Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

[Meerwaarde en winst]

Laten we terugkeren naar ons voorbeeld. 100 taler kapitaal, namelijk 50 taler materiaal, 40 taler arbeid, 10 taler productie-instrument. De arbeider heeft 4 uur nodig voor 40 taler, het deel van de productie dat hij nodig heeft voor zijn levensonderhoud, waarbij de 40 taler de levensmiddelen van de arbeider zijn, of het deel van de productie dat hij nodig heeft voor zijn levensonderhoud; zijn werkdag is 8 uur. De kapitalist ontvangt dus gratis een surplus van 4 uur; zijn surpluswaarde is gelijk aan 4 geobjectiveerde uren, 40 taler; dus zijn product = 50 + 10 (behouden, niet gereproduceerde waarde; constant gebleven, onveranderd als waarde) + 40 taler (loon, gereproduceerd, want geconsumeerd in de vorm van loon) + 40 taler meerwaarde. Som: 140 taler. Van deze 140 taler zijn er nu 40 overtollig. De kapitalist moest leven tijdens de productie en voordat hij begon te produceren; zeg 20 taler. Deze moest hij bezitten naast zijn kapitaal van 100 taler; er moesten dus equivalenten voor in omloop zijn. (Hoe deze zijn ontstaan is hier niet aan de orde.) Kapitaal veronderstelt de circulatie als een constante grootheid. Deze equivalenten zijn nu weer aanwezig. Dus consumeren zij 20 taler van zijn winst. Deze gaan in de eenvoudige circulatie. De 100 taler gaan ook in de eenvoudige circulatie, maar worden weer omgezet in de voorwaarden voor nieuwe productie, 50 taler materiaal, 40 levenmiddelen voor de arbeiders, 10 instrumenten. Er blijft een nieuwe gecreëerde meerwaarde van 20 taler over. Dit is geld, gesteld als een negatief zelfstandige waarde versus circulatie. Het kan niet in circulatie komen als louter equivalent, om consumptievoorwerpen te ruilen, aangezien de circulatie verondersteld wordt constant te zijn. Maar het zelfstandige, illusoire bestaan van geld is opgeheven; het bestaat alleen om zichzelf te valoriseren, d.w.z. om kapitaal te worden. Maar om dat te worden moet het opnieuw worden geruild tegen momenten van het productieproces, levensmiddelen voor de arbeiders, materiaal en instrument; deze lossen allemaal op in geobjectiveerde arbeid, kunnen alleen worden vervangen door levende arbeid. Geld, voor zover het nu op zichzelf als kapitaal bestaat, is dus niet meer dan een claim op toekomstige (nieuwe) arbeid. Concreet bestaat het alleen als geld. De surpluswaarde, de toename van de concrete arbeid, voor zover die voor zichzelf bestaat, is geld; maar geld is nu op zich al kapitaal; als zodanig is het een claim op nieuwe arbeid. Hier verschijnt het kapitaal niet langer alleen in een verhouding tot de bestaande arbeid, maar ook tot de toekomstige arbeid. Het verschijnt ook niet langer opgelost in zijn eenvoudige elementen in het productieproces, maar daarin als geld; maar niet langer als geld dat slechts de abstracte vorm van algemene rijkdom is, maar een claim op de reële mogelijkheid van algemene rijkdom – het arbeidsvermogen, en inderdaad het wordende arbeidsvermogen. Als claim is het materiële bestaan ervan als geld onverschillig en kan het door elke titel worden vervangen. Net als de schuldeiser van de staat heeft iedere kapitalist met zijn nieuw verworven waarde een vordering op toekomstige arbeid, en heeft hij zich door de toe-eigening van de actuele arbeid reeds tegelijkertijd toekomstige arbeid toegeëigend. (Dit aspect van het kapitaal zal later worden ontwikkeld. De eigenschap van het bestaan als waarde, gescheiden van zijn substantie, is hier reeds duidelijk. De basis van krediet is hier al gelegd.) De opeenhoping ervan in de geldvorm is dus geenszins de materiële opeenhoping van de materiële voorwaarden van de arbeid. Maar opeenhoping van eigendomstitels op arbeid. Het stelt de toekomstige arbeid als loonarbeid, als de gebruikswaarde van het kapitaal. Voor de nieuw gecreëerde waarde bestaat geen equivalent; zijn mogelijkheid bestaat alleen in nieuwe arbeid.

In dit voorbeeld heeft dus een absolute surplusarbeidstijd – 8 uur werken in plaats van 4 – een nieuwe waarde van 20 taler toegevoegd aan de oude waarden van de wereld van de beschikbare rijkdom, geld, en geld dat reeds met betrekking tot zijn vorm als kapitaal (reeds gesteld als een mogelijkheid tot kapitaal, niet meer zoals vroeger door op te houden geld als zodanig te zijn).

Als de productiviteit nu verdubbeld, zodat de arbeider slechts 2 uur noodzakelijke arbeid moet leveren in plaats van 4, en als de kapitalist hem bijgevolg nog 8 uur laat werken, is de berekening als volgt: 50 taler materiaal, 20 arbeidsloon, 10 arbeidsinstrument, 60 surpluswaarde. (6 uur, voorheen 4.) Verhoging van de absolute surpluswaarde: 2 uur of 20 taler. Som: 140 taler (in het product).

Som 140 taler als voorheen; maar hiervan 60 meerwaarde; waarvan 40 als voorheen voor absolute toename van de surplustijd, 20 voor de relatieve. Evenals voorheen zijn echter slechts 140 taler in de eenvoudige ruilwaarde vervat. Worden nu alleen de gebruikswaarden vermeerderd, of is er nieuwe waarde gecreëerd? Eerder moest het kapitaal opnieuw beginnen met 100 om weer te vermeerderen met 40 %. Wat gebeurt er met de 20 meerwaarde? Voordien at de kapitalist er 20 op; hij hield een waarde van 20 over. Nu eet hij er 20 op en houdt hij er 40 over. Daarentegen is het in productie gebrachte kapitaal 100 gebleven; nu is het 80 geworden. Wat aan de ene kant aan waarde is gewonnen, gaat aan de andere als waarde verloren. Het eerste kapitaal komt opnieuw in het productieproces; het produceert opnieuw 20 meerwaarde (na aftrek van de consumptie). Aan het einde van de tweede operatie bestaat er geen equivalent voor de nieuw gecreëerde waarde. 20 taler samen met de eerste 40. Laten we nu het tweede kapitaal nemen.

50 materiaal, 20 loon (= 2 uur), 10 arbeidsinstrument. Met de 2 uur levert het echter een waarde van 8 op, namelijk 80 taler (waarvan 20 productiekosten). Dan blijven er 60 over, aangezien 20 alleen het loon reproduceren (d.w.z. als loon zijn verdwenen). 60 + 60 = 120. Aan het eind van deze tweede bewerking, 20 taler voor consumptie; blijft surpluswaarde 20; samen met de eerste bewerking, 60. [In plaats van 20 surpluswaarde moet er 40 surpluswaarde staan. Volgens Marx levert het tweede kapitaal 60 taler surpluswaarde, waarvan 20 taler geconsumeerd door de kapitalist en de overige 40 taler worden geaccumuleerd. Hier begint een reeks rekenfouten, die echter niets afdoen aan de essentie van de theoretische uiteenzettingen, aangezien al deze cijfers slechts als benaderende illustraties dienen. Elders zegt Marx over sommige van deze rekenfouten: “Laat de duivel deze vervloekte foutieve berekeningen maar halen.”] Bij de derde bewerking levert het eerste [kapitaal] 60 op, het tweede 80; bij de vierde [bewerking] levert het eerste [kapitaal] 80, het tweede 100. Naarmate de ruilwaarde van het eerste kapitaal als productief kapitaal is verminderd, neemt het toe als waarde.

Laten we aannemen dat beide kapitalen, met hun surplus, als kapitaal kunnen worden gebruikt, d.w.z. dat het surplus wordt geruild tegen nieuwe levende arbeid. Zo komt men tot de volgende berekening (consumptie buiten beschouwing gelaten): het eerste kapitaal produceert 40 %; het tweede 60 %. 40 % van de 140 is 56; 60 % van de 140 (namelijk 80 kapitaal, 60 surpluswaarde) is 84. Het totale product in het eerste geval 140 + 56 = 196; in het tweede 140 + 84 = 224. In het tweede geval is de absolute ruilwaarde dus hoger met 28. Het eerste kapitaal heeft 40 taler om nieuwe arbeidstijd te kopen; de waarde van het arbeidsuur werd verondersteld 10 taler te zijn; met 40 taler koopt hij dus 4 nieuwe arbeidsuren, die hem 80 opleveren (waarvan 40 als vervanging van het loon) (namelijk 8 arbeidsuren). Uiteindelijk was het 140 + 80 (namelijk reproductie van het kapitaal van 100: meerwaarde 40 of reproductie van 140; de eerste 100 taler reproduceren zich als 140; de tweede 40 (aangezien ze alleen worden besteed voor de aankoop van nieuwe arbeid, dus niet simpelweg enige waarde vervangen, – een onmogelijke veronderstelling, overigens) die 80 produceren. 140 + 80 = 220. Het tweede kapitaal van 140; de 80 brengen 40 op; of de 80 taler reproduceren zichzelf als 120; de overblijvende 60 echter reproduceren zichzelf (daar zij louter voor de aankoop van arbeid worden besteed, en dus niet eenvoudig enige waarde vervangen, maar uit zichzelf reproduceren en het surplus maken) als 180; dan 120 + 120 = 240. (40 taler meer geproduceerd dan het eerste kapitaal, precies de surplustijd van 2 uur, voor het eerste is een surplustijd van 2 uur ook verondersteld in het eerste kapitaal). Dus een grotere ruilwaarde als resultaat, omdat meer arbeid wordt geobjectiveerd; 2 uur meer surplusarbeid.

Hier is nog iets op te merken: 140 taler tegen 40 % geeft 56; kapitaal en rente samen = 140 + 56 = 196; maar wij hebben 220 bekomen; volgens welke de rente van de 140 niet 56 zou zijn, maar 84; hetgeen 60 % zou zijn voor 140 (140 : 84 = 100 : x; x = 8400/140 = 60). Net zo in het tweede geval: 140 tegen 60 % = 84; kapitaal en rente = 140 + 84 = 224; maar we krijgen 240; volgens welke de rente van de 140 niet 84 zou zijn, maar 100; (140 + 100 = 240); d.w.z. procent (140 : 100 = 100 : x; x = 10.000/140) 71 3/7 %. Waar komt dit nu vandaan? (In het eerste geval 60 in plaats van 40; in het tweede 71 3/7 % in plaats van 60 %.) In het eerste geval waar 60 in plaats van 40, d.w.z. 20 % te veel; in het tweede geval 71 3/7 % in plaats van 60, d.w.z. 11 3/7 % te veel. Waarom dan, ten eerste, het verschil in beide gevallen en, ten tweede, het verschil in elk van beide gevallen?

In het eerste geval is het oorspronkelijke kapitaal 100 = 60 (materiaal en arbeidsinstrument) en 40 arbeid; 2/5 arbeid, 3/5 (materiaal). De eerste 3/5 geven helemaal geen rente; de laatste 2/5 brengen 100 % op. Maar berekend over het gehele kapitaal is het slechts met 40 % toegenomen; 2/5 van 100 = 40. De 100 % op hetzelfde geeft echter slechts 40 % op de gehele 100; d.w.z. een toename van het geheel met 2/5. Indien nu van het nieuw toegevoegde kapitaal van 40 ook slechts 2/5 was toegenomen met 100 %, zou dit een toename van het geheel geven met 16. 40 + 16 = 56. Dit tezamen met de 140 = 196; hetgeen werkelijk 40 % is op 156, kapitaal en rente tezamen genomen. 40 vermeerderd met 100 %, verdubbeld, is 80; 2/5 van 40 vermeerderd met 100 % is 16. Van de 80 komen er 40 in de plaats van het kapitaal. 40 winst.

Berekening dus: 100c + 40 rente + 40c + 40r = 220; of kapitaal van 140 met rente van 80; maar hadden we gerekend: 100c + 40r + 40c + 16r = 196; of het kapitaal van 140 met rente van 56.

Een rente van 24 op een kapitaal van 40 is te veel; 24 echter = 3/5 van 40 (3 x 8 = 24); d.w.z. naast het kapitaal is slechts 2/5 van het kapitaal met 100 % gegroeid; het gehele kapitaal dus slechts met 2/5, d.w.z. 16 taler. De berekening van de rente door 24 taler is te groot op 40 (met 100 % op 3/5 van het kapitaal); 24 op 24 is 100 % op 3 x 8 (3/5 van 40). Op de gehele som van 140 staat echter 60 % in plaats van 40; d.w.z. op 40 staat 24 (3/5), 24 op 40 is 60 %. Dus op kapitaal 40 is 60 % te veel (60 = 3/5 van 100). Maar 24 te veel op 140 (en dit is het verschil van 220 tot 196), slechts 1/5 van 100 en 1/12 van 100 zijn te veel berekend; 1/5 van 100 = 20 %; 1/12 van 100 8 4/12 % of 8 1/3 %; dus samen 28 1/3 % te veel. Dus over het geheel genomen niet 60 %, zoals op 40, maar slechts 28 1/3 % te veel; wat een verschil maakt van 31 2/3, al naargelang men 24 te veel telt op de 40 [of op] het kapitaal van 140. Zo ook in het andere voorbeeld.

In de eerste 80 die 120 produceren, werd 50 + 10 eenvoudig vervangen; maar 20 reproduceerde driemaal zichzelf: 60; (20 reproductie, 40 surplus).

Arbeidsuren
Als 20 ... 60 is, drie keer de waarde, dan 60 ... 180.

Notitieboek IV

Het is niet langer nodig om stil te staan bij deze zeer vervelende rekening. De grap is gewoon: indien, zoals in ons eerste voorbeeld, 3/5 (60 van 100) materiaal en instrument zijn, 2/5 arbeidsloon (40), en indien het kapitaal 40 % winst opleverde, is het uiteindelijk gelijk aan 140 (deze 40 % winst is gelijk aan het feit dat de kapitalist 12 uur arbeid heeft laten verrichten waar er 6 nodig waren, dus 100 % winst heeft gemaakt op de noodzakelijke arbeidstijd). Als de 40 gewonnen taler nu onder dezelfde voorwaarden – en op het punt waar wij staan zijn de voorwaarden nog niet veranderd – opnieuw als kapitaal zouden functioneren, dan moet van de 40 taler 3/5, dus 24 taler, opnieuw worden besteed aan materiaal en instrument, en 2/5 aan arbeid; zodat dan alleen het arbeidsloon van 16 wordt verdubbeld, 32 wordt, 16 dus voor reproductie, 16 surplusarbeid; dus alles bij elkaar aan het eind van de productie 40 + 16 = 56 of 40 %. Het totale kapitaal van 140 zou dus onder dezelfde omstandigheden 196 hebben opgeleverd. Men mag niet aannemen, zoals in de meeste economie [boeken] gebeurt, dat de 40 taler louter worden besteed aan arbeidsloon, aan de aankoop van levende arbeid, en dus aan het eind van de productie 80 taler opleveren.

Als men zegt: een kapitaal van 100 brengt in een bepaalde periode 10 % op, in een andere periode 5 %, dan is niets onjuister om te concluderen, zoals Carey en consorten doen, dat in het eerste geval het aandeel van het kapitaal in de productie 1/10 was en dat van de arbeid slechts 9/10; dat in het tweede geval het aandeel van het kapitaal slechts 1/20 was en dat van de arbeid 19/20; dus als de winst daalt, stijgt die van de arbeid. De winst van 10 % op een kapitaal van 100 wordt natuurlijk vanuit het standpunt van het kapitaal, dat geen enkel bewustzijn heeft over de aard van zijn valorisatieproces, en er alleen in crisissen belang bij heeft om er een bewustzijn van te hebben, zo beschouwd dat de waardebestanddelen van zijn kapitaal – materiaal, instrument, arbeidsloon – zonder onderscheid met 10 % zijn toegenomen, dus het kapitaal als de som van 100 talers waarde, als aantal van een bepaalde eenheid van waarden, is met 10 % toegenomen. In feite gaat het echter om de vraag: 1. hoe verhielden de bestanddelen van het kapitaal zich tot elkaar, en 2. hoeveel surplusarbeid kocht het met het loon – de concrete arbeidsuren vertegenwoordigd in het loon. Als ik de totale som van het kapitaal ken, de verhouding van zijn waardebestanddelen tot elkaar (praktisch zou ik ook moeten weten hoeveel onderdelen van het productie-instrument in het proces verslijten, d.w.z. er werkelijk in opgaan), en als ik de winst ken, weet ik hoeveel surplusarbeid er is uitgevoerd. Als 3/5 van het kapitaal uit materiaal bestond (waarvan hier gemakshalve wordt aangenomen dat het volledig productiemateriaal wordt, volledig productief wordt verbruikt), dus 60 taler en het arbeidsloon 40, en als de winst van de 100 taler 10 is, dan heeft de met 40 taler geobjectiveerde arbeidstijd gekochte arbeid in het productieproces 50 taler geobjectiveerde arbeid gecreëerd, dus een surplustijd of surpluswaarde gecreëerd van 25 % = 1/4 van de noodzakelijke arbeidstijd. Als de arbeider een dag van 12 uur werkt, heeft hij dus 3 uur surplustijd gewerkt, en zijn noodzakelijke arbeidstijd om hem een dag in leven te houden is 9 uur arbeid. De nieuwe waarde die bij de productie wordt gecreëerd, bedraagt slechts 10 taler, maar volgens het werkelijke aandeel moeten deze 10 taler worden berekend op de 40 en niet op de 100. De 60 taler waarde creëerde geen nieuwe waarde, maar de arbeidsdag wel. De arbeider heeft dus het tegen het arbeidsvermogen geruilde kapitaal met 25 % en niet met 10 % vermeerderd. Het totale kapitaal is met 10 % gegroeid. 10 is 25 % op 40; het is slechts 10 % op 100. De winstvoet van het kapitaal drukt dus geenszins het deel [Rate] uit waarmee de levende arbeid de objectieve arbeid vermeerdert; want deze vermeerdering is slechts = het surplus waarmee de arbeider zijn loon reproduceert, d.w.z. = de tijd dat hij meer werkt dan hij zou moeten werken om zijn loon te produceren.

Als de arbeider in het bovenstaande voorbeeld geen arbeider voor een kapitalist was, en als hij de gebruikswaarden in die 100 taler, niet als kapitaal beschouwde, maar eenvoudig als de objectieve voorwaarden van zijn arbeid, dan zou hij, alvorens het productieproces opnieuw te beginnen, 40 taler aan levensonderhoud bezitten, dat hij tijdens de werkdag zou verbruiken, en 60 taler aan instrumenten en materiaal. Hij zou slechts 3/4 dag werken, 9 uur, en zijn product aan het eind van de dag zou niet 110 taler zijn, maar 100, die hij weer zou ruilen in bovenstaande proporties en het proces begint opnieuw en opnieuw. Maar hij zou ook drie uur minder werken; d.w.z. 25 % surplusarbeid = 25 % minder surpluswaarde in de ruil die hij zou maken tussen 40 taler levensonderhoud en zijn arbeidstijd, en als hij eens drie uur meer zou werken, omdat er materiaal en instrumenten klaarliggen, zou het niet in hem opkomen om te zeggen dat hij een nieuwe winst van 10 % had gemaakt, maar een van 25 %; omdat hij levensonderhoud kon kopen voor een kwart meer; ter waarde van 50 taler in plaats van 40; en, aangezien het hem om gebruikswaarden gaat, zouden deze levensbehoeften op zichzelf voor hem van waarde zijn.

Op deze illusie dat de nieuwe winst niet ontstaat door de ruil van de 9 arbeidsuren die in de 40 taler zijn geobjectiveerd tegen 12 levende, d.w.z. dat op dit deel een surpluswaarde van 25 % ontstaat, maar dat het totale kapitaal in gelijke mate is toegenomen met 10 % – 10 % op 60 is 6 en op 40 is 4 – berust de samengestelde renteberekening [samengestelde interest, of ook: rente op rente] van de beruchte Dr. Price, die de schitterende Pitt tot de onzin van zijn sinking fund heeft aangezet. [Bedoeld wordt het amortisatiefonds voor de nationale schuld, opgericht door de Britse premier William Pitt in 1786.] Door de identiteit van het meergewin [Mehrgewinns] met de surplusarbeidstijd – absoluut en relatief – wordt een kwalitatieve grens gesteld aan de accumulatie van kapitaal, de arbeidsdag, de tijd waarin het arbeidsvermogen van de arbeider binnen 24 uur actief kan zijn – de graad van ontwikkeling van de productiviteit – en de bevolking, die het aantal gelijktijdige arbeidsdagen uitdrukt, enz. Indien daarentegen het meergewin alleen als rente wordt opgevat, d.w.z. als een verhouding volgens welke het kapitaal door middel van een denkbeeldige goocheltruc toeneemt, dan is de grens alleen kwantitatief, en dan is het volstrekt onmogelijk in te zien waarom het kapitaal niet om de andere dag de rente naar zichzelf toetrekt als kapitaal en zo rente schept uit zijn rente in oneindige geometrische progressie. De praktijk heeft de economen geleerd dat de rente-vermenigvuldiging van Price onmogelijk is, maar zij hebben nooit daarin de grove fout ontdekt.

Van de 110 taler aan het eind van de productie, zijn er 60 taler (materiaal en instrument), voor zover het waarden betreft, absoluut onveranderd gebleven. De arbeider heeft niets van hen afgenomen en niets toegevoegd. Dat hij de geobjectiveerde arbeid gratis ontvangt, door het feit dat zijn arbeid levende arbeid is – lijkt, vanuit het standpunt van de kapitalist, te betekenen alsof de arbeider de kapitalist nog moet betalen om toestemming te krijgen om de gepaste arbeidsverhouding aan te gaan met de geobjectiveerde momenten – de objectieve voorwaarden. Wat de overige 50 taler betreft, 40 taler daarvan vertegenwoordigen nu niet alleen het onderhoud, maar de werkelijke reproductie, aangezien het kapitaal ze van zichzelf heeft vervreemd in de vorm van loon en de arbeider ze heeft verbruikt; 10 taler vertegenwoordigen een productie bovenop de reproductie, namelijk 1/4 surplusarbeid (van 3 uur). Alleen deze 50 taler zijn het product van het productieproces. Indien dus, zoals ten onrechte wordt beweerd, de arbeider het product met de kapitalist deelde op een zodanige wijze dat hij 9/10 ontving, zou hij niet 40 taler moeten ontvangen (en hij heeft ze vooraf ontvangen en als tegenprestatie gereproduceerd; in feite heeft hij dus het kapitaal volledig terugbetaald, alsmede de reeds bestaande waarden voor de kapitalist gratis in stand gehouden), waardoor slechts 8/10 over zou blijven; maar hij zou 45 moeten ontvangen, waardoor aan het kapitaal slechts 5 over zou blijven. De kapitalist zou dus uiteindelijk slechts 65 taler overhouden als product van het productieproces dat hij met 100 taler is begonnen. Maar van de 40 gereproduceerde taler ontvangt de arbeider niets, net zo weinig als van de 10 taler aan meerwaarde.

Zou men de 40 gereproduceerde taler zo opvatten, dat zij bestemd zijn om opnieuw als loon te dienen, dus ook opnieuw als kapitaal voor de aankoop van levende arbeid, dan kan, wat de verhouding betreft, alleen gezegd worden dat de geobjectiveerde arbeid van 9 uur (40 taler) een levende arbeid van 12 uur (50 taler) koopt en zo een meerwaarde oplevert van 25 % van het werkelijke product (deels gereproduceerd als fonds voor de lonen van de arbeid, deels nieuw geproduceerd als meerwaarde) in het valorisatieproces.

Zojuist was het oorspronkelijke kapitaal van 100:

Arbeidsvoorwaarden
Instrument
Loonarbeid
50
10

40. — Het produceerde een meergewin van 10 taler
(25 % surplustijd). Samen 110 taler.

Stel dat het was geweest:

60 – 20 – 20. Het resultaat is 110 taler; dus de gewone econoom en de nog gewonere kapitalist zeggen dat de 10 % gelijk geproduceerd zijn uit alle delen van het kapitaal. Nogmaals, 80 taler aan kapitaal zouden alleen behouden zijn; er zou geen waardeverandering zijn opgetreden. Alleen de 20 taler zijn geruild tegen 30 taler; de surplusarbeid zou dus met 50 % zijn toegenomen en niet met 25 % zoals eerder.

Neem het derde geval:


    [Arbeidsvoorwaarden:] [Instrument:] [Loonarbeid:]
100:     70 20 10 Resultaat 110.

Dus de onveranderde waarde 90. Het nieuwe product 20; dus meerwaarde of surplustijd 100 %. Wij hebben hier drie gevallen waarin de winst van het gehele kapitaal steeds 10 bedraagt, maar in het eerste geval bedraagt de nieuw gecreëerde waarde 25 % van de geobjectiveerde arbeid die voor de aankoop van levende arbeid wordt besteed, in het tweede geval 50 %, in het derde: 100 %.

Laat de duivel deze vervloekte rekenfouten halen. Het geeft niet. Laten we opnieuw beginnen.

In het eerste geval hadden we:

Onveranderlijke waarde Loonarbeid Meerwaarde Som
60 40 10 110

Wij gaan steeds uit van een arbeidsdag = 12 uur. (Men zou ook kunnen veronderstellen dat de arbeidsdag toeneemt, bv. dat hij vroeger slechts x uren bedroeg, maar nu x + b uren, en dat de productiviteit constant is; of dat beide factoren veranderen).

Produceert de arbeider in 12 uur, 50 taler
dan in 1 uur, 4 1/6 taler
dan in 9 3/5 uur, 40 taler
dan in 2 2/5 uur, 10 taler

De noodzakelijke arbeid van de arbeider is dus 9 3/5 uur (40 taler); de surplusarbeid is dus 2 2/5 uur (waarde van 10 taler). 2 2/5 uur is het 5e deel van de arbeidsdag. De surplusarbeid van de arbeiders is 1/5 dag, dus = de waarde van 10 taler. Als we nu deze 2 2/5 uur beschouwen als het percentage dat het kapitaal heeft gewonnen op de arbeidstijd die is geobjectiveerd in 9 3/5 uur in ruil tegen levende arbeid, dan is 2 2/5 : 9 3/5 = 12/5 : 48/5, d.w.z. ... = 12:48 = 1:4. Dus 1/4 van het kapitaal = 25 % ervan. Net zo 10 taler : 40 taler = 1 : 4 = 25 %.

Laten we nu het hele resultaat samenvatten:

Nr. I

Oorspronkelijk
kapitaal                
Onveranderde
waarde                

Gereproduceerde
waarde voor
lonen                
Meerwaarde
productie                
Totaal
som                
Surplustijd
en -waarde                
% van de geruilde
geobjectiveerde arbeid                
100
taler
60
taler
40
taler
10
taler
110
taler

2 2/5 uren
of 10
taler
25 %

(Men zou kunnen zeggen dat het arbeidsinstrument, de waarde ervan, moet worden gereproduceerd en niet slechts vervangen; aangezien het in feite versleten is, wordt het verbruikt tijdens de productie. Dit is te bekijken bij het vast kapitaal. In feite wordt de waarde van het instrument overgezet in het materiaal; het verandert, in de mate dat het geobjectiveerde arbeid is, het verandert alleen van vorm. Was in het bovenstaande voorbeeld de waarde van het materiaal 50 en van het arbeidsinstrument 10, nu het instrument met 5 is versleten, is het materiaal 55 en het instrument 5; als het helemaal verdwijnt, heeft het materiaal de 60 bereikt. Dit is een onderdeel van het eenvoudige productieproces. In tegenstelling tot het loon is het instrument niet verbruikt buiten het productieproces.)

Nu de tweede vooronderstelling:

Oorspronkelijk
kapitaal                
Onveranderde
waarde                

Gereproduceerde
waarde voor
lonen                
Meerwaarde
productie                
Totaal
som                
100
 
80
 
20
 
10
taler
110
taler

Als de arbeider in 12 uur 30 taler produceert, dan is dat in 1 uur 2 2/4 taler, in 8 uur 20 taler, in 4 uur 10 taler. 10 taler is 50 % van 20 taler; evenals 4 uur van de 8 uur; de surpluswaarde = 4 uur, 1/3 van een dag, of 10 taler surpluswaarde.
Dus:

Nr. II

Oorspronkelijk
kapitaal                
Onveranderde
waarde                

Gereproduceerde
waarde voor
lonen                
Meerwaarde
productie                
Totaal
som                
Surplustijd
en -waarde                
% op het
kapitaal                
100
taler
80
taler
20
taler
10
taler
110
taler

4 uren
10
taler
50 %

In het eerste geval, evenals in het tweede, is de winst op het totale kapitaal van 100 = 10 %, maar in het eerste geval bedraagt de reële meerwaarde dat het kapitaal in het productieproces verwerft 25, in het tweede 50 %.

De veronderstelde voorwaarden in nr. II zijn op zich net zo mogelijk als die in nr. I. Maar met elkaar in verband gebracht zijn die van nr. II nietszeggend. Het materiaal en het instrument zijn gestegen van 60 tot 80 taler, de arbeidsproductiviteit is gedaald van 4 1/6 taler per uur tot 2 2/4 taler, en de meerwaarde is met 100 % toegenomen. (Maar als men ervan uitgaat dat de extra uitgaven voor lonen in het eerste geval meer en in het tweede geval minder werkdagen tot gevolg hebben, is de veronderstelling juist.) Het feit dat het noodzakelijke loon, d.w.z. de waarde van de arbeid uitgedrukt in taler, is gedaald, maakt op zich niets uit. Of de waarde van een arbeidsuur wordt uitgedrukt in 2 of in 4 taler, in het eerste geval, evenals in het tweede, ruilt het product van 12 arbeidsuren (in de circulatie) zichzelf tegen 12 arbeidsuren, en in beide gevallen verschijnt de surplusarbeid als meerwaarde. Het zinloze van de vooronderstelling vloeit voort uit het feit dat 1. wij het maximum van de arbeidstijd hebben vastgesteld op 12 uur; wij dus niet meer of minder arbeidsdagen kunnen invoeren; 2. hoe meer wij aan de ene kant het kapitaal laten groeien, hoe meer wij niet alleen de noodzakelijke arbeidstijd laten afnemen, maar ook de waarde ervan moeten verminderen; terwijl de waarde gelijk blijft. In het tweede geval daarentegen zou de prijs moeten stijgen. Dat de arbeider met minder arbeid kan leven, d.w.z. meer kan produceren in dezelfde uren, moet niet blijken uit de daling van de taler voor het noodzakelijke arbeidsuur, maar uit het aantal noodzakelijke arbeidsuren. Indien hij bv., zoals in het eerste voorbeeld, 4 1/6 taler verwerft, maar de gebruikswaarde van deze waarde, die constant moet zijn om de waarde (niet de prijs) uit te drukken, zich zodanig had vermenigvuldigd dat hij niet langer 9 3/5 nodig had, zoals in het eerste geval, maar slechts 4 uur om zijn levende arbeidsvermogen te produceren, dan zou dit in het surplus van waarde moeten worden uitgedrukt. Maar hier hebben wij, zoals wij de voorwaarden hebben gesteld, de variabele “onveranderde waarde”, onveranderd de 10 %, die hier constant zijn als een toevoeging aan de reproductieve arbeid, hoewel zij er verschillende percentages van uitdrukken.

In het eerste geval is de onveranderde waarde kleiner dan in het tweede geval, het totale product van de arbeid is groter; aangezien het ene bestanddeel van 100 kleiner is, moet het andere groter zijn; en aangezien tegelijk dezelfde absolute arbeidstijd vastgelegd is; aangezien voorts het totale product van de arbeid afneemt naarmate de “onveranderde waarde” toeneemt, en toeneemt naarmate deze afneemt, verkrijgen wij voor dezelfde arbeidstijd een minder (absoluut) arbeidsproduct in dezelfde verhouding als er meer kapitaal wordt aangewend. Dit zou volkomen juist zijn, want als van een gegeven som als 100 meer in “onveranderde waarde” wordt gespendeerd, kan minder aan arbeidstijd worden gespendeerd en kan dus relatief tot het gespendeerde kapitaal minder nieuwe waarde worden gecreëerd; maar dan moet de arbeidstijd niet gefixeerd zijn zoals hier, of als hij gefixeerd is, moet de waarde van het arbeidsuur niet dalen zoals hier, wat onmogelijk is als de “onveranderde waarde” groter wordt en de meerwaarde groter; het aantal arbeidsuren zou kleiner moeten worden. Maar dit wordt verondersteld in ons voorbeeld. In het eerste geval gaan wij ervan uit dat in 12 uur arbeid 50 taler worden geproduceerd; in het tweede geval slechts 30 taler. In het eerste geval laten we de arbeider 9 3/5 uur werken; in het tweede 6, hoewel hij per uur minder produceert. Dit is onzin.

Maar zit er niet iets juist in deze cijfers, maar anders begrepen? Neemt de absolute nieuwe waarde niet af, hoewel de relatieve toeneemt, zodra in de bestanddelen van het kapitaal verhoudingsgewijs meer materiaal en instrument wordt opgenomen? In verhouding tot een gegeven kapitaal wordt minder levende arbeid aangewend; dus ook al is het surplus van deze levende arbeid ten opzichte van zijn kosten groter, en stijgt het percentage dus juist ten opzichte van de arbeidslonen, d.w.z. het percentage in verhouding tot het werkelijk verbruikte kapitaal, wordt de absolute nieuwe waarde dan niet noodzakelijkerwijs relatief kleiner dan in het geval van het kapitaal dat minder arbeidsmateriaal en instrument gebruikt (dit is met name het voornaamste punt in de verandering van het onveranderde, d.w.z. door het productieproces als waarde onveranderde waarden) en meer aangewende levende arbeid; juist omdat er relatief meer levende arbeid wordt gebruikt? De toename van het arbeidsinstrument komt dan overeen met de groei van de productiviteit, aangezien de meerwaarde, zoals in de vroegere productiewijze, in geen verhouding staat tot de gebruikswaarde, de productiviteit, en de loutere toename van de productiviteit een meerwaarde schept, zij het geenszins in dezelfde numerieke verhouding. De toename van de productiviteit, die zich moet uiten in een toename van de waarde van het instrument – de omvang die het inneemt in de uitgaven van het kapitaal – leidt noodzakelijkerwijs tot een toename van het materiaal, omdat meer materiaal moet worden bewerkt om meer product te kunnen produceren. (De toename van de productiviteit heeft echter ook betrekking op de kwaliteit; maar alleen op de kwantiteit voor een bepaald product van een bepaalde kwaliteit; de kwaliteit voor een bepaalde kwantiteit; kan op beide betrekking hebben). Welnu, hoewel er minder (noodzakelijke) arbeid is in verhouding tot de surplusarbeid, en absoluut minder levende arbeid in verhouding tot het kapitaal, is het dan niet mogelijk dat de meerwaarde ervan stijgt, hoewel zij in verhouding tot het kapitaal in zijn geheel daalt, d.w.z. de zogenaamde winstvoet daalt? Neem bijvoorbeeld een kapitaal van 100. Het materiaal is oorspronkelijk 30. Instrument 30. (Samen 60 onveranderlijke waarde.) Loon 40 (4 werkdagen). Winst 10. Hier is de winst 25 % nieuwe waarde op de arbeid geobjectiveerd in het loon en 10 % in verhouding tot het kapitaal. Nu wordt het materiaal 40, instrument 40. De productiviteit verdubbelt, zodat nog slechts 2 werkdagen nodig zijn = 20. Stel nu dat de absolute winst minder is dan 10; d.w.z. de winst op het totale kapitaal. Kan de winst op de ingezette arbeid niet meer dan 25 % bedragen, d.w.z. in het aangegeven geval meer dan het vierde deel van 20? In feite is het derde deel van 20 6 2/3; d.w.z. minder dan tien, maar toch 33 1/3 % op de ingezette arbeid, terwijl dit in het vorige geval slechts 25 % was. Hier zouden wij uiteindelijk slechts 106 2/3 hebben, terwijl wij er voorheen 110 hadden, en toch zou met dezelfde som (100) de surplusarbeid, het meergewin groter zijn in verhouding tot de aangewende arbeid dan in het eerste geval; maar aangezien in absolute cijfers 50 % minder arbeid werd gebruikt dan in het eerste geval, terwijl de winst op de gebruikte arbeid slechts 8 1/3 meer bedroeg dan in het eerste geval, volgt hieruit dat de absolute hoeveelheid die hieruit voortvloeit kleiner moet zijn, en hetzelfde geldt voor de winst op het totale kapitaal. Want 20 × 33 1/3 is kleiner dan 40 × 25.

Dit hele geval is onwaarschijnlijk en kan niet worden beschouwd als een algemeen voorbeeld in de economie; voor de toename van de arbeidsinstrumenten wordt hier een toename van het bewerkte materiaal verondersteld, hoewel niet alleen het relatieve maar ook het absolute aantal arbeiders is gedaald. (Natuurlijk, als twee factoren = een derde, moet de ene afnemen naarmate de andere toeneemt). Maar de toename van het arbeidsinstrument naargelang de waarde die het in het kapitaal inneemt, en de vermeerdering van het arbeidsmateriaal naargelang van de waarde ervan bij een relatieve daling van de arbeid, veronderstelt over het geheel genomen een arbeidsdeling, dus een toename van het aantal arbeiders, althans in absolute zin, ook al staat dit niet in verhouding tot de omvang van het aangewende kapitaal.

Maar neem het geval van de lithografische machine, waarmee iedereen zonder speciale vaardigheid litho’s kan maken: stel dat de waarde van het instrument onmiddellijk na de uitvinding ervan groter is dan die welke 4 arbeiders gebruikten voordat dit handige ding werd uitgevonden; er zijn nu nog maar 2 arbeiders nodig (hier vindt, zoals bij veel instrument-achtige machines, geen verdere arbeidsdeling plaats; maar verdwijnt de kwalitatieve verdeling); de instrumenten waren oorspronkelijk slechts 30 waard, maar de benodigde arbeid (d.w.z. nodig voor de kapitalist om winst te maken) is 4 arbeidsdagen. (Er zijn machines, bv. luchtverwarmingsbuizen, waar de arbeid als zodanig geheel verdwijnt, behalve op één punt; de buis wordt op één punt geopend en voert de warmte naar de andere punten; er zijn verder helemaal geen arbeiders nodig. Dit is helemaal het geval (zie Babbage) met energiegeleiders, waar vroeger de energie in materiële vorm van de ene plaats naar de andere werd [overgebracht] door evenzovele arbeiders, voorheen stokers – de geleiding van de ene ruimte naar de andere, is nu een fysisch proces geworden, dat verschijnt als het werk van een aantal arbeiders.) Als hij deze lithografische machine gebruikt als bron van inkomsten, als kapitaal, en niet als gebruikswaarde, neemt het materiaal noodzakelijkerwijs toe, omdat hij meer litho’s kan drukken in dezelfde tijd, en dit is nu juist waar zijn winst vandaan komt. Als deze lithograaf dus een instrument gebruikt van 40, materiaal van 40, arbeidsdagen 2 (20), die hem 33 1/3 % [opleveren], d.w.z. 6 2/3 op 20 geobjectiveerde arbeidstijd, dan bestaat zijn kapitaal, evenals dat van de ander, uit 100, en levert hem slechts 62/3 % op, maar hij wint 33 1/3 op de gebruikte arbeid; de ander wint op het kapitaal 10, op de gebruikte arbeid slechts 25 %. De verkregen waarde op de aangewende arbeid kan kleiner zijn, maar de winst van het gehele kapitaal is groter als de andere bestanddelen van het kapitaal verhoudingsgewijs kleiner zijn. Niettemin zou de transactie met 6 2/3 % op het totale kapitaal en 33 1/3 % op de aangewende arbeid winstgevender kunnen worden dan de transactie die oorspronkelijk gebaseerd was op 25 % winst uit arbeid en 10 % winst uit het totale kapitaal. Veronderstel dat bv. graan enz. zo is gestegen dat het levensonderhoud van de arbeider met 25 % in waarde is gestegen. De 4 dagen werk zouden de eerste lithograaf nu 50 kosten in plaats van 40. Zijn instrumenten en materiaal zouden hetzelfde blijven: 60 taler. Hij zou dus een kapitaal moeten hebben van 110. Zijn winst met een kapitaal van 110 zou 12 zijn (25 %) op de 50 taler voor 4 dagen werk [Marx veronderstelt hier dat de meerwaardevoet na het duurder worden van het arbeidsvermogen dezelfde is gebleven als vóór het duurder worden, d.w.z. voor kapitaal I gelijk aan 25 % en voor kapitaal II gelijk aan 33 1/3 %. Dit is alleen mogelijk als de arbeidsdag navenant langer is geworden. Deze en de volgende berekeningen van Marx zijn onnauwkeurig. Ze zijn in de bewerkte tekst gelaten zoals ze in het manuscript staan, zonder ze telkens te bewijzen.] Dus 12 taler op 110; (d.w.z. 9 1/6 % op het totale kapitaal van 110). De andere lithograaf: machine 40; materiaal 40; maar de 2 dagen arbeid in plaats van 20 zullen hem 25 % meer kosten, dus 25. Hij zou dus 105 moeten hebben; zijn meerwaarde op de arbeid 33 1/3 %, dus 1/3, dus 8 1/3. Hij zou dus op 105 8 1/3 winnen; 13 1/8 %. Veronderstel dus in een cyclus van 10 jaren 5 slechte en 5 goede oogsten tot de bovenstaande gemiddelde verhoudingen; zo zou de eerste lithograaf tegenover de tweede in de eerste 5 jaren 50 taler rente maken; in de tweede 45 5/6; samen: 95 5/6 taler; gemiddelde rente over de 10 jaren 9 7/12 taler. De andere kapitalist zou 31 1/3 hebben gewonnen in de eerste 5 jaar; 65 5/8 in de tweede 5 jaar; samen: 96 23/24 taler; gemiddelde van de 10 jaar: 87/120. Aangezien nr. II meer materiaal verwerkt tegen dezelfde prijs, levert hij het goedkoper af. Daarop zou men kunnen antwoorden dat hij duurder verkoopt omdat hij meer instrument verbruikt; vooral omdat hij meer van de waarde van de machine verbruikt naarmate hij meer materiaal verbruikt; het is echter in de praktijk niet zo dat machines verslijten en sneller moeten worden vervangen naarmate zij meer materiaal verwerken. Maar dit alles doet hier niet ter zake. De verhouding tussen de waarde van de machine en het materiaal wordt in beide gevallen constant verondersteld.

Het voorbeeld wint aan belang als we uitgaan van een kleiner kapitaal, dat meer arbeid en minder materiaal en machines gebruikt, maar een hoog percentage op het hele kapitaal wint; en een groter kapitaal, dat meer machines en meer materiaal gebruikt, verhoudingsgewijs minder, maar absoluut evenveel werkdagen en een kleiner percentage op het geheel, omdat er minder arbeid wordt verricht, die productiever is, arbeidsdeling, enz. Hierbij moet worden aangenomen dat de gebruikswaarde van de machine (die hierboven niet werd verondersteld) aanzienlijk groter is dan haar waarde, d.w.z. dat hun ontwaarding ten dienste van de productie niet in dezelfde verhouding staat tot hun toename van de productie.

Dus, zoals hierboven, een pers (de eerste, een met de hand bediende drukpers; de tweede een automatische drukpers).

Kapitaal I van 100 besteed aan materiaal 30; aan handpers 30; aan arbeid 4 werkdagen = 40 taler; winst 10 %; dus 25 % aan levende arbeid (1/4 surplustijd).

Kapitaal II van 200 besteden aan materiaal 100, pers 60, 4 werkdagen (40 taler); winst op de 4 werkdagen 13 1/3 taler: 1 werkdag en 1/3, terwijl in het eerste geval slechts 1 werkdag; totaal: 413 1/3. D.w.z. 3 1/3 % [Hier begint weer een reeks rekenfouten. In plaats van 413 1/3 moet er 213 1/3 staan, in plaats van 373 % moet er 673 % staan. Naast deze rekenfouten staan er in de tekst onnauwkeurige berekeningen over de prijs van het afzonderlijke gedrukte vel (één taler bestond uit 30 Silbergroschen à 12 pfennig).], terwijl dat in het eerste geval 10 % was. Niettemin is in dit tweede geval de meerwaarde op de aangewende arbeid 13 1/3, in het eerste slechts 10; in de eerste 4 dagen ontstaat in 4 dagen 1 surplusdag; in de tweede 4 [dagen] 1 1/3 surplusdag. Maar de winstvoet op het totale kapitaal is 1/3 of 33 1/3 % kleiner dan in het eerste; het totale bedrag van de winst is 1/3 groter. Stel nu dat het materiaal van 30 en 100 gedrukte vellen zijn; het instrument slijt in dezelfde tijd, in 10 jaar of 1/10 in een jaar. Zo moet nr. I 1/10 van 30 in het instrument vervangen, d.w.z. 3; nr. II 1/10 van 60, d.w.z. 6. Het materiaal komt in geen van beide verder voor in de jaarproductie (die kan worden beschouwd als 4 werkdagen van elk 3 maanden), zie hierboven.

Kapitaal I verkoopt 30 gedrukte vellen tegen 30 materiaal + 3 instrument + 50 (geobjectiveerde arbeidstijd) = 83.

Kapitaal II verkoopt 100 gedrukte vellen tegen 100 materiaal + 6 instrument + 53 1/3 = 159 1/3.

Kapitaal I verkoopt 30 gedrukte vellen tegen 83 taler; 1 gedrukt vel tegen 83/30 taler = 2 taler 23 Silbergroschen.

Kapitaal II verkoopt 100 gedrukte vellen tegen 159 taler 10 Silbergroschen; 1 gedrukt vel tegen 159 taler 10 Silbergroschen/100; d.w.z. 1 taler 9 Silbergroschen 10 Pfennig.

Het is dus duidelijk dat kapitaal I de pineut is, omdat het onzettend veel te duur verkoopt. Welnu, ofschoon in het eerste geval de winst op het totale kapitaal 10 % bedroeg, en in het tweede slechts 3 1/3, nam het eerste kapitaal slechts 25 % van de arbeidstijd in beslag, terwijl het tweede – 33 1/3 in beslag nam. In Kapitaal I is de verhouding tussen de noodzakelijke arbeid en het toegepaste totale kapitaal groter, en daarom verschijnt de surplusarbeid, hoewel in absolute cijfers kleiner dan in Kapitaal II, in de vorm van een grotere winstvoet op het kleinere totale kapitaal. 4 arbeidsdagen op 60 is groter dan 4 op 160; in het eerste geval 1 arbeidsdag op het bestaande kapitaal van 15; in het tweede geval 1 arbeidsdag op 40. Maar in het tweede kapitaal is de arbeid productiever (hetgeen zowel wordt bepaald door het grotere aantal machines, vandaar het grotere aandeel in de kapitaalwaarden, als meer materiaal, waarin de gewerkte surplustijd en dus meer verbruikt materiaal in dezelfde tijd tot uitdrukking komt.) Het creëert meer surplustijd (relatieve surplustijd, d.w.z. tijd bepaald door de ontwikkeling van de productiviteit). In het eerste geval is de surplustijd 1/4, in het tweede 1/3. Het creëert dus tezelfdertijd meer gebruikswaarden en een grotere ruilwaarde; maar deze laatste niet in dezelfde verhouding als de eerste, aangezien, zoals wij hebben gezien, de ruilwaarde niet in dezelfde numerieke verhouding groeit als de arbeidsproductiviteit. De fractionele prijs is dus kleiner dan de totale productieprijs – d.w.z. de fractionele prijs vermenigvuldigd met de hoeveelheid geproduceerde fractionele prijzen [moet waarschijnlijk zijn: producten] is groter. Hadden we nu aangenomen dat de totale som van de werkdagen weliswaar relatief kleiner was dan in nr. I, maar in absolute cijfers groter, dan zou de zaak nog opvallender zijn. De winst van het grotere kapitaal dat met meer machines werkt, zou dus kleiner lijken dan die van het kleinere kapitaal dat met relatief of absoluut meer levende arbeid werkt, juist omdat de grotere winst op levende arbeid kleiner lijkt verdeeld over een totaal kapitaal, waarin de aangewende levende arbeid in een kleinere verhouding staat tot het totale kapitaal dan de kleinere winst op levende arbeid, die in een grotere verhouding staat tot het kleinere totale kapitaal. Maar het feit dat de verhouding in nr. II zodanig is dat meer materiaal kan worden verwerkt, en een groter deel van de waarde wordt geïnvesteerd in het arbeidsinstrumenten, is slechts de uitdrukking van de arbeidsproductiviteit.

Dit is dus de beroemde grap van de ongelukkige Bastiat, die zich er vast van overtuigd had – waarop de heer Proudhon hem niet wist te antwoorden – dat, omdat het winstpercentage op het grotere en productievere totale kapitaal kleiner lijkt, het aandeel van de arbeider groter is geworden, terwijl net omgekeerd zijn surplusarbeid groter is geworden.

Ricardo schijnt het ook niet begrepen te hebben, want anders zou hij de periodieke daling van de winst niet hebben verklaard uit de stijging van de lonen ten gevolge van de stijging van de graanprijzen (en dus van de rente). Maar in wezen is de meerwaarde – voor zover zij de basis is van de winst, maar ook te onderscheiden van de gewone zogenaamde winst – nooit ontwikkeld. De ongelukkige Bastiat zou in het gegeven geval gezegd hebben dat, aangezien in het eerste voorbeeld de winst 10 % is (d.w.z. 1/10), in het tweede slechts 3 1/3 %, d.w.z. 1/33 (laat het procentuele deel weg) [al deze berekeningen zijn onnauwkeurig], de arbeider krijgt 9/10 in het eerste geval, 32/33 in het tweede. In geen van beide gevallen is de verhouding juist, noch hun verhouding tot elkaar.

Wat nu de verdere verhouding van de nieuwe waarde van het kapitaal tot het kapitaal als indifferente totale waarde betreft (en zo kwam het kapitaal als zodanig ons in het begin voor, voordat wij ons in het productieproces begaven, en zo moet het ons aan het einde van het proces ook weer voorkomen), deze moet deels onder de noemer winst worden ontwikkeld, waarbij de nieuwe waarde een nieuw karakter krijgt, en deels onder de noemer accumulatie. Hier is het alleen nodig dat wij eerst de aard van de meerwaarde ontwikkelen als het equivalent van de absolute of relatieve arbeidstijd die door het kapitaal boven de noodzakelijke arbeidstijd aan het werk wordt gezet.

Dat het verbruik tijdens de productie van het deel van de waarde dat in het instrument bestaat, het productie-instrument helemaal niet te onderscheiden is van het materiaal – hier, waar alleen nog de vaststelling van de meerwaarde verklaard moet worden, de zelf-valorisatie – volgt uit het feit dat dit verbruik tot het eenvoudige productieproces behoort, dat daarom reeds hierin – opdat het de tijd [Fälligkeit] heeft om opnieuw te beginnen – de waarde van het verbruikte instrument (hetzij van de eenvoudige gebruikswaarde zelf, hetzij van de ruilwaarde, als de productie reeds tot de arbeidsdeling is overgegaan en althans het surplus wordt geruild) opnieuw moet worden gevonden in de waarde (ruilwaarde of gebruikswaarde) van het product. Het instrument verliest zijn gebruikswaarde in dezelfde mate waarin het bijdraagt tot de verhoging van de ruilwaarde van het materiaal en dient als arbeidsmiddel. Dit punt moet worden onderzocht, hoe dan ook, want het onderscheid tussen de onveranderde waarde als deel van het kapitaal dat behouden blijft, het andere dat gereproduceerd wordt (gereproduceerd voor het kapitaal; vanuit het standpunt van de reële arbeidsproductie: geproduceerd) en dat wat opnieuw wordt geproduceerd, dat is essentieel.

Het is nu tijd een eind te maken aan het probleem van de waarde die voortvloeit uit de vermeerdering van de productiviteit. We hebben gezien: dit creëert meerwaarde (niet slechts een grotere gebruikswaarde), net als met de absolute toename van de surplusarbeid. Als een bepaalde limiet gegeven is, bv. dat de arbeider maar een halve dag nodig heeft om voedsel voor een hele dag te produceren – de natuurlijke grens is bereikt die de arbeider [moet waarschijnlijk zijn: waarbinnen de arbeider] met een gegeven hoeveelheid arbeid een surplusarbeid levert, dan is een verlenging van de absolute arbeidstijd alleen mogelijk door de gelijktijdige inzet van meer arbeiders, de werkelijke arbeidsdag wordt tegelijkertijd vermenigvuldigd, in plaats van slechts verlengd – (de enkele arbeider kan volgens de vooronderstelling slechts 12 uur werken; wil men de surplustijd van 24 uur winnen, dan moeten er 2 arbeiders zijn). In dit geval moet het kapitaal, alvorens aan het proces van zelf-valorisatie te beginnen, in ruil met de arbeider 6 arbeidsuren meer kopen, d.w.z. het moet een groter deel van zichzelf afstaan; anderzijds moet het gemiddeld meer aan materiaal ter beschikking stellen om te werken (afgezien van het feit dat de overtollige arbeider aanwezig moet zijn, d.w.z. dat de beroepsbevolking moet zijn gegroeid). De mogelijkheid van het verdere valorisatieproces hangt hier dus af van een eerdere accumulatie van kapitaal (wat zijn materiële bestaan betreft). Groeit daarentegen de productiviteit en daardoor de relatieve surplustijd, dan – vanuit het huidige standpunt kan het kapitaal nog steeds worden beschouwd als een directe productie van voedsel, materiaal, enz. – zijn er minder uitgaven nodig voor de lonen, en wordt de uitbreiding van het materiaal door het valorisatieproces zelf tot stand gebracht. Maar deze kwestie heeft meer te maken met de accumulatie van kapitalen.

We komen nu op het punt waar we het laatst waren. Een toenemende productiviteit verhoogt de surpluswaarde, maar niet de absolute som van de ruilwaarden. Zij verhoogt de waarde omdat zij een nieuwe waarde als waarde schept, d.w.z. een waarde die niet louter een equivalent is, bestemd voor ruil, maar die zich als zodanig doet gelden; in één woord, meer geld. De vraag is: verhoogt het uiteindelijk het bedrag van de ruilwaarden? Au fond wordt dit toegegeven, want Ricardo geeft ook toe dat met de accumulatie van kapitalen de activa toenemen, en dus ook de geproduceerde ruilwaarden. De toename van activa betekent niets anders dan de groei van zelfstandige waarden – geld. Maar Ricardo’s betoog is in tegenspraak met zijn eigen bewering.

Ons oude voorbeeld. 100 taler kapitaal; 60 taler onveranderde waarde; 40 loon; productie 80; dus product = 140.

{Hieruit blijkt weer dat de surpluswaarde op het gehele kapitaal = de helft van de nieuw geproduceerde waarde, omdat de helft ervan = de noodzakelijke arbeid. De verhouding van deze meerwaarde, die altijd gelijk is aan de surplustijd, dus = het totale product van de arbeider min het deel dat zijn loon uitmaakt, hangt af van 1. de verhouding die het onveranderde deel van het kapitaal aanneemt tot het productieve; 2. die de noodzakelijke arbeidstijd aanneemt tot de surplustijd. In het bovenstaande geval is 100 % de verhouding van de surplustijd tot de noodzakelijke; en maakt 40 % op het kapitaal van 100; dus 3. dat het verder afhangt, niet alleen van het verband dat hierboven in 2 is gegeven, maar ook van de absolute omvang van de noodzakelijke arbeidstijd. Indien het onveranderde deel van het kapitaal van 100 80 zou zijn, dan zou dat wat geruild wordt tegen de noodzakelijke arbeid = 20 zijn, en indien dit 100 % surplustijd oplevert, zou de winst van het kapitaal 20 % zijn. Maar als het kapitaal = 200 met dezelfde verhouding van het constante en het variabele deel [Marx gebruikt hier voor het eerst in dit manuscript de termen “constant” en “variabel” kapitaal voor de twee wezenlijk verschillende delen van het kapitaal] (namelijk 3/5 tegen 2/5), zou de som 280 zijn, dus 40 tegen 100. In dit geval zou het absolute winstcijfer stijgen van 40 tot 80, maar de verhouding zou 40 % blijven. Indien echter van de 200 het constante element 120 zou bedragen en de hoeveelheid noodzakelijke arbeid 80, maar deze laatste slechts met 10 %, d.w.z. 8, zou toenemen, dan zou de totale som = 208 zijn, d.w.z. een winst van 4 %; indien deze slechts met 5 zou toenemen, dan zou de totale som 205 zijn, d.w.z. 2 1/2 %.}

Deze 40 surpluswaarde is absolute arbeidstijd.

Stel nu dat de productiviteit verdubbelt: de arbeider zou dus, als een loon van 40 8 uur noodzakelijke arbeid geeft [Marx ging er eerst van uit dat de werkdag = 8 uur, nu stelt hij hem = 12 uur], kan hij nu in 4 uur een hele dag levende arbeid geven. De surplustijd zou dan toenemen (vroeger 2/3 dag om een hele te produceren, nu 1/3 dag). 2/3 van het product van de werkdag zou meerwaarde zijn, en als het uur noodzakelijke arbeid = 5 taler (5 × 8 = 40), dan zou hij nu slechts 5 × 4 = 20 taler nodig hebben. Voor het kapitaal dus een surplusgewin van 20, d.w.z. 60 in plaats van 40. Aan het eind 140, waarvan 60 = de constante waarde, 20 = het loon en 60 = het meergewin; samen 140. De kapitalist kan dan opnieuw beginnen te produceren met 80 taler kapitaal:
Laat kapitalist A in hetzelfde stadium van de oude productie zijn kapitaal van 140 in de nieuwe productie investeren. Volgens de oorspronkelijke verhoudingen heeft hij 3/5 nodig voor het onveranderlijke deel van het kapitaal, d.w.z. 3 × 140/5 = 3 × 28 = 84, zodat er 56 overblijft voor de noodzakelijke arbeid. Voordien besteedde hij 40 aan arbeid, nu 56; 2/5 van 40 bovendien. Dan is zijn kapitaal aan het eind = 84 + 56 + 56 = 196.

Kapitalist B in het hogere productiestadium zou op dezelfde wijze zijn 140 taler voor nieuwe productie gebruiken. Als hij van een kapitaal van 80 er 60 nodig heeft voor onveranderlijke waarde en slechts 20 voor arbeid, dan heeft hij van een kapitaal van 60 er 45 nodig voor onveranderlijke waarde en 15 voor arbeid; het totaal zou dus zijn = 60 + 20 + 20 = 100 in de eerste en in de tweede, 45 + 15 + 15 = 75. Zijn totale opbrengst is dus 175, terwijl die van de eerste = 196. [Marx laat hier de vooronderstelling vallen dat kapitalist B produceert bij verdubbelde arbeidsproductiviteit. Volgens de oorspronkelijke premisse zou de berekening moeten luiden: “dus de som zou zijn = 1: 60 + 20 + 60= 140 en 2: 45 + 15 + 45 = 105”.] De toename van de arbeidsproductiviteit betekent niets anders dan dat hetzelfde kapitaal dezelfde waarde creëert met minder arbeid, of dat minder arbeid hetzelfde product creëert met meer kapitaal. Minder noodzakelijke arbeid levert meer surplusarbeid. Die noodzakelijke arbeid is kleiner in verhouding tot het kapitaal, want zijn valorisatieproces is klaarblijkelijk hetzelfde als: het kapitaal is naar verhouding groter dan de noodzakelijke arbeid die het in beweging zet; want hetzelfde kapitaal brengt meer surplusarbeid in beweging, dus minder noodzakelijke arbeid. Indien men, zoals in ons geval, aanneemt dat het kapitaal gelijk blijft, d.w.z. dat beiden opnieuw beginnen met 140 taler, dan moet in het geval van het meer productieve het grootste deel ten laste komen van het kapitaal (namelijk het onveranderlijke deel ervan), en in het geval van het minder productieve het grootste deel ten laste komen van de arbeid. Het eerste kapitaal van 140 zet dus noodzakelijke arbeid in beweging van 56, en deze noodzakelijke arbeid neemt voor zijn proces een onveranderlijk deel van het kapitaal aan van 84. Het tweede zet arbeid in beweging van 20 + 15 = 35, en onveranderlijk kapitaal 60 + 45 = 105 (en uit wat eerder werd ontwikkeld volgt ook dat de toename van de productiviteit de waarde niet in dezelfde mate doet toenemen als zij zelf toeneemt).}

{In het eerste geval is, zoals reeds aangetoond, de absolute nieuwe waarde groter dan in het tweede, omdat de massa aangewende arbeid groter is in verhouding tot de onveranderlijke; terwijl zij in het tweede geval kleiner is, juist omdat de arbeid productiever is. 1. Alleen al het verschil dat de nieuwe waarde in het eerste geval slechts 40 en in het tweede 60 bedroeg, sluit uit dat het eerste met hetzelfde kapitaal als het tweede opnieuw met de productie kan beginnen; want aan beide zijden moet een deel van de nieuwe waarde als equivalent in circulatie worden gebracht, opdat de kapitalist kan leven, en wel van het kapitaal. Indien beiden 20 taler verbruiken, begint de eerste de nieuwe arbeid met 120 kapitaal, de andere eveneens met 120, enz. Zie boven. Om op dit geheel nog eens terug te komen; maar de vraag, hoe de nieuwe waarde, die door de grotere productiviteit wordt geschapen, zich verhoudt tot de nieuwe waarde, die door de absoluut toegenomen arbeid wordt geschapen, behoort tot het hoofdstuk over accumulatie en winst}.

Daarom wordt ook van machines gezegd dat zij arbeid besparen; de besparing van arbeid alleen is echter, zoals Lauderdale terecht heeft opgemerkt, niet het kenmerkende; want met behulp van machines doet en schept de menselijke arbeid dingen die zij zonder die machine absoluut niet zou kunnen scheppen. Het laatste heeft betrekking op de gebruikswaarde van machines. De besparing van noodzakelijke arbeid en het scheppen van surplusarbeid is het kenmerk. De grotere productiviteit van de arbeid komt tot uiting in het feit dat het kapitaal minder noodzakelijke arbeid moet kopen om dezelfde waarde en een grotere hoeveelheid gebruikswaarden te creëren, of dat minder noodzakelijke arbeid dezelfde ruilwaarde creëert, meer materiaal valoriseert en een grotere massa gebruikswaarden creëert. De groei van de productiviteit veronderstelt dus, bij een gelijkblijvende totale waarde van het kapitaal, dat het constante deel ervan (bestaande uit materiaal en machines) evenredig toeneemt met het variabele, d.w.z. met dat deel ervan dat zich ruilt met de levende arbeid en dat het fonds vormt voor het arbeeidsloon. Tegelijk blijkt dat een kleinere hoeveelheid arbeid een grotere hoeveelheid kapitaal in beweging brengt. Indien de totale waarde van het kapitaal, ingebracht in het productieproces, toeneemt, moet het arbeidsfonds (dit variabele deel van het kapitaal) relatief in verhouding afnemen, als de arbeidsproductiviteit, d.w.z. de verhouding tussen de noodzakelijke arbeid en de surplusarbeid, gelijk is gebleven.

Laten we in het bovenstaande geval aannemen dat het kapitaal 100, een landbouwkapitaal is. 40 taler zaaigoed, mest enz., 20 taler arbeidsinstrument en 40 taler loonarbeid op de oude wijze van produceren (stel dat deze 40 taler = 4 noodzakelijke arbeidsdagen). Deze vormen een som van 140 op de oude wijze van produceren. Verhoog de vruchtbaarheid dubbel, hetzij door verbetering van het instrument, hetzij door betere mest, enz. In dit geval moet het product = 140 taler zijn (in de veronderstelling dat het instrument volledig wordt verbruikt). De vruchtbaarheid verdubbelt, zodat de prijs van de noodzakelijke werkdag met de helft daalt, of dat slechts 4 halve noodzakelijke werkdagen (d.w.z. 2 hele) nodig zijn om 8 te produceren, 2 werkdagen om 8 te produceren is hetzelfde als wanneer 1/4 van elke werkdag (3 uur) nodig is voor de noodzakelijke arbeid. In plaats van 40 taler heeft de pachter nu nog maar 20 te besteden aan arbeid. Aan het einde van het proces zijn de bestanddelen van het kapitaal dus veranderd; van de oorspronkelijke 40 in zaden enz., die nu een dubbele gebruikswaarde hebben; 20 arbeidsinstrumenten en 20 arbeid (2 hele dagen arbeid). Vroeger was de verhouding tussen het constante en het variabele deel van het kapitaal = 60 : 40 = 3 : 2; nu = 80 : 20 of = 4 : 1. Of, als wij het gehele kapitaal beschouwen, de noodzakelijke arbeid = 2/5; nu 1/5. Als de pachter de arbeid in de vroegere verhouding wil blijven gebruiken, met hoeveel moet zijn kapitaal dan groeien? Of, om de kwalijke veronderstelling te vermijden dat hij blijft werken met 60 constant kapitaal en 40 arbeidsfonds – na de verdubbeling van de productiviteit, waardoor verkeerde verhoudingen ontstaan {ook al is dit volkomen juist, bv. voor de pachter, wanneer de seizoenen de productiviteit verdubbelen, en juist voor iedere industrieel, als de productiviteit verdubbelt, niet in zijn tak, maar in de tak waarvan hij de output gebruikt; d.w.z. als bv. ruwe katoen 50 % minder kost en graan (d.w.z. de lonen) en het instrument net zo; hij zou dan net als voorheen 40 taler voor ruwe katoen uitgeven, maar tweemaal de hoeveelheid, 20 voor machines, 40 voor arbeid}; want men neemt aan dat het kapitaal, ondanks de verdubbelde productiviteit, het kapitaal met dezelfde samenstellende delen is blijven werken, dezelfde hoeveelheid noodzakelijke arbeid bleef aanwenden zonder meer uit te geven aan materiaal en arbeidsinstrument; {Stel dat alleen het katoen in productiviteit verdubbeld is, het machinepark is hetzelfde gebleven, dus – dit is nader te onderzoeken); de productiviteit is dus verdubbeld, zodat, indien hij vroeger 40 taler aan arbeid had moeten besteden, hij thans nog slechts 20 taler nodig heeft.

(Als men aanneemt dat 4 hele werkdagen nodig waren – elk = 10 taler om voor hem een surplus van 4 hele werkdagen te creëren, en dit surplus wordt hem verschaft door de verandering van 40 taler katoen in garen, dan heeft hij nu slechts 2 hele werkdagen nodig om dezelfde waarde te creëren – namelijk 8 arbeidsdagen; de waarde van het garen drukte vroeger een surplustijd uit van 4 werkdagen, nu van 6.) Of elk van de arbeiders had vroeger 6 uur noodzakelijke arbeidstijd nodig voor 12; nu 3. De noodzakelijke arbeidstijd was 12 x 4 = 48 [uren] of 4 dagen. In elk van deze dagen is de surplustijd = 1/2 dag (6 uur). Het [de noodzakelijke arbeidstijd] is nu 12 x 2 = 24 [uren] of 2 dagen; 3 uren [in dagen]. Om surpluswaarde op te brengen, moest elk van de 4 arbeiders 6 x 2 uur werken, d.w.z. 1 dag; nu hoeft hij nog maar 3 x 2 te werken, d.w.z. 1/2 dag. Of 4 een halve dag of 2 een hele dag werken, is hetzelfde. De kapitalist zou 2 arbeiders kunnen ontslaan. Hij zou hen zelfs moeten ontslaan, omdat hij van een bepaalde hoeveelheid katoen maar een bepaalde hoeveelheid garen kan maken; dat wil zeggen, hij kan hen niet langer 4 hele dagen laten werken, maar slechts 4 halve dagen. Maar als de arbeider 12 uur moet werken voor 3 uur, d.w.z. zijn noodzakelijke loon, dan zal hij, als hij 6 uur werkt, slechts 1 1/2 uur ruilwaarde ontvangen. Maar als hij kan leven met 3 noodzakelijke arbeidsuren op 12, kan hij leven met 1 1/2 slechts 6. Elk van de 4 arbeiders zou dus, wanneer ze alle 4 ingezet worden, slechts een halve dag kunnen leven, d.w.z. ze kunnen niet alle 4 als arbeiders in leven worden gehouden door hetzelfde kapitaal, maar slechts 2. De kapitalist kon met het oude fonds er 4 betalen voor 4 halve dagen arbeid; dan betaalde hij er 2 te veel en geeft hij de arbeiders een cadeau dankzij de produktiekracht; hij kan immers slechts 4 halve dagen levende arbeid gebruiken; dergelijke “mogelijkheden” komen in de praktijk niet voor, en nog minder kan er hier sprake van zijn, waar het om de kapitaalverhouding als zodanig gaat).

20 taler van het kapitaal van 100 worden niet direct in de productie gebruikt. De kapitalist besteedt nog steeds 40 taler aan materiaal, 20 aan instrumenten, dus 60, maar slechts 20 taler aan arbeid (2 arbeidsdagen). Van het gehele kapitaal van 80 besteedt hij 3/4 (60) aan het constante deel en slechts 1/4 aan arbeid. Als hij dan de resterende 20 op dezelfde wijze gebruikt, is 3/4 voor constant kapitaal, 1/4 voor arbeid; d.w.z. 15 voor het eerste, 5 voor het tweede. Aangezien wordt verondersteld dat een werkdag = 10 taler, zou 5 slechts = 6 uur = 1/2 werkdag. Het kapitaal zou slechts 1/2 werkdag meer kunnen kopen met de nieuwe waarde van 20, verkregen door productiviteit, om zichzelf in dezelfde verhouding te valoriseren. Het zou moeten verdrievoudigen (namelijk 60) (samen met de 20, 80) om de 2 ontslagen arbeiders of de 2 vroeger volledig aangewende arbeidsdagen te gebruiken. Volgens de nieuwe verhouding gebruikt het kapitaal 3/4 van het constante kapitaal om 1/4 van het arbeidsfonds te gebruiken.

Dus als 20 het gehele kapitaal is, dan is 3/4 d.w.z. 15 constant en 1/4 arbeid (d.w.z. 5) = 1/2 werkdag.

Met een heel kapitaal van 4 × 20, dus 4 × 15 = 60 constant, dus 4 × 5 = 20 loon = 4/2 werkdagen = 2 werkdagen.

Indien dus de productiviteit van de arbeid verdubbelt, zodat een kapitaal van 60 taler, aan materiaal en instrument, nog slechts 20 taler arbeid (2 werkdagen) nodig heeft voor de valorisatie ervan, waar het vroeger 100 nodig had [totaal kapitaal], dan zou het totaal kapitaal moeten toenemen van 100 tot 160, of het kapitaal van 80 dat nu moet worden verhandeld, zou moeten verdubbelen om alle arbeidskrachten die uit het arbeidsproces zijn gegaan, te behouden. Maar door de verdubbeling van de productiviteit wordt slechts een nieuw kapitaal gevormd van 20 taler = 1/2 van de vroeger aangewende arbeidstijd; en dit is maar voldoende om 1/2 werkdag meer te gebruiken. Het kapitaal, dat vóór de verdubbeling van de productiviteit 100 was en 4 werkdagen gebruikte (in de veronderstelling dat 2/5 = 40 arbeidsfonds), zou nu, omdat het arbeidsfonds tot 1/5 van 100 is gedaald, moeten stijgen tot 20 = 2 werkdagen (tot 1/4 van 80, het kapitaal dat nieuw in het valorisatieproces komt), tot 160, met 60 %, om nog 4 werkdagen te kunnen gebruiken zoals voorheen. Met de 20 taler, aan het arbeidsfonds onttrokken ten gevolge van de toename van de productiviteit, kan hij nu slechts 1/2 werkdag opnieuw gebruiken, als men met het gehele oude kapitaal als voorheen wil blijven werken. Met 100 had het vroeger 16/4 (4 dagen) werkdagen; nu kan het nog slechts 10/4 gebruiken. Als dus de productiviteit verdubbelt, moet het kapitaal zich niet verdubbelen om dezelfde noodzakelijke arbeid, 4 werkdagen, in beweging te brengen, d.w.z. niet tot 200 toenemen, maar moet het slechts groeien met het geheel minus het aan het arbeidsfonds onttrokken deel. (100 – 20 = 80) x 2 = 160.

(Daarentegen had het eerste kapitaal, vóór de toename van de productiviteit, dat 100 uitgaf, 60 constant, 40 arbeidsloon (4 arbeidsdagen), om 2 dagen meer aan te wenden, het slechts nodig om van 100 tot 150 te groeien; namelijk 3/5 constant kapitaal (30) en 2/5 arbeidsfonds (20). Overwegende dat, indien in beide gevallen de [totale] arbeidsdag met 2 dagen zou toenemen, het tweede uiteindelijk 160 zou bedragen; het eerste slechts 150). Van het deel van het kapitaal dat aan het arbeidsfonds wordt onttrokken ten gevolge van de groei van de productiviteit, moet een deel weer worden omgezet in materiaal en instrument, een ander deel wordt geruild tegen levende arbeid; dit kan alleen gebeuren in de verhoudingen tussen de verschillende delen gesteld door de nieuwe productiviteit. Het kan niet meer in de oude verhouding gebeuren, want de verhouding van het arbeidsfonds tot het constante fonds is gedaald. Indien het kapitaal van 100 voor 2/5 als arbeidsfonds werd aangewend (40), en ten gevolge van de verdubbeling van de productiviteit nog maar voor 1/5 (20), dan is 1/5 van het kapitaal vrij geworden (20 taler); het gebruikte deel 80 wordt slechts voor 1/4 als arbeidsfonds aangewend. Dus ook de 20 geven maar 5 taler uit (1/2 werkdag). Het hele kapitaal van 100 gebruikt nu dus 2 1/2 werkdag; of het zou moeten groeien tot 160 om er weer 4 te gebruiken.

Als het oorspronkelijke kapitaal 1.000 was geweest, en op dezelfde wijze verdeeld: 3/5 constant kapitaal, 2/5 arbeidsfonds, dan 600 + 400 (laat 400 gelijk zijn aan 40 werkdagen; elke werkdag = 10 taler). Verdubbelt men nu de arbeidsproductiviteit, d.w.z. dat slechts 20 werkdagen nodig zijn voor hetzelfde product (= 200 taler), dan zou het kapitaal, dat nodig is om de productie opnieuw te beginnen, = 800 zijn; dat is 600 + 200; 200 taler zou vrijgekomen zijn. Als deze in dezelfde verhouding worden gebruikt, dan is 3/4 constant kapitaal = 150 en 1/4 arbeidsfonds = 50. Als dus de 1.000 taler volledig worden aangewend, dan is 750 constant + 250 arbeidsfonds = 1.000 taler. Maar 250 arbeidsfonds zou = 25 werkdagen zijn (d.w.z. het nieuwe fonds kan de arbeidstijd slechts toepassen in de nieuwe verhouding, d.w.z. 1/4; om de gehele vroegere arbeidstijd toe te passen, zou het moeten verviervoudigen). Het vrijgemaakte kapitaal van 200 werd omgezet in een arbeidsfonds van 50 = 5 werkdagen (1/4 van de vrijgemaakte arbeidstijd). (Het deel van het arbeidsfonds dat van het kapitaal is losgemaakt, wordt zelf alleen als kapitaal toegepast op 1/4 arbeidsfonds; d.w.z. alleen in de verhouding waarin het deel van het nieuwe kapitaal dat het arbeidsfonds is, staat tot de totale som van het kapitaal). Om 20 werkdagen (4 x 5 werkdagen) aan te wenden, zou dit fonds dus moeten groeien van 50 naar 4 x 50 = 200; het vrijgekomen deel van 200 zou dus moeten toenemen tot 600, d.w.z. verdrievoudigen; zodat het totale nieuwe kapitaal 800 zou bedragen. Dus het totale kapitaal is 1.600; hiervan 1200 als constant, en 400 arbeidsfonds. Indien dus een kapitaal van 1.000 oorspronkelijk een arbeidsfonds bevatte van 400 (40 werkdagen), en het nu, ten gevolge van een verdubbeling van de productiviteit, een arbeidsfonds van slechts 200 moet aanwenden om de nodige arbeidskrachten te kopen, d.w.z. slechts de helft van de vroegere arbeid; dan zou het kapitaal met 600 moeten toenemen om alle vroegere arbeid in haar geheel aan te wenden (om een zelfde hoeveelheid surplustijd te hebben). Het zou het dubbele van het arbeidsfonds moeten kunnen aanwenden, namelijk 2 x 200 = 400; maar aangezien de verhouding van het arbeidsfonds tot het totale kapitaal nu = 1/4, zou hiervoor een totaal kapitaal van 4 x 400 = 1.600 nodig zijn.

{Het totale kapitaal dat nodig zou zijn om de oude arbeidstijd aan te wenden is dus = het oude arbeidsfonds vermenigvuldigd met de noemer van de breuk die nu de verhouding uitdrukt van het arbeidsfonds tot het nieuwe totale kapitaal. Als de verdubbeling van de productiviteit dit tot 1/4 heeft verminderd, vermenigvuldigt men met 4; indien tot 1/3, vermenigvuldigt men met 3. Is de productiviteit verdubbeld, dan is de noodzakelijke arbeid, en dus het arbeidsfonds, verminderd tot 1/2 van zijn vroegere waarde; dit is 1/4 ten opzichte van het nieuwe totale kapitaal van 800, of 1/5 ten opzichte van het oude totale kapitaal van 1.000. Of het nieuwe totale kapitaal is = 2 x het oude kapitaal minus het vrijgekomen deel van het arbeidsfonds (1.000 – 200) x 2 = (800) x 2 = 1.600. Het nieuwe totale kapitaal drukt precies de totale som uit van het constante en variabele kapitaal dat nodig is om de helft van de oude arbeidstijd aan te wenden (1/3, 1/4, enz. 1/x afhankelijk van hoe de productiviteit is toegenomen 3 x, 4 x, X x); 2 x dus het kapitaal om het volledig aan te wenden (of 3 x, 4 x, X x, enz.), afhankelijk van de verhouding waarin de productiviteit is toegenomen). Wat hier altijd (technologisch) gegeven is, is de oorspronkelijke verhouding van de delen van het kapitaal tot elkaar; hiervan hangt bijvoorbeeld af in welke fracties de vermenigvuldiging van de productiviteit wordt uitgedrukt als een verdeling van de noodzakelijke arbeid}.

Of het is, wat hetzelfde is, = 2 x het nieuwe kapitaal, dat als gevolg van de nieuwe productiviteit de plaats van het oude in de productie inneemt (800 x 2) (de productiviteit zou dus verviervoudigd zijn, vervijfvoudigd, enz. = 4 x, 5 x het nieuwe kapitaal, enz.) Als de productiviteit is verdubbeld, is de noodzakelijke arbeid tot 1/2 verminderd, evenals het arbeidsfonds. Als het dan, zoals in het bovenstaande geval, 1.000 bedroeg ... 400, d.w.z. 2/5 van het totale kapitaal, is het nu 1/5 of 200. Het deel waarmee het is verminderd, is het vrijgekomen deel van het arbeidsfonds = 1/5 van het oude kapitaal = 200. 1/5 van het oude = 1/4 van het nieuwe. Het nieuwe kapitaal = het oude + 3/5 van hetzelfde. Later meer over deze gevoeligheden [Pimpeleien], enz.).

Uitgaande van dezelfde oorspronkelijke verhoudingen tussen de delen van het kapitaal en eenzelfde toename van de productiviteit, maakt de grootte of kleinheid van het kapitaal niets uit, wat de algemene stellingen betreft. Een heel andere vraag is of, wanneer het kapitaal vergroot, de verhoudingen dezelfde blijven (maar dit behoort tot de accumulatie). Maar dit voorondersteld, zien we hoe de toename van de productiviteit de verhoudingen in de bestanddelen van het kapitaal verandert. Indien in beide gevallen 3/5 oorspronkelijk constant was en 2/5 arbeidsfonds, dan werkt de verdubbeling van de productiviteit op dezelfde wijze op een kapitaal van 100 als op dat van 1.000. (Het woord arbeidsfonds wordt hier slechts gemakshalve gebruikt; wij hebben het kapitaal nog niet in deze definitie ontwikkeld. Tot nu toe twee delen; het ene geruild tegen waren (materiaal en instrument), het andere tegen arbeidsvermogen). (Het nieuwe kapitaal – d.w.z. dat deel van het oude kapitaal dat zijn functie vertegenwoordigt, is = het oude minus het vrijgemaakte deel van het arbeidsfonds; maar dit vrijgemaakte deel = de fractie die de noodzakelijke arbeid uitdrukt (of wat hetzelfde is, het arbeidsfonds), gedeeld door de multiplicator van de productiviteit. Als dus het oude kapitaal = 1.000 en de fractie die de noodzakelijke arbeid of het arbeidsfonds uitdrukt = 2/5, en als de productiviteit verdubbelt, dan is het nieuwe kapitaal dat de functie van het oude vertegenwoordigt = 800, d.w.z. 2/5 van het oude kapitaal = 400; dit gedeeld door 2, de multiplicator van de productiviteit = 2/10 = 1/5 = 200. Dan is het nieuwe kapitaal = 800 en het vrijgemaakte deel van het arbeidsfonds = 200).

We hebben gezien dat onder deze verhoudingen een kapitaal van 100 taler moet groeien tot 160, en een van 1.000 tot 1.600, voor dezelfde arbeidstijd (van 4 of 40 werkdagen), enz.; beide moeten groeien met 60 %, d.w.z. 3/5 van zichzelf (van het oude kapitaal), om het vrijgekomen 1/5 (in het eerste geval 20 taler, in het tweede 200) – het vrijgekomen arbeidsfonds – als zodanig weer te kunnen gebruiken.

{Nota bene. Eerder zagen wij hoe hetzelfde percentage op het totale kapitaal zeer verschillende verhoudingen kan uitdrukken waarin het kapitaal zijn meerwaarde realiseert, d.w.z. surplusarbeid, relatief of absoluut. Indien de verhouding tussen het onveranderlijke deel van de waarde van het kapitaal en het veranderlijke deel (geruild tegen arbeid) zodanig zou zijn dat dit laatste = 1/2 van het totale kapitaal (d.w.z. kapitaal 100 = 50 (constant) + 50 (veranderlijk)), zou het tegen arbeid geruilde deel slechts met 50 % moeten toenemen om 25 % aan kapitaal te geven; namelijk 50 + 50 (+ 25) = 125; terwijl in het bovenstaande voorbeeld 75 + 25 (+ 25) = 125; dat wil zeggen dat het deel dat wordt geruild tegen levende arbeid met 100 % wordt verhoogd om 25 aan kapitaal te geven. Hier zien we dat, als de verhoudingen gelijk blijven, hetzelfde percentage op het totale kapitaal van toepassing is, hoe groot of klein het ook is; d.w.z. als de verhouding van het arbeidsfonds tot het totale kapitaal gelijk blijft; dus, hierboven, 1/4. Namelijk: 100 geeft 125, 80 geeft 100, 1.000 geeft 1250, 800 geeft 1.000, 1.600 geeft 2.000 enz., altijd = 25 %. Indien kapitalen, waarin de bestanddelen in verschillende verhoudingen staan, dus ook de productiviteit, dezelfde percentages geven op het gehele kapitaal, moet de werkelijke meerwaarde in de verschillende takken zeer verschillend zijn.}

(Het voorbeeld is correct, de productiviteit vergeleken onder dezelfde omstandigheden met hetzelfde kapitaal vóór het stijgen van de productiviteit. Laat een kapitaal van 100 een constante waarde van 50 aanwenden, het arbeidsfonds = 50. Het fonds neemt toe met 50 %, dus 1/2; dus het totale product = 125. Het arbeidsfonds van 50 taler is 10 werkdagen, 5 taler voor een dag. Daar de nieuwe waarde 1/2 is, moet de surplustijd = 5 arbeidsdagen zijn; d.w.z. de arbeider, die slechts 10 arbeidsdagen moest werken om 15 te leven, moet voor de kapitalist er 15 werken om 15 te leven; en zijn surplusarbeid van 5 dagen vormt de meerwaarde van het kapitaal. Uitgedrukt in uren, als de werkdag = 12 uur, dan is de surplusarbeid = 6 uur per dag. In 10 dagen of 120 uur werkt de arbeider dus 60 uur = 5 dagen te veel. Nu echter, met de verdubbeling van de productiviteit, zou de verhouding van de 100 taler 75 en 25 zijn, d.w.z. hetzelfde kapitaal moet maar 5 arbeiders in dienst te hebben om dezelfde waarde van 125 te hebben; dus de 5 werkdagen = 10; verdubbeld; d.w.z. 5 werkdagen betaald, 10 geproduceerd. De arbeider hoefde slechts 5 dagen te werken om 10 te leven (vóór de verhoging van de productiviteit moest hij 10 werken om 15 te leven; dus als hij 5 werkte, kon hij slechts 7 1/2 leven); maar hij moet 10 werken voor de kapitalist om 10 te leven; deze laatste profiteert dus 5 dagen; 1 dag per dag; of, uitgedrukt per dag, vroeger moest hij 1/2 werken om 1 te leven (d.w.z. 6 uur om 12 te leven); nu hoefde hij slechts 1/4 te werken om 1 te leven (d.w.z. 3 uur). Als hij een hele dag werkte, kon hij 2 leven; als hij 12 uur werkte, 24; als hij 6 uur werkte, 12 uur. Maar hij moet nu 12 uur werken om 12 uur te leven. Hij hoefde maar 1/2 te werken om 1 te leven; maar hij moet 2 x 1/2 = 1 werken om 1 te leven. In de oude toestand van productiviteit moest hij 10 dagen werken om 15 te leven, of 12 uren om 18 te leven; of 1 uur om 1 1/2 te leven, of 8 uren om 12 te leven, d.w.z. 2/3 dag om 3/3 te leven. Maar hij moet 3/3 werken om 3/3 te leven, d.w.z. 1/3 te veel. De verdubbeling van de productiviteit verhoogt de verhouding van de surplustijd van 1 : 1 1/2 (d.w.z. 50 %) tot 1 : 2 (d.w.z. 100 %). [Met verdubbeling van de productiviteit bedoelt Marx hier de verdubbeling van het percentage van de meerwaardevoet van 50 % tot 100 %, niet, zoals elders, de verdubbeling van de in dezelfde tijd geproduceerde gebruikswaarden.] In de vroegere arbeidstijdverhouding: had hij 8 nodig om 12 te leven, d.w.z. 2/3 van de hele dag was noodzakelijke arbeid; nu heeft hij nog maar 1/2 nodig, d.w.z. 6, om 12 te leven. Daarom heeft het kapitaal nu 5 arbeiders in plaats van 10 in dienst. Als de 10 (die 50 kosten) voorheen 75 produceerde, dan nu 25, 50; d.w.z. de eerste 50 %, de tweede 100. De arbeiders werken nog steeds 12 uur; maar in het eerste geval kocht het kapitaal 10 arbeidsdagen, nu nog maar 5; omdat de productiviteit verdubbeld is, leveren de 5 – 5 surplusarbeidsdagen; omdat in het eerste geval 10 arbeidsdagen slechts 5 surplusarbeidsdagen geven; nu is de productiviteit verdubbeld, d.w.z. gestegen van 50 % tot 100 % – 5 [arbeidsdagen] 5; in het eerste geval leveren 120 arbeidsdagen (= 10 arbeidsdagen) 180, in het tweede 60 [arbeidsdagen] 60; d.w.z. in het eerste geval is de surplustijd op de hele dag 1/3 (op de noodzakelijke arbeidstijd 50 %); (d.w.z. op 12 uur 4; de noodzakelijke tijd 8); in het tweede geval is de surplustijd op de hele dag 1/2 (op de noodzakelijke arbeidstijd 100 %) (d.w.z. op 12 uur 6; de noodzakelijke tijd 6); derhalve gaven de 10 dagen in het eerste geval 5 dagen surplustijd (-arbeid), en in het tweede geven de 5, 5. (De relatieve surplustijd is dus verdubbeld; ten opzichte van de eerste verhouding is deze slechts met 1/2 tegen 1/3 gegroeid; d.w.z. met 1/6, d.w.z. met 16 4/6 %.)}


Constant
        Variabel
100     60     +         40 (oorspronkelijke verhouding)
100 75 +         25 (+ 25) = 125 (25 %)
160 120 +         40 (+ 40) = 200 (25 %)

Aangezien de surplusarbeid of surplustijd de voorwaarde is voor het kapitaal, is het dus gebaseerd op het uitgangspunt dat er een surplus is aan arbeidstijd, nodig voor het behoud en de reproductie van het individu; dat het individu bv. maar 6 uur moet werken om één dag te leven, of 1 dag om 2 dagen te leven, enz. Met de ontwikkeling van de productiviteit neemt de noodzakelijke arbeidstijd af en dus de surplustijd toe. Of ook, dat één persoon voor twee kan werken, enz.

(“Rijkdom is beschikbare tijd en niets meer, [p. 6] ... Indien al de arbeid van een land toereikend zou zijn om in het onderhoud van de gehele bevolking te voorzien, zou er geen meerarbeid zijn, bijgevolg niets dat als kapitaal kan geaccumuleerd worden, [p. 4] ... Een natie is echt rijk als er geen rente is of als mensen 6 uur werken in plaats van 12. [p. 6.] ... Wat de kapitalist ook toekomt, hij kan alleen de meerarbeid van de arbeider ontvangen; want de arbeider moet leven.” (The source and remedy of the national difficulties) (pp. 27, 28.)

Eigendom. Oorsprong van de arbeidsproductiviteit.

“Als men slechts genoeg kan produceren voor één, is iedereen arbeider; er kan geen eigendom zijn. Als de arbeid van één man er vijf kan onderhouden, zullen er vier werklozen zijn voor één die in de productie werkt. Eigendom groeit uit de verbetering van de wijze van productie ... De toename van eigendom, die grotere capaciteit om werklozen en onproductieve industrie in stand te houden = kapitaal ... De machine zelf kan zelden met succes worden gebruikt om de inspanningen van een individu te beperken; er zou meer tijd verloren gaan aan de constructie ervan dan door het gebruik ervan zou kunnen worden bespaard. Het is pas echt nuttig wanneer het op grote schaal werkt, wanneer een enkele machine de arbeid van duizenden kan ondersteunen. Het is dan ook altijd het talrijkst in de dichtstbevolkte landen, waar de meeste inactieven wonen. Het wordt niet in bedrijf genomen wegens gebrek aan mensen, maar als een mogelijkheid tot concentratie ... Niet 1/4 van de Engelse bevolking levert alles wat door iedereen wordt geconsumeerd. Onder Willem de Veroveraar, bv., was het aantal direct betrokkenen bij de productie veel groter dan bij de inactieven.” (Ravenstone. IX, 32.)

Enerzijds creëert kapitaal de surplusarbeid, anderzijds is de surplusarbeid evenzeer een voorwaarde voor het bestaan van kapitaal. De hele ontwikkeling van rijkdom is gebaseerd op de creatie van beschikbare tijd. De verhouding tussen noodzakelijke arbeidstijd en overbodige arbeidstijd (zo is het in de eerste plaats vanuit het standpunt van noodzakelijke arbeid) verandert in de verschillende ontwikkelingsstadia van de productiviteit. In de minder productieve stadia van het ruilverkeer ruilen de mensen niets meer dan hun overbodige arbeidstijd; dit is de maatstaf van hun ruil, die zich dus alleen uitstrekt tot de overbodige producten. In een productie die op kapitaal berust, is het bestaan van noodzakelijke arbeidstijd afhankelijk van het ontstaan van overbodige arbeidstijd. In de laagste productiestadia worden er in de eerste plaats nog maar weinig menselijke behoeften geproduceerd, en dus ook maar weinig bevredigd. De noodzakelijke arbeidstijd is dus beperkt, niet omdat arbeid productief is, maar omdat weinig nodig is; en ten tweede bestaat er in alle stadia van de productie een zekere gemeenschappelijkheid van arbeid, een maatschappelijk karakter van de arbeid, enz. Later ontwikkelt zich de maatschappelijke productiviteit, enz. (Hierop terugkomen.)

Surplustijd is het teveel van de werkdag ten opzichte van het deel dat wij de noodzakelijke arbeidstijd noemen; ten tweede als een toename van het aantal simultane werkdagen, d.w.z. van de beroepsbevolking. (Het kan ook worden gecreëerd – maar dit wordt hier slechts terloops vermeld, het hoort thuis in het hoofdstuk over loonarbeid – door middel van gedwongen verlenging van de werkdag buiten zijn natuurlijke grenzen; door vrouwen en kinderen toe te voegen aan de beroepsbevolking.) De eerste verhouding, die tussen de surplustijd en de noodzakelijke tijd per dag, kan worden gewijzigd en wordt gewijzigd door de ontwikkeling van de productiviteit, zodat de noodzakelijke arbeid wordt ingeperkt tot een steeds kleiner aliquot deel. Hetzelfde geldt dan naar verhouding voor de bevolking. Een beroepsbevolking van, zeg, 6 miljoen kan worden beschouwd als een werkdag van 6 × 12, d.w.z. 72 miljoen uren: zodat hier dezelfde wetten gelden.

Het is, zoals wij hebben gezien, de wet van het kapitaal om surplusarbeid, beschikbare tijd, te scheppen; het kan dit alleen doen door noodzakelijke arbeid in beweging te brengen – d.w.z. door een ruil met de arbeider aan te gaan. Er is dus een tendens om zoveel mogelijk arbeid te scheppen; evenzeer als het een tendens is om de noodzakelijke arbeid tot een minimum te brengen. Het is dus evenzeer de tendens van het kapitaal om de beroepsbevolking te doen toenemen, als om een deel ervan voortdurend als overtallig te beschouwen – een deel van de bevolking dat nutteloos is zolang het kapitaal het niet kan gebruiken. (Vandaar de juistheid van de theorie van het bevolkingsoverschot en het kapitaalsurplus). Het is evenzeer de tendens van het kapitaal om menselijke arbeid (relatief) overbodig te maken als om menselijke arbeid tot een overmaat te drijven. Waarde is slechts geobjectiveerde arbeid, en surpluswaarde (valorisatie van kapitaal) is slechts overschot op dat deel van de geobjectiveerde arbeid dat nodig is voor de reproductie van het arbeidsvermogen. Maar arbeid in het algemeen is en blijft de voorwaarde, en surplusarbeid bestaat alleen in verhouding tot noodzakelijke arbeid, dat wil zeggen alleen voor zover die bestaat. Het kapitaal moet dus voortdurend noodzakelijke arbeid aanwenden om surplusarbeid te hebben; het moet die arbeid vermenigvuldigen (namelijk de gelijktijdige werkdagen) om het surplus te vermeerderen; maar tegelijkertijd moet het die als noodzakelijk overstijgen, om ze als surplusarbeid te kunnen construeren.

Als een individuele werkdag opgevat, is het proces natuurlijk eenvoudig: 1. deze te verlengen tot aan de grenzen van de natuurlijke mogelijkheden; 2. het noodzakelijke deel ervan steeds meer in te korten (d.w.z. de productiviteit overmatig te verhogen). Maar de werkdag, ruimtelijk beschouwd – de tijd zelf beschouwd als ruimte – bestaat uit vele werkdagen naast elkaar. Hoe meer werkdagen het kapitaal in één keer kan ruilen, waarin het geobjectiveerde arbeid tegen de levende ruilt, hoe groter tevens de valorisatie. In een bepaald stadium van de ontwikkeling van de productiviteit (en het doet niets af aan het feit dat dit stadium aan verandering onderhevig is), kan zij de natuurlijke grens van de levende werkdag van een individu, slechts overschrijden met een andere gelijktijdige werkdag naast die dag – door de ruimtelijke toevoeging van meer gelijktijdige werkdagen. Ik kan bijvoorbeeld de surplusarbeid van A op 3 uur brengen; maar als ik de dagen van B, C, D, enz. erbij optel, wordt het 12 uur. In plaats van een surplustijd van 3, heb ik er een van 12 gemaakt. Daarom stimuleert het kapitaal de toename van de bevolking en juist het proces waardoor de noodzakelijke arbeid vermindert, maakt het mogelijk om nieuwe noodzakelijke arbeid (en dus surplusarbeid) aan het werk te zetten. (D.w.z. de productie van de arbeider wordt goedkoper, er kunnen meer arbeiders in dezelfde tijd worden geproduceerd, in dezelfde mate als de noodzakelijke arbeidstijd kleiner wordt of de tijd die nodig is voor de productie van het levende arbeidsvermogen relatief kleiner wordt. Dit zijn identieke uitspraken.) (Dit nog afgezien van het feit dat de toename van de bevolking, het mogelijk maakt dat de productiviteit van de arbeid toeneemt door een grotere verdeling en een grotere combinatie van arbeid enz. De toename van de bevolking is een natuurlijke kracht van de arbeid die niet wordt betaald. Vanuit dit gezichtspunt noemen we de natuurlijke kracht de maatschappelijke kracht. Alle natuurlijke krachten van de maatschappelijke arbeid zijn zelf historische producten.) Anderzijds is het de tendens van het kapitaal – evenzeer als voorheen in het geval van de enkele werkdag – nu met betrekking tot de vele gelijktijdige noodzakelijke werkdagen (die, voor zover alleen de waarde in aanmerking wordt genomen, als werkdag kunnen worden beschouwd) deze tot een minimum te reduceren, d.w.z. zoveel mogelijk ervan als niet noodzakelijk te bestempelen, en zoals voorheen met de individuele werkdag de noodzakelijke arbeidsuren te verminderen, ook de noodzakelijke arbeidsdagen te verminderen in verhouding tot het totaal van de geobjectiveerde arbeidstijd. (Als er 6 nodig zijn om 12 overtollige arbeidsuren te produceren, werkt het kapitaal ernaartoe [dat er] daarvoor slechts 4 nodig zijn. Of de 6 werkdagen kunnen worden beschouwd als één werkdag van 72 uur; slaagt men erin de noodzakelijke arbeidstijd met 24 uur te verminderen, dan vallen 2 noodzakelijke werkdagen weg – d.w.z. 2 arbeiders.)

Anderzijds kan het nieuwe surplus-kapitaal dat ontstaat, alleen als zodanig worden gevaloriseerd door de ruil tegen levende arbeid. Vandaar de neiging van het kapitaal om de arbeidsbevolking evenzeer te doen toenemen als om het noodzakelijke deel ervan voortdurend te verminderen (om voortdurend een deel ervan weer in reserve te hebben). En de toename van de bevolking zelf is het belangrijkste middel om het te verminderen. Au fond is dit slechts de toepassing van de verhouding [van noodzakelijke en de surplusarbeid] op de individuele werkdag. Hier liggen dus reeds alle tegenstrijdigheden die in de moderne bevolkingstheorie als zodanig zijn uitgedrukt, hoewel zij niet zijn begrepen. Kapitaal als schepping van de surplusarbeid is evenzeer en op hetzelfde moment de schepper en niet-schepper van de noodzakelijke arbeid; het is dat, in zoverre het is en op hetzelfde moment, het niet is.

{Het hoort hier nog niet thuis, maar kan hier al wel in herinnering worden gebracht, hoe de schepping van surplusarbeid enerzijds overeenkomt met een schepping van min-arbeid, relatieve inactiviteit (of niet-productieve arbeid in het beste geval) anderzijds. Dit geldt vanzelfsprekend voor het kapitaal zelf, maar ook voor de klassen waarmee het samenleeft; dus voor de armen, lakeien, Jenkinsen [hielenlikkers], enz. die leven van het meerproduct, kortom, de hele trein van de bedienden; het deel van de bedienende klasse dat niet van een kapitaal, maar van een inkomen leeft. Een essentieel verschil tussen deze dienende klasse en de arbeidende klasse. Met betrekking tot de maatschappij als geheel is de schepping van beschikbare tijd dan ook de schepping van tijd voor de productie van wetenschap, kunst enz. Het verloop van de maatschappelijke ontwikkeling is geenszins dat, omdat een individu zijn behoefte heeft bevredigd, hij vervolgens overvloed voor zichzelf creëert; maar veeleer dat één individu of klasse van individuen gedwongen wordt meer te werken dan nodig is voor de bevrediging van zijn behoefte – omdat er aan de ene kant een surplusarbeid is – ontstaan er aan de andere kant niet-arbeid en een surplus-rijkdom. In werkelijkheid bestaat de ontwikkeling van de rijkdom alleen in deze tegenstellingen: in potentie is haar ontwikkeling de mogelijkheid van de opheffing van deze tegenstellingen. Of omdat een individu alleen zijn eigen behoefte kan bevredigen door tegelijkertijd de behoefte en een zelfde surplus voor een ander individu te bevredigen. In slavernij is dit wreed. Alleen onder de voorwaarde van loonarbeid leidt het tot industrie, industriële arbeid. – Malthus is dan ook consequent wanneer hij naast de surplusarbeid en het surplus-kapitaal de vraag opwerpt naar overtollige nietsnutten, die consumeren zonder te produceren, of de noodzaak van verspilling van uitgaven, luxe, enz.}

Als de verhouding van de noodzakelijke arbeidsdagen tot het totaal van geobjectiveerde arbeidsdagen = 9 : 12 (d.w.z. overbodige arbeid = 1/4), is het streven van het kapitaal deze verhouding terug te brengen tot 6 : 9 (d.w.z. 2/3, d.w.z. overbodige arbeid = 1/3). (Later nader uit te werken; hier echter de hoofdlijnen, waar het gaat om het algemene begrip van het kapitaal.)


Vervolg: [Reproductie en accumulatie van kapitaal]