Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

[Vervreemding]

Dat met de ontwikkeling van de productiefactoren de objectieve arbeidsvoorwaarden, de geobjectiveerde arbeid, moet toenemen ten opzichte van de levende arbeid – dat is eigenlijk een tautologie, want wat betekent een toename van de productiviteit van de arbeid anders dan dat er minder onmiddellijke arbeid nodig is om een groter product tot stand te brengen, en dat dus de maatschappelijke rijkdom zich steeds meer uitdrukt in de door de arbeid zelf geschapen arbeidsvoorwaarden – dit feit verschijnt vanuit het standpunt van het kapitaal niet zo, dat het ene moment van de maatschappelijke activiteit – de objectieve arbeid – het steeds machtiger lichaam wordt van het andere moment, de subjectieve, levende arbeid, maar dat – en dit is belangrijk voor de loonarbeid – de objectieve arbeidsvoorwaarden een steeds kolossalere zelfstandigheid aannemen, present door hun omvang zelf, tegenover de levende arbeid, en de maatschappelijke rijkdom de arbeid in overweldiger hoeveelheden confronteert als een vreemde en controlerende macht. De toon wordt niet gezet op het geobjectiveerd zijn, maar op het ontvreemden, het vervreemden, verkoopbaar zijn [das Entfremdet-, Entäußert-, Veräußertsein] – niet van de arbeider, maar van de gepersonifieerde productievoorwaarden, d.w.z. van het kapitaal, van de immense geobjectiveerde [(ver)gegenständlichten] macht waartegenover de maatschappelijke arbeid zelf als een van haar momenten staat. Voor zover vanuit het standpunt van kapitaal en loonarbeid de productie van dit geobjectiveerde handelende lichaam plaatsvindt tegenover het onmiddellijke arbeidsvermogen – dit proces van objectivering verschijnt in feite als een proces van vervreemding vanuit het standpunt van de arbeid of van toe-eigening van vreemde arbeid vanuit het standpunt van het kapitaal – is deze verdraaiing en omkering reëel en niet louter bedoeld en alleen aanwezig in de verbeelding van arbeiders en kapitalisten. Maar uiteraard is dit proces van omkering een historische noodzaak, een noodzaak voor de ontwikkeling van de productiefactoren vanuit een bepaald historisch uitgangspunt, of basis, maar geenszins een absolute noodzaak van de productie; eerder een verdwijnende, en het resultaat en doel (inherent) van dit proces is het overstijgen van deze basis, deze vorm van het proces. De burgerlijke economen zitten zozeer opgesloten in de begrippen die horen bij een bepaalde historische fase van de maatschappelijke ontwikkeling, dat de noodzaak van de objectivering van de krachten van de maatschappelijke arbeid voor hen onlosmakelijk verbonden lijkt met de noodzaak van hun vervreemding ten opzichte van de levende arbeid. Maar met het opheffen van het onmiddellijke karakter van de levende arbeid, als louter individueel, of als algemeen, intern of extern, met de positionering van de activiteit van individuen als onmiddellijke algemene of maatschappelijke activiteit, worden de objectieve momenten van productie ontdaan van deze vorm van vervreemding; zij worden daardoor gesteld als eigendom, als het organische maatschappelijke lichaam waarbinnen de individuen zichzelf reproduceren als individuen, maar als maatschappelijke individuen. De voorwaarden die hen in staat stellen zo te existeren in de reproductie van hun leven, in hun productieproces, zijn gesteld door het historische economische proces zelf; zowel de objectieve als de subjectieve voorwaarden, die slechts de twee verschillende vormen van dezelfde voorwaarden zijn.

De bezitloosheid van de arbeiders en de eigendom van de geobjectiveerde levende arbeid of de toe-eigening van de vreemde arbeid door het kapitaal – die beide dezelfde verhouding uitdrukken maar dan op twee tegenovergestelde polen – zijn basisvoorwaarden van de burgerlijke productiewijze, en geenszins toevalligheden die er los van staan. Deze verdelingswijze is de productieverhouding zelf, sub specie distributionis [onder de gedaante van de distributie]. Het is dan ook hoogst absurd wanneer bv. J. St. Mill zegt (Principles of Political Economy 2 ed. Londen, 1849, t. I, p. 240):

“De wetten en voorwaarden van de productie van rijkdom hebben het karakter van natuurkundige waarheden ... Dat geldt niet voor de verdeling van rijkdom. Dat is uitsluitend een zaak van menselijke instituties.” (p. 239, 240)

De “wetten en voorwaarden” van de productie van rijkdom en de wetten van de “verdeling van rijkdom” zijn dezelfde wetten onder verschillende vormen, en beide veranderen, ondergaan hetzelfde historische proces; zijn in feite slechts momenten van een historisch proces.

Er is geen bijzondere scherpzinnigheid voor nodig om te begrijpen dat, uitgaande van, bijvoorbeeld, de vrije arbeid of loonarbeid die voortkomt uit de opheffing van de horigheid, de machines alleen kunnen ontstaan [als] tegengesteld aan de levende arbeid, als vreemde eigendom en vijandige macht tegenover haar; d.w.z. dat het als kapitaal er tegenover staat. Maar het is even gemakkelijk in te zien dat de machines niet stoppen agenten van de maatschappelijke productie te zijn zodra zij eigendom worden van bijvoorbeeld de geassocieerde arbeiders. In het eerste geval echter is hun verdeling, dat wil zeggen dat zij niet aan de arbeider toebehoren, evenzeer een voorwaarde van de op loonarbeid gebaseerde productiewijze. In het tweede geval zou de gewijzigde verdeling voortkomen uit een gewijzigde nieuwe productiebasis die door het historische proces is ontstaan.