Differentiaalrente 2 – Tweede geval: dalende productieprijs


De productieprijs kan dalen wanneer extra kapitaalinvesteringen plaatsvinden met een constante, dalende of stijgende productiviteitsgraad.

1. Onveranderde productiviteit van de extra kapitaalinvestering

Dit gaat ervan uit dat op de verschillende soorten grond, overeenkomstig hun respectievelijke kwaliteit, het product in dezelfde mate toeneemt als het geïnvesteerde kapitaal. Dit betekent, bij een gelijk blijvend verschil van de gronden, een proportionele toename van het surplusproduct aan de proportionele toename van de kapitaalinvestering. Dit geval sluit dus iedere invloed uit op de differentiaalrente, van de bijkomende kapitaalinvestering in grond A. Voor deze grond is de voet van de surpluswinst = 0; ze blijft dus = 0, daar we veronderstellen dat de productiviteit van het extra kapitaal en daarmee de surpluswinstvoet, constant blijven.

Maar de regulerende productieprijs kan onder deze voorwaarden alleen dalen, omdat in plaats van de productieprijs van A, die van de volgende betere grond B, of een andere betere grond dan A, regulerend wordt; het kapitaal gaat dus weg van A, of ook van A en B, als de productieprijs van grond C de regulerende wordt, dus alle slechtere grond uit de concurrerende tarwevelden duwt. De voorwaarde hiervoor is, onder de gegeven veronderstellingen, dat het bijkomende product van de extra kapitaalinvesteringen, de behoeften bevredigt, daarom is de productie van de mindere grond A enz., overbodig voor het realiseren van het aanbod.

Nemen we bv. tabel II, maar zo, dat in plaats van 20 qrs. er 18 voldoen aan de behoeften. A zou vervallen; en B [1e oplage: D] samen met de productieprijs van 30 sh. per qr., wordt regulerend. De differentiaalrente neemt dan deze vorm aan:


Tabel IV

grondsoort acre
kapitaal
£

winst
£

productiekosten
£

product
qrs.

verkoopprijs
£

opbrengst
£

rente
qrs.

rente
£
surpluswinstvoet
B 1 5 1 6 4 11/2 6 0 0 0 %
C 1 5 1 6 6 11/2 9 2 3 60 %
D 1 5 1 6 8 11/2 12 4 6 120 %
Totaal 3 15 3 18 18
27 6 9

Dus de totale rente, vergeleken met tabel II zou zijn gedaald van £36 naar 9 en het graan van 12 qrs. naar 6, de totale productie slechts 2 qrs., van 20 naar 18. De surpluswinstvoet, berekend op het kapitaal, zou zijn gedaald tot een derde, van 180 naar 60 % [1e oplage: zou gehalveerd zijn van 180 tot 90 %]. De dalende productieprijs stemt hier dus overeen met de daling van de graan- en geldrente.

Vergeleken met tabel I, is er alleen een daling van de geldrente; de graanrente is telkens 6 qrs., maar in het ene geval is dit = £18, in het andere = £9. Voor grond C [1e oplage: C en D] is de graanrente vergeleken met tabel I, gelijk gebleven. Inderdaad is het door de bijkomende productie uit het gelijkvormig werkende kapitaal dat de opbrengst van A uit de markt is gestoten en daarmee is de A-grond uitgeschakeld als concurrerend en vormt zich een nieuwe differentiaalrente 1, waar de betere grond B dezelfde rol speelt als vroeger de mindere A-grond. Daardoor vervalt enerzijds de rente van B; anderzijds is er niets veranderd in het verschil tussen B, C en D door de investering van extra kapitaal. Daarom daalt het deel van het product dat verandert in rente.

Het resultaat zou anders zijn indien – om te voldoen aan de vraag met uitsluiting van A – het geïnvesteerde kapitaal verdubbeld was voor C of D, of beide, dan stelt de zaak zich anders. Wanneer bv. de kapitaalinvestering in C verdrievoudigt:

Tabel IVa

grondsoort acre
kapitaal
£

winst
£

productiekosten
£

product
qrs.

verkoopprijs
£

opbrengst
£

rente
qrs.

rente
£
surpluswinstvoet
B 1 5 1 6 4 11/2 6 0 0 0 %
C 1 71/2 11/2 9 9 11/2 131/2 3 41/2 60 %
D 1 5 1 6 8 11/2 12 4 6 120 %
Totaal 3 171/2 31/2 21 21
311/2 7 101/2

Vergeleken met tabel IV, is hier het product in C gestegen van 6 qrs. tot 9, het surplusproduct van 2 qrs. naar 3, de geldrente van £3 naar £41/2. Vergeleken met tabel II, waar de geldrente £12 was en tabel I waar het £6 was, is ze echter gedaald. De totale rental in graan = 7 qrs. is gedaald vergeleken met tabel II (12 qrs.), gestegen vergeleken met Tab. I (6 qrs.); in geld (£101/2) is het gedaald vergeleken met beide (£18 en £36).

Zou de derde kapitaalinvestering van £21/2 in grond B gebeurd zijn, had dit wel de hoeveelheid productie gewijzigd, maar niet de rente, omdat de opeenvolgende kapitaalinvesteringen, volgens onze veronderstelling, geen verschil produceren met dezelfde grondsoort en grond B geen rente geeft.

Maar stel dat de derde kapitaalinvestering gebeurde in D in plaats van C, dan:


Tabel IVb

grondsoort acre
kapitaal
£

winst
£

productiekosten
£

product
qrs.

verkoopprijs
£

opbrengst
£

rente
qrs.

rente
£
surpluswinstvoet
B 1 5 1 6 4 11/2 6 0 0 0 %
C 1 5 1 6 6 11/2 9 2 31/2 60 %
D 1 71/2 11/2 9 12 11/2 18 6 9 120 %
Totaal 3 171/2 31/2 21 22
33 8 12

Het totale product is hier 22 qrs., meer dan het dubbele van tabel I, hoewel het geïnvesteerde kapitaal slechts £171/2 is, tegen £10, niet eens dubbel zo groot. Het totale product is verder 2 qrs. groter dan dat van tabel II, hoewel het voorgeschoten kapitaal in de laatste groter is, nl. £20.

Vergeleken met tabel I is de graanrente op de D-grond, toegenomen van 3 [1e oplage: 2 qrs.] tot 6, terwijl de geldrente met £9 gelijk is gebleven. Vergeleken met tabel II is de graanrente van D gelijk gebleven aan 6 qrs., maar de geldrente is gedaald van £18 naar £9.

Kijken we naar de totale rente, is de graanrente van tabel IVb = 8 qrs. groter dan van I = 6 qrs. en die van IVa = 7 qrs.; maar kleiner dan van tabel II = 12 qrs. De geldrente van IVb = £12 is groter dan IVa = £101/2 en kleiner dan die van tabel I = £18 en van II = £36.

Opdat met het wegvallen van de rente op B, onder de condities van tabel IVb, de totale rental gelijk is aan tabel I, moeten we nog £6 surpluswinst hebben, dus 4 qrs. aan £11/2, wat de nieuwe productieprijs is. We hebben dan weer een totale rental van £18 zoals in tabel I. De grootte van het hiervoor vereiste bijkomende kapitaal zal variëren naargelang we het in C of D investeren of verdelen tussen de twee.

Bij C geeft een kapitaal van £5, 2 qrs. surplusproduct, dus geeft £10 bijkomend kapitaal een bijkomend surplusproduct van 4 qrs. Bij D zal een extra £5 volstaan om de 4 qrs. bijkomende graanrente te produceren, onder de veronderstelling dat de productiviteit van de extra kapitaalinvestering hier gelijk blijft. Dat geeft de volgende tabel:


Tabel IVc

grondsoort acre
kapitaal
£

winst
£

productiekosten
£

product
qrs.

verkoopprijs
£

opbrengst
£

rente
qrs.

rente
£
surpluswinstvoet
B 1 5 1 6 4 11/2 6 0 0 0 %
C 1 15 3 18 18 11/2 27 6 9 60 %
D 1 71/2 11/2 9 12 11/2 18 6 9 120 %
Totaal 3 271/2 51/2 33 34
51 12 18

Tabel IVd

grondsoort acre
kapitaal
£

winst
£

productiekosten
£

product
qrs.

verkoopprijs
£

opbrengst
£

rente
qrs.

rente
£
surpluswinstvoet
B 1 5 1 6 4 11/2 6 0 0 0 %
C 1 5 1 6 6 11/2 9 2 3 60 %
D 1 121/2 21/2 15 20 11/2 30 10 15 120 %
Totaal 3 221/2 41/2 27 30
45 12 18

De totale geld rental zou precies de helft zijn van dat wat het in tabel II was, waar het bijkomende kapitaal geïnvesteerd was bij constante productieprijzen.

Maar het belangrijkste is om bovenstaande tabellen met tabel I te vergelijken.
We zien dat bij een daling van de productieprijs met de helft, van 60 naar 30 sh. per qr., de totale geld rental hetzelfde is gebleven, = £18, en dienovereenkomstig de graanrente verdubbelde, van 6 qrs. naar 12. In B is de rente verdwenen; voor C is de geldrente met de helft gestegen in IVc, maar gehalveerd in IVd; in D is ze onveranderd = £9 in IVc en van £9 gestegen naar £15 in IVd. De productie is van 10 qrs. naar 34 gegaan in IVc en naar 30 qrs. in IVd; de winst van £2 naar 51/2 in IVc en 30 qrs. in IVd; de winst van £2 tot 51/2 in IVc en naar 41/2 in IVd. De totale investering is in het ene geval gestegen van £10 naar £271/2, en in de andere van £10 naar 221/2, in beide gevallen dus meer dan verdubbeld. De rentevoet, de rente berekend op het voorgeschoten kapitaal, is in alle tabellen van IV tot IVd, voor elk type grond overal hetzelfde, wat al een implicatie was van de veronderstelling dat de productiviteitsvoet van de twee opeenvolgende investeringen in elke grondsoort gelijk blijvend was. Maar vergeleken met tabel I is deze gedaald, gemiddeld voor alle soorten grond én voor iedere afzonderlijke. In tabel I was het gemiddeld = 180 %, en in IVc = 18/27 1/2 × 100 = 655/11 % en in IVd = 18/22 1/2 × 100 = 80 %. De gemiddelde geldrente per acre is gestegen. In tabel I was het gemiddelde vroeger, voor alle 4 acres, £41/2 per acre en is nu, in IVc en d, voor de 3 acres £6 per acre. Het gemiddelde van de rentegevende grond was vroeger £6, nu £9 per acre. De geldwaarde van de rente per acre is dus verhoogd en vertegenwoordigt tweemaal het graanproduct als voorheen; maar de 12 qrs. graanrente zijn nu minder dan de helft van het totale product van 34 respectievelijk 30 qrs [1e oplage: 33 respectievelijk 27 qrs.], terwijl in tabel I de 6 qrs. het totale product van 10 qrs. uitmaken. Hoewel de rente dus, bekeken als een evenredig deel van het totale product, gedaald is, en ook berekend op het geïnvesteerde kapitaal, is de geldwaarde per acre berekend, gestegen en de productenwaarde nog meer. Nemen we grond D in tabel IVd, dan zijn de productiekosten [1e oplage: geïnvesteerde productiekosten] = £15, waarvan het geïnvesteerde kapitaal = £121/2 De geldrente is = £15. In tabel I waren voor dezelfde grond D de productiekosten = £3, het geïnvesteerde kapitaal = £21/2 en de geldrente = £9, de laatste dus drie keer de kosten van de productie en bijna vier keer van het kapitaal. In tabel IVd is voor D de geldrente van £15 precies gelijk aan de productiekosten en slechts ongeveer 1/5 groter dan het kapitaal. Niettemin is de geldrente per acre zowat 2/3 groter, £15 in plaats van £9. In I is de graanrente van 3 qrs. = 3/4 van het totale product van 4 qrs.; in IVd is het 10 qrs., of de helft van het totale product (20 qrs.) per acre van D. Het toont dat de geld- en graanwaarde, de rente per acre kan doen stijgen, hoewel het een kleiner evenredig deel is van de totale opbrengst en in verhouding tot het voorgeschoten kapitaal gedaald is.

De waarde van het totale product in tabel I = £30 en de rente = £18, meer dan de helft ervan. De waarde van het totale product van IVd is = £45, waarvan £18 rente, minder dan de helft.

De reden nu waarom, ondanks de prijsdaling van £11/2 per qr., dus zowat 50 % en ondanks de reductie van de concurrerende grond van 4 acres naar 3, de totale geldrente hetzelfde blijft en de graanrente verdubbelt, terwijl graan- en geldrente, per acre berekend, stijgen, ligt aan het feit dat er meer qrs. surplusproduct worden geproduceerd. De graanprijs daalt met 50 %, het meerproduct neemt toe met 100 %. Maar om dit resultaat tot stand te brengen, moet de totale productie onder onze voorwaarden drievoudig toenemen en de kapitaalinvestering in de betere gronden meer dan verdubbelen. In welke verhouding het laatste toeneemt, hangt allereerst af van de verdeling van de bijkomende investeringen tussen de betere en de beste grondsoorten, altijd in de veronderstelling dat de productiviteit van het kapitaal groeit in verhouding tot elk type grond en de omvang ervan.

Is de daling van de productieprijzen kleiner, dan is er minder extra kapitaal nodig om dezelfde geldrente te produceren. Is de aanvoer, nodig om A uit cultuur te gooien groter – en dit hangt niet alleen af van het product per acre van A, maar ook van het proportionele aandeel van A in het totale bebouwde gebied –, is dus de benodigde aanvoer hiervoor groter, dan ook de hoeveelheid bijkomend kapitaal in de betere grond, dan zou, bij verder gelijk blijvende omstandigheden, geld- en graanrente nog meer toegenomen zijn, hoewel beide vervallen bij grond B.

Was het weggevallen kapitaal van A = £5, dan zouden voor dit geval de te vergelijken tabellen II en IVd zijn. Het totale product zou toegenomen zijn van 20 naar 30 qrs. De geldrente zou maar half zo groot zijn, £18 in plaats van £36; de graanrente zou hetzelfde zijn = 12 qrs.

Zou men in D een totaal product van 44 qrs. = £66 met een kapitaal van = £271/2 produceren – volgens de oude prijs voor D, van 4 qrs. per £21/2 kapitaal – dan kwam de totale rental terug op het niveau van II, met deze tabel:

grondsoort kapitaal £ product qrs. graanrente qrs. geldrente £
B 5 4 0 0
C 5 6 2 3
D 271/2 44 22 33
Totaal 371/2 54 24 36


De totale productie zou 54 qrs. zijn, tegen 20 qrs. in tabel II, en de geldrente bleef = £36. Het totale kapitaal zou echter £371/2 zijn, waar het in tabel II = 20 was. Het totale geïnvesteerde kapitaal is bijna verdubbeld, terwijl de productie bijna verdrievoudigt; de graanrente verdubbelt en de geldrente blijft gelijk. Daalt dus de prijs als gevolg van het investeren van extra geldkapitaal, met behoud van de productiviteit, in de betere rentegevende gronden, dat zijn alle gronden beter dan A, dan heeft het totale kapitaal de tendens niet in dezelfde verhouding toe te nemen, zoals de productie en de graanrente; zodat door de toegenomen graanrente de door de dalende prijs ontstane vermindering van de geldrente kan gecompenseerd worden. Dezelfde wet manifesteert zich ook in het feit dat het voorgeschoten kapitaal naar verhouding groter moet zijn, als het in C dan in D geïnvesteerd wordt, in de minder rentegevende dan in de meer rentegevende grond. Het is eenvoudig: opdat de geldrente hetzelfde blijft of toeneemt, moet een bepaalde hoeveelheid extra surplusproduct worden geproduceerd, en hoe groter de vruchtbaarheid van de gronden die een surplusproduct geven, vraagt dit des te minder kapitaal. Zou het verschil tussen B en C en C en D nog groter zijn, dan zou er nog minder extra kapitaal nodig zijn. De specifieke verhouding hangt af van 1. de verhouding waarin de prijs daalt, dus van het verschil tussen B, nu zonder rente, en grond A, eerder zonder rente; 2. van de verhouding van het verschil tussen de betere B-grondsoorten in stijgende zin; 3. van de hoeveelheid nieuw geïnvesteerd extra kapitaal en 4. van de verdeling ervan over de verschillende bodemkwaliteiten.

In feite zien we dat de wet niets anders uitdrukt dan wat we al in het eerste geval ontwikkeld hebben: dat als de productieprijs gegeven is, wat ook de grootte is, de rente kan stijgen als gevolg van de bijkomende kapitaalinvestering. Want door de eliminatie van A is er nu een nieuwe differentiaalrente 1 met B, die nu de slechtste grond is en met £11/2 per qr. de nieuwe productieprijs is. Dit geldt voor de tabellen IV, alsmede voor tabel II. Het is dezelfde wet, behalve dat grond B in plaats van A, en de productieprijs is £11/2, in plaats van £3, het uitgangspunt is.

Het belangrijke punt is: voor zover er zus en zo extra kapitaal nodig was om het kapitaal van grond A weg te halen en te voldoen aan de vraag, zien we dat dit kan samengaan met een constante, stijgende of dalende rente per acre, zij het niet voor alle gronden, dan toch voor enkele van de in doorsnee bewerkte gronden. We hebben gezien dat de graan- en geldrente zich niet uniform verhouden. Maar het is slechts door traditie dat de graanrente nog een rol heeft in de economie. Men kan ook stellen dat bv. een fabrikant met zijn winst van £5 veel meer van zijn eigen garen kan kopen, dan vroeger met een winst van £10. Dit laat zien dat de heren grondbezitters, wanneer ze tegelijkertijd bezitter of partner zijn van manufacturen, van suiker, brandewijn enz., bij een dalende geldrente als producenten van hun eigen grondstoffen nog steeds een aanzienlijke winst kunnen maken.[126]

2. Dalende productiviteit van het extra kapitaal

Het leidt in dit opzicht tot niets nieuws, dan dat de productieprijs ook hier, als in het vorige geval, kan dalen, indien de bijkomende kapitaalinvesteringen in de betere A-gronden, de productie van A overbodig maakt, waardoor het kapitaal aan A onttrokken wordt, of A wordt gebruikt voor een andere productie. Dit geval is eerder uitvoerig besproken. We hebben aangetoond dat de graan- en geldrente per acre kan toenemen, afnemen of gelijk blijven.
Voor het gemak van het vergelijken reproduceren we allereerst:


Tabel I

grondsoort

acres

kapitaal £

winst £

productiekosten
per qrs./£
product qrs.

graanrente £

geldrente £

surpluswinstvoet

A 1 21/2 1/2 3 1 0 0 0 %
B 1 21/2 1/2 11/2 2 1 3 120 %
C 1 21/2 1/2 1 3 2 6 240 %
D 1 21/2 1/2 3/4 4 3 9 360 %
Totaal 4 10

10 6 18 180 % gemiddeld

Nemen we aan dat de 16 qrs. geleverd door B, C, D, met een dalende productiviteitsvoet, volstaan om A uit de cultuur te houden, dan verandert tabel II als volgt:


Tabel V

grondsoort acres kapitaalinvestering £ winst £ product qrs. verkoopprijs £ opbrengst £ graanrente qrs. geldrente £ surpluswinstvoet
B 1 21/2 + 21/2 1 2 + 11/2 = 31/2 15/7 6 0 0 0 %
C 1 21/2 + 21/2 1 3 + 2 = 5 15/7 84/7 11/2 24/7 513/7 %
D 1 21/2 + 21/2 1 4 + 31/2 = 71/2 15/7 125/7 4 66/7 1371/7 %
Totaal 3 15
16
273/7 51/2 93/7 942/7 % gemiddeld

[1e oplage: 512/5 %, 1371/5 %, en 943/10 %. Engels berekent hier en in de volgende tabellen enkel het gemiddelde van de rentegevende grondsoorten; gemiddelde B – D = 626/7 %]

Hier, met een dalende productiviteit van de bijkomende kapitalen en met een verschillende daling in de verschillende soorten gronden, daalt de regulerende productieprijs van £3 naar £15/7. De kapitaalinvestering is met de helft gestegen van £10 naar £15. De geldrente is gedaald met bijna de helft, van £18 naar £93/7, maar de graanrente slechts ongeveer tot 1/12, van 6 qrs. naar 51/2. Het totale product is gestegen van 10 naar 16 of rond de 60 % [1e oplage: rond de 160 %]. De graanrente is iets meer dan een derde van het totale product. Het geïnvesteerde kapitaal verhoudt zich tot de geldrente als 15 : 93/7, terwijl de vroegere verhouding 10 : 18 was.

3. Stijgende productiviteit van het extra kapitaal

Dit verschilt van variant I in het begin van dit hoofdstuk, waar de productieprijs daalt bij gelijk blijvende productiviteitsvoet, door niets anders dan dat – als een gegeven extra product nodig is om grond A uit te sluiten – dit sneller gebeurt.

Zowel bij dalende als bij stijgende productiviteit kunnen bijkomende kapitaalinvesteringen een ongelijk effect hebben, naargelang de verdeling van de investering tussen de verschillende soorten gronden. Naarmate dit verschillend effect de verschillen uitvlakt of verscherpt zal de differentiaalrente van de betere gronden dalen of stijgen en dus ook de totale rental, zoals reeds gezien bij differentiaalrente 1. Voor de rest hangt alles af van de grootte van de percelen en het kapitaal, dat samen met A uitgesloten wordt, en van het relatieve kapitaalvoorschot, dat nodig is bij een stijgende productiviteit om het bijkomend product te leveren om aan de vraag te voldoen.

Het enige punt dat hier waard is om te onderzoeken, en ons steeds terugvoert naar het onderzoek op welke wijze de differentiaalwinst verandert in differentiaalrente, is:
In het eerste geval is het extra kapitaal geïnvesteerd in grond A als zodanig niet van belang voor de differentiaalrente, aangezien grond A als voorheen geen rente geeft, de productieprijs hetzelfde blijft en verder de markt blijft reguleren.
In het tweede geval, variant 1, waar de productieprijs daalt bij een zelfde graad van productiviteit, daalt grond A noodzakelijkerwijs, en zelfs meer in variant 2 (dalende productieprijs met dalende productiviteitsvoet), omdat anders het extra kapitaal in grond A de productieprijs zou verhogen. Maar hier, in variant 3 van het tweede geval, waar de productieprijs daalt omdat de productiviteit van het extra kapitaal stijgt, kan dit extra kapitaal eventueel net zo goed in grond A als in betere gronden geïnvesteerd worden.

Laat ons aannemen dat een extra kapitaal van £21/2, geïnvesteerd in A, in plaats van 1 qr., een 11/5 qr. produceert.


Tabel VI

grondsoort acre
kapitaal
£

winst
£

productiekosten
£

product
qrs.

verkoopprijs
£

opbrengst
£

rente
qrs.

rente
£
surpluswinstvoet
A 1 21/2+21/2=5 1 6 1+11/5=21/5 28/11 6 0 0 0 %
B 1 21/2+21/2=5 1 6 2+22/5=43/5 28/11 12 21/5 6 120 %
C 1 21/2+21/2=5 1 6 3+33/5=63/5 28/11 18 42/5 12 240 %
D 1 21/2+21/2=5 1 6 4+44/5=84/5 28/11 24 62/5 18 360 %
Totaal 4 20 4 24 22
60 131/5 36 240 %

Deze tabel is vergelijkbaar, behalve met basistabel I, ook met tabel II, waar de dubbele kapitaalinvestering met een constante productiviteit, evenredig gekoppeld is aan de kapitaalinvestering.

Volgens de veronderstelling daalt de regulerende productieprijs. Bleef het constant, = £3, dan zou de slechtste grond, vroeger met slechts een kapitaalinvestering van £21/2 in de niet-rentegevende grond A, nu een rente geven, zonder dat slechtere grond in cultuur komt; omdat de productiviteit verhoogde, maar alleen voor een deel van het kapitaal, niet voor het oorspronkelijke. De eerste £3 productiekosten brengt 1 qr. op; de tweede 11/5.; maar het gehele product van 21/5 qrs. wordt nu verkocht tegen de gemiddelde prijs. Daar de productiviteitsvoet toeneemt met het investeren van bijkomend kapitaal, bevat dit een verbetering. Deze kan bestaan uit een algemene toename van meer kapitaal per acre (meer meststof, meer mechanische arbeid, enz.) of ook, en dat is alleen mogelijk met dit extra kapitaal, een kwalitatief andere, productievere investering, van het kapitaal toe te passen. In beide gevallen geeft het investeren van £5 kapitaal per acre een productie van 21/2 qrs., terwijl met de kapitaalinvestering van de helft, £21/2, slechts een productie geeft van 1 qr. Het product van grond A zou, afgezien van tijdelijke marktverhoudingen, slechts verder verkocht worden tegen een hogere productieprijs in plaats van de nieuwe gemiddelde prijs, zolang een aanzienlijke oppervlakte van de A-grond verder bewerkt wordt met een kapitaal van slechts £21/2 per acre. Zodra echter de nieuwe verhouding van £5 kapitaal per acre, en daarmee een beter beheer, zich veralgemeent, moet de regulerende productieprijs dalen naar £28/11. Het onderscheid tussen de twee gedeelten van het kapitaal zou vervallen en in feite zou een acre van A, slechts met £21/2 bebouwd abnormaal zijn, niet bewerkt volgens de voorwaarden van de nieuwe productie. Het is dan niet langer een kwestie van onderscheid van de opbrengst tussen de kapitaaldelen in dezelfde acre, maar tussen een voldoende en onvoldoende totale investering van kapitaal per acre. Ten eerste ziet men dat onvoldoende kapitaal in handen van een groot aantal pachters (het moet een groot aantal zijn, omdat een klein aantal zou gedwongen worden onder hun productieprijs te verkopen) een zelfde effect heeft als de differentiëring van de soorten grond in een dalende lijn. De slechtere cultuur van de slechtere grond verhoogt de rente van de betere; het kan zelfs op een beter bewerkte grond een rente veroorzaken met een even slechte grondkwaliteit, die anders geen opbrengst heeft. Ten tweede ziet men dat de differentiaalrente, voor zover ze afkomstig is uit opeenvolgende kapitaalinvesteringen in hetzelfde totale gebied, in werkelijkheid zich oplost in een gemiddelde, waarin de effecten van de verschillende investeringen niet meer zichtbaar en herkenbaar zijn en dus geen rente produceert in de slechtste grond, maar 1. de gemiddelde prijs van de totale opbrengst tot, zeg, een acre van A, de nieuwe regulerende prijs is, en 2. verschijnt als een verandering in de totale hoeveelheid kapitaal per acre, nodig onder de nieuwe voorwaarden om te voldoen aan de cultuur van de grond en waarin zowel de afzonderlijke opeenvolgende kapitaalinvesteringen en de respectievelijke effecten onherkenbaar versmolten zijn. Net zo verhoudt het zich tot de afzonderlijke differentiaalrenten van de betere gronden. In elk geval worden zij bepaald door het verschil van het gemiddelde product van de betreffende grond, vergeleken met het product van de mindere grond, bij de verhoogde, nu normaal geworden, kapitaalinvestering.

Geen enkele grond geeft een product zonder een kapitaalinvestering. Zelfs bij de eenvoudige differentiaalrente, differentiaalrente 1; wanneer het daar heet dat 1 acre van A, die de productieprijs reguleert, zo en zoveel product tegen die en die prijs geeft en de betere gronden B, C, D, zo veel differentiaalproduct en dus bij de regulerende prijs zo en zoveel geldrente opbrengt, dan is altijd verondersteld dat een bepaald kapitaal, onder de gegeven productievoorwaarden als normaal beschouwd, wordt geïnvesteerd. Zoals in de industrie elke bedrijfstak een zeker minimum aan kapitaal nodig heeft om de waren aan de productieprijs te kunnen produceren.

Wijzigt zich dit minimum als gevolg van opeenvolgende investeringen, verweven met de dezelfde grondverbeteringen, dan gebeurt dit geleidelijk. Zolang een bepaald aantal acres, bv. van A, dit bijkomende bedrijfskapitaal niet krijgt wordt de rente gevormd in de beter bewerkte acres van A, door de constant gebleven productieprijs en ontstaat er een hogere rente in de betere gronden B, C, D. Zodra echter de nieuwe exploitatie zich zo heeft veralgemeend dat ze normaal is geworden, daalt de productieprijs; de rente in de betere gronden daalt opnieuw en het deel van de grond A, dat geen gemiddeld bedrijfskapitaal bezit, moet verkopen onder zijn individuele productieprijs, d.w.z. onder de gemiddelde winst verkopen.

Met een dalende productieprijs gebeurt dit ook, zelfs met een afnemende productiviteit van het extra kapitaal, zodra als gevolg van de toegenomen kapitaalinvesteringen het vereiste totale product van de betere grond, en dus bv. het bedrijfskapitaal van A wordt teruggetrokken, A niet meer concurreert met de productie van een product, bv. tarwe. Het kwantum kapitaal dat gemiddeld in de nieuwe regulerende betere grond B wordt ingezet, geldt nu als normaal; en als we spreken over de verschillende vruchtbaarheid van de gronden, wordt verondersteld dat deze nieuwe normale hoeveelheid kapitaal per acre wordt gebruikt. Aan de andere kant is het duidelijk dat deze gemiddelde kapitaalinvestering, bv. £8 per acre in Engeland vóór, en £12 na 1848, de norm is bij het sluiten van pachtcontracten. Voor de pachter die meer uitgeeft, verandert de surpluswinst niet in rente voor de duur van het contract. Of dit gebeurt aan het einde van het contract, hangt af van de concurrentie tussen de pachters die in staat zijn hetzelfde extra voorschot te maken. We spreken hier niet van een permanente grondverbetering die, bij gelijke of zelfs dalende kapitaaluitgave, verzekeren dat de verhoogde productie blijvend is. Hoewel een product van het kapitaal, hebben zij hetzelfde effect als de natuurlijke differentiaalboniteit van de grond.

Men ziet dus dat er een bijkomende factor is bij differentiaalrente 2, die zich bij de differentiaalrente 1 als zodanig niet ontwikkelt, omdat deze onafhankelijk kan blijven bestaan van elke wijziging in de normale kapitaalinvestering per acre. Enerzijds is er de vervaging van de resultaten van de verschillende kapitaalinvesteringen in de regulerende grond A, waarvan het product nu gewoon weergegeven wordt als een normale gemiddelde opbrengst per acre. Anderzijds is er de verandering in een normaal minimum of in de gemiddelde grootte van de kapitaalinvestering per acre, zodat deze verandering wordt voorgesteld als een eigenschap van de grond. Uiteindelijk is het het verschil in de wijze waarop de verandering van de surpluswinst in de vorm van rente gebeurt.

Tabel VI toont verder, vergeleken met tabel I en II, dat de graanrente tegenover I meer dan verdubbelde, tegenover II voor 11/2 qr. is gestegen; terwijl de geldrente ten opzichte van I verdubbelde, maar niet veranderde tegenover II. Het zou aanzienlijk toenemen indien (bij verder gelijk blijvende condities) meer van het bijkomende kapitaal werd toegewezen aan de betere grondsoorten, of als aan de andere kant het effect van het extra kapitaal in A geringer had geweest, zou de regulerende gemiddelde prijs van het qr. van A hoger zijn.

Werkt de hogere vruchtbaarheid door middel van extra kapitaal verschillend voor de verschillende soorten grond, dan geeft dit veranderingen in de differentiaalrente.

In ieder geval is het bewezen dat met een dalende productieprijs als gevolg van een hogere productiviteit van de extra kapitaalinvestering – zodra de productiviteit in verhouding meer toeneemt dan het kapitaalvoorschot – de rente per acre, bv. bij een verdubbelde kapitaalinvestering, zich niet enkel verdubbelt, maar meer dan verdubbelt. Maar ze kan ook dalen, als de productieprijs daalt als gevolg van een snelle toename van de productiviteit van de A-grond de productieprijs veel lager daalde.

Gesteld dat extra kapitaalinvesteringen, bv. in B en C, de productiviteit niet in dezelfde verhouding verhoogd zoals bij A, zodat bij B en C, de proportionele verschillen afnemen, en dat de toename van de productie niet de dalende prijs compenseert, dan zou, vergeleken met tabel II, de rente bij D stijgen, B en C zouden dalen.


Tabel VIa

grond acres kapitaal £ winst £ product per acre verkoopprijs £ opbrengst £ graanrente qrs. geldrente £
A 1 21/2+21/2=5 1 1 + 3 = 4 11/2 6 0 0
B 1 21/2+21/2=5 1 2 + 21/2 = 41/2 11/2 63/4 1/2 3/4
C 1 21/2+21/2=5 1 3 + 5 = 8 11/2 12 4 6
D 1 21/2+21/2=5 1 4 + 12 = 16 11/2 24 12 18
Totaal 4 20
321/2

161/2 243/4

Uiteindelijk stijgt de geldrente indien in de betere velden met eenzelfde proportionele toename van vruchtbaarheid, meer extra kapitaal geïnvesteerd wordt als bij A of wanneer de extra kapitaalinvesteringen in de betere velden een stijgende productiviteit veroorzaakt. In beide gevallen zouden de verschillen toenemen.

De geldrente daalt wanneer de verbetering, als gevolg van bijkomende kapitaalinvesteringen, de verschillen gezamenlijk of gedeeltelijk verkleint en meer effect heeft in A dan B en C. Ze daalt des te meer, hoe geringer de verhoging van de productiviteit van de beste velden is. Het hangt af van de mate van ongelijkheid die ontstaat, of de graanrente stijgt, daalt of stabiel blijft.

Geld- en graanrente stijgen, wanneer beide bij gelijk blijvende proportionele verschillen in de extra vruchtbaarheid van de verschillende gronden, meer kapitaal in de rentegevende grond wordt gestopt dan in de renteloze A, en meer in de grond met een hogere rente dan met een lagere, of als de vruchtbaarheid, met hetzelfde extra kapitaal, meer toeneemt bij de betere en beste grond dan bij A, en wel in de verhouding dat de toename van de vruchtbaarheid in de hogere grond categorieën, groter is dan in de lagere.

Maar onder alle omstandigheden stijgt de rente relatief indien de toename van de productiviteit het resultaat is van extra kapitaal en niet alleen gevolg is van de toegenomen vruchtbaarheid met een constante kapitaalinvestering. Dit is het absolute gezichtspunt, waaruit blijkt dat hier, net als in alle eerdere gevallen, de rente en de verhoogde rente per acre (zoals bij differentiaalrente 1 in het hele bebouwde gebied – de hoogte van de gemiddelde rentals) het gevolg is van een toegenomen kapitaalinvestering in de grond, of deze nu met constante productiviteitsvoet bij constante of dalende prijzen, of met afnemende productiviteitsvoet bij constante of dalende prijzen, of met stijgende productiviteitsvoet bij dalende prijzen fungeert. Want onze veronderstelling: constante prijs met constante dalende of stijgende productiviteitsvoet van de bijkomende kapitalen en dalende prijs met constante, dalende of stijgende productiviteitsvoet lost zich op in: een constante productiviteitsvoet van het extra kapitaal bij een constante of dalende prijs, een dalende productiviteitsvoet bij constante of dalende prijzen, stijgende productiviteitsvoet met constante en dalende prijs. Hoewel in al deze gevallen de rente stabiel kan blijven of kan dalen, zou deze nog meer dalen als de aanwending van de extra kapitalen, bij verder gelijk blijvende omstandigheden, geen voorwaarde was van een grotere vruchtbaarheid. Het extra kapitaal is dan ook altijd de oorzaak van de relatieve hoogte van de rente, hoewel ze absoluut gedaald is.

_______________
[126] De bovenstaande tabellen IVa tot IVd moesten wegens een continue rekenfout worden omgerekend. Het beïnvloedde niet de theoretische conclusies getrokken uit deze tabellen, maar gaf gedeeltelijk zeer monsterlijke numerieke waarden van de productie per acre. In principe zijn ook deze niet aanstootgevend. Op alle reliëf, hoogte- en profielkaarten neemt men een veel grotere schaal voor de verticalen dan de horizontalen. Wie zich toch in zijn agrarisch hart gekwetst voelt, heeft nog altijd de vrijheid het aantal acres te vermenigvuldigen met een hem welgevallig getal. Men kan ook in tabel I in plaats van 1, 2, 3, 4 qrs. per acre, 10, 12, 14, 16, bushels (8 = 1 qrs.) invullen, de afgeleide numerieke waarden in de andere tabellen blijven dan binnen de grenzen van de waarschijnlijkheid; men zal zien dat het resultaat, de verhouding van de rentestijging tot de kapitaalstijging, helemaal op hetzelfde neerkomt. Dit is gedaan door de samensteller in het volgende hoofdstuk, in de bijgaande tabellen. – F.E.