Karl Marx
Het Kapitaal, boek 3
Hoofdstuk 27


De rol van het krediet in de kapitalistische productie

De algemene observaties van het kredietwezen, leiden ons nu tot het volgende:

I. Het krediet is essentieel voor de egalisatie van de winstvoet of de bewegingen van deze egalisatie, waarop de gehele kapitalistische productie berust, tot stand te brengen.

II. Verlaging van de circulatiekost.

1. Een belangrijke circulatiekost is het geld zelf, voor zover het zelf een waarde is. Door het krediet wordt het drievoudig economisch beheerd.

A. Door het te vervangen voor een groot deel van de transacties.

B. Door een grotere circulatie van het gebruikte omloopmiddel.[85] Dit valt deels samen met wat onder 2 zal gezegd worden. Enerzijds is de versnelling technisch; d.w.z. bij verder gelijk blijvende grootte en hoeveelheid werkelijke omzet van waren in de consumptie, verricht een kleinere hoeveelheid geld, of geldteken, dezelfde dienst. Dit hangt samen met de techniek in het bankwezen. Anderzijds versnelt het krediet de vaart van de warenmetamorfose en zo een snelle geldcirculatie.

C. Vervanging van goudmunt door papier.

2. Versnelling, door het krediet, van de afzonderlijke circulatiefases, of de warenmetamorfose, later de metamorfose van kapitaal en daarmee de versnelling van het reproductieproces over het algemeen. (Aan de andere kant laat het krediet toe om de handeling van kopen en verkopen langer uit elkaar te houden en dient daarom als basis voor speculatie.) Volumevermindering van het reservefonds, dat dubbel kan worden beschouwd: enerzijds als vermindering van het circulerende medium, anderzijds als een beperking van het deel van het kapitaal dat altijd moet bestaan in de geldvorm.[86]

III. Oprichting van naamloze vennootschappen. Dientengevolge:

1. Een enorme schaalvergroting van productie en ondernemingen, die onmogelijk waren voor afzonderlijke kapitalen. Zulke ondernemingen, vroeger ondernemingen van de regering, zijn nu maatschappelijk.

2. Het kapitaal dat op zich gebaseerd is op een maatschappelijke productiewijze en een maatschappelijke concentratie veronderstelt van productiemiddelen en arbeidskracht, heeft hier direct de vorm van maatschappelijk kapitaal (kapitaal direct geassocieerd aan individuen) in tegenstelling tot privékapitaal, en de ondernemingen treden op als maatschappelijke ondernemingen in tegenstelling tot privéondernemingen. Het is de opheffing van het kapitaal als privé-eigendom binnen de grenzen van de kapitalistische productiewijze.

3. Verandering van de functionerende kapitalisten in louter bestuurders, beheerders van andermans kapitaal, en de kapitaalbezitters in louter bezitters, louter geldkapitalisten. Zelfs als het ontvangen dividend de rente en de ondernemerswinst bevat, d.w.z. de totale winst (want de bezoldiging van de manager is, of moet zijn, maar het arbeidsloon van een bepaald soort gekwalificeerde arbeid, waarvan de prijs wordt gereguleerd door de arbeidsmarkt, net als elke andere arbeid), wordt die totale winst alleen ontvangen in de rentevorm, d.w.z. als louter vergoeding voor het kapitaalbezit, dat nu geheel functioneel gescheiden is van het werkelijke reproductieproces, als de managers van het kapitaalbezit. De winst lijkt zo (niet meer alleen het rentedeel, gerechtvaardigd door de winst van de kredietnemers) slechts een toe-eigening van andermans meerarbeid, komende uit de verandering van het productiemiddel in kapitaal, d.w.z. uit hun vervreemding tegenover de echte producenten, uit hun tegenstelling als vreemde eigendom tegenover de werkelijk actieve individuen in de productie, van de manager tot de laatste dagloner. In de naamloze vennootschappen is de functie gescheiden van kapitaalbezit, ook de arbeid is dus volledig gescheiden van de eigendom van de productiemiddelen en de meerarbeid. Dit resultaat van de hoge ontwikkeling van de kapitalistische productie is een noodzakelijke fase voor het terug veranderen van kapitaal in eigendom van de producenten, maar niet meer als privé-eigendom van individuele producenten, maar als eigendom van geassocieerde producenten, als rechtstreekse maatschappelijke eigendom. Anderszins is het een fase in de transitie van alle in het reproductieproces verbonden functies met het kapitaalbezit, in functies van geassocieerde producenten, in maatschappelijke functies.

Alvorens verder te gaan, is er nog dit economisch belangrijke feit op te merken: omdat de winst hier de zuivere rentevorm aanneemt, zijn zulke ondernemingen maar mogelijk, als zij rente opbrengen en dit is één van de redenen die het dalen van de algemene winstvoet tegenwerken, omdat deze ondernemingen, met een constant kapitaal in een kolossale verhouding tot het variabele, niet noodzakelijk deelnemen aan het nivelleren van de algemene winstvoet.

{Sinds Marx het bovenstaande schreef, zijn er nieuwe vormen van industriële ondernemingen ontwikkelt met, zoals bekend, een tweede en derde productievermogen van de naamloze vennootschap. De dagelijks groeiende snelheid waarmee de productie verhoogt in alle gebieden van de grootindustrie, staat tegenover de steeds toenemende traagheid van de marktexpansie voor deze toenemende producten. Wat de ene in maanden produceert, kan de andere amper in jaren absorberen. Daarvoor dient het protectionisme, waarmee elk industrieel land zich tegen anderen afschermt en vooral Engeland, en zo de binnenlandse productiecapaciteit nog kunstmatig verhoogt. De gevolgen zijn een algemene chronische overproductie, prijsdruk, dalende en zelfs volledig verdwijnende winsten; kortom, de vanouds geroemde vrijheid van concurrentie is aan het eind van haar Latijn en moet openlijk haar schandalig bankroet aankondigen. Namelijk, dat in elk land de grootindustriëlen van een bepaalde tak zich verenigen in een kartel om de productie te reguleren. Een comité stelt voor iedere onderneming de te produceren hoeveelheid vast en verdeelt in laatste instantie de binnenkomende bestellingen. In afzonderlijke gevallen kwam het soms zelfs tijdelijk tot internationale kartels, zoals tussen de Engelse en Duitse ijzerproductie. Maar ook deze socialisatie van de productie volstond nog niet. De belangentegenstelling van de afzonderlijke bedrijven, doorbrak het vaak en herstelde de concurrentie. In afzonderlijke takken leidde dit ertoe, waar het productieniveau het toeliet, tot de concentratie van de volledige productie tot één grote naamloze vennootschap met één management. In Amerika is dit al herhaaldelijk uitgevoerd, in Europa is het grootste voorbeeld tot nu toe de United Alkali Trust, dat de gehele Britse productie van alkali in handen bracht van één enkele firma. De voormalige eigenaars van de – meer dan dertig – afzonderlijke bedrijven hebben voor hun gehele investering de taxatiewaarde in aandelen ontvangen, in totaal tegen de £5 miljoen, dat het vast kapitaal van de trust vertegenwoordigt. Het technische beheer blijft in dezelfde handen, maar de zakelijke leiding is geconcentreerd bij de algemene directie. Het circulatiekapitaal (floating capital) voor een bedrag van ongeveer één miljoen pond sterling werd voor intekening aangeboden aan het publiek. Het totale kapitaal is daarom £6 miljoen. Dus, in deze tak, die de basis vormt van de hele chemische industrie, is de concurrentie in Engeland vervangen door een monopolie en de toekomstige onteigening is heuglijk voorbereid door de hele maatschappij, de natie. – F.E.}

Het is de opheffing van de kapitalistische productiewijze binnen de kapitalistische productiewijze zelf en dus een zelfopheffende tegenspraak, die prima facie maar een overgangsfase is naar een nieuwe productievorm. Het manifesteert zich als zodanig als een tegenstelling. Het geeft in bepaalde sectoren een monopolie en vereist daarom staatsinterventie. Het reproduceert een nieuwe financiële aristocratie, een nieuw soort parasieten in de vorm van promotoren, speculanten en enkel in naam directeurs; een heel systeem van oplichterij en bedrog met betrekking tot kapitaalzwendel, uitgifte en handel van aandelen. Het is private productie zonder de controle van de privé-eigendom.

IV. Afgezien van de naamloze vennootschap – dat een opheffing is van de kapitalistische privé-industrie op basis van het kapitalistisch systeem zelf, en in dezelfde mate waarin het uitbreidt en nieuwe productiesectoren verovert die de privé-industrie vernietigt – biedt het krediet de individuele kapitalist of deze die er voor door gaat, absolute controle binnen zekere grenzen over andermans kapitaal en eigendom en daardoor over andermans arbeid.[87] Gebruik van maatschappelijk kapitaal, niet het eigen kapitaal, geeft hem de beschikking over maatschappelijke arbeid. Het kapitaal zelf, dat men werkelijk bezit, of in de ogen van het publiek, wordt de basis voor het kredietstelsel. Dit geldt vooral voor de groothandel, waar het grootste deel van het maatschappelijk product passeert. Alle normen, alle min of meer binnen de kapitalistische productiewijze plausibele motiveringen verdwijnen hier. Wat de speculerende groothandelaar riskeert, is de maatschappelijke eigendom, niet zijn eigendom. Net zo smakeloos is de frase over de oorsprong van het kapitaal uit de besparing, omdat verlangd wordt dat anderen voor hem sparen. {Zoals recent heel Frankrijk anderhalf miljard frank spaarde voor de Panamazwendel. Hier beschrijft Marx die hele Panamazwendel, een volle 20 jaar voordat het plaatsvond. – F.E.} De andere frase over de onthouding van luxe, is niet minder absurd, door de luxe bij hen zelf, en zelf een middel wordt tot krediet. Ideeën die slaan op een minder ontwikkeld niveau van de kapitalistische productie, worden hier volledig zinloos. Succes en mislukking leiden hier beide gelijktijdig tot een centralisatie van kapitaal en daarmee tot onteigening op een enorme schaal. De onteigening reikt van de directe producenten tot de kleine en middelgrote kapitalisten. Deze onteigening is het uitgangspunt van de kapitalistische productiewijze; haar verwezenlijking is het doel van deze productie, in laatste instantie de onteigening van alle productiemiddelen van de individuen, die met de ontwikkeling van de maatschappelijke productie ophouden middelen te zijn van de privéproductie en producten van de privéproductie, en zo alleen nog productiemiddel zijn in de handen van de geassocieerde producenten en daarmee maatschappelijke eigendom, zoals hun maatschappelijk product het is. Maar deze onteigening gebeurt binnen het kapitalistische systeem zelf in een tegenstrijdige vorm, als toe-eigening van het maatschappelijke eigendom door enkelen; en het krediet geeft deze enkelen steeds meer het karakter van pure fortuinzoekers. Daar het eigendom hier bestaat in de vorm van aandelen, is de beweging en overdracht puur het resultaat van de beurs, waar de kleine vis door de haaien en de lammeren door de beurswolven verslonden worden. In de naamloze vennootschap bestaat er reeds een tegenstelling in de oude vorm, het maatschappelijk productiemiddel verschijnt er als individueel eigendom; maar de verandering in de aandelen-vorm blijft zelf nog gevangen binnen het kapitalisme; in plaats van de tegenstelling te overwinnen tussen de maatschappelijke aard van de rijkdom en de privérijkdom, ontwikkelt het een nieuwe vorm.

De coöperatieve arbeidersfabrieken zelf, zijn binnen de oude vorm, het eerste doorbreken van de oude vorm, hoewel ze natuurlijk overal in hun daadwerkelijke organisatie, alle gebreken reproduceren van het bestaande systeem en moeten reproduceren. Maar de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid is daarbinnen opgeheven, eerst enkel in de vorm dat de arbeiders als een associatie, hun eigen kapitalist zijn, d.w.z. de productiemiddelen gebruiken tot nut van hun eigen arbeid. Zij laten zien hoe op een bepaald ontwikkelingsstadium van de productiekrachten en de bijbehorende maatschappelijke productievormen, op een natuurlijke wijze een nieuwe productiewijze ontstaat en groeit. Zonder het fabriekssysteem ontstaan uit de kapitalistische productiewijze, kon er geen coöperatieve fabriek zijn en evenmin het kredietsysteem uit dezelfde productiewijze. De laatste is de belangrijkste basis voor de geleidelijke transformatie van de kapitalistische privéondernemingen in kapitalistische naamloze vennootschappen, maar het biedt tevens de middelen voor een geleidelijke uitbreiding van coöperatieve ondernemingen op een min of meer nationale schaal. De kapitalistische naamloze vennootschappen zijn net als de arbeiderscoöperaties overgangsvormen van de kapitalistische productiewijze naar de geassocieerde, alleen is de tegenstelling negatief opgeheven in de ene en in de andere positief opgeheven.

Tot nu toe hebben we de ontwikkeling van het kredietstelsel – en de impliciete latente opheffing van kapitaaleigendom – voornamelijk bekeken met betrekking tot het industriële kapitaal. In de volgende hoofdstukken analyseren we het krediet met betrekking tot het rentegevende kapitaal, zowel het effect erop als de vorm die het aanneemt; bovendien zijn er nog enkele specifiek economische opmerkingen te maken.

Maar eerst nog dit:
Als het kredietstelsel de belangrijkste hefboom is van overproductie en speculatiewoede in de handel, is het omdat het reproductieproces, door zijn aard elastisch, hier gedwongen wordt tot zijn uiterste grenzen en daarom inderdaad wordt geforceerd omdat een groter deel van het maatschappelijk kapitaal door niet-eigenaren wordt aangebracht en zij bijgevolg heel anders handelen dan de kapitaaleigenaar, die uit schrik nadenkt over de limieten van zijn privékapitaal, voor zover hij zelf handelt. Dit demonstreert het feit dat de kapitalistische productie, gebaseerd op het tegengestelde karakter ervan, het gebruik van het kapitaal de werkelijke, vrije ontwikkeling alleen tot aan een bepaald punt veroorlooft, zodat feitelijk immanent de productie in toom wordt gehouden, maar voortdurend door het kredietstelsel wordt doorbroken.[88] Daarom versnelt het kredietwezen de materiële ontwikkeling van de productiekrachten en de creatie van een wereldmarkt, dat als materieel fundament van de nieuwe productievorm tot op zekere hoogte te realiseren is, die de historische missie is van de kapitalistische productiewijze. Gelijktijdig versnelt het krediet de gewelddadige uitbarstingen van deze tegenstelling, de crisissen, en daarmee elementen van ontbinding van de oude productiewijze.

Het immanent dubbelzijdige karakter van het kredietstelsel: enerzijds het motief van de kapitalistische productie, de verrijking door uitbuiting van vreemde arbeid, tot het meest pure en meest kolossale concurrentie- en zwendelsysteem te ontwikkelen en het aantal uitbuiters van de maatschappelijke rijkdom te beperken; anderzijds het scheppen van de transitie naar een nieuwe productiewijze, – deze dubbelheid is het, dat de belangrijkste predikers van het krediet, van Law tot Isaak Péreire, tot charlatans en profeten maakt.

_______________
[85] “Het gemiddelde van de biljetten in circulatie van de Bank van Frankrijk was in 1812: 106.538.000 frank; 1818: 101.205.000 frank, terwijl de geldcirculatie, de totaliteit van inkomsten en betalingen, in 1812 2.837.712.000 frank was, en 1818: 9.665.030.000 frank. De circulatie in Frankrijk in 1818 verhield zich dan ook als die van 1812 in de verhouding 3:1. De grote regulator van de omloopsnelheid is het krediet... Dit verklaart waarom een grote druk op de geldmarkt gewoonlijk samenvalt met een volledige circulatie.” (The Currency Theory reviewed etc., p. 65.) – “Tussen september 1833 en september 1843 zagen bijna 300 banken in Groot-Brittannië het licht, die eigen bankbiljetten uitgaven; het resultaat was een inkrimping van de biljettencirculatie van 21/2 miljoen; eind september 1833 was dit £36.035.244 en eind september 1843: £33.518.544.” (l.c.p. 53.) – “De wonderlijke activiteit van de Schotse circulatie stelt hen in staat met £100 dezelfde hoeveelheid geldtransacties af te handelen die in Engeland £420 vereisen.” (l.c.p. 53. Dit laatste betreft alleen het technische van de operatie.)
[86] “Voor de oprichting van de banken was de hoeveelheid opgenomen kapitaal ten behoeve van het circulerende medium ten alle tijden groter dan de reële warencirculatie vereiste.” (Economist, 1845, p. 238.)
[87] Bekijk bv. in de Times de lijst met faillissementen van een crisisjaar zoals dat van 1857 en vergelijk het eigen vermogen van de bankroetier met het bedrag van zijn schuld. – “In werkelijkheid is de koopkracht van mensen die kapitaal en krediet bezitten hoger dan wat er in de voorstelling leeft van dezen die praktisch niet vertrouwd zijn met de speculatieve markten.” (Tooke, Inquiry into the Currency Principle, p. 79.) “Een man met de reputatie genoeg kapitaal te hebben voor zijn normale activiteiten, en in zijn branche geniet van een goede kredietwaardigheid, kan, wanneer hij optimistisch is aangaande de stijgende conjunctuur van het artikel waarin hij handelt en als de omstandigheden gunstig zijn in het begin en het verloop van zijn speculatie, aankopen doen die regelrecht enorm zijn, vergeleken met zijn kapitaal.” (ibidem, p. 136.) – “Fabrikanten, handelaren etc., doen allemaal zaken ver boven hun kapitaal alleen ... Het kapitaal is heden ten dage veeleer de basis, waarop een goed krediet wordt gegeven, dan de beperking van de omzet van een of ander commercieel bedrijf.” (Economist, 1847, p. 1333.)
[88] Th. Chalmers.