilwaarde, algemene vertegenwoordiger is, en als zodanig is het zelf in omloop. Het vertegenwoordigt de prijs van de ene waar ten opzichte van alle andere waren, of de prijs van alle waren ten opzichte van de ene waar. In deze verhouding is het niet alleen de representant van de warenprijzen, maar het symbool van zichzelf; d.w.z. in de handeling van de circulatie zelf is zijn materiaal, goud en zilver, niet van belang. Het is de prijs; het is een bepaalde hoeveelheid goud of zilver; maar voor zover deze werkelijkheid van de prijs hier slechts een verdwijnende is, een die voorbestemd is om voortdurend te verdwijnen, opgeheven te worden, niet te gelden als een definitieve verwezenlijking, maar voortdurend als een tussenpersoon, een bemiddelaar; in zoverre het hier helemaal niet gaat om de verwezenlijking van de prijs, maar om de verwezenlijking van de ruilwaarde van een bepaalde waar in het materiaal van een andere waar, is zijn eigen materiaal onverschillig, verdwijnt het als de verwezenlijking van de prijs, omdat deze zelf verdwijnt; het is dus, voor zover het in deze voortdurende beweging is, slechts de vertegenwoordiger van de ruilwaarde, die pas reëel wordt doordat de reële ruilwaarde voortdurend de plaats van zijn vertegenwoordiger inneemt, voortdurend met hem van plaats verandert, zich voortdurend met hem wisselt. In dit proces is de realiteit dus niet dat zij de prijs is, maar dat zij hem vertegenwoordigt, zijn vertegenwoordiger is; objectief bestaande vertegenwoordiger van de prijs, dus van zichzelf, en als zodanig van de ruilwaarde van de waren. Als ruilmiddel realiseert zij de prijzen van de waren alleen om de ruilwaarde van de ene waar in de andere als haar eenheid te stellen, om haar ruilwaarde in de andere waar te realiseren, d.w.z. om de andere waar als het materiaal van haar ruilwaarde te stellen.

Als zodanig is het alleen een materieel symbool in de circulatie; als het eruit wordt genomen is het weer een gerealiseerde prijs; binnen dit proces wordt echter, zoals we hebben gezien, de kwantiteit, het aantal van deze materiële symbolen van de monetaire eenheid in wezen bepaald. Terwijl dus in de circulatie, waarin het geld verschijnt als een bestaand ding ten opzichte van de waren, zijn materiële substantie, zijn substraat als een bepaalde hoeveelheid goud en zilver, onverschillig is, terwijl daarentegen zijn aantal wezenlijk bepaald is, omdat het dus slechts een symbool is van een bepaald aantal van deze eenheid, was in zijn bepaling als graadmeter, waarin het slechts ideëel gebruikt werd, zijn materiële substraat wezenlijk, maar zijn hoeveelheid en zijn bestaan in het algemeen onverschillig. Hieruit volgt dat geld als goud en zilver, voor zover het alleen zijn rol als ruil- en circulatiemiddel betreft, kan worden vervangen door elk ander symbool dat een bepaalde hoeveelheid van zijn eenheid uitdrukt, en dat op deze manier symbolisch geld het echte kan vervangen, omdat materieel geld als louter ruilmiddel zelf symbolisch is.

Het zijn deze tegenstrijdige functies van het geld als graadmeter, als realisatie van de prijzen en als louter ruilmiddel, die het anders onverklaarbare verschijnsel verklaren, dat wanneer het metaalgeld, goud, zilver, door toevoeging van een lager staand metaal vervalst wordt, het geld in waarde vermindert en de prijzen stijgen; want in dit geval is de graadmeter van de prijzen niet meer de productiekost van het ons goud, maar van het ons dat voor 2/3 met koper enz. vermengd is (de muntvervalsingen, voor zover zij slechts bestaan in het veranderen of vervalsen van de benamingen van de aliquote gewichtsdelen van het edele metaal, bv. indien vroeger 1/4 van een ons 1 soeverein werd genoemd en nu 1/8, dan drukt de prijs van 1 soeverein nu slechts 1/8 ons goud uit; er zijn dus (ongeveer) 2 soevereinen nodig om dezelfde prijs uit te drukken die vroeger door 1 soeverein werd uitgedrukt); of in het geval van loutere vervalsing van de namen van de aliquote delen van het edelmetaal, is de maat dezelfde gebleven, maar is het aliquote deel uitgedrukt in tweemaal zoveel franken enz. als voorheen; indien daarentegen het substraat van het geld, goud, zilver, geheel wordt opgeheven en vervangen door papier met het symbool van een bepaalde hoeveelheid echt geld, in de hoeveelheid die nodig is voor de circulatie, circuleert het papier tegen de volle waarde van het goud en zilver. Omdat in het eerste geval, het circulatiemiddel tegelijk het materiaal is van het geld als graadmeter, plus het materiaal waarin de prijs definitief wordt gerealiseerd; in het tweede geval, omdat het geld alleen in zijn rol van circulatiemiddel bestaat.

Een voorbeeld van de plompe verwarring van de tegenstrijdige functies van het geld:

“De prijs wordt precies bepaald door de hoeveelheid beschikbaar geld om het te kopen. Alle waren in de wereld kunnen niet meer opbrengen dan al het beschikbare geld in de wereld.”

In de eerste plaats heeft het bepalen van een prijs niets te maken met een echte verkoop; daarin is geld slechts een graadmeter. Ten tweede kunnen alle waren (in de circulatie) duizendmaal meer geld opbrengen dan er in de wereld is, als elk geldstuk duizend maal in omloop zou zijn. (Het citaat komt uit de London Weekly Dispatch, 8 nov. [1857].)

Aangezien de totale som van de te realiseren prijzen in de circulatie verandert met de prijzen van de waren in omloop en hun hoeveelheid; daar anderzijds de snelheid van de in omloop zijnde circulatiemiddelen eveneens wordt bepaald door onafhankelijke omstandigheden, moet de hoeveelheid van de circulatiemiddelen kunnen veranderen, kunnen uitbreiden en inkrimpen – concentratie en expansie van de circulatie.

Als louter circulatiemiddel kan van geld worden gezegd dat het ophoudt een waar (speciale waar) te zijn, in die zin dat het materiaal om het even is en het alleen de ruilbehoefte bevredigt, en geen andere onmiddellijke behoefte: goud en zilver houden op een waar te zijn zodra zij als geld circuleren. Aan de andere kant kan men zeggen dat zij niet meer is dan een waar (algemene waar), een waar in een zuivere vorm, onverschillig voor haar natuurlijke bijzonderheid en dus onverschillig voor alle onmiddellijke behoeften, zonder enige natuurlijke relatie tot een bijzondere behoefte als zodanig. De voorstanders van het monetaire systeem, zelfs tot op zekere hoogte van het protectionistische systeem (zie bv. Ferrier, p. 2) hangen het eerste aspect aan, de moderne economen het tweede; bv. Say, die zegt dat geld behandeld moet worden als een “bijzondere” waar, een waar die elke waar behandelt als elke andere waar ... Als ruilmiddel verschijnt geld als een noodzakelijke bemiddelaar tussen productie en consumptie. In het ontwikkelde geldsysteem produceert men alleen om te ruilen, of produceert men alleen door te ruilen. Als het geld zou worden afgeschaft, zou men ofwel worden teruggeworpen op een lager productieniveau (waarmee de ruilhandel overeenkomt), ofwel overgaan naar een hoger niveau, waar de ruilwaarde niet langer het belangrijkste van de waar zou zijn, omdat de algemene arbeid, waarvan zij de vertegenwoordiger is, niet langer zou verschijnen als een maatschappelijk bemiddelde particuliere arbeid.

De vraag of geld als circulatiemiddel productief of niet-productief is, wordt net zo gemakkelijk opgelost. Volgens Adam Smith is geld onproductief. Nu zegt Ferrier:

“Het creëert waarde, want zonder dat zouden ze niet bestaan.” [p. 52.]

Men moet niet alleen kijken naar

“zijn waarde als metaal, maar net zo goed zijn eigenschap als geld.” [p. 18.]

A. Smith heeft gelijk voor zover het niet het instrument is van een bepaalde productietak; Ferrier heeft gelijk omdat er één moment van de algemene productie gebaseerd is op de ruilwaarde, en het product en de productie-agent zich situeren in het geld als doel, en dit doel maakt geld verschillend aan het product; daar de geldverhouding een productieverhouding is, als wij kijken naar de productie in haar totaliteit.

Voor zover W-G-G-W wordt opgesplitst in zijn twee momenten, hoewel de prijzen van de waren worden verondersteld (en dit maakt het grootste verschil), valt de circulatie uiteen in twee handelingen van rechtstreekse ruil. W-G: de ruilwaarde van de waar wordt uitgedrukt in een andere, bijzondere waar, het geldmateriaal, zoals dat van het geld in de waar; evenzo in G-W. In dit opzicht heeft A. Smith gelijk wanneer hij zegt dat geld als ruilmiddel slechts een gecompliceerdere vorm van ruilhandel is. Maar voor zover het gehele proces wordt beschouwd, en niet beide als handelingen zonder verschil, dat de waar in geld wordt gerealiseerd en geld in de waar, hebben de tegenstanders van A. Smith gelijk als zij zeggen dat hij de aard van het geld verkeerd heeft begrepen en dat de geldcirculatie de ruilhandel verdringt; in die zin dat geld alleen dient om de “rekenkundige verdeling” die voortvloeit uit de arbeidsdeling, in balans te brengen. Deze “rekenkundige cijfers” behoeven even weinig van goud en zilver gemaakt te zijn als de lengtematen. (Zie Solly, p. 20)

Goederen worden eetwaren [marchandise denrées], worden geconsumeerd; geld als circulatiemiddel doet dat niet; het houdt op geen enkel moment op een waar te zijn zolang het een circulatiemiddel blijft.

Wij gaan nu over tot de derde geldfunctie, die allereerst voortvloeit uit de tweede circulatievorm:
G-W-W-G; waarin geld niet alleen verschijnt als een middel, noch als een graadmeter, maar als een doel op zich en daarom uit de circulatie te voorschijn komt op dezelfde wijze als een bijzondere waar, die de circulatie voltooide en marchandise denrées [vervallen eetwaren] is geworden.

Vooraf zij opgemerkt dat, uitgaande van de vaststelling van het geld als een immanente productieverhouding die in het algemeen op de ruilwaarde berust, nu ook zijn dienst als productie-instrument in de afzonderlijke aspecten kan worden getoond.

“Het nut van goud en zilver berust op het feit dat ze arbeid vervangen.” (Lauderdale, p. 11)

Zonder geld zou een massa ruilingen nodig zijn voordat men het gewenste artikel in ruil zou krijgen. Bovendien zou men bij elke bijzondere ruil een onderzoek moeten doen naar de relatieve waarde van de goederen. Het eerste spaart geld als ruilmiddel (handelsinstrument); het laatste als waardemeter en representant voor alle waren. (idem, l.c.) De tegenovergestelde bewering, dat geld niet productief is, komt er alleen op neer dat het, afgezien van de functies waarin het productief is, als graadmeter, circulatie-instrument en waardevertegenwoordiger, niet productief is; dat zijn hoeveelheid alleen productief is voor zover zij nodig is om aan deze voorwaarden te voldoen. Dat het niet alleen onproductief wordt, maar ook faux frais de production [bijkomende productiekost], zodra er meer van wordt gebruikt dan nodig is voor dit productieve doel ervan, is een waarheid die geldt voor elk ander productie- of ruilinstrument; voor de machine zowel als voor het transportmiddel. Maar als men bedoelt dat met geld alleen bestaande reële rijkdom wordt geruild, dan is dat onjuist, want er wordt ook arbeid tegen geruild en gekocht, de productieve activiteit zelf, [is] potentiële rijkdom.

De derde functie van het volledig ontwikkelde geld is ondergeschikt aan de eerste twee en vormt hun eenheid. Geld heeft dus een zelfstandig bestaan naast de circulatie; het is eruit gestapt. Als een bijzondere waar kan het van zijn geldvorm veranderd worden in luxe voorwerpen, gouden en zilveren sieraden (zolang het ambacht zeer eenvoudig is, bv. in de oude Engelse periode, was er een voortdurende omzetting van zilvergeld in serviezen en omgekeerd. Zie Taylor.) of het kan worden geaccumuleerd als geld en zo een schat vormen. Voor zover geld in zijn zelfstandig bestaan voortkomt uit de circulatie, verschijnt het in zichzelf als het resultaat van de circulatie; het sluit de cirkel met zichzelf door de circulatie. Hierin ligt reeds het kapitaal latent besloten. Alleen als ruilmiddel wordt het ontkend. Maar omdat het historisch gezien als meetmiddel kan worden voorgesteld voordat het als ruilmiddel verschijnt, en als ruilmiddel kan verschijnen voordat het als meetmiddel wordt gezien – in het laatste geval zou het slechts als geprefereerde waar bestaan – kan het daarom ook historisch gezien in de derde functie verschijnen voordat het in de twee voorafgaande wordt verondersteld. Maar goud en zilver kunnen alleen als geld worden geaccumuleerd als zij reeds aanwezig zijn in een van de twee functies, en in de derde functie kan het alleen ontwikkeld voorkomen als het ontwikkeld is in de twee eerdere functies. De accumulatie ervan is anders alleen de accumulatie van goud en zilver, niet van geld.

(Een bijzonder interessant voorbeeld is de accumulatie van kopergeld in de eerste perioden van de Romeinse republiek.) Voor zover het geld, als universele materiële representant van rijkdom, voortkomt uit de circulatie en als zodanig zelf het product is van de circulatie, die tegelijkertijd een ruil is in een hogere potentie en een speciale vorm van ruil, staat het ook in deze derde functie in verhouding tot de circulatie; het staat er onafhankelijk tegenover, maar deze zelfstandigheid is slechts het eigen proces. Het komt er net zo goed vandaan als dat het weer teruggaat. Zonder die verbanden zou het geen geld zijn maar een eenvoudig natuurlijk voorwerp, goud en zilver. In deze functie is zij evenzeer haar voorwaarde als haar resultaat. Haar zelfstandigheid is niet het einde van alle banden met de circulatie, maar een negatieve relatie tot de circulatie. En deze zelfstandigheid is het resultaat van G-W-W-G. In het geval van geld als kapitaal is het op zichzelf 1. voorwaarde voor de circulatie en het resultaat ervan; 2. dat de zelfstandigheid daarom zelf een negatieve verhouding is, maar altijd met betrekking tot de circulatie; 3. dat het zelf een productie-instrument is, in die zin dat de circulatie niet langer in zijn allereerste eenvoud verschijnt als een kwantitatieve ruil, maar als een proces van productie, als een werkelijk metabolisme. En zo wordt geld zelf gedefinieerd als een speciaal moment van dit productieproces. Bij de productie gaat het niet alleen om de eenvoudige prijsbepaling, d.w.z. om het omzetten van de ruilwaarden van de waren in een gemeenschappelijke eenheid, maar om het scheppen van ruilwaarden, dus ook om het scheppen van de prijsbepaling. Het gaat niet alleen om de vorm, maar ook om de inhoud. Als in de eenvoudige circulatie het geld in het algemeen productief lijkt, in zoverre de circulatie in het algemeen zelf een moment is in het productiesysteem, dan is dit nog alleen voor ons, nog niet aanwezig in het geld. 4. Als kapitaal verschijnt het geld dus ook als een verhouding tot zichzelf door middel van de circulatie in de verhouding van rente en kapitaal. Maar hier hebben we nog niet te maken met deze definities, maar moeten we het geld gewoon beschouwen zoals het in zijn derde verband is ontstaan, als onafhankelijk van de circulatie, eigenlijk van zijn twee eerdere definities.

(“Een toename van geld is een toename van het betaalmiddel.” Sismondi.

Dit is juist voor zover het bedoeld is als louter ruilmiddel. In de andere hoedanigheid is het ook een toename van het betaalmiddel).

“De handel heeft schaduw en lichaam gescheiden en de mogelijkheid geïntroduceerd ze apart te bezitten.” (Sismondi.) [p. 300.]

Het geld is nu de zelfstandige ruilwaarde (als zodanig verschijnt het als ruilmiddel immer verdwijnend) in zijn algemene vorm. Het bezit een bijzondere lichamelijkheid of substantie, goud en zilver, en dit is wat het zijn zelfstandigheid geeft, want wat in een ander existeert als een functie of relatie is niet zelfstandig. Aan de andere kant vertegenwoordigt zij in deze lichamelijke zelfstandigheid als goud en zilver niet alleen de ruilwaarde van de ene waar ten opzichte van de andere, maar de ruilwaarde ten opzichte van alle goederen, en terwijl zij zelf een substantie bezit, verschijnt zij tegelijkertijd in haar bijzondere bestaan als goud en zilver als de algemene ruilwaarde van de andere goederen. Aan de ene kant is zij bezeten als hun ruilwaarde; aan de andere kant staan zij slechts als zovele bijzondere substanties van ruilwaarde, zodat zij zichzelf ofwel door middel van ruil in elk van deze substanties kan veranderen, ofwel onverschillig tegenover hen kan blijven, zich afzijdig houdend van hun bijzonderheid en eigenaardigheid. Zij zijn dus slechts toevallige existenties. Het is de “précis de toutes les choses [De belichaming van alle dingen]” waarin hun bijzonder karakter vervaagt; de algemene rijkdom als een beknopt compendium tegenover de uitbreiding en fragmentering in de wereld van de goederen. Terwijl rijkdom in de vorm van een bepaalde waar verschijnt als een van de momenten van diezelfde waar, of de waar als een van de momenten van rijkdom; in de vorm van goud en zilver verschijnt de algemene rijkdom zelf als geconcentreerd in een bepaalde materie. Elke bijzondere waar, voor zover ze ruilwaarde is, een prijs heeft, drukt zelf slechts een zekere hoeveelheid geld uit in onvolmaakte vorm, want het moet eerst in omloop worden gebracht om te realiseren, en door zijn bijzonderheid blijft het toevallig of het al dan niet wordt gerealiseerd. Voor zover zij echter niet als prijs, maar in haar natuurlijke eigenschap wordt gerealiseerd, is zij een moment van rijkdom door haar relatie tot een bepaalde behoefte die zij bevredigt; en in deze verhouding 1. drukt zij slechts de rijkdom van het gebruik uit [Gebrauchsreichtum], 2. slechts een zeer bijzondere kant van deze rijkdom. Geld daarentegen is, afgezien van zijn bijzonder nut als waardevol goed, 1. de gerealiseerde prijs; 2. het bevredigt elke behoefte, voor zover het kan worden geruild tegen een voorwerp voor elke behoefte, ongeacht enige bijzonderheid. De waar bezit deze eigenschap alleen uit hoofde van het geld. Geld bezit deze eigenschap rechtstreeks ten opzichte van alle goederen, dus ten opzichte van de hele wereld van rijkdom, rijkdom als zodanig. In geld is de algemene rijkdom niet alleen een vorm, maar tegelijk de inhoud. Het begrip rijkdom wordt als het ware geïndividualiseerd in een bepaald voorwerp.