Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

Het hoofdstuk over geld (vervolg)

Notitieboek II

In de afzonderlijke waar, als zij een prijs heeft, is de rijkdom voorgesteld als een ideale nog niet gerealiseerde vorm; voor zover zij een gebruikswaarde heeft, vertegenwoordigt zij slechts een heel geïsoleerde kant ervan. In geld daarentegen wordt de prijs gerealiseerd, en de essentie ervan is de rijkdom zelf, zowel in de abstractie van haar afgezonderde bestaan als in haar totaliteit.

Ruilwaarde vormt het wezen van het geld, en ruilwaarde is de rijkdom. Geld is dus ook de belichaamde vorm van rijkdom in verhouding tot alle bijzondere zaken waaruit het bestaat. Daarom is, het geld op zich beschouwd, enerzijds de vorm en de inhoud van de rijkdom identiek, anderzijds, in tegenstelling tot alle andere waren, is het de algemene vorm van de rijkdom in verhouding tot die waren, terwijl de totaliteit van die afzonderlijke waren de inhoud ervan vormt. Als geld, volgens de eerste functie, de rijkdom zelf is, dan is het, volgens de tweede, de algemene materiële vertegenwoordiger ervan. In het geld zelf bestaat deze totaliteit als de ingebeelde belichaming van de waren. Rijkdom (ruilwaarde als totaliteit, zowel als abstractie) bestaat dus alleen, met uitsluiting van alle andere waren, als zodanig geïndividualiseerd, in goud en zilver, als een concreet voorwerp. Geld is dus de god onder de waren.

Als geïsoleerd concreet voorwerp kan geld dus bij toeval gezocht, gevonden, gestolen, ontdekt worden, en kan de algemene rijkdom een concreet individueel bezit worden. Vanuit zijn dienende vorm, waarin het slechts een circulatiemiddel is, wordt het plotseling heerser en god in de wereld van de goederen. Het vertegenwoordigt het hemelse bestaan van goederen, terwijl zij het aardse vertegenwoordigen. Voordat zij door de ruilwaarde wordt vervangen, veronderstelt elke vorm van natuurlijke rijkdom een wezenlijke relatie tussen het individu en de voorwerpen, waarin het individu in een van zijn aspecten zichzelf concretiseert in het ding, zodat zijn bezit van het ding tegelijkertijd verschijnt als een bepaalde ontwikkeling van zijn individualiteit: rijkdom aan schapen, de ontwikkeling van het individu als herder, rijkdom aan graan, zijn ontwikkeling als landbouwer, enz. Geld daarentegen, als het individu van de algemene rijkdom, als zelf afkomstig uit de circulatie en alleen het algemene vertegenwoordigend, als slechts een maatschappelijk resultaat, veronderstelt geen individuele betrekking met zijn bezitter; het bezit is niet de ontwikkeling van een van de essentiële aspecten van zijn individualiteit, maar veeleer het bezit van het individualiteitloze, omdat deze maatschappelijke [verhouding] tegelijkertijd bestaat als een zintuiglijk, uitwendig object, dat mechanisch kan worden bemachtigd en dat net zo gemakkelijk weer verloren kan gaan. De relatie tot het individu verschijnt dus als zuiver toevallig; terwijl deze relatie tot een ding, dat in het geheel niet verbonden is met zijn individualiteit, hem tegelijkertijd, door het karakter van dat ding, algemene macht geeft over de maatschappij, over de wereld van genoegens, arbeid, enz. Het zou hetzelfde zijn als wanneer bijvoorbeeld de vondst van een steen mij, geheel onafhankelijk van mijn individualiteit, het bezit van alle wetenschappen zou geven. Het bezit van geld plaatst mij in dezelfde verhouding tot rijkdom (maatschappelijke rijkdom) als de steen der wijzen mij zou plaatsen in een verhouding tot de wetenschappen.

Geld is dus niet alleen een voorwerp van verlangen naar verrijking, maar het is er het voorwerp van. Het is in wezen auri sacra fames [die vervloekte honger naar goud]. De verslaving aan verrijking als zodanig, als een bijzondere vorm van drift, d.w.z. verschillend van het verlangen naar een bepaald soort rijkdom, bv. naar kleren, wapens, juwelen, vrouwen, wijn enz., dat is alleen mogelijk wanneer de algemene rijkdom, rijkdom als zodanig, geïndividualiseerd is in een bepaald ding, d.w.z. het geld in zijn derde functie. Geld is dus niet alleen het voorwerp, maar tegelijk de bron van hebzucht naar verrijking. Hebzucht is ook mogelijk zonder geld; hebzucht naar verrijking is zelf het product van een bepaalde maatschappelijke ontwikkeling, niet van nature in tegenstelling tot het historische. Vandaar de klaagzang van de antieken over geld als de bron van alle kwaad. Genotzucht, in zijn algemene vorm, en gierigheid zijn de twee merkwaardige vormen van geldzucht. Abstracte genotzucht veronderstelt een object dat [de] mogelijkheid van alle genoegens bevat. Het abstracte hedonisme realiseert die functie van het geld, waarin het de materiële vertegenwoordiger van de rijkdom is; gierigheid, in zoverre het slechts de algemene vorm van rijkdom is in relatie tot de waren als zijn bijzondere substanties. Om het als zodanig in stand te houden moet het alle relaties met de objecten van bijzondere behoeften opgeven, afstand van nemen, om de behoefte van hebzucht naar geld als zodanig te bevredigen. De geldzucht of de zucht naar verrijking is noodzakelijkerwijs de ondergang van de oude gemeenschap. Derhalve is het eraan tegengesteld. Het is zelf de gemeenschap en kan niet dulden dat er iemand boven staat. Maar dit veronderstelt de volledige ontwikkeling van ruilwaarden, d.w.z. een organisatie van de maatschappij die daarmee overeenstemt.

Bij de antieken was de ruilwaarde niet de nexus rerum; dat blijkt alleen het geval te zijn bij de handelsvolkeren, die echter alleen maar tussenhandel [carrying-trade] bedreven en zelf niet produceerden. Bij de Feniciërs, Carthagers enz. was dit bijzaak. Zij konden evengoed in de tussenruimten van de oude wereld leven als de Joden in Polen of in de middeleeuwen. Veeleer was deze wereld zelf de voorwaarde voor zulke handelsvolkeren. Ze desintergreren ook elke keer als ze in conflict komen met de antieke gemeenschap. Bij de Romeinen, Grieken, enz. verschijnt het geld eerst onbevangen in zijn twee eerste functies als graadmeter en als circulatiemiddel, waarin het in beide gevallen niet erg ontwikkeld is. Maar zodra ofwel hun handel enz. zich ontwikkelt, ofwel, zoals bij de Romeinen, het veroveren massaal geld opbrengt – kortom, plotseling, in een bepaald stadium van hun economische ontwikkeling, verschijnt het geld noodzakelijkerwijs in zijn derde functie, en hoe meer het zich daarin ontwikkelt, hoe meer de ondergang van hun gemeenschap. Om productief te zijn, moet geld in zijn derde functie, zoals we hebben gezien, niet alleen een voorwaarde zijn, maar evenzeer het resultaat van de circulatie, en moet het, als voorwaarde, zelf een moment ervan zijn, erdoor tot stand komen. Bij de Romeinen bv., die de hele wereld bestolen, was dat niet het geval.

Het ligt in het eenvoudige doel van het geld zelf, dat het als een ontwikkeld moment in de productie alleen daar kan bestaan, waar loonarbeid bestaat; dat het dus ook daar, verre van de maatschappelijke vorm op te heffen, veeleer een voorwaarde voor haar ontwikkeling is en een stuwende kracht voor de ontwikkeling van alle productiekrachten, materiële en geestelijke. Een enkel individu kan vandaag de dag nog steeds toevallig aan geld komen, en het bezit ervan kan dus net zo’n ontbindend effect op hem hebben als het had op de antieke gemeenschappen. Maar het opheffen van dit individu in de moderne maatschappij is op zichzelf slechts de verrijking van het productieve deel van de maatschappij. De eigenaar van geld, in de oude betekenis, wordt opgeheven door het industriële proces, dat hij dient tegen zijn weten en wil in. De ontbinding betreft alleen zijn persoon. Als materiële representant van de algemene rijkdom, als geïndividualiseerde ruilwaarde, moet geld meteen het voorwerp, doel en product zijn van de algemene arbeid, de arbeid van alle individuen. Arbeid moet direct ruilwaarde produceren, d.w.z. geld. Het moet dus loonarbeid zijn. Het verlangen naar verrijking, als drijfveer van allen, in die zin dat iedereen geld wil produceren, schept de algemene rijkdom. Alleen op die manier kan het algemene verlangen naar verrijking de bron worden van de algemene rijkdom, die zichzelf voortdurend opnieuw produceert. Aangezien arbeid loonarbeid is, is het doel ervan rechtstreeks geld, algemene rijkdom wordt als doel en object gesteld. (In dit verband te spreken over het antieke legersysteem, zodra het een huurlingenleger wordt). Geld als doel wordt hier een middel tot algemene activiteit. De algemene rijkdom wordt geproduceerd om de representanten ervan te bemachtigen. Zo worden de echte bronnen van rijkdom aangeboord. Aangezien het doel van de arbeid niet een bepaald product is dat in een bepaalde verhouding staat tot de bijzondere behoeften van het individu, maar geld, rijkdom in zijn algemene vorm, kent de activiteit van het individu allereerst geen grenzen; zij is onverschillig voor zijn bijzonderheid en neemt elke vorm aan die het doel dient; zij is vindingrijk in het scheppen van nieuwe objecten voor de maatschappelijke behoeften, enz.

Het is dus duidelijk dat met loonarbeid als basis, geld niet ontbindt, maar productief werkt; terwijl de antieke gemeenschap als zodanig in tegenspraak is met de loonarbeid als algemene basis. Een veralgemeende industrie is alleen mogelijk waar elke arbeid algemene rijkdom voortbrengt, en niet een bepaalde vorm daarvan; waar dus het loon van het individu ook geld is. Anders zijn alleen bijzondere ambachtskunsten mogelijk. Ruilwaarde als het onmiddellijke product van de arbeid is geld als het onmiddellijke product ervan. De onmiddellijke arbeid die de ruilwaarde als zodanig voortbrengt, is dus loonarbeid. Waar geld niet zelf de gemeenschap is, moet het de gemeenschap ontbinden. In de oudheid kon men arbeid, een slaaf, rechtstreeks kopen; maar de slaaf kon geen geld kopen met zijn arbeid. De toename van geld kon de slaven duurder maken, maar niet hun arbeid productiever. De negerslavernij – een zuiver industriële slavernij – die bovendien onverenigbaar is met de ontwikkeling van de burgerlijke maatschappij en daarmee verdwijnt, veronderstelt loonarbeid, en als er geen andere, vrije staten met loonarbeid naast zouden bestaan, als in plaats daarvan de negerstaten geïsoleerd zouden zijn, dan zouden alle maatschappelijke toestanden daar onmiddellijk veranderen in voorbeschaafde vormen.

Geld als geïndividualiseerde ruilwaarde en dus geïncarneerde rijkdom werd gezocht in de alchemie; het figureert in deze rol in het monetaire systeem. Het voorstadium van de ontwikkeling van de moderne industriële samenleving begint met de algemene hebzucht naar geld, zowel van individuen als van staten. De werkelijke ontwikkeling van de bronnen van rijkdom verloopt als het ware achter hun rug om, als een middel om de representant van rijkdom in handen te krijgen. Waar het niet uit de circulatie voortkomt, zoals in Spanje, maar in levende lijve moet worden ontdekt, verarmt de natie, terwijl de naties, die moeten werken om haar van de Spanjaarden af te nemen, de bronnen van rijkdom ontwikkelen en werkelijk rijk worden. De ontdekking van goud in de nieuwe werelddelen, landen, speelt zo een belangrijke rol in de geschiedenis van de revolutie, want daardoor wordt de kolonisatie geïmproviseerd en tot bloei gebracht als in een broeikas. De jacht op goud in alle landen leidt tot het ontdekken ervan; tot de vorming van nieuwe staten; in de eerste plaats tot expansie van goederen die in omloop komen en [leiden] tot nieuwe behoeften en het betrekken van verafgelegen werelddelen bij het proces van ruiling en metabolisme. Als algemene representant van de rijkdom, als geïndividualiseerde ruilwaarde, was het dus ook een tweevoudig middel om de rijkdom naar een universaliteit uit te breiden en de dimensies van de ruil over de gehele aarde te verspreiden; voor het eerst de creatie van een echte universaliteit van de ruilwaarde in termen van substantie en ruimte. Maar het is in het doel, waarin het hier wordt ontwikkeld, dat de illusie over haar aard, d.w.z. het vasthouden aan een van haar abstracte functies, en met veronachtzaming van de tegenstrijdigheden erin, haar deze werkelijk magische betekenis geeft, achter de ruggen van de individuen om. Het is in feite door deze zelf-contradictoire en dus illusoire bepaling, door deze eigen abstractie, dat zij zo’n enorm instrument wordt in de werkelijke ontwikkeling van de maatschappelijke productiekrachten.

De basisvoorwaarde van de burgerlijke maatschappij is dat arbeid direct ruilwaarde voortbrengt, dat wil zeggen geld; en dat geld koopt vervolgens eveneens direct arbeid, de arbeider dus, alleen voor zover die zelf zijn activiteit in een ruil vervreemdt. Loonarbeid enerzijds, kapitaal anderzijds, zijn dus andere vormen van de ontwikkelde ruilwaarde en van het geld als zijn incarnatie. Geld is dus direct en tegelijkertijd de echte gemeenschap, in zoverre het de algemene bestaansvoorwaarde is voor iedereen en tegelijkertijd het gemeenschappelijke product van allen. In geld echter, zoals we hebben gezien, is de gemeenschap tegelijk een loutere abstractie, een loutere externe, toevallige zaak voor het individu, en tegelijkertijd slechts het middel voor zijn bevrediging als een geïsoleerd individu. De antieke gemeenschap gaat uit van een geheel andere verhouding van het individu tot zichzelf. De ontwikkeling van geld in zijn derde functie sneuvelt dus. Elke productie is een verzakelijking van het individu. Maar in het geld (ruilwaarde) is de verzakelijking van het individu niet die van het individu in zijn natuurlijke functie, maar van het individu zoals het zich bevindt in een maatschappelijke rol (verhouding), die er tegelijkertijd extern aan is.

Geld, gebruikt in de vorm van circulatiemiddel, is munt. Als munt heeft zij haar gebruikswaarde verloren; haar gebruikswaarde valt samen met haar doel als circulatiemiddel. Het moet bijvoorbeeld eerst omgesmolten worden om als zodanig als geld te kunnen dienen. Het moet gedemonetiseerd worden. Daarom is het in de munt slechts een symbool en maakt het materiaal geen verschil. Maar als munt verliest het ook zijn universele karakter en krijgt het een nationaal, lokaal karakter. Het valt uiteen in verschillende soorten munten, afhankelijk van het materiaal waarvan het is gemaakt, goud, koper, zilver, enz. Het krijgt een politieke titel en spreekt als het ware een andere taal in verschillende landen. Tenslotte krijgt het in hetzelfde land verschillende benamingen, enz. Geld in de derde functie, zelfstandig uit de circulatie te voorschijn komend en zich ermee confronterend, negeert dus ook zijn karakter van munt. Het verschijnt weer als goud en zilver, of het daarin wordt omgesmolten of slechts naar zijn gewichtsdeel in goud en zilver wordt geschat. Het verliest ook weer zijn nationale karakter en dient als ruilmiddel tussen naties, als universeel ruilmiddel, maar niet meer als een symbool, maar als een bepaalde hoeveelheid goud en zilver. In het meest ontwikkelde internationale ruilsysteem komen goud en zilver dus weer geheel terug in de vorm waarin zij reeds in de oorspronkelijke ruilhandel een rol speelden. Goud en zilver verschijnen, zoals reeds opgemerkt, oorspronkelijk niet binnen het territorium van de maatschappelijke gemeenschap, maar daar waar die eindigt, aan de grens; op de weinig talrijke contactpunten met de vreemde gemeenschappen. Het verschijnt nu als de waar als zodanig, de universele waar, die zijn karakter als waar overal krijgt. Volgens deze vormfunctie is het overal gelijkelijk van toepassing. Alleen op deze manier is het de materiële vertegenwoordiger van de universele rijkdom. In het mercantilisme worden goud en zilver dus beschouwd als de graadmeter voor de macht van de verschillende gemeenschappen.

“Zodra edele metalen het doel van de handel worden, een universeel equivalent voor alles, worden zij ook de maatstaf van de macht tussen de naties. Vandaar het mercantiele systeem.” (Steuart)

Hoezeer de moderne economen ook denken dat zij buiten het mercantiele systeem staan, het goud en zilver verschijnen in algemene crisisperioden geheel in deze zin, in 1857 net als in 1600. In dit karakter spelen goud en zilver een belangrijke rol bij de totstandkoming van de wereldmarkt. Aldus de circulatie van Amerikaans zilver van het westen naar het oosten; de metalen band tussen Amerika en Europa enerzijds, en Azië anderzijds, sinds het begin van het moderne tijdperk. In de oorspronkelijke gemeenschappen was deze handel in goud en zilver slechts bijkomstig, verbonden met overvloed, zoals alle ruilhandel. Maar in de ontwikkelde handel is het een moment dat wezenlijk verbonden is met het geheel van de productie, enz. Zij verschijnt niet langer voor het ruilen van de overvloed, maar als een saldering van het overschot in het totale proces van internationale warenruil. Het is een munt, maar slechts als wereldmunt. Als zodanig is zij echter in wezen onverschillig voor haar vormfunctie als circulatiemiddel, terwijl haar materiaal alles is. Als vorm blijven goud en zilver in deze functie alom de toegankelijke waar, de waar als zodanig.

(In dit eerste deel, waar wordt gekeken naar ruilwaarden, geld, prijzen, zijn de goederen altijd voorhanden. De vormfunctie is eenvoudig. Wij weten dat zij de uitdrukking is van functies van de maatschappelijke productie, maar deze is zelf een voorwaarde. Maar zij worden in deze rol niet verondersteld. En zo verschijnt de eerste ruil in feite alleen als een ruil van overschotten, die niet de hele productie omvat en bepaalt. Het is het beschikbare overschot van een totale productie, naast de wereld van de ruilwaarden. Zelfs in een ontwikkelde maatschappij komt dit oppervlakkig naar voren als een onmiddellijk aanwezige goederenwereld. Maar op zich wijst het echter verder, naar de economische verhoudingen, de veronderstelde productieverhoudingen. De interne verdeling van de productie vormt dus het tweede deel, de concentratie in de staat het derde, de internationale verhouding het vierde, de wereldmarkt het slot, met de productie als totaliteit en net zo elk van haar momenten; maar waarin tegelijkertijd alle tegenstellingen in het proces komen. De wereldmarkt vormt dan opnieuw de voorwaarde voor het geheel en de drager ervan. De crisissen wijzen dan algemeen naar de voorwaarden en de aandrang om een nieuwe historische vorm te aanvaarden.)

“De hoeveelheid goederen en de hoeveelheid geld kunnen gelijk blijven en de prijzen kunnen desondanks stijgen of dalen” (nl. door grotere uitgaven van bv. geldkapitalisten, grondeigenaars, ambtenaren enz.) Malthus. X, 43).

Zoals we gezien hebben is geld, in de vorm waarin het zelfstandig naast en tegen de circulatie ingaat, de negatie (negatieve eenheid) van zijn karakter als circulatiemedium en graadmeter. We hebben dit al ontwikkeld:

{Voor zover geld een circulatiemiddel is, kan

“dezelfde circulerende hoeveelheid nooit individueel worden aangewend; het moet altijd circuleren”. (Storch)

Het individu kan slechts het geld gebruiken door zich ervan te ontdoen, door het maatschappelijk te laten functioneren als een zijn voor anderen. Dit, zoals Storch terecht opmerkt, is een van de redenen waarom de geldkwestie

“niet onmisbaar moet zijn voor het menselijke bestaan” [p. 113],

zoals huiden, zout, enz., die bij sommige volkeren als geld dienen. Want de hoeveelheid die in circulatie is, gaat verloren aan consumptie. Daarom hebben, ten eerste, metalen in het algemeen de voorkeur boven [het gebruik van] andere waren als geld, en ten tweede, opnieuw, het edelmetaal boven deze die nuttig zijn als productie-instrumenten. Kenmerkend voor de economen is dat Storch dit aldus formuleert: de geldkwestie moet

“directe waarde hebben, maar gebaseerd op een besoin factice [kunstmatige behoefte].” [p. 114]

Besoin factice is wat de econoom noemt, ten eerste, de behoeften die voortvloeien uit het maatschappelijke bestaan van het individu; ten tweede, die welke niet voortvloeien uit het naakte bestaan als een natuurlijk object. Hieruit blijkt de innerlijke wanhopige armoede die de basis vormt van de burgerlijke rijkdom en haar wetenschap}.

Ten eerste. Geld is de negatie van het circulatiemiddel als zodanig, van de munt. Maar het bevat tegelijk een negatieve functie, doordat het voortdurend kan worden getransformeerd in munt; positief, als wereldmunt; maar als zodanig is het onverschillig voor de vormfunctie en is het in wezen een waar als zodanig, een alomtegenwoordige waar, niet bepaald door een locatie. Deze onverschilligheid komt dubbel tot uiting: ten eerste in het feit dat het alleen geld is als goud en zilver, niet als symbool, niet in de vorm van een munt. De waarde die de staat aan de geldmunt geeft, heeft dus geen waarde, maar alleen zijn metaalgehalte. Zelfs in de binnenlandse handel heeft het slechts tijdelijke waarde, plaatselijk,

“omdat het niet nuttiger is voor degene die het bezit dan voor degene die de te kopen goederen bezit.” [blz. 175]

Hoe meer de interne handel alom wordt bepaald door de externe, des te meer verdwijnt ook de waarde van deze werkwijze [façon]: zij bestaat niet meer in de private ruil, maar verschijnt slechts als belasting. Dan: als een dergelijke algemene waar, als een wereldmunt, is er de terugkeer van goud en zilver naar het uitgangspunt, de circulatie als zodanig, niet nodig. Voorbeeld: Azië en Europa. Vandaar de klaagzang van de aanhangers van het monetaire systeem, dat het geld dat bij de heidenen verdwijnt, niet terugvloeit. (Zie Misselden circa 1600.) Hoe meer de buitenlandse circulatie geconditioneerd en ingesloten wordt door de binnenlandse, hoe meer de wereldmunt als zodanig in circulatie komt (rotatie). Dit hogere stadium gaat ons hier niet aan en ligt nog niet in de hier bekeken eenvoudige verhouding.

Ten tweede is geld de negatie van zichzelf als het loutere realiseren van warenprijzen, waarbij de specifieke koopwaar altijd de essentie blijft. Zij wordt veeleer de op zichzelf gerealiseerde prijs en als zodanig de materiële representant van de rijkdom, alsmede de algemene vorm van rijkdom tegenover alle waren, als louter bepaalde substanties ervan; maar

Ten derde: wordt geld ook ontkend in de functie waar het slechts de graadmeter is van ruilwaarden. Als algemene vorm van rijkdom en als materiële vertegenwoordiger ervan, is het niet langer een ideale graadmeter voor andere ruilwaarden. Want het is zelf de adequate werkelijkheid van de ruilwaarden, en het is dit in zijn metalen bestaan. De meting staat hier op zichzelf. Het heeft een eigen eenheid en de graadmeter van haar waarde, de graadmeter ervan als rijkdom, als ruilwaarde, is de kwantiteit die het zelf vertegenwoordigt. Het veelvoud van een hoeveelheid van zichzelf dat als eenheid dient. Als graadmeter maakt het bedrag geen verschil; als circulatiemiddel maakt zijn materialiteit, de materie van de eenheid, geen verschil; als geld in deze derde functie is de hoeveelheid van een bepaald materieel kwantum van essentieel belang. Als de kwaliteit ervan als algemene rijkdom gegeven is, dan is er geen verschil, behalve het kwantitatieve. Het vertegenwoordigt een grotere of kleinere hoeveelheid algemene rijkdom naargelang de gegeven eenheid ervan in een grotere of kleinere hoeveelheid wordt bezeten. Als het universele rijkdom is, dan is men rijker naarmate men er meer van bezit, en het enige belangrijke proces, zowel voor het individu als voor de natie, is het accumuleren ervan. Overeenkomstig zijn doel, verscheen het hier als uit de circulatie komend. Dit uit de circulatie halen en het opslagen is nu het essentiële object van de verrijkingsdrift en het essentiële verrijkingsproces. Met goud en zilver bezit ik betrouwbaar de algemene rijkdom, en hoe meer ik ervan accumuleer, hoe meer ik mij toe-eigen van die universele rijkdom. Als goud en zilver de universele rijkdom vertegenwoordigen, dan vertegenwoordigen zij, als bepaalde hoeveelheden, deze slechts in een bepaalde mate, die kan worden uitgebreid tot het onbepaalde. Deze accumulatie van goud en zilver, die zich voordoet als een herhaaldelijk onttrekken aan de circulatie, is tegelijkertijd het veiligstellen van de algemene rijkdom tegen de circulatie, waarin deze altijd verloren gaat in ruil voor een bijzondere rijkdom die uiteindelijk verdwijnt in de consumptie.

Bij alle oude volkeren komt ophoping van goud en zilver oorspronkelijk voor als een voorrecht van priesters en koningen, daar de god en koning van de waren alleen aan goden en koningen toebehoort. Alleen zij verdienen het om rijkdom als zodanig te bezitten. Deze opeenstapeling dan: als vertoon van overvloed, d.w.z. rijkdom als een buitengewoon ding op zondag; als een geschenk voor tempels en hun goden; als [financiering van] publieke kunstvoorwerpen; tenslotte als verzekering, in geval van een noodtoestand, voor wapens, enz. In de oudheid wordt deze opeenhoping later politiek. De schatkist als reservefonds en de tempel zijn oorspronkelijk de banken waarin dit heilige der heiligen wordt bewaard. Accumuleren en opslaan [bereikt] zijn definitieve ontwikkeling in de moderne banken; nu echter met een meer ontwikkeld doel. Aan de andere kant, bij particulieren, vindt accumulatie plaats met het doel de rijkdom zeker te stellen tegen de grillen van de buitenwereld in een solide vorm, dat het kan worden begraven enz., kortom, het aangaan van een zeer geheime verhouding met het individu. Dit gebeurt nog steeds op een grote historische schaal in Azië. Het herhaalt zich in alle panieksituaties, oorlogen, enz., in de burgerlijke maatschappij, die dan terugvalt in een barbaarse toestand. Net zo bij het ophopen van goud enz. als sieraden en praal bij halfbarbaren. Maar een zeer groot en steeds groter wordend deel ervan wordt aan de circulatie onttrokken als een luxevoorwerp in de meest ontwikkelde bourgeoismaatschappij. (Zie Jakob, enz.) Als representant van de algemene rijkdom is alleen al het behoud ervan, zonder het in omloop te brengen en voor bijzondere behoeften te gebruiken, een bewijs van rijkdom van de individuen, en wel in dezelfde mate als het geld zich ontwikkelt in zijn verschillende functies, d.w.z. de rijkdom als zodanig wordt de algemene maatstaf voor de waarde van het individu, de drang om dit te tonen, d.w.z. om goud en zilver te tonen als representanten van rijkdom, net zoals de heer v. Rothschild zijn wapenschild met, ik meen twee ingelijste bankbiljetten van £100.000 elk, heeft geëtaleerd. Het barbaarse vertoon van goud enz. is slechts een meer naïeve vorm van deze moderne, omdat het plaatsvindt met minder oog voor goud als geld. Hier een eenvoudige glans. Daar een reflectie. Het punt is dat het niet als geld wordt gebruikt; de tegengestelde vorm aan de circulatie is hier het belangrijkste.

De accumulatie van alle andere goederen is minder oud dan die van goud en zilver: 1. vanwege hun vergankelijkheid. Metalen zijn op zich het duurzaamst in vergelijking met andere goederen; ook [vanwege] hun grote zeldzaamheid en uitzonderlijke karakter als productie-instrumenten bij uitstek, worden zij bij voorkeur opgehoopt. De edele metalen, niet blootgesteld aan oxidatie enz., zijn op hun beurt weer minder vergankelijk dan de onedele metalen. Wat in de andere waren vergaat, is hun vorm; maar deze vorm geeft hun ruilwaarde, terwijl hun gebruikswaarde bestaat in de opheffing van deze vorm, in de consumptie. Bij geld daarentegen is het zijn substantie, zijn materialiteit, de vorm zelf, waarin het rijkdom vertegenwoordigt. Als het geld overal, ruimtelijk bepaald, als een algemene waar verschijnt, dan nu ook volgens de tijdsbepaling. Het wordt in alle tijden als rijkdom bewaard. Zijn specifieke duurzaamheid. Het is de schat die motten noch roest opeten. Alle waren zijn slechts vergankelijk geld; geld is de onvergankelijke waar. Geld is de alomtegenwoordige waar; de waar is slechts plaatselijk geld. Maar accumulatie is in wezen een proces dat zich in de tijd voltrekt. In dit verband, zegt Petty:

“Het grote en uiteindelijke effect van de handel is niet rijkdom in het algemeen, maar bij voorkeur een overvloed aan zilver, goud en juwelen, die niet vergankelijk zijn, noch zo veranderlijk als andere goederen, maar rijkdom in alle tijden en alle plaatsen. Overvloed van wijn, graan, vogels, vlees, enz. zijn rijkdommen, maar hic et nunc ... Het voortbrengen van dergelijke goederen en de gevolgen van een dergelijke handel, dat een land van goud en zilver voorziet, is dus meer voordelig dan de andere.” (p. 3) “Als geld door een belasting wordt gehaald bij iemand die het opeet of opdrinkt, en wordt gegeven aan iemand die het gebruikt voor landverbetering, voor visserij, voor mijnbouw, voor manufacturen, of zelfs voor kleding, is er altijd voordeel voor de gemeenschap; want zelfs kleding is niet zo vergankelijk als maaltijden; met huismeubilair is het voordeel nog iets groter; met het bouwen van huizen nog meer; in het verbeteren van landerijen, met mijnexploitatie, met visvangst nog meer; het meest van al, als geïnvesteerd wordt in het importeren van goud en zilver in het land, omdat alleen deze dingen onvergankelijk zijn, maar als rijkdom gewaardeerd worden in alle tijden en alle plaatsen.” (p. 5)

Aldus een 17e-eeuwse schrijver. Men kan zien hoe de opeenhoping van goud en zilver de ware stimulans kreeg met zijn opvatting als de materiële representant en algemene vorm van rijkdom. De cultus van het geld heeft zijn ascese, zijn verzaking, zijn zelfopoffering – de zuinigheid en spaarzaamheid, het verachten van wereldse, tijdelijke en vergankelijke genoegens; het najagen van de eeuwige schat. Vandaar de link van het Engelse puritanisme of zelfs het Nederlandse protestantisme met geld verdienen. Een schrijver uit het begin van de 17e eeuw (Misselden) verwoordt de zaak op een onbevooroordeelde wijze:

“Het natuurlijke materiaal van de handel zijn de goederen, het kunstmatige is het geld. Hoewel geld van nature en in tijd na de handelswaar komt, is het, zoals het nu in gebruik is, de hoofdzaak geworden.”

Hij vergelijkt dit met de twee zonen van de oude Jakob, die zijn rechterhand op de jongste zoon legde en zijn linker op de oudste zoon. (p. 24)

“Wij consumeren onder ons te veel wijnen uit Spanje, Frankrijk, de Rijn, de Levant, de eilanden: rozijnen uit Spanje, aalbessen van de Levant, de cambricks van Henault en Nederland, zijdegoederen uit Italië, suiker en tabak van West-Indië, de specerijen van Oost-Indië; dit alles is voor ons niet noodzakelijk en toch wordt het met hard geld gekocht ... Als er minder buitenlandse en meer inheemse producten zouden worden verkocht, het overschot zou naar ons moeten komen in de vorm van goud en zilver, als een schat.”

Moderne economen maken zich natuurlijk vrolijk over dergelijke zaken in het algemene onderdeel van de economie. Als men echter de schroom in de geldtheorie in het bijzonder en de koortsachtige angst waarmee in de praktijk de in- en uitstroom van goud en zilver in tijden van crisis wordt bewaakt, in ogenschouw neemt, dan blijkt dat het geld, in de rol waarin de aanhangers van het monetaire en mercantiele stelsel het met naïeve eenzijdigheid hebben opgevat, nog steeds zijn recht heeft, niet alleen in het denkbeeld, maar ook als reële economische categorie.

De tegenstelling tussen de werkelijke behoeften van de productie versus deze suprematie van het geld, is het meest opvallend bij Boisguillebert. (Zie de frappante passages in mijn notitieboek).

2. De accumulatie van andere goederen op tweeërlei wijze, afgezien van hun vergankelijkheid, wezenlijk onderscheiden van de accumulatie van goud en zilver, die hier identiek zijn met geld. Ten eerste heeft de accumulatie van andere goederen niet het karakter van accumulatie van rijkdom in het algemeen, maar van accumulatie van specifieke rijkdom, en is daarom zelf een specifieke productiedaad; hier is de eenvoudige accumulatie onvoldoende. Het opslaan van graan vereist speciale voorzieningen, enz. Accumulatie van schapen maakt nog geen herder; accumuleren van slaven of land vereist verhoudingen van overheersing en knechtschap, enz. Dit alles vereist dus andere handelingen en verhoudingen dan bij de eenvoudige accumulatie, de vermenigvuldiging van rijkdom als zodanig. Aan de andere kant, om de geaccumuleerde goederen als universele rijkdom te verwezenlijken, om mij de rijkdom in al zijn bijzondere vormen toe te eigenen, moet ik handel drijven met de bijzondere goederen die ik heb geaccumuleerd, graanhandelaar, veehandelaar, enz. enz. Geld, als de universele representant van rijkdom, plaatst mij daarboven.

De accumulatie van goud en zilver, van geld, is het eerste historische verschijnsel van de accumulatie van kapitaal en het eerste grote middel daartoe; maar als zodanig is het nog niet de accumulatie van kapitaal. Daartoe moet het geaccumuleerde opnieuw in circulatie gebracht worden, als moment en middel van de accumulatie.

Het geld in zijn finale, voltooide functie verschijnt nu langs alle kanten als een tegenstrijdigheid die zichzelf oplost; naar zijn eigen opheffing wordt gedreven. Als een universele vorm van rijkdom, staat de hele wereld van echte rijkdom er tegenover. Het is een pure abstractie – vandaar zo een louter gefixeerde verbeelding. Waar rijkdom als zodanig lijkt te bestaan in heel materiële, concrete vorm, bestaat het slechts in mijn hoofd, is het een hersenspinsel. Midas. Aan de andere kant wordt zij, als materiële representant van de universele rijkdom, slechts gerealiseerd door het opnieuw in circulatie te brengen, om te verdwijnen in de aparte bijzondere vormen van rijkdom. In de circulatie blijft het als circulatiemiddel; maar voor het accumulerende individu gaat het verloren, en deze verdwijning is de enig mogelijke manier om het als rijkdom te behouden. De ontbinding van het geaccumuleerde in individuele genoegens is de verwezenlijking ervan. Het kan nu weer door andere personen worden geaccumuleerd, maar dan begint hetzelfde proces opnieuw. Ik kan het bestaan ervan alleen voor mij reëel maken door het op te geven als louter bestaan voor anderen. Als ik het wil vasthouden, verdampt het onder mijn hand tot slechts een schim van echte rijkdom. Verder: dat de toename ervan door accumulatie, dat de eigen kwantiteit de graadmeter is van de waarde, opnieuw fout is. Indien de andere rijkdommen niet accumuleren, verliest zij haar waarde in de mate waarin zij accumuleert. Wat lijkt op een toename is in feite een afname. Haar zelfstandigheid is slechts schijn; haar onafhankelijkheid van de circulatie bestaat slechts ten opzichte van haar, als een afhankelijkheid van haar. Het pretendeert de universele waar te zijn, maar door haar natuurlijke eigenschap is het weer een bijzondere waar, waarvan de waarde zowel afhangt van vraag en aanbod, als van veranderingen in de specifieke productiekosten. En omdat het zelf geïncarneerd is in goud en zilver, wordt het in elke werkelijke vorm partijdig; zodat wanneer het ene verschijnt als geld – het andere dan als een aparte waar en omgekeerd, en zo verschijnt elk in de beide functies. Als de absoluut zekere rijkdom, geheel onafhankelijk van mijn individualiteit, is het tegelijkertijd datgene wat geheel buiten mij staat, het absoluut onzekere, dat door elk toeval van mij gescheiden kan worden. Evenzo de volstrekt tegenstrijdige rollen van graadmeter, als circulatiemiddel, en als geld als zodanig. In de laatste functie spreekt zij zichzelf nog verder tegen, omdat zij de waarde als zodanig vertegenwoordigt; maar in feite vertegenwoordigt zij slechts een identieke hoeveelheid variabele waarde. Zij heft zichzelf dus op als een voltooide ruilwaarde.

Als graadmeter is het als circulatiemiddel reeds in zichzelf ontkend; als circulatiemiddel en graadmeter als geld. De ontkenning ervan in de laatste functie is dus tegelijk die in de twee vorige. Ontkend als de loutere universele vorm van rijkdom, moet zij zich daarom verwezenlijken in de bijzondere substanties van werkelijke rijkdom; maar door zich aldus werkelijk te bewijzen als de materiële representant van de totale rijkdom, moet zij tegelijk zichzelf als de algemene vorm in stand houden. Het in circulatie komen moet zelf een moment zijn waarop het bij-zichzelf-blijft en het bij-zichzelf-blijven [Beisichbleiben] moet een entree in de circulatie zijn. Dat wil zeggen, als gerealiseerde ruilwaarde moet zij tegelijkertijd worden voorgesteld als het proces waarin de ruilwaarde zichzelf realiseert. Het is tegelijkertijd de negatie van een zuiver zakelijke vorm, dat van individuen tegenover een externe en toevallige vorm van rijkdom. Zij moet eerder verschijnen als de productie van rijkdom en dit als het resultaat van de betrekkingen van individuen tot elkaar in de productie. Ruilwaarde wordt nu niet meer eenvoudigweg gekarakteriseerd als een ding waarvoor de circulatie slechts een externe beweging is, of dat individueel verschijnt in een bepaald materiaal: als een verhouding tot zichzelf door het circulatieproces. Aan de andere kant is de circulatie zelf niet langer enkel het simpele proces van goederenruil tegen geld en geld tegen goederen, niet langer enkel de bemiddelende beweging om de prijzen van de verschillende goederen te realiseren, om ze aan elkaar gelijk te stellen als ruilwaarden, waar beide verschijnen als extern aan de circulatie: de veronderstelde ruilwaarde, en de uiteindelijke onttrekking van de waar [aan de circulatie] door consumptie, dus de vernietiging van de ruilwaarde enerzijds, en de onttrekking van het geld, de zelfstandigheid tegenover de substantie, wat weer een andere vorm van zijn vernietiging is. De ruilwaarde zelf, en nu niet meer de ruilwaarde in het algemeen, maar de gemeten ruilwaarde, moet verschijnen als een voorwaarde die door de circulatie zelf wordt bepaald en door haar voorondersteld. Het circulatieproces moet ook verschijnen als het productieproces van ruilwaarden. Het gaat dus enerzijds om de terugkeer van ruilwaarde in de arbeid, anderzijds om de terugkeer van geld in de ruilwaarde, maar nu grondiger [vertieften] bepaald. Bij circulatie wordt de vastgestelde prijs verondersteld, terwijl circulatie als geld deze prijs slechts formeel veronderstelt. De bepaling van de ruilwaarde zelf, of de graadmeter van de prijs, moet nu zelf verschijnen als een handeling van de circulatie. Zo gesteld is de ruilwaarde kapitaal, en de circulatie wordt tegelijk gesteld als een productiehandeling.

Nog te doen: In de circulatie, zoals die verscheen als geldcirculatie, wordt altijd de gelijktijdigheid van beide polen van de ruil verondersteld. Maar er kan een tijdsverschil ontstaan tussen het bestaan van de te ruilen goederen. Het kan in de aard van wederkerige prestaties liggen dat de dienst vandaag gebeurt, maar de wederdienst pas over een jaar, enz.

“In de meeste contracten,” zegt Senior, “heeft slechts één van de contracterende partijen het ding tot zijn beschikking en leent het uit; en wanneer de ruil plaatsvindt, moet het onmiddellijk worden afgestaan, op voorwaarde dat het equivalent pas op een later tijdstip wordt ontvangen. Aangezien de waarde van alle dingen in de tijd verandert, neemt men als betaalmiddel datgene waarvan de waarde het minst verandert en dat een gegeven gemiddeld vermogen om dingen te kopen het langst in stand houdt. Zo wordt geld de uitdrukking of representant van waarde.”

Volgens dit laatste doel van het geld heeft het in het geheel geen betrekking met het eerdere. Maar dit is fout. Pas wanneer het geld de zelfstandige representant van de waarde wordt, worden de contracten niet langer gewaardeerd in bv. hoeveelheden graan of te verrichten prestaties. (Dit laatste was bv. het geval in het feodalisme.) Het is een bedenksel van de heer Senior dat geld een “lang gemiddeld vermogen” heeft om zijn waarde te behouden. Het wordt namelijk gebruikt als het algemene materiaal voor contracten (de algemene waar voor de contracten, zegt Bailey), omdat het de algemene waar is, de vertegenwoordiger van de algemene rijkdom (zegt Storch), omdat het verzelfstandigde ruilwaarde is. Geld moet al zeer ontwikkeld zijn in zijn twee eerdere functies voordat het in het algemeen in deze rol kan verschijnen. Nu is inderdaad aangetoond dat, hoewel de hoeveelheid geld gelijk blijft, de waarde ervan verandert: dat zij in het algemeen, als een bepaald kwantum, onderhevig is aan de veranderlijkheid van alle waarden. Hier is zijn aard als een speciale waar in strijd met zijn algemene rol. Als graadmeter is [het geld] onverschillig tegenover de ruil, want

“in een veranderlijk medium kunnen altijd twee verschillende verhoudingen tot uitdrukking worden gebracht, evenals in een constant medium.” [Bailey, p. 9-10]

Als circulatiemiddel is het ook irrelevant, omdat de hoeveelheid als zodanig wordt bepaald door de maatstaf. Maar als geld in de vorm waarin het in contracten voorkomt, is dit essentieel, net zoals, in het algemeen, de tegenstrijdigheden ervan in deze rol naar voren komen.

Nu moet in aparte secties onderzocht worden:
1. Het geld als muntstuk. Dit is een zeer summiere samenvatting van het muntwezen. 2. Historisch gezien de bronnen van herkomst van goud en zilver. Hun ontdekkingen, enz. De geschiedenis van hun productie. 3. Oorzaken van de waardeveranderingen van de edele metalen, en dus van het metalen geld; effect van deze verandering op de industrie en de verschillende klassen. 4. Vooral: de hoeveelheid circulatie in verhouding tot stijgen en dalen van de prijzen. (16e eeuw. 19e eeuw.) Maar ook om te zien hoe het als graadmeter wordt beïnvloed door een toenemende hoeveelheid, enz. 5. Over circulatie: snelheid, noodzakelijke hoeveelheid, effect van circulatie; meer, minder ontwikkeld, enz. 6. Ontbindend effect van geld.

(Te doen.) (Hierin de specifieke economische onderzoekingen.)

(De massadichtheid van goud en zilver om veel gewicht te hebben met een betrekkelijk klein volume, vergeleken met de andere metalen, wordt in de wereld van waarden zo herhaald dat het grote waarde (arbeidstijd) bevat in een betrekkelijk klein volume. De daarin gerealiseerde arbeidstijd, de ruilwaarde, is de massadichtheid van de waar. Dit maakt de edele metalen bijzonder geschikt en dienstig voor circulatie (aangezien men een aanzienlijke hoeveelheid waarde met zich kan meedragen) en voor accumulatie, aangezien men een grote waarde kan veiligstellen en accumuleren in een kleine ruimte. Het goud [verandert niet] tijdens het ophopen, zoals ijzer, lood, enz. maar blijft wat het is.

“Had Spanje nooit de mijnen van Mexico en Peru in bezit gehad, dan had het nooit het graan van Polen nodig gehad.” (Ravenstone)

“Ze [d.w.z. de tien toekomstige heersers] zijn eensgezind onder elkaar en stellen hun macht en gezag in dienst van het Beest. [Openbaring 17, 13] [En het zorgt ervoor dat het iedereen ... een merkteken geeft op hun rechterhand of op hun voorhoofd] zodat niemand kan kopen of verkopen, zo hij dat teken niet draagt, de naam van het Beest, of het getal van zijn naam.” [Openbaring 13, 17]

“De correlatieve hoeveelheden goederen die tegen elkaar worden gegeven, vormen de prijs van de waar.” (Storch, “Cours d’économie politique...”, t.l.p. 72) “De prijs is de maatstaf van de ruilwaarde.” (l.c., p. 73)

Zoals we hebben gezien, is in de eenvoudige circulatie als zodanig (ruilwaarde in beweging), de actie van de individuen op elkaar, inhoudelijk, slechts een wederkerige, zelfzuchtige bevrediging van hun behoeften; naar de vorm, is het ruil tussen gelijken (equivalenten), zo wordt ook hier de eigendom slechts gesteld als de toe-eigening van het arbeidsproduct door arbeid en van het product van vreemde arbeid door de eigen arbeid, voor zover het product van de eigen arbeid door vreemde arbeid wordt gekocht. De eigendom van de vreemde arbeid wordt bemiddeld door het equivalent van de eigen arbeid. Deze vorm van eigendom is – net als vrijheid en gelijkheid – vastgelegd in deze eenvoudige verhouding. In de verdere ontwikkeling van de ruilwaarde zal dit zichzelf omvormen en uiteindelijk aantonen dat privé-eigendom van het eigen arbeidsproduct identiek is met de scheiding van arbeid en eigendom; zodat arbeid = het scheppen van vreemde eigendom en eigendom vreemde arbeid zal gebieden.


Komend: Hoofdstuk over het Kapitaal