De elementen van het bankkapitaal


Nu is het nodig in detail te bekijken waaruit het bankkapitaal bestaat.

We hebben net gezien dat Fullarton e.a. het verschil tussen geld als circulatiemiddel en geld als betaalmiddel (ook als wereldgeld, als men rekening houdt met de goudafvloeiing) veranderen in een verschil tussen circulatie (currency) en kapitaal.

De merkwaardige rol hier van het kapitaal, geeft dat de zo zorgvuldig verlichte economie stelt dat geld geen kapitaal is, en ook zorgvuldig de economen van de banken doordringt van het feit dat geld par excellence kapitaal is.

In de volgende analyses zullen we demonstreren dat geldkapitaal wordt verward met moneyed capital, in de zin van rentegevend kapitaal, terwijl in de eerste zin het geldkapitaal slechts een voorbijgaande kapitaalsvorm is, verschillend van de andere kapitaalsvormen, het warenkapitaal en het productieve kapitaal.

Het bankkapitaal bestaat 1. uit baar geld, goud of bankbiljetten; 2. waardepapieren. Deze kunnen we weer in twee splitsen: vlottend handelspapier en wissels die van tijd tot tijd vervallen en waarvan het disconteren het echte bankieren uitmaakt; en openbare waardepapieren, zoals staatspapieren, schatkistbiljetten, alle soorten aandelen, kortom rentegevende papieren, duidelijk verschillend van de wissels. Hier horen ook de hypotheken bij. Het kapitaal samengesteld uit deze feitelijke bestanddelen, splitst zich weer in het geïnvesteerde kapitaal van de bankiers en in de deposito’s, dat zijn banking capital of geleend kapitaal is. In het geval dat de banken biljetten uitgeven, komen die er nog bij. Deposito’s en bankbiljetten laten we nu buiten beschouwing. Het is duidelijk dat de componenten van het bankkapitaal – geld, wissels, deposito’s – niets veranderen, of ze nu verschillende elementen van zijn eigen kapitaal voorstellen of deposito’s, andermans kapitaal. Het zou dezelfde indeling blijven indien hij met eigen kapitaal zaken doet, of enkel met kapitaal bij hem gedeponeerd.

De vorm van het rentegevende kapitaal houdt in dat elk definitief en regelmatig geldinkomen verschijnt als rente van het kapitaal, of het nu wel of niet komt van een kapitaal. Eerst wordt het geldinkomen veranderd in rente, en met die rente is het kapitaal te vinden waaruit het afkomstig is. Op dezelfde wijze verschijnt met het rentegevende kapitaal elke waardesom als kapitaal, als het niet als inkomen wordt uitgegeven; namelijk als het voornaamste (principal) in tegenstelling tot de mogelijke of werkelijke rente, die het kan geven.

De zaak is eenvoudig: stel, de gemiddelde rentevoet is 5 % per jaar. Een bedrag van £500 zou dus jaarlijks £25 opbrengen, indien het verandert in rentegevend kapitaal. Elk vast jaarinkomen van £25 wordt dus als rente van een kapitaal van £500 beschouwd. Maar dit is en blijft een pure illusie, behalve in het geval dat de oorsprong van de £25, of het nu een eigendomstitel, respectievelijk schuldvordering, of een echt deel van de productie is, zoals bv. een stuk grond, direct over te dragen is of een vorm heeft waarin het overdraagbaar wordt. Neem bv. de staatsschuld en het arbeidsloon.


De staat moet jaarlijks zijn crediteurs een bepaald rentebedrag betalen voor het geleende kapitaal. In dit geval kan de crediteur niet zijn relatie met de schuldenaar beëindigen, enkel de vordering, zijn eigendomstitel, verkopen. Het kapitaal zelf is weg, uitgegeven door de staat. Het bestaat niet meer. Wat een crediteur van de staat heeft, is 1. een schuldbrief, zeg £100; 2. het recht, door deze schuldbrief, op de jaarlijkse staatsinkomsten, d.w.z. de jaarlijkse opbrengst van de belastingen, voor een bepaald bedrag, zeg £5 of 5 %; 3. hij kan deze promesse van £100 naar believen verkopen aan anderen. Is de rentevoet 5 %, en gewaarborgd door de staat, kan eigenaar A de schuldbrief meestal tegen £100 aan B verkopen; want voor B is het hetzelfde, of hij £100 leent tegen 5 % per jaar, of dat hij door het betalen van £100 zich verzekert van een jaarlijks tribuut van de staat voor een bedrag van £5. Maar in al deze gevallen blijft het kapitaal, zo de betalingen van de staat als een afgeleide (rente) wordt beschouwd, een illusie, in schijn kapitaal. Niet enkel omdat de geleende som aan de staat niet meer bestaat. Het was zelfs nooit bedoeld als kapitaal geïnvesteerd en gebruikt te worden, alleen door een investering als kapitaal had het zich kunnen veranderen in een waarde die zich in stand houdt. Voor de oorspronkelijke kredietgever A vertegenwoordigt het hem toevallende deel van de jaarlijkse belasting, de rente op zijn kapitaal, zoals bij de woekeraar het hem toevallende deel van het vermogen van de verkwister, hoewel in beide gevallen de geleende geldsom niet als kapitaal was uitgegeven. De mogelijkheid zijn staatspapier te verkopen, vertegenwoordigt voor A de mogelijke terugkeer van zijn hoofdsom. Wat B betreft, vanuit zijn individueel standpunt, is zijn kapitaal als rentegevend kapitaal belegd. Volgens de transactie heeft B de plaats van A ingenomen en de staatsschuldvordering gekocht. Deze transacties kunnen zich nog zoveel vermenigvuldigen, het kapitaal van de staatsschuld blijft pure schijn, vanaf het moment dat de schuldbrieven onverkoopbaar worden, verdwijnt de schijn van dit kapitaal. Niettemin, zoals we dadelijk zullen zien, heeft dit schijnkapitaal een eigen beweging.

In tegenstelling nu tot het kapitaal van de staatsschuld, waar het kapitaal verschijnt als een negatieve kwantiteit – zoals trouwens het rentegevende kapitaal de moeder is van alle absurde vormen, zodat bv. schulden aan de bankier verschijnen als waren – bekijken we nu de arbeidskracht. Het arbeidsloon wordt hier opgevat als rente, dus de arbeidskracht als het kapitaal dat deze rente voortbrengt. Is bv. het arbeidsloon van een jaar = £50 en de rentevoet is 5 %, dan is de jaarlijkse arbeidskracht gelijk aan een kapitaal van £1.000. De absurditeit van de kapitalistische idee bereikt hier een hoogtepunt, omdat het gebruik van kapitaal niet verklaard wordt uit de uitbuiting van de arbeidskracht, maar omgekeerd dat de productiviteit van de arbeidskracht verklaard wordt door de arbeidskracht zelf de mystieke kwaliteit toe te schrijven van rentegevend kapitaal te zijn. In de tweede helft van de 17e eeuw (bv. bij Petty) was dit idee favoriet, en zelfs vandaag nog in alle ernst bij een deel van de vulgair-economen en een deel van vooral Duitse statistici.[92] Helaas zijn er twee omstandigheden die deze ondoordachte gedachte op onaangename wijze in de weg staan: ten eerste, dat de arbeider moet werken voor deze rente, ten tweede, dat hij de kapitaalwaarde van zijn arbeidskracht niet kan verzilveren door middel van overdracht. In plaats daarvan is de jaarlijkse waarde van zijn arbeidskracht gelijk aan zijn jaarlijkse gemiddelde loon, en wat hij de koper, door zijn arbeid, in ruil te geven heeft, dat is zelf deze waarde plus de meerwaarde, haar realisering. In de slavenmaatschappij heeft de arbeider een kapitaalwaarde, namelijk zijn koopprijs. En als hij verhuurd wordt, moet de huurder de rente van de aankoopprijs betalen en bovendien de jaarlijkse slijtage van het kapitaal.

De ontwikkeling van het schijnbare kapitaal heet kapitaliseren. Men kapitaliseert de regelmatige inkomsten, door de gemiddelde rentevoet te berekenen in overeenstemming met de opbrengst van een kapitaal, uitgeleend aan deze rentevoet; bv. als het jaarlijks inkomen = £100 en de rentevoet = 5 %, dan zou £100 de jaarlijkse rente zijn van £2.000, en de £2.000 is dan te zien als de kapitaalwaarde van de juridische eigendomstitel op die jaarlijkse £100. Voor deze die de eigendomstitel koopt, vertegenwoordigt het inkomen van £100 jaarlijks, dan feitelijk het rendement van zijn belegd kapitaal aan 5 %. Maar alle samenhang met het werkelijke gebruik van het kapitaal gaat zo totaal verloren en het begrip van het kapitaal als een zich zelf waarde realiserende automaat bevestigt dit.

Ook waar de schuldbrief – het waardepapier – geen zuiver illusoir kapitaal vertegenwoordigt, zoals de staatsschuld, is de kapitaalwaarde van deze papieren een pure illusie. Eerder hebben we gezien hoe het kredietwezen geassocieerd kapitaal creëert. De waardepapieren gelden als eigendomstitels die kapitaal voorstellen. De aandelen van spoorweg-, mijn-, scheepvaart-, enz. maatschappijen stellen echt kapitaal voor, namelijk het fungerende kapitaal geïnvesteerd in deze ondernemingen of de geldsom door de vennoten voorgeschoten om gebruikt te worden als kapitaal in zulke ondernemingen. Wat in geen geval een bedrog uitsluit. Maar dit kapitaal bestaat niet tweemaal, een keer als de kapitaalwaarde van de eigendomstitel, de aandelen, en de andere keer als het werkelijk geïnvesteerde kapitaal in die ondernemingen. Het bestaat alleen in de laatste vorm en het aandeel is slechts een eigendomstitel, pro rata, op de erdoor gerealiseerde meerwaarde. A mag deze titel verkopen aan B, en B aan C. Deze transacties veranderen niets aan de aard van de zaak. A of B heeft dan zijn titel in de kapitaalsvorm, maar C heeft zijn kapitaal veranderd in een eigendomstitel op de verwachte meerwaarde van het aandelenkapitaal.

De zelfstandige beweging van de waarde van deze eigendomstitels, niet alleen van staatseffecten, maar ook aandelen, bevestigt de illusie dat het echt kapitaal is naast het kapitaal of de claim, waarvan ze mogelijk titels zijn. Want ze worden waren waarvan de prijs een eigen beweging en bepaling heeft. Hun marktwaarde krijgt een andere nominale waarde, zonder dat de waarde (ook bij gebruik) van het werkelijke kapitaal verandert. Aan de andere kant schommelt hun marktwaarde met de hoogte en zekerheid van de winst, waarop de titel recht geeft. Is de nominale waarde van een aandeel, d.w.z. de oorspronkelijk geïnvesteerde som van het aandeel, £100 en de onderneming geeft 10 % in plaats van 5 %, dan, bij identieke omstandigheden, stijgt de marktwaarde tot £200 bij een rentevoet van 5 %, want tegen 5 % gekapitaliseerd, stelt het nu een fictief kapitaal voor van £200. Wie het voor £200 koopt ontvangt 5 % inkomen uit deze belegging. En omgekeerd, indien de winst van de onderneming daalt. De marktwaarde van dit papier is deels speculatief, omdat het niet berekend en bepaald is door het reële inkomen, maar ook door het geanticipeerde. Maar wanneer het gebruik van het effectieve kapitaal constant is, of waar geen kapitaal bestaat, zoals de staatsschuld, en het jaarlijks rendement wettelijk vastgesteld en voldoende gewaarborgd is, stijgt en daalt de prijs van deze waardepapieren omgekeerd aan de rentevoet. Stijgt de rentevoet van 5 naar 10 %, dan vertegenwoordigt een waardepapier, dat een opbrengst van £5 garandeert, nog maar een kapitaal van £50. Daalt de rente naar 2,5 % vertegenwoordigt hetzelfde waardepapier een kapitaal van £200. De waarde ervan is steeds de gekapitaliseerde opbrengst, d.w.z. de opbrengst berekent op een illusoir kapitaal volgens de geldende rentevoet. Indien de geldmarkt een crisis kent, zullen deze waardepapieren dus dubbel in prijs dalen; ten eerste omdat de rentevoet stijgt, ten tweede omdat ze massaal op de markt worden geworpen om ze te gelde te maken. Deze prijsdaling is onafhankelijk van de constante opbrengst, gegarandeerd door deze papieren, zoals het geval is bij staatseffecten, of het gebruik van het werkelijke kapitaal dat het vertegenwoordigt, zoals in industriële ondernemingen die eventueel getroffen worden in hun reproductieproces. In het laatste geval komt er nog een waardevermindering bij. Zodra de storm voorbij is, stijgen deze papieren weer naar het oude niveau, voor zover ze niet een faillissement of bedrog vertegenwoordigen. Hun depreciatie in crisistijd is een krachtig middel voor de centralisatie van de geldvermogens.[93]

Voor zover de waardevermindering of waardevermeerdering van deze papieren onafhankelijk is van de waardebeweging van het werkelijke kapitaal dat het vertegenwoordigt, is de rijkdom van een natie zo groot voor, als na de waardevermindering of waardestijging.

“Op 23 oktober 1847 waren de publieke fondsen en de kanaal- en spoorwegaandelen al £114.752.225 minder waard” (Morris, gouverneur van de Bank of England, getuigenis in het rapport over Commercial Distress, 1847/48 [nr. 3800].)


De natie verliest geen cent met deze vermindering of vermeerdering van het nominale geldkapitaal, met het uiteenspatten van deze zeepbellen, voor zover de productie, en het verkeer op spoorwegen en kanalen, niet stilvalt of opgestarte ondernemingen stoppen, of kapitaal verkwisten in waardeloze ondernemingen.

Al deze papieren zijn inderdaad niets anders dan geaccumuleerde claims, rechtstitels, op de toekomstige productie, waarvan de geld- of kapitaalwaarde, ofwel helemaal geen kapitaal vertegenwoordigt, bv. de staatsschuld, of onafhankelijk gereguleerd door de waarde van het echte kapitaal, dat het vertegenwoordigt.

In alle landen met een kapitalistische productie bestaat er in deze vorm, een enorme massa zg. rentegevend kapitaal of moneyed capital. En onder accumulatie van geldkapitaal is voor een groot deel niets anders te begrijpen dan accumulatie van deze claims op de productie, de accumulatie van de marktprijzen, de illusoire kapitaalwaarde van deze claims.

Een deel van het bankkapitaal is nu belegd in deze zg. rentegevende papieren. Dit is een deel van het reservekapitaal dat niet fungeert in het echte bankwezen. Het belangrijkste deel bestaat uit wissels, beloftes van industriële kapitalisten of handelaren om te betalen. Voor de geldschieter zijn deze wissels, rentegevende papieren; d.w.z. als hij ze koopt, trekt hij de rente af van hun looptijd. Dit heet disconteren. Het hangt dus af van de rentevoet, hoe groot de aftrek is van het bedrag van de wissels. –


Tot slot, het laatste deel van het kapitaal van de bankiers bestaat uit zijn geldreserve in goud of bankbiljetten. De deposito’s, tenzij contractueel voor een lange tijd vastgelegd, zijn steeds disponibel voor de depositeurs. Zij fluctueren constant. Maar waar de ene getrokken wordt, wordt ze door een andere vervangen, zodat het algemeen gemiddelde in tijden van normale handel, weinig fluctueert.

Het reservefonds van de banken, in landen met een ontwikkelde kapitalistische productie, geeft de gemiddelde grootte aan van het als schat voorhanden geld, een deel van deze schatten bestaat zelf weer uit papier, louter wissels op goud, die zelf geen waarde hebben. Het grootste deel van het bankkapitaal is dus puur schijn en bestaat uit schuldvorderingen (wissels), staatspapier (besteed kapitaal) en aandelen (wissels op toekomstige inkomsten). Waarbij niet mag vergeten worden dat de geldwaarde van het kapitaal, vertegenwoordigd door de papieren in de brandkast van de bankiers, zelf schijn zijn voor zover ze wissels zijn met verzekerde opbrengst (bv. staatspapier) of eigendomstitels op echt kapitaal (bv. aandelen) en de waarde van het reëele kapitaal, dat ze minstens gedeeltelijk vertegenwoordigen, verschillend gereguleerd wordt; of waar het alleen een vordering op inkomen voorstelt en geen kapitaal, de vordering op hetzelfde inkomen wordt uitgedrukt in het voortdurend veranderende fictieve geldkapitaal. Bovendien, dit fictieve bankkapitaal is grotendeels geen kapitaal van de bank, maar van het publiek, dat het bij de bank deponeerde, met of zonder rente.

De deposito’s worden steeds in geld gemaakt, in goud of bankbiljetten, of in wissels daarop. Met uitzondering van het reservefonds, dat toe- of afneemt volgens de behoefte van de reële circulatie, zijn deze deposito’s in werkelijkheid steeds in handen van enerzijds, de industriële kapitalisten en handelaars, van wie de wissels daarmee gedisconteerd en voorschotten gemaakt worden; anderzijds, in handen van een handelaar in waardepapieren (beursmakelaar) of in de handen van particulieren, die hun effecten hebben verkocht, of in handen van de regering (schatkistbiljetten en nieuwe leningen). De deposito’s zelf spelen een dubbele rol. Enerzijds, zoals zojuist vermeld, zijn ze als rentegevend kapitaal uitgeleend en zijn ze dus niet in de kas van de banken, maar staan ze in de boeken als tegoeden van de depositeurs. Anderzijds fungeren ze alleen als een post in de boekhouding, voor zover de wederzijdse tegoeden van de depositeurs door cheques vereffend en tegen elkaar worden afgeschreven; waarbij het niet uitmaakt of de deposito’s bij dezelfde bank liggen, en deze de verschillende rekeningen tegen elkaar afschrijft, of dat dit gebeurt in meerdere banken die hun cheques ruilen en elkaar slechts het verschil betalen.

Met de ontwikkeling van het rentegevend kapitaal en het kredietstelsel, lijkt al het kapitaal te verdubbelen en hier en daar te verdrievoudigen tijdens de verschillende wijze, waarbij hetzelfde kapitaal of dezelfde schuldvordering in verschillende handen onder verschillende vormen verschijnt.[94] Het grootste deel van dit “geldkapitaal” is pure schijn. Alle deposito’s, met uitzondering van het reservefonds, zijn niets anders dan tegoeden bij de bank, maar die niet bestaan als deposito’s. In de mate dat ze dienen voor overschrijvingen, dient het als kapitaal voor de bank, nadat ze het hebben uitgeleend. Zij betalen elkaar hun wederzijdse wissels op de niet-bestaande deposito’s door verrekening van deze tegoeden jegens elkaar.
A. Smith over de rol van het kapitaal bij geldleningen:

“Zelfs in geldzaken is het geld als het ware toch maar de assignatie, die de kapitalen, waarvoor de eigenaars geen gebruik hebben, van de ene hand naar de andere verplaatst. Deze kapitalen kunnen bijna groter zijn dan het geldbedrag dat het instrument is van de transfer; dezelfde geldstukken worden na elkaar gebruikt voor verschillende andere leningen, evenals voor verschillende aankopen. A bv. leent aan W £1.000, waarmee W direct bij B voor £1.000 waren koopt. Omdat B het geld niet kan aanwenden, leent hij diezelfde geldstukken aan X, waarmee X meteen bij C weer voor £1.000 waren koopt. Op dezelfde wijze en om dezelfde reden leent C het geld aan Y die opnieuw waren koopt bij D. Zo kunnen dezelfde goudstukken of papier in enkele dagen dienstbaar zijn bij drie verschillende leningen en bij drie verschillende aankopen, die elk in waarde gelijk zijn aan het volledige bedrag van deze goudstukken. Wat de drie geldmannen A, B en C de drie kredietnemers W, X en Y hebben bezorgd, is de potentie deze aankopen te maken. In deze macht bestaat zowel de waarde als het voordeel van deze leningen. Het geleende kapitaal van de drie geldmannen is gelijk aan de waarde van de waren die daarmee kunnen gekocht worden, en is drie keer groter dan de geldwaarde waarmee die aankoop wordt gemaakt. Toch kunnen al deze leningen volledig veilig zijn, aangezien de gekochte waren door de verschillende kredietnemers gebruikt worden en tijdig een gelijke waarde van goud- of papiergeld, met winst, opbrengen. Als dezelfde geldstukken kunnen gebruikt worden voor verschillende leningen, tot het drievoudige of zelfs dertig maal de waarde, kunnen ze evengoed na elkaar een middel zijn tot terugbetaling.” (Boek II, hfst. IV.)


Daar hetzelfde geldstuk voor verschillende aankopen kan dienen, volgens zijn circulatiesnelheid, kan het net zo goed gebruikt worden voor verschillende leningen, want de aankopen verplaatsen het van de ene hand naar de andere, en de lening is maar een transfer van de ene hand naar een andere, maar zonder bemiddeling van een koop. Elke verkoper stelt het geld voor als de veranderde vorm van zijn waren; vandaag de dag, waar elke waarde wordt uitgedrukt als kapitaalwaarde, vertegenwoordigt het in verschillende leningen een reeks verschillende kapitalen, wat een andere uitdrukking is van de eerdere stelling, dat het verschillende warenwaarden achtereenvolgens kan realiseren. Tegelijk dient het als circulatiemiddel om de feitelijke kapitalen te transferen van de ene naar de andere. Bij leningen gaat het niet als een circulatiemiddel over van de ene hand in de andere. Zolang het blijft in de hand van de kredietgever, is het in zijn hand geen circulatiemiddel, maar het bestaat als waarde van zijn kapitaal. En in deze vorm transfereert hij het in leningen aan een derde. Had A geld aan B geleend, en B aan C, zonder tussenkomst van de aankopen, dan zou hetzelfde geld niet drie, maar slechts één kapitaal voorstellen, slechts één kapitaalwaarde. Hoeveel kapitalen het werkelijk voorstelt is afhankelijk van het feit, hoe vaak het dient als de waardevorm van de verschillende warenkapitalen.

Wat A. Smith over leningen zegt, dat geldt ook voor deposito’s, dat toch maar een specifieke naam is voor leningen, die het publiek aan de bankiers verstrekt. Diezelfde geldstukken kunnen dienen als instrument voor een aantal deposito’s.

“Het is ontegenzeggelijk waar, dat de £1.000 die iemand vandaag bij A deponeert, morgen wordt uitgegeven en een deposito is bij B. De dag erna, een betaling door B, kan een deposito zijn bij C, enzovoort ad infinitum. En diezelfde £1.000 in geld kan dan ook door een reeks transfers zich vermenigvuldigen tot een absoluut onbepaald aantal deposito’s. Het is dus mogelijk dat negentiende van alle deposito’s in het Verenigd Koninkrijk onbestaande zijn, behalve als posten in de boeken van de banken, die op hun beurt er verantwoordelijk voor zijn ... Bv. in Schotland, waar de geldcirculatie nooit meer dan £3 miljoen was, bedroegen de deposito’s 27 miljoen. Tenzij er een algemene rush op de banken is omwille van de deposito’s, kan diezelfde £1.000, met hetzelfde gemak terug een even onbepaalbare som vereffenen. Omdat dezelfde £1.000, waarmee vandaag iemand een schuld betaalt aan een handelaar, deze zijn schuld morgen kan vereffenen aan een andere handelaar en de dag daarop de schuld van die handelaar aan de bank, en zo verder zonder einde; aldus gaat diezelfde £1.000 van hand tot hand en van bank tot bank en vereffent elk denkbaar aantal deposito’s.” (The Currency Theory Reviewed, pp. 62, 63.)


Zoals alles in dit kredietsysteem verdubbelt en verdrievoudigt en verandert in een hersenschim, zo is dat ook voor het “reservefonds”, waar men ten slotte denkt iets solide te hebben.
Laten we nog eens luisteren naar de heer Morris, gouverneur van de Bank of England:

“De reserves van de privébanken, in de vorm van deposito’s, zijn in handen van de Bank of England. Het eerste effect van een goudafvloeiing lijkt enkel de Bank of England te treffen; maar het zou net zo goed invloed hebben op de reserves van andere banken, aangezien het de uitstroom van een deel van de reserve betreft, gedeponeerd bij onze bank. Net zo zou het effect hebben op de reserves van alle provinciale banken.” (Commercial Distress, 1847/48 [nr. 3639, 3642].)


In realiteit lossen de reservefondsen zich op in het reservefonds van de Bank of England.[95] Maar ook dit fonds heeft een dubbel bestaan. Het reservefonds van het banking department is gelijk aan het overschot van de bankbiljetten, die de bank gerechtigd is uit te geven, bovenop de circulerende bankbiljetten. Het wettelijk maximum van de uit te geven bankbiljetten is = 14 miljoen (waarvoor geen edelmetaalreserve vereist is; bij benadering is het het schuldbedrag van de staat aan de bank) plus het bedrag van de voorraad edelmetaal van de bank. Als de voorraad = £14 miljoen is, kan de bank dus £28 miljoen bankbiljetten uitgeven, en als er 20 miljoen in circulatie is, is het banking department reservefonds = 8 miljoen. Deze 8 miljoen bankbiljetten zijn dan het wettelijk bankkapitaal waarover de bank kan beschikken, en tegelijk het reservefonds voor hun deposito’s. Zou er een goudafvloeiing zijn, die het edelmetaal met 6 miljoen mindert – waarvoor evenveel bankbiljetten moeten worden vernietigd – zou de reserve van het banking department verminderen van 8 tot 2 miljoen. Enerzijds zou de bank haar rentevoet aanzienlijk verhogen; anderzijds zouden banken en andere depositeurs, die bij haar deposito’s hebben, het reservefonds voor hun eigen tegoeden bij de bank danig zien slinken. In 1857 dreigden de vier grote Londense aandelenbanken hun deposito’s in te vorderen, waardoor het banking department failliet zou zijn geweest, tenzij de Bank of England een “regeringsbrief” kreeg met de opschorting van de bankwet van 1844.[96] Zo kan het banking department failleren als in 1847, terwijl er willekeurig miljoenen (bv. 8 miljoen in 1847) zich bevinden in het issue department, als waarborg voor de convertibiliteit van de circulerende bankbiljetten. Maar dit is weer illusoir.

“Een groot deel van de deposito’s, waarvoor de bankiers zelf niet direct een vraag hebben, gaat naar de bill-brokers” (letterlijk wisselmakelaar, in realiteit halve bankiers), “die de bankier daarvoor, als garantie, handelseffecten geven voor het voorschot en die reeds verdisconteerd zijn voor mensen te Londen en in de provincie. De bill-broker is tegenover de bankier verantwoordelijk voor de terugbetaling van dit money at call” {Geld dat op verzoek direct opeisbaar is}; “en deze transacties zijn zo omvangrijk, dat de heer Neave, de huidige gouverneur van de Bank” {of England} “in zijn getuigenis zegt: ‘We weten dat een broker 5 miljoen had, en we hebben redenen om te geloven dat een andere tussen de 8 en 10 miljoen had; een had er 4, een ander 3,5 en een derde meer dan 8. Ik spreek van deposito’s bij de brokers.’” (Report of Committee on Bank Acts, 1857/58, p. V, lid 8.)

“De Londense bill-brokers ... voeren hun omvangrijke transacties uit zonder enige kasreserve; ze verlaten zich op ontvangsten uit de opeenvolgende vervallende wissels of in geval van nood op hun macht voorschotten te krijgen van de Bank of England, tegen de bewaargeving van de door hen verdisconteerde wissels.” [Ibidem, p. VIII, lid nr. 17.] – “Twee Londense bill-brokers stopten hun betalingen in 1847; maar beiden begonnen later opnieuw. In 1857 stoppen ze weer. Het passief van het ene huis in 1847 was, afgerond, £2.683.000 voor een kapitaal van £180.000; en in 1857 een passiva = £5.300.000, terwijl het kapitaal waarschijnlijk niet meer dan een vierde bedroeg van dat van 1847. Het passief van het andere huis lag telkens tussen de 3 en 4 miljoen, voor een kapitaal van niet meer dan £45.000.” (Ibidem, p. XXI, lid nr. 52.)

_______________
[92] “Bij de arbeider kan men kapitaalwaarde vinden, als men de geldwaarde van zijn jaarlijks inkomen ziet als renteopbrengst ... Wanneer men ... het gemiddelde dagloon met 4 % kapitaliseert krijgt men de gemiddelde waarde van een mannelijke landarbeider: Duits-Oostenrijk 1.500 taler, Pruisen 1.500, Engeland 3.750, Frankrijk 2.000, Centraal-Rusland 750 taler.” (Von Reden, Vergleichende Kulturstatistik, Berlin 1848, p. 434.)
[93] {Onmiddellijk na de Februarirevolutie, toen in Parijs waren en waardepapieren extreem in waarde gedaald waren en totaal onverkoopbaar, zette een Zwitserse handelaar in Liverpool, de heer R. Zwilchenbart (die dit aan mijn vader vertelde) alles wat hij kon om in contanten, reisde met die contanten naar Parijs en stapte naar Rothschild, hem voorstellend een gemeenschappelijke zaak te ondernemen. Rothschild staarde naar hem, liep naar hem toe en greep hem bij de schouders: “Avez-vous de l’argent sur vous?” – “Oui, M. le Baron.” – “Alors vous êtes mon homme!” [“Heeft u geld bij zich?” – “Ja, meneer de baron.” – “Dan bent u mijn man!”] – En allebei maakten ze schitterende zaken. – F.E.}
[94] {Deze verdubbeling en verdrievoudiging van kapitaal is de laatste jaren aanzienlijk geëvolueerd, bv. door financiële trusts, die in de Londense beursberichten al een aparte rubriek beslaan. Er is een handel voor de aankoop van een bepaalde categorie rentegevende papieren, bv. buitenlandse staatspapieren, Engelse stedelijke of Amerikaanse openbare schuldbrieven, spoorwegaandelen etc. Het kapitaal, bv. £2 miljoen, wordt verzameld door intekening op aandelen; de directie koopt de betreffende waarden, of speculeert er meer of minder actief mee, en verdeelt de jaarlijkse rente, na aftrek van de kosten, als dividenden aan de aandeelhouders. – Bovendien is er bij afzonderlijke nv’s de gewoonte ontstaan de normale aandelen in twee categorieën in te delen, preferred [preferente aandelen] en deferred [uitgestelde aandelen]. De preferred genieten een vaste rentevoet, bv. 5 %, op voorwaarde dat de totale winst dit toelaat; blijft er dan nog iets over, gaat dit naar het deferred. Op deze wijze is de “solide” kapitaalinvestering in preferred-aandelen, min of meer gescheiden van de speculatie – met de deferred-aandelen. Omdat enkele grote ondernemingen deze nieuwe mode niet willen volgen, gebeurt het dat er vennootschappen ontstaan die één of meerdere miljoenen ponden sterling in aandelen van eerstgenoemde beleggen en vervolgens aan de nominale waarde van deze aandelen, nieuwe aandelen uitgeven, maar een helft in preferred en de andere in deferred. In deze gevallen worden de oorspronkelijke aandelen verdubbeld, omdat het de basis is van een nieuwe uitgave van aandelen. – F.E.}
[95] {Hoe sterk dit sindsdien nog is gestegen, blijkt uit de volgende officiële tabel betreffende de bankreserves van de vijftien grootste Londense banken in november 1892; overgenomen uit de Daily News van 15 december 1892:

BankPassiva £Cashreserve £in %
City 9.317.629746.5518.01
Capital and Counties 11.392.7441.307.48311.47
Imperial 3.987.400447.15711.22
Loyds 23.800.9372.966.80612.46
London and Westminster 24.671.5593.818.88515.50
London and S. Western 5.570.268812.35314.58
London Joint Stock 12.127.9931.288.97710.62
London and Midland 8.814.4991.127.28012.79
London and County 37.111.0353.600.3749.70
National 11.163.8291.426.22512.77
National Provincial 41.907.3844.614.78011.01
Parrs and the Alliance 12.794.4891.532.70711.98
Prescott and Co. 4.041.058538.51713.07
Union of London 15.502.6182.300.08414.84
Williame, Deacon, and Manchester & Co. 10.452.3811.317.62812.60
Total 232.655.82327.845.80711.97

Van die bijna 28 miljoen reserve is minstens 25 miljoen gedeponeerd bij de Bank of England, met ten hoogste 3 miljoen contant in de kluizen van de 15 banken. Maar de cashreserve van het banking department van de Bank of England bedroeg in die zelfde maand november 1892 minder dan 16 miljoen! – F.E.}
[96] {Het schorsen van de bankwet van 1844 veroorlooft de bank om naar wens bankbiljetten uit te geven, ongeacht een dekking ervan door het goud in hun bezit; dus naar wens de creatie van hoeveelheden fictief papieren geldkapitaal en te gebruiken met het oog op leningen aan banken en wisselmakelaars, en via hen de handel.}