Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

Machinerie. Gebruik van natuurkrachten en wetenschap
(voortzetting)


(Marx heeft het werk aan het deel 1 van de ‘Manuscripten’ onderbroken om eerst, de delen 2, 3 en 4 te schrijven over de theorieën over de meerwaarde. Dit eerste gedeelte van deel 6, de Seiten 211 tot en met 219, zijn daarom terechtgekomen aan het begin van deel 6, de oorspronkelijke Seiten nummering is aangehouden. Marx had nog een aantal vellen over in Schrift 5, die hij gebruikt heeft voor de voortzetting van deel 1. Deze vellen zijn in deel 6 van de ‘Manuscripten’ terechtgekomen. Deel 1 en deel 6 zijn dus feitelijk één geheel, het betoog en de analyse loopt door. Na Seite 219, wijzigt echter de Seitennummering. Deel 2, de ‘Theorieën’ twee gaat verder met Seite 220. De rest van deel 1 dat gelijk is aan deel 6, gaat verder in schrift 19 met Seitenummer 1159. Voor de consistentie van het betoog is het dus raadzaam om na deel 1, deel 6 te lezen, de vertaler.)


|5-211| Kosten van de machinerie, de gebouwen enzovoorts, wanneer ze niet gebruikt worden.

In de Times van 26 november 1862 legt een spinner (fabrikant, de vertaler) uit, dat zijn fabriek, waarin 800 arbeiders tewerkgesteld zijn en gebruikt worden, wanneer ze voltijds werken ongeveer 150 balen katoen uit Oost-Indië, of ongeveer 130 balen Amerikaans katoen, hem £6000 per jaar kosten, ook als ze niet werken. (ongeveer £120 per week). ‘Het zijn hier vooralsnog bestaande kosten, die ons hier niets aangaan (maar in de praktijk zijn ze zeer belangrijk, namelijk vanwege de pacht op het meest bepalende deel van de vaste kosten). De machinerie kan werken of niet, de pacht in het bovenstaande geval is £2450. Verder de verzekering (de verzekering op fabrieken en machinerie tegen brand is £477 in het bovenstaande geval, de verzekering van de katoen in het proces is £123), en de belastingen op dit eigendom (de voet voor de fabrieken en de machinerie, zoals betaald in 1861, inclusief armenbelasting), is £130. Verder zijn de salarissen van de manager, de boekhouder en de verkopers in het bovenstaande geval £625. Dan de lonen van de portier, de toezichthouders, de ingenieur, en de tijdelijke arbeid voor de bediening van de machinerie zijn £250. (Deze tijdelijke arbeid voor de bediening van de machinerie horen bij de uitgaven voor het onderhoud ervan.) Dan de kolen voor de verwarming van de fabriek, en het tijdelijk werken van de stoommachine is £150. Tenslotte de toeslag voor de slijtage van de machinerie.’ (Dit is £1200 omdat het al zeer vaak gebruikte machines zijn.) Met betrekking op het laatste punt merkt de spinner van Lancashire op:


‘Het mag erop lijken dat, wanneer de fabriek en de machines stil staan, dat ze niet kunnen slijten. Het is niet de bedoeling om de kosten te dekken van de gebruikelijke slijtage, dat gerepareerd is, zoals een mes een nieuw blad krijgt, door een staf van bankwerkers die voorzien zijn voor dat doel door elke fabrikant, wanneer zijn fabriek draait. Maar het is bedoeld om dat soort slijtagekosten te dekken, die soms niet gerepareerd kunnen worden In het geval van een mes, zou het uiteindelijk vervallen tot een staat waar een messenmaker zou zeggen, dat het geen nieuw blad waard is. Het is ook bedoeld om de verliezen te dekken die zich constant voordoen, door de vervanging van machines voordat ze versleten zijn door andere met een nieuwe en betere constructie. Van deze twee zaken is het goed bekend dat de machinerie in een fabriek geheel vernieuwd wordt, tenminste eens in de 15 of 20 jaar. En uitvindingen staan niet stil in deze tijden, omdat ze altijd gestimuleerd worden door moeilijkheden. De weersomstandigheden en het natuurlijke verval zullen hun werkzaamheid niet uitstellen, omdat de stoommachine niet ophoudt zich te ontwikkelen.’


Dezelfde kerel zegt:
‘Geen twijfel dat een groot aantal fabrikanten nauwelijks reserves hebben waarop ze kunnen terugvallen, de bulk van de fabrikanten van Lancashire hebben geen kapitaal gespaard. De gewoonte van de handel is om uitgaven te doen voor de uitbreiding van hun fabrieken en machinerie voor hun winsten, zo snel als ze die kunnen maken. Als regel hebben ze onvoldoende, in plaats van overvloedig bedrijfskapitaal.’ |212|


Cherbuliez, Riche ou Pauvre etcetera, Paris 1841. (Nadruk van de Geneefse uitgave)

   Nieuw kapitaal

   Oud kapitaal
1 De machine

1 Voorziening voor de arbeiders
2 Jaarlijks onderhoud

2 Het instrumentarium en zijn onderhoud
3 De grondstoffen

3 De grondstoffen


Natuurlijk is er ook bij het nieuwe kapitaal een bevoorrading voor de arbeiders. Hij spreekt hier alleen van een bevoorrading van de door de machine vervangen arbeiders.

Men moet van beide kanten het aantal arbeiders abstraheren, dat nodig is, om de beweging van de machine te bewaken en te sturen. Het oude kapitaal zou groeien in directe verhouding tot het aantal gebruikte arbeiders. Wanneer dat 100 is voor een gegeven aantal, is het 200 voor het dubbele aantal. Het nieuwe is niet aan dezelfde wetten van de groei onderworpen, want wat in de machine voor de toepassing van de motor dient, groeit niet in aantal en omvang in de verhouding tot het aantal arbeiders, waarvan het de arbeid vervangt. Dus hoe de overmacht van het nieuwe kapitaal over het oude ook is, voor een gegeven aantal arbeiders, moet deze surplusarbeid zich door de natuur als inferieur omvormen, in de verhouding, dat men het aantal van de door de machine vertegenwoordigde en te vervangen arbeiders, vermeerdert. Vervangt het 2 arbeiders, dan is het wellicht duurder. Met 4, 10, 20 arbeiders voor vervanging, wordt het alsmaar goedkoper. Dit gunstige resultaat kan men alleen verkrijgen ‘onder de voorwaarde van de beschikbaarheid van het oude geaccumuleerde kapitaal, dat voldoende is voor het aanschaffen van een machine die het aantal vereiste arbeiders vervangt, en voor het vervangen van de hoeveelheid die voorafgaat aan het aantal.’ Hier is dat weer het geval van een nieuwe onderverdeling van de arbeid, en is de besparing gekoppeld aan de voorafgaande realisering van een toegevoegd kapitaal. ‘Elke accumulatie van rijkdom biedt de middelen voor het versnellen van de verdere accumulatie.’


Ten eerste. Met de situatie van de accumulatie moet rekening gehouden worden bij de omzetting van de surpluswaarde in kapitaal. Hier moet vermeld worden, hoe de accumulatie voorwaarde is van de kapitalistische productie, de kapitalistische productie is oorzaak van de accumulatie.


Ten tweede. De machine vervangt een bepaalde hoeveelheid arbeiders, of reëel, dat wil zeggen, doordat ze in de plaats ervan komt (dit is altijd het geval, waar het vak niet nieuw is, maar vroeger zonder machinerie bedreven werd). Of facultatief, doordat zoveel arbeiders nodig waren, om ze te vervangen. Hebben we het bijvoorbeeld over de miljoenen arbeiders (zie Hodgskin) om de huidige in de katoenfabricage geleverde productie te kunnen leveren, dan hebben we het over het aantal arbeiders die nodig waren om de machinerie te vervangen. Anders, we zeggen dan, zo en zo veel wevers worden door het mechanische weefgetouw er uit gegooid. We spreken dan over de arbeiders, die de machinerie vervangen heeft. Dit is een groot onderscheid. De machinerie als basis van een productietak, als het eenmaal is ingevoerd (zonder de verdere concurrentie van de werkplaats) gooit er slechts arbeiders uit, in de mate waarin zij zich verbetert. Maar de productie breidt zich tot een zekere perfectie uit, voordat ze een hoger niveau krijgt. Waren er bijvoorbeeld 10 aangesteld aan de weefstoel die met de hand bedreven werd, en zijn er aan het mechanische weefgetouw 20 aangesteld, en vervangt een mechanisch weefgetouw 10 weefstoelen, dan verrichten de 20 arbeiders net zo veel als voorheen 200 deden. Maar ze hebben niet de 200 verdrongen of vervangen. Het eerste mechanische weefgetouw verdrong er 10. De andere 19 mechanische weefgetouwen hebben er 19 tewerkgesteld. Men kan dus niet zeggen dat de productiekracht 180 man zou hebben vervangen, omdat er 200 nodig geweest zouden zijn zonder de mechanische weefgetouwen. De productiekracht heeft zich slechts vertienvoudigd. Wordt er een nieuw mechanisch weefgetouw uitgevonden, waar er 10 net zo veel kunnen doen als 20, dan zouden door de 10 de 20 worden vervangen, of 10 zouden op straat worden gezet. Zou dit aantal van deze mechanische weefgetouwen weer tot 20 groeien, dan zouden er 20 aangesteld worden, en er zouden 40 nodig geweest zijn volgens de vroegere norm. En volgens de eerste norm 400. Maar er zijn niet 400 man vervangen, die nooit bestaan hebben. Het eerste mechanische weefgetouw verdrong 10 man en het tweede 2. Dus de productieve kracht is gegroeid naar de verhouding van 20 : 1. Dus is in ieder geval de productiekracht vertwintigvoudigd. Zou deze ontwikkeling in alle branches hebben plaatsgevonden, dan zou de arbeider 20 maal minder tijd nodig hebben om zijn bestaansmiddelen te reproduceren. Dus wanneer 11 uur voor allen pas nu 11/20 uur zijn en zou zijn gehele overige arbeidsdag, 11 9/20 toebehoren aan de kapitalisten. Maar de ontwikkeling is niet gelijkmatig en totaal.


Verder is op te merken. De massa van de surplusarbeid wordt bepaald, niet door de arbeider die de machine vervangt, maar door die, die ze gebruikt. Dit is wat Cherbuliez even vergeet. De productiviteit van de machine (en haar goedkoop zijn) wordt niet alleen bepaald door de massa arbeiders, die ze vervangt, maar door de massa, die ze in de arbeid assisteert. Of de uitdrukkingen zijn in |213| sommige opzichten identiek.

(In zoverre de machinearbeid de arbeidstijd verkort, dat nodig is om een bepaalde ‘waar’ te produceren, dus de massa van de ‘waren’ vermeerdert, die in dezelfde arbeidstijd geproduceerd worden, dan is tweeërlei mogelijk. De ‘waar’ gaat op in de consumptie van de arbeider. Dan is, van eerdere ontwikkelingen afgezien, de massa arbeid vermeerdert, die gebruikt kan worden om ‘waren’ te produceren, die niet in de consumptie van de arbeiders opgaat, waarin zich dus de surplusarbeid weergeven kan. De basis is uitgebreid, waarop een grotere hogere klasse kan worden gebouwd. Tegelijk ook het genot van deze klasse. Maar ook is de basis verbreed, waarop een grotere arbeidersklasse kan worden gebouwd, of de massa van het levende materiaal, waarop de uitbreiding van de hogere klasse is gebouwd. Gaat de ‘waar’ niet op in de consumptie van de arbeider, dan is het of het goedkoper worden van het genot of het vrijwaren van de arbeid voor nieuwe gebieden van de uitbreiding.)


Verdeling van de waarde van de machinerie, gebouwen enzovoorts over de massa van de geproduceerde ‘waren’.

Het constante kapitaal, in zoverre het zijn relatieve waardegrootte betreft, verhoudingsgewijs tot het totale kapitaal, gaat bepalend op in de winstvoet, moet dus bij de beschouwing van de meerwaarde als zodanig geheel buiten spel worden gelaten. We hebben het daarom als C, als gelijk geldende grootte beschouwd, zowel in het hoofdstuk over de absolute meerwaarde, alsook bij de samenwerking, de arbeidsdeling enzovoorts. Toch zijn we bij de beschouwing van de machinerie gedwongen ons speciaal om het constante kapitaal te bekommeren. Dit is toch geen inconsequentie. Daarover zijn twee dingen op te merken.


1) Relatieve meerwaarde kan alleen geproduceerd worden, in zoverre de in de consumptie van de arbeider opgaande ‘waren’ (bestaansmiddelen) goedkoper worden. Dat dus de waarde van deze ‘waren’, dat wil zeggen de hoeveelheid die voor de productie vereiste arbeidstijd is, verkort wordt. De in de ‘waar’ bevattende arbeidstijd echter bestaat uit twee delen; a) De verleden arbeidstijd de in de ‘waren’ geconsumeerde arbeidsmiddelen en, wat er is aan grondstof dat de waar bevat. b) De toegevoegde laatste levende arbeid, kortom de arbeid die door middel van deze arbeidsmiddelen en de grondstof zich realiseert. Alle methoden, die voor de productie van de ‘waar’ de noodzakelijke arbeidstijd, laten verkorten, dus de waarde laten verminderen, laten de waarde van de grondstof die opgaat in de productie, onberoerd. (Hooguit wordt er daarop bespaard, op de arbeid op een grotere schaal.) Dit deel van de verleden arbeid, die in de waarde van de ‘waar’ opgaat, komt dus helemaal niet in beeld. Al deze methoden hebben gemeen, dat ze in meerdere of mindere mate, de op de verleden arbeid inwerkende levende arbeid, verkorten. Er blijft dus enkel over om in beschouwing te nemen, het deel van de verleden arbeid, dat uit arbeidsinstrumenten en voorwaarden (zoals gebouwen) bestaat. Dit deel ervan blijft onveranderd bij de eenvoudige samenwerking en de arbeidsdeling. (Ze worden omgekeerd goedkoper door concentratie, en gemeenschappelijkheid van het gebruik.) Maar bij het gebruik van de machinerie verhoudt het zich anders. Hier treedt een speciale verhouding op. De verkorting van de levende arbeid berust hier op een revolutie in dit deel van het constante kapitaal en het is heel ruw uitgedrukt: er worden gecompliceerde massale en dure productieinstrumenten in plaats van de eenvoudige en goedkopere gesteld. Zou daarom de ‘waar’ evenzeer duurder worden door de machinerie (of meer) wanneer ze anderzijds goedkoper wordt door de bespoediging en de verkorting van de toegevoegde levende arbeid, dan zou de waarde van de ‘waar’ niet worden gereduceerd. Het ene bestanddeel ervan zou dalen omdat de andere stijgt. Er zou geen vermindering in de totale hoeveelheid plaatsvinden van de noodzakelijke arbeidstijd die nodig is voor de productie van de ‘waar’, dus geen productie van meerwaarde. Omdat dus deze methode, die relatieve meerwaarde voortbrengt, op de revolutie van een bepaald deel van het constante kapitaal berust, en zich daardoor van andere methoden onderscheidt, moet dit punt hier specifiek worden beschouwd. Heel algemeen gezien, is het probleem daarmee opgelost, dat de totale massa |214| van de met de machinerie voortgebrachte ‘waren’ zo groot is, dat in elke evenredige ‘waar’ een kleiner waardebestanddeel (deel van het residu) van de machinerie, de gebouwen en de voor het bedrijven van de machinerie benodigde materiële instrumenten opgaat. Dit is alsof dezelfde ‘waar’ op de oude manier door mensen en hun handwerktuigen geproduceerd zou zijn. De invulling van deze voorwaarde echter zal weer van de volgende omstandigheden afhangen:
a) De massa van de waren, die een afzonderlijke arbeider in een gegeven arbeidstijd, bijvoorbeeld een arbeidsdag door middel van de machinerie produceren kan.
b) De massa van de arbeiders, wanneer de bovenstaande verhouding gegeven is, waarvan de arbeid de machinerie gelijktijdig assisteert, en waardoor het waardedeel van de totale machinerie, die op elke afzonderlijk te berekenen is, zich relatief vermindert.
c) Het verschil tussen de periode, waarin de machinerie in het arbeidsproces opgaat, en de periode waarin ze in het waardevormingsproces opgaat. Bijvoorbeeld een machine die 15 jaar meegaat, gaat 15 jaar gedurende elk jaar geheel in het arbeidsproces op. Maar slechts 1/15 ervan gaat jaarlijks in het waardevormingsproces op. Het jaarlijkse totale product aan ‘waren’ bevat zo dus nooit meer dan 1/15 van het waardebestanddeel van de machinerie.


2) Er is een groter onderscheid te maken: Tussen de vraag in hoeverre het constante kapitaal op de winstvoet werkt. Dit is het onderzoek van de vraag over de verhouding van de meerwaarde tot de waarde van het voorgeschoten kapitaal, zonder rekening te houden met de functies van de verschillende delen van dat kapitaal. En anderzijds de vraag, in hoeverre een bepaalde vorm van het constante kapitaal (machinerie enzovoorts), de prijs van de afzonderlijke ‘waar’ of de in haar opgenomen arbeidstijd vermindert, verleden en tegenwoordige arbeidstijd. Natuurlijk komen de antwoorden op beide vragen voor wat betreft de inhoud op hetzelfde uit. Maar hier is hetzelfde verschijnsel uit verschillende gezichtspunten beschouwd. De ene keer onderzoeken we hoe de ‘waar’, en daarmee, in zoverre het in de consumptie van de arbeider opgaat het arbeidsvermogen, goedkoper wordt. Dat wil zeggen, hoe de totale hoeveelheid van de voor de productie vereiste arbeid, verleden en levende, verminderd wordt. De andere keer onderzoeken we, hoe de verhouding van de meerwaarde tot het voorgeschoten totale kapitaal (de winstvoet) beïnvloed wordt door de revolutie in de massa’s en waardeverhoudingen van de constituerende delen van het kapitaal. Het laatste onderzoek veronderstelt de meerwaarde, veronderstelt de gehele kapitalistische productie met ook het circulatieproces. Het eerste onderzoek veronderstelt niets anders dan onze algemene wet over de waarde van het arbeidsvermogen en de verhouding van de meerwaarde tot het laatste.


3) De verwisseling tussen deze vragen.
De vermindering van de arbeidstijd, die voor de productie van de afzonderlijke ‘waar’, of van een massa ‘waren’ vereist is, en de verhouding van de surplusarbeid en de noodzakelijke enerzijds, en anderzijds de waarde- en massaverhouding van de verschillende bestanddelen van het kapitaal, is de bron van groot bedrog.

Eerst het hoofdbedrog. Wordt het wezen van de kapitalistische productie begrepen, dan is het in het algemeen geen tegenspraak, dat de voor de productie van een ‘waar’ noodzakelijke arbeidstijd verkort, maar dat daarentegen de som van de tijd, die de arbeider voor de productie van deze goedkoper geworden ‘waar’ gebruiken moet, verlengd wordt. Daarentegen is dit inderdaad een onbegrijpelijke tegenspraak voor de economen, die de machine lieten uitvinden en invoeren, niet om de arbeidstijd te verkorten, die de arbeider voor de productie van een ‘waar’ gebruikt, maar om de arbeidstijd te verkorten, die hij in het algemeen als equivalent van zijn arbeidsloon moet geven. En nu helemaal, wanneer enerzijds de winst verklaard wordt, doordat de machinerie de arbeidstijd van de arbeiders verkort en anderzijds bewezen wordt (Senior enzovoorts), dat de machinerie de verlenging van deze arbeidstijd voorschrijft.

Ten tweede. Wat de arbeidstijd zelf aangaat, dan wordt zijn betaalde arbeidstijd daardoor verkort en zijn onbetaalde arbeidstijd wordt verlengd. Hieruit |215| volgt al, dat de massa van de in een ‘waar’ gestoken arbeidstijd en de verhouding, waarin deze arbeidstijd zich verdeelt tussen kapitalist en arbeider, twee geheel verschillende dingen zijn. Verkoopt de kapitalist een ‘waar’ goedkoper, dan volgt daaruit helemaal niet, dat hij er minder winst op maakt, minder surpluswaarde daarop realiseert. Het verhoudt zich meestal omgekeerd. Hier komt bij, dat niet de afzonderlijke ‘waar’, maar de totale som van de in een bepaalde periode geproduceerde ‘waren’ als product van het kapitaal te beschouwen is.


De verlenging van de absolute arbeidstijd in het fabriekssysteem.

De ontwikkelde organisatie van de arbeid, die overeenkomt met het machinewezen op kapitalistische basis, is het fabriekssysteem, dat zelfs in de grote moderne landbouw, meer of minder aangepast door de karakteristiek van dit productiegebied, overheerst.

De hoofdstelling is, dat de surpluswaarde, die de kapitalist maakt, ontstaat, niet uit de arbeid die door de machine vervangen wordt, maar door de arbeid, die op basis van de machinerie gebruikt wordt.

Nu wordt het bedrag van de surpluswaarde door een dubbele factor bepaald: de voet waarop de afzonderlijke arbeider geëxploiteerd wordt, of de hoeveelheid surplusarbeid van een dag van een afzonderlijke arbeider. En ten tweede door het aantal gelijktijdig tewerkgestelde arbeiders, die door een gegeven kapitaal geëxploiteerd worden. De invoering van de machinerie vermindert de laatste factor, terwijl het de eerste verhoogt. Het verhoogt de surplus arbeidstijd van de afzonderlijke arbeiders, maar het vermindert het aantal arbeiders, dat een bepaald kapitaal gelijktijdig exploiteert. Dezelfde methode dus, die de tendens heeft om de voet van de surpluswaarde te verhogen, heeft tegelijk de antagonistische tendens om de andere factor, dat evenzeer bepalend werkt op de massa van de meerwaarde, af te zwakken. Wanneer 20 arbeiders elk 12 uur werken, waarvan 2 uur surpluswaarde, dan is de massa van de surpluswaarde 2 maal 20 is 40 arbeidsuur. (Dat is 3 arbeidsdagen van 12 uur en 4 uur.) Wanneer 10 arbeiders elk 12 uur werken, waarvan 4 uur surplusarbeid, dan is de massa van de surpluswaarde 40 uur zoals boven. Maar 6 arbeiders, waarvan elk 6 uur surplusarbeid werkt, zullen slechts 36 uur surpluswaarde leveren. En wanneer hetzelfde kapitaal in het eerste geval 20 arbeiders en in het tweede geval 6 arbeiders in beweging zet, dan zou de massa van de surpluswaarde zijn afgenomen, hoewel haar voet is toegenomen.

Deze antagonistische tendens van de op de machinerie gebaseerde exploitatie drijft tot de vermeerdering van de absolute arbeidstijd. Wanneer bijvoorbeeld in het tweede geval de arbeiders in plaats van 12, 14 uur werken, waarvan 8 surplusarbeid, dan is de hoeveelheid van de surpluswaarde 6 maal 8 is 48 uur.

Deze reden van de absolute verlenging van de arbeidstijd, voor de vermeerdering van de absolute surplusarbeid, die tot de verlenging van de arbeidsdag aanzet, is voor de kapitalisten en hun tolken totaal iets onbewust. Het verschijnsel toont zich, zodra de machinefabricatie door de concurrentie gestaag uitgebreid en ontwikkeld wordt. En daarmee zal de sociale waarde, de marktwaarde van de met de machinerie geproduceerde ‘waren’ tot hun individuele waarde dalen, en de kapitalist zal dus dit verschil niet meer kunnen opstrijken.

Dit is een in het algemeen onafhankelijk motief dat zich voordoet door de waardevorming van het uit machinerie en gebouwen bestaande deel van het constante kapitaal. Het eerste dat als meer geschikt direct in het bewustzijn van de kapitalisten en hun tolken speelt.

Dit motief is zeer eenvoudig en komt overeen met alle surplusarbeid. Het krijgt echter een bijzonder gewicht, waar de waarde en de massa van het in arbeidsmiddelen gebruikte kapitaal overwegend groot is.

Ten eerste is er geen toegevoegde uitgave van machinerie of gebouwen nodig, of er nu 12 of 24 uur gewerkt wordt. Terwijl tegelijkertijd zo veel meer arbeid moet worden geabsorbeerd, dat voor gebouwen, machinerie, |216| en tot op zekere hoogte de machinerie die de aandrijfkracht produceert, vermeerderd moet worden. Ook daardoor worden de ‘waren’ goedkoper. Want het is om het even, of ruimtelijk de waarde van de machinerie door meer arbeid verdeeld wordt, door het aantal arbeiders, die naast elkaar werken en die het tegelijk assisteren, of dat dit in tijd gelijk geschiedt, dat hetzelfde aantal arbeiders door 24 in plaats van 12 uur door dezelfde machinerie geassisteerd wordt.

De absolute reproductietijd van de gebouwen blijft ongeveer hetzelfde, of ze nu echt als voorwaarden in het arbeidsproces opgaan, terwijl ze 12 of 24 uur bedragen.

De reproductietijd van de machinerie zelf verkort zich niet in dezelfde mate, waarin de actieve dienst zich verlengt. Wel echter de reproductie van haar waarde.

De winst is zoveel groter in een gegeven circulatie periode, en de winst wordt in het algemeen berekend volgens de meerwaarde, die in een bepaalde circulatie periode gerealiseerd wordt, bijvoorbeeld een jaar.

Er wordt daardoor in het algemeen, de verhouding van het constante tot het variabele deel vermindert, omdat het belangrijkste deel het constante kapitaal is. Deze laatste beschouwing hoort dus bij de uiteenzetting van de winst.


Vervangen van het arbeidswerktuig door de machinerie.

Hier moet worden opgemerkt, dat de machinerie niet alleen levende arbeid vervangt, maar ook de arbeiders en zijn handwerktuig vervangt. Dat laatste kan natuurlijk zeer belangrijk zijn, bijvoorbeeld wanneer een naaimachine de gebruikelijke naaiarbeid vervangt. Dit is meestal geen vervangen. Maar het eigenlijk werkende gereedschap komt terug in de machinerie zelf, wanneer ook oneindig vermeerderd, en min of meer mechanisch veranderd.


De conglomeratie van de arbeiders in het fabriekssysteem.

We zullen later verder op de eigenaardigheden van de samenwerking ingaan, zoals het in het fabriekssysteem verschijnt, in het onderscheid van zowel de eenvoudige samenwerking alsook op de op arbeidsdeling gebaseerde werkplaats.

Hier echter is vooral op te merken, dat de ontwikkelde machinerie, het op de machinerie gebaseerde systeem van de productie, de conglomeratie van de arbeiders op een punt, de ruimtelijke concentratie van hetzelfde systeem onder de leiding van een kapitalist vooronderstelt. De voorwaarde is een dergelijke concentratie. Zie ook het citaat van Ravenstone. De machinerie, die de bewegende kracht produceert, evenals de leidende machine, die de kracht verdeelt en overdraagt, wordt relatief goedkoper wanneer de massa in een groter systeem van machinerie gebruikt wordt. Eveneens nemen relatief de kosten voor gebouwen, verwarming, toezicht enzovoorts af, kortom de door de massa arbeiders gemeenschappelijk geconsumeerde, benodigde objectieve arbeidsvoorwaarden. Het systeem van de gelijktijdig werkende machinerie moet overeenkomen met een leger van gelijktijdig tewerkgestelde arbeiders, gedeeltelijk om de, voor het machinesysteem karakteristieke, ingevoerde arbeidsdeling uit te voeren, en gedeeltelijk om het eigen systeem van de eenvoudige samenwerking, de gelijktijdige exploitatie van velen die hetzelfde doen, uit te voeren. Hoewel daarom het aantal arbeiders, dat een bepaald kapitaal in beweging zet, en het aantal arbeiders, die voor de productie van een bepaalde massa van ‘waren’ vereist is, vermindert wordt, neemt daardoor het aantal van de onder afzonderlijke kapitalisten gelijktijdig tewerkgestelde en gecommandeerde arbeiders toe, door de concentratie van de ruimtelijk en tijdgebonden samenwerkende arbeiders.

Net als het in de productie werkende kapitaal in dit systeem de vorm van een groter maatschappelijker massa van de rijkdom aanneemt, hoewel het aan een afzonderlijke kapitalist toebehoort. Hoewel dit in geen enkele verhouding tot de mogelijke vaardigheid van de arbeiders en de te verwerven vaardigheid van de afzonderlijke staan, op zo’n manier dat het systeem van de samenwerkende arbeiders een grotere maatschappelijke combinatie vormt. |217|


De condensatie van de arbeid.

Noemen we het variabele kapitaal V, het constante C en de surplusarbeid die het product bevat x, dan is de waarde van de ‘waren’, dat een bepaald kapitaal produceert, wanneer we aannemen dat het gehele constante kapitaal in het waardevormingsproces opgaat, en de absolute meerwaarde meegenomen is, gelijk aan C plus V plus x.

De methoden, die de relatieve meerwaarde verhogen, veranderen absoluut niets aan deze formule. Of de waarde van het totale product wordt er niet door verhoogd. C kan groeien, omdat de massa en daardoor de waarde van de grondstof groeit. Hetzelfde geldt omdat de waarde van de machinerie groeit. Maar de waarde van C blijft onveranderd. Het verschijnt slechts terug in het product. Even weinig wordt x veranderd. V wordt geruild in het arbeidsproces tegen V plus x, waar V de arbeidstijd voorstelt, dat zich in V weergeeft en x het overschot daarboven op. V plus x is de totale arbeidsdag. Dat wordt niet veranderd door de methoden, die relatieve meerwaarde voortbrengen. Of met andere woorden: hoe ook altijd door de methoden de massa van de producten vermeerderd zou worden, dat in een arbeidsdag voortgebracht wordt, haar waarde wordt niet vermeerderd. Hoewel als gevolg van het goedkoper worden van de producten, dus de reproductiemiddelen van het arbeidsvermogen, de verdeling van de arbeidstijd in betaalde en onbetaalde arbeid veranderd wordt. (De waarde van het totale product, van bijvoorbeeld een arbeidsdag, kan vermeerderd worden: bijvoorbeeld meer katoen wordt verspind. Kortom omdat er meer constant kapitaal in dezelfde tijd geconsumeerd wordt.)

Een uitzondering vindt echter plaats. Het is er enkel een die zich ontwikkeld heeft met de machinearbeid. Dit is de condensatie van de arbeid, of in zoverre door de ontwikkeling van de maatschappelijke arbeidsproductiviteit, dat de intensiteit van de arbeid, het opvullen van de poriën van de arbeidstijd, tot een dusdanige buitensporige mate opgedreven wordt, en dat dus zo het bestaande kenmerk van de arbeid in een bijzonder productiegebied opgedreven wordt, dat het intensievere arbeidsuur gelijk is aan het extensieve arbeidsuur plus x. Op een bepaald punt moet aan intensiviteit verloren gaan, wat aan extensiviteit gewonnen wordt. Hetzelfde doet zich ook omgekeerd voor. En het vervangen hier van de hoeveelheid door de mate is geen zaak van speculatie. Waar het feit zich voordoet, is er een bijzondere manier om dat te bewijzen. Dat is wanneer het voor de arbeider fysiek onmogelijk is bijvoorbeeld, om gedurende een week regelmatig dezelfde arbeidsmassa gedurende 12 uur te verrichten, dat hij nu gedurende 10 of 10 1/2 uur verricht. Hier toont zich de noodzakelijke bijstelling naar onderen van de normale of totale arbeidsdag als gevolg van de grotere intentie, de spanning op de zenuwen, maar tegelijkertijd ook de fysieke inspanning. Met de toename van de beide factoren, de snelheid en de omvang, de massa, van de te bewaken machinerie, komt er ook noodzakelijk een knooppunt, waarop de intensiviteit en de extensiviteit van de arbeid niet gelijktijdig groeien kunnen, zonder dat de ene de andere noodzakelijkerwijs uitsluit. En in dit geval kan ondanks de verkorte absolute arbeidstijd, de surplusarbeid niet hetzelfde blijven maar kan het groeien. En wel om een dubbele reden. Enerzijds omdat de arbeidsproductiviteit groeit, dus de algemene wet geldt, die in het algemeen de relatieve surpluswaarde bepaald. Ten tweede echter, omdat het intensievere arbeidsuur nu als zodanig betaalt, dus het product bijvoorbeeld, is de waarde van 1 1/2 extensieve arbeidsuren van de vroegere productiewijze. Het intensievere arbeidsuur – hier als regelmatige, algemene wet van een bijzonder productiegebied, niet als iets toevalligs en individueels - wordt nu ook dat wat het werkelijk is, het wordt als grotere arbeidsmassa berekend, verdichte arbeidstijd als onderscheid van een meer poreuzere arbeidstijd. Zolang de intensiteit gelijktijdig meegroeit met de uitbreiding van de absolute arbeidstijd, wordt de arbeider dus niet alleen enkelvoudig, maar dubbel overwerkt, maar het intensievere arbeidsuur betaalt niet als zodanig. Dat gebeurt pas vanaf met moment, wanneer de gestegen intensiviteit, als reëel, tastbaar en met gegeven grenzen van de uitbreiding, verschijnt.

Hieruit verklaart zich, waarom met de invoering van de tienurenwet, niet alleen de productiviteit van de Engelse industrietakken, waarin ze ingevoerd is, is gegroeid, maar ook dat de waardemassa ervan, en zelfs het arbeidsloon eerder gestegen dan gedaald is. |218|

Er moet hier natuurlijk opgemerkt worden, dat zodra een concreet economisch verschijnsel speelt, de algemene economische wet niet eenvoudig en direct te gebruiken is. Bijvoorbeeld bij het aangeduide feit, komen een massa situaties in beschouwing, die ver verwijderd zijn van ons onderwerp, en waarvan de verklaring zelfs onmogelijk zou zijn, onder ontwikkelingen op te voeren, die veel concretere verhoudingen omvatten, als die hier voor ons te vatten zijn. Bijvoorbeeld de stijging van de vraag met de uitbreiding, die de wereldmarkt, sinds de Californische en Australische ontdekkingen en de daarmee samenhangende combinaties, kreeg. De invloed die het uitoefende, de mate waarin gedurende een periode, waarin de aangeduide verschijnselen zich voltrekken, het goedkoper worden en de massaliteit in de toevoer van de grondstoffen (katoen) enzovoorts dat zich voordoet, speelt in de afzonderlijke industrietakken. Uiteindelijk wordt de maat van de waarde van bijvoorbeeld het katoen, bepaald, niet door het Engelse arbeidsuur, maar door de gemiddelde noodzakelijke arbeidstijd op de wereldmarkt. Maar allemaal afgezien daarvan, bewijzen de Engelse fabrieksrapporten eensluidend twee feiten; 1) Dat sinds de invoering van de tienuren wetten (later aangepast in 10 1/2) dat de kleine, stuksgewijze, verbeteringen in de machinerie ongelijk groter en bestendiger waren dan ergens in een voorafgaande periode, en 2) dat de snelheid en de massa van de machinerie, die de afzonderlijke arbeider moet bewaken, de aanspraak en de intensiteit op zijn zenuwen en spierarbeid zeer hebben doen toenemen.

Dezelfde rapporten laten verder geen twijfel bestaan over de beide andere feiten. 1) Dat zonder urenwet, de beperking van de absolute arbeidsdag, bij elke grote omwenteling in het industriële bedrijf niet zou zijn ingetreden, als die niet afgedwongen zou worden door haar grenzen. En 2), dat zonder de al bereikte hoogte van de technologische ontwikkeling, zoals met het bereikte niveau van de kapitalistische productie in het algemeen en de gegeven hulpmiddelen, het experiment niet mogelijk was, dat wil zeggen niet zo snel met dit gunstige gevolg mogelijk was.

Zouden alle industrietakken aan dezelfde beperking onderworpen worden en met hetzelfde resultaat, met een gelijke stijging van de intensiviteit van de arbeid, dan zou deze intensiviteit als algemene regel gelden, niet als voor een specifiek bestemde arbeidstak om zich te onderscheiden. Er zouden slechts nieuwe gemiddelde normale arbeidsdagen worden vastgesteld. De totale dag wordt verkort, maar ook de noodzakelijke arbeidstijd en de surplusarbeidstijd van dezelfde (op een gemiddelde) in de verschillende takken. (Een Engelse arbeidsdag van 10 1/2 uur is niet productiever, maar bevat wellicht zo veel arbeidsmassa als de 24 uur, die in de Moskouse katoenfabrieken gewerkt wordt.)

De kapitalistische productiewijze in het algemeen condenseert de arbeidstijd, of vermeerdert de hoeveelheid van de in een bepaalde tijd geleverde arbeid, de arbeidsmassa, die werkelijk bijvoorbeeld in een uur of 12 uur gewerkt wordt. Dit is inderdaad identiek met, dat ze de continuïteit van de arbeid voor de afzonderlijke arbeider vermeerdert (voor de afzonderlijke arbeider, afgezien van de continuïteit van het productieproces, dat wil zeggen van zijn regelmatige bedrijfsvoering door de gehele tijdsperioden). Zelfs de formele onderschikking van de arbeid onder het kapitaal brengt dit precies zo met zich mee, zoals de slavenzweep in de op de slavernij gebaseerde productiewijze. Deze intensiviteit wordt nog meer vermeerdert door de samenwerking, namelijk dat de arbeidsdeling en nog meer de machinerie hun werk doen. Dat is waar de voortdurende activiteit van de afzonderlijke arbeider gebonden is en als voorwaarde is gesteld, door de activiteit van het geheel, waarbij hij slechts als lid verschijnt. Dat is ook het geval, zoals in de mechanische werkplaats , waar met de directe gelijkmatigheid en onvermoeibaarheid gewerkt wordt, of waar een dodelijke natuurkracht werkt, een ijzer mechanisme. Een bepaalde gemiddelde mate van de intensiteit van de arbeid, de werkelijke arbeidsmassa, die in een gegeven tijd verricht wordt en een relatieve hogere mate (hoewel de aard van de zaak verschillend is volgens de verschillende productietakken), zowel in niet-kapitalistische of ook slechts formeel kapitalistische productie, is hier in het algemeen de algemene vooronderstelling. Ze is voorondersteld voor alle werk, wanneer van de tijd als de norm gesproken wordt, en wanneer van de voor de productie van een ‘waar’ noodzakelijke arbeidstijd gesproken wordt. Daarvan is hier geen sprake.

Net zo weinig als van de grotere (of verschillende) prestatie van de arbeid in dezelfde tijd, elk naar de geschiktheid en door de arbeidsdeling en overgedragen vaardigheid het ontwikkeld is en door de hulp van de machinerie die het prestatievermogen verhoogt. Deze beide laatste gezichtspunten betrekken zich op de hogere arbeidsproductiviteit, waarbij in feite de werkelijke arbeidsmassa hetzelfde blijft, en (bij de machinerie) tot een zekere hoogte zelfs verminderd kan zijn. |219|

Er is hier sprake van een ontwikkeling van de productieve kracht die de verhoging van de arbeidsinspanning begeleidt, zodat in dezelfde tijd niet alleen meer geproduceerd wordt, maar ook meer gewerkt wordt, meer aan arbeidskracht uitgegeven wordt, en wel boven het gemiddelde niveau, op een niveau dat alleen door een beperking van de uitbreiding van de arbeidstijd, regelmatig, dag in en dag uit, doorgevoerd kan worden. In dit geval wordt niet alleen de relatieve, maar ook de absolute surpluswaarde geschapen, zo lang deze norm van de intensiviteit niet algemeen is. Het laatste zou echter net zo algemeen de reductie van de arbeidsdag veronderstellen.

Overigens heeft net als de uitbreiding, de intensiviteit van de arbeid haar beperkingen. En deze beperkingen tonen zich, doordat op een bepaald punt de intensiviteit in het algemeen slechts daardoor verhoogd kan worden, zodat de uitbreiding verminderd wordt. Dus zou bijvoorbeeld voor 10 uur, de normale gemiddelde arbeidsdag met de daarmee overeenkomende mate van de intensiviteit van de arbeid, of de verdichting van de arbeidstijd, de massa van de arbeid die in elk tijdmoment, geleverd worden, dan zouden alle dergelijke uitvindingen, die op deze basis de arbeid productiever maken, zonder dat ze zelf meer werken, slechts de relatieve meerwaarde verhogen. Zou echter aan deze ontwikkeling van de productieve kracht een nieuwe condensatie van de arbeidstijd worden vastgeknoopt, zodat de arbeidsmassa zou groeien in dezelfde tijd, en niet alleen productiviteit van de arbeidsmassa, dan moet er snel een punt bereikt zijn, waar de totale arbeidsdag opnieuw verkort zou moeten worden.

Er is slechts de schaamte en de meedogenloze mateloosheid van het kapitaal, dat de natuurlijke grenzen van de arbeidstijd tot in het absurde overschrijdt, waarbij stilzwijgend ook de arbeid met de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit intensiever en meer inspannend wordt. Dit dwingt de op de kapitalistische productie berustende maatschappij (waarbij natuurlijk de rebellie van de arbeidersklasse zelf de belangrijkste drijfveer is) om met geweld de normale arbeidsdag tot vastgestelde grenzen te beperken. Dit treedt echter pas op, zodra de kapitalistische productie al uit haar kindertijd, uit de oude tijd is, en haar eigen materiële basis geschapen heeft. Tegen deze gewelddadige beperking van de arbeidstijd reageert het kapitaal door de grotere condensatie van de arbeid, die van haar kant weer tot een zeker punt van nieuwe verkorting van de absolute arbeidstijd leidt. Pas op een hogere ontwikkelingsgraad van de productie treedt deze tendens op, die de uitbreiding door de nieuwe norm vervangt. Dit is een bepaalde voorwaarde van de maatschappelijke vooruitgang. Zo wordt vrije tijd ook voor de arbeiders geschapen en de intensiviteit van een bepaalde arbeid heft daarom niet de mogelijkheid van de activiteit in een andere richting op, die in tegendeel daartegen als ontspanning verschijnen kan, zo werken kan. Vandaar de buitengewone weldadige gevolgen, die dit proces - statistisch bewezen - op de lichamelijke, morele en intellectuele amelioratie (verbetering van de arbeidsomstandigheden, vertaler) van de arbeidende klasse in Engeland uitoefende.

Anderzijds is dit een van de redenen, waarom het arbeidsloon in Engeland in de takken, waarvoor de fabriekswetten gelden, eerder steeg dan daalde. Omdat de vraag naar ‘waren’ als gevolg van de uitbreiding van de wereldmarkt steeg, en namelijk volgens de inzichten van de kapitalisten door de omvang van deze vraag nog veel meer steeg, zodat de vraag naar arbeid, die echter niet, zoals onder de oude toestanden, door een kunstmatige verhoging van de arbeidstoevoer bevredigd worden kon, of die in haar effect op het arbeidsloon verlamd kon worden.

De toevoer van de arbeiders nam ook sterk af, gedeeltelijk door de emigratie uit Engeland, gedeeltelijk door de Ierse uittocht en de pest.